Geen afstand van toegang tot de rechter

Rechtbank Limburg 6 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4606

“Partijen zijn allen lid van de vereniging WBE (‘Wildbeheereenheid’) [locatie] (hierna: de WBE), die de jachtvelden van de leden beheert.”

“In de kern is het standpunt van [eiser] dat hij niet gebonden is aan de geschillenregeling op basis waarvan de Geschillencommissie haar uitspraak heeft gedaan en dat om die reden het door de Geschillencommissie uitgebrachte bindend advies nietig is of moet worden verklaard. “

“Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat een regeling die inhoudt dat toekomstige geschillen verplicht worden beslecht door middel van bindend advies, tot gevolg heeft dat er afstand wordt gedaan van het uit artikel 6 EVRM en artikel 17 Gw voortvloeiende recht tot toegang tot de overheidsrechter. Dit betekent dat de betrokken partij daaraan alleen gebonden is als deze afstand vrijwillig en ondubbelzinnig gebeurt. [eiser] heeft gesteld dat daarvan geen sprake is “

“De rechtbank is het met [eiser] eens dat alleen van het alsnog vrijwillig en ondubbelzinnig kiezen voor het bindend advies kan worden gesproken als [eiser] in zijn hoedanigheid van lid van de WBE daarmee akkoord is gegaan. Dat heeft niet plaatsgevonden met de hier besproken statutenwijziging omdat die wijziging van de statuten heeft plaatsgevonden binnen de KNJV.”

“De conclusie is dat ook (de omstandigheden rondom) de wijziging van geschillenregeling van de WBE als gevolg van een wijziging in de statuten van de KNJV niet tot gevolg hebben gehad dat [eiser] vrijwillig en ondubbelzinnig akkoord is gegaan met het bindend advies door de Geschillencommissie.”

Noot: de rechtspraak is op dit punt wat onvoorspelbaar.

Beroep behandeld door het verkeerde orgaan

Rechtbank Den Haag 22 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17355

[eiser] betoogt voorts dat het besluit van de CvB [Commissie van Beroep] strijdig is met de wet en de statuten van het DSC en daarom nietig, althans vernietigbaar. [eiser] voert daartoe aan dat de CvB niet in de statuten is aangewezen als orgaan of derde waarbij beroep open staat door een ontzet lid (conform artikel 2:35 lid 4 BW), maar dat de algemene ledenvergadering (Corpsvergadering) daartoe is aangewezen (artikel 14 lid 3 van de statuten). Dat de CvB in plaats van de Corpsvergadering zijn hoger beroep heeft behandeld, leidt er volgens [eiser] toe dat de uitspraak in het hoger beroep nietig, althans vernietigbaar is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 14, lid 3, van de statuten is bepaald dat een geroyeerd lid de mogelijkheid heeft om in beroep te gaan bij de Corpsvergadering. In zoverre zijn de statuten niet in strijd met het voorschrift in artikel 2:35, vierde lid, BW. Anders dan het DSC, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vervangen van de Corpsvergadering als beroepsinstantie door de CvB niet bij huishoudelijk reglement kan worden geregeld. Uitgangspunt is daarom: beroep bij de Corpsvergadering. Blijkens het verslag van de Corpsvergadering van 3 december 2024 is het hoger beroep van [eiser] door de Corpsvergadering goedgekeurd (wat dat ook moge betekenen), en is besloten dat de zaak wordt voorgelegd aan de CvB, een in het huishoudelijk reglement beschreven intern beroepsorgaan. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] , die aanwezig was op die Corpsvergadering, daar bezwaar tegen heeft gemaakt. [eiser] heeft er in deze procedure terecht op gewezen dat deze gang van zaken anders is dan is voorgeschreven in het artikel in het BW dat gaat over het royement van een lid van een vereniging, artikel 2:35, lid 4, BW. Dat artikel bepaalt dat de algemene vergadering bij schriftelijke statuten als beroepsorgaan kan worden vervangen door een ander orgaan óf een derde. Naar voorshands oordeel verzet deze wetsbepaling zich er echter niet tegen dat de algemene vergadering, indien de betrokkene er geen bezwaar tegen maakt, besluit een ander orgaan als beroepsorgaan aan te wijzen, zoals hier kennelijk is gebeurd. Dit brengt mee dat [eiser] niet wordt gevolgd in zijn stelling dat het besluit van de CvB nietig of vernietigbaar is op de aangevoerde gronden.

  • De rechter had hier ook wel anders kunnen oordelen, denk ik. Ik vraag me af waarom de (grote) vereniging de statuten  niet heeft aangepast. Het is een studentenvereniging, wel in Delft, dus misschien met niet zoveel rechtenstudenten. 

Ontzetting en stembriefjes

Rechtbank Rotterdam 22 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:809

De Vereniging is een volkstuinvereniging in [naam locatie] . [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn als lid van de Vereniging ieder rechthebbende op (het plezier van) een volkstuin.

Op 10 oktober 2023 heeft een buitengewone algemene ledenvergadering (BALV) plaatsgevonden, die door een aantal leden van de Vereniging was uitgeschreven. De aanleiding hiervoor was een conflict binnen de Vereniging. 

Tijdens deze BALV zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] , naast enkele anderen, benoemd als leden van dit interim-bestuur. [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn ook als zodanig ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

De Vereniging heeft een kort geding gevoerd om het interim-bestuur, waarvan [eiseres 1] en [eiseres 2] deel uitmaakten, te laten verbieden om zich uit te geven als het bestuur van de Vereniging. Bij vonnis van 18 december 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank voorshands geoordeeld dat “ [eiseres 1] en [eiseres 2] betrokken zijn geweest bij de hiervoor al genoemde actie van diverse leden om op onreglementaire wijze het huidige bestuur af te zetten en zichzelf als (interim)bestuursleden te laten benoemen.” Het is [eiseres 1] en [eiseres 2] met onmiddellijke ingang verboden om handelingen te verrichten namens de Vereniging alsof zij bestuurslid zijn, althans zich te presenteren of uit te laten als bestuursleden van de Vereniging. Dat was het eerste kort geding tussen partijen.

Bij brieven van 9 mei 2024 heeft de vereniging aan [eiseres 1] en [eiseres 2] meegedeeld dat het bestuur heeft besloten om [eiseres 1] en [eiseres 2] te ontzetten uit hun lidmaatschap op grond van artikel 8 lid 6 van de statuten. De Vereniging heeft in die brieven gesteld dat (i) [eiseres 1] en [eiseres 2] betrokken zijn geweest bij een coup en (ii) dat de vereniging ondanks de ernstige overtreding van de statuten en het in gevaar brengen van de vereniging heeft geprobeerd tot een oplossing te komen, maar daarin niet is geslaagd omdat [eiseres 1] en [eiseres 2] niet aan de gestelde voorwaarden voldeden. 

Op 6 juni 2024 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] bij de algemene ledenvergadering (hierna: de ALV) beroep aangetekend tegen de ontzettingsbesluiten.

Op 15 juli 2024 heeft de ALV plaatsgevonden. Aan de relevante voorschriften voor het bijeenroepen is voldaan. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben ter ALV hun positie nader toegelicht. Tijdens die vergadering is een telcommissie aangewezen en heeft er een stemming plaatsgevonden. De telcommissie heeft vastgesteld dat zij 61 stembriefjes heeft ontvangen. Daarvan waren 2 stembriefjes ongeldig, waren er 50 stemmen tegen het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] (dus voor de ontzetting van [eiseres 1] en [eiseres 2] ) en 9 stemmen voor het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] (dus tegen de ontzetting). Op basis van die stemming is het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] tegen de ontzettingsbesluiten van 9 mei 2024 afgewezen en is de ontzetting uit het lidmaatschap bij besluit van de ALV bekrachtigd.

De rechtbank: “Dat de bestuursbesluiten tot ontzetting uit het lidmaatschap alleen door de ALV kunnen worden getoetst, is door de Hoge Raad uitgemaakt in HR 14 mei 1965, ECLI:NL:PHR:1965:AD8077, m.nt. G.J. Scholten (Amsterdams Speeltuinverbond). De Hoge Raad verwierp in die zaak het beroep in cassatie tegen de overweging van het hof dat de rechtsgeldigheid van het bestuursbesluit slechts kan worden aangetast door het instellen van beroep. Weliswaar had het lid in dat geval geen gebruik gemaakt van zijn recht op beroep bij de ALV, maar dat maakt geen verschil. Het gaat erom dat óf het ongebruikt laten verstrijken van de beroepstermijn óf het bekrachtigingsbesluit van de ALV de ontzetting pas definitief maakt. De beslissing van de Hoge Raad in HR 18 juni 1982, ECLI:NL:PHR:1982:AG4407, m.nt. J.M.M. Maeijer (De Vries/Elderveld) geeft ook steun aan de opvatting dat de ALV het bestuursbesluit toetst en niet de rechter, maar dan indirect. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat een ordemaatregel vooruitlopend op een besluit van de ALV wél mogelijk is (en een andere maatregel dus niet).”

De regel dat een bestuursbesluit tot ontzetting alleen door de ALV en niet door de rechter kan worden getoetst, lijdt uitzondering als het beroep op de ALV door de vereniging wordt gefrustreerd. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest. 

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben aangevoerd dat de bekrachtigingsbesluiten van de ALV van 15 juli 2024 nietig of vernietigbaar zijn. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben hiertoe gesteld dat de besluiten van de ALV op het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] niet overeenkomstig de statuten tot stand zijn gekomen.

Eén van de formele bezwaren van [eiseres 1] en [eiseres 2] is dat sommige leden meer dan één stem hebben uitgeoefend en op meer dan één volmacht hebben gestemd. [eiseres 1] en [eiseres 2] stellen in dit verband dat “alle tegenstemmers waarschijnlijk dubbel [hebben] gestemd”. De Vereniging heeft dit gemotiveerd betwist onder het overleggen van de presentielijsten van de ALV van 15 juli 2024 en de volmachten, waarop namens de niet aanwezige leden is gestemd (productie 23 van de Vereniging). Er zijn volgens de Vereniging slechts drie leden die zowel een nutstuin als een verblijfstuin hebben en om die reden een dubbel lidmaatschap hebben. Er waren twee leden met een dubbel lidmaatschap op de ALV aanwezig ( [persoon A] en [persoon C] ) en die twee dubbelleden hadden samen vier volmachten. Als de dubbele stemmen en de dubbele volmachten buiten beschouwing worden gelaten, scheelt dat vier stemmen tegen het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] , aldus de Vereniging.

Dat leidt tot het volgende oordeel. Op zich is het bezwaar van [eiseres 1] en [eiseres 2] terecht. Artikel 12 lid 5 en 6 van de statuten bepalen dat elk lid maar één stem mag uitbrengen en op maar één volmacht mag stemmen. Die verplichtingen zijn geschonden en dat leidt tot nietigheid van de stemmen die in strijd met die verplichtingen zijn uitgebracht. Het meetellen van nietige stemmen is een totstandkomingsgebrek als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder a BW. Als sprake is van zo’n gebrek kan de rechtbank het besluit vernietigen op vordering van iemand die een redelijk belang heeft bij naleving van de verplichting die niet is nagekomen (artikel 2:15 lid 3 onder a BW). De rechtbank oordeelt echter dat [eiseres 1] en [eiseres 2] geen redelijk belang hebben bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen. Nadat de Vereniging de stelling dat “alle tegenstemmers waarschijnlijk dubbel [hebben] gestemd” gemotiveerd had betwist, had van [eiseres 1] en [eiseres 2] verwacht mogen worden dat zij hun stelling nader zouden onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan en de rechtbank gaat aan die stelling voorbij. Er zijn vier nietige stemmen uitgebracht. Dat betekent dat – na aftrek van vier nietige stemmen – het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] tegen hun ontzetting met 46 stemmen tegen en 9 stemmen vóór is verworpen. Als de leden [persoon A] en [persoon C] volgens de statuten hadden gestemd, had dat dus niet tot een andere uitslag geleid. Ook in dat geval had de ALV de ontzetting bekrachtigd. Daarom ontbreekt een redelijk belang bij naleving van de geschonden verplichting.

De overige procedurele bezwaren zijn onterecht. De Vereniging heeft toegelicht dat op de ALV 61 leden aanwezig of vertegenwoordigd waren. Er zijn 61 stemmen uitgebracht, waarvan er twee als ongeldig buiten de telling zijn gelaten, omdat de stembriefjes niet goed waren ingevuld. De Vereniging heeft de stembriefjes en het document waarop de telcommissie de uitgebrachte stemmen heeft geturfd overgelegd (productie 20). De op geen enkele manier onderbouwde stellingen van [eiseres 1] en [eiseres 2] die erop neerkomen dat de uitslag niet klopt, zijn met deze stukken niet te verenigen. Ook de bezwaren van [eiseres 1] en [eiseres 2] tegen het instellen van een telcommissie en de manier waarop die telcommissie zijn werk heeft gedaan, worden verworpen. Dat de ALV gebruik heeft gemaakt van een telcommissie is niet bezwaarlijk. De statuten schrijven niets voor over de manier waarop de stemmen geteld moeten worden en het is in dat geval aan de voorzitter van de ALV om te bepalen hoe dat gebeurt. De suggestie dat de telcommissie de uitslag van de stemming zou hebben gemanipuleerd, is op geen enkele manier onderbouwd. Dat de stembriefjes “casual” zijn uitgedeeld en na de stemming in een “grote witte envelop” aan de stemcommissie zijn overhandigd, is evenmin bezwaarlijk. Ook valt niet in te zien, waarom de stem ten aanzien van het beroep van [eiseres 1] en ten aanzien van het beroep van [eiseres 2] op afzonderlijke stembriefjes uitgebracht had moeten worden. Ook hierover zeggen de statuten niets (anders dan dat over personen schriftelijk moet worden gestemd) en het is aan de voorzitter van de ALV om de gang van zaken te bepalen.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben gesteld dat de discussie tijdens de ALV op 15 juli 2024 niets meer is geweest dan een ordinaire ruzie. De ALV was een schijnvertoning, waar niet inhoudelijk is gesproken over de redenen voor de “coup” op 10 oktober 2023. Er zijn geen vragen gesteld en er zijn geen opmerkingen gemaakt, aldus [eiseres 1] en [eiseres 2] . De rechtbank merkt deze bezwaren aan als een beroep op de redelijkheid en billijkheid die die de Vereniging en degenen die bij haar organisatie zijn betrokken in acht moeten nemen op grond van artikel 2:8 BW. Deze bezwaren kunnen niet leiden tot vernietiging van de bekrachtigingsbesluiten. De bestuursbesluiten, die voor de bekrachtigingsbesluiten de basis zijn geweest, waren duidelijk en concreet. [eiseres 1] en [eiseres 2] wisten waartegen zij hun beroep moesten richten. Dat blijkt uit het beroepschrift van 6 juni 2024 en de aanvulling daarop van 27 juni 2024 met bijlagen (producties 8 en 9 van [eiseres 1] en [eiseres 2] ). [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben niet gesteld dat de ALV door het bestuur onvolledig of ondeugdelijk is voorgelicht of dat [eiseres 1] en [eiseres 2] tijdens de ALV hun standpunt niet hebben kunnen toelichten. De ALV bepaalt dan zelf de inhoud van het daarop volgende debat. De Vereniging heeft aan de hand van de notulen gemotiveerd betwist dat er bijna geen vragen zijn gesteld en geen opmerkingen zijn gemaakt. [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn daar niet meer op teruggekomen. Daarmee hebben zij die stellingen onvoldoende onderbouwd. Aan het opdragen van bewijs komt de rechtbank daarom niet toe.

De coup tijdens de BALV van 10 oktober 2023 wordt als zodanig door [eiseres 1] en [eiseres 2] niet betwist. Die coup was in strijd met de statuten van de Vereniging: leden kunnen op grond van de statuten van de Vereniging niet zonder meer zelf een BALV uitroepen en zij kunnen ook niet een dag voor de BALV ingrijpende voorstellen agenderen, zoals het ontslag van het bestuur en de benoeming van een nieuw bestuur. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben in hun beroepschrift over de BALV van 10 oktober 2023 en de besluiten die daar zijn genomen geschreven: “Onze huidige advocaat stelde echter op 3 november vast dat de besluiten niet rechtsgeldig waren (…)”, dus daar mocht ook de ALV op 15 juli 2024 vanuit gaan.

Het argument dat [eiseres 1] en [eiseres 2] al zijn gestraft voor het plegen van deze coup doordat zij in oktober 2023 voor een maand zijn geschorst, snijdt geen hout. Kennelijk hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] zich van deze schorsing onvoldoende aangetrokken, want er was een kort geding nodig om hen ervan te weerhouden om zich als bestuur van de Vereniging uit te geven (vonnis van 18 december 2023).

Die discussies om de verhoudingen te normaliseren hebben in elk geval tot niets geleid. Inmiddels zijn binnen iets meer dan een jaar vier kort gedingen en een bodemprocedure gevoerd. Ook in 2021 had [eiseres 1] de Vereniging al eens in kort geding betrokken. Op de ALV van 15 juli 2024 heeft [eiseres 2] volgens de transcriptie van die vergadering gezegd: “Ik wil nog wat zeggen, als u het bestuur in wil, onze steun kunt u altijd op rekenen. Wees niet bang hoor, en zorg dat je een rechtsbijstandverzekering hebt. Dan gaan we hier uitkomen. Eerlijkheid duurt het langst.” Dat de ALV op 15 juli 2024 een einde wilde maken aan de onrust binnen de Vereniging, valt te billijken. Ook tegen deze achtergrond is het besluit van de ALV om de ontzetting te bekrachtigen niet kennelijk onredelijk.

Verplicht intern beroep

Artikel 2:35 lid 4 BW schrijft voor dat voor [eiseres] binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit tot ontzetting (oftewel royement) door het bestuur van Cumela beroep openstaat bij, in dit geval, de Commissie. Noch uit de overgelegde stukken, noch uit de verklaringen van partijen ter zitting blijkt dat [eiseres] van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad van 14 mei 1965 (ECLI:NL:HR:1965:AD8077, Amsterdamse Speeltuinverbond) en het hof Amsterdam van
3 november 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:2941) kan [eiseres] niet ten overstaan van de rechtbank de vernietiging van het royementsbesluit vorderen met een beroep op de vernietigingsgronden van artikel 2:15 BW als geen gebruik is gemaakt van deze dwingendrechtelijke interne beroepsmogelijkheid.

Intern beroep niet behandeld

https://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:RBMNE:2023:4140

(ii) Het besluit tot ontzetting is vernietigbaar

De rechtbank vernietigt het besluit tot ontzetting omdat het in strijd is met de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:15 lid 1 sub b BW). [eiseres] [=het lid] heeft zich binnen de [gedaagde] [ = de vereniging] niet kunnen verdedigen tegen dat besluit. Het bestuur heeft geen hoor en wederhoor toegepast, heeft [eiseres] niet gewezen op de beroepsmogelijkheid en heeft het beroep van [eiseres] ondanks haar uitdrukkelijke verzoek niet behandeld tijdens een ALV.

Geen hoor en wederhoor

Ontzetting uit het lidmaatschap van een vereniging is een ingrijpend besluit. Daarom mag van het orgaan dat die beslissing neemt worden verwacht dat dat het daartoe niet overgaat zonder de zienswijze van het lid waar het om gaat in de besluitvorming te betrekken.2 Dat is in dit geval niet gebeurd.

De reden voor het bestuur om tot ontzetting over te gaan was het feit dat [eiseres] geen dek- en geboorteaangifte had gedaan van het nestje van 14 september 2021, terwijl zij ook al te laat was met de geboorteaangifte van het nestje van 31 juli 2021. Dat blijkt uit de e-mail van het bestuur van 1 november 2021 in combinatie met de notulen van de bestuursvergadering van 28 oktober 2021. Het bestuur heeft echter niet aan [eiseres] gevraagd waarom zij geen dek- en geboorteaangifte heeft gedaan.

[eiseres] heeft in de dagvaarding en tijdens de zitting uitgelegd dat zij niet wist dat de hond loops was en was gedekt door de eigen reu van [eiseres] . Daarom had zij geen dekaangifte gedaan. Zij was er vervolgens van uitgegaan dat het doen van geboorteaangifte geen zin meer had omdat er inmiddels al een conflict met de [gedaagde] was ontstaan. Volgens [eiseres] heeft zij er geen geheim van gemaakt dat het nestje geboren was. Door niet aan [eiseres] te vragen waarom zij geen dek- en geboorteaangifte heeft gedaan, heeft het bestuur deze omstandigheden niet kunnen meewegen in de beslissing om tot ontzetting over te gaan.

Beroep niet behandeld

Tegen een ontzettingsbesluit staat binnen een maand beroep op de ALV open (artikel 16 lid 3 en artikel 15 lid 5 van de statuten). Het bestuur heeft in de e-mail van 1 november 2021 niet tegen [eiseres] gezegd dat zij bij de ALV in beroep kon tegen het besluit tot ontzetting. Dat had wel gemoeten (artikel 15 lid 4 van de statuten).

Belangrijker is echter dat [eiseres] wel in beroep is gegaan en dat het bestuur niet heeft meegewerkt aan het verzoek van [eiseres] om dat beroep te behandelen op een ALV. De heer [B] (hierna: [B] ) heeft in zijn e-mail van 3 november 2021 namens [eiseres] beroep ingesteld tegen het besluit tot ontzetting en duidelijk gemaakt dat [eiseres] het besluit aan de ALV wilde voorleggen. Weliswaar gebruikte [B] in zijn e-mail het woord ‘schorsing’ en niet het woord ‘ontzetting’, maar uit de e-mail is duidelijk wat hij bedoelde. Zijn e-mail is een directe reactie op de e-mail van het bestuur van 1 november 2021 en hij had het in zijn e-mail over de zwaarst mogelijke maatregel. Hij bedoelde dus ontzetting in plaats van schorsing. Onder het kopje ‘Beroep’ schreef hij vervolgens: “Namens [eiseres (voornaam)] stel ik ook hiertegen beroep in.”, waarna hij vroeg om het bijeenroepen van een bijzondere ALV.

[B] heeft daarna nog meerdere keren namens [eiseres] tegen het bestuur gezegd dat [eiseres] beroep heeft ingesteld en dat dit beroep moest worden behandeld tijdens een ALV:

  • -In een e-mail van 13 november 2021: “Voor wat betreft de schorsing, die jullie hebben opgelegd, en waartegen wij ook beroep hebben ingesteld, nemen wij aan dat Jullie inmiddels al een bijzondere ALV aan het plannen zijn.
  • -In een e-mail van 29 november 2021: “Zoals jullie bekend is, hebben wij tegen dit besluit direct beroep ingesteld bij de ALV, en tevens, gelet op het grote belang voor [eiseres (voornaam)] en [B (voornaam)] hiervoor, verzocht om een bijzondere ALV bijeen te roepen, als bedoeld in artikel 5 lid 4 van het Sanctiereglement.

Kortom, [eiseres] heeft er duidelijk en meerdere malen op aangedrongen dat haar beroep zou worden behandeld tijdens een ALV. Dat is niet gebeurd.

Weliswaar heeft [eiseres] na de e-mail van 1 december 2021 van het bestuur niet opnieuw beroep ingesteld tegen het ontzettingsbesluit, maar dat hoefde ook niet. De e-mail van 1 december 2021 was immers slechts de bevestiging van de op 1 november 2021 gecommuniceerde ontzetting per die datum. Tijdens het sturen van deze e-mail van 1 december moet het voor het bestuur duidelijk geweest zijn dat [eiseres] beroep had ingesteld tegen de beëindiging en dat het voor haar belangrijk was dat dit beroep zou worden behandeld tijdens een ALV.