Verduistering

 Kernpunten

  • De penningmeester (een vrouw) heeft € 33.400,80 van [eiseres – de vereniging] verduisterd door dat met valse omschrijvingen naar twee rekeningen, waaronder minimaal één eigen rekening, over te boeken.   Dit staat vast.
  • ” Op 3 juli 2019 is [gedaagde – de penningmeester] door de politierechter veroordeeld in verband met de verduisteringen bij [eiseres] . In het kader van de strafzaak is strafrechtelijk beslag op de auto van [gedaagde] gelegd.”
  • De uitspraak gaat verder over procedurele verwikkelingen zodat de vereniging het geld van de verkoop van de auto krijgt van de politie (van het Openbaar Ministerie).

http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBNHO:2020:7612

Inhoudsindicatie
Terugbetaling van door penningmeester verduisterde geldbedragen aan vereniging. Hoofdsom erkend. Beslagkosten toegewezen. Buitengerechtelijke kosten afgewezen, onvoldoende gesteld dat incassowerkzaamheden zijn verricht.

2De feiten

2.1.

[gedaagde] is medio 2017 toegetreden tot het bestuur van [eiseres] , in de functie van penningmeester. Vanuit die functie had zij vanaf 4 september 2017 toegang tot de bankrekening van [eiseres] . Tussen 6 september 2017 en medio 2018 heeft [gedaagde] (minimaal) € 33.400,80 van [eiseres] verduisterd door dat met valse omschrijvingen naar twee rekeningen, waaronder minimaal één eigen rekening, over te boeken.

2.2.

Namens [eiseres] is op 14 september 2018 aangifte gedaan van fraude.

2.3.

Tussen 1 en 8 oktober 2018 hebben (de gemachtigde van) [eiseres] en [gedaagde] per e-mail contact gehad over een terugbetalingsregeling. Op 5 oktober heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] ge-e-maild: ‘Uw mail met daarin een nieuw voorstel om uw schuld van € 33.400,80 vermeerderd met rente aan [eiseres] Haarlem terug te betalen heb ik in goede orde ontvangen.
Om te beginnen mis ik in uw voorstel hetgeen u mij telefonisch wel had gezegd, namelijk dat u ook uw vakantiegeld en alle andere extraatjes van uw werkgever zou gebruiken om de betreffende schuld af te lossen.


Het gaat immers om een bedrag van ruim € 33.000,- vermeerderd met wettelijke rente en als u € 500,- per maand gaat betalen bent u in ieder geval nog ongeveer zes jaar bezig om uw schuld af te lossen. […] als u één termijn van € 500,- niet betaalt vervalt de regeling en zal ik namens cliënte alsnog de dagvaarding tegen u laten uitreiken.’

2.4.

Op die e-mail is door [gedaagde] gereageerd: ‘ [eiseres] kan ervan op aan dat ik de schuld netjes en zo snel mogelijk zal terug betalen.
Naast de 500 per maand zal ik daarnaast ook zoals telefonisch met u heb besproken maar niet in de mail heb benoemt, in de maanden juni en december een extra bedrag van 500 euro aflossen aan [eiseres] . […]’

2.5.

[gedaagde] heeft tussen 4 oktober 2018 en 27 juni 2019 € 5.500,- aan [eiseres] betaald. Na 27 juni 2019 heeft [gedaagde] geen betalingen meer aan [eiseres] gedaan.

2.6.

Op 3 juli 2019 is [gedaagde] door de politierechter veroordeeld in verband met de verduisteringen bij [eiseres] . In het kader van de strafzaak is strafrechtelijk beslag op de auto van [gedaagde] gelegd.

2.7.

Bij e-mail van 5 augustus 2019 heeft [gedaagde] op verzoek van de gemachtigde van [eiseres] toestemming gegeven om de opbrengst van de auto direct aan [eiseres] over te maken. Naar aanleiding van die toestemming heeft de gemachtigde van [eiseres] contact gehad met het ‘afpakteam Noord-Holland’ van het Openbaar Ministerie (‘OM’), en heeft de gemachtigde van [eiseres] het OM gevraagd of deze bevestiging van mevrouw [gedaagde] voldoende was om de opbrengst van de verkoop van de auto rechtstreeks aan [eiseres] over te maken. Het OM heeft op die vraag bij e-mail van 6 augustus 2019 gereageerd: ‘Het volgende kan ik u melden, het is niet mogelijk om het voorwerp aan uw cliënt over te dragen. Mw. [gedaagde] heeft afstand gedaan van het voorwerp, hierdoor zou het voorwerp aan de staat vervallen.
Uw cliënt heeft geen titel om het voorwerp overgedragen te krijgen. Een executoriale of conservatoire titel zou de oplossing zijn om het voorwerp te kunnen overdragen aan uw cliënt.’

2.8.

Op 12 augustus 2019 heeft de gemachtigde van [eiseres] [gedaagde] per e-mail geschreven: ‘Ik heb van de penningmeester van [eiseres] begrepen dat u over de maand juni slechts € 500,- heeft betaald, terwijl u volgens afspraak ook uw vakantiegeld zou gebruiken om af te lossen op uw schuld. Bovendien vertelde de penningmeester mij dat u over de maand juli helemaal niets heeft betaald.
Dat betekent dus dat er een aanzienlijke achterstand is in de terugbetaling van uw schuld.
Namens cliënte verzoek ik u – en voor zover nodig sommeer ik u – die achterstand binnen vijf dagen na heden in te lopen bij gebreke waarvan ik cliënte zal adviseren civielrechtelijke incassomaatregelen tegen u te nemen.
De kosten daarvan komen uiteraard voor uw rekening.’

2.9.

Bij e-mail van dezelfde dag heeft de gemachtigde van [gedaagde] onder andere gereageerd: ‘Aangaande de betalingsregeling kan ik u melden dat cliënte thans niet meer in staat is om de maandelijks overeengekomen bedragen te voldoen. Dit komt er ergo op neer dat cliënte uw cliënte op dit moment helaas niets te bieden heeft. Als dit anders wordt zal zij uiteraard haar verplichtingen weer voort zetten.
Cliënte erkent de schuld en heeft zelfinzicht getoond. Een nu nog door te lopen buitengerechtelijk incassotraject (middels incasso- of deurwaarderskantoor), waar u cliënte bij e-mail heden over heeft bericht, is gelet op deze uiteenzetting van feiten volstrekt kansloos. U weet net zo goed als ik dat dit de kosten bij cliënte nodeloos hoger doet oplopen. Uw cliënte schiet daar verder ook niets meer op.
Wat mij en cliënte betreft mag u rechtsreeks over gaan tot het dagvaarden van cliënte, zodat u hiermee op korte termijn naar alle waarschijnlijkheid een titel in handen hebt om verder te executeren. Daarna moet de deurwaarder maar kijken of er verder verhaal kan worden genomen op cliënte […]’

2.10.

De auto is op 16 augustus 2019 verkocht voor een bedrag van € 6.280,-.

2.11.

Bij verzoekschrift van 19 augustus 2019 heeft [eiseres] de Voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem verzocht haar verlof te verlenen om te laste van [gedaagde] conservatoir beslag tot afgifte van (de opbrengst) van de auto te doen leggen onder het OM. Het verlof om conservatoir beslag te mogen leggen is op 20 augustus verleend.

2.12.

Op 29 oktober 2019 heeft het Ministerie van Justitie en Veiligheid een bedrag van € 6.294,79 aan [eiseres] betaald, onder vermelding van de omschrijving: ‘[…] Teruggave gelden / [gedaagde] ’

Jezelf als bestuurder een vergoeding geven

 Kernpunten

  • In feite hebben [de twee bestuursleden] dus geld aan zichzelf betaald ten laste van [de vereniging], terwijl de functie van bestuurslid bij [de vereniging] onbezoldigd is én terwijl hun positie onhoudbaar was geworden. [De subsidiegever] had het vertrouwen in hen immers opgezegd. Tenslotte is van belang dat de leden van deze betalingen of de vaststellingsovereenkomsten niet op de hoogte zijn gesteld. Er is aan de leden geen instemming gevraagd of de mogelijkheid gegeven om iemand aan te wijzen de vereniging te vertegenwoordigen wegens het tegenstrijdige belang van de bestuurders (artikel 2:47 BW).
  • Artikel 2:47 BW per 18.11.2020: ” In alle gevallen waarin de vereniging een tegenstrijdig belang heeft met een of meer bestuurders[…] kan de algemene vergadering een of meer personen aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen.” Dit wetsartikel zal worden gewijzigd.

ECLI:NL:RBGEL:2020:5944

vonnis

in de zaak van

de vereniging met volledige reechtsbevoegdheid Renkumse Huurders Vereniging

gevestigd te gemeente Renkum

eisende partij

tegen

[gedaagde]

wonende te [woonplaats]

gedaagde partij

procederend in persoon

Partijen worden hierna RHV en [gedaagde] genoemd.

1De procedure

2De feiten

2.1.

RHV stelt zich blijkens haar statuten onder meer ten doel:

Het behartigen van de belangen van de bewoners en ingeschreven woningzoekenden voor huurwoningen van Vivare te Renkum welke belangenbehartiging betrekking heeft op zowel de woningen als de woonomgeving.

2.2.

Vanaf 1 januari 2018 tot 17 juli 2018 vormden [gedaagde] en [naam 1] (hierna: [naam 1]) het bestuur van RHV.

2.3.

Vivare en RHV hebben naar aanleiding van problemen in de samenwerking op 5 juli 2018 aan [gedaagde] en [naam 1] een aangetekende brief gestuurd. In die brief is het vertrouwen in genoemde bestuursleden opgezegd. De samenwerking, alsmede subsidiebetaling, is opgeschort tot het moment waarop een volwaardig nieuw bestuur zal zijn geformeerd.

2.4.

Het dossier bevat een vaststellingsovereenkomst van 11 juli 2018 tussen RHV, vertegenwoordigd door een derde, zijnde [naam 2], en [gedaagde]. In de vaststellingsovereenkomst staat in de overwegingen onder meer dat verkend is onder welke voorwaarden [gedaagde] zijn bestuursfunctie wenst te beëindigen. In de vaststellingsovereenkomst staat onder meer:

12. RHV zal aan [gedaagde] binnen 14 dagen na heden een eenmalige vergoeding uitkeren á €4000,00.

2.5.

Een gelijkluidende vaststellingsovereenkomst is opgemaakt tussen RHV en [naam 1].

2.6.

Op 12 juli 2018 is een bedrag van € 4.000,- vanaf de rekening van RHV aan [gedaagde] overgemaakt onder vermelding van ‘Conform vaststellingsovereenkomst’.

2.7.

Op 13 juli 2018 is een bedrag van € 4.000,- vanaf de rekening van RHV aan [naam 1] overgemaakt onder vermelding van ‘Conform vaststellingsovereenkomst’.

2.8.

Het huidige bestuur van RHV heeft – nadat zij bekend raakten met de betalingen – in oktober 2019 [gedaagde] en [naam 1] verzocht om genoemde bedragen terug te betalen.

2.9.

Na vergeefse sommaties heeft RHV in februari 2020 overleg gehad met [gedaagde] over terugbetaling. Daarop volgde een e-mail van [gedaagde] van 22 februari 2020 waarin hij aangaf bereid te zijn om € 2.000,- terug te betalen. Dit voorstel is door RHV per e-mail van 27 februari 2020 verworpen.

2.10.

[naam 1] is op 29 februari 2020 overleden. Zijn erven hebben daarna een minnelijke regeling getroffen met RHV, waarbij zij een bedrag van € 4.000,- aan RHV hebben terugbetaald.

3De vordering en het verweer

3.1.

RHV vordert dat de kantonrechter [gedaagde] veroordeelt om aan haar te betalen:

primair:

€ 4.279,94, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 april 2020 en € 775,00 aan buitengerechtelijke kosten;

subsidiair:

€ 4.140,08, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 6 april 2020 en € 525,00 aan buitengerechtelijke kosten;

zowel primair als subsidiair:

de proceskosten en nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na dagtekening van het vonnis.

3.2.

RHV baseert haar vordering, tegen de achtergrond van de vaststaande feiten, op de volgende – zakelijk weergegeven – stellingen. Er ontbreekt een rechtsgrond voor de betalingen. Bestuursleden van RHV verrichten hun taken immers onbezoldigd.

Primair is er sprake van interne bestuurdersaansprakelijkheid ex artikel 2:9 BW. [gedaagde] is daarom volledig aansprakelijk voor het onttrokken bedrag van € 8.000,- voor de betalingen aan [gedaagde] en [naam 1]. [gedaagde] kan als bestuurder van RHV hiervoor een ernstig persoonlijk verwijt worden gemaakt. De erven van [naam 1] hebben een bedrag van € 4.000,- voldaan, zodat [gedaagde] nog aansprakelijk is voor het restant van € 4.279,94, bestaande uit hoofdsom en wettelijke rente.

Subsidiair is er sprake van onrechtmatige daad en meer subsidiair van onverschuldigde betaling. Daarnaast heeft [gedaagde] ondanks sommaties heeft verschuldigde bedrag niet voldaan, zodat hij ook buitengerechtelijke kosten verschuldigd is.

3.3.

[gedaagde] voert als verweer dat de betaling van het bedrag van € 4.000,- een uitvloeisel is uit de tussen RHV en [gedaagde] gesloten vaststellingsovereenkomst. Deze vaststellingsovereenkomst is namens RHV aangegaan door, de door het bestuur daarvoor gemachtigde, Roguski. Roguski had geen tegenstrijdig belang en heeft de overeenkomst onafhankelijk kunnen opstellen. Daarnaast voert [gedaagde] aan dat hij de eveneens in de vaststellingsovereenkomst genoemde werkzaamheden, gericht op een goede overdracht, heeft uitgevoerd.

4De beoordeling

4.1.

RHV legt aan haar vordering primair interne bestuurdersaansprakelijkheid ex. artikel 2:9 BW ten grondslag. In genoemd artikel staat dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon is gehouden tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. Voor aansprakelijkheid is vereist dat de bestuurder ([gedaagde]) zijn bestuurszaak niet behoorlijk heeft uitgeoefend en hem daarvoor een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Of van een ernstig verwijt sprake is, dient te worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval.

4.2.

In dit geval heeft [gedaagde] (met [naam 1]) een derde gemachtigd om RHV te vertegenwoordigen om vaststellingsovereenkomsten met [gedaagde] (en [naam 1]) te sluiten. In de vaststellingsovereenkomsten is vastgelegd dat [gedaagde] en [naam 1] ieder recht hebben op een bedrag van € 4.000,-. Daarna hebben [gedaagde] en [naam 1] ervoor gezorgd dat deze bedragen daadwerkelijk aan henzelf zijn uitbetaald. In feite hebben zij dus geld aan zichzelf betaald ten laste van RHV, terwijl de functie van bestuurslid bij RHV onbezoldigd is én terwijl hun positie onhoudbaar was geworden. Vivare had het vertrouwen in hen immers opgezegd. Tenslotte is van belang dat de leden van deze betalingen of de vaststellingsovereenkomsten niet op de hoogte zijn gesteld. Er is aan de leden geen instemming gevraagd of de mogelijkheid gegeven om iemand aan te wijzen de vereniging te vertegenwoordigen wegens het tegenstrijdige belang van de bestuurders (artikel 2:47 BW).

4.3.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [gedaagde], gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden, zijn taak als bestuurder niet naar behoren uitgeoefend en kan hem daarvoor een ernstig verwijtbaar worden gemaakt. Er is geen objectivering voor de betaling van € 4.000,- die [gedaagde] zelf heeft bewerkstelligd. Dat [gedaagde] heeft gezorgd voor een goede overgang van bestuurstaken kan niet als grond voor betaling worden gezien. Dit behoorde tot zijn – onbezoldigde – taak als bestuurder. Het ongenoegen en/of frustratie van [gedaagde] over de rol van Vivare is evenmin een rechtvaardiging voor de betaling. [gedaagde] is daarom aansprakelijk voor de door RHV geleden schade. Dat [gedaagde] aanvoert dat hij zich heeft gehouden aan zijn verplichtingen volgend uit de vaststellingsovereenkomst, maakt het voorgaande niet anders.

4.4.

Gelet op het in artikel 2:9 BW bepaalde, is [gedaagde] daarbij aansprakelijk voor het geheel van de schade (oftewel hij is hoofdelijk aansprakelijk). Hij is daarom geheel aansprakelijk voor de aan hem en [naam 1] overgemaakte bedrag van € 8.000,- vermeerderd met wettelijke rente. Hierop strekt de terugbetaling door de erven van [naam 1] van € 4.000,- in mindering, zodat een bedrag van € 4.279,94, vermeerderd met rente vanaf 6 april 2020, door [gedaagde] moet worden voldaan. Dit deel van de vordering wordt daarom toegewezen.

4.5.

De kantonrechter acht voldoende aannemelijk gemaakt dat RHV buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht dan wel heeft laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt. Dat een derde de buitengerechtelijke kosten heeft voldaan, maakt niet dat de vordering moet worden afgewezen. De hoogte van het gevorderde bedrag (€ 775,-) is in overeenstemming met de tarieven die zijn weergegeven in het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en die geacht worden redelijk te zijn. De vordering is daarom toewijsbaar.

4.6.

[gedaagde] wordt in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten dragen.

De gevorderde nakosten zullen worden begroot op een bedrag van € 120,00 zijnde een half salarispunt van het toe te wijzen salaris van de gemachtigde met een maximum van € 120,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. De rente over de proceskosten wordt toegewezen vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis.

5De beslissing

De kantonrechter

5.1.

veroordeelt [gedaagde] om aan RHV te betalen een bedrag van € 5.054,94 te vermeerderen met de wettelijke rente over € 4.279,94 vanaf 6 april 2020 tot aan de dag van volledige betaling;

5.2.

veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, tot deze uitspraak aan de kant van RHV begroot op € 108,37 aan dagvaardingskosten, € 499,00 aan griffierecht, € 600,00 aan salaris voor de gemachtigde en € 120,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van het vonnis en, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, te vermeerderen met de explootkosten van betekening van het vonnis;

5.3.

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Frauderende penningmeester kan decharge niet inroepen

Kernpunten

  • De oud-penningmeester wordt aansprakelijk gesteld voor fraude door hemzelf (pr. De penningmeester beroept zich op de descharge door de ALV. 
  • De descharge werkt niet. Een decharge werkt namelijk alleen voor ‘handelingen [door de penningmeester daadwerkelijk aan de algemene vergadering bekend zijn gemaakt, hetzij door middel van verstrekking van de balans van baten en lasten, hetzij door middel van de toelichting daarop, hetzij door middel van de toelichting van de kascommissie [aan de ALV]”, volgens het hof. Het is niet voldoende dat leden van de kascommissie weten de betalingen. 
  • Het hof geeft aan dat het juist is, “het verweer van [de penningmeester] dat aan hem tot en met het boekjaar 2009 decharge is verleend niet zonder meer doel treft omdat dechargeverlening zich niet uitstrekt tot frauduleuze onttrekkingen die door manipulatie van de boeken niet uit de jaarrekening en verslaglegging kenbaar zijn, juist is.” Kortom, de penningmeester komt met alleen een beroep op de descharge niet aan zijn aansprakelijkheid voor zijn fraude.
  • Het hof laat de veroordeling van de rechtbank in stand dat penningmeester ongeveer € 40.000 moet betalen aan de vereniging, vermeerder met ongeveer  € 21.000 proceskosten (waaronder ongeveer € 15.000 voor een door de rechtbank benoemde accountant als deskundige), met daar nu bovenop ongeveeer € 8.000 proceskosten in hoger beroep.
  • Het is dan weer jammer dat het hof de vereniging aanduidt als ” vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid”. Dat moet natuurlijk zijn “vereniging met volledige rechtsbevoegdheid” .
een door de algemene vergadering verleende decharge zich alleen uitstrekt tot die handelingen die daadwerkelijk aan de algemene vergadering bekend zijn gemaakt, hetzij door middel van verstrekking van de balans van baten en lasten, hetzij door middel van de toelichting daarop, hetzij door middel van de toelichting van de kascommissie. Daarbij geldt de restrictie dat onttrekkingen of betalingen die door manipulatie van de boeken niet uit de verstrekte balans van baten en lasten en/of de verslaglegging aan de algemene vergadering kenbaar zijn niet onder reikwijdte van een verleende decharge vallen. Voor toerekening van kennis van bijvoorbeeld een individueel lid, maar ook van een controlerend accountant of een kascommissie aan de algemene vergadering is geen plaats 

over de reikwijdte van een decharge door de algemene vergadering bestrijdt, geldt het volgende. Een decharge strekt zich slechts uit tot die informatie ten aanzien van het handelen van een bestuurder, die aan de algemene vergadering is verstrekt. In het bijzonder kan niet worden aanvaard dat een decharge zich ook zou uitstrekken tot informatie waarover een individueel lid van de vereniging uit anderen hoofde – buiten het verband van de algemene vergadering – de beschikking heeft gekregen, of tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering zijn bekendgemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde (Hoge Raad 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243). Met de aard van het ontslag van aansprakelijkheid dat voortvloeit uit decharge is in overeenstemming dat zodanige decharge zich niet uitstrekt tot frauduleuze onttrekkingen of betalingen die door manipulatie van de boeken niet uit de jaarrekening en de verslaglegging aan de algemene vergadering kenbaar zijn (Hoge Raad 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2332).

ECLI:NL:GHSHE:2020:1433

arrest van 28 april 2020

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid [sic!]
Nederlandse Bond van Dansleraren,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eiseres in verzet,
oorspronkelijk geïntimeerde,
hierna aan te duiden als NBD,

tegen

[gedaagde in verzet] ,
wonend te [woonplaats] ,
gedaagde in verzet,
oorspronkelijk appellant,
hierna aan te duiden als [gedaagde in verzet] ,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 december 2018 ingeleide verzet tegen het onder zaaknummer 200.221.626/01 bij verstek gewezen arrest van dit hof van 16 oktober 2018 tussen NBD als geïntimeerde en [gedaagde in verzet] als appellant.

1Het verstekarrest van 16 oktober 2018

Bij arrest van 16 oktober 2018 heeft het hof de door [gedaagde in verzet] bestreden vonnissen van 8 januari 2014 (zo volgt uit 3.4. van het arrest) en 22 februari 2017, gewezen door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, vernietigd, het door NBD gevorderde afgewezen en NBD in de proceskosten van [gedaagde in verzet] in eerste aanleg en in hoger beroep veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad.

2Het geding in verzet

3De beoordeling

3.1.

Als gevolg van het verzet van NBD ligt het hoger beroep van [gedaagde in verzet] opnieuw ter beoordeling voor. Hoewel [gedaagde in verzet] in zijn appeldagvaarding de vernietiging vordert van de vonnissen van de rechtbank van 17 september 2014 en 22 februari 2017, volgt uit zijn memorie van grieven dat het hoger beroep is gericht tegen de vonnissen van 8 januari 2014 en 22 februari 2017.
3.2.1.

De rechtbank heeft in het tussenvonnis van 8 januari 2014 de feiten vastgesteld die zij voor haar beoordeling relevant achtte. Tegen die vaststelling zijn geen grieven gericht. In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.
3.2.2.

[gedaagde in verzet] is op 1 oktober 1996 tot bestuurslid van NBD benoemd. In de periode van 1 september 2000 tot 1 oktober 2011 heeft hij in het bestuur van NBD de functie van penningmeester vervuld.
3.2.3.

NBD gaf tot en met het boekjaar 2001 aan haar accountant de opdracht de jaarrekening samen te stellen en te controleren. Na controle van de jaarrekening gaf de accountant een accountantsverklaring af. Vanwege de hoge kosten die met een controleopdracht aan de accountant gepaard gingen gaf NBD vanaf het boekjaar 2002 niet langer een controleopdracht aan haar accountant. Vanaf het boekjaar 2002 werd de door [gedaagde in verzet] aangeleverde financiële administratie door een kascommissie, bestaande uit leden van NBD, gecontroleerd. Die controle vond onder andere plaats op basis van de grootboekrekeningen.
3.2.4.

De ledenvergadering van NBD heeft [gedaagde in verzet] , zijnde in functie benoemd penningmeester, tot en met het boekjaar 2009 op voorspraak van de kascommissie steeds decharge verleend.
3.2.5.

Medio 2011 heeft de voorzitter van NBD op persoonlijke titel een accountant gevraagd een onderzoek in te stellen naar de door [gedaagde in verzet] gevoerde financiële administratie. [gedaagde in verzet] had desgevraagd administratieve bescheiden aan NBD afgegeven. Naar aanleiding van het accountantsonderzoek heeft NBD aangifte gedaan van vermeende door [gedaagde in verzet] gepleegde strafbare feiten. Deze aangifte heeft geleid tot een sepotbeslissing. De klacht daartegen bij het gerechtshof heeft geen succes gehad.
3.2.6.

Na op 25 april 2012 verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank heeft NBD op 8 mei 2012 conservatoir beslag laten leggen op diverse onroerende zaken van [gedaagde in verzet] .
3.3.1.

In deze procedure vordert NBD, na wijziging van eis,
a. voor recht te verklaren dat [gedaagde in verzet] jegens NBD onrechtmatig heeft gehandeld, althans dat sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde in verzet] als bestuurder van NBD en dat [gedaagde in verzet] jegens NBD aansprakelijk is voor de financiële gevolgen daarvan;
b. veroordeling van [gedaagde in verzet] tot betaling van € 366.640,72 als vergoeding voor de door NBD geleden schade, vermeerderd met wettelijke rente;
c. veroordeling van [gedaagde in verzet] in de proceskosten inclusief beslagkosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.3.2.

Aan deze vordering heeft NBD, kort samengevat, ten grondslag gelegd dat [gedaagde in verzet] gedurende de periode dat hij penningmeester van NBD was onrechtmatig jegens NBD heeft gehandeld, althans zijn taak als bestuurder/penningmeester onbehoorlijk heeft vervuld. NBD verwijt [gedaagde in verzet] dat hij in de periode van januari 2001 tot en met september 2011 kasopnames heeft gedaan zonder dat daarvoor een verantwoording is, privékosten ten laste van NBD heeft betaald, overboekingen heeft verricht zonder dat daarvoor een verantwoording is, betalingen aan zichzelf tweemaal heeft verricht en betalingen aan derden heeft verricht zonder dat daarvoor een grondslag is. Ter onderbouwing van de hoogte van haar schade heeft NBD bij akte na comparitie per boekjaar (behoudens de boekjaren 2004 en 2005) een overzicht met onderbouwing in het geding gebracht (producties 3 t/m 12). In die akte heeft zij daarbij onderscheid gemaakt tussen voor haar onverklaard gebleven boekingen en volgens haar onjuiste betalingen.
3.3.3.

[gedaagde in verzet] heeft verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.4.1.

In het tussenvonnis van 8 januari 2014 heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen.
“4.4. Ten aanzien van de categorie onverklaarde kasopnames, onverklaarde stortingen en dubbele betalingen geldt, zoals [gedaagde in verzet] terecht heeft aangevoerd, dat NBD waar het gaat om de periode 2001 tot en met 2009 [gedaagde in verzet] nu niet meer ter verantwoording kan roepen omdat hem door de algemene ledenvergadering van NBD op voorspraak van de kascommissie over deze periode decharge is verleend. Als er sprake zou zijn van betalingen die vragen oproepen, had het op de weg van de kascommissie respectievelijk leden van NBD gelegen om hier opheldering over te vragen, maar niet is gesteld of gebleken dat dit is gebeurd.
(…)
Dit betekent dat [gedaagde in verzet] naar het oordeel van de rechtbank ter zake van deze categorie bedragen alleen over de periode 1-1-2010 tot 1-10-2011 (het tijdstip waarop het penningmeesterschap van [gedaagde in verzet] is geëindigd) verantwoording aan NBD verschuldigd is.
(…)

4.5.

Ten aanzien van vermeende onterechte betalingen, bestaande uit onbevoegde en onterechte betalingen aan zich zelf en privébetalingen treft het verweer van [gedaagde in verzet] dat aan hem tot en met het boekjaar 2009 decharge is verleend niet zonder meer doel. De dechargeverlening strekt zich niet uit tot frauduleuze onttrekkingen die door manipulatie van de boeken niet uit de jaarrekening en verslaglegging kenbaar zijn (verg. HR 25 juni 2010, LJN BM2332).
(…)

4.8. (…)


Voor zover [gedaagde in verzet] aanspraak meent te maken op een hoger bedrag dan € 12.000,- per jaar (hof: als vergoeding voor zijn werkzaamheden als penningsmeester) dat bij wijze van verweer verrekend moet worden met de eventuele vordering van NBD, verwerpt de rechtbank deze ingenomen stelling nu de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen (art. 6:136 BW).”
De rechtbank heeft voorts een deskundigenonderzoek aangekondigd naar de deugdelijkheid van de financiële verantwoording van [gedaagde in verzet] als penningmeester over de periode van 1 januari 2010 tot 1 oktober 2011 en naar de vraag of de volgens NBD over de periode van 2001 tot en met 2009 onterecht onttrokken bedragen als frauduleuze onttrekkingen zijn aan te merken.

3.4.2.

In het tussenvonnis van 17 september 2014 heeft de rechtbank een deskundigenonderzoek bevolen en de registeraccountant H.P.W. Lammers als deskundige benoemd ter beantwoording van de door de rechtbank geformuleerde vragen.
3.4.3.

In het eindvonnis van 22 februari 2017 heeft de rechtbank onder andere het volgende overwogen.
“(…)

2.2.

De deskundige is in haar rapport aan de hand van de gestelde vragen tot de volgende conclusies gekomen:
Met betrekking tot de boekjaren 2010 en 2011 (tot 1-10-2011)
1. Sluit de jaarrekening 2010 aan bij de door [gedaagde in verzet] gevoerde administratie over deze periode?
“Conclusie m.b.t. vraag 1
Op basis van de gemaakte aansluiting van de jaarrekening 2010 op de saldibalans 2010 blijkt dat hiertussen geen aansluiting bestaat.
Het resultaat volgens jaarrekening 2010 komt uit op een resultaat van € 3.506,32 positief. Uit de saldibalans blijkt verder dat het resultaat (saldo) over voorgaande jaren niet is verwerkt in de boekhouding, dit staat nog als apart saldo in de saldibalans, zie Bijlage 2, blz. 1”

Uit deze Bijlage 2 blijken onder het kopje Resultaat voorgaande jaren de volgende verschillen:
Resultaat vo[o]rgaande jaren – 415,74
Saldo 2009 – 29.848,63
Saldo 2010 – 395,32

2. Heeft [gedaagde in verzet] over de periode 1-1-2010 tot 1-10-2011 een inzichtelijke boekhouding/administratie gevoerd?
“Conclusie m.b.t. vraag 2
Uit de vastleggingen in het grootboek blijkt dat bij betalingen die rechtstreeks op de grootboekrekening zijn geboekt, grotendeels alleen het bankafschriftnummer is vermeld als toelichting, regelomschrijvingen ontbreken grotendeels. Bij geboekte inkoopfacturen zijn slechts sporadisch regelomschrijvingen vermeld, grotendeels zijn alleen het inkoopfactuurnummer en de eerste letters van de leveranciers vermeld. Bij memoboekingen is grotendeels in het geheel geen omschrijving vermeld, bij memoboekingen is alleen het boekstuknummer en de periode vermeld.

Op grond hiervan is naar mijn mening geen sprake van een administratie die voldoet aan de eisen die gesteld kunnen worden aan inzichtelijkheid zoals hiervoor benoemd, namelijk:
– Informatiebron: door het onvolledig vermelden van gegevens bij een boeking wordt niet voldaan aan de eis dat de administratie een informatiebron is.
– Tijdigheid verwerken. Door betalingen te boeken op de laatste dag van de maand i.p.v. op de werkelijke dag, blijkt niet of de verwerking tijdig is.
– Duidelijke omschrijving: door het onvolledig of niet vermelden van de gegevens bij een boeking wordt niet voldaan aan de eis dat de omschrijving duidelijk is.
De overige aspecten, volledige verwerking en juiste verwerking, hebben wij niet kunnen nagaan. Op grond van de bevindingen m.b.t. de ontbrekende omschrijvingen en de niet tijdige boeking van betalingen, kan dat niet verder worden onderzocht.”

3. Zijn de grootboekrekeningen, kruisposten en vraagposten over deze periode correct verwerkt in de boekhouding/administratie en sluiten deze posten aan bij de jaarrekening 2010 en 2011.
“Conclusie m.b.t. vraag 3
Aansluiting van de grootboekrekeningen, kruisposten en vraagposten
Voor 2010 blijkt dat voor een groot aantal grootboekrekeningen geen aansluiting bestaat met de jaarrekening omdat de saldibalans 2010 met betrekking tot deze posten niet aansluit op de jaarrekening.
Zie bijlage 2 waarin dit is weergegeven. Verwezen wordt naar de toelichting bij vraag 1.
Ook bestaat voor een groot aantal grootboekrekeningen van 2010 geen directe aansluiting van de mutaties 2010 met de saldibalans omdat de beginbalans 2010 niet op basis van de jaarrekening is verwerkt. Zie hiervoor Bijlage 3.”

Uit deze Bijlage 3 blijken onder het kopje Resultaat voorgaande jaren de volgende verschillen:
Resultaat vo[o]rgaande jaren – 3.578,00
Saldo 2009 29.848,63

“Voor 2011 is een aansluiting van het grootboek/administratie waarvoor [gedaagde in verzet] verantwoordelijk was, dus tot 1-9-2011, niet mogelijk omdat de jaarrekening 2011 betrekking heeft op een geheel jaar.
Ook voor 2011 geldt dat geen directe aansluiting bestaat tussen de mutaties volgens de grootboekrekeningen en de saldibalans 2011. Zie Bijlage 4.”

Uit deze Bijlage 4 blijken onder het kopje Resultaat voorgaande jaren de volgende verschillen:
Resultaat vo[o]rgaande jaren 415,74
Saldo 2009 29.848,63
Saldo 2010 3.506,32

 Correcte verwerking van de grootboekrekeningen, kruisposten en vraagposten in de boekhouding
Door het niet direct aansluiten van de mutaties van de grootboekrekeningen op de saldibalans in verband met het niet inboeken van de juiste beginbalans, en door het feit dat de saldibalans 2010 niet aansluit op de jaarrekening, kan niet gesteld worden dat de grootboekrekeningen, kruisposten en vraagposten correct zijn verwerkt in de boekhouding. Er waren blijkbaar nog veel correcties nodig om tot de jaarrekeningen 2010 en 2011 te komen. (…)”

4. Voor zover geen sprake is van correcte verwerking in de boekhouding /administratie, kunt u toelichten en specifiek aangeven welk(e) bedrag(en) niet deugdelijk is (zijn) verantwoord?
“Werkzaamheden en conclusie m.b.t. vraag 4
Op basis van onze werkzaamheden voor vraag 3, volgen we onderstaand de bevindingen ten aanzien van de posten die naar mijn mening niet deugdelijk zijn verwerkt in de boekhouding/administratie:
2010
– 2 kasopnamen in augustus 2010 geboekt op [kruisposten 1] Kruisposten:,
€ 500 (kasopname in [plaats 1] ) en € 750 (kasopname in [plaats 2] ), beide via bankafschrift [bankafschrift] .
In december 2010 zijn deze beide posten (samen € 1.250) via een memoriaalpost overgeboekt naar grootboekrekening [incasso onderweg] Incasso onderweg.
Deze boeking lijkt mij daarom niet deugdelijk.

– Kasopname 12-8-2010 van € 3.000 op [kruisposten 1] Kruisposten. Deze post komt niet voor op grootboekrekening [kas] Kas. De boeking lijkt daarom niet deugdelijk.
– Overboeking van [kruisposten 1] Kruisposten ad € 1.250 (zie hiervoor) en restafboeking € 259,72 in december 2010 op Incasso onderweg. Deze boekingen zijn niet onderbouwd en niet duidelijk is waarvoor deze dienen. Daarom zijn deze boekingen niet deugdelijk.
2011
– Het saldo op [kruisposten 2] Kruisposten debiteuren volgens het grootboek, gevoerd door [gedaagde in verzet] bedraagt € 1.116,72. In de jaarrekening 2011 komt dit saldo niet voor. Blijkbaar is dit saldo in de jaarrekening gecorrigeerd, waarmee het saldo op deze grootboekrekening niet deugdelijk was.
– Het saldo op [kruisposten 1] Kruisposten per 4-11-2011 (printdatum) bedraagt € 6.250. Het saldo bestaat uit de volgende posten:
* € 1.250, betreft een kasopname te [plaats 2] , met omschrijving “congres 2011”
* € 5.000, betreft een kasopname te [plaats 2] , met omschrijving “congres 2011”
In de jaarrekening 2011 komt geen saldo meer voor op kruisposten. Blijkbaar is dit saldo in de jaarrekening gecorrigeerd, waarmee het saldo op deze grootboekrekening niet deugdelijk was.”

– Het saldo op [incasso onderweg] Incasso onderweg per 4-11-2011 (printdatum) bedraagt € -274,15. Dit saldo betreft diverse boekingen die niet aan de hand van de bankafschriften zijn na te gaan, omdat de geboekte saldi hierop niet zijn te traceren. In de jaarrekening 2011 is geen saldo van deze post aanwezig, zodat deze post blijkbaar is gecorrigeerd, waarmee het saldo van deze rekening niet deugdelijk was.”
Met betrekking tot de boekjaren 2001 tot en met 2009 behoudens de jaren 2004 en 2005
5. Zijn de onder 4.7. van het tussenvonnis van 8 januari 2014 volgens NBD onterecht door [gedaagde in verzet] onttrokken bedragen als frauduleuze onttrekkingen aan te merken?
“Conclusie m.b.t. vraag 5
Bij het nagaan van de genoemde posten uit het vonnis blijkt een aantal posten wel en een aantal posten niet als frauduleus te kunnen worden aangemerkt. Verwezen wordt naar het overzicht met toelichting per post in Bijlage 17.”

Uit deze bijlage 17 blijkt dat de volgende posten als frauduleus zijn aangemerkt:
2001
2002
2003
€ 702,10
€ 1.158,92
2004
blijft buiten beschouwing
2005
blijft buiten beschouwing
2006
€ 1.885,59
€ 399,00
2007
€ 429,27
€ 248,12
€ 289,17
€ 1.072,98
2008
€ 3.160,64
€ 47,80
€ 6.353,00
€ 189,28
€ 119
€ 1.210,23
€ 1.750,49
€ 2.688,21
2009
€ 410
€ 96,40
€ 456,51
€ 535,50
€ 19,35
€ 20,00
€ 334,99
€ 1.790,95
€ 125,63
€ 803,25
€ 1.254,26
€ 140,42
€ 107,00

6. Waren deze frauduleuze onttrekkingen bij (jaarlijkse) controle van de boekhouding voor de kascommissie redelijkerwijs waarneembaar en zo ja op welk moment en voor welk bedrag?
“Conclusie m.b.t. vraag 6
Op basis van raadpleging van de notulen van de ledenvergaderingen in relatie tot de genoemde als frauduleus aangemerkte bedragen, de verantwoording in de boekhouding en in de jaarrekening, is de conclusie dat de bedragen zodanig waren “verstopt” in de boekhouding doordat geen omschrijvingen werden gegeven bij de boekhouding, facturen ontbraken of niet juist waren gerubriceerd, dat deze posten niet waarneembaar waren voor de Financiële commissie omdat deze plausibel leken. De Financiële commissie had veel vertrouwen in [gedaagde in verzet] , wat diverse malen is uitgesproken. Het is mogelijk dat dit vertrouwen een kritischer houding in de weg stond.”

7. Heeft u nog overige opmerkingen die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn?
Nee, ik heb geen overige opmerkingen dan de reeds genoemde die voor de beoordeling van de zaak van belang zouden kunnen zijn.
(…)

2.5.

De rechtbank overweegt het volgende.
Met betrekking tot de boekjaren 2010 en 2011 (tot 1-10-2011) concludeert de deskundige onomwonden dat de administratie niet aan de eisen van inzichtelijkheid voldoet (onvolledig, ontijdig en onduidelijk). Ter zake van de boekjaren 2001 tot en met 2009 behoudens de jaren 2004 en 2005 heeft de deskundige de nodige als frauduleus aan te merken handelingen geconstateerd. Deze constateringen zijn door [gedaagde in verzet] niet gemotiveerd weersproken.
De onder a gevorderde verklaring voor recht dat [gedaagde in verzet] jegens NBD onrechtmatig heeft gehandeld, althans dat er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde in verzet] en dat hij jegens NBD aansprakelijk is voor de financiële gevolgen hiervan, ligt daarom voor toewijzing gereed.

De deskundige concludeert verder dat over de periode 2010 en 2011 (tot 1-10-2011) de volgende posten incorrect zijn verwerkt:
2010
twee kasopnamen in augustus 2010 geboekt op [kruisposten 1] kruisposten, totaal € 1.250,-;
kasopname 12-8-2010 van € 3.000;
restafboeking in december 2010 € 259,72;
2011
het saldo op [kruisposten 2] kruisposten debiteuren volgens het grootboek € 1.116,72;
het saldo op [kruisposten 1] kruisposten per 4-11-2011 (printdatum) bedraagt totaal € 6.250,-;
het saldo op [incasso onderweg] incasso onderweg per 4-11-2011 (printdatum) bedraagt € 274,15.
Totaal is hiermee een bedrag gemoeid van € 12.150,59.

Met betrekking tot de boekjaren 2001 tot en met 2009 behoudens de jaren 2004 en 2005 concludeert de deskundige dat de volgende posten als frauduleus zijn aan merken:
2001 nihil
2002 nihil
2003 € 1.861,02
2004 niet van toepassing
2005 niet van toepassing
2006 € 2.284,59
2007 € 2.039,54
2008 € 15.518,65
2009 € 6.094,96
Totaal is hiermee een bedrag gemoeid van € 27.798,76.

Deze bedragen zijn aan te merken als door NBD geleden schade als gevolg van ondeugdelijke financiële verantwoording door, respectievelijk frauduleuze handelwijze van [gedaagde in verzet] .
Voor zover [gedaagde in verzet] bepaalde posten alsnog of weer ter discussie wenst te stellen onder verwijzing naar gevoerde correspondentie passeert de rechtbank dit verweer. Zoals uit p. 2 van het deskundigenbericht blijkt heeft de deskundige de opmerkingen en commentaren van partijen in het kader van hoor en wederhoor verwerkt en de daarop gegeven reacties verwerkt in het eindrapport. Het enkele feit dat door [gedaagde in verzet] aangedragen opmerkingen over het concept van de deskundige niet tot wijzigingen heeft geleid, maakt nog niet dat de bevindingen daarom onjuist zijn. De suggestie van [gedaagde in verzet] dat een ander cijfers opnieuw heeft ingevoerd en dat daarom de beginbalans van 2010 niet overeenkomt met de eindbalans van 2009 is onvoldoende toegelicht, zodat de rechtbank daaraan voorbij gaat.
(…)

De conclusie is dat ter zake van vordering onder b een totaalbedrag van € 12.150,59 + € 27.798,76 = € 39.949,35 toewijsbaar is, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf datum dagvaarding (11 juli 2013).
(…)

2.6.

NBD vordert [gedaagde in verzet] te veroordelen tot betaling van de beslagkosten. Deze vordering is gelet op het bepaalde in art. 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op totaal € 1.402,87, namelijk € 248,87 voor verschotten € 575,- griffierecht en € 579,- voor salaris advocaat.
2.7.

[gedaagde in verzet] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een aanzienlijk deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van NBD op basis van het toegewezen bedrag, een en ander te vermeerderen met de kosten van het deskundigenbericht dat NBD heeft voorgeschoten.
De proceskosten bedragen totaal € 20.926,64, namelijk € 90,64 dagvaardingskosten, € 3.140,- aan griffierecht, € 15.669,50 aan kosten deskundige en € 2.026,50 salaris advocaat (3,5 punt x € 579,-).

De rechtbank heeft vervolgens de door NBD gevorderde verklaring voor recht toegewezen en [gedaagde in verzet] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld om aan NBD te betalen een bedrag van € 39.949,35, vermeerderd met wettelijke rente en [gedaagde in verzet] veroordeeld in de proceskosten van NBD, inclusief de beslagkosten, vermeerderd met wettelijke rente.

3.5.

[gedaagde in verzet] heeft in hoger beroep in de inleiding van zijn memorie van grieven een ongenummerde grief geformuleerd en vervolgens zeven genummerde grieven geformuleerd. [gedaagde in verzet] heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden vonnissen van de rechtbank en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van NBD.
NBD heeft geconcludeerd, naar het hof begrijpt, tot gegrondverklaring van het verzet tegen het arrest van 16 oktober 2018 en tot bekrachtiging van de bestreden vonnissen van de rechtbank.

3.6.1.

[gedaagde in verzet] betoogt in de inleiding van zijn memorie van grieven dat de deskundige door NBD onder druk is gezet om een zeer omvangrijk dossier vlug door te lichten en het oordeel van NBD over te nemen en dat ook de rechtbank die druk op de deskundige heeft overgebracht. Het gevolg daarvan is dat de zienswijzen van [gedaagde in verzet] op het conceptrapport van de deskundige onbeantwoord zijn gebleven en het conceptrapport later als definitief rapport aan de rechtbank is verstrekt. Indien het deskundigenonderzoek zorgvuldiger was verricht, was de rechtbank tot een ander oordeel gekomen. Daarop zien de meeste van zijn grieven, aldus [gedaagde in verzet] .
3.6.2.

NBD heeft hiertegen het volgende aangevoerd. De deskundige heeft op 10 februari 2015 aan de rechtbank bericht dat het onderzoek op 30 januari 2015 was aangevangen en dat zij verwachtte op 31 mei 2015 te kunnen rapporteren. De deskundige heeft de datum waarop zij verwachtte te kunnen rapporteren enkele malen opgeschoven. Toen in augustus 2015 nog geen bericht van de deskundige was ontvangen, heeft de raadsman van NBD de rechtbank verzocht haar invloed aan te wenden teneinde verdere vertraging te voorkomen. Dat heeft de rechtbank gedaan. Toen op 20 november 2015 nog geen bericht van de deskundige was ontvangen, heeft de raadsman van NBD de rechtbank gevraagd een nieuwe deskundige te benoemen. De rechtbank heeft de deskundige vervolgens een uiterste termijn gesteld tot 18 december 2015. Op die datum is het conceptrapport van de deskundige toegezonden. Partijen hebben tot 15 februari 2016 de tijd gekregen opmerkingen over het conceptrapport te maken. Vervolgens heeft de deskundige op 15 maart 2016 haar definitieve rapport aan de rechtbank en aan partijen gezonden. Als de zienswijzen van [gedaagde in verzet] al onvoldoende in aanmerking zouden zijn genomen dan is dat niet het gevolg van ongeoorloofde druk van NBD, maar het gevolg van het feit dat de deskundige in die zienswijzen geen aanleiding zag haar conceptrapport bij te stellen, aldus NBD.
3.6.3.

Het hof overweegt als volgt.
De door NBD geschetste handelwijze is niet te duiden als druk op de deskundige die ongeoorloofd is. De deskundige heeft de bij de opdrachtverstrekking gegeven termijn waarbinnen zij diende te rapporteren aanmerkelijk overschreden. Het is dan begrijpelijk en niet ongebruikelijk dat een partij zich tot de rechter wendt met het verzoek de deskundige, kort gezegd, aan te sporen. [gedaagde in verzet] betoogt dat de deskundige als gevolg hiervan onzorgvuldig te werk is gegaan, in die zin dat zij de zienswijzen van [gedaagde in verzet] niet heeft beoordeeld alvorens haar definitieve rapport op te stellen. Die stelling is ondeugdelijk. De deskundige heeft op 15 maart 2016 haar gemotiveerde reactie gegeven naar aanleiding van de zienswijzen van [gedaagde in verzet] (bijlage 31 bij het deskundigenbericht). De deskundige heeft als conclusie na de zienswijze van [gedaagde in verzet] vermeld dat zij de conclusies bij de vragen van de rechtbank, zoals weergegeven in de concept rapportage, handhaaft, dat zij enkele tekstuele aanpassingen heeft verricht en dat zij enkele bijlagen heeft toegevoegd. Het beginsel van hoor en wederhoor is daarmee op deugdelijke wijze door de deskundige in acht genomen. De (ongenummerde) grief faalt.
3.7.1.

Grief 1 is gericht tegen overweging 4.5. van het tussenvonnis van 8 januari 2014, voor zover de rechtbank daarin heeft overwogen dat het verweer van [gedaagde in verzet] , dat aan hem tot en met het boekjaar 2009 decharge is verleend, niet zonder meer doel treft. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat dechargeverlening zich niet uitstrekt tot frauduleuze onttrekkingen die door manipulatie van de boeken niet uit de jaarrekening en verslaglegging kenbaar zijn. Het hof begrijpt de grief van [gedaagde in verzet] aldus, dat [gedaagde in verzet] aanvoert dat hij zich nimmer heeft schuldig gemaakt aan manipulatie van de boeken en dat daarom betalingen die zijn verricht in de jaren waarvoor decharge is verleend niet meer ter discussie mogen staan en dat daaraan niet afdoet dat hij in de onderhavige procedure betalingen van een toelichting heeft voorzien. [gedaagde in verzet] wijst verder op het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 8 januari 2013 (ECLI:NL:GHAMS:2013:8).
3.7.2.

Voor zover [gedaagde in verzet] hiermee het oordeel van de rechtbank over de reikwijdte van een decharge door de algemene vergadering bestrijdt, geldt het volgende. Een decharge strekt zich slechts uit tot die informatie ten aanzien van het handelen van een bestuurder, die aan de algemene vergadering is verstrekt. In het bijzonder kan niet worden aanvaard dat een decharge zich ook zou uitstrekken tot informatie waarover een individueel lid van de vereniging uit anderen hoofde – buiten het verband van de algemene vergadering – de beschikking heeft gekregen, of tot gegevens die niet uit de jaarrekening blijken of niet anderszins aan de algemene vergadering zijn bekendgemaakt voordat deze de jaarrekening vaststelde (Hoge Raad 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243). Met de aard van het ontslag van aansprakelijkheid dat voortvloeit uit decharge is in overeenstemming dat zodanige decharge zich niet uitstrekt tot frauduleuze onttrekkingen of betalingen die door manipulatie van de boeken niet uit de jaarrekening en de verslaglegging aan de algemene vergadering kenbaar zijn (Hoge Raad 25 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM2332).
3.7.3.

Het gaat in dit geval om de reikwijdte van decharge, verleend aan de in functie benoemde bestuurder [gedaagde in verzet] voor zijn werkzaamheden als penningmeester, bestaande uit het betalen en ontvangen van gelden en het voeren van een administratie en boekhouding ten behoeve van NBD. Het verlenen van decharge door de algemene vergadering is een afzonderlijk agendapunt op de agenda van de algemene vergadering van een vereniging. Als het gaat om het functioneren van de penningsmeester is de algemene vergadering aangewezen op de door het bestuur aan de ledenvergadering te verstrekken balans van baten en lasten met een toelichting daarop. In beginsel dient omtrent de getrouwheid van deze stukken aan de algemene vergadering een verklaring van een accountant als bedoeld in artikel 2:393 lid 1 BW te worden overgelegd. Wanneer sprake is van een “kleine vereniging”, zoals kennelijk in het geval van NBD, kan deze accountantsverklaring achterwege blijven. In dat geval dient de algemene vergadering een commissie van ten minste twee leden te benoemen die geen deel uitmaken van het bestuur, die de door het bestuur aan de algemene vergadering te verstrekken balans van baten en lasten met een toelichting onderzoekt om vervolgens van haar bevindingen aan de algemene vergadering verslag uit te brengen (artikel 2:48 BW). De kascommissie is een apart orgaan van de vereniging.
Uit het hiervoor in 3.7.2. vermelde volgt dat een door de algemene vergadering verleende decharge zich alleen uitstrekt tot die handelingen die daadwerkelijk aan de algemene vergadering bekend zijn gemaakt, hetzij door middel van verstrekking van de balans van baten en lasten, hetzij door middel van de toelichting daarop, hetzij door middel van de toelichting van de kascommissie. Daarbij geldt de restrictie dat onttrekkingen of betalingen die door manipulatie van de boeken niet uit de verstrekte balans van baten en lasten en/of de verslaglegging aan de algemene vergadering kenbaar zijn niet onder reikwijdte van een verleende decharge vallen. Voor toerekening van kennis van bijvoorbeeld een individueel lid, maar ook van een controlerend accountant of een kascommissie aan de algemene vergadering is geen plaats (zie de conclusie van A.G. Timmerman in het principaal cassatieberoep, ECLI:NL:PHR:2010:BM2332, bij genoemd arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2010).

3.7.4.

Uit het vorenstaande volgt dat de overweging van de rechtbank, dat het verweer van [gedaagde in verzet] dat aan hem tot en met het boekjaar 2009 decharge is verleend niet zonder meer doel treft omdat dechargeverlening zich niet uitstrekt tot frauduleuze onttrekkingen die door manipulatie van de boeken niet uit de jaarrekening en verslaglegging kenbaar zijn, juist is. Het door [gedaagde in verzet] genoemde arrest van het gerechtshof Amsterdam baat hem niet. In de aan dat arrest ten grondslag liggende casus was sprake van decharge nadat de vergadering ook over later gewraakte uitbetalingen was geïnformeerd. De rechtbank heeft aldus op goede gronden een deskundige benoemd om haar van advies te dienen ter beantwoording van de vraag of in de jaren 2001 tot en met 2009 sprake is geweest van manipulatie door [gedaagde in verzet] in de zin van het arrest van de Hoge Raad van 25 juni 2010. De stelling van [gedaagde in verzet] dat van manipulatie geen sprake is wordt hierna bij de beoordeling van grief 4 behandeld, die mede inhoudt dat de rechtbank ten onrechte posten als frauduleus heeft aangemerkt. Grief 1 faalt.
3.8.1.

Grief 2 is gericht tegen overweging 4.8. van het tussenvonnis van 8 januari 2014, inhoudende de verwerping van het beroep op verrekening van [gedaagde in verzet] omdat de gegrondheid van dit verweer niet op eenvoudige wijze is vast te stellen als bedoeld in artikel 6:136 BW. In de toelichting bij deze grief voert [gedaagde in verzet] aan dat NBD heeft erkend dat [gedaagde in verzet] voor ieder jaar een fors bedrag diende te ontvangen voor zijn functioneren als penningmeester. Het is dan volgens [gedaagde in verzet] onbegrijpelijk dat de rechtbank de eis van artikel 6:136 BW zo strikt uitlegt, terwijl overal potentiele getuigen zich kunnen melden.
3.8.2.

Wanneer het hof zou oordelen dat de grief slaagt, dan zou het moeten beoordelen of [gedaagde in verzet] een vordering jegens NBD heeft in verband met een met NBD overeengekomen tegenprestatie voor zijn werk als penningmeester tot een hoger bedrag dan hij van NBD heeft ontvangen. Het hof stelt vast dat [gedaagde in verzet] in de toelichting bij zijn grief geen feiten en omstandigheden heeft aanreikt die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat [gedaagde in verzet] een dergelijke vordering op NBD heeft. In eerste aanleg heeft [gedaagde in verzet] in zijn antwoordakte na comparitie van 23 oktober 2013 in punt 19 zijn beroep op verrekening aan de orde gesteld. [gedaagde in verzet] heeft verwezen naar een door hem opgesteld overzicht van bedragen, overlegd als productie 17, die hij nog van NBD te vorderen heeft in verband met de afspraak over de jaarlijkse vaste vergoeding. Iedere motivering van de grondslag voor de gestelde betalingsverplichting van NBD ontbreekt. Evenmin is enig schriftelijk stuk ter onderbouwing van de gestelde betalingsverplichting overgelegd. De (gestelde) vordering ontbeert aldus een deugdelijke grondslag, zodat het beroep op verrekening hoe dan ook niet kan slagen. Voor bewijslevering is bij gebreke van gestelde relevante te bewijzen feiten geen plaats. Grief 2 faalt.
3.9.1.

Grief 3 is gericht tegen overweging 2.5. en de beslissing in 3.1. van het eindvonnis van 22 februari 2017, inhoudende de verklaring voor recht dat [gedaagde in verzet] jegens NBD onrechtmatig heeft gehandeld, althans dat er sprake is van onbehoorlijke taakvervulling door [gedaagde in verzet] en dat hij jegens NBD aansprakelijk is voor de financiële gevolgen hiervan. [gedaagde in verzet] betoogt dat hij NBD niet heeft benadeeld, noch zichzelf heeft verrijkt ten laste van NBD, dat hij het penningmeesterschap correct heeft uitgevoerd met controle door accountantskantoor [accountantskantoor] en nadien door de kascommissie. Ter verdere motivering verwijst [gedaagde in verzet] uitsluitend naar zijn als productie 26 overgelegde persoonlijke reactie op het vonnis van 22 februari 2017 en in het bijzonder naar pagina 2 onder 5, welke in de motivering bij de grief is opgenomen als volgt:
“De vervolging voor strafbare feiten heeft gefaald ondanks herhaalde pogingen t/m een artikel 12 procedure. Zowel recherche als het hof hebben hier uitgebreid aandacht aan besteed zonder dat strafbare feiten zijn gevonden. Er is alleen al door een gespecialiseerd team van rechercheurs meer dan 24,5 uur besteed aan deze zaak. Met de bevindingen van het hof is niets gedaan.

Gezien het beperkte aantal uren dat aan het deskundige onderzoek is besteed en het grote aantal uren dat voordien door accountant, kascommissie, recherche en het hof aan deze zaak is besteed kan de conclusie fraude niet als bewezen worden geacht.”

3.9.2.

Het hof stelt het volgende voorop. De eisen van een behoorlijke rechtspleging brengen mee dat een partij die een beroep wil doen op uit bepaalde producties blijkende feiten en omstandigheden, dit op een zodanige wijze dient te doen dat voor de rechter duidelijk is welke stellingen hem ter beoordeling worden voorgelegd en dat voor de wederpartij duidelijk is waartegen zij zich dient te verweren. De rechter heeft slechts te letten op de feiten waarop een partij ter ondersteuning van haar standpunt een beroep heeft gedaan, en de enkele omstandigheid dat uit door een partij overgelegde stukken een bepaald feit blijkt, impliceert niet dat zij zich ter ondersteuning van haar standpunt op dat feit beroept (Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404).
3.9.3.

De grief strekt ten betoge dat [gedaagde in verzet] bij de uitvoering van zijn functie als penningmeester van NBD, anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, niet onrechtmatig heeft gehandeld c.q. zijn taak niet onbehoorlijk heeft vervuld. Van [gedaagde in verzet] is dan te vergen dat hij in de memorie van grieven in de toelichting bij de grief feiten en omstandigheden aanreikt ter motivering van zijn standpunt. De enige concrete van feiten en omstandigheden voorziene motivering bij de grief is het hierboven weergegeven citaat. De daarin vervatte stelling dat door een gespecialiseerd team van rechercheurs meer dan 24,5 uur is besteed aan de zaak, dat geen strafbare feiten zijn gevonden en dat geen strafvervolging heeft plaatsgehad kan [gedaagde in verzet] niet baten. De omstandigheid dat het Openbaar Ministerie niet tot strafvervolging is overgegaan brengt niet mee dat in een civiele procedure moet worden aangenomen dat bewijs voor onrechtmatige handelen ontbreekt. [gedaagde in verzet] heeft niet toegelicht wat de bevindingen van de rechercheurs zijn geweest en om welke reden op grond daarvan in deze civiele procedure moet worden geoordeeld dat [gedaagde in verzet] niet onrechtmatig heeft gehandeld c.q. zijn taak niet onbehoorlijk heeft vervuld. De verwijzing naar productie 26 in de toelichting bij de grief is geschied zonder concrete motivering in de memorie van grieven, terwijl die productie veel algemene stellingen bevat. Aldus heeft [gedaagde in verzet] in strijd met de eisen van een behoorlijke rechtspleging gehandeld. Het gevolg daarvan is dat het persoonlijke standpunt van [gedaagde in verzet] , neergelegd in productie 26, niet verder wordt beoordeeld dan het hof hierboven heeft gedaan. Grief 3 faalt.
3.10.1.

Grief 4 is gericht tegen de overwegingen 2.4. en 2.5. en de beslissing in 3.2. van het eindvonnis van 22 januari 2017, inhoudende dat de schade waarvoor [gedaagde in verzet] aansprakelijk is € 39.949,35, vermeerderd met rente, bedraagt. [gedaagde in verzet] voert het volgende aan. De rechtbank heeft ten onrechte posten als frauduleus aangemerkt, althans de bevindingen van de deskundige tot de hare gemaakt. [gedaagde in verzet] heeft uitvoerig gereageerd op de bevindingen van de deskundige. [gedaagde in verzet] verwijst naar zijn conclusie na deskundigenbericht met de producties 17 t/m 25 en naar productie 26, overgelegd bij de memorie van grieven. Gelet daarop mocht de rechtbank de bevindingen en conclusies van de deskundige niet overnemen zonder daarbij gemotiveerd op de reacties van [gedaagde in verzet] in te gaan. [gedaagde in verzet] betoogt voorts onder “conclusie 1”, dat een ander dan [gedaagde in verzet] de jaarcijfers 2010, zoals die door de deskundige zijn onderzocht, heeft ingevoerd. Onder “conclusie 2” betoogt [gedaagde in verzet] wederom dat de cijfers over 2010 door een ander zijn ingevoerd omdat de lay-out er anders uit ziet en betwist hij dat de administratie over 2010 en 2011 niet aan de daaraan te stellen eisen voldoet. [gedaagde in verzet] wijst er daarbij op dat de accountant nooit opmerkingen op dit punt heeft gemaakt, hetgeen steun biedt aan zijn stelling dat de onderzochte administratie over 2010 en 2011 niet de door hem gevoerde administratie betreft. Onder “conclusie 3” betoogt [gedaagde in verzet] wederom dat de administratie over 2010 door een ander is ingevoerd. De omstandigheid dat de eindbalans 2009 niet aansluit op de beginbalans 2010 biedt volgens [gedaagde in verzet] steun voor deze stelling. [gedaagde in verzet] vermeldt onder deze conclusie ook enkele grootboekrekeningen en kasopnames, maar een stellingname ziet het hof daarin niet.
3.10.2.

De “conclusies” van [gedaagde in verzet] behelzen alle het standpunt dat de cijfers over 2010 en 2011 die de deskundige heeft onderzocht niet van [gedaagde in verzet] afkomstig zijn. De deskundige heeft in haar reactie op het commentaar van [gedaagde in verzet] op haar conceptrapport (bijlage 31 bij het rapport) onder andere het volgende vermeld.
 Blz. 5 van commentaar [gedaagde in verzet] m.b.t. Informer
Op blz. 5 stelt [gedaagde in verzet] dat de uitdraaien uit het boekhoudprogramma over 2010 en 2011, zoals in bijlagen 6 en 7 bij de concept rapportage opgenomen, niet van hem afkomstig zijn. Volgens [gedaagde in verzet] zijn deze uitdraaien afkomstig uit een ander boekhoudprogramma, wat NBD opnieuw zou hebben ingevoerd.

In tegenstelling tot wat [gedaagde in verzet] stelt, komen deze uitdraaien over 2010 en 2011 wel degelijk uit Informer en zijn deze van [gedaagde in verzet] afkomstig. Dit blijkt uit de emailwisseling van 27 mei 2011 en 16 juni 2011 met betrekking tot de aangeleverde stukken 2010. Deze betreffende e-mailuitwisseling is als bijlage bijgevoegd (overigens ook opgenomen in de concept rapportage als bijlage 8).

* Op 16 mei 2011 zijn de stukken 2010 geprint.
* Op 27 mei 2011 worden hierover via email vragen gesteld aan [gedaagde in verzet] en worden nog aanvullende stukken opgevraagd door de accountant.
* Op 16 juni 2011 levert [gedaagde in verzet] onder meer de opgevraagde ouderdomsanalyse aan. De printdatum van deze ouderdomsanalyse is 16 juni 2011, het betreft ook hier: “Account Totaal [Account Totaal] ”. Een kopie hiervan is als bijlage opgenomen.

(…)”

In het licht van deze gemotiveerde reactie van de deskundige op de opmerkingen van [gedaagde in verzet] over de oorspronkelijkheid van de cijfers over 2010 en 2011 kon [gedaagde in verzet] bij deze grief niet volstaan met zijn stelling dat de door de deskundige onderzochte cijfers over 2010 en 2011 niet van hem afkomstig zijn, maar door een ander (NBD) opnieuw zijn ingevoerd, zonder deze stelling te voorzien van een motivering met concrete feiten en omstandigheden die tot het oordeel zouden kunnen leiden dat, anders dan de deskundige gemotiveerd toelicht, de onderzochte cijfers over 2010 en 2011 niet van hem afkomstig zijn. Het hof verwerpt de drie “conclusies” van [gedaagde in verzet] dan ook.
Voor wat betreft de verwijzing van [gedaagde in verzet] naar productie 26 bij memorie van grieven geldt hetgeen het hof hierboven in 3.9.3. heeft overwogen. De inhoud van die productie wordt niet bij de beoordeling van deze grief betrokken.
Voor wat betreft het betoog van [gedaagde in verzet] dat de bevindingen en conclusies van de deskundige onjuist zijn, ter motivering waarvan [gedaagde in verzet] verwijst naar de conclusie na deskundigenbericht met producties, en het betoog dat de motivering van de rechtbank tekortschiet waar de rechtbank de bevindingen en conclusies van de deskundige overneemt zonder daarbij in te gaan op de reactie van [gedaagde in verzet] op het deskundigenrapport geldt het volgende. Voor de rechter geldt een beperkte motiveringsplicht ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Wel dient hij bij de beantwoording van de vraag of hij de conclusies waartoe een deskundige in zijn rapport is gekomen, in zijn beslissing zal volgen, alle ter zake door partijen aangevoerde feiten en omstandigheden in aanmerking te nemen en op basis van die aangevoerde stellingen in volle omvang te toetsen of aanleiding bestaat van de in het rapport geformuleerde conclusies af te wijken. De rechter zal op specifieke bezwaren van een partij moeten ingaan als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van de zienswijze van de deskundige (Hoge Raad 17 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:279).
Uit de motivering van de rechtbank volgt dat zij in de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagde in verzet] niet een voldoende gemotiveerde betwisting heeft gezien van de juistheid van de zienswijze van de deskundige. Indien de conclusie na deskundigenbericht niet een zodanige betwisting bevat, kon de rechtbank met de door haar gegeven motivering volstaan. Indien en voor zover die conclusie wel een zodanige betwisting bevat, had de rechtbank daarop moeten ingaan en haar oordeel daarover in het vonnis moeten motiveren.
Het hof stelt vast dat de conclusie na deskundigenbericht dezelfde drie “conclusies” bevat die het hof hierboven al heeft beoordeeld. Gelet op die beoordeling is in zoverre geen sprake van een voldoende gemotiveerde betwisting die de rechter tot nadere motivering noopt. De conclusie bevat naast genoemde “conclusies” onder de punten 1 t/m 5 uitsluitend verwijzingen naar producties zonder dat nader in de conclusie is gemotiveerd welke bevinding of conclusie van de deskundige [gedaagde in verzet] betwist en welke feiten en omstandigheden, genoemd in een productie, [gedaagde in verzet] daaraan ten grondslag legt. Hier geldt daarom hetzelfde als het hof hierboven in 3.9.3. heeft overwogen. De inhoud van de producties bij de conclusie na deskundigenbericht wordt niet in de beoordeling betrokken. De punten 1 t/m 5 van die conclusie bevatten niet een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van de zienswijze van de deskundige.
De slotsom is dat de rechtbank haar beslissing niet verder hoefde te motiveren dan zij heeft gedaan. [gedaagde in verzet] heeft de bevindingen en conclusies van de deskundige onvoldoende gemotiveerd betwist. In de gehele toelichting bij deze grief ziet het hof geen aanknopingspunten voor het oordeel dat [gedaagde in verzet] de overwegingen en de beslissing van de rechtbank over de hoogte van de door [gedaagde in verzet] aan NBD te betalen schadevergoeding op enig onderdeel op goede gronden bestrijdt. Grief 4 faalt.

3.11.1.

Met grief 5 betoogt [gedaagde in verzet] dat de rechtbank ten onrechte een betaling in 2006 ten bedrage van € 1.885,59 als schade in aanmerking heeft genomen. [gedaagde in verzet] voert daartoe het volgende aan. Dit bedrag houdt verband met de aanschaf van een Apple computer. De aanschaf is het gevolg van de diefstal van de Apple computer van [gedaagde in verzet] in de vergaderruimte van NBD en diende ter vergoeding aan hem van de diefstal, waarvan aangifte is gedaan die als productie 27 is overgelegd.
3.11.2.

Van [gedaagde in verzet] is in het kader van de motivering van zijn grief te vergen dat hij het hof concrete feiten en omstandigheden aanreikt die tot het oordeel kunnen leiden dat NBD met [gedaagde in verzet] is overeengekomen dat NBD aan [gedaagde in verzet] , omdat de Apple computer van [gedaagde in verzet] in een NBD-vergaderruimte is gestolen, een nieuwe Apple Computer zou vergoeden. [gedaagde in verzet] stelt wel dat de betaling diende ter vergoeding aan hem, maar niet dat aan die betaling een overeenkomst als hiervoor bedoeld ten grondslag ligt. Grief 5 faalt.
3.12.1.

Grief 6 is gericht tegen de overwegingen 2.6. en 2.7. en de beslissingen in 3.3. en 3.4. van het eindvonnis van 22 januari 2017, inhoudende dat [gedaagde in verzet] de proceskosten en de beslagkosten aan NBD dient te betalen, begroot op respectievelijk € 1.402,87, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 11 juli 2013 en € 20.926,64, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van de 15e dag na betekening van het vonnis. In de toelichting bij de grief voert [gedaagde in verzet] aan dat NBD, behoudens het verweer middels het nemen van een memorie van antwoord niet langer belang heeft bij de veroordeling tot vergoeding, althans volledige vergoeding van de proceskosten en de wettelijke rente daarover. [gedaagde in verzet] betwist de beslagkosten en de wettelijke rente daarover verschuldigd te zijn, stellende dat NBD niet heeft aangetoond dat en in hoeverre zij die kosten heeft gehad.
3.12.2.

Waarom NBD geen belang meer heeft bij vergoeding van de proceskosten, vermeerderd met rente, motiveert [gedaagde in verzet] in het geheel niet. Wat betreft de beslagkosten geldt dat tussen partijen vaststaat dat NBD, na op 25 april 2012 verlof te hebben verkregen van de voorzieningenrechter van de rechtbank, op 8 mei 2012 conservatoir beslag heeft laten leggen op diverse onroerende zaken van [gedaagde in verzet] . Het verzoeken van verlof aan de voorzieningenrechter en het laten leggen van conservatoire beslagen door een deurwaarder gaan gepaard met kosten. De rechtbank heeft deze kosten in 2.6. van het eindvonnis van 22 januari 2017 gespecificeerd, te weten € 248,87 voor verschotten aan de deurwaarder, € 575,00 voor griffierecht in verband met het beslagrekest en € 579,00 voor het salaris van de advocaat in verband met het opstellen en indienen van het beslagrekest. Als in het ongelijk gestelde partij is [gedaagde in verzet] de beslagkosten verschuldigd. In het licht van de door de rechtbank gegeven specificering van deze kosten kon [gedaagde in verzet] in zijn motivering bij deze grief niet volstaan met de van geen enkele motivering voorziene stelling dat NBD niet heeft aangetoond of en in hoeverre zij beslagkosten heeft gehad. Grief 6 faalt.
3.13.1.

Grief 7 is gericht tegen de beslissing van de rechtbank in 3.5. van het eindvonnis van 22 januari 2017, inhoudende dat zij de veroordelingen in 3.2. t/m 3.4. van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. [gedaagde in verzet] heeft ter motivering van de grief aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de kans op vrijwaring van de pretense vorderingen van NBD in hoger beroep niet opwoog tegen het risico dat een min/onvermogend persoon met een toevoeging mogelijk onterecht wordt veroordeeld tot een enorm bedrag van € 62.278,86. [gedaagde in verzet] heeft ook aangevoerd dat NBD geenszins heeft onderbouwd dat zij dringend behoefte had aan onmiddellijke executie van een toewijzend vonnis nu zij niet heeft aangetoond dat zij is verarmd door de gestelde onttrekkingen van [gedaagde in verzet] .
3.13.2.

[gedaagde in verzet] heeft geen belang bij beoordeling van deze grief. Uit de beoordeling van het hof in hoger beroep volgt dat ook het hof van oordeel is dat [gedaagde in verzet] aan NBD schadevergoeding dient te betalen. Het slagen van de grief over de uitvoerbaar bij voorraad- verklaring van het vonnis in eerste aanleg zou niet tot vernietiging van de veroordeling tot schadevergoeding leiden. [gedaagde in verzet] heeft ook niet gesteld dat NBD tot heden enig bedrag bij hem heeft geïncasseerd. [gedaagde in verzet] heeft het hof niet gevraagd dit arrest niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het hof zal het arrest, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, daarom uitvoerbaar bij voorraad verklaren.
3.14.

Uit het vorenstaande volgt dat het verzet van NBD gegrond wordt verklaard en dat het arrest van 16 oktober 2018 wordt vernietigd. Ook volgt daaruit dat het hoger beroep van [gedaagde in verzet] niet slaagt. De bestreden vonnissen worden bekrachtigd. [gedaagde in verzet] wordt als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van NBD in hoger beroep veroordeeld, zoals gevorderd vermeerderd met wettelijke rente vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest. De proceskosten worden begroot op € 5.270,00 aan griffierecht en € 2.782,00 aan salaris advocaat, gebaseerd op twee punten van het toepasselijke tarief III omdat het aan het niet-verstrekken van de memorie van grieven aan [gedaagde in verzet] is te wijten dat NBD een nadere memorie van antwoord heeft moeten nemen. In totaal bedragen de proceskosten derhalve € 8.052,00.

4De uitspraak

Het hof:

verklaart het verzet tegen het arrest van 16 oktober 2018, tussen partijen gewezen door dit hof, gegrond en vernietigt dit arrest;

bekrachtigt het tussenvonnis van 8 januari 2014 en het eindvonnis van 22 februari 2017, gewezen door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch;

veroordeelt [gedaagde in verzet] in de proceskosten van NBD in hoger beroep, tot heden begroot op een bedrag van € 8.052,00, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest tot de dag van algehele betaling;

verklaart dit arrest, voor zover het de proceskostenveroordeling betreft, uitvoerbaar bij voorraad.

De boeken moeten open

Deze zaak is niet echt verenigingsrecht maar procesrecht. De rechter beveelt een huurdersvereniging en de bestuursleden (hoofdelijk) om binnen 7 dagen financiële verantwoording af te leggen aan de woningbouwstichting, op straffe van een dwangsom van € 10.000 – hoofdelijk. Ik hoop voor de bestuursleden dat de administratie compleet is. De rechter oordeelt dat er”door Huurdersvereniging Lochem c.s. niet, althans niet onderbouwd, is weersproken dat door haar voorzitter, , twee zogeheten verantwoordingsdocumenten zijn vervalst en er gebruik werd gemaakt van twee resultatenrekeningen, een voor intern gebruik en de ander voor extern gebruik. Ook is erkend dat er “zaken buiten de boeken” werden gehouden. “. N.b. de zes andere bestuursleden worden ook hoofdelijk veroordeelt, dus grote kans dat bijv. een algemeen bestuurslid € 10.000 moet betalen door deze actie van de voorzitter. Ik merk ook maar op dat zes van de zeven bestuursleden niet waren ‘verschenen’  in de procedure (dus niet hadden gereageerd) dus die hebben /hadden de deurwaarder op de stoep staan met het veroordelend vonnis.

ECLI:NL:RBGEL:2019:4493

De beoordeling

In het incident ex artikel 843a Rv

4.1.

Stichting Viverion heeft de rechtbank uitdrukkelijk verzocht eerst de incidentele vordering ex artikel 843a Rv te beoordelen, aangezien Huurdersvereniging Lochem c.s. tot op heden niet heeft meegewerkt aan het verschaffen van informatie en het verstrekken van stukken. Afhankelijk van het resultaat van de incidentele vordering zal Stichting Viverion zich nader uitlaten over de hoofdzaak. Door Huurdersvereniging Lochem c.s. is daar geen bezwaar tegen aangevoerd, zodat de rechtbank deze route zal volgen.
4.2.

De rechtbank stelt vast dat door Huurdersvereniging Lochem c.s. geen specifiek verweer is gevoerd tegen de incidentele vordering. Door Huurdersvereniging Lochem c.s. is erkend dat men weigerde mee te werken aan het onderzoek door [Bedrijfsrecherche BV] en ook de gevraagde stukken niet aan Stichting Viverion wenste af te geven. Ter zitting is door de enige verschenen verweerder, [verweerder sub 6] , betwist dat er stukken zouden zijn vervalst maar wel is erkend dat er “zaken buiten de boeken” werden gehouden en dat de stukken, nodig voor de financiële verantwoording, niet de aandacht hebben gekregen die zij verdienden. Door [verweerder sub 6] is aangegeven dat hij wel bereid is om mee te werken aan het verstrekken van de gevraagde informatie en dat hij daartoe in contact zou treden met het bestuur. De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden tot 18 januari 2019 om te bezien of door Huurdersvereniging Lochem c.s. alsnog stukken ter financiële verantwoording aan Stichting Viverion ter inzage zouden worden gegeven, hetgeen niet tot enig concreet resultaat heeft geleid.

4.3.

Als onbetwist staat vast dat Huurdersvereniging Lochem c.s. op grond van de samenwerkingsovereenkomst en de WOHV verplicht is jaarlijks aan Stichting Viverion verantwoording af te leggen over de besteding van de bijdrage. Uit het hiervoor geschetste verloop van het geschil volgt dat Huurdersvereniging Lochem c.s. daartoe niet is overgegaan en ook niet bereid is geweest. Door Huurdersvereniging Lochem c.s. is gesteld dat zij daartoe niet bereid was omdat Stichting Viverion door het inschakelen van een recherchebureau ( [Bedrijfsrecherche BV] ), de zaak op de spits heeft gedreven en het vertrouwen tussen partijen heeft geschonden. Die stelling gaat niet op nu door Huurdersvereniging Lochem c.s. niet, althans niet onderbouwd, is weersproken dat door haar voorzitter, [verweerder sub 2] , twee zogeheten verantwoordingsdocumenten zijn vervalst en er gebruik werd gemaakt van twee resultatenrekeningen, een voor intern gebruik en de ander voor extern gebruik. Ook is erkend dat er “zaken buiten de boeken” werden gehouden. Er bestond reeds op grond van deze feiten voor Stichting Viverion alle reden om een onderzoek te starten naar de besteding van de door haar aan Huurdersvereniging Lochem c.s. uitgekeerde jaarlijkse bijdrage. Door daar niet aan mee te willen werken en geen opheldering te verschaffen heeft
Huurdersvereniging Lochem c.s. het bij Stichting Viverion (terecht) ontstane wantrouwen over de financiële gang van zaken juist gevoed in de plaats van dit weg te nemen.

4.4.

Op grond van artikel 843a Rv kan hij, die daarbij een rechtmatig belang heeft inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is, van degene die deze bescheiden onder zich heeft. Zowel het rechtmatige belang van Stichting Viverion en de rechtsbetrekking zijn, gelet op het voorgaande, gegeven. Immers, op grond van de samenwerkingsovereenkomst en de WOHV is Huurdersvereniging Lochem c.s. verplicht de besteding van de aan haar ter beschikking gestelde bijdrage jaarlijks aan Stichting Viverion te verantwoorden. Door Stichting Viverion is bovendien gespecificeerd van welke bescheiden zij afschrift, althans inzage, verlangd. Gesteld noch gebleken is dat een uitzondering, zoals bedoeld in artikel 843a lid 4 Rv zich voordoet.
4.5.

De vordering in het incident ligt daarmee voor toewijzing gereed. De gevorderde dwangsom zal worden gelimiteerd tot het na te melden bedrag.

De beslissing

De rechtbank
t.a.v. de incidentele vordering ex artikel 843a Rv
5.1.

veroordeelt Huurdersvereniging Lochem c.s. tot nakoming van artikel 7 en 11 van de samenwerkingsovereenkomst en artikel 7 WOHV door adequate financiële verantwoording af te leggen aan Stichting Viverion binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis en veroordeelt Huurdersvereniging Lochem c.s., althans de bestuursleden ieder voor zich, tot afgifte, althans tot het geven van inzage, aan Stichting Viverion van (kopieën van) alle (digitale) bescheiden en/of (digitale) gegevensdragers waaruit blijkt op welke wijze de Huurdersvereniging de van Stichting Viverion ontvangen bijdragen heeft aangewend of behouden en in het bijzonder op welke wijze en op welke grondslag de bedragen genoemd in de resultatenrekeningen over de boekjaren 2009 tot en met 2017 onder de volgende kostenposten tot stand zijn gekomen:
  1. Administratiekosten
  2. Juridische bijstand
  3. Inhuur derden
  4. Huisvestingskosten
  5. Kantoorkosten
  6. Automatiseringskosten
  7. Representatiekosten
  8. Kantinekosten
  9. Telefoon- en internetkosten
  10. Huur postbus
  11. Porti
  12. Bezorgkosten
  13. Bestuurskosten
  14. Opleidingskosten
  15. Reis- en verblijfskosten
  16. Drukwerkkosten
  17. Advertentiekosten
  18. Bankkosten
  19. Kosten koepel HVG/HVL
  20. Abonnementen/Contributies
  21. Donaties
5.2.

veroordeelt Huurdersvereniging Lochem c.s., althans de bestuursleden, hoofdelijk, tot betaling aan Stichting Viverion van een dwangsom van € 10.000 (zegge: tienduizend euro), vermeerderd met € 1.000 (zegge: duizend euro) per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, tot een maximum is bereikt van € 25.000,00, per dag dat
Huurdersvereniging Lochem c.s., te rekenen vanaf de zevende dag na betekening van dit vonnis, in gebreke blijft aan de hiervoor bij 5.1. omschreven veroordeling te voldoen,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan,

Voorzitter maakt EUR 90.000 over naar zichzelf

ECLI:NL:RBMNE:2019:4085

” Het staat vast dat [de voorzitter] in totaal € 90.156,00 vanaf de bankrekening van [de vereniging] naar zichzelf heeft overgemaakt, en/of voor dat bedrag betalingen ten behoeve van zichzelf heeft verricht. In beginsel maak je als voorzitter van een vereniging geen geld van de vereniging over naar jezelf, en betaal je vanaf de bankrekening van de vereniging niet je eigen rekeningen. Indien er specifieke omstandigheden bestaan op basis waarvan er geld naar jou als voorzitter wordt overgemaakt, dan mag van de voorzitter worden verwacht dat hij dat goed administreert en daarvoor steeds verantwoording aflegt. Dit geldt zeker als de betalingen op structurele basis plaatsvinden, en het in totaal om een groot bedrag gaat.” 
” Het standpunt van [de voorzitter] dat in deze kwestie voor de betalingen een rechtsgrond bestond (namelijk verrekening) is door [de vereniging] uitdrukkelijk tegengesproken, en blijkt verder op geen enkele wijze uit het dossier. [Voorzitter] heeft zijn standpunt niet onderbouwd. Hij heeft geen document uit zijn administratie in het geding gebracht, en ook geen verklaring van de toenmalige penningmeester. Uit de omschrijvingen bij de betreffende overboekingen wordt niet duidelijk dat het verrekeningen betreffen van bedragen die [Voorzitter] zou hebben voorgeschoten. Hierbij komt dat bij een aantal overboekingen een andere begunstigde is opgegeven ( [bedrijfsnaam 2] ), terwijl het geld is overgemaakt naar [Voorzitter] . Dat [Voorzitter] voor de onderbouwing van zijn standpunt afhankelijk zou zijn van de administratie van [vereniging] valt niet in te zien.
[…] In het licht van bovengenoemde feiten en omstandigheden, heeft [Voorzitter] zijn betwisting onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat voor de overboekingen en betalingen ter hoogte van € 90.156,00 van de bankrekening van [de vereniging] geen rechtsgrond bestond, waardoor ze onrechtmatig zijn gedaan.” 
De voorzitter moet het bedrag terugbetalen. 


” Vast staat dat [Voorzitter] vanaf de bankrekening van [de vereniging] maandelijks geld overmaakte naar zijn toenmalige echtgenote. Als een rechtsgrond bestond voor deze betalingen dan mag van [verweerder] , als voorzitter van de vereniging, worden verwacht dat hij daarvoor verantwoording aflegde en alles goed administreerde. Uit het dossier is niet gebleken dat [verweerder] dat heeft gedaan. Het standpunt van [Voorzitter] dat het geld bestemd was voor de schoonmaker is door [de vereniging] uitdrukkelijk tegengesproken, en door [Voorzitter] verder op geen enkele wijze onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat [Voorzitter] het geld onrechtmatig naar zijn toenmalige echtgenote heeft overgemaakt. Dat het geld niet op zijn bankrekening terecht kwam, maakt, anders dan [Voorzitter] heeft gesteld, niet dat hij daardoor niet aansprakelijk is. Hij voerde immers de betalingen uit, en handelde daardoor onrechtmatig.”