Uitleg reglement (Degradatie voetbalclub)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 9 juni 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:4940

In deze zaak dient het hof te oordelen over de vraag, of de toepassing van een bepaling in een reglement van een vereniging door de vereniging, in stand kan blijven. Het hof overweegt:
” De (burgerlijke) overheidsrechter die de interne reglementering van een vereniging moet beoordelen, moet zich in beginsel beperken tot een marginale toetsing. Voor rechterlijk ingrijpen is slechts aanleiding als verenigingsbesluiten in redelijkheid niet hadden kunnen worden genomen. Dit is niet anders indien het gaat om de uitleg, die een orgaan van een vereniging geeft aan de interne verenigingsreglementen, zoals hier aan de orde. De door de Beroepscommissie gegeven uitleg van artikel 6 Licentiereglement kan die toets doorstaan. Weliswaar volgt de gegeven interpretatie niet dwingend uit de tekst van artikel 6 ook de door [appellant] gegeven uitleg daarvan is verdedigbaar maar naar het oordeel van het hof handelt de Beroepscommissie niet onredelijk door te volharden in haar uitleg. ”

arrest in kort geding van 9 juni 2017

in de zaak van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [appellant] ,

tegen: de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Koninklijke Nederlandse Voetbalbond,
in eerste aanleg: gedaagde, hierna: KNVB,

2Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding in hoger beroep van 24 mei 2017 met grieven,
– de memorie van antwoord, tevens akte houdende bezwaar tegen eiswijziging/ eisvermeerdering met één productie,
– de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities. Hierbij is akte verleend van de stukken die bij bericht van 6 juni 2017 door mr. M.P.M. Riep namens [appellant] zijn ingebracht.
2.2

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald op één dossier.
2.3

[appellant] vordert in het hoger beroep, na een wijziging van eis, het vonnis van 3 mei 2017 te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
a. a) het besluit van de Beroepscommissie dan wel van de KNVB van 5 mei 2017 op het tweede beroepschrift strekkende tot aftrek van drie wedstrijdpunten te schorsen dan wel de werking daarvan te ontzeggen, in ieder geval totdat bij in kracht van gewijsde gegaan of uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in een bodemprocedure in dat kader anders wordt beslist, dan wel KNVB en/of de Beroepscommissie van KNVB te verplichten de tenuitvoerlegging van de uitspraak Beroepscommissie op het tweede beroepschrift van 28 april 2017 (voorlopig) op te schorten, althans KNVB te verplichten om opnieuw een mondelinge behandeling van voornoemd beroepschrift te laten plaatsvinden, alsmede KNVB te verplichten met inachtneming van het Licentiereglement [appellant] opnieuw op te roepen voor de behandeling van voornoemd beroepschrift, bij gebreke waarvan aan KNVB een (direct opeisbare) dwangsom wordt opgelegd en/of wordt verbeurd, van ineens € 500.000,00, te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag dat dit gebrek voortduurt dan wel KNVB in weerwil handelt van de uitspraak op deze dagvaarding;
b) KNVB te verplichten dan wel te gebieden om er voor zorg te dragen dat de wedstrijd tussen de clubs [appellant] en [voetbalclub 1] , welke heeft plaatsgevonden op 5 mei 2017, over te laten spelen/opnieuw te laten spelen, bij gebreke waarvan aan KNVB een (direct opeisbare) dwangsom wordt opgelegd en/of wordt verbeurd, van ineens € 500.000,00, te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag dat dit gebrek voortduurt dan wel KNVB in weerwil handelt van de uitspraak op deze dagvaarding;
c) KNVB te verbieden om [appellant] uit de competitie van KNVB genaamd eerste divisie/Jupiler League te laten degraderen, althans KNVB te verplichten dan wel te gebieden om er voor zorg te dragen, eventueel als extra club, dat [appellant] kan deelnemen aan de competitie genaamd eerste divisie/Jupiler League in het komende voetbalseizoen, het voetbalseizoen 2017/2018, en [appellant] daartoe toe te laten, bij gebreke waarvan aan KNVB een (direct opeisbare) dwangsom wordt opgelegd en/of wordt verbeurd, van ineens € 500.000,00, te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag dat dit gebrek voortduurt dan wel KNVB in weerwil handelt van de uitspraak op deze dagvaarding;
d) KNVB te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan KNVB heeft voldaan aan [appellant] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van terugbetaling;
e) KNVB te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het arrest en – voor het geval voldoening van (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.11 van het bestreden vonnis, en tevens van feiten die na de uitspraak van dit vonnis zijn voorgevallen. Samengevat gaat het om het volgende.
3.2

[appellant] is een amateur-voetbalvereniging en is lid van KNVB, die een overkoepelende vereniging is van Nederlandse voetbalclubs. [appellant] heeft sinds het seizoen 2013/2014 deelgenomen aan de ‘Jupiler League’, een competitie die wordt georganiseerd door (de sectie betaald voetbal van) KNVB. [appellant] heeft binnen het kader van een pilot-project de mogelijkheid gekregen om zich van een amateurclub te ontwikkelen tot een Betaald Voetbal Organisatie.
3.3

Bij brief van 21 december 2016 heeft KNVB aan [appellant] geschreven dat zij wegens het ontbreken van een sluitende liquiditeitsprognose werd ingedeeld in ‘financiële categorie I’. Naar aanleiding hiervan heeft [appellant] op 15 februari 2017 een Plan van Aanpak bij KNVB opgesteld, waarin is voorzien in het verwerven van financiering ad € 5 miljoen, waarvan uiterlijk op 1 april 2017 € 1,5 miljoen aan [appellant] beschikbaar zou worden gesteld (productie 6 bij dagvaarding in eerste aanleg, pagina 4 onderaan).
3.4

Bij brief van 2 maart 2017 heeft de Licentiecommissie van KNVB het Plan van Aanpak goedgekeurd en daaraan een sanctietraject, als bedoeld in artikel 11 lid 9 van het Licentiereglement (een verenigingsreglement) verbonden, hierna: het sanctietraject.
3.5

Op 1 april 2017 beschikte [appellant] niet over het bedrag van € 1,5 miljoen. Omdat [appellant] de beschikbaarheid daarvan niet tijdig had aangetoond heeft de Licentiecommissie bij besluit van 5 april 2017 (productie 8 bij dagvaarding in eerste aanleg) overeenkomstig het sanctietraject aan [appellant] een publieke waarschuwing gegeven en een nieuwe termijn gegeven waarbinnen [appellant] moest aantonen te beschikken over het bedrag van € 1,5 miljoen, eindigend op 19 april 2017.
3.6

[appellant] heeft op 11 april 2017 beroep ingesteld tegen dit besluit van de Licentiecommissie en heeft daarbij om een mondelinge behandeling verzocht. Een beroep van een besluit van de Licentiecommissie wordt overeenkomstig artikel 4 lid 10 van het Licentiereglement behandeld door de Beroepscommissie Licentiezaken, een orgaan van KNVB (hierna: de Beroepscommissie). De Beroepscommissie heeft de mondelinge behandeling vastgesteld op 1 mei 2017.
3.7

Op 19 april 2017 beschikte [appellant] evenmin over € 1,5 miljoen. Bij besluit van 20 april 2017 (productie 10 bij dagvaarding in eerste aanleg) heeft de Licentiecommissie vastgesteld dat er sprake was van een tweede verzuim en heeft zij overeenkomstig het sanctietraject aan [appellant] verlies van drie wedstrijdpunten opgelegd. [appellant] heeft op 28 april 2017 (productie 11 bij dagvaarding in eerste aanleg) ook beroep ingesteld tegen het besluit van 20 april 2017. In een mailbericht van 29 april 2017 om 17:24 uur heeft de secretaris van de Beroepscommissie aan [appellant] de keuze gegeven om dat beroep op 1 mei 2017 te behandelen, tegelijk met het beroep tegen het besluit van 5 april 2017, of om de beide beroepschriften op 3 mei 2017 te behandelen.
3.8

[appellant] heeft bezwaar gemaakt tegen de gehanteerde oproeptermijn welk bezwaar de Beroepscommissie niet heeft gehonoreerd.
3.9

Op 3 mei 2017 om 20.30 uur heeft de mondelinge behandeling door de Beroepscommissie plaatsgevonden, waarbij de twee beroepschriften van [appellant] gelijktijdig zijn behandeld.
3.10

Bij besluit van 5 mei 2017 heeft de Beroepscommissie de beide door [appellant] ingediende beroepen ongegrond verklaard en de besluiten van de Licentiecommissie van 5 april 2017 en 20 april 2017 bekrachtigd. Deze beslissingen zijn die dag om 16.10 uur telefonisch aan [appellant] medegedeeld en direct daarna per mail aan haar bevestigd.
Op 5 mei 2017 heeft het elftal van [appellant] ’s avonds tegen [voetbalclub 1] gespeeld en de wedstrijd verloren met 1-5. Het was de laatste wedstrijddag van het seizoen 2016/2017. [appellant] is in de competitie geëindigd met 19 punten, waardoor zij is gedegradeerd naar de tweede divisie. Indien de straf van verlies van drie wedstrijdpunten niet zou zijn opgelegd én het elftal van [appellant] de wedstrijd tegen [voetbalclub 1] zou hebben gewonnen, zou [voetbalclub 2] in haar plaats zijn gedegradeerd.

4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellant] heeft in eerste aanleg voor zover in hoger beroep van belang bij wege van een voorlopige voorziening gevorderd om te verbieden dat de mondelinge behandeling van het tweede beroepschrift op 3 mei 2017 zal plaatsvinden.
4.2

De voorzieningenrechter heeft bij verkort vonnis van 3 mei 2017, nader schriftelijk uitgewerkt op 17 mei 2017, de vordering afgewezen, onder meer omdat dat artikel 6 lid 5 van het licentiereglement niet op de onderhavige situatie van toepassing is zodat geen oproepingstermijn van vier werkdagen geldt. Het beroep op strijd met de goede procesorde heeft hij verworpen. Ten slotte heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat de beide beroepszaken zich leenden voor gezamenlijke behandeling.

5De beoordeling van de grieven en de vordering

5.1

In de appeldagvaarding heeft [appellant] haar eis gewijzigd/vermeerderd. KNVB heeft hiertegen bezwaar gemaakt. De gewijzigde vordering heeft betrekking op zelfstandige vorderingen die niet voor het eerst in hoger beroep aan de orde kunnen komen, aldus KNVB.
Het hof oordeelt als volgt. De eiswijziging is op het eerst mogelijke moment in hoger beroep door [appellant] aangekondigd en is daarmee in beginsel tijdig gedaan. Aan de gewijzigde vorderingen van [appellant] ligt, anders dan KNVB aanvoert, geen ander feitencomplex of een andere rechtsverhouding ten grondslag dan in eerste aanleg al aan de orde was. De eiswijzigingen vloeien onder meer voort uit het besluit van de beroepscommissie van 5 mei 2017, dat dateert van ná de uitspraak in eerste aanleg. KNVB heeft op de gewijzigde eis kunnen reageren bij memorie van antwoord en tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep. Zij heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt. Hoewel verstrekkend in haar mogelijke gevolgen, is de eiswijziging ook anderszins niet in strijd met de goede procesorde. De beoordeling van de gegrondheid van de vorderingen staat immers los van de toelaatbaarheid van de eiswijziging.

5.2

Het hof stelt bij de beantwoording van de vraag of de gewijzigde vorderingen gegrond zijn het volgende voorop. Bij beantwoording van de vraag of een in kort geding verlangde voorziening, hetzij na toewijzing, hetzij na weigering daarvan, in hoger beroep voor toewijzing in aanmerking komt, moet zo nodig ambtshalve worden beoordeeld of de eisende partij ten tijde van het arrest van het hof bij die voorziening een spoedeisend belang heeft (HR 31 mei 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE3437). De vraag of een eisende partij in kort geding daarbij voldoende spoedeisend belang heeft, dient beantwoord te worden aan de hand van een afweging van de belangen van partijen, beoordeeld naar de toestand ten tijde van de uitspraak. (HR 29 november 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE4553).
De vorderingen zijn erop gericht dat [appellant] ook in het volgende seizoen deel uitmaakt van de Jupiler League. Het wedstrijdschema van die competitie wordt thans ingevuld. Hieruit blijkt voldoende van spoed bij de gevorderde voorzieningen.

5.3

Volgens [appellant] had de Beroepscommissie haar uit hoofde van artikel 6 van het Licentiereglement niet minder dan vier werkdagen vóór de behandeling van haar tweede beroepschrift mogen oproepen. Dit artikel bepaalt:
Artikel 6 – Schriftelijke of mondelinge behandeling
  1. Zaken voor de licentiecommissie worden uitsluitend schriftelijk behandeld.
  2. Indien de betrokken licentiehouder daarom schriftelijk verzoekt, wordt een zaak door de beroepscommissie licentiezaken mondeling behandeld. (…)
3. In geval van een mondelinge behandeling bepaalt de beroepscommissie licentiezaken datum, uur en plaats van behandeling.
4. De beroepscommissie licentiezaken bepaalt welke personen in ieder geval bij een mondelinge behandeling dienen te verschijnen. De betrokken licentiehouder kan zich doen bijstaan door een raadsman.
5. De secretaris roept alle personen op van wie de beroepscommissie licentiezaken de verschijning wenselijk acht, met inachtneming van een termijn van ten minste vier werkdagen, de dag van de verzending en die van de behandeling niet meegerekend. De opgeroepen personen zijn verplicht te verschijnen.
De Beroepscommissie heeft lid 4 en 5 van deze bepaling uitgelegd in die zin, dat zij de oproepingstermijn van vier werkdagen uitsluitend moet hanteren wanneer het gaat om personen, wiens verschijning zij wenselijk vindt en die dan verplicht zijn te verschijnen, en niet indien zij, zoals in dit geval, uitsluitend de licentiehouder laat weten wanneer de behandeling plaatsvindt.

5.4

De (burgerlijke) overheidsrechter die de interne reglementering van een vereniging moet beoordelen, moet zich in beginsel beperken tot een marginale toetsing. Voor rechterlijk ingrijpen is slechts aanleiding als verenigingsbesluiten in redelijkheid niet hadden kunnen worden genomen. Dit is niet anders indien het gaat om de uitleg, die een orgaan van een vereniging geeft aan de interne verenigingsreglementen, zoals hier aan de orde. De door de Beroepscommissie gegeven uitleg van artikel 6 Licentiereglement kan die toets doorstaan. Weliswaar volgt de gegeven interpretatie niet dwingend uit de tekst van artikel 6 ook de door [appellant] gegeven uitleg daarvan is verdedigbaar maar naar het oordeel van het hof handelt de Beroepscommissie niet onredelijk door te volharden in haar uitleg. Het Licentiereglement biedt namelijk geen houvast voor de vraag wie valt onder de personen, van wie de aanwezigheid door de Beroepscommissie wenselijk wordt geacht. Uit lid 2 van hetzelfde artikel blijkt dat mondelinge behandeling slechts voorgeschreven is indien de betrokken licentieaanvrager/-houder daarom verzoekt, zodat voor de hand ligt aan te nemen dat de licentiehouder niet tot de in lid 5 bedoelde personen behoort, maar alleen tot de personen van lid 4. Aldus bezien is de door de Beroepscommissie gegeven uitleg niet strijdig met de tekst van het Licentiereglement. Grief I faalt daarom.
5.5

Nu vast staat dat [appellant] op 29 april 2017 door haar eerste beroepschrift al op de hoogte was van de inhoud van het dossier en daaraan slechts nog een zienswijze van het bestuur van KNVB is toegevoegd ten aanzien van het tweede beroepschrift (dat overigens niet afweek), valt ook al niet in te zien dat [appellant] door de gehanteerde oproeptermijn van enkele dagen is geschaad in haar mogelijkheden om bij de mondelinge behandeling haar belangen behoorlijk voor het voetlicht te brengen. Het tegendeel heeft [appellant] in elk geval onvoldoende feitelijk toegelicht. Grief II faalt eveneens.
5.6.

[appellant] heeft in het kader van haar grieven en ter onderbouwing van de vorderingen die zij voor het eerst in hoger beroep heeft ingesteld, ook geklaagd over miskenning van haar belangen doordat de Licentiecommissie (te) zware eisen stelde aan haar (amateur)organisatie en haar vervolgens onevenredig zwaar strafte toen zij daaraan niet kon voldoen, en doordat de Beroepscommissie luttele uren vóór de laatste wedstrijd bekend maakte dat het beroep tegen het opleggen van strafpunten was verworpen.
[[Appellant], red.] heeft gelijk dat de Beroepscommissie het tweede beroepschrift met hoge snelheid heeft afgehandeld. Het is ook aannemelijk dat het moreel van het elftal van [appellant] een gevoelige slag (in de woorden van [appellant] : een mokerslag) kreeg door het tijdstip van de bekendmaking dat de strafpunten zouden worden gehandhaafd. Ook indien [appellant] de wedstrijd zou winnen, zou zij naar de tweede divisie worden gedegradeerd. In de ogen van [appellant] heeft dit er toe geleid dat zij de wedstrijd heeft verloren en zij voert aan dat de Beroepscommissie wilde dat zij zou degraderen.
5.7

In de kern betoogt [appellant] dat de Beroepscommissie het besluit na afloop van het voetbalseizoen had moeten nemen zodat de strafpunten niet zouden meetellen voor het lopende seizoen maar het volgende. Het hof ziet echter onvoldoende aanknopingspunten die meebrengen dat de Beroepscommissie daartoe gehouden was. Hetzelfde geldt voor het feit dat de Beroepscommissie geen aanleiding heeft gezien om het opleggen van de strafpunten terug te draaien omdat dit uiteindelijk (de facto) tot gevolg had dat [appellant] degradeerde (los van de vraag welke betekenis in dit verband toekomt aan de uitslag van de laatste wedstrijd) en daardoor niet automatisch voor de Jupiler League 2017/2018 een licentie zou krijgen, met de daaraan gekoppelde financiële en andere voordelen.
Het gaat ook hier om verenigingsbeleid, dat door de rechter maar beperkt kan worden getoetst. Van willekeur is niet gebleken. Het besluit van de Licentiecommissie en in beroep de Beroepscommissie om het sanctietraject dat eerder aan [appellant] kenbaar was gemaakt in werking te stellen en de gevolgen in het lopende voetbalseizoen te laten intreden, kunnen de redelijkheidstoets doorstaan.

5.8

Het hof overweegt voor zoveel nodig nog het volgende. De ledenvergadering van de sectie betaald voetbal van KNVB heeft in het seizoen 2010/2011 besloten om strafpunten zoveel mogelijk in mindering te brengen op het competitieresultaat van het lopende seizoen. [appellant] was in dat seizoen nog geen lid van die sectie, maar zij moet als deelnemer van de Jupiler League toch respecteren dat dit thans deel uitmaakt van het sanctiebeleid binnen de vereniging, net als andere licentiehouders dat moeten doen. Over de vraag of KNVB bij Fortuna Sittard in afwijking van het sanctiebeleid de strafpunten pas in een later seizoen op het resultaat heeft laten drukken, verschillen partijen van mening. Maar ook indien dat het geval zou zijn, brengt dit nog niet mee dat de strafpunten in het geval van [appellant] in redelijkheid niet in het lopende seizoen mochten worden meegeteld. Weliswaar heeft [appellant] aangevoerd dat de Beroepscommissie in het verleden langere termijnen heeft gehanteerd dan in het geval van het tweede beroepschrift van [appellant] , maar dat de andere beroepsschriften net zo kort voor de laatste wedstrijd van het seizoen waren ingediend, is niet gebleken. Het tweede beroepschrift van [appellant] op het besluit van 20 april 2017 is namelijk op 28 april, circa een week vóór de laatste wedstrijd van het seizoen, ingediend, zodat het hiervoor bedoelde verenigingsbeleid door de Beroepscommissie alleen nog kon worden uitgevoerd door (zeer) korte termijnen te hanteren.
5.9

In de gebleken belangen van partijen bij toe-, respectievelijk afwijzing van de gevorderde voorzieningen ziet het hof geen aanleiding om die voorzieningen te treffen. Het hof verwerpt dat de belangen van KNVB en haar andere leden ‘niet noemenswaardig’ zijn. Voorshands moet ook gewicht worden toegekend aan de belangen van de andere deelnemers aan de Jupiler League van het seizoen 2017/2018. Ook indien het mogelijk is om [appellant] als 21e elftal te laten deelnemen aan die competitie, dan betekent dat dat van de andere deelnemers vergaande aanpassingen worden verlangd. Dat geldt ook derden die bij de wedstrijden zijn betrokken (politie, vervoersmaatschappijen, etc.). De grieven III en IV falen eveneens.
5.10

In het licht van het vorenstaande bestaat er geen goede reden om de wedstrijd tegen [voetbalclub 1] overnieuw te laten spelen, of om KNVB te verplichten om [appellant] ook aan de Jupiler League van 2017/2018 te laten deelnemen. Die vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Grief V kan [appellant] niet helpen. Nu [appellant] terecht in eerste aanleg in het ongelijk is gesteld, is het hof het eens met de door de voorzieningenrechter uitgesproken proceskostenveroordeling. Ook grief VI faalt en ook de vordering om KNVB te laten terugbetalen wat [appellant] aan KNVB heeft moeten betalen uit hoofde van dat vonnis, zal afgewezen worden.
5.11

Beide partijen hebben bewijsaanbiedingen gedaan, maar alleen al gelet op de spoedeisendheid van de gevorderde voorzieningen komt het hof niet aan bewijslevering toe.

6De slotsom

6.1

De grieven falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd en de in hoger beroep ingestelde vorderingen zullen worden afgewezen.
6.2

[]

7De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter te Midden-Nederland van 3 mei 2017;
wijst de in hoger beroep gewijzigde eisen af;

Royement: afwegen van staat van dienst lid

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 30 mei 2017ECLI:NL:GHSHE:2017:2298


Naar aanleiding van een “incident” (woordenwisselingen) tussen twee leden en een trainer bij een judovereniging, worden de twee geroyeerd (ontzet uit het lidmaatschap). Het royement houdt in hoger beroep geen stand. De vereniging heeft namelijk niet voldoende de belangen van het lid afgewogen.  Met name heeft de vereniging niet overwogen dat royement oneervol is vol het lid. Evenmin heeft de vereniging de staat van dienst van de leden overwogen, zoals het feit dat een van de twee leden erelid van de vereniging is.

” Volgens [de twee leden] is [bij het royement] geen acht geslagen op de onberispelijke staat van dienst van [de leden] gedurende een periode van vele tientallen jaren, het feit dat [lid 2] erelid van de vereniging is en dat hij is onderscheiden door de judobond voor zijn verdiensten ten behoeve van de vereniging en de judosport”

“De vereniging heeft niet betwist dat bij het nemen van de besluiten geen acht is geslagen op de verdiensten van [de twee leden] voor de vereniging en het oneervolle karakter van de ontzetting. []
Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het bestuur en de [beroepscommissie] bij hun besluitvorming en hun besluiten geen rekening hebben gehouden met voormelde belangen aan de zijde van [de twee leden] , althans hebben het bestuur en de commissie daarmee niet voor [de ledenn] kenbaar rekening gehouden. Het hof is daarom van oordeel dat de vereniging jegens [de leden] in redelijkheid niet tot hun besluiten tot ontzetting hadden kunnen komen. ” 

Overigens is opzegging  niet oneervol.

arrest van 30 mei 2017

in de zaak van 1 [appellant 1] , 2. [appellant 2] ,
[]
tegen Judovereniging [Judovereniging] ,

hierna aan te duiden als de vereniging,
[]

op het bij exploot van dagvaarding van 19 november 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 4 november 2015, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond gewezen tussen [appellanten] als eisers en de vereniging als gedaagde.


3De beoordeling

in principaal en incidenteel hoger beroep

3.1.

Door de rechtbank zijn in het bestreden vonnis in 2.1. tot en met 2.11. vastgestelde feiten, welke hierna worden vernummerd tot 3.1.1. tot en met 3.1.11. In hun eerste grief hebben [appellanten] aangegeven dat zij zich niet kunnen verenigen met de door de rechtbank onder 2.3., 2.4. en 2.11. vastgestelde feiten, welke hierna zijn vernummerd tot 3.1.3., 3.1.4. en 3.1.11.
3.1.1.

[appellanten] waren lid van de vereniging. Op de training van 18 september 2013 is een incident voorgevallen tussen [appellanten] enerzijds en de trainer anderzijds.
3.1.2.

De toenmalig voorzitter van het bestuur heeft daarna telefonisch aan [appellant 2] gemeld dat [appellanten] op de volgende training niet welkom waren.
3.1.3.

[appellanten] zijn verschenen op de volgende training (van 25 september 2013), alwaar hen door de trainer en het bestuur van de vereniging verzocht is de training te verlaten. Aan dit verzoek hebben [appellanten] geen gehoor gegeven.
3.1.4.

Tijdens de bestuursvergadering van 30 september 2013 is het gedrag van [appellanten] tijdens de training van 18 september en de daarop volgende schorsing van 25 september 2013 besproken. Het bestuur heeft naar aanleiding daarvan besloten tot een ingelaste bijzondere algemene ledenvergadering waarin de senior leden zich konden uitspreken over de beslissingen van het bestuur met betrekking tot het gedrag van [appellanten] . Deze bijzondere algemene ledenvergadering heeft op 2 oktober 2013 plaatsgevonden. Uitslag was dat er voldoende draagvlak bij de leden bestond voor het bestuur en de trainer. Tevens kondigde het bestuur na de stemronden een officiële schorsing van [appellanten] aan.
3.1.5.

Op 7 oktober 2013 heeft het bestuur [appellanten] een voorlopige schorsing opgelegd van 14 dagen, ingaande 9 oktober 2013, alsmede aangekondigd dat [appellanten] binnen de termijn van 14 dagen op de hoogte zullen worden gebracht van de definitieve straf conform artikel 10 van de statuten.
3.1.6.

Op de algemene ledenvergadering van 23 oktober 2013 is het toenmalige bestuur opgestapt en is een nieuw bestuur aangetreden.
3.1.7.

Bij brief van 28 oktober 2013 deelt het bestuur [appellanten] het volgende mee:
“Middels dit schrijven berichten wij u dat het bestuur van Judovereniging [Judovereniging] te [vestigingsplaats] heeft besloten, conform artikel 10 van de statuten, u te ontzetten uit het
lidmaatschap van Judovereniging [Judovereniging] . Vanzelfsprekend wil het bestuur u in kennis stellen van haar beweegredenen:
In het bijzijn van de aanwezige seniorleden heeft u tijdens de judoles van 18 september 2013 de judoleraar onheus bejegend en geschoffeerd. U uitte uw ongenoegen betreffende het inhoudelijke werk van de training. Met uw gedrag veroorzaakte u veel onrust bij de overige leden en u maakte het op dat moment voor de trainer onmogelijk zijn les te geven.
Ondanks het feit dat de voorzitter en de judoleraar u toen meerdere malen hebben verzocht om uw houding aan te passen heeft u daar geen gehoor aangegeven.
De schorsing die de voorzitter u op 24 september 2013 telefonisch heeft opgelegd, heeft u genegeerd en u bent op 25 september 2013 toch naar de judotraining gekomen.
Tijdens deze training van 25 september 2013 heeft u het verzoek van de voorzitter en de judoleraar om de mat te verlaten wederom genegeerd.”
Voorts luidt de brief:

“Al deze bovengenoemde redenen en elk feit op zich rechtvaardigt het voorstaande besluit. Naar de mening van het bestuur heeft uw handelen, dat in strijd is met de statuten en de Dojoregels, de vereniging [Judovereniging] op onredelijke wijze benadeeld Uw handelen heeft veel onrust veroorzaakt en getuigt niet van een goed lidmaatschap. Ook gezien het feit dat een meerderheid van de seniorleden alle steun heeft gegeven aan de trainer, rest het bestuur geen andere keuze dan u de zwaarst mogelijke straf op te leggen, namelijk die van ontzetting.
(…). “

3.1.8.

Artikel 10 van de statuten luidt, voor zover van belang;
“1. Het opleggen van straffen geschiedt door het verenigingsbestuur. In afwachting van het opleggen van een straf is het bestuur bevoegd tot het opleggen van een voorlopige schorsing gedurende ten hoogste veertien dagen.
2. De volgende straffen kunnen worden opgelegd:
– waarschuwing,
– berisping,
– schorsing,
– ontzetting.
3. (…)
4. Ontzetting kan alleen worden uitgesproken als een lid (…) in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
5. (…)
6. Binnen één maand na ontvangst van de betreffende kennisgeving kan door of namens de betrokkene schriftelijk beroep worden aangetekend bij het bestuur. Ter behandeling van dit beroep zal door of namens de betrokkene en eveneens door het bestuur een meerderjarig verenigingslid worden aangewezen, waarna in onderling overleg door dezen beiden een derde meerderjarige scheidsman zal worden aangezocht; de commissie bestaande uit deze drie scheidslieden zal dit beroep behandelen (…).
7. Hangende het onderzoek en de uitspraak ingeval van beroep op een besluit tot ontzetting is de betrokkene geschorst.”

3.1.9.

Bij brieven van 14 november 2013 hebben [appellanten] beroep aangetekend tegen dit besluit.
3.1.10.

Op 2 mei 2014 heeft de commissie die het beroepschrift van [appellant 1] heeft behandeld, besloten dat de aangezegde ontzetting gerechtvaardigd is.
3.1.11.

Ten aanzien van het beroep van [appellant 2] hadden partijen in eerste instantie overeenstemming bereikt over de samenstelling van de commissie die het beroep diende te behandelen, waarbij het lid dat [appellant 2] vertegenwoordigde, dezelfde zou zijn als die [appellant 1] had vertegenwoordigd en ook het derde, onafhankelijke commissielid dezelfde was als in de commissie die het beroep van [appellant 1] behandelde, zijnde de heer [derde commissielid] . Na de uitspraak van de commissie in het beroep van [appellant 1] heeft [appellant 2] echter geweigerd nog in te stemmen met de persoon van [derde commissielid] als derde commissielid.
3.2.

In de onderhavige procedure vorderen [appellanten] – samengevat – vernietiging van de bestuursbesluiten tot ontzetting uit hun lidmaatschap en veroordeling van de vereniging tot rectificatie, vermeerderd met kosten.
3.3.

De vereniging heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.
3.4.

In het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vorderingen van [appellanten] afgewezen en hen in de proceskosten veroordeeld.
3.5.

[appellanten] heeft in hoger beroep zes grieven (de grieven zijn abusievelijk tot zeven doorgenummerd) aangevoerd. [appellanten] heeft, na wijziging van eis waartegen geen bezwaar is gemaakt, geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot toewijzing van –samengevat- de navolgende vorderingen:
I. het bestuursbesluit van 28 oktober 2013 tot ontzetting van [appellant 1] en het besluit van de commissie van 2 mei 2014 tot bevestiging van die ontzetting te vernietigen;

II. het bestuursbesluit van 28 oktober 2013 tot ontzetting van [appellant 2] uit het lidmaatschap van de vereniging te vernietigen;

III. de vereniging te veroordelen om aan de individuele leden van de vereniging een rectificatie te verzenden op verbeurte van een dwangsom;

IV. de vereniging in de proceskosten, nakosten en wettelijke rente te veroordelen.

Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

in het principaal hoger beroep

Vernietiging besluiten.

3.6.

Het hof overweegt dat aan voormelde vorderingen van [appellanten] tot vernietiging van de bestuursbesluiten van 28 oktober 2013 zij ten grondslag hebben gelegd dat het bestuur van de vereniging in redelijkheid niet tot haar besluiten tot ontzetting is kunnen komen, dat het bestuur in strijd met de redelijkheid en de billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW heeft gehandeld en dat daarmee de besluiten voor vernietiging vatbaar zijn krachtens artikel 2:15 lid 1 aanhef en sub b BW (inleidende dagvaarding nr. 28.).
3.7.

Laatstgenoemde bepaling luidt:
“Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar:

(…)

b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 [] worden geëist

(…)”

3.8.

Artikel 2:8 BW houdt in:
“1 Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd.
2 Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.”

3.9.

Als beoordelingskader geldt voorts dat de ontzettingen slechts dan jegens [appellanten] ontoelaatbaar zijn, indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, jegens [appellanten] in redelijkheid niet tot ontzetting had kunnen komen (HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702). Het hof dient bij de beoordeling of het bestuur van de vereniging bij het nemen van de ontzettingsbesluiten alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen, terughoudend te zijn (HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145 []
3.10.

[appellanten] brengen in de toelichting op hun vierde grief naar voren dat bij de toetsing van het besluit alle betrokken belangen moeten worden afgewogen, waarbij rekening gehouden moet worden met de gevolgen die het besluit voor [appellanten] en voor de vereniging heeft. In dit verband merken [appellanten] op dat zij meer dan voldoende zijn gestraft met de schorsing bij brief van 7 oktober 2013, dat zij niet inzien dat zij ook nog gestraft moesten worden met een ontzetting en dat zij als gerespecteerde leden van de vereniging en de judosport op een oneervolle manier aan de kant zijn gezet (memorie van grieven –hierna: mvg- nr. 25., blz 12). Volgens [appellanten] is geen acht geslagen op de onberispelijke staat van dienst van [appellanten] gedurende een periode van vele tientallen jaren, het feit dat [appellant 2] erelid van de vereniging is en dat hij is onderscheiden door de judobond voor zijn verdiensten ten behoeve van de vereniging en de judosport (mvg nr. 27, blz 13).
3.10.1.

De vereniging heeft niet betwist dat bij het nemen van de besluiten geen acht is geslagen op de verdiensten van [appellanten] voor de vereniging en het oneervolle karakter van de ontzetting. Uit het besluit en de overige stukken blijkt dat evenmin. Daarmee staan voormelde stellingen van [appellanten] vast.
3.10.2.

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het bestuur en de commissie bij hun besluitvorming en hun besluiten geen rekening hebben gehouden met voormelde belangen aan de zijde van [appellanten] , althans hebben het bestuur en de commissie daarmee niet voor [appellanten] kenbaar rekening gehouden. Het hof is daarom van oordeel dat de vereniging jegens [appellanten] in redelijkheid niet tot hun besluiten tot ontzetting hadden kunnen komen. Dit brengt mee dat de vierde grief van [appellanten] slaagt en dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd. Gelet op het voorgaande, aangezien het hof het oordeel van de rechtbank onder 4.2. van het bestreden vonnis deelt, namelijk dat gepasseerd moet worden het in eerste aanleg gevoerde verweer van de verenigingdat [appellant 2] niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat hij de interne beroepsprocedure niet heeft doorlopen en nu er door de vereniging overigens geen verweren naar voren gebracht die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden zullen de vorderingen onder I. en II. tot vernietiging van de besluiten tot ontzetting worden toegewezen. Het bewijsaanbod van de vereniging wordt gezien het voorgaande als niet ter zake dienend gepasseerd.
3.10.3.

Redengevend voor dit oordeel is ook het volgende. De vereniging heeft [appellanten] , die al tientallen jaren lid waren, geroyeerd naar aanleiding van in wezen twee woordenwisselingen. De vereniging heeft niet concreet uitgelegd dat en waarom de woordenwisselingen een enorme impact, zoals zij stelt, op de leden van de vereniging hebben gehad. De stelling dat [appellanten] agressief bij de trainer zijn gaan staan en de trainer op het punt van zijn judovaardigheden hebben beledigd is in dit kader onvoldoende. Het lid [lid van de judovereniging] , dat volgens de vereniging zijdelings betrokken was bij de eerste woordenwisseling, is kort daarna aangetreden als lid van het bestuur van de vereniging en heeft als door de vereniging aangewezen lid van de commissie van beroep in de zaak van [appellant 1] over dat beroep beslist (mva, 62, 77), ofschoon [lid van de judovereniging] volgens de vereniging destijds slechts twee lessen achter de rug had en geen achtergrond in de sport had (mva, 6). Al met al zijn de door de vereniging opgevoerde redenen voor het royement, mede gelet op deze gang van zaken, onvoldoende voor een andere conclusie dan dat niet naar behoren rekening is gehouden met de belangen van [appellanten] .
3.10.4.

Het hof maakt gebruik van de aan haar in artikel 233 Rv gegeven discretionaire bevoegdheid om voormelde vernietiging niet uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [appellanten] hebben namelijk zelf ter comparitie verklaard dat een aantal leden een drempel moeten nemen bij hun terugkomst. Het voorgaande brengt mee dat de vereniging de gelegenheid moet worden geboden om gedurende de tijd dat dit arrest nog niet in kracht van gewijsde is gegaan zich te beraden op de ontstane situatie. Het hof wijst er nadrukkelijk op dat partijen tegenover elkaar verplichtingen hebben: de vereniging moet te goeder trouw proberen [appellanten] te re-integreren en [appellanten] hiertoe in de gelegenheid stellen, maar de vereniging mag ook de orde handhaven tijdens en buiten de trainingen en [appellanten] zullen zich als goede judoka’s en goede leden van de vereniging moeten gedragen en zij zullen gehoor moeten geven aan de redelijke aanwijzingen van het bestuur en de trainer binnen de grenzen van hun bevoegdheden.
Rectificatie.

3.11.

De vordering van [appellanten] tot rectificatie zal worden afgewezen. Aan hun vordering leggen [appellanten] ten grondslag dat de ten onrechte genomen besluiten tot ontzetting tot gevolg hebben gehad dat de goede naam van [appellanten] binnen de vereniging is aangetast (inleidende dagvaarding blz 9).
3.11.1.

Het verweer van de vereniging tegen voormelde vordering van [appellanten] , namelijk dat [appellanten] door hun eigen gedrag hun goede naam hebben geschaad (conclusie van antwoord nr. 122), acht het hof terecht.
3.11.2.

Immers [appellanten] hebben zelf gesteld dat op 18 september 2013 er een discussie is geweest tijdens de judotraining, dat [appellant 2] tijdens deze training de trainingsmethodieken van de judoleraar ter sprake bracht, dat [appellant 2] de judoleraar erop heeft gewezen dat het wellicht verstandig zou zijn om beginnende judoka’s eerst training op het gebied van valtechnieken aan te bieden in plaats van meteen het diepe in te duiken met deze leerlingen en dat [appellant 1] zijn vader [appellant 2] op inhoudelijke gronden is bijgevallen in deze discussie (inleidende dagvaarding nr. 5.) en dat [appellanten] zich achteraf kunnen voorstellen dat een dergelijke discussie beter en petit comité gevoerd kan worden (inleidende dagvaarding nr. 6.).
3.11.3.

Voorts hebben [appellanten] ter comparitie verklaard dat de toenmalig voorzitter van de vereniginghen telefonisch heeft medegedeeld dat zij op de volgende les niet welkom waren en dat zij toch zijn verschenen op de volgende training.
3.11.4.

[appellanten] hebben zelf naar voren gebracht dat bij aanvang van de training op 25 september 2013 zij werden aangesproken door de voorzitter dat zij niet welkom zijn op de training en dat zij geschorst zouden zijn, maar dat [appellanten] zich niet verplicht voelden de mat te verlaten en dat zij dan ook zijn gebleven (mvg nr. 6.).
3.11.4.

Het hof concludeert op grond van de eigen stellingen van [appellanten] dat de aantasting van hun goede naam schade in zodanige mate een gevolg is van voormelde, aan [appellanten] zelf toe te rekenen omstandigheden, dat het door [appellanten] gepretendeerde recht op rectificatie geheel vervalt.
in het incidenteel hoger beroep

3.12.

De grief van de vereniging, dat ten onrechte door de rechtbank is geoordeeld dat de besluiten tot ontzetting te laat zijn genomen, laat het hof onbesproken omdat ook bij juistheid van die grief, dat niet wegneemt dat de besluiten nietig verklaard zullen worden op de grond zoals hiervoor in het principaal hoger beroep overwogen. Dit incidenteel beroep wordt daarom verworpen.
in het principaal en incidenteel hoger beroep

Proceskosten.

3.13.

De proceskosten in beide instanties zullen worden gecompenseerd omdat partijen over en weer op punten in het gelijk zijn gesteld.

4De uitspraak

Het hof:

op het principaal hoger beroep

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond van 4 november 2015 en opnieuw rechtdoende

vernietigt de bestuursbesluiten van 28 oktober 2013 tot ontzetting van [appellant 1] en [appellant 2] uit het lidmaatschap van de vereniging, alsmede het besluit van de commissie van 2 mei 2014 tot bevestiging van de ontzetting van [appellant 1] uit zijn lidmaatschap van de vereniging;

wijst het meer of anders gevorderde af;

op het incidenteel hoger beroep

verwerpt het beroep;

Toetsing besluit en maatwerkoplossing (Jude Bond Nederland)

Rechtbank Midden-Nederland 3 mei 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:2169 

De rechter toets het besluit van de Judobond om een judoka uit de selectie te zetten, omdat ze niet wil trainen op de voorgeschreven locatie.

De rechter overweegt: ” Judo Bond Nederland kon daarom, in beginsel, besluiten om [eiseres] uit te sluiten van deelname aan (inter)nationale trainingen en internationale wedstrijden, hetgeen zij bij besluit van 20 december 2016 heeft gedaan. Er kunnen echter omstandigheden zijn die maken dat Judo Bond Nederland dit besluit niet heeft kunnen nemen, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is en/of onrechtmatig tegenover [eiseres] is. Hierna zal worden onderzocht of het aannemelijk is dat daarvan sprake is. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen ook een kernploegovereenkomst van kracht is, welke overeenkomst niet is opgezegd, en dat partijen gelet op hun onderlinge verhouding voortvloeiend uit deze overeenkomst en hetgeen overigens op grond van de bondstructuur tussen hen geldt, zich over en weer dienen te gedragen met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit betekent onder meer dat zij rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen.”

De rechter overweegt dat het besluit zeer ingrijpende gevolgen heeft voor de judoka, en overweegt dat “Judo Bond Nederland heeft met twee andere judoka’s die zijn geselecteerd een maatwerkoplossing getroffen. Deze judoka’s hebben beiden een relatie in het buitenland, […] Judo Bond Nederland heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom deze twee judoka’s anders zouden mogen worden behandeld dan [eiseres] . Er is dan ook sprake van een ongelijke behandeling c.q. willekeur”.

Het besluit kan daarom (in kort geding) geen stand houden, en de rechter verbiedt Judo Bond Nederland om [eiseres] van deelname aan internationale wedstrijden uit te sluiten op de grond van de trainingslocatie, en veroordeelt Judo Bond Nederland om met [eiseres] in overleg te treden over het treffen van een maatwerkoplossing.


Vonnis in kort geding van 3 mei 2017

in de zaak van
[eiseres] ,
tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid JUDO BOND NEDERLAND, gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiseres] en Judo Bond Nederland worden genoemd.

1De procedure

[]

2De feiten

2.1.

[eiseres] (op dit moment 27 jaar oud) beoefent op topsportniveau de judosport in de gewichtsklasse tot 63 kg.
2.1.1.

[eiseres] heeft zich voor de Olympische Spelen van 2016 gekwalificeerd. Zij is toen echter niet uitgezonden, omdat er maar één judoka in de gewichtsklasse waarin [eiseres] uitkomt, naar de Olympische Spelen kon worden uitgezonden en de voorkeur van Judo Bond Nederland uitging naar [A] , die zich eveneens had gekwalificeerd en op dat moment nummer 1 van Nederland was. [A] is per 9 januari 2017 met judo op topsportniveau gestopt.
2.1.2.

[eiseres] neemt op dit moment de zesde plaats in op de wereldranglijst van de internationale judofederatie.
2.2.

[eiseres] is via haar club lid van Judo Bond Nederland.


2.3.

Partijen hebben omstreeks 26 december 2015/21 januari 2016 de door 
Judo Bond Nederland als productie 4 overgelegde kernploegovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat Judo Bond Nederland [eiseres] in de Kernploeg zal opnemen onder de in de overeenkomst genoemde voorwaarden. Partijen zijn het erover eens dat deze kernploegovereenkomst nog steeds tussen hen van kracht is.
2.4.

[eiseres] heeft tot en met 31 januari 2017 de zogeheten A-status gehad op grond waarvan zij recht had op de bij die status behorende (financiële) voorzieningen (ook wel aangeduid als “stipendium”). Die A-status heeft zij gekregen op grond van haar sportieve prestaties.
Alleen NOC*NSF kan deze status aan topsporters verlenen. Hoewel de status aan individuele sporters wordt verleend is de procedure die gevolgd moet worden om een status te krijgen er één tussen NOC*NSF en de bond. In het Statusreglement Topsporters worden de procedure en de criteria beschreven op basis waarvan een topsporter status kan verkrijgen. Op 9 mei 2016 is dit reglement voor het laatst door de Algemene Vergadering van NOC*NSF, vastgesteld. Dit laatstelijk vastgestelde reglement is op 1 januari 2017 in werking getreden en door Judo Bond Nederland als productie 3 in het geding gebracht.
2.5.

[eiseres] woont in [woonplaats] en traint daar met door haarzelf ingeschakelde trainers, namelijk met [B] (hierna: [B] ) als krachttrainer en [C] (hierna: [C] ) als trainer en matcoach.
2.6.

[eiseres] volgt bij InHolland in [woonplaats] de vierjarige HBO opleiding 
Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH). Zij zit daar in het tweede studiejaar. 
Zij mag over deze studie in verband met haar topsport carrière, in beginsel, tien jaar doen en heeft daarvan op dit moment zevenenhalf jaar gebruikt. Wanneer [eiseres] de studie niet binnen tien jaar afrondt dan dient zij gelet op de geldende studieregeling bovenop het door haar in ieder geval terug te betalen bedrag van € 16.000,– een extra bedrag van € 21.500,– terug te betalen. Daarmee komt de studieschuld dan uit op een totaalbedrag van € 37.500,–.
2.7.

Judo Bond Nederland heeft een koerswijziging ingezet, in die zin dat met ingang van 1 september 2016 het topjudo wordt gecentraliseerd op één Centrum voor Topsport en Onderwijs (CTO) locatie, te weten Papendal, in plaats van over meerdere locaties, waaronder [woonplaats] . Uitgangspunt daarbij is dat de kernploegleden op deze CTO locatie moeten sporten (trainen), wonen (op maximaal 30 minuten afstand van Papendal) en studeren of werken. Er geldt een fulltimeprogramma. De trainers en andere begeleiders worden door Judo Bond Nederland aangezocht en aangesteld. Deze koerswijziging is
– kort gezegd – als volgt in zijn werk gegaan.

2.7.1.

In het meerjarenbeleidsplan 2013-2016 heeft Judo Bond Nederland de ambitie uitgesproken om met topjudo een top acht positie in de wereld te veroveren en te behouden. Aanleiding voor deze ambitie was de evaluatie van het sportieve traject richting de Olympische Spelen in Londen van 2012.
2.7.2.

Bij de toekenning van de topsportgelden 2013-2016 stelde NOC*NSF, naar aanleiding van deze evaluatie, als investeringsvoorwaarde dat “uiterlijk 24 maanden voor de Olympische Spelen 2016 alle potentiële Olympische deelnemers, volledig gecentraliseerd onder begeleiding van de bondscoaches trainen”. Judo Bond Nederland heeft deze voorwaarde niet kunnen realiseren en in overleg met NOC*NSF afgesproken dat zij dit in 2016 gereed heeft.
2.7.3.

Het bondsbestuur van Judo Bond Nederland heeft op 15 april 2014 het besluit genomen om het topjudo in Nederland vanaf het najaar 2016 te centraliseren op één Centrum voor Topsport en Onderwijs (CTO).
2.7.4.

De bondsraadsvergadering van Judo Bond Nederland heeft op 30 mei 2015 met dit besluit van het bondsbestuur ingestemd.
2.7.5.

Daarna heeft het bondsbestuur in juni 2015 besloten dat de CTO-locatie Papendal wordt.
2.7.6.

Op 3 december 2015 is aan alle topjudoka’s de door Judo Bond Nederland als productie 13 overgelegde brochure verstrekt. In deze brochure valt kort gezegd te lezen voor welke doelgroep het CTO programma is bestemd en wat het programma inhoudt. Zo wordt in deze brochure een toelichting gegeven over:
– de invulling van het trainingsprogramma, waarbij geldt dat er van maandag tot en met 
vrijdag wordt getraind,
– de samenstelling van het wedstrijdprogramma,
– de wijze van begeleiding,
– het selectieproces, 
– huisvesting, waarbij is vermeld dat de judoka op maximaal 30 minuten van het 
CTO Papendal moet wonen om zoveel mogelijk tijd te kunnen besteden aan het 
trainingsprogramma, studie, rust en/of herstel,
– voeding,
– onderwijs,
– vervoer, en
– financiën.
2.8.

Op 18 januari 2016 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [eiseres] en 
Judo Bond Nederland over hoe zij vanaf 1 september 2016 kon gaan deelnemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal.
[eiseres] heeft daarbij onder meer opgemerkt dat indien zij zou overstappen naar de 
Hoge School Arnhem (HAN) dat zij dan het gehele tweede studiejaar opnieuw zou moeten doen en dat zij vreesde dat zij haar studie dan niet binnen tien jaar kon afronden waardoor zij haar gehele studieschuld, € 16.000,– plus een extra bedrag van € 22.500,– wegens het niet binnen de tien jaar afronden van de studie, ofwel een totaalbedrag van € 37.500,–, zou moeten terugbetalen. Zij heeft Judo Bond Nederland de vraag voorgelegd hoe dit op te lossen.
2.9.

Judo Bond Nederland heeft na dit gesprek bewerkstelligd dat de maximale studietermijn van tien jaar is verlengd naar elf jaar.
2.10.

Op 31 maart 2016 heeft Judo Bond Nederland aan [eiseres] bericht dat zij is geselecteerd voor het fulltimeprogramma op CTO Papendal. 
De bij deze selectie behorende intentieovereenkomst, waarin gezamenlijk de intentie wordt uitgesproken om per 1 september 2016 van start te gaan op CTO Papendal is niet door 
Judo Bond Nederland aan [eiseres] voorgelegd.
2.11.

Op 29 juni 2016 heeft een gesprek tussen [eiseres] en Judo Bond Nederland plaatsgevonden. [eiseres] heeft vervolgens het door Judo Bond Nederland als productie 29 overgelegde voorstel gedaan, welk voorstel als volgt luidt:
“ Krachttrainer: [B]
Trainer/matcoach: [C]

– Ik zal 2x per week de fysieke training doen bij [B] in [woonplaats] .
– Ik ben minstens 2x per week in Papendal om deel te nemen aan de randori trainingen.
– De techniektraining en 2 judotrainingen zal ik volgen op het RTC in Hoogvliet.
– Mijn studie blijf ik de komende twee jaar volgen aan de InHolland in [woonplaats] . Dat kan 
gewoonweg niet anders.
– Het laatste jaar zal ik grotendeels in Papendal zijn, en mijn afstudeerstage daar volgen.
– De weekplanning kan concreet gemaakt worden a.d.h.v. het weekrooster op school, in 
september.

Dus dat betekent dat ik vanaf seizoen 2018-2019 grotendeels op Papendal zal zijn, omdat ik daar een stage in de buurt ga zoeken.”

2.12.

Judo Bond Nederland heeft [eiseres] bij e-mail van 1 september 2016 bericht niet akkoord te gaan met dit voorstel en [eiseres] verzocht om het voorstel te heroverwegen en uiterlijk 1 oktober 2016 te komen met een voorstel waarin [eiseres] binnen een periode van één jaar fulltime richting Papendal komt.
2.13.

Partijen hebben elkaar vervolgens op 5 oktober 2016 gesproken maar dit heeft niet tot een oplossing geleid.
2.14.

[eiseres] heeft vervolgens omstreeks 24 november 2016 het door 
Judo Bond Nederland als productie 41 overgelegde voorstel gedaan, welk voorstel als volgt luidt:
“ (…)
Tot en met augustus 2017 behoud ik het programma zoals het nu staat.
– Krachttraining [B]
– Judo, en techniektrainingen RTC Hoogvliet
– Randori trainingen di-do Papendal
– Studiejaar 2 InHolland R’dam

Vanaf september 2017 ben ik bereid om naar Papendal te komen, ondanks mijn eerdere twijfels. Er zijn een aantal losse eindjes, waarvan ik het prettig zou vinden om op voorhand duidelijkheid over te krijgen, en dat gaat om het volgende:

1. De opleiding
2. De begeleiding

De opleiding
Ik wil het liefst mijn studie in [woonplaats] blijven volgen. Omdat ik naar Papendal moet, ben ik bereid mijn studie om te gooien, waardoor mijn studieschuld van 16.000 euro naar 37.500 euro zal gaan. Ik moet namelijk mijn 2e studiejaar opnieuw overdoen vanaf september 2017. Bovendien zal mijn afstudeerjaar dan in het jaar van de OS in Tokyo zijn, waardoor ik dan ook weer studievertraging zal oplopen. Ik ben bereid om alles om te gooien, en jaren vertraging op te lopen, als de bond bereid is mij te helpen om ervoor te zorgen dat er garant wordt gestaan voor de studieschuld. Ik kan mezelf geen studieschuld veroorloven en kan het simpelweg niet betalen.

De begeleiding
Zoals ik eerder heb aangegeven, is voor mij de juiste begeleiding essentieel in het bedrijven van topsport, en het leveren van topprestaties. In het gesprek op 5 oktober jl. is verteld dat er vanaf januari twee nieuwe coaches/trainers bijkomen, en ik wil graag duidelijkheid wie de uiteindelijke trainer- en coachingstaf gaat zijn, om van daaruit een weloverwogen keuze te maken wie mij gaat begeleiden. Die invulling is nog niet bekend.

De voorwaarden moeten er zijn, om uiteindelijk tot een weloverwogen keuze te komen, en ik heb de bond daarvoor nodig, zodat het samen tot een juiste samenwerking leidt en uiteindelijk de gewenste successen. Ik ben bereid om jullie tegemoet te komen, waarbij het belangrijk is dat deze 2 essentiële punten haalbaar zijn, en duidelijkheid gaan verschaffen.

Ik hoop dat jullie meedenken in een oplossing om samen tot een juiste samenwerking te komen.

(…).”.

2.15.

Bij brief van 20 december 2016 heeft Judo Bond Nederland – samengevat – aan [eiseres] bericht dat zij hebben besloten om de selectie van [eiseres] voor het NTC Papendal in te trekken en dat de consequentie hiervan is dat [eiseres] niet meer zal worden uitgezonden naar internationale trainingsstages met de nationale topsportselectie en dat tevens de deelname van [eiseres] aan nationale trainingen zullen worden stopgezet.
2.16.

Bij brief van 20 januari 2017 heeft NOC*NSF aan [eiseres] bericht – kort gezegd – dat zij van Judo Bond Nederland het verzoek heeft gekregen om binnen het programma Judo de A-status van [eiseres] te beëindigen en dat zij op basis van dit verzoek de status met ingang van 31 januari 2017 beëindigt.
2.17.

[eiseres] en Judo Bond Nederland zijn in februari 2017 met elkaar in gesprek gegaan. Dit heeft niet tot een oplossing geleid. Reden waarom [eiseres] dit kort geding aanhangig heeft gemaakt.

3De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat Judo Bond Nederland bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
a. om haar conform de normaal geldende regels uit te zenden naar internationale wedstrijden 
zo lang zij zich daarvoor op sportieve gronden kwalificeert, dit op straffe van een 
dwangsom,
b. om met haar om de tafel te gaan zitten voor overleg om tot een oplossing te komen ter
zake van het te volgen trainingsprogramma waarbij recht wordt gedaan aan haar 
specifieke situatie, dit op straffe van een dwangsom,
c. om haar voor te dragen voor een A-status bij het NOC*NSF, dit op straffe van een 
dwangsom,
d. tot betaling van de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 
vijftiende dag na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis,

4De beoordeling

4.1.

Judo Bond Nederland voert als (formeel) verweer dat [eiseres] niet ontvankelijk in haar vorderingen moeten worden verklaard omdat:
a) het spoedeisend belang ontbreekt,
b) het besluit van (het bondsbestuur en de bondsvergadering van) Judo Bond Nederland om 
met ingang van het najaar 2016 vanuit één CTO locatie te trainen, wonen en 
studeren/werken als vaststaand, moet worden beschouwd voor alle leden van 
Judo Bond Nederland, onder wie [eiseres] , aangezien dit besluit niet meer kan worden 
aangevochten, omdat de daarvoor in artikel 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) geldende 
vervaltermijn van één jaar ongebruikt is verstreken.
4.2.

Dit door [eiseres] gemotiveerd betwiste verweer wordt verworpen.
4.2.1.

Het is voldoende aannemelijk dat [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. Het belang van [eiseres] bij haar vorderingen zoals weergegeven in 3.1. onder a en b is vooral daarin gelegen dat zij op topniveau de judosport wil kunnen blijven beoefenen en zich wil kunnen blijven meten aan haar (internationale) concurrenten.
Daarvoor zal zij onder meer moeten kunnen deelnemen aan internationale wedstrijden, waarvan zij door Judo Bond Nederland is uitgesloten. Daarbij komt dat [eiseres] zich uitsluitend door deelname aan internationale wedstrijden kan kwalificeren voor deelname aan de Olympische Spelen van 2020. [eiseres] kan dan ook niet – zoals Judo Bond Nederland meent – een bodemprocedure afwachten. Het spoedeisend belang is daarmee voldoende gegeven. 
Wat betreft de vordering zoals weergegeven in 3.1. onder c geldt dat de spoedeisend daarvan uit de aard van de vordering volgt. Deze vordering ziet op het wederom verwerven van de A-status, die op verzoek van Judo Bond Nederland door NOC*NSF is ingetrokken. Deze A-status geeft onder meer recht op een financiële vergoeding, waarmee de topsporter, in dit geval [eiseres] , zich in zijn levensonderhoud kan voorzien.
4.2.2.

Het in 4.1. onder b genoemde verweer slaagt niet, omdat [eiseres] in deze zaak 
niet het besluit van (het bondsbestuur en de bondsvergadering van) Judo Bond Nederland om met ingang van het najaar 2016 vanuit één CTO locatie te trainen, wonen en 
studeren/werken ter discussie stelt, maar het tegen haar gerichte besluit van Judo Bond Nederland van 20 december 2016 dat ertoe strekt dat zij uit de selectie wordt gezet en dat 
zij niet meer zal kunnen deelnemen aan nationale trainingen en internationale trainingen en wedstrijden.
4.3.

Daarmee wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiseres] .
Vordering zoals weergegeven in 3.1. onder a
4.4.

De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder a strekt ertoe dat [eiseres] kan deelnemen aan internationale wedstrijden indien zij zich daartoe kwalificeert. Zij voert daartoe onder meer aan dat Judo Bond Nederland haar hiervan niet mag uitsluiten vanwege het feit dat zij zich niet per 1 september 2016 aan het nieuwe beleid conformeert. Zij heeft goede redenen om dit niet te doen.
4.5.

Judo Bond Nederland heeft [eiseres] bij besluit van 20 december 2016 uit de nationale selectie gezet en van deelname aan (inter)nationale trainingen en internationale wedstrijden uitgesloten. 
Aanleiding voor dit besluit is dat [eiseres] zich niet onverkort wil conformeren aan het nieuwe beleid van Judo Bond Nederland dat met ingang van 1 september 2016 de kernploegleden op één CTO locatie, te weten Papendal, moeten sporten (trainen), wonen (op maximaal 30 minuten afstand van Papendal) en studeren of werken.
[eiseres] heeft als redenen hiervoor opgegeven dat zij:
– geen afscheid wil nemen van haar huidige trainers met wie zij een klik en vertrouwensband heeft opgebouwd en met wie zij topprestaties heeft bereikt, waaronder de kwalificatie voor de Olympische Spelen van 2016 en haar huidige zesde positie op de wereldranglijst,
– haar studie niet wil verplaatsen naar Arnhem (HAN), omdat zij dan het tweede jaar helemaal moet overdoen en zij vreest dat zij de studie dan niet binnen de nog resterende studieduur zal kunnen voltooien, waardoor haar studieschuld zal oplopen van € 16.000,– naar € 37.500,–.

4.6.

Als uitgangspunt geldt dat Judo Bond Nederland bevoegd is om beleid te maken 
en bestaand beleid te wijzigen en dat de leden van Judo Bond Nederland door hun lidmaatschap daaraan gebonden zijn.
4.7.

De geldigheid van het besluit waarbij Judo Bond Nederland haar beleid heeft gewijzigd in die zin dat vanaf het najaar van 2016 op één CTO-locatie, namelijk Papendal, wordt getraind, gewoond en gestudeerd of gewerkt, wordt in dit kort geding niet ter discussie gesteld. 
[eiseres] heeft niet het standpunt ingenomen dat dit besluit niet rechtsgeldig (nietig of vernietigbaar) is. Het wordt er daarom voor gehouden dat dit besluit rechtsgeldig is.
4.8.

Dit in 4.7. genoemde besluit brengt mee dat [eiseres] als lid van Judo Bond Nederland gebonden is aan het in het 4.7. genoemde besluit en dat zij als door Judo Bond Nederland geselecteerde judoka vanaf 1 september 2016 op de CTO-locatie te Papendal moeten trainen, wonen, en studeren of werken. 
Vaststaat dat [eiseres] aan Judo Bond Nederland te kennen heeft gegeven dit niet onverkort te willen doen vanwege de bezwaren zoals vermeld in 4.5. Judo Bond Nederland kon daarom, in beginsel, besluiten om [eiseres] uit te sluiten van deelname aan (inter)nationale trainingen en internationale wedstrijden, hetgeen zij bij besluit van 20 december 2016 heeft gedaan. Er kunnen echter omstandigheden zijn die maken dat Judo Bond Nederland dit besluit niet heeft kunnen nemen, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is en/of onrechtmatig tegenover [eiseres] is. Hierna zal worden onderzocht of het aannemelijk is dat daarvan sprake is.
4.9.

Vooropgesteld wordt dat tussen partijen ook een kernploegovereenkomst van kracht is, welke overeenkomst niet is opgezegd, en dat partijen gelet op hun onderlinge verhouding voortvloeiend uit deze overeenkomst en hetgeen overigens op grond van de bondstructuur tussen hen geldt, zich over en weer dienen te gedragen met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit betekent onder meer dat zij rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen.
[eiseres] dient rekening te houden met het belang van Judo Bond Nederland om haar ambitie om met topjudo een top acht positie in de wereld te veroveren en te behouden door middel van het door haar uitgestippeld beleid te kunnen verwezenlijken. De Judo Bond Nederland heeft belang bij handhaving van het door haar gemaakte beleid en bij consequente toepassing daarvan. Als alleen naar individuele wensen wordt gekeken, valt er geen beleid te maken.
Judo Bond Nederland dient daartegenover rekening te houden met het individuele belang van [eiseres] om haar topsportcarrière in te richten op de manier waarop zij dat wil.
4.10.

Het besluit van 20 december 2016 heeft voor [eiseres] zeer ingrijpende gevolgen. Het besluit betekent de facto het einde van haar carrière als topsporter. 
Het is voor haar gelet op het besluit onmogelijk om nog deel te nemen aan internationale toernooien. Aan internationale toernooien kan, dat staat tussen partijen vast, alleen worden deelgenomen wanneer (de technische staf van) Judo Bond Nederland de judoka afvaardigt en dat zal vanwege dit besluit niet meer gebeuren. 
Het is verder voldoende gebleken dat op dit moment ook niet mogelijkheid bestaat om aan internationale wedstrijden deel te nemen door uit te wijken naar het buitenland.
Vaststaat dat daarvoor een wachttijd geldt van drie jaar en dat deze wachttijd alleen met medewerking van Judo Bond Nederland kan worden verkort tot nihil. Judo Bond Nederland wil echter geen medewerking verlenen aan de verkorting van de wachttijd, omdat – zo voert zij aan – het buitenland dan met de kwaliteiten van [eiseres] aan de haal kan gaan, terwijl het Judo Bond Nederland is die in [eiseres] heeft geïnvesteerd. 
Het besluit van 20 december 2016 heeft verder tot gevolg dat [eiseres] zich zeer waarschijnlijk niet zal kunnen kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2020.
Voor deelname aan de Olympische Spelen voor Nederland is vereist dat dat de judoka zich door middel van deelname aan internationale toernooien daarvoor kwalificeert en door Judo Bond Nederland wordt voorgedragen aan het NOC*NSF.
Ook het uitkomen voor de Olympische Spelen voor een ander land dan Nederland lijkt onwaarschijnlijk, nu er – zoals hiervoor is overwogen – een wachttijd geldt van drie jaar en er na het verstrijken van die wachttijd nog maar weinig tijd overblijft (nog geen jaar) om zich te kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2020. 
Daarbij komt dat [eiseres] dan gedurende drie jaar geen wedstrijdritme heeft opgebouwd en zich niet heeft kunnen meten met haar concurrenten.
4.11.

[eiseres] is op dit moment in haar gewichtsklasse de beste topjudoka van Nederland en staat zesde op de wereldranglijst. De stelling van Judo Bond Nederland dat [eiseres] niet de nummer 1 van Nederland is, wordt als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd gepasseerd. Judo Bond Nederland heeft tijdens de mondelinge behandeling ook opgemerkt dat zij [eiseres] vanwege haar prestaties graag bij de selectie wil hebben.
4.12.

[eiseres] heeft deze toppositie bereikt onder het beleid dat gold voor de invoering van het nieuwe beleid (de centralisatie op de CTO-locatie te Papendal) per 1 september 2016. Op grond van dit oude beleid mocht zij, onder regie van Judo Bond Nederland, in haar eigen woonplaats in [woonplaats] trainen met door haarzelf uitgezochte trainers ( [B] en [C] ), waarmee zij een vertrouwensband heeft opgebouwd. 
Zij heeft samen met deze door haarzelf aangezochte trainers haar toppositie in het judo bereikt. Er zijn geen garanties of concrete aanwijzingen dat [eiseres] op grond van het nieuwe beleid van Judo Bond Nederland, waarbij zij moet trainen met door Judo Bond Nederland aangestelde trainers, haar toppositie zal handhaven of verbeteren.
4.13.

[eiseres] is geen beginnende topjudoka meer. Zij heeft haar sporen al ruimschoots verdiend. Zo heeft zij zich gekwalificeerd voor de Olympische Spelen van 2016, is zij eind 2016 eerste geworden bij een in Abu Dhabi gehouden wedstrijd en staat zij op dit moment op de zesde plek van de wereldranglijst.
4.14.

[eiseres] is op dit moment 27 jaar en zal niet meer jarenlang op topsportniveau de judosport beoefenen. Einddoel is volgens [eiseres] om zich te kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2020.
4.15.

Judo Bond Nederland heeft met twee andere judoka’s die zijn geselecteerd een maatwerkoplossing getroffen. Deze judoka’s hebben beiden een relatie in het buitenland, de één in Frankrijk en de ander in Italië. Met hen is onder meer overeengekomen, zo heeft Judo Bond Nederland tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding verklaard, dat zij tot 1 september 2017 niet hoeven deel te nemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal.
Judo Bond Nederland heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom deze twee judoka’s anders zouden mogen worden behandeld dan [eiseres] . Er is dan ook sprake van een ongelijke behandeling c.q. willekeur, nu van deze twee judoka’s pas per 1 september 2017 wordt verlangd dat zij deelnemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal, terwijl van [eiseres] wordt verlangd dat zij daaraan al eerder deelneemt.

4.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het, vanwege de in 4.10. tot en met 4.15. genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat van Judo Bond Nederland kan worden verlangd dat zij een maatwerkoplossing, met [eiseres] treft, in die zin dat ten gunste van [eiseres] wordt afgeweken van het huidige beleid. 
Het belang van Judo Bond Nederland om door middel van het door haar uitgestippelde beleid de top te bereiken en dat alle topsporters, onder wie [eiseres] , zich aan dit door haar uitgestippelde beleid conformeren en gaan trainen, wonen en studeren of werken op de CTO-locatie te Papendal moet gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, gerelativeerd worden ten aanzien van [eiseres] . Dit geldt temeer daar er sprake is van een beperkte periode, aangezien de inzet van [eiseres] vooral gericht is op het kwalificatieproces richting de Olympische Spelen. De tussen partijen te treffen maatwerkoplossing is dus beperkt in tijd.
4.17.

Partijen dienen samen invulling aan deze maatwerkoplossing te geven.
4.17.1.

Daarbij geldt, gelet op de in 4.11. tot en met 4.14. genoemde omstandigheden, als uitgangspunt dat van [eiseres] niet kan worden verlangd dat zij afstand neemt van haar huidige trainers. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het vertrouwen tussen een topsporter zoals [eiseres] en haar trainer(s) cruciaal is en dat dit vertrouwen er in de regel niet van meet af aan is, maar zal moeten worden opgebouwd. Dit weegt extra zwaar bij een individuele sport zoals judo.
Partijen dienen samen te bezien op welke wijze de huidige trainers van [eiseres] bij de trainingen en begeleiding van [eiseres] betrokken kunnen blijven. 
Het is daarbij niet vereist dat deze trainers – zoals Judo Bond Nederland kennelijk meent – in dienst treden bij Judo Bond Nederland. Het valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien dat voor hun betrokkenheid een indiensttreding bij Judo Bond Nederland per se is vereist. Dit spreekt temeer daar [eiseres] tot aan de beleidswijziging per 1 september 2016 onder regie van Judo Bond Nederland met deze trainers heeft gewerkt, zonder dat deze trainers bij Judo Bond Nederland in dienst waren. 
Overigens valt uit het voorstel van 24 november 2016 – anders dan Judo Bond Nederland betoogt – niet op te maken dat [eiseres] ondubbelzinnig heeft toegezegd dat zij per 1 september 2017 zonder haar huidige trainers verder zal gaan. 
Uit de tekst en strekking van dit voorstel, dat in zijn geheel en onderlinge samenhang moet worden beschouwd, valt op te maken dat [eiseres] daar mogelijk toe is bereid, maar dat deze bereidheid afhangt van de persoon van de trainers en begeleiders die door Judo Bond Nederland zijn en worden aangesteld. Daarover is evenwel geen duidelijkheid gekomen.
4.17.2.

[eiseres] zal zich verder zo veel mogelijk dienen te richten naar de wens van de Judo Bond Nederland tot centralisatie. Zij dient zo veel als mogelijk deel uit te maken van het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal, zij het dat zij met haar eigen trainers zal mogen trainen. Uit de door haar gedane voorstellen valt op te maken dat de bereidheid daartoe ook bestaat. 
Zo heeft zij in haar eerste voorstel van 29 juni 2016 te kennen gegeven dat zij bereid is om vanaf 2018/2019 naar Papendal te komen. Partijen zullen hierover samen afspraken dienen te maken. In haar tweede voorstel is de bereidheid uitgesproken voor september 2017.
4.17.3.

[eiseres] kan – in tegenstelling tot wat zij meent – niet verlangen dat Judo Bond Nederland zich garant stelt voor haar studieschuld, wanneer [eiseres] haar opleiding in Arnhem zal vervolgen. 
Het is onvoldoende aannemelijk dat de studievertraging die [eiseres] mogelijk oploopt wanneer zij haar studie in Arnhem gaat vervolgen, is toe te rekenen aan de wijziging van het beleid door Judo Bond Nederland. Daarbij komt dat Judo Bond Nederland ervoor heeft gezorgd dat [eiseres] elf jaar, in plaats van tien jaar, over haar studie mag doen en dat zij te kennen heeft gegeven dat zij ervoor kan zorgen dat dit nog met een jaar wordt verlengd zodat [eiseres] in totaal twaalf jaar over haar studie kan doen. Zij kan dus, nu zij al zevenenhalf jaar heeft verbruikt, nog vierenhalf jaar over het tweede tot en met vierde jaar van haar studie doen. Mogelijk valt nog te regelen dat de studieduur wordt bevroren indien [eiseres] zich kwalificeert voor de Olympische Spelen van 2020. Judo Bond Nederland mag van degene die voor topsport kiezen een investering vragen. Judo Bond Nederland heeft voor wat betreft het opvangen van de mogelijke studievertraging naar het oordeel van de voorzieningenrechter zich voldoende ingespannen.
4.18.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat Judo Bond Nederland het besluit van 20 december 2016 niet heeft kunnen nemen, omdat dit besluit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is en/of onrechtmatig tegenover [eiseres] is.
Judo Bond Nederland kon op basis van de omstandigheden zoals hiervoor besproken in 4.10. tot en met 4.15 niet besluiten om [eiseres] van deelname aan internationale wedstijden uit te sluiten vanwege het feit dat zij niet bereid was om per 1 september 2016 deel te nemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie. Er zal een maatwerkoplossing moeten worden getroffen, waarbij – kort gezegd – geldt dat [eiseres] haar trainers mag behouden, en zo veel als mogelijk zal deelnemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal. [eiseres] kan niet verlangen dat Judo Bond Nederland zich garant stelt voor haar studiekosten.
4.19.

De vordering van [eiseres] die ertoe strekt dat zij aan internationale wedstrijden mag deelnemen, zal in zoverre worden toegewezen dat het Judo Bond Nederland zal worden verboden om [eiseres] van deelname aan internationale wedstrijden uit te sluiten op de grond dat zij zich niet (volledig) conformeert aan het vanaf 1 september 2016 geldende beleid dat door de door haar geselecteerde judoka’s een fulltimeprogramma moet worden gevolgd op de CTO-locatie te Papendal. Aan dit verbod zal geen dwangsom worden verbonden, aangezien Judo Bond Nederland ter zitting heeft verklaard dat dit niet nodig is omdat zij dit vonnis zal nakomen.
De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder b 
4.20. De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder b strekt ertoe dat Judo Bond Nederland wordt veroordeeld om met [eiseres] in overleg te treden om tot een oplossing te komen ter zake van het te volgen trainingsprogramma waarbij recht wordt gedaan aan haar 
specifieke situatie.

4.21.

Hiervoor is geconcludeerd dat van Judo Bond Nederland kan worden verlangd dat zij een maatwerkoplossing, met [eiseres] treft, in die zin dat ten gunste van [eiseres] wordt afgeweken van het huidige beleid en dat partijen daaraan samen invulling dienen te geven met inachtneming van hetgeen daarover in 4.17.1. tot en met 4.17.3. is overwogen.
De vordering is dan ook op de in de beslissing te noemen manier toewijsbaar. Hieraan zal
geen dwangsom worden verbonden, aangezien Judo Bond Nederland ter zitting heeft verklaard dat zij dit vonnis zal nakomen.
De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder c 
4.22. De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder c strekt ertoe dat 
Judo Bond Nederland wordt veroordeeld om [eiseres] voor te dragen voor een A-status bij het NOC*NSF.

4.23.

In het Statusreglement Topsporters is vermeld dat de procedure die gevolgd moet worden om een status te krijgen er één is tussen NOC*NSF en de bond. Het is de bond die de topsporter aan NOC*NSF voor het verkrijgen van de A-Status voordraagt. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 9 en 10 van het reglement. In artikel 9 van dit reglement is bepaald dat de bond de topsporter bij NOC*NSF kan voordragen voor het verkrijgen van een 
A-status en in artikel 10 is bepaald dat na het voldoen aan de vastgestelde prestatienorm tijdens een vastgesteld meetmoment door de topsporter de bond zo spoedig mogelijk een voordracht voor de A-status bij NOC*NSF doet. De omstandigheid dat het NOC*NSF is die beslist of de A-status wordt verleend of niet, betekent – anders dan Judo Bond Nederland betoogt – niet dat [eiseres] geen belang bij haar vordering heeft en daarom niet ontvankelijk in haar vordering is.
Judo Bond Nederland heeft geen inhoudelijke argumenten aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat niet van haar kan worden verlangd dat zij [eiseres] voordraagt voor het verkrijgen van de A-status. 
Verder wordt nog in aanmerking genomen dat het op verzoek van Judo Bond Nederland is geweest dat NOC*NSF de A-status van [eiseres] heeft ingetrokken. De vordering van [eiseres] zal gezien het voorgaande worden toegewezen. Hieraan zal geen dwangsom worden verbonden aangezien Judo Bond Nederland te kennen heeft gegeven dit vonnis te zullen nakomen.

Slotsom 
4.24. De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] op de in de beslissing te noemen manier zullen worden toegewezen. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd ter toelichting op hun standpunten zal als niet meer ter zake dienend onbesproken blijven.

Proceskosten
4.25.

[]
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.

verbiedt Judo Bond Nederland [eiseres] van deelname aan internationale wedstrijden uit te sluiten op de grond dat zij zich niet (volledig) conformeert aan het
vanaf 1 september 2016 geldende beleid dat door de door haar geselecteerde judoka’s een fulltimeprogramma moet worden gevolgd op de CTO-locatie te Papendal,
5.2.

veroordeelt Judo Bond Nederland om met [eiseres] in overleg te treden over het treffen van een maatwerkoplossing met inachtneming van hetgeen daarover in rechtsoverwegen in 4.17.1. tot en met 4.17.3. is overwogen,
5.3.

veroordeelt Judo Bond Nederland om [eiseres] voor te dragen voor een A-status bij het NOC*NSF,
5.4.

[]

Royement in stand gelaten

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:8996 (20.04.2017).

Een tamelijk op de feiten toegesneden arrest over royement. Het royement van een speler van een voetbalclub wordt in stand gelaten. Het hof stelt voorop dat de vereniging de speler kon royeren en schorsten,  naast de door de KNVB opgelegde tuchtrechtlijke sancties.

“Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of [geïntimeerde] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot schorsing en royement als lid van [appellant] , speler/aanvoerder van het eerste elftal.

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] , naast de door de KNVB opgelegde tuchtrechtelijke sancties, bevoegd was maatregelen van verenigingsrechtelijke aard aan [appellant] als lid van die vereniging op te leggen. Het hof stelt voorts voorop, gelijk de rechtbank – onbestreden in hoger beroep – heeft overwogen, dat de statuten van [geïntimeerde] voorzien in royement van een lid, voorafgegaan door schorsing in de gevallen die artikel 6 van de statuten bedoelt. Schorsing moet in dit verband worden gezien als een tijdelijke maatregel in afwachting van een besluit over het voortduren van het lidmaatschap. Tijdens de schorsing kan [appellant] onder meer niet aan wedstrijden deelnemen.”

arrest van 8 november 2016
in de zaak van  [appellant] , in eerste aanleg: eiser,

tegen:
de vereniging [geïntimeerde] , gevestigd te [woonplaats] , geïntimeerde,

1Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 juli 2015 en 4 november 2015 die de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2Het geding in hoger beroep

3De grieven

[appellant] voert de volgende grieven aan.
De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat:
i) [geïntimeerde] niet prematuur heeft gehandeld door over te gaan tot schorsing en royement (rechtsoverweging 4.4),
ii) dat er geen verder onderzoek gedaan hoeft te worden naar de feiten in deze zaak (rechtsoverweging 4.7),
iii) er sprake was van de zijde van [geïntimeerde] van hoor- en wederhoor inzake de schorsing en het royement (rechtsoverweging 4.8),
waarmee wordt beoogd het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

4De vaststaande feiten

4.1

[geïntimeerde] , opgericht op 29 september 1954, is een voetbalclub voor amateurs en heeft ongeveer 1.165 leden. Het eerste elftal van [geïntimeerde] speelt in de zaterdagcompetitie van de landelijke hoofdklasse. In de statuten van [geïntimeerde] staat, voor zover hier van belang:
artikel 4.
1. Leden zijn die natuurlijke personen, die als zodanig door het bestuur zijn toegelaten.
(…)
3. Alleen diegenen die voor de duur van hun lidmaatschap ook lid van de KNVB zijn, kunnen lid zijn van de vereniging.
(…)
artikel 5.
1. De leden zijn verplicht:
a. de statuten en reglementen van de vereniging, alsmede de besluiten van het bestuur, de algemene vergadering of een ander orgaan van de vereniging, na te leven.
b. de statuten en reglementen van de KNVB, de besluiten van één van haar organen, alsmede de van toepassing zijnde spelregels na te leven.
c. de belangen van de vereniging, de KNVB en van de voetbalsport in het algemeen niet te schaden.
(…)
artikel 6.
1.a. In het algemeen zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging, of waardoor de belangen van de verenigingworden geschaad.
b. Tevens zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de spelregels, alsmede met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de KNVB of waardoor de belangen van de KNVB of van de voetbalsport in het algemeen worden geschaad.
2. Het bestuur is bevoegd om, ingeval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid, de volgende straffen op te leggen:
a. berisping,
b. schorsing,
c. royement.
3. Een schorsing kan ten hoogste voor de duur van zes maanden worden opgelegd. Gedurende de periode dat een lid geschorst is, kunnen de aan het lidmaatschap verbonden rechten worden ontzegd.
4. Royement kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt (…). Nadat het bestuur tot royement heeft besloten, wordt het betrokken lid ten spoedigste door middel van een aangetekend schrijven van het besluit met opgave van de reden(en) in kennis gesteld. De betrokkene is bevoegd binnen een maand na ontvangst van deze kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene vergadering (…). Het besluit van de algemene vergadering zal moeten worden genomen met tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen.”
Artikel 10 vermeldt dat het lidmaatschap eindigt door royement als bedoeld in artikel 6 lid 4.
4.2

In artikel 14 van het Reglement Wedstrijden Amateurvoetbal van de KNVB staat, voor zover van belang: 
“1. Aan de door het bestuur amateurvoetbal uitgeschreven of goedgekeurde wedstrijden kan slechts worden deelgenomen door de speler, die:
a. lid is van de KNVB;
b. door de KNVB als speelgerechtigd lid van de vereniging waarvoor hij aan wedstrijd wenst deel te nemen is geregistreerd; (…)
d. niet is geschorst als lid van de KNVB of is uitgesloten van het deelnemen aan door het bestuur amateurvoetbal uitgeschreven of goedgekeurde wedstrijden. (…)”.
4.3

[appellant] is in juni 2012 door [geïntimeerde] aangetrokken om de selectie van het eerste elftal te versterken. Hij is in dat kader als lid overgeschreven naar [geïntimeerde] en op basis van een arbeidsovereenkomst bij haar in dienst getreden in de functie van contractspeler. In de laatst gesloten overeenkomst staat dat [appellant] in het seizoen 2014/2015 zal uitkomen voor [geïntimeerde] en dat hij daarvoor een vergoeding zal ontvangen voor de periode van 17 juli 2014 tot en met 17 mei 2015. Ook staat in de overeenkomst dat deze van rechtswege eindigt op 15 mei 2015.
4.4

[appellant] heeft op 20 september 2014 als speler en aanvoerder van het eerste elftal van [geïntimeerde] deelgenomen aan een voetbalwedstrijd tussen [voetbalclub] en [geïntimeerde] . Na afloop van die wedstrijd zijn er schermutselingen geweest tussen spelers van de beide voetbalverenigingen. De bij de wedstrijd betrokken scheidsrechter heeft in totaal zes spelers een rode kaart gegeven, te weten [appellant] en [speler 1] van [geïntimeerde] en [speler 2] , [speler 3] , [speler 4] en [speler 5] van [voetbalclub] .
4.5

De scheidsrechter heeft na de wedstrijd een wedstrijdformulier ingevuld en naar aanleiding daarvan is een tuchtzaak aanhangig gemaakt bij de Landelijke Tuchtcommissie Amateurvoetbal (hierna: de Tuchtcommissie) van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: KNVB). Op (de bijlage bij) het wedstrijdformulier heeft de scheidsrechter onder meer vermeld: ‘Naam betrokkene (…) [appellant] , A. (…) Collectieve vechtpartij na afloop van de wedstrijd. Betreffende speler was deelnemer van de vechtpartij Van betreffende speler is gezien dat hij minimaal 1 maal raak sloeg naar een tegenstander.
4.6

Op 22 september 2014 heeft het bestuur van [geïntimeerde] [appellant] en een ander lid, na hen te hebben gehoord, meegedeeld dat zij vanwege hun betrokkenheid bij het voormelde incident met onmiddellijke ingang uit de selectie van het eerste elftal zijn gezet en dat bovendien door het bestuur besloten is hen te schorsen en te royeren als lid van [geïntimeerde] .
4.7

Bij uitspraak van 30 september 2014 heeft de Tuchtcommissie, na het horen van alle betrokkenen, waaronder [appellant] en de scheidsrechter, [appellant] met ingang van 1 oktober 2014 als lid van de KNVB geschorst voor de duur van achttien maanden. De Tuchtcommissie acht bewezen dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan ‘Het bij gelegenheid van de wedstrijd [voetbalclub] – [woonplaats] (…) na afloop van de wedstrijd onbehoorlijk gedragen door meerdere spelers, althans tenminste één speler van [voetbalclub] meerdere keren te hebben geslagen, althans tenminste één keer te hebben geslagen’. Onder het kopje ‘strafmotivering’ overweegt de Tuchtcommissie dat er naar haar oordeel ‘sprake (is geweest) van buitensporig fysiek geweld buiten een spelsituatie en waarbij geen sprake is van strijd om de bal, waardoor deze overtreding wordt aangemerkt als een individuele excessieve overtreding’.
De bewezenverklaring grondt de Tuchtcommissie op de schriftelijke en mondelinge verklaringen van de scheidsrechter, de schriftelijke verklaring van de voorzitter van [voetbalclub] en de mondelinge verklaringen van [speler 5] en van speler S. [speler 3] . De scheidsrechter heeft in zijn aanvullende verklaring onder meer verklaard: ‘Hij ( [appellant] ) begon te duwen en te trekken aan de spelers (…). Ik zag dat [appellant] vervolgens opstond en hem een klap raak gaf in zijn gezicht. (…)’ Volgens het verslag van het mondelinge onderzoek van de Tuchtcommissie heeft de scheidsrechter onder meer het volgende verklaard: ‘Vervolgens tracht speler [appellant] , speler [speler 3] (…) te slaan, dit is een rake klap. Speler [speler 3] krijgt deze klap in het gezicht. Ook raakt speler [appellant] de speler in het [voetbalclub] -trainingspak.’
Het verslag vermeldt voorts dat [speler 5] , speler van [voetbalclub] , heeft gezien dat [appellant] vol uithaalde op het (achter)hoofd van speler [speler 3] .

4.8

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft [voorzitter], voorzitter van [geïntimeerde] , aan [appellant] geschreven:
“Het bestuur van de [geïntimeerde] heeft besloten u voor te dragen voor royement op grond van de statuten van de [geïntimeerde] en de huisregels van de [geïntimeerde] zoals die zijn vermeld in onze Seizoen-/Verenigingsgids en te lezen zijn op onze website. In de overeenkomst voor bepaalde tijd die wij met u overeenkwamen, wordt daar ook naar verwezen.
Namens het bestuur bent u op maandag 22 september gehoord in verband met de incidenten in de uitwedstrijd tegen [voetbalclub] op zaterdag 20 september j.l., waarna u door het bestuur van [geïntimeerde] bent geschorst èn het royement u is aangezegd. Uw royement zal op de Algemene Ledenvergadering van maandag 11 november aan de leden van de [geïntimeerde] worden voorgelegd ter bekrachtiging.
Op dinsdag 30 september heeft er in dezelfde kwestie een tuchtzaak van de KNVB plaatsgevonden waarbij u door diezelfde KNVB op woensdag 1 oktober geschorst bent, voor een periode van 18 maanden. Deze op 1 oktober aangezegde schorsing is u op 6 oktober 2014 bevestigd. In de bijlagen verwijzen wij u naar de voor u van toepassing zijnde passages uit onze statuten alsmede de door de KNVB bevestigde schorsing.
De overeenkomst voor bepaalde tijd met betrekking tot spelen in het 1e voetbalelftal van de [geïntimeerde] seizoen 2014/2015 is op grond van voorgaande niet meer van uw kant uit te voeren. De onderliggende reden komt voor uw rekening en risico. Deze overeenkomst beschouwen wij dan ook als beëindigd per 1 oktober 2014. Tot die datum zullen wij uitvoering aan de overeenkomst geven. (…)”.

4.9

Bij de op 10 november 2014 gehouden algemene ledenvergadering van [geïntimeerde] heeft de vergadering het besluit van het bestuur om [appellant] (en [speler 1] ) als lid te royeren unaniem bekrachtigd. Het later goedgekeurde verslag vermeldt ter zake:
Na afloop van de op 20 september gespeelde wedstrijd [voetbalclub] – [woonplaats] hebben de spelers [appellant] en (…) zich onbehoorlijk gedragen door buitensporig fysiek geweld te gebruiken tegenover een of meerdere spelers van [voetbalclub] (buiten een spelsituatie en waarbij geen sprake is van strijd om een bal). Deze 2 spelers hebben zich schuldig gemaakt aan een excessieve overtreding en hebben de [geïntimeerde] door dit gedrag in diskrediet gebracht. Op grond van de Statuten en de huisregels van (hof leest: [geïntimeerde] ) heeft het bestuur [appellant] en (…) geschorst en het royement aangezegd.
Alle aanwezige leden gaan akkoord met het bestuursbesluit om [appellant] en (…) te royeren als lid van [geïntimeerde] waardoor dit besluit officieel bekrachtigd is.

4.10

De Landelijke Commissie van Beroep van de KNVB heeft de onder 4.7 bedoelde uitspraak van de Tuchtcommissie bij uitspraak van 21 november 2014 bekrachtigd. Daarbij is onder meer overwogen:
Bewezenverklaring
Op basis van de verklaringen van de scheidsrechter, die zonder enige terughoudendheid en in niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen heeft verklaard dat u in ieder geval eenmaal raak hebt geslagen, heeft de commissie van beroep de overtuiging dat u daadwerkelijk eenmaal of meermaals hebt geslagen.
De lezing van de scheidsrechter wordt door drie andere getuigen bevestigd. (…)’.
4.11

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 februari 2015 gewezen in kort geding tussen [appellant] en de KNVB heeft de voorzieningenrechter op vordering van [appellant] onder andere beslist dat de hiervoor onder 4.7 en 4.10 bedoelde beslissingen van de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep worden geschorst, zulks in afwachting van een uitspraak door de rechter in een binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis door [appellant] aanhangig te maken bodemprocedure.
4.14

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Gelderland van 3 april 2015 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant] om de schorsings- en royementsbesluiten van [geïntimeerde] d.d. 20 september 2014 te schorsen totdat in een bodemprocedure over een vordering tot vernietiging van deze besluiten zal zijn beslist, na een belangenafweging afgewezen. Overwogen wordt onder meer: ‘Al het voorgaande leidt ertoe dat thans in het kader van dit geding niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [appellant] na afloop van de wedstrijd geweld heeft gebruikt. Dat heeft [geïntimeerde] dan ook niet, zo moet voorshands worden geoordeeld, aan het besluit ten grondslag kunnen leggen.
4.15

De rechtbank Midden-Nederland heeft in een bodemprocedure tussen [appellant] en de KNVB bij vonnis van 2 september 2015 de vorderingen van [appellant] {afgewezen} om voor recht te verklaren dat de uitspraken van de Tuchtcommissie van 30 september 2014 en de Commissie van Beroep van 21 november 2014 inhoudende schorsing van 18 maanden ten aanzien van de KNVB nietig zijn en dat de KNVB onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en zijn schade als gevolg daarvan dient te vergoeden, afgewezen. Het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is nog bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.181.904.

5Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1

[appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd:
– een verklaring voor recht dat de besluiten van [geïntimeerde] inzake de schorsing en het royement nietig zijn;
– een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en dat de schade als gevolg van dat onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat, vergoed dient te worden door [geïntimeerde] aan [appellant] ,
met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, waaronder de nakosten.
5.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.
5.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 4 november 2015 de vorderingen afgewezen in [appellant] veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

6De beoordeling van de grieven en de vordering

6.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of [geïntimeerde] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot schorsing en royement als lid van [appellant] , speler/aanvoerder van het eerste elftal.

6.2 Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] , naast de door de KNVB opgelegde tuchtrechtelijke sancties, bevoegd was maatregelen van verenigingsrechtelijke aard aan [appellant] als lid van die vereniging op te leggen. Het hof stelt voorts voorop, gelijk de rechtbank  – onbestreden in hoger beroep – heeft overwogen, dat de statuten van [geïntimeerde] voorzien in royement van een lid, voorafgegaan door schorsing in de gevallen die artikel 6 van de statuten bedoelt. Schorsing moet in dit verband worden gezien als een tijdelijke maatregel in afwachting van een besluit over het voortduren van het lidmaatschap. Tijdens de schorsing kan [appellant] onder meer niet aan wedstrijden deelnemen.
6.3

[appellant] heeft gesteld dat de besluiten van [geïntimeerde] moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 2:15 BW in verbinding met artikel 2:8 BW.
Artikel 2:15 eerste lid BW luidt als volgt:
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: 
a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist; 
c. wegens strijd met een reglement.’
Artikel 2:8 BW bepaalt: 
‘1 Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. 
2 Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.’
6.4

Het hof stelt voorop dat gesteld noch gebleken is dat sprake zou zijn van vernietigbaarheid wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (artikel 2:8 sub a BW) dan wel wegens strijd met een reglement (artikel 2:8 sub c BW). Geen grief is gericht tegen rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis, waarbij kort gezegd onder meer is overwogen dat [appellant] niet in zijn rechten is beperkt doordat het bestuur, in afwijking van de statuten, geen toepassing heeft gegeven aan de statutaire beroepsmogelijkheid, maar de algemene vergadering haar oordeel over het bestuursvoorstel heeft gevraagd. Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of het besluit van [geïntimeerde] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 voornoemd worden geëist.
6.5

Van vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 2:15 sub c BW is sprake als een besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de regel van art. 2:8 BW. Toetsingsmaatstaf is de vraag of het orgaan bij afweging van álle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
6.6

[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat (i) [geïntimeerde] niet prematuur heeft gehandeld door over te gaan tot schorsing en royement (rechtsoverweging 4.4), (ii) dat er geen verder onderzoek gedaan hoeft te worden naar de feiten in deze zaak (rechtsoverweging 4.7), (iii) er sprake was van de zijde van [geïntimeerde] van hoor en wederhoor inzake de schorsing en het royement (rechtsoverweging 4.8). Het hof zal eerst de beide laatstgenoemde onderdelen van de grief bespreken.
6.7

[appellant] heeft (sub iii) aangevoerd dat geen hoor en wederhoor is toegepast. Het hof verwerpt deze verder ongemotiveerde stelling. In het vonnis van 4 november 2015 wordt immers onder 2.10 – onbestreden in hoger beroep – (en in de feitenvaststelling van het hof hierboven sub 4.6) vastgesteld dat [appellant] is gehoord voordat het bestuur heeft besloten hem te schorsen en te royeren als lid van de vereniging. Voorts heeft [appellant] de gelegenheid gekregen om op de algemene ledenvergadering, waar zijn royement stond geagendeerd, zijn standpunt nader toe te lichten. Grief iii faalt.
6.8

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd (sub ii) dat geen gedegen feitenonderzoek heeft plaatsgevonden verwerpt het hof ook deze stelling. In de e-mail van [persoon] namens [geïntimeerde] aan de KNVB van 23 september 2014 (productie 12 bij conclusie van antwoord) wordt immers expliciet vermeld dat direct na de wedstrijd besloten is onderzoek in te stellen naar de gang van zaken na de wedstrijd met [voetbalclub] . [geïntimeerde] heeft in het tijdsbestek van twee dagen geprobeerd zoveel mogelijk feiten te verzamelen omtrent de hier in het geding zijnde incidenten, waarbij – zo heeft zij aangevoerd – betrokken spelers zijn gehoord. [appellant] heeft de juistheid van de mail, en het daarmee samenhangende verweer van [geïntimeerde] , in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden, zodat het hof aan de stelling van [appellant] als onvoldoende gemotiveerd voorbij zal gaan. Voorts heeft de juistheid van de vaststelling van de gewraakte gedraging van [appellant] door [geïntimeerde] later bevestiging gevonden in de bevindingen en bewijsmiddelen waarop de uitspraken van de tuchtrechter zijn gebaseerd (zie hiervoor onder 4.5, 4.7 en 4.10, welke door de civiele rechter (zie hiervoor onder 4.15) in stand zijn gelaten. Dat daarvan nog hoger beroep aanhangig is, maakt dit oordeel niet anders. Het hof verenigt zich dan ook met hetgeen de rechtbank overweegt onder 4.8 van het bestreden vonnis. Grief ii faalt.
6.9

Voor zover [appellant] met dit hoger beroep wil opkomen tegen de feitelijke vaststelling dat hij een andere speler heeft geslagen ( [appellant] is daarover niet duidelijk), is het hof van oordeel dat dit beroep in zoverre niet opgaat en overweegt daartoe als volgt. [appellant] voert geen concrete feiten en omstandigheden aan waaruit kan worden afgeleid dat de voormelde vaststelling onjuist is geweest. De bewijsmiddelen, zoals deels onder 4.7 zijn weergegeven, waarop de tuchtcommissie – en in beroep de Landelijke Commissie van Beroep van de KNVB – en naar het hof begrijpt ook de rechtbank in het bestreden vonnis, zich bij haar oordeel heeft gebaseerd zijn (in deze procedure) niet gemotiveerd weersproken terwijl ook geen bewijsmiddelen zijn ingebracht die de stellingen van [appellant] in voldoende mate ondersteunen, zodat het hof van de juistheid van die bewijsmiddelen zal uitgaan. Voor zover bewijs is aangeboden gaat het hof daaraan bij deze stand van zaken in hoger beroep als onvoldoende gespecificeerd voorbij, zeker in het licht van de verklaringen die zich reeds in het procesdossier vinden. Dat het beginsel van bewijswaardering zou zijn geschonden, zoals [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, is – wat daarvan overigens verder zij – niet nader door hem toegelicht en ook niet gebleken, zodat het hof aan die stelling als onvoldoende gemotiveerd voorbij moet gaan.
6.10

Dat [appellant] door zijn bedoelde gedraging de statuten en reglementen van de KNVB heeft overtreden, zoals bevestiging vindt in de in twee instanties door de tuchtrechter van de KNVB uitgesproken schorsing van 18 maanden vanwege diens gedrag, staat in hoger beroep vast. Voorts is niet weersproken de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] door zijn gedrag tevens heeft gehandeld in strijd met (het hof begrijpt) artikel 6 lid 1 van de statuten van [geïntimeerde] , hetgeen aanleiding kan zijn tot de onder artikel 6 lid 2 van de statuten opgenomen sancties van onder meer schorsing en royement. Dit ziet op het handelen in strijd met de “Rood/Witte Fair Play regels” (als opgenomen in de presentatie- en verenigingsgids 2014/1015), in het bijzonder regel 2 (nalaten zich waardig en sportief te gedragen), regel 4 (het met respect behandelen van de tegenstander) en regel 6 (door na de wedstrijd doorgaan met verbale of fysieke strijd met spelers van [voetbalclub] ), een en ander mede tegen de achtergrond van het feit dat [appellant] als aanvoerder een voorbeeldfunctie heeft.
6.11

De rechtbank heeft de vraag, die door [appellant] is opgeworpen, of [geïntimeerde] met haar schorsingsbesluit te vroeg was, in de woorden van [appellant] : prematuur was, en daarmee [appellant] schade heeft berokkend, ontkennend beantwoord.
6.12

In het licht van het vorenstaande verenigt het hof zich met dit oordeel en maakt dit tot het zijne. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het besluit tot schorsing van [appellant] niet te vroeg door het bestuur is genomen. Gelet op de gebeurtenissen van 20 september 2014 en wat daarover bij [geïntimeerde] bekend was geworden, in het bijzonder uit het wedstrijdformulier van de scheidsrechter, op de juistheid waarvan [geïntimeerde] af mocht gaan gelet op de positie die een scheidsrechter in het kader van een wedstrijd heeft, en haar eigen daaropvolgend onderzoek, mocht zij zich in redelijkheid beraden op het voortduren van het lidmaatschap van [appellant] . Gelet op de ernstige aard van de aan [appellant] verweten gedraging(en), de kennelijk ontstane onrust binnen en buiten de vereniging en tegen de achtergrond van voormelde terughoudende maatstaf kan niet worden geoordeeld dat een schorsing, waartoe [geïntimeerde] in die situatie overging in afwachting van een strafmaatregel, verenigingsrechtelijk gezien als een onjuiste maatregel moet worden beschouwd. Het beroep van [appellant] op het vonnis van de voorzieningenrechter Midden-Nederland van 4 februari 2015 (zie hiervoor onder 4.11) kan [appellant] in dit geding niet baten. Daargelaten dat [geïntimeerde] niet bij die procedure betrokken was (want die was immers gericht tegen de KNVB), was slechts sprake van een voorlopig oordeel in kort geding, terwijl bovendien later de bodemrechter anders heeft geoordeeld (zoals weergegeven onder 4.15). Dat van dit laatste vonnis nog hoger beroep bij dit hof aanhangig is, maakt dit oordeel niet anders.
6.13

Wat betreft het besluit tot royement stelt het hof het volgende voorop. 
De rechtbank heeft, onbestreden in hoger beroep, overwogen dat het schorsingsbesluit van 22 september 2014 in feite heeft geduurd tot aan het royement waartoe de algemene ledenvergadering heeft besloten op 10 november 2014, een periode waarin [appellant] toch al niet kon voetballen omdat het KNVB-schorsingsbesluit daaraan in de weg stond. Weliswaar is dit besluit geschorst door de voorzieningenrechter op 4 februari 2015, maar dat was geruime tijd na 10 november 2014, terwijl overigens de bodemrechter in de rechtbank Midden-Nederland op 2 september 2015 de beslissingen van de KNVB in stand heeft gelaten (zoals weergegeven onder 4.15 hiervoor, zie ook rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis). Het standpunt van [appellant] dat achteraf gezien geen sprake was van een schorsing door de KNVB vindt, gelet op het voorgaande, geen steun in het recht. De maatregel van schorsing van het besluit door de voorzieningenrechter heeft niet dit effect (rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis). Ook deze overwegingen zijn in hoger beroep niet aangevallen zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan.
6.14

Voor zover het royement berust op overtreding van de statuten en huisregels van [geïntimeerde] , zoals volgt uit de brief van de voorzitter van 14 oktober 2014 (zie hiervoor onder 4.8), herhaalt het hof hetgeen hierboven ten aanzien van de schorsing is overwogen. Voor zover de grief niet reeds afstuit op de omstandigheid dat geen grief gericht is tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis, verenigt het hof zich dan ook met dit oordeel van de rechtbank en maakt ook dit oordeel tot het zijne. Een verder onderzoek naar de feiten, zoals door [appellant] voorgesteld, acht het hof met de rechtbank gezien het voorgaande niet noodzakelijk. Bewijslevering stuit af op hetgeen hiervoor onder 6.9 is overwogen.
6.15

Het hof overweegt verder dat sprake is van een vordering die is gericht op aantasting van de voorliggende besluiten. Voor zover [appellant] beoogd zou hebben de vordering mede te baseren op onrechtmatige opzegging, waarbij de rechtsgeldigheid van de besluiten tot uitgangspunt is genomen, en is gericht op vergoeding van schade die de eiser lijdt door de handeling waartoe is besloten overweegt het hof dat art. 2:15 BW een zodanige, op onrechtmatige daad gebaseerde, vordering niet uitsluit, ook niet in een geval waarin een lid van de rechtspersoon daarmee wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die rechtspersoon (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1061). [appellant] heeft daartoe evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een toewijzing van een dergelijke vordering zouden kunnen leiden. Grief i faalt daarmee.
6.16

[appellant] heeft nog gesteld dat hij met de grieven beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en dat een onjuiste maatstaf is gehanteerd. Deze laatste stelling kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet als juist worden aanvaard. [geïntimeerde] heeft niet op onjuiste wijze toepassing gegeven aan de statuten en reglementen van de vereniging. Voor het overige heeft [appellant] – naast de voormelde grieven – nagelaten voldoende concrete en voor [geïntimeerde] kenbare bezwaren tegen het bestreden vonnis aan te voeren zodat, anders dan met de vermelding dat hij het geschil in volle omvang wil voorleggen kennelijk is beoogd, het hoger beroep ook verder niet kan slagen.
De slotsom

6.17

Het schorsingsbesluit en het royementsbesluit zijn nietig noch vernietigbaar. Nu niet kan worden geoordeeld dat [geïntimeerde] niet in redelijkheid had kunnen besluiten om tot schorsing en royement van [appellant] over te gaan, heeft zij niet onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld in de door hem bedoelde zin. De grieven falen daarmee, zodat het bestreden vonnis waarbij de vorderingen zijn afgewezen, moet worden bekrachtigd.


7. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen de partijen door de rechtbank Gelderland (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) gewezen vonnis van 4 november 2015;

Tegenstrijdige verklaringen in tuchtzaak

Rb. Midden-Nederland 24 februari 2017ECLI:NL:RBMNE:2017:1314

De rechter toetst een uitspraak van de beroepscommissie van de KNVB over een geweldsincident na een voetbalwedstrijd, namelijk een vechtpartij tussen supporters van spelers A, B, C en D en supporters van de andere vereniging, [eiseres sub 1] in deze rechtszaak. [Eiser sub 2] was een van die supporters.

” De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tegenstrijdige verklaringen van [slachtoffer A] enerzijds en [ B] , [D] en [C] anderzijds over de locatie waar [A] door [eiser sub 2] zou zijn getrapt, de [Commissie van Beroep] in redelijkheid aanleiding had moeten geven om de [naam voetbalvereniging] -spelers hierover nogmaals te horen, of in ieder geval in de uitspraak gemotiveerd aan te geven waarom zij dit in de gegeven omstandigheden niet nodig achtte.”

Vonnis in kort geding van 24 februari 2017

in de zaak van

1. de vereniging [eiseres sub 1] , 2. [eiser sub 2], eisers,
tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND, gedaagde,

Eisers zullen respectievelijk [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd. Zij zullen gezamenlijk worden aangeduid als [eiseres sub 1] c.s. Gedaagde zal de KNVB worden genoemd.

2De feiten

2.1.

Op 25 september 2016 is de competitiewedstrijd [eiseres sub 1] 1 tegen [naam voetbalvereniging] 1 gespeeld. Gedurende de wedstrijd hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. De wedstrijd eindigde omstreeks 15:45 uur.
2.2.

Na afloop van de wedstrijd hebben de spelers en de supporters van beide verenigingen nog wat gedronken in de kantine van [eiseres sub 1] . Enkele minuten na 18:00 uur zijn de laatste zes [naam voetbalvereniging] -spelers/begeleiders (hierna: de [naam voetbalvereniging] -leden) uit de kantine vertrokken. Dit waren de spelers [A] , [B] , [C] en [D] , en de elftalbegeleiders [E] en [F] . Zij liepen buiten de kantine een supporter van [eiseres sub 1] tegen het lijf, die kritiek had op de wijze waarop de [naam voetbalvereniging] -grensrechter [E] had gevlagd. Naderhand opgestelde getuigenverklaringen van de [naam voetbalvereniging] -leden en de [eiseres sub 1] -leden geven verschillende lezingen over de reactie van de [naam voetbalvereniging] -grensrechter. Volgens de [naam voetbalvereniging] -leden legde de [naam voetbalvereniging] -grensrechter zijn hand op de schouder/ in de nek van de betreffende [eiseres sub 1] -supporter. Volgens getuigen van de kant van [eiseres sub 1] deelde de [naam voetbalvereniging] -grensrechter aan de supporter een tik uit. De situatie is hierna geëscaleerd en er heeft op het pad voor de uitgang van de kantine een gevecht plaatsgevonden tussen de [naam voetbalvereniging] -leden en een aantal toegesnelde [eiseres sub 1] -leden. De [naam voetbalvereniging] -leden zijn vervolgens naar de parkeerplaats op ongeveer 250 meter afstand van de kantine gerend. Daar heeft opnieuw een gevecht plaatsgevonden met [eiseres sub 1] -leden die hen hadden achtervolgd. De [naam voetbalvereniging] -leden zijn uiteindelijk snel in een auto gestapt en weggereden. Twee van de [naam voetbalvereniging] -leden, [A] en [B] , hebben zich later onder doktersbehandeling moeten stellen. Bij [A] is een hersenschudding en een gekneusde kaak geconstateerd.


2.3.

Op 27 september 2016 heeft het bestuur van [naam voetbalvereniging] bij de tuchtcommissie van de KNVB een melding gedaan van zinloos en buitensporig geweld dat op 25 september 2016 na de wedstrijd heeft plaatsgevonden. [naam voetbalvereniging] heeft op 28 september 2016 een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen en een afschrift van de aangifte van [A] bij de politie aan de KNVB verstrekt. [naam voetbalvereniging] heeft ook verklaringen van [D] , [C] en [B] bijgevoegd, alsmede foto’s van de verwondingen en medische verklaringen van [A] en [B] . [naam voetbalvereniging] heeft nadien nog aangiftes bij de politie van openlijke geweldpleging en mishandeling door [E] en [D] overgelegd en heeft kenbaar gemaakt dat ook [F] aangifte heeft gedaan.
2.4.

De tuchtcommissie heeft op basis van de melding van [naam voetbalvereniging] een tuchtzaak aanhangig gemaakt tegen een groot aantal betrokkenen, waaronder [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] . Naar aanleiding hiervan heeft [eiseres sub 1] c.s. een aantal verklaringen van de betrokkenen en van getuigen aan de tuchtcommissie doen toekomen.
2.5.

Op 11 oktober 2016 heeft een mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie plaatsgevonden, waar betrokkenen en getuigen van de kant van [naam voetbalvereniging] en [eiseres sub 1] zijn gehoord.
2.6.

Op 12 oktober 2016 heeft de tuchtcommissie in de zaken tegen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] uitspraak gedaan, welke uitspraken op 17 oktober 2016 nader zijn gemotiveerd. De tuchtcommissie heeft ten aanzien van [eiseres sub 1] bewezen verklaard dat meerdere leden van [eiseres sub 1] zich ter gelegenheid van de wedstrijd [eiseres sub 1] 1- [naam voetbalvereniging] 1 gespeeld op 25 september 2016 na de wedstrijd onbehoorlijk heeft/hebben gedragen door:
– deel te nemen aan collectief duw- en trekwerk (hard) c.q. een opstootje en
– het slaan van/naar meerdere spelers en een functionaris van [naam voetbalvereniging] en
– het trappen van/naar meerdere spelers van [naam voetbalvereniging] .
De tuchtcommissie heeft [eiseres sub 1] een straf opgelegd van drie winstpunten in mindering, een boete van € 200,00 en het voorwaardelijk uit de competitie nemen van het eerste elftal met een proeftijd tot het einde van het huidige seizoen.
2.7.

De tuchtcommissie heeft ten aanzien van [eiser sub 2] bewezen verklaard dat hij zich ter gelegenheid van de wedstrijd, na de wedstrijd onbehoorlijk heeft gedragen door:
– het slaan van één speler van [naam voetbalvereniging] (te weten: [A] )
– het trappen van één speler van [naam voetbalvereniging] (te weten: [A] ).
De tuchtcommissie heeft niet bewezen geacht dat [eiser sub 2] na de wedstrijd deel heeft genomen aan collectief duw- en trekwerk (hard) c.q. een opstootje, hetgeen hem eveneens tenlaste was gelegd. [eiser sub 2] is door de tuchtcommissie een schorsing opgelegd voor de duur van 24 maanden, met als ingangsdatum 12 oktober 2016. Ook aan andere betrokkenen aan de zijde van [eiseres sub 1] en [naam voetbalvereniging] zijn straffen opgelegd.
2.8.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben tegen de uitspraken van de tuchtcommissie beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep (CvB). Zij hebben de CvB daarbij verzocht de zaak mondeling te behandelen. De CvB heeft dit verzoek echter afgewezen.
2.9.

De CvB heeft op 23 november 2016 uitspraak gedaan. De CvB is ten aanzien van [eiseres sub 1] tot dezelfde bewezenverklaring gekomen als de tuchtcommissie en heeft een hogere straf opgelegd, te weten 5 winstpunten in mindering, een boete van € 300,00 en het voorwaardelijk uit de competitie nemen van het eerste elftal met een proeftijd die loopt tot het einde van het huidige seizoen.
2.10.

De CvB is ook ten aanzien van [eiser sub 2] tot dezelfde bewezenverklaring gekomen als de tuchtcommissie. Zij heeft de opgelegde schorsing verkort tot 18 maanden met als ingangsdatum 12 oktober 2016.

3Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1] c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de uitspraken van de tuchtcommissie van 17 oktober 2016 en de Commissie van Beroep van 23 november 2016 inzake [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] te schorsen en de KNVB te bevelen om [eiser sub 2] als speler toe te laten en toegelaten te houden tot de voetbalcompetitie 2016/2017 en te bepalen dat de schorsing zal gelden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de vernietiging van de beide uitspraken, met de bepaling dat de dagvaarding in die bodemprocedure binnen een termijn van zes weken na dit vonnis dient te worden uitgebracht, met veroordeling van de KNVB in de kosten van deze procedure en de nakosten.
3.2.

KNVB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden.
4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de KNVB haar tuchtrechtspraak statutair heeft belegd bij onafhankelijke organen van de KNVB, waaronder de tuchtcommissie en de CvB. De uitspraken van die commissie betreffen daarmee besluiten van een orgaan van de rechtspersoon, zodat de nietigheid en/of vernietigbaarheid van deze uitspraken getoetst dienen te worden aan de in de artikelen 2:14 lid 1 BW en 2:15 lid 1 BW opgenomen criteria.
4.3.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich ter onderbouwing van haar vordering op het standpunt dat de uitspraken van de tuchtcommissie en de CvB vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 lid 1 onder b BW wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, en op grond van artikel 2:15 lid 1 onder c BW wegens strijd met reglementaire bepalingen van de KNVB.
Toepasselijkheid KNVB-tuchtrecht
4.4.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of het tuchtrecht van de KNVB van toepassing is op het incident van 25 september 2016 (hierna: het incident) en in het bijzonder over de vraag of het incident nog wel voldoende samenhang heeft met de gespeelde voetbalwedstrijd.
4.5.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat het incident meer dan 2 uur en een kwartier plaatsvond na afloop van de wedstrijd en de scheidsrechter al naar huis was. Volgens [eiseres sub 1] c.s. zijn het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal en de Handleiding Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal alleen bedoeld voor overtredingen die plaatsvinden in en rond een wedstrijd en door een onafhankelijke KNVB-official kunnen worden waargenomen. Daarvan was in dit geval geen sprake.
4.6.

De KNVB acht wel voldoende samenhang tussen het incident en de voetbalwedstrijd aanwezig. Zij wijst er daarbij op dat het incident voortvloeide uit handelingen van de assistent-scheidsrechter tijdens de betreffende wedstrijd en dat het incident bovendien op het sportpark van [eiseres sub 1] heeft plaatsgevonden.
4.7.

In artikel 2 lid 2 sub b van het Algemeen Reglement is – kort samengevat – bepaald dat ieder lid verplicht is zich ter gelegenheid van een voetbalwedstrijd hetzij voor, hetzij gedurende, hetzij na de wedstrijd behoorlijk te gedragen en zonodig mee te helpen bij het handhaven van de orde.
4.8.

In artikel 17 van het Regelement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal (hierna: RTA) is bepaald dat de Tuchtcommissie bevoegd is kennis te nemen van overtredingen, die voor, tijdens, na of in verband met een door het bestuur amateurvoetbal georganiseerde competitie- beker- of reeks wedstrijden zijn begaan.
4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voldoende samenhang is tussen het incident en de gespeelde wedstrijd en dat sprake is van een overtreding die na en in verband met een door het bestuur amateurvoetbal georganiseerde competitiewedstrijd is begaan, zoals bedoeld in artikel 17 RTA. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat vaststaat dat de spelers van [eiseres sub 1] en [naam voetbalvereniging] na de wedstrijd in de kantine van [eiseres sub 1] hebben geborreld (in voetbalkringen ook wel bekend als de zogenaamde ‘derde helft’) en dat het incident direct aansluitend aan het borrelen heeft plaatsgevonden op het terrein van [eiseres sub 1] . De voorzieningenrechter acht het verder op grond van de getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden, voldoende aannemelijk dat de aanleiding voor het incident was gelegen in een (door de supporters van de betrokken teams verschillen geïnterpreteerde) interactie tussen de grensrechter van [naam voetbalvereniging] en een supporter van [eiseres sub 1] en dat deze interactie verband hield met de gespeelde wedstrijd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het KNVB-tuchtrecht op het incident van toepassing is.
Het aanhangig maken van de tuchtzaak
4.10.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich daarnaast op het standpunt dat de overtreding niet op de juiste wijze op grond van artikel 43 lid 1 RTA bij de tuchtcommissie aanhangig is gemaakt. Zij voert hiertoe aan dat geen sprake is geweest van een aantekening op het wedstrijdformulier door de scheidsrechter, zodat de situatie als bedoeld in artikel 43 lid 1 sub a tot en met c zich niet voordoet. Er is ook geen sprake geweest van een schriftelijke aangifte door de scheidsrechter of door een orgaan, commissie of lid van de KNVB, zoals bedoeld in artikel 43 lid 1 sub d en e RTA. Ten aanzien van artikel 43 lid 1 sub f RTA stelt [eiseres sub 1] c.s. zich op het standpunt dat met dit artikelonderdeel is beoogd om de tuchtcommissies van de KNVB in staat te stellen om in een reeds bij haar aanhangige zaak een nieuwe zaak (tenlastelegging) aanhangig te kunnen maken indien zij daartoe in de stukken of verklaringen voldoende aanleiding ziet. Dat valt volgens [eiseres sub 1] c.s. ook af te leiden uit artikel 46 lid 2 TRA. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat ook deze situatie zich niet voordoet.
4.11.

De KNVB stelt dat de overtreding op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA en artikel 46 RTA op de juiste wijze bij de tuchtcommissie aanhangig is gemaakt. Volgens de KNVB geven deze artikelen de tuchtcommissie een autonome bevoegdheid om een tuchtzaak aanhangig te maken op basis van informatie die haar ter kennis is gekomen, hetzij via een aangifte, hetzij op andere wijze.
4.12.

Op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA wordt een overtreding aanhangig gemaakt bij de tuchtcommissie door een beslissing van de tuchtcommissie, wanneer het een overtreding van een wedstrijdbepaling waartegen de scheidsrechter niet heeft kunnen optreden, een overtreding van de Statuten, de reglementen en of gepubliceerde bestuursbesluiten betreft.
4.13.

In artikel 46 RTA – Aanhangig maken door een beslissing van de tuchtcommissie – is verder het volgende bepaald.
1. De tuchtcommissie kan een overtreding aanhangig maken door een daartoe strekkende beslissing wanneer bij haar een redelijk vermoeden ontstaat, dat een overtreding heeft plaatsgevonden, van:
a. de wedstrijdbepalingen waartegen de scheidsrechter niet heeft kunnen optreden; of
b. Statuten, reglementen en besluiten van organen anders dan de wedstrijdbepalingen.
2. Als tijdens een mondelinge behandeling door de tuchtcommissie het vermoeden ontstaat dat betrokkene strafbaar kan worden geacht aan een andere dan de aanhangig gemaakte overtreding, kan dit aan betrokkene mondeling worden aangezegd.
4.14.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de formulering van artikel 43 lid 1 sub f RTA niet worden afgeleid dat de toepassing van dit artikelonderdeel is beperkt tot de situatie waarin al een andere zaak bij de tuchtcommissie aanhangig is. Dit volgt ook niet uit het bepaalde in artikel 46 lid 1 RTA. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 46 geeft geen reden voor een ander oordeel. Dit artikellid geeft, voorshands oordelend, slechts een aanvullende regeling voor de bijzondere situatie dat tijdens een mondelinge behandeling door de tuchtcommissie het vermoeden ontstaat dat de betrokkene strafbaar kan worden geacht aan nog een andere overtreding. In dat geval kan de beslissing van de tuchtcommissie om ook deze overtreding aanhangig te maken, mondeling aan de betrokkene worden aangezegd. Dat dit een bijzondere regeling is, die geen afbreuk doet aan de algemene regeling als verwoord in het eerste lid van artikel 46, volgt ook uit het bepaalde in artikel 49, eerste lid aanhef en onder b. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kon de tuchtcommissie de overtreding in dit geval dan ook zelfstandig op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA aanhangig maken.
4.15.

[eiseres sub 1] c.s. klaagt er daarnaast over dat [H] (hierna: [H] ), als Medewerkster Excessen werkzaam bij de arbeidsorganisatie van de KNVB, in haar e-mail van 29 september 2016 om 15:23 uur aan [eiseres sub 1] ten onrechte namens de tuchtcommissie heeft geschreven dat de tuchtcommissie op basis van de schriftelijke verklaringen van [naam voetbalvereniging] het vermoeden heeft dat na deze wedstrijd één of meer excessieve overtreding(en) heeft/hebben plaatsgevonden door leden en/of toeschouwers van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 1] in deze e-mail heeft aangespoord om alle namen van de betrokken spelers en leden aan de KNVB te melden. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat [H] het hierbij deed voorkomen alsof de kwestie al bij de tuchtcommissie lag, terwijl dit niet het geval was. Dit blijkt volgens [eiseres sub 1] uit de e-mail van [H] van eerder die dag om 14:27 uur aan [naam voetbalvereniging] -penningmeester [I] . Zij schrijft in deze e-mail dat zij de zaak in behandeling zullen nemen en verklaringen aan de zijde van [eiseres sub 1] zullen opvragen, en dat de tuchtcommissie op basis van alle verklaringen zal beslissen welke vervolgstappen genomen zullen worden.
4.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de e-mail van [H] aan [eiseres sub 1] niet kan worden afgeleid dat zij op eigen houtje, zonder overleg met de tuchtcommissie, de overtreding bij de tuchtcommissie aanhangig heeft gemaakt. Uit deze e-mail kan immers worden afgeleid dat [H] kennelijk overleg heeft gehad met de tuchtcommissie en dat de commissie zich (inmiddels) op het standpunt heeft gesteld dat het vermoeden bestaat dat één of meer excessieve overtreding(en) heeft/hebben plaatsgevonden. Dit wordt ook bevestigd door de uitnodigingsbrieven voor de mondelinge behandeling voor de tuchtcommissie, die [H] op 6 oktober 2016 aan verschillende betrokkenen van [eiseres sub 1] heeft gestuurd en waarin zij schrijft dat de tuchtcommissie aan de hand van de schriftelijke rapportages van [naam voetbalvereniging] het vermoeden heeft dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan één of meerdere (excessieve) overtreding(en). Gezien het voorgaande is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de tuchtcommissie de beslissing om de overtreding zelfstandig op grond van artikel 43 lid 1 sub F RTA in aanhangig te maken, niet zelf heeft genomen en dat [H] [eiseres sub 1] in haar e-mail van 29 september 2016 onjuist heeft voorgelicht.
Mondelinge behandeling
4.17.

[eiseres sub 1] c.s. stelt voorts dat de CvB – met name ten aanzien van [eiser sub 2] – ten onrechte haar verzoek om een mondelinge behandeling te houden heeft afgewezen. Zij stelt dat [eiser sub 2] ten onrechte op basis van vier verklaringen van de [naam voetbalvereniging] -leden is veroordeeld voor het slaan en trappen van [A] . [eiseres sub 1] c.s. heeft er in haar beroepschrift op gewezen dat [A] en de andere [naam voetbalvereniging] -spelers elkaar tegenspreken over de locatie waar [eiser sub 2] [A] zou hebben getrapt terwijl hij op de grond lag. [A] schrijft in zijn verklaring dat dit vlakbij de kantine is gebeurd, terwijl de andere [naam voetbalvereniging] -leden hebben verklaard dat dit incident op de parkeerplaats plaatsvond. [eiseres sub 1] c.s. heeft voorts een aantal ontlastende verklaringen van [eiser sub 2] zelf en een aantal andere [eiseres sub 1] -leden aan de CvB gestuurd, waaruit blijkt dat [A] al gewond was aan zijn gezicht toen [eiser sub 2] uit de kantine naar buiten kwam. Er was volgens [eiseres sub 1] c.s. daarom aanleiding een mondelinge behandeling te houden om de verschillende getuigen (nogmaals) te horen.
4.18.

De KNVB stelt zich op het standpunt dat de CvB in dit geval terecht tot het standpunt heeft kunnen komen dat van een mondelinge behandeling kon worden afgezien. Zij voert in dit verband aan dat in eerste aanleg een uitvoerig mondeling onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de diverse betrokkenen in dat mondeling onderzoek ook door de tuchtcommissie zijn gehoord. De CvB heeft tot een bewezenverklaring kunnen komen op basis van de schriftelijke getuigenverklaringen en heeft het niet nodig geoordeeld om de betreffende getuigen ook nog eens mondeling te doen horen, waar dat in het mondeling onderzoek van de tuchtcommissie al had plaatsgevonden, althans daartoe voldoende gelegenheid was geweest voor [eiser sub 2] om de voor te brengen getuigen te doen horen. Volgens de KNVB is het niet gebruikelijk dat, wanneer in eerste aanleg een mondeling onderzoek heeft plaatsgevonden, ook nog eens een mondeling onderzoek in hoger beroep plaatsvindt, anders dan wanneer daarvoor naar het oordeel van de CvB gewichtige redenen bestaan.
4.19.

Op grond van artikel 86 lid 1 juncto artikel 62 lid 1 RTA vindt een mondelinge behandeling bij de Commissie van Beroep alleen plaats als de commissie dat wenselijk acht.
4.20.

In paragraaf 1.7 van de Handleiding Tuchtzaken Amateurvoetbal (hierna: de Handleiding) is bepaald dat de CvB in het algemeen alleen overgaat tot mondelinge behandeling, wanneer zij dat nodig vindt om tot een oordeel te komen. Als richtlijn geldt hierbij vooral de duidelijkheid en de onderlinge overeenstemming van de afgelegde (schriftelijke, eventueel mondelinge) verklaringen. Verder kunnen een rol spelen: de ernst van de zaak, de zwaarte van de straf en of deze zaak door de tuchtcommissie wel of niet mondeling is behandeld.
4.21.

De CvB heeft in de beroepszaak tegen [eiseres sub 1] in haar uitspraak met betrekking tot het verzoek een mondelinge behandeling te houden het volgende overwogen:
“De Commissie ziet (…) geen aanleiding om in hoger beroep andermaal een mondelinge behandeling te gelasten, te meer nu appellante niet heeft betwist dat de ten laste gelegde collectieve en door de TC als excessieve overtreding gekwalificeerde vechtpartij zich heeft voorgedaan en appellante haar beroep – afgezien van de formele bezwaren die zij aan haar beroep ten grondslag legt – uitsluitend baseert op een strafmaatverweer. De Commissie oordeelt dat zij op dat strafmaatverweer kan beslissen zonder het (opnieuw) gelasten van een mondeling onderzoek.”

4.22.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de CvB in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. De klacht van [eiseres sub 1] c.s. dat de CvB geen mondelinge behandeling heeft gehouden, ziet ook met name op de procedure tegen [eiser sub 2] . In die uitspraak heeft de CvB het volgende overwogen:
“De Commissie ziet (…) geen aanleiding om in hoger beroep andermaal een mondelinge behandeling te gelasten, te meer nu appellant in eerste aanleg is gehoord en de commissie zich overigens voldoende voorgelicht acht.”

4.23.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de CvB op grond van de stellingen die [eiseres sub 1] c.s. in haar beroepschrift heeft ingenomen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de [eiseres sub 1] -leden die bij de mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie een verklaring hebben afgelegd, niet nogmaals als getuigen te horen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verklaringen die van de zijde van [naam voetbalvereniging] voorafgaand aan en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn afgelegd, concreet en specifiek zijn en een gedetailleerde beschrijving geven van de gevechten die hebben plaatsgevonden en van degenen die daarbij waren betrokken. De verklaringen die de [eiseres sub 1] -leden hebben afgelegd zijn daarentegen niet specifiek en vaag. Er wordt in het algemeen verklaard dat wat duw- en trekwerk heeft plaatsgevonden, terwijl naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gelet op het letsel van [A] en [B] voldoende vaststaat dat er geslagen en/of getrapt is. De afgelegde verklaringen van de [eiseres sub 1] -leden zijn in dit licht bezien onvoldoende overtuigend.
4.24.

De aanvullende verklaringen van [eiseres sub 1] -leden die [eiseres sub 1] c.s. in het kader van de beroepsprocedure heeft overgelegd, hoefde de CvB ook geen aanleiding te geven om deze leden als getuigen te horen. De strekking van deze verklaringen is, dat is waargenomen dat [A] op het moment dat [eiser sub 2] uit de kantine naar buiten rende, zijn hand bij zijn oog/gezicht hield omdat hij daar kennelijk een klap op had gehad. Deze verklaringen komen op dit punt echter overeen met de schriftelijke verklaringen die [B] , [D] en [C] voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben afgelegd. Zij verklaren immers alle drie dat [A] vlak bij de kantine een klap/klappen heeft gekregen en op de grond is gevallen.
4.25.

[B] en [D] verklaren echter ook, dat [A] later door [eiser sub 2] op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. Ook [C] verklaart dat [A] op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. Hij noemt in zijn verklaring geen namen, maar verklaart wel dat [A] van de nummer 9 een mega klap op zijn hoofd kreeg, dat hij in het grind viel en dat 3 man op hem inschopten. [A] verklaart echter alleen dat hij vlak bij de kantine is geslagen en getrapt terwijl hij op de grond lag. Hij verklaart niet dat hij op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. 
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tegenstrijdige verklaringen van [A] enerzijds en [B] , [D] en [C] anderzijds over de locatie waar [A] door [eiser sub 2] zou zijn getrapt, de CvB in redelijkheid aanleiding had moeten geven om de [naam voetbalvereniging] -spelers hierover nogmaals te horen, of in ieder geval in de uitspraak gemotiveerd aan te geven waarom zij dit in de gegeven omstandigheden niet nodig achtte.
 De tuchtcommissie en de CvB hebben [eiser sub 2] immers op grond van deze verklaringen een langdurige schorsing opgelegd, en het past daarbij niet dat er onduidelijkheid bestaat over zo een essentieel onderdeel van de overtreding als de locatie waar deze heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter acht het gelet hierop aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat aan de uitspraak van de CvB die in de procedure tegen [eiser sub 2] is gewezen, een essentieel gebrek kleeft en dat deze uitspraak vernietigbaar is wegens strijd met de Reglementen, in het bijzonder paragraaf 1.7 van de Handleiding. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de uitspraken van de CvB en de tuchtcommissie ten aanzien van [eiser sub 2] te schorsen [zinsdeel weggelaten; zie herstelvonnis ECLI:NL:RBMNE:2017:1551].
Verzuim van reglementair voorgeschreven termijnen
4.26.

[eiseres sub 1] c.s. klaagt er ten slotte over dat de CvB in strijd met het bepaalde in artikel 97 lid 3 RTA niet binnen 5 werkdagen na ontvangst van het beroepschrift, maar pas drie weken na indiening van het beroepschrift uitspraak heeft gedaan. In dit artikellid, dat betrekking heeft op de verkorte procedure zoals die hier is gevoerd, is bepaald dat het beroep in geval van schriftelijke behandeling zo mogelijk binnen drie doch niet later dan vijf werkdagen na ontvangst van het beroep door de commissie van beroep wordt behandeld. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat de CvB daarnaast heeft gehandeld in strijd met artikel 100 RTA, in welk artikellid is bepaald dat de CvB in geval van een schriftelijke behandeling binnen 24 uur na het sluiten van de behandeling uitspraak doet.
4.27.

De KNVB stelt zich op het standpunt dat de CvB niet in strijd heeft gehandeld met enige reglementaire bepaling, omdat tussen het in behandeling nemen en het sluiten van de behandeling geen reglementair voorgeschreven termijn bestaat.
4.28.

De voorzieningenrechter stelt vast dat, wat er ook zij van de juistheid van de stelling van [eiseres sub 1] c.s. dat de duur van de behandeling uit de artikelen 97 lid 3 en 100 RTA volgt, hetgeen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval is, dit een termijn van orde betreft. Een eventuele overschrijding van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de uitspraak van de CvB op die grond vernietigbaar is.
4.29.

De conclusie is dat de vorderingen van [eiseres sub 1] worden afgewezen. De vorderingen van [eiser sub 2] worden toegewezen als hierna is bepaald. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding de voorziening slechts te treffen voor de duur van de bodemprocedure in eerste aanleg. De gevorderde voorziening tot het moment dat in de bodemprocedure “onherroepelijk” zal zijn beslist, wordt afgewezen.
4.30.

KNVB zal als de jegens [eiser sub 2] grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [eiseres sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van de KNVB die echter vanwege de samenhang met het verweer tegen de vorderingen van [eiser sub 2] door de voorzieningenrechter worden begroot op nihil. De kosten aan de zijde van [eiser sub 2] worden begroot op:

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

schorst de uitspraken van tuchtcommissie van 17 oktober 2016 en de Commissie van Beroep van 23 november 2016 voor zover deze betrekking hebben op [eiser sub 2] en beveelt de KNVB om [eiser sub 2] , als voetbalspeler toe te laten en – voor zover de weigering hem als voetbalspeler toe te laten wordt gebaseerd op de beslissing in voornoemde uitspraken – toegelaten te houden totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg is beslist over de gevorderde vernietiging van de beide uitspraken;
5.2.

bepaalt dat deze voorziening vervalt, indien [eiser sub 2] niet uiterlijk op 14 april 2017 de dagvaarding in de bodemprocedure heeft uitgebracht;
5.3.

[]