Kort en krachtig

Vonnis in kort geding van 16 januari 2026

Rechtbank Den Haag 16 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1792

“De voorzieningenrechter stelt vast dat de COM voor dit halsoverkop aangevraagde kort geding [het vonnis vermeldt niet wanneer de dagvaarding is uitgebracht0 op bijzonder korte termijn is opgeroepen en de COM mogelijkerwijs daardoor niet in staat is geweest aanwezig te zijn en verweer te voeren. … De voorzieningenrechter is van oordeel dat de COM wel alsnog in de gelegenheid gesteld moet worden om tegen de vorderingen verweer te voeren, maar wel nu een voorziening moet treffen die ertoe leidt dat de in de dagvaarding gevorderde twee verboden en de gevorderde schorsing onmiddellijk van kracht zijn, totdat hoor en wederhoor alsnog gestalte heeft kunnen krijgen. Daarmee wordt bewerkstelligd dat er pas op de plaats wordt gemaakt en er derhalve tijdens het op zaterdag 17 januari 2026 te België plaats te vinden congres van de COM geen besluiten die nu op de agenda staan en onderdeel vormen van de rechtsstrijd, worden genomen. Een prikkel tot nakoming in de vorm van een dwangsom is aangewezen.”

“- verbiedt de COM artikel 3 en artikel 22 van de Statuten van de COM te wijzigen conform het voorstel van het bestuur van 19 december 2025;

– schorst het door het bestuur van de COM genomen besluit tot wijziging van de artikelen 2, 3 en 7 van het Reglement van de COM;

– verbiedt de COM de wijzigingen van de artikelen 2, 3 en 7 van het Reglement van de COM – zoals weergegeven door het bestuur van de COM in de agenda van 19 december 2025 – te bekrachtigen;

– veroordeelt de COM tot betaling van een onmiddellijk opeisbare en niet voor matiging vatbare dwangsom van telkens € 100.000,- indien zij handelt in strijd met een verbod als hiervoor genoemd;”

Wie is de Groot Prior?

Rechtbank Amsterdam 16 mei 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:7556

“Geschil binnen vereniging van internationale tempeliersorde/broederschap, met eigen reglementen.”

[gedaagde] is op 23 november 2024 benoemd tot voorzitter van eiseres. Op 23 februari 2025 heeft een vergadering van leden van eiseres in een door leden opgeroepen vergadering besloten [gedaagde] te ontslaan, de heer [naam 1] te herbenoemen tot voorzitter en andere nieuwe bestuurders te benoemen. [gedaagde] heeft op 17 februari 2025 een nieuwe vereniging opgericht met overeenkomende doelstelling als eiseres.

“De tweede vordering van eiseres betreft een verbod aan [gedaagde] om zich uit te geven als Groot Prior. Tussen partijen is in geschil of die titel automatisch behoort tot het zijn van voorzitter van eiseres of toegekend wordt door de internationale organisatie. Ook op deze vraag kan het antwoord in het midden blijven, omdat vaststaat dat in de komende week in [plaats] , Portugal, binnen de internationale organisatie besproken zal worden wie daar als Groot Prior namens Nederland zal worden beschouwd. Overigens zijn partijen het er over eens dat de titel van Groot Prior geen beschermde titel is.”

“De vierde vordering strekt tot overdracht van het beheer en de toegang tot de website en bijbehorende accounts van eiseres. Tegenover de betwisting door [gedaagde] dat er een website en accounts zijn van eiseres, heeft eiseres niet nader onderbouwd dat deze er wel zijn, zodat eiseres geen belang heeft bij deze vordering.”

Een merkwaardige zaak, waarbij twee personen een vereniging oprichten die tamelijk winstgevend lijkt. Een “virtuele” golfclub, als ik het goed begrijp, dat wil zeggen een soort van administratieve schakel tussen een golfer en de Golffederatie. Na enige tijd worden de (nieuwe) leden overgeheveld naar een andere organisatie doordat een contract wordt opgezegd, verbonden aan één van de twee oprichters, die ook allebei bestuurslid zijn, en nu eiser en gedaagde (allebei natuurlijke personen). Het contract was dan weer gesloten tussen de vereniging en Golflink B.V. “[Eiser] en [gedaagde] zijn (naast anderen) bestuurders en (indirect) aandeelhouders van Golflink.”

De uitspraak is opvallend, omdat de tamelijk recent ingevoerde tegenstrijdigbelangregeling van artikel 2:44 lid 6 BW aan de orde komt.

“[eiser] had op de voet van artikel 2:44 lid 6 BW [gedaagde = het andere bestuurslid] in kennis moeten stellen van de opzegging [van het contract] en de besluitvorming rondom de opzegging door Golftotaal aan [gedaagde] moeten overlaten.”

“Een complicerende factor is dat [gedaagde] op 29 juli 2025 op grond van artikel 5 lid 4 van de statuten heeft besloten om [eiser] te ontzetten als lid van GCN, op de grond dat [eiser] de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld. Aangezien [eiser] op dat punt niet mocht meebeslissen vanwege een tegenstrijdig belang zoals bedoeld in artikel 2:44 lid 6 BW, mocht [gedaagde] zelfstandig tot dat besluit komen.”

[eiser] heeft gesteld dat [gedaagde] aanzienlijke vermogensbestanddelen van meer dan een miljoen euro heeft onttrokken aan GCN door die bedragen via Golflink door te sluizen naar zijn eigen vennootschap. Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij dat heeft gedaan als beschermingsmaatregel toen het geschil met [eiser] escaleerde en dat de gelden inmiddels (nadat [eiser] als bestuurder van Golflink was ontslagen) weer terug zijn geboekt naar een bankrekening van Golflink, waar het geld hoort. Hij heeft onweersproken gesteld dat de gelden van GCN en andere werkmaatschappijen sinds 2 februari 2025 zijn gecentraliseerd op de rekening van Golflink. Niet gebleken is dat er sprake is van onregelmatig handelen of benadeling van GCN door [gedaagde]. Het is dus niet aannemelijk dat het belang van GCN wordt geschaad als de huidige situatie wordt gehandhaafd.

Schuldbekentenis penningmeester ongeldig

Rechtbank Oost-Brabant 26 juni 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:3640

[eiser in verzet, oorspronkelijke gedaagde] is in 2023 bestuurder en penningmeester geweest van [de vereniging, de gedaagde}. .

Op 5, 6 en 7 juli 2023 heeft [gedaagde in verzet, oorspronkelijke eiseres] een zeskamp georganiseerd.

Na het zeskamp ontbreekt de opbrengst.

Dan constateert de vereniging dat er EUR 20.000 in contanten ontbreekt.

De penningmeester ondertekent een schuldbekentenis.

De rechtbank: “De kantonrechter is van oordeel dat het beroep van [de penningmeester] op misbruik van omstandigheden ex artikel 3:44 lid 4 BW slaagt. Dit wordt als volgt toegelicht.

(zie hieronder)

De uitspraak bevat een aantal nuttige gezichtspunten over wat je als bestuur (niet) moet doen als er contant geld is verdwenen.

Lees verder “Schuldbekentenis penningmeester ongeldig”