Toetsing uitspraak intern beroep

Rb. Gelderland 6 maart 2017
ECLI:NL:RBGEL:2017:1134 



In deze zaak wil de vereniging van duivenhouders af van een uitzonderingspositie voor duivenhouders die niet op zondag willen vliegen. De vereniging is regionale vereniging, en is een afdeling van de landelijke vereniging, en heeft lokale verenigingen als leden. De postduivenhouders zijn lid van de lokale vereniging. De vereniging is van mening dat de uitzonderingspositie alleen de betreffende lokale verenigingen beschermt, niet de individuele duivenhouders. 
Een postduivenhouder tekent beroep aan bij de interne geschillencommissie, en hoger beroep bij de beroepscommissie. Daar krijgt hij gelijk, maar de regionale vereniging gaat toch door met het plan.


De rechter merkt de uitspraak van de beroepscommissie aan als een bindend advies ex artikel 7:900 BW, toets of de commissie in redelijkheid tot haar oordeel heeft kunnen komen, en veroordeelt de regionale vereniging tot nakoming.

Vonnis in kort geding van 6 maart 2017

in de zaak van

[eiser] ,
tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid GELDERS-OVERIJSSELSE UNIE,
Partijen zullen hierna [eiser] en de GOU genoemd worden.

2De feiten

2.1.

De GOU is een duivenhoudersvereniging. Zij maakt als afdeling (8) deel uit van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (hierna ook: NPO). De GOU bestaat uit drie regio’s. De leden van de GOU zijn de bij haar aangesloten duivenhoudersverenigingen. De GOU organiseert (al dan niet met hulp van de NPO) onder meer wedvluchten met duiven en afdelingskampioenschappen.
2.2.

[eiser] is lid van postduivenvereniging “[postduivenvereniging]” te [woonplaats] en neemt samen met zijn zoon deel aan de door de GOU georganiseerde wedvluchten en het afdelingskampioenschap. Via “[postduivenvereniging]” is hij lid van de GOU en de NPO. “[postduivenvereniging]” wordt door een kiesman vertegenwoordigd bij de Algemene Leden Vergadering (ALV) van de GOU.
2.3.

[eiser] wil om geloofsredenen zich op zondag niet bezighouden met de duivensport in het algemeen en wedvluchten in het bijzonder. Hij brengt de zondag thuis door en gaat uitsluitend van huis om naar de kerk te gaan. Ongeveer 200 van de in totaal ongeveer 2200 leden van de bij de GOU aangesloten verenigingen wensen net als [eiser] de zondagsrust in acht te nemen. Deze groep wordt ook wel aangeduid als principiële zaterdagvliegers.
2.4.

Artikel 3 van de statuten van de GOU luidt:
“DOEL
Artikel 3
1. De Afdeling stelt zich overeenkomstig de Statuten N.P.O. artikel 3 lid 1 ten doel:
Het bevorderen en doen bevorderen van de postduivenliefhebberij en de wedstrijdsport
met postduiven in de ruimste zin van het woord.
2. De Afdeling tracht dit doel overeenkomstig de Statuten N.P.O. onder meer te bereiken
door:
a. het uitvaardigen van uniforme reglementen en voorschriften;
b. het eerbiedigen van ieders godsdienst, levensovertuiging, politieke gezindheid, ras
en geslacht.
(…)”

2.5.

Artikel 3A bepaalt:
“De Afdeling kent in de Regio’s 1 en 3 twee groepen principiëlen vallende onder artikel 3 lid 2 onder b.
1. Leden Basisverenigingen die de duiven op zaterdag thuis willen hebben op de vitesse
en midfondafstanden, dit geldt niet voor NPOvluchten, door middel van een wedvlucht
en indien dit niet mogelijk is willen zij dat de duiven op zaterdag teruggaan. Op zondag nemen zij niet deel aan wedvluchten;
2. Leden Basisverenigingen behorende tot de zaterdag- en zondagvliegers. Deze leden
willen op zaterdag een wedvlucht. Indien dit niet mogelijk is willen zij dat de wedvlucht
op een andere dag plaatsvindt. Zij zullen op zondag deelnemen aan wedvluchten.
De Afdeling verplicht zich dit principe van ieder van beide groepen te eerbiedigen. In het
Huishoudelijk reglement wordt dit nader uitgewerkt. (…)”


2.6.

Lid 5 van artikel 34 van de statuten bepaalt dat wijziging van artikel 3 lid 2 sub slechts kan geschieden door een besluit, dat met algemene stemmen genomen wordt in een Algemene Vergadering Afdeling waarin alle kiesmannen Afdeling aanwezig zijn, dan wel vertegenwoordigd zijn door reserve kiesmannen Afdeling.
2.7.

Artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement van de GOU, versie 12-10-2009, luidt:
“NIET DOORGAAN WEDVLUCHTEN
Artikel 50
Ter uitvoering van het gestelde in Statuten artikel 3A geldt:
1. De duiven van de zondagvliegende leden basisverenigingen in Regio 1 en 3 zullen, indien nodig, afzonderlijk vervoerd worden, zodat indien men geen mogelijkheid tot lossen op de zaterdag heeft, men kan lossen op zondag of op een later tijdstip.
2. duiven van de niet-zondagvliegende leden basisvereniging in Regio 1 en 3 zullen, indien nodig, afzonderlijk vervoerd worden, zodat indien men geen mogelijkheid tot lossen op de zaterdag heeft, terug gaat naar een haalbare afstand of naar de verenigingslokalen.
3. In de overige regio’s wordt voor principiële Basisleden het terzake bepaalde in het
Wedvluchtreglement N.P.O. onverkort toegepast.
4. I.v.m. bovenstaande geldt dat, indien voor liefhebbers behorende tot groep 1 een
wedvlucht niet is doorgegaan, de betreffende wedvlucht voor de gehele afdeling niet wordt meegeteld voor het afdelingskampioenschap. (…)
5. Indien na een lossing, door welke oorzaak ook, de eerste duif op zondag terugkeert van een wedvlucht in regio 1 of 3, behoudens genoemd in artikel 50 lid 4, telt in regio 1 of 3 alleen de verenigingswedvlucht.”
2.8.

Ingevolge artikel 53 van het Huishoudelijk Reglement kunnen wijzigingen in dit Reglement alleen worden aangebracht in een Algemene Vergadering Afdeling waarin tenminste een zodanig aantal kiesmannen of reservekiesmannen Afdeling blijkens de presentielijst ter vergadering aanwezig is, dat zij tezamen vertegenwoordigen tweederde of meer van de uit te brengen stemmen die mogelijk zijn bij een voltallige Algemene Vergadering Afdeling. Is niet het vereiste aantal kiesmannen aanwezig dan dient een tweede Algemene Vergadering Afdeling bijeengeroepen te worden, die ongeacht het aantal aanwezige kiesmannen bevoegd is besluiten te nemen over de op de vorige Algemene Vergadering Afdeling geagendeerde wijzigingsvoorstellen.
2.9.

Aan de voorjaarsvergadering van de GOU van 7 maart 2016 zijn door de daartoe aangestelde Commissie Zaterdag/zondag de volgende voorstellen gedaan en is daarover de volgende toelichting gegeven:
“(…) Het voorstel van de commissie zaterdag/zondag is unaniem aan het bestuur voorgedragen. Het voorstel bestaat uit 6 aspecten:
1. Invoering zaterdag/zondag kampioenschap.
2. Afschaffen gemiddelde puntenregeling.
3. Duiven blijven altijd overstaan.
4. Aanpassen huishoudelijk reglement indien voorstellen worden overgenomen.
5. Zaterdag niet toevoegen als inkorfdag voor een wedvlucht.
6. Aanbeveling eerste twee jongen en natourvluchten altijd terug naar huis op zaterdag.
Belangrijk punt is het voorstel om altijd over te blijven staan. Echter om recht te doen aan de principiële rechten, willen we de mogelijkheid bieden voor de zaterdagspelers om hun duiven terug te halen mocht er op zaterdag niet gelost worden. Daarbij geldt wel dat de zondagspelers de extra kosten voor het overstaan zullen dragen, maar de zaterdagspelers voor het terughalen van de duiven. Dus zoals eerder gezegd, geldt hierbij het standpunt de gebruiker betaalt.
Mocht het voorstel aangenomen worden, betekent dit wel dat er een aantal wijzigingen van het huishoudelijk reglement noodzakelijk zijn.(…)”

2.10.

Deze voorstellen zijn aangenomen. In de notulen staat daarover het volgende:
“Het voorstel van de commissie zaterdag/zondag inclusief de toevoeging 5b (van het bestuur) wordt aangenomen. Dit betekent:
a. Invoeren zaterdag/zondagkampioenschap
b. Afschaffen gemiddelde punten.
c. Duiven blijven altijd overstaan en dus geen gescheiden vervoer. Voor principiële
zaterdagverenigingen blijft er de mogelijkheid om de duiven op zaterdag met een aparte
wagen terug te laten halen, mocht er op die dag niet gelost kunnen worden (…). In het kader van de gebruiker betaalt, komen de kosten voor het terughalen van de duiven voor rekening voor die leden die hier gebruik van wensen te maken. En de kosten van het overstaan zijn voor rekening van de liefhebbers die hier gebruik van maken. Ook hier geldt dus: de gebruiker betaalt.
d. Zaterdag wordt niet toegevoegd als inkorfdag voor een wedvlucht met zeer grote
uitzondering kan hiervan afgeweken worden (…)
e. (…)”
2.11.

De GOU heeft de wijzigingen met betrekking tot onder meer het gescheiden vervoeren van de duiven en het aan de zaterdagvliegers in rekening brengen van de hogere transportkosten voor het eventueel terughalen van de duiven op zaterdag in afwachting van de voorgenomen wijziging van artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement al doorgevoerd bij de wedvluchten in 2016.
2.12.

[eiser] heeft op 22 april 2016 bij geschrift ex artikel 2G Reglement Rechtspleging N.P.O. aan de Tucht- en Geschillencommissie van de NPO zijn geschil met de GOU over de wijziging van artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement voorgelegd. Daarin heeft hij zich op het standpunt gesteld dat de wijzigingen in strijd zijn met de wet, de statuten van de GOU en het huishoudelijk reglement van de GOU, omdat een verboden onderscheid wordt gemaakt op grond van godsdienst door het de principiële zaterdagsvliegers onmogelijk te maken om aan wedvluchten mee te doen. De GOU heeft in die procedure verweer gevoerd.
Nadat partijen voor repliek respectievelijk dupliek hebben geconcludeerd heeft de Tucht- en Geschillencommissie zich op 26 juli 2016 onbevoegd verklaard.

2.13.

[eiser] heeft op 11 augustus 2016 tegen deze beslissing beroep ingesteld bij het Beroepscollege van de NPO en de GOU heeft ook in die beroepsprocedure verweer gevoerd. Nadat op 11 oktober 2016 partijen zijn gehoord, is op 10 december 2016 uitspraak gedaan. In deze uitspraak zijn de standpunten van partijen als volgt weergegeven:
Verzoeker stelt dat het geschil zich toespitst op de opvattingen van de principiële
duivenhouders, die vanwege hun religie de zondagsrust wensen te handhaven en de rest die
geen principiële bezwaren hebben tegen vliegen of andere activiteiten op de zondag.
Verweerder stelt als kern van het geschil de vraag of de Algemene Ledenvergadering het
bestreden besluit conform de regels heeft genomen.
De consequenties van deze geschillen worden door verzoeker en verweerder verschillend
geduid.
Zo stelt verzoeker dat het op zaterdag inkorven betekent dat de duiven de facto niet op zaterdag kunnen worden gelost en/of tijdig worden teruggebracht. Ook indien de duiven op vrijdag worden ingekorfd komt het voor dat, indien de duiven niet kunnen worden gelost, de duiven niet tijdig worden teruggebracht; dat de kosten van gescheiden inkorven en vervoer geheel door de principiëlen zouden moeten worden gedragen en dat de afdeling 8 de reguliere kampioenschappen wenst te splitsen in zaterdag- en zondagkampioenschap.
Verweerder stelt dat zij inderdaad een gesplitst kampioenschap heeft ingesteld en dat het
systeem van gemiddelde punten is vervallen; dat de zaterdag als inkorfdag wordt toegevoegd en dat het huishoudelijk reglement zou worden aangepast als het voorstel in de
voorjaarsvergadering 2016 zou worden aangenomen.

2.14.

Het Beroepscollege heeft het volgende overwogen:
“Het Beroepscollege overweegt dat de voorgenomen wijziging van artikel 50 in het huishoudelijk reglement niet in overeenstemming is en valt te brengen met de Statuten van Afdeling 8, Gelders-Overijsselse Unie, artikel 3A.
Weliswaar kan Afdeling 8 worden toegegeven dat in artikel 3A wordt gesproken over Leden Basisverenigingen doch in artikel 3 gaat het wel degelijk over het eerbiedigen van ieders godsdienst, levensovertuiging /…/ Artikel 3A is een uitwerking van artikel 3. Artikel 34 lid 5 en 6 zijn een toepassing van artikel 2:43 BW en vindt dus steun in wet en regelgeving. Het voorgaande betekent dat de afdeling de wijziging van het huishoudelijk reglement ten onrechte heeft voorgesteld. De afdeling had eerst een voorstel voor wijziging van de statuten aan de Algemene Vergadering dienen voor te leggen conform de daarvoor geldende regels; in het bijzonder artikel 34 lid 5 en 6.
Vervolgens heeft het Beroepscollege de voorgenomen wijziging van het huishoudelijk reglement nietig verklaard en de GOU veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg en in beroep.

2.15.

De GOU heeft voor 9 maart 2017 een voorjaarsvergadering uitgeschreven. Op de aan haar leden toegestuurde agenda staat als agendapunt 10 “Wijziging Huishoudelijk Reglement Afdeling”. Agendapunt 10 A ziet op wijziging van artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement zoals in de vergadering van 7 maart 2016 besproken. In de toelichting op de agenda schrijft het bestuur bij dit agendapunt onder meer:
“(…) Onlangs hebben we de uitspraak van het Beroepscollege ontvangen. Deze hebben we ook voorgelegd aan onze juridisch adviseur.
Op basis daarvan hebben we het volgende vastgesteld.
Algemeen:
In dat kader stellen we dat op voorhand vast staat dat de behandelende kamer in het geschil, niet heeft voldaan aan artikel A5.lid 2 en 3 van het Reglement Rechtspleging NPO. In strijd met het in dit lid bepaalde aantal van drie leden bestond de samenstelling
van de behandelende kamer in het betreffende geschil, uit minder dan het aantal van minimaal 3 leden. Door dit vormverzuim dient de uitspraak van het beroepscollege als ongeldig te worden aangemerkt.
Inhoudelijke bemerkingen op de uitspraak:
Het Beroepscollege concludeert dat de Afdeling eerst een voorstel tot wijziging van de Statuten aan de Algemene vergadering had moeten voorleggen, voordat een wijziging van het Huishoudelijk reglement kon worden voorgesteld. Hier dwaalt het Beroepscollege omdat een wijziging van artikel 3 sub b en artikel 3A Statuten GOU niet aan de orde is. Het bestuur van de Afdeling heeft de Algemene Vergadering slechts een wijziging van artikel 50 Huishoudelijk Reglement (HHR) voorgesteld. Een dergelijke wijziging kan op grond van artikel 53 lid 3 van het HHR GOU, worden genomen met een meerderheid van de uitgebrachte stemmen.
(…)
Voorstellen algemene ledenvergadering
Al sinds de oprichting van de Afdeling 8 GOU wordt uitvoering gegeven aan artikel 3A. Naast dat het tekstueel op basisvereniging niveau is vastgelegd, is het de afgelopen 20 jaar ook op basisvereniging niveau uitgevoerd. Dus niet een individueel basislid, maar de basisvereniging kon beslissen of ze de duiven op zaterdag terug willen krijgen, mocht er op de vitesse en midfond-afstanden niet op zaterdag gelost kunnen worden. Gaarne vragen we de Algemene Ledenvergadering te bevestigen dat de intentie van Artikel 3A altijd geweest is om het op basisverenigingsniveau te regelen, zoals ook uitgevoerd is. We willen hier eerst over stemmen.(…)

3Het geschil in conventie

3.1.

[eiser] vordert samengevat – dat de GOU zal worden veroordeeld tot:
I. onmiddellijke intrekking van het agendapunt 10A (ter zake van wijziging van art. 50
van het Huishoudelijk Reglement van de GOU) van de agenda voor de algemene
ledenvergadering d.d. 9 maart 2017,
II. onmiddellijke naleving van het ongewijzigde artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement van de GOU,
III. onmiddellijke naleving van het huidige art. 50 lid 1 en 2 Huishoudelijk Reglement van de GOU door (herstel van) het gelijktijdig gescheiden vervoeren van duiven (van principiële zaterdagvliegers en niet-principiële zaterdagvliegers) naar de losplaats en door het bij slecht weer op zaterdag retourneren van de duiven door het terug rijden van de vrachtauto die de duiven van de principiële zaterdagvliegers vervoerde waarbij de kosten van het gescheiden vervoer niet separaat aan (niet) principiële zaterdagvliegers doorbelast worden;
IV. onmiddellijke naleving van het huidige art. 50 lid 1 en 2 Huishoudelijk Reglement van de GOU en van de werkwijze die voor de ALV van 7 maart 2016 bestond dat de inkorfdag van de duiven uitsluitend vrijdag en niet later plaatsvindt en dat de vluchtdagen voor de eerste 5 jonge duivenvluchten niet wordt verschoven naar de zondag;
V. onmiddellijke naleving van het huidige art. 50 lid 4 en 5 Huishoudelijk Reglement van de GOU door herstel van het kampioenschap (inclusief de regeling van gemiddelde punten) zoals dat gehouden werden voor de ALV van 7 maart 2016,
VI. verzending binnen 14 dagen van de volgende schriftelijke mededeling aan alle basisleden van de GOU (in lettertype Times New Roman, lettertype 10):
“Geacht basislid,
Door middel van deze brief bericht de Gelders Overijsselse Unie dat zij zich – mede gelet op de uitspraak van het Beroepscollege NPO d. d. 10 december 2016 – vanaf heden onverkort zal houden aan het ongewijzigde art. 50 van het Huishoudelijk Reglement. Dit leidt tot:
d. het gescheiden vervoeren van duiven van (niet-)principiële zaterdagvliegers naar de losplaats en het op zaterdag retourneren van de duiven van principiële zaterdagvliegers zonder dat kosten separaat aan beide groepen worden doorbelast.
e. Inkorfdagen op vrijdag en niet op zaterdag;
f. Een kampioenschap zoals dat bestond voor de ALV van 7 maart 2016
(nI. één kampioenschap met een gemiddelde puntentelling).
Wij vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”
alles steeds op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 2.000,- (althans een in redelijkheid door de rechtbank vast te stellen dwangsom) voor iedere dag (een gedeelte van de dag daaronder dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat de GOU in strijd met de betreffende veroordeling handelt en
VII. betaling van de kosten van dit geding, waaronder begrepen een salaris voor de advocaat.

3.2.

GOU voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4Het geschil in reconventie

4.1.

GOU vordert samengevat – de tenuitvoerlegging van de beslissing van het Beroepscollege NPO van 10 december 2016 te verbieden totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist, met veroordeling van [eiser] in de kosten van de procedure.
4.2.

[eiser] voert verweer.
4.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

5De beoordeling

in conventie en in reconventie

5.1.

De samenhang van de vorderingen in conventie met de vorderingen in reconventie zijn aanleiding deze tezamen te behandelen.
5.2.

De GOU heeft aangevoerd dat [eiser] niet-ontvankelijk verklaard moet worden omdat hij op deze manier via een omweg van de uitspraak van de Beroepscommissie zich een individueel stemrecht probeert toe te eigenen, terwijl volgens de regelgeving van de GOU alleen de bij haar aangesloten verenigingen via kiesmannen stemrecht hebben.
[eiser] heeft weersproken dat hij zich een individueel stemrecht probeert toe te eigenen. Hij heeft uitsluitend aan de Beroepscommissie voorgelegd dat de wijzigingen van artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement in strijd zijn met de wet en de statuten. De nietigheid treedt van rechtswege in. Op de nietigheid van een besluit kan een ieder een beroep doen. Daarvoor is het niet nodig dat hij stemgerechtigd bij het nemen van een besluit.
[eiser] kan in dit laatste gevolgd worden. Uit wet noch regelgeving blijkt dat een beroep op de nietigheid van een besluit van een orgaan van een rechtspersoon alleen gedaan kan worden door iemand die rechtstreeks stemgerechtigd is bij het nemen van dat besluit. Verwezen wordt in dit verband naar het bepaalde in artikel 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Daarin is bepaald dat een beroep op de vernietigbaarheid van een dergelijk besluit (ook) gedaan kan worden door iemand die daar een redelijk belang bij heeft.
[Noot: mij  is niet zo duidelijk waarom artikel 2:15 BW relevant zou zijn voor de toegang tot de interne Beroepscommissie].
Dat [eiser] geen redelijk belang heeft bij zijn beroep op de nietigheid van het besluit is niet gesteld en ook niet gebleken.
[eiser] is daarom ontvankelijk in zijn vorderingen.

5.3.

Allereerst zal worden ingegaan op de vraag of de uitspraak van de Beroepscommissie al dan niet in stand kan blijven. Daarbij geldt dat de uitspraak van de Beroepscommissie moet worden aangemerkt als een bindend advies als bedoeld in artikel 7:900 BW.
Op grond van het bepaalde in artikel 7:904 BW zijn partijen aan een dergelijke beslissing gebonden, tenzij dat in verband met de inhoud of de totstandkoming van die beslissing in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Nu de GOU als verweer voert dat zij niet gebonden is aan de beslissing van de Beroepscommissie, gelet op zowel de wijze van totstandkoming als op de inhoud, moet onderzocht worden of die uitspraak de toets van artikel 7:904 BW kan doorstaan.

5.4.

Meest verstrekkend is het verweer van de GOU dat het Beroepscollege spreekt over een voorgenomen wijziging van het huishoudelijk reglement. Een voornemen is niet gelijk aan een besluit. Een besluit ontstaat pas na agendering en besluitvorming van de ALV. Zolang de ALV niet heeft besloten, is er geen sprake van een besluit en is dus de nietigheid of vernietiging van dat niet bestaande besluit aan de orde. De beroepscommissie kan niet een niet genomen besluit nietig verklaren, aldus de GOU.
5.5.

Uit de notulen van de vergadering van 7 maart 2016 blijkt dat aan de vergadering het voorstel is voorgelegd om artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement van de GOU te wijzigen en dat dit voorstel is aangenomen. Er is toen dus een besluit genomen dat strekt tot wijziging van artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement. Met de daadwerkelijke wijziging van Huishoudelijk Reglement wordt dat besluit tenuitvoergelegd. Dat de vergadering zich daarvan bewust was blijkt uit de mededeling dat, mocht het voorstel aangenomen worden, dit betekent dat er een aantal wijzigingen van het huishoudelijk reglement noodzakelijk is. Waar de Beroepscommissie heeft geoordeeld dat de voorgenomen wijziging nietig is, impliceert dat dat het daaraan ten grondslag liggende besluit tot die wijziging nietig is.
Dit verweer van de GOU houdt derhalve geen stand.

5.6.

Maar zou de GOU gevolgd worden in haar stelling dat er (slechts) sprake is van een voorgenomen besluit en niet van een al genomen besluit, dan liggen de vorderingen van [eiser] die strekken tot naleving van het Huishoudelijk Reglement, voor toewijzing gereed. In dat geval geldt immers dat de GOU handelt in strijd met het Huishoudelijk Reglement zoals dat voor de vergadering van 7 maart 2016 gold, nu vast staat dat zij vanaf april 2016 handelt zoals voorgesteld in die vergadering terwijl daar (in haar optiek nog) geen besluit aan ten grondslag ligt.
5.7.

De GOU heeft aangevoerd dat bij de totstandkoming van de uitspraak niet is voldaan aan de formele vereisten omdat de hoorzitting is gehouden ten overstaan van slechts twee leden van de Beroepscommissie en de uitspraak alleen door de voorzitter is ondertekend terwijl het Reglement Rechtspleging NPO (hierna ook: RR) voorschrijft dat dit door de voorzitter en de secretaris moet gebeuren.
Vooropgesteld wordt dat bij de wijze van tot stand komen van het bindend advies de fundamentele beginselen van procesrecht in beginsel gehonoreerd moeten worden. Deze komen er kort gezegd op neer dat partijen in de gelegenheid gesteld moeten worden hun standpunt kenbaar te maken; dat de gegevens waarop het advies berust ter kennis van beide partijen gebracht dienen te worden; dat de beslissing op een deugdelijk onderzoek gebaseerd dient te zijn en dat de beslissing voldoende gemotiveerd dient te worden.
Niet gezegd kan worden dat aan deze voorwaarden niet is voldaan.
In de oproep voor de hoorzitting staat vermeld dat de behandelende kamer bestaat uit de heren Hoorneman, Veen en Lamers. Vast staat dat bij de hoorzitting Veen niet aanwezig was. Aan de vraag of de voorzitter van de kamer van die afwezigheid melding heeft gemaakt wordt voorbij gegaan. Partijen hebben bij de hoorzitting kunnen constateren dat slechts twee leden van de behandelende kamer aanwezig waren en hadden daar toen opmerkingen over moeten maken. Het gaat niet aan om achteraf erover te klagen dat bij de hoorzitting de kamer niet compleet was.

Na gemotiveerde betwisting heeft de GOU haar stelling dat Veen niet aanwezig is geweest bij de beraadslagingen van de Beroepscommissie na de hoorzitting, niet nader onderbouwd. Er wordt daarom van uitgegaan dat de Beroepscommissie uit de voorgeschreven drie leden heeft bestaan.
Overigens geldt dat in het RR rekening is gehouden met behandeling van een geschil door twee in plaats van drie leden. Artikel 5a van het RR bepaalt dat de behandelende kamer bij voorkeur bestaat uit een oneven aantal leden en dat de stem van de voorzitter de doorslag geeft als door de afwezigheid van een lid de stemmen staken. Behandeling van de zaak door twee in plaats van drie leden leidt daarom niet althans niet zonder meer, tot onverbindendheid van de uitspraak van de Beroepscommissie.

5.8.

Het enkele feit dat de uitspraak niet ook door de secretaris is ondertekend is onvoldoende om te concluderen dat fundamentele beginselen van procesrecht zijn geschonden bij de totstandkoming ervan.
5.9.

Bij de inhoudelijke toetsing geldt dat de uitspraak slechts dan aantastbaar is als de Beroepscommissie, alle omstandigheden van het geval in aanmerking genomen, in redelijkheid niet tot deze beslissing heeft kunnen komen.
Dat is hier niet het geval.
Gelet op de redengeving van de betreffende statutaire bepalingen, te weten de eerbiediging van ieders godsdienst, en de ten tijde van de behandeling van het geschil al gebleken gevolgen van de wijzigingen, (zoals een aanzienlijke verhoging van de kosten voor de principiële zaterdagvliegers ten opzichte van de andere leden) kan niet gezegd worden dat de Beroepscommissie in redelijkheid niet tot de beslissing had kunnen komen dat voor wijziging van de betreffende bepaling van het Huishoudelijk Reglement van de GOU een wijziging van de statuten nodig is.
Dit alles leidt ertoe dat de GOU gebonden is aan de uitspraak van de Beroepscommissie en dat de vorderingen die ertoe strekken dat de bestreden wijzigingen van het Huishoudelijk Reglement ongedaan gemaakt worden, voor toewijzing gereed liggen. Ook de vordering tot het versturen van een mededeling aan de basisleden zal worden toegewezen nu daartegen geen verweer is gevoerd. Na te noemen dwangsommen komen als een voldoende prikkel tot nakoming voor.

5.10.

De vordering de GOU te veroordelen tot onmiddellijke intrekking van het agendapunt 10A wordt afgewezen, omdat met toewijzing van die vordering afbreuk gedaan zou worden aan het in de Grondwet verankerde recht op vergadering. Het staat (het bestuur van) de GOU vrij dit onderwerp op de agenda te plaatsen. In het geval door de vergadering besloten wordt zoals door het bestuur is voorgesteld, moet er echter wel rekening mee gehouden worden dat dit nieuwe besluit door de Beroepscommissie nietig verklaard kan worden.
5.11.

Gelet op het feit dat al afspraken zijn gemaakt over het transport van de duiven wordt partijen in overweging gegeven in goed overleg een regeling tot stand te brengen die daarmee rekening houdt, zodat zo min mogelijk schade ontstaat.
5.12.

De GOU zal als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld worden in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] gevallen en begroot op
5.13.

De vordering in reconventie zal worden afgewezen en de GOU zal ook in deze procedure veroordeeld worden in de kosten van de procedure ad € 408,– aan salaris advocaat.

6De beslissing

De voorzieningenrechter
In conventie

veroordeelt de GOU tot

6.1.

onmiddellijke naleving van het ongewijzigde artikel 50 van het Huishoudelijk Reglement van de GOU, versie 12-10-2009,
6.2.

betaling van een dwangsom van € 500,– voor iedere dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat de GOU in strijd met deze veroordeling handelt, zulks tot een maximum van € 50.000,–,
6.3.

onmiddellijke naleving van het huidige art. 50 lid 1 en 2 Huishoudelijk Reglement van de GOU, versie 12-10-2009, door (herstel van) het gelijktijdig gescheiden vervoeren van duiven (van principiële zaterdagvliegers en niet-principiële zaterdagvliegers) naar de losplaats en door het bij slecht weer op zaterdag retourneren van de duiven door het terug rijden van de vrachtauto die de duiven van de principiële zaterdagvliegers vervoerde waarbij de kosten van het gescheiden vervoer niet separaat aan (niet) principiële zaterdagvliegers doorbelast worden;
6.4.

betaling van een dwangsom van € 500,– voor iedere dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat de GOU in strijd met deze veroordeling handelt, zulks tot een maximum van € 50.000,–,
6.5.

onmiddellijke naleving van het huidige art. 50 lid 1 en 2 Huishoudelijk Reglement van de GOU, versie 12-10-2009, en van de werkwijze die voor de ALV van 7 maart 2016 bestond dat de inkorfdag van de duiven uitsluitend vrijdag en niet later plaatsvindt en dat de vluchtdagen voor de eerste 5 jonge duivenvluchten niet wordt verschoven naar de zondag;
6.6.

betaling van een dwangsom van € 500,– voor iedere dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat de GOU in strijd met deze veroordeling handelt, zulks tot een maximum van € 50.000,–,
6.7.

onmiddellijke naleving van het huidige art. 50 lid 4 en 5 Huishoudelijk Reglement, versie 12-10-2009, van de GOU door herstel van het kampioenschap (inclusief de regeling van gemiddelde punten) zoals dat gehouden werden voor de ALV van 7 maart 2016,
6.8.

betaling van een dwangsom van € 500,– voor iedere dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat de GOU in strijd met deze veroordeling handelt, zulks tot een maximum van € 50.000,–,
6.9.

verzending binnen 14 dagen van de volgende schriftelijke mededeling aan alle basisleden van de GOU (in lettertype Times New Roman, lettertype 10):
“Geacht basislid,
Door middel van deze brief bericht de Gelders Overijsselse Unie dat zij zich – mede gelet op de uitspraak van het Beroepscollege NPO d. d. 10 december 2016 – vanaf heden onverkort zal houden aan het ongewijzigde art. 50 van het Huishoudelijk Reglement. Dit leidt tot:
d. het gescheiden vervoeren van duiven van (niet-)principiële zaterdagvliegers naar de losplaats en het op zaterdag retourneren van de duiven van principiële zaterdagvliegers zonder dat kosten separaat aan beide groepen worden doorbelast.
e. Inkorfdagen op vrijdag en niet op zaterdag;
f. Een kampioenschap zoals dat bestond voor de ALV van 7 maart 2016
(nI. één kampioenschap met een gemiddelde puntentelling).
Wij vertrouwen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.”

6.10.

betaling van een dwangsom van € 500,– voor iedere dag (een gedeelte van de dag daaronder begrepen) dat de GOU in strijd met deze veroordeling handelt, zulks tot een maximum van € 50.000,–,
6.11.

veroordeelt de GOU in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] gevallen en begroot op € 1208,01,
6.12.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.13.

wijst af het meer of anders gevorderde,
in reconventie

6.14.

wijst de vordering af,
6.15.

veroordeelt de GOU in de kosten van deze procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [eiser] gevallen en begroot op € 408,–.

Irritant gedrag, maar geen grond voor royement

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 januari 2017


Een lid van een lokale politieke partij is geroyeerd. De rechter toets het royement inhoudelijk, namelijk door te toetsen of de aan het lid verweten gedragingen voldoende ernstig zijn om te kunnen stellen dat het lid de vereniging onredelijk benadeeld. De rechter beoordeeld opmerkingen van het lid als “ongepast” en “smakeloos”. Dit is echter niet voldoende, omdat de vereniging niet duidelijk heeft gemaakt hoe ze door die gedragingen is benadeeld.

De feiten

2.1.

[eiser] was sinds oktober 2013 lid van LR. LR is een politieke partij die actief is in de gemeente Reimerswaal. [eiser] was actief voor LR als fractievolger en adviseur. De bestuurs- en fractievoorzitter van LR is [voorzitter] .
Zowel [eiser] als [voorzitter] was respectievelijk is daarnaast lid van de vereniging Partij voor Zeeland (hierna: PvZ). PvZ is een politieke partij die actief is in de provincie Zeeland.
LR en PvZ zijn formeel niet met elkaar verbonden.
[eiser] en [voorzitter] stonden begin 2015 beiden voor PvZ op de kieslijst voor de Waterschaps- en Statenverkiezingen van 2015. Degenen die deel gaan uitmaken van de fractie van PvZ in de Provinciale Staten, ontvangen daarvoor een vergoeding.

2.2.

Artikel 7 van de statuten van LR bepaalt, voor zover van belang:
1. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
d. door ontzetting. Deze kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

2.3.

Op 22 januari 2015 heeft het bestuur van LR besloten [eiser] te royeren als lid van LR. Dit besluit is [eiser] bij e-mailbericht van 24 januari 2015 meegedeeld.
2.4.

In dit e-mailbericht van 24 januari 2015 staat:
Het bestuur heeft kennis genomen van het e-mail verkeer tussen u en de PvZ. Wij hebben deze e-mails geanalyseerd en zijn tot de volgende conclusie gekomen.
  • Binnen Leefbaar Reimerswaal is fractievoorzitter [voorzitter] zeer gewaardeerd. Wij kunnen dan ook niet toe staan dat hij door u, richting de Partij voor Zeeland in naam word aangetast.
  • De kritiek uwerzijds richting Leefbaar Reimerswaal dient binnen de partij opgelost te worden en niet via e-mail aan derden (PvZ bestuur).
  • Onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden.
  • U criminaliseerd personen in een reactie op de aan u aangeboden geldelijke vergoeding, het stond u vrij deze vergoeding en functie te weigeren, maar u beschuldigd personen van zelfverrijking.
  • Door uw handelen heeft u Leefbaar Reimerswaal in diskrediet gebracht bij de PvZ.


3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het royementsbesluit van 24 januari 2015 nietig verklaart, althans vernietigt, []
[eiser] wenst eerherstel. Hij heeft bij aangetekende brief een beroepschrift ingediend bij LR, maar LR heeft deze brief niet in ontvangst genomen, zodat hij genoodzaakt is deze zaak aan de civiele rechter voor te leggen.
[eiser] stelt dat het royementsbesluit van LR niet voldoet aan de wettelijke en statutaire eisen. Hij heeft niet in strijd gehandeld met de statuten, reglementen of besluiten van LR en evenmin LR op onredelijke wijze benadeeld. Het royementsbesluit vermeldt ten onrechte niet om welke e-mailberichten het gaat en is op grond daarvan niet met voldoende redenen omkleed. [eiser] weet niet van e-mailberichten waaruit de in het besluit opgesomde gedragingen zijn af te leiden. De wrijving die in de aanloop naar de provinciale verkiezingen van 2015 tussen hem en [voorzitter] was ontstaan, had alleen betrekking op PvZ.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit zijn de kosten van werkzaamheden die door zijn raadsman zijn verricht voor het hoger beroep bij LR.

3.2.

LR voert verweer. Zij stelt dat na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014, waarin [eiser] geen plaats in de gemeenteraad kreeg, omdat een lager geplaatst lid met voorkeursstemmen zijn zetel innam, een kentering in het gedrag van [eiser] optrad en onderbouwt dat als volgt.
  • Na de verkiezingen trad [eiser] voor haar op in Opinie- en Themaraden. [eiser] maakte daarin met regelmaat opmerkingen over de – in zijn ogen – te strakke kleding van de fractievoorzitster van een andere partij en over de vrouwelijke leden van LR. [voorzitter] heeft hem daarop meermalen aangesproken.
  • In juli 2014 meldde steunfractielid mevr. [naam] aan [voorzitter] dat [eiser] zich ongevraagd in haar huwelijksleven mengde. LR verwijst naar een door mevr. [naam] op 19 februari 2016 opgemaakte verklaring.
  • Op 21 augustus 2014 ontving [voorzitter] een e-mail van [eiser] , naar aanleiding van een e-mail van dhr. [naam] , lid van LR, aan hem met daarin een bericht dat [naam] aan de gemeenteraad en het college had gestuurd over het begraafplaatsenbeleid van de gemeente. [naam] had gezien dat in plaats van naast, op graven bordjes waren geplaatst ‘zo ongeveer tussen de benen’. [eiser] schreef aan [voorzitter] onder meer: Sommige van de overledenen (m n vrouwen) zullen het zelfs na hun verscheiden niet erg vinden ‘zoals op de foto’s te zien is zo ongeveer ‘tussen de benen’ post-mortem als zodanig te worden opgesierd, echter we gaan uit van de gangbare fatsoensnormen terzake. Ook hierop heeft [voorzitter] hem aangesproken.
  • Op 31 augustus 2014 schreef [eiser] een zeer vreemde e-mail aan [voorzitter] . Deze e-mail heeft als onderwerp: Waarom LR beslist niet werd genoemd! [eiser] begint deze e-mail met het navolgende: LR kon niet worden genoemd, want er is sprake van een oorlogsverklaring, die SGP, CDA en CU inmiddels wel gelezen zullen hebben. Het moest uit eigen kring komen van een Bijbelgetrouwe, die niet van sympathie voor LR laat blijken. Hij vervolgt met anderhalve pagina tekst uit Matteüs 23:1-39.
  • Met ingang van oktober 2014 liet [eiser] zowel naar LR als naar PvZ wispelturig en oncollegiaal gedrag zien. Hij stelde [voorzitter] in een kwaad daglicht bij PvZ, terwijl [voorzitter] door PvZ als fractievoorzitter werd voorgesteld. In de e-mail van 18 januari 2015 aan de voorzitter en leden van PvZ is hij beledigend over [voorzitter] en LR, alsmede over andere met name genoemde personen. Hij schreef daarin onder meer, terugkomend op de fractievergoeding PvZ: De hoogte der vergoeding laat ik wel ik in jullie handen ( [naam] en [voorzitter] ) ter bepaling, gelet op de groeiende cordiale samenwerking die al langer werd verwacht en die jullie aan het verzilveren zijn zo met zijn tweeën. (…) Die vergoeding is mede afhankelijk en gerelateerd aan de vergoeding die eerder mevrouw [naam] (rechtbank: eerder door PvZ geroyeerd) ontving en staat daarmee wel in redelijke verhouding. Per slot van rekening kreeg te ’s Heerenhoek de PVZ een bijna doodklap, terwijl jullie inmiddels tweede man [naam] op allebei de lijsten gelukzoeker bleek te zijn en bijgevolg alle opties open liet (inclusief de staatsgreep met de alleszins obscure [naam] ). Het is toch warempel wel ik geweest die voor jullie de doorstart heeft voorbereid zodat jullie nummers 1 en 2 (die door [voorzitter] liefkozend “De enig hooggeboren Baby [naam] ” wordt genoemd) zo’n riante uitgangspositie thans kregen. Dat ik daarbij toch zeker voor de voorman van Leefbaar Reimerswaal zijn terugkeer in PS heb voorbereid om het gemodder op plaatselijk niveau met enige eer wat achter zich te kunnen laten. (…) Voorts heb ik mij er bijzonder mee vermaakt dat onze nieuw lijsttrekker (rechtbank: [voorzitter] ) ‘zijn pragmatisch politieke ideologie’ menigvuldig vooraf laat gaan door een autobiografisch exposé, waarbij hij als het ware aan de door hem uitgediepte levenspassages een feestelijke zelfanalyse van zijn afkomst en levensgeschiedenis toevoegt. Rest mij nog mijn welzeker gemeende erkentelijkheid uit te spreken aan het adres van de heren (rechtbank: volgen 4 namen van mensen die in deze zaak geen rol spelen). Ik vind het altijd fijn te ervaren dat er, net als ik, ook nog mensen zijn met een enkelvoudige agenda. Vermeld dient vanzelfsprekend te worden om het welbekende gegeven toe te voegen dat ik steeds door de nu optrekkende kompanen [voorzitter] en [naam] met de meest genereuze vriendelijkheid ben bejegend.(…)
  • In de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 heeft [eiser] zijn e-mail van 18 januari 2015 toegelicht en ten aanzien van verschillende personen wederom ‘op de man gespeeld’.
  • Op 13 januari 2015 belde [eiser] ’s avonds naar het woonhuis van [voorzitter] , terwijl hij wist dat [voorzitter] op dat moment naar een vergadering in het gemeentehuis was. De echtgenote van [voorzitter] , die van Indonesische afkomst is, nam op en zei dat [voorzitter] niet thuis was. Vervolgens begon hij tegen haar over getinte vrouwen, dat hij die ook wel wilde, maar dan wel met lange benen. De echtgenote van [voorzitter] heeft daarop geschrokken de telefoon neergelegd.
Deze laatste gebeurtenis was voor [voorzitter] de bekende ‘druppel’. Hij heeft daarop het bestuur van LR bijeen geroepen. De bestuursvergadering waarop tot royement van [eiser] is besloten, heeft op 22 januari 2015 plaatsgevonden.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat beide partijen ter comparitie te kennen hebben gegeven voorbij te willen gaan aan de – formeel voorliggende – procedure ten overstaan van de ledenraadvergadering van LR en de zaak voor te willen leggen aan de rechtbank. [eiser] kan dan ook in zijn vordering worden ontvangen.
4.2.

Zowel op grond van art. 7 lid 1 aanhef en sub b van de statuten als op grond van art. 2:35 lid 1 aanhef en sub d juncto 2:35 lid 3 BW kan het bestuur van LR besluiten [eiser] uit zijn lidmaatschap te ontzetten als er sprake is van handelen in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging dan wel handelen waardoor de vereniging op onredelijke wijze wordt benadeeld. Uit de laatste in r.o. 2.4 aangehaalde zinsnede van het besluit leidt de rechtbank af dat het bestuur van LR zijn besluit tot ontzetting van [eiser] heeft gebaseerd op de laatst aangehaalde ontzettingsgrond [d.w.z. onredelijk benadelen van de vereniging].
4.3.

Ter comparitie heeft [eiser] aangevoerd dat LR in haar conclusie van antwoord 12 gronden voor de ontzetting heeft gesteld, terwijl in het ontzettingsbesluit 5 gronden zijn opgenomen. De rechtbank volgt hem daarin niet. Met LR oordeelt zij dat de in de conclusie aangevoerde feiten en omstandigheden moeten worden gekwalificeerd als onderbouwing van de redenen die LR aan haar besluit, zoals dat aan [eiser] bij e-mailbericht van 24 januari 2015 is meegedeeld, ten grondslag heeft gelegd.
4.4.

De stelling van [eiser] dat gebeurtenissen van geruime tijd voordat het besluit tot ontzetting werd genomen, niet aan dat besluit ten grondslag kunnen worden gelegd, gaat in haar algemeenheid evenmin op. Niet kan worden uitgesloten dat een veelheid aan gebeurtenissen in een beperkt tijdsbestek opbouwt tot een situatie waarin een daarop komende gedraging de bekende ‘druppel’ is die ontzetting uit het lidmaatschap rechtvaardigt.
4.5.

De gedragingen die [eiser] worden verweten, zouden hebben plaatsgevonden vanaf het moment dat hij zitting nam in de Opinie- en Themaraden. Dit was, zo heeft [voorzitter] namens LR ter comparitie onweersproken verklaard, kort na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze op 19 maart dat jaar hebben plaatsgevonden. Verder baseert LR zich op voorvallen in juli 2014, augustus 2014, oktober 2014 en januari 2015. Het ontzettingsbesluit is op 22 januari 2015 door het bestuur genomen. Hieruit volgt dat de verweten gedragingen in circa 10 maanden, zouden hebben plaatsgevonden. Daarmee is sprake van een beperkt tijdsbestek, als bedoeld in r.o. 4.4.
4.6.

Dat LR in het ontzettingsbesluit verwijst naar e-mailberichten, zonder deze specifiek aan te halen, leidt er op zichzelf niet toe dat het besluit met onvoldoende redenen is omkleed. De redenen die voor LR de grondslag voor de ontzetting vormden zijn in het besluit uitgeschreven. Bij haar conclusie van antwoord heeft LR alsnog diverse e-mailberichten van [eiser] overgelegd. Daarmee staat het bestaan van de e-mailberichten van zijn hand voldoende vast.
4.7.

Aan de orde is dan of de redenen die in de e-mail van 24 januari 2015 aan [eiser] staan opgesomd, al dan niet in onderlinge samenhang, het besluit tot ontzetting kunnen dragen. Of de onder de ‘gedachtenbolletjes’ geformuleerde redenen louter uit een analyse van e-mailberichten voortkomen, is daarbij niet doorslaggevend. Het gaat niet om een taalkundige toetsing van het besluit, maar om de logische inhoud daarvan.
4.8.

Getoetst zal eerst worden of, als ervan wordt uitgegaan dat de gedragingen die [eiser] worden verweten, aangehaald in dit vonnis onder 3.2., hebben plaatsgevonden – [eiser] betwist dat ten dele – en ervan wordt uitgegaan dat die gedragingen de onderbouwing zijn van de onder de gedachtenbolletjes geformuleerde redenen, die gedragingen ontzetting uit het lidmaatschap rechtvaardigen.
4.8.1.

[eiser] heeft opmerkingen gemaakt tegen LR-lid mevr. [naam] over haar huwelijk, die mogelijk ongepast waren en in ieder geval door haar niet op prijs werden gesteld. Deze opmerkingen zijn mogelijk te scharen onder de onder het derde gedachtenbolletje geformuleerde reden: onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden. Dit geldt echter niet voor de vrouwonvriendelijke opmerkingen in de Opinie- en Themaraden tegen de fractievoorzitster van een andere partij. LR noemt verder wel dat ook tegen vrouwelijke partijleden opmerkingen over hun kleding werden gemaakt, maar concretiseert dit niet. Zij noemt geen namen en legt geen verklaringen over.
4.8.2.

De reactie van [eiser] aan [voorzitter] op de e-mailcorrespondentie met [naam] is als smakeloos te kwalificeren, maar is aan [voorzitter] op zijn e-mailadres gestuurd. Niet staat vast dat deze e-mail anderen heeft bereikt.
4.8.3.

De inhoud van de e-mail van 31 augustus 2014 is weliswaar merkwaardig, maar zonder nadere uitleg, welke ontbreekt, is onduidelijk ter onderbouwing van welke reden voor ontzetting zij is aangehaald en hoe LR daarmee is geschaad.
4.8.4.

Het telefoongesprek met de echtgenote van [voorzitter] op 13 januari 2015 is ongepast, echter gesteld noch gebleken is hoe LR daardoor is benadeeld. Evenmin is gesteld noch gebleken dat de echtgenote van [voorzitter] lid van LR is, zodat ook niet is vast te stellen dat dit gesprek valt onder ‘onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden’.
4.8.5.

LR stelt dat dit gesprek de spreekwoordelijke druppel is geweest en de aanleiding voor het bijeenroepen van de bestuursvergadering van 22 januari 2015. Tussen het telefoongesprek en de vergadering heeft [eiser] nog de e-mail d.d. 18 januari 2015 gestuurd en de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 toegesproken.

4.8.6.

De toon en inhoud van de e-mail van 18 januari 2015 aan de voorzitter en verschillende leden van PvZ, onder wie [voorzitter] , is weinig respectvol. [eiser] laat zich tegenover hen negatief uit over LR en diffamerend over [voorzitter] , [naam] , [naam] en [naam] . In de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 heeft hij deze mail nader toegelicht aan de hand van de als productie 7 bij de conclusie van antwoord overgelegde aantekeningen. Hij heeft zijn diffamerende uitlatingen niet teruggenomen, eerder herhaald. Van de door [eiser] genoemde personen heeft alleen [voorzitter] banden met LR. De overige genoemde personen zijn of waren gelieerd aan PvZ. Niet zonder meer valt in te zien, wat de schadelijke werking van deze uitlatingen is jegens LR. Ter comparitie heeft [voorzitter] toegelicht dat hij in die periode door de voorzitter van PvZ was gevraagd om lijstaanvoerder te zijn en PvZ te ondersteunen met LR, alsmede dat zijn kansen voor PvZ en daarmee de positie van PvZ aanzienlijk slechter worden als hij en/of LR negatief in het nieuws komen bij PvZ. Hij heeft verklaard dat door de negatieve opmerkingen aan PvZ over hem, [eiser] zijn positie bij PvZ onmogelijk maakte en dat als [voorzitter] bij PvZ onderuit gaat, ook zijn positie bij LR en vervolgens de positie van LR in de lokale politiek onder druk komt te staan.
4.8.7.

Uit het voorgaande is af te leiden dat in ieder geval de verhoudingen tussen [eiser] en [voorzitter] verstoord zijn geraakt en, ten gevolge van de gebeurtenissen beschreven onder 4.8.5, [eiser] zich ook bij PvZ mogelijk van een negatieve kant heeft laten zien. Niet is uit te sluiten dat de opstelling van [eiser] bij PvZ irritatie wekte. Of en in hoeverre de positie van [voorzitter] bij PvZ daardoor negatief werd beïnvloed en LR daardoor werd benadeeld is echter onvoldoende onderbouwd. Onduidelijk is gebleven wat het belang van LR is, om positief bij PvZ te boek te staan, anders dan het persoonlijke belang van [voorzitter] , een positie bij die partij te kunnen bekleden.
4.8.8.

Voorstelbaar is, gegeven de beschreven voorvallen voor zover juist, dat er sprake is geweest van een oplopende graad van irritatie bij [voorzitter] , waarin ook de overige bestuursleden van LR zijn betrokken. De stelling van LR dat het telefoongesprek van [eiser] , wat daar verder van zij, de bekende druppel was en leidde tot de bestuursvergadering waarop tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR is besloten, wijst daar ook op. Dit is echter niet genoeg. De gestelde en hiervoor besproken gedragingen leveren noch ieder afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang voldoende grond op voor ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR. De rechtbank oordeelt van doorslaggevende betekenis dat LR niet heeft gesteld wat het effect van de gedragingen van [eiser] was op (het functioneren van) LR. Aldus is onvoldoende komen vast te staan dat de belangen van LR door [eiser] zo ernstig en onredelijk zijn benadeeld dat daardoor de maatregel van ontzetting uit het lidmaatschap is gerechtvaardigd.
4.9.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of de verweten gedragingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
4.10.

De vordering tot vernietiging van het ontzettingsbesluit van [eiser] zal worden toegewezen. Voor nietigverklaring van het besluit ingevolge art. 2:14 BW is geen grond, nu gesteld noch gebleken is dat het besluit in strijd is met de wet of statuten. []

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

vernietigt het besluit van het bestuur van LR tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR, genomen op 22 januari 2015 en aan [eiser] meegedeeld bij e-mailbericht van 24 januari 2015;
[]

Penningmeester aansprakelijk

Gerechtshof Amsterdam 27 september 2016
ECLI:NL:GHAMS:2016:3926

Appel van ECLI:NL:RBNHO:2015:7539 (op dit blog hier). 
Deze zaak betreft de nasleep van het faillissement van V.V. Young Boys. De als penningmeester bij de KvK ingeschreven persoon is aanprakelijk op grond van bestuursaansprakelijkheid.

Arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 27 september 2016

inzake  [appellant] , tegen
[geïntimeerde] , in hoedanigheid van curator in het faillissement van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid VERENIGING V.V. YOUNG BOYS,

1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellant] en de curator genoemd. []

2 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.8 de feiten vastgesteld die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Samengevat en waar nodig aangevuld met andere feiten die als enerzijds gesteld en anderzijds niet of onvoldoende betwist zijn komen vast te staan, komen de feiten neer op het volgende.

Blijkens het register van de Kamer van Koophandel stond [appellant] van 23 februari 2007 tot 15 oktober 2008 en van 7 januari 2011 tot 10 oktober 2011 ingeschreven als penningmeester, respectievelijk penningmeester/secretaris van voetbalvereniging V.V. Young Boys (hierna: Young Boys). 
Op 29 september 2010 is de belastingdienst een fiscaal boekenonderzoek gestart over de voetbalseizoenen 2005/2006 tot en met 2010/2011. De belastingdienst heeft begin 2012 geconstateerd dat Young Boys in de betreffende periode een onvolledige administratie heeft gevoerd, dat inkomsten niet of nauwelijks werden bijgehouden en dat Young Boys nooit aangifte loon- of omzetbelasting heeft gedaan. Daarop heeft de belastingdienst naheffingsaanslagen opgelegd tot een bedrag van € 98.521 (inclusief boete en rente) ter zake van de omzetbelasting en € 2.129.900 (inclusief boete en rente) ter zake van de loonbelasting.
Bij vonnis van 3 april 2012 is Young Boys in staat van faillissement verklaard.


3Beoordeling

3.1

De curator heeft, kort samengevat en voor zover in hoger beroep nog van belang, in eerste aanleg gevorderd voor recht te verklaren dat [appellant] , samen met een zestal medebestuurders, onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van Young Boys en hen hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de dientengevolge geleden schade nader op te maken bij staat, alsmede tot betaling aan de boedel van een voorschot op die schadevergoeding van € 100.000,-.
[]

in principaal appel

3.2

Met grief 1 komt [appellant] op tegen de beslissing van de rechtbank in het vonnis van 16 juli 2014. Deze grief faalt omdat indien een vordering om een derde in vrijwaring te mogen oproepen in eerste aanleg is afgewezen, deze beslissing in hoger beroep niet meer aan de orde gesteld kan worden nadat, zoals hier het geval, in de hoofdzaak in eerste aanleg al einduitspraak is gedaan (Hoge Raad 20 januari 2012, ECLI:NL:HR2012:BT7496).
3.3

Met grief 2 komt [appellant] op tegen het oordeel van de rechtbank dat hij in de periode van 23 februari 2007 tot 15 oktober 2008 als bestuurder onrechtmatig heeft gehandeld jegens de gezamenlijke schuldeisers in het faillissement van Young Boys en daarom jegens de boedel aansprakelijk is voor de dientengevolge geleden schade. [appellant] voert aan dat hij door [medegedaagde] onder druk is gezet om op papier penningmeester te zijn, maar dat hij in werkelijkheid geen enkele taak heeft vervuld of hoefde te vervullen. De overige bestuursleden waren er van op de hoogte dat [appellant] niet geschikt was om enige bestuurstaak te vervullen. Omdat het slechts de bedoeling was dat [appellant] op papier bestuurder van Young Boys zou zijn kan hem niet worden toegerekend dat hij zijn taken als bestuurder niet heeft vervuld, aldus [appellant] .
3.4

Het hof stelt vast dat [appellant] ook in hoger beroep niet concreet heeft toegelicht op welke wijze hij onder druk zou zijn gezet om zich als penningmeester van Young Boys te laten inschrijven. In eerste aanleg heeft [appellant] niet meer gesteld dan dat hem is gevraagd zich te laten inschrijven als bestuurder en hij daar niet tegenin heeft kunnen gaan. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat [appellant] aldus zijn stelling dat hij onder druk heeft ingestemd met zijn benoeming als bestuurder onvoldoende heeft onderbouwd. Vast staat dat derhalve dat [appellant] heeft ingestemd met zijn benoeming tot bestuurder van Young Boys. Daarmee heeft hij zich verplicht tot een behoorlijke vervulling van de hem opgedragen taak. [appellant] heeft vervolgens geen grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat hij zijn taken in het geheel niet heeft vervuld en dat hem daarvan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt omdat voorzienbaar was dat als gevolg daarvan de schulden van Young Boys zouden oplopen en naheffingsaanslagen voor de omzetbelasting zouden worden opgelegd.
Het hof is daarbij met de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat [appellant] niet voor zijn taken als bestuurder geschikt zou zijn geweest, voor zijn rekening moet blijven, nu hij desondanks ermee heeft ingestemd om zich als bestuurder van Young Boys te laten inschrijven. De grieven in principaal appel falen.
in incidenteel appel

3.5

Met grief 1 komt de curator op tegen het oordeel van de rechtbank dat bij gebreke van een deugdelijke onderbouwing van de schade het gevorderde voorschot niet toewijsbaar is. In hoger beroep heeft de curator zijn vordering ter zake van het voorschot beperkt tot het deel van de door de belastingdienst opgelegde naheffingsaanslagen omzetbelasting dat betrekking heeft op de periodes dat [appellant] als bestuurder van Young Boys stond ingeschreven. 
Het hof stelt vast dat de curator ook in hoger beroep niet concreet heeft gesteld, laat staan toegelicht, dat, hoe, waarom en in hoeverre het ontstaan van het uiteindelijk tekort in het faillissement en de omstandigheid dat (een deel van) de gezamenlijke crediteuren in het faillissement van Young Boys thans geen verhaal voor hun vorderingen vinden, het toerekenbaar gevolg is geweest van het feit dat [appellant] zijn taken als bestuurder van de vereniging niet (behoorlijk) heeft verricht. 
Onder die omstandigheden kan op basis van hetgeen de curator daartoe heeft gesteld niet worden vastgesteld wat de omvang van een eventueel door [appellant] te betalen schadevergoeding zal zijn en is het door de curator gevorderde voorschot om die reden thans evenmin toewijsbaar.
3.6

Met grief 2 komt de curator op tegen het oordeel van de rechtbank dat niet is gebleken dat gedaagden in groepsverband hebben geopereerd zodat geen aanleiding bestaat hen hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding van de geleden schade. De curator voert daartoe aan dat de rechtbank daarmee, aldus de grief, “voorbij [is] gegaan aan het door de curator gehanteerde uitgangspunt dat het onrechtmatige handelen binnen de vereniging gedurende de hele periode van haar bestaan heeft plaatsgevonden door de gedaagden in eerste aanleg in steeds wisselende samenstelling, zodanig dat zij als één groep moeten worden beschouwd”. Het hof overweegt dat de enkele stelling dat de gedaagden in eerste aanleg als één groep moeten worden beschouwd, nog niet meebrengt dat zij op de voet van artikel 6:166 BW hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door de curator gestelde schade. Daarvoor zal in ieder geval ook moet komen vast te staan dat het optreden in groepsverband het gevaar schiep voor het ontstaan van de gestelde schade en dat [appellant] dat wist of behoorde te begrijpen. Nu de curator daaromtrent niets heeft gesteld kan ook deze grief niet slagen.
3.7

Met grief 3 komt de curator op tegen het oordeel van de rechtbank dat voor de periode van 7 januari 2011 tot 10 oktober 2011 niet kan worden aangenomen dat [appellant] wist dat hij als penningmeester/secretaris van Young Boys stond ingeschreven, zodat hem niet kan worden verweten dat hij de daarbij behorende taken in die periode niet heeft vervuld. De curator heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de inschrijving van [appellant] als bestuurder voor die periode niet buiten hem om kan zijn gegaan, omdat daarvoor zijn handtekening en een kopie van zijn legitimatiebewijs nodig zijn en elke nieuw ingeschreven bestuurder daarvan op zijn woonadres een schriftelijke bevestiging van de Kamer van Koophandel ontvangt. [appellant] heeft dit niet bestreden zodat het hof van de juistheid daarvan uitgaat en als vaststaand aanneemt dat [appellant] moet hebben geweten dat hij ook in de periode van 7 januari 2011 tot 10 oktober 2011 in het register van de Kamer van Koophandel stond ingeschreven als bestuurder van Young Boys. Dit betekent dat de grief slaagt.
3.8

Het hof stelt vervolgens vast dat de door de curator in eerste aanleg aangevoerde gronden en de daartegenover door [appellant] gevoerde verweren alle steeds betrekking hadden op zowel de eerste als de tweede periode waarin hij als bestuurder stond ingeschreven. De rechtbank heeft die gronden en verweren alle besproken en deels gehonoreerd en deels verworpen. Voor zover de rechtbank de verweren heeft gehonoreerd heeft de curator daartegen geen andere grieven gericht dan hiervoor reeds besproken. Voor zover de rechtbank de verweren heeft verworpen, zijn daartegen door [appellant] geen andere grieven gericht dan hiervoor in principaal appel reeds besproken en verworpen. De vorderingen van de curator zijn derhalve ook met betrekking tot de periode van 7 januari 2011 tot en met 10 oktober 2011 toewijsbaar.
3.9

De slotsom is dat de grieven in principaal appel falen en het vonnis waarvan beroep in zoverre zal worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in principaal appel. De grieven 1 en 2 in incidenteel appel falen en grief 3 in incidenteel appel slaagt. Het vonnis waarvan beroep zal in zoverre worden vernietigd en de desbetreffende vordering van de curator zal alsnog worden toegewezen. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in kosten van het incidenteel appel.

4Beslissing

Het hof:

rechtdoende in principaal en incidenteel appel:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarbij de vordering van de curator met betrekking tot de periode van 7 januari 2011 tot 10 oktober 2011 is afgewezen;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

verklaart van recht dat [appellant] tijdens zijn bestuursperiode van 7 januari 2011 tot 10 oktober 2011 jegens de gezamenlijke schuldeisers van devereniging V.V. Young Boys onrechtmatig heeft gehandeld door verwijtbaar tekort te schieten in de behoorlijke vervulling van zijn bestuurstaak door geen deugdelijke boekhouding te voeren en geen belastingaangiftes te doen;

veroordeelt [appellant] tot betaling aan de curator van de schade die de gezamenlijke schuldeisers hebben geleden en nog zullen lijden ten gevolge van het hiervoor genoemde onrechtmatig handelen, op te maken bij staat;

bekrachtigt de vonnissen waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in tot op heden aan de zijde van de curator principaal hoger beroep begroot op € 311,- aan verschotten en € 894,- voor salaris en in incidenteel hoger beroep op € 447,- voor salaris, alsmede op € 131,- voor nasalaris, te vermeerderen met € 68,- voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente, indien niet binnen veertien dagen na dit arrest dan wel het verschuldigd worden van de nakosten aan de kostenveroordeling is voldaan;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Beroepscommissie niet in statuten, uitspraak ongeldig (WBE)

Rechtbank Midden-Nederland 24 augustus 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4563 

Een lid wordt geroyeerd en stelt beroep in bij de ALV. De ALV besluit dan, op voorstel van het bestuur, om het huishoudelijk reglement zo te wijzigen dat er een beroepscommissie is die besluit namens de ALV over het beroep. De beroepscommissie wijst het beroep af. De rechter ordeelt dat het het besluit van de ALV tot instellen van de beroepscommissie in strijd is met de wet en dus nietig. Artikel 2:35 lid 4 BW schrijft namelijk beroep bij de ALV voor, tenzij iets anders bepaald is in de statuten en niet in een huishoudelijk reglement. De uitspraak van de beroepscommissie is daarmee als besluit non-existent, volgens de rechter.
De rechter overweegt dan echter dat: ” Hieruit volgt dat het wettelijk voorgeschreven interne beroep tegen het bestuurlijke ontzettingsbesluit nog niet heeft plaatsgevonden. [Het lid] kan zich daarom nog niet tot de rechter wenden ter toetsing van het ontzettingsbesluit zelf. In het verlengde daarvan kan evenmin worden toegewezen het gevraagde gebod dat [de vereniging] [het lid] weer volledig en zonder beperkingen toelaat als lid (…).”
Van de juistheid van die laatste overweging ben ik niet overtuigd.

Vonnis van 24 augustus 2016
in de zaak van [eiser] ,
tegen
de vereniging WILDBEHEEREENHEID [naam wildbeheereenheid],

De feiten

2.1.

[]



2.3.

Bij brief van 17 juli 2014 is aan [eiser] meegedeeld het besluit van het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] van 2 juli 2014 om hem uit het lidmaatschap van de vereniging te ontzetten, in verband met schending van het concurrentieverbod.


( 2.2.

Ingevolge artikel 17 van het huishoudelijk reglement van WBE [naam wildbeheereenheid] geldt voor de leden een als volgt geformuleerd concurrentieverbod (hierna: het concurrentieverbod):
“Het is de leden, deelnemers en begunstigers verboden op enigerlei wijze te pogen, direct dan wel indirect, het jachtrecht en/of de toestemming om op die gronden te beheren en/of schade te bestrijden te verwerven op gronden waarop andere leden ditzelfde recht hebben verworven. Dit geldt zowel gedurende de duur van het lidmaatschap, als gedurende de periode van deelnemerschap of begunstiging, alsmede gedurende één jaar, volgende op de eventuele beëindiging van het lidmaatschap, dan wel het deelnemerschap of begunstiging, één en ander op verbeurte van een door de WBE direct opeisbare en niet voor compensatie vatbare boete van euro 1.000 (eenduizend) voor iedere overtreding of dag, dat een overtreding voortduurt.
Vorenstaand verbod is niet van kracht indien de leden, deelnemers of begunstigers bedoeld recht verkrijgen door eigendomsverkrijging van de gronden waarop dit recht wordt uitgeoefend.”) 


2.4.

Bij brief van 15 augustus 2014 heeft de advocaat van [eiser] kenbaar gemaakt in beroep te gaan bij de algemene vergadering tegen het bestuursbesluit tot ontzetting. Bij brief van 14 oktober 2014 zijn de gronden van het beroepschrift gegeven en toegelicht. 


Vervolgens heeft WBE [naam wildbeheereenheid] op 17 november 2014 schriftelijk onder meer het volgende laten weten:
“(…) 
De statuten en het huishoudelijk reglement voorzien niet in een (uitputtende) regeling en boden op dit punt geen uitkomst. Op grond van het wettelijk kader is de algemene vergadering bevoegd om op het beroepschrift van uw cliënt te besluiten. Het bestuur is echter van mening dat het plenair behandelen van een beroepschrift geen werkbare optie vormt. Bovendien wenst het bestuur te verzekeren dat het beroep zorgvuldig wordt behandeld en er voldoende ruimte voor hoor en wederhoor wordt geboden. (…)
Om tot een zorgvuldige behandeling van het beroepschrift van uw cliënt te komen heeft het bestuur gekozen voor het opstellen van een (aanvullend) huishoudelijk reglement. In dit reglement is voorzien in een onafhankelijke procedure voor het behandelen van beroepschriften.(…) Anders dan u stelt, houdt dit voornemen materieel (lees: inhoudelijk) gezien geen verband met het beroepschrift van uw cliënt.
Ondanks het voorgaande heeft uw cliënt te kennen gegeven op de aankomende algemene ledenvergadering aanwezig te willen zijn. Hiervoor bieden de wet, de statuten en het huishoudelijk reglement geen grondslag. (…) Ik raad uw cliënt af om (toch) op de algemene vergadering van woensdag 19 november 2014 te verschijnen. (…).

2.5.

Bij de algemene ledenvergadering op 19 november 2014 hebben de aanwezige leden unaniem ingestemd met de door het bestuur voorgestelde aanpassing van het huishoudelijk reglement. Daarin is bepaald dat ter behandeling van ingesteld beroep tegen een bestuursbesluit van opzegging van, of ontzetting uit het lidmaatschap, een beroepscommissie wordt benoemd, bestaande uit drie leden, die het beroepschrift van het opgezegde/ontzette lid namens de algemene vergadering zal behandelen en hierop namens de algemene vergadering zal beslissen. Eveneens tijdens deze vergadering zijn de leden [A] en [B] als leden van de beroepscommissie voorgedragen. Als (onafhankelijk) voorzitter is benoemd de voorzitter van het provinciale bestuur van de Koninklijke Nederlandse Jagersvereniging, de heer [C] .
2.6.

Op 19 februari en op 29 juni 2015 heeft de beroepscommissie gesproken met het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] . Op 29 april 2015 is gesproken met [eiser] . De beroepscommissie heeft kennis genomen van haar verstrekte schriftelijke stukken, en daarnaast heeft zij zelfstandig contact opgenomen met één van de betrokken agrariërs om informatie uit de eerste hand te verkrijgen. Bij beslissing van 19 augustus 2015 heeft de beroepscommissie geoordeeld dat het ontzettingsbesluit door het bestuur op goede gronden is genomen.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert samengevat:
primair: te verklaren voor recht dat nietig zijn:
  1. het besluit van het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] om [eiser] te ontzetten uit het lidmaatschap;
  2. het vergaderbesluit van de algemene ledenvergadering d.d. 19 november 2014 waarbij is ingestemd met aanvulling van het huishoudelijk reglement met een regeling van het interne beroep;
  3. het bekrachtigingsbesluit van de beroepscommissie.
subsidiair: te vernietigen de hiervoor onder 1 tot en met 3 genoemde besluiten;
primair en subsidiair:
  • WBE [naam wildbeheereenheid] te gebieden [eiser] weer volledig en zonder beperkingen toe te laten als lid van WBE [naam wildbeheereenheid] , op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag;
  • met veroordeling van WBE [naam wildbeheereenheid] in de proceskosten en nakosten, te vermeerderen met de wetteijke rente vanaf de vijftiende dag na datum van het vonnis.
3.2.

[eiser] legt aan zijn vorderingen, zakelijk weergegeven, het volgende ten grondslag. De besluiten zijn nietig, althans vernietigbaar, omdat hem als ontzet lid de wettelijke mogelijkheid van beroep op de algemene vergadering is ontzegd. De beroepsprocedure via de – hangende de ontzetting ingestelde – beroepscommissie mist wettelijke of statutaire basis. Inhoudelijk is het ontzettingsbesluit genomen zonder deugdelijk bewijs of motivering, waarbij zowel door het bestuur als door de beroepscommissie fundamentele rechtsbeginselen zijn miskend.
3.3.

WBE [naam wildbeheereenheid] voert verweer en concludeert dat de rechtbank [eiser] in zijn vorderingen niet-ontvankelijk verklaart, althans deze vorderingen afwijst, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3.4.

WBE [naam wildbeheereenheid] baseert haar verweer op het volgende. Op grond van de statuten kan de ontzettingsprocedure nader worden geregeld in het huishoudelijk reglement, hetgeen aldus is gedaan. De wettelijke beroepsmogelijkheid is [eiser] niet ontzegd, nu het besluit van de beroepscommissie moet worden geacht te zijn genomen namens de algemene vergadering. Inhoudelijk kan het ontzettingsbesluit door de rechter slechts marginaal worden getoetst. De aangevochten besluitvorming doorstaat deze marginale toetsing.
3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

In de kern draait het geschil tussen partijen om de vraag of [eiser] rechtsgeldig als lid van WBE [naam wildbeheereenheid] is geroyeerd. Voordat aan beantwoording van die vraag kan worden toegekomen, moet eerst worden bezien of met betrekking tot het door het bestuur genomen ontzettingsbesluit op juiste wijze het wettelijk voorgeschreven interne beroep heeft plaatsgevonden of niet. Als vast komt te staan dat dit niet het geval is, dan kan [eiser] zich (nog) niet tegen de ontzetting verzetten bij de rechter en dient eerst de uitkomst van het interne beroep te worden afgewacht.
4.2.

Artikel 2:35 lid 4 BW bepaalt dat indien het besluit tot ontzetting door het bestuur is genomen, het lid hiervan beroep openstaat bij de algemene vergadering, tenzij daartoe bij statuten een ander orgaan of derde is aangewezen. Dit is een regel van dwingend recht. Hieruit volgt dat indien beroep niet openstaat bij de algemene vergadering, rechtstreeks uit de statuten moet volgen bij welk orgaan van de vereniging of bij welke derde dit beroep moet worden ingesteld. Tussen partijen is niet in geschil dat dit uit de statuten van WBE [naam wildbeheereenheid] niet volgt. [eiser] stelt dat dientengevolge het instellen van de beroepscommissie, evenals het door die commissie genomen bekrachtigingsbesluit nietig althans vernietigbaar is. WBE [naam wildbeheereenheid] betwist dat dit het geval is en doet een beroep op artikel 9, lid 10 van de statuten waarin is bepaald dat bij huishoudelijk reglement de opzeggings- en ontzettingsprocedure nader geregeld kan worden.
4.3.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit artikel 9 lid 10 van de statuten niet dat het wettelijk bepaalde interne beroep van door het bestuur genomen ontzettingsbesluiten in een huishoudelijk reglement kan worden gedelegeerd aan een ander orgaan of aan een derde. Wel is het mogelijk dat bij huishoudelijk reglement een nadere regeling wordt gegeven over het instellen van het beroep, de wijze waarop dit moet geschieden en de vormvereisten waaraan een en ander moet voldoen. Een objectieve uitleg van artikel 9 lid 10 van de statuten, die recht doet aan het dwingendrechtelijk kader en bezien binnen de gehele tekst en context van de statuten brengt mee dat dit artikel ziet op die mogelijkheid van nadere invulling. Voor de instelling en benoeming van de beroepscommissie, zoals is gebeurd bij algemene vergadering van 19 november 2014, heeft echter de door de wet (dwingend) vereiste statutaire basis ontbroken, zodat dit besluit nietig is, in de zin van artikel 2:14 lid 1 BW.
4.4.

WBE [naam wildbeheereenheid] heeft nog aangevoerd dat het besluit van de algemene vergadering op 19 november 2014 en de daarop volgende behandeling door de beroepscommissie, in wezen moet worden gezien als een beroep op de algemene vergadering in de zin van artikel 2:35 lid 4 BW, met dien verstande dat de algemene vergadering heeft besloten het beroep niet zelf te behandelen maar daartoe een beroepscommissie aan te wijzen. Het feit dat het besluit van de beroepscommissie vervolgens, blijkens artikel 2 van het huishoudelijk regelement beroepsprocedure, moet worden geacht te zijn genomen namens de algemene vergadering maakt dat van strijd met artikel 2:35 lid 4 BW geen sprake is, zo begrijpt de rechtbank het standpunt van WBE [naam wildbeheereenheid] .
4.5.

De rechtbank volgt WBE [naam wildbeheereenheid] niet in dit standpunt, ten eerste omdat het niet strookt met de door WBE [naam wildbeheereenheid] zelf geschetste feitelijke gang van zaken. In paragraaf 13 van de conclusie van antwoord is immers vermeld: “Omdat (…) het bestuur het beroepschrift zorgvuldig wenste te behandelen, heeft het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] gekozen voor het opstellen van een (aanvullend) huishoudelijk reglement, waarin de beroepsprocedure in geval van opzegging/ontzetting lidmaatschap zorgvuldig en met alle waarborgen binnen het verenigingsrecht is geregeld. (…) De ALV heeft bij vergadering van 19 november 2014 het Regelement beroepsprocedure unaniem aangenomen. Als productie 6 wordt het verslag van die vergadering overgelegd.
In genoemd verslag van de vergadering is onder meer genotuleerd: “Op grond van dit advies wordt de vergadering een voorstel tot een regeling voorgelegd, die erin voorziet dat het bestuur een commissie samenstelt van 3 mensen uit de WBE waarvan één vertegenwoordiger van Koninklijke Jagersvereniging, welke dan op basis van hoor en wederhoor een arbitraal besluit neemt over deze zaak. (…)”
Hetzelfde blijkt uit de als productie 5 bij conclusie van antwoord overgelegde brief, waarin staat: (…) Het bestuur is echter van mening dat het plenair behandelen van een beroepschrift geen werkbare optie vormt.’
Uit deze feiten volgt dat het niet de algemene vergadering is geweest die, geconfronteerd met een ingesteld beroep, volmacht heeft verleend aan een door haar in te stellen commissie om op dit beroep te besluiten. Het bestuur van WBE [naam wildbeheereenheid] heeft het wenselijk geacht over te gaan tot het instellen van een beroepscommissie, en het is vervolgens ook het bestuur dat in voorkomend geval de leden van de beroepscommissie voordraagt.
Daar komt bij dat het de organen van de vereniging niet vrij staat, zelfs niet met unanieme instemming van de algemene vergadering, een besluit te nemen dat in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen die de bevoegdheid van verschillende organen regelen (ECLI:NL:HR:1955:AG2033, Forum Bank).
Het aanwijzen van een ander orgaan of een derde die bevoegd is kennis te nemen van een tegen een bestuurlijk ontzettingsbesluit ingesteld beroep, dient te geschieden in de statuten. De algemene vergadering kan deze bevoegdheid niet bij huishoudelijk reglement delegeren, ook niet met unanieme instemming. De bepaling (in het huishoudelijk reglement) dat de beroepscommissie daarbij zal beslissen namens de algemene vergadering maakt dit niet anders nu dit feitelijk tot gevolg heeft dat het ontzette lid geen beroep openstaat bij de algemene vergadering, maar bij een daartoe te benoemen beroepscommissie.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het vergaderbesluit van de algemene ledenvergadering d.d. 19 november 2014 waarbij is ingestemd met aanvulling van het huishoudelijk reglement met een regeling van het interne beroep nietig is, zodat de primair onder 2. gevorderde verklaring voor recht toewijsbaar is.
4.7.

Nu het besluit waarbij de commissie van beroep is ingesteld nietig is, moet het daaruit voortvloeiende bekrachtigingsbesluit van die commissie als non-existent worden beschouwd. Dat wil zeggen, er is wel een besluit genomen, maar niet door een orgaan van de vereniging – nog daargelaten of de commissie van beroep een orgaan van de vereniging vormt indien zij wel rechtsgeldig zou zijn ingesteld. Dit laatste kan, gezien het voorgaande in het midden blijven. Strikt genomen is de gevorderde verklaring voor recht dat het bekrachtigingsbesluit van de beroepscommissie nietig of vernietigbaar is daarmee niet toewijsbaar, nu het niet gaat om een besluit van een orgaan van de rechtspersoon in de zin van artikel 2:14 BW en/of artikel 2:15 BW. Dit doet echter niet af aan de hierna te noemen conclusie.
4.8.

Gezien het voorgaande komt de rechtbank tot de volgende slotsom. Het besluit van de algemene vergadering d.d. 19 november 2014 waarbij is ingestemd met aanvulling van het huishoudelijk reglement met een regeling van het interne beroep is nietig. De gevraagde verklaring voor recht die daartoe strekt is daarom toewijsbaar. Het door de beroepscommissie genomen bekrachtigingsbesluit is als gevolg daarvan rechtspersonenrechtelijk non-existent. Hieruit volgt dat het wettelijk voorgeschreven interne beroep tegen het bestuurlijke ontzettingsbesluit nog niet heeft plaatsgevonden. [eiser] kan zich daarom nog niet tot de rechter wenden ter toetsing van het ontzettingsbesluit zelf. In het verlengde daarvan kan evenmin worden toegewezen het gevraagde gebod dat WBE [naam wildbeheereenheid] [eiser] weer volledig en zonder beperkingen toelaat als lid, op straffe van een dwangsom. Dat betekent dat het meer of anders gevorderde zal worden afgewezen.
4.9.

WBE [naam wildbeheereenheid] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.
[]

De beslissing

De rechtbank
5.1.

verklaart voor recht dat nietig is het vergaderbesluit van de algemene ledenvergadering d.d. 19 november 2014 waarbij is ingestemd met aanvulling van het huishoudelijk reglement met een regeling van het interne beroep,
5.2.

veroordeelt WBE [naam wildbeheereenheid] in de proceskosten, 

Niet gehandeld, wel persoonlijk aansprakelijk.

Rechtbank Midden-Nederland 24 augustus 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:4619 



De echtgenoot A van de gedaagde was penningmeester van een stichting van waaruit meer dan E 200.000 werd overgeboekt naar een vereniging waarvan gedaagde bestuurder was. Van daaruit werden de gelden in gedeelten overgeboekt naar de bankrekening van een vennootschap waarvan gedaagde bestuurder was, en diverse andere bankrekeningen. Gedaagde lijkt zich te beroepen op onbekendheid met de financiële zaken in de vereniging. Gedaagde is persoonlijk aansprakelijk jegens de stichting en wordt veroordeeld tot terugbetaling als schadevergoeding.

Of de vereniging verhaal biedt, blijkt niet uit de uitspraak. De uitspraak geeft niet aan dat gedaagde feitelijk zelf heeft gehandeld, dus het is geen Spaanse Villa aansprakelijkheid. Ook in het Tulip-arrest (HR 5 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2628) handelde de bestuurder zelf.




Vonnis in hoofdzaak van 24 augustus 2016
in de zaak van
de stichting [SWS], tegen
[gedaagde] ,

(…)

2 De feiten
2.1. [gedaagde] en de heer [A] (hierna [A] ) waren tot 2 december 2015 echtgenoten.

2.2.

SWS is een charitatieve instelling met een christelijke achtergrond. SWS houdt zich bezig met welzijnswerk voor ouderen.
2.3.

[A] is van 10 januari 2013 tot en met 9 oktober 2015 bestuurder van SWS geweest. [A] vervulde in het bestuur van SWS vanaf 1 januari 2014 tot en met zijn aftreden de functie van penningmeester.
2.4.

In de periode 30 januari 2014 tot en met 30 juli 2015 is – in totaal – een bedrag van € 210.536,- overgeboekt van de bankrekening van SWS naar die van de vereniging [vereniging ] (hierna: de Vereniging). Voornoemd bedrag is vervolgens vanaf de bankrekening van de Vereniging in gedeelten overgeboekt naar de bankrekening van [vennootschap] (hierna: de Vennootschap), naar een andere rekening van de Vereniging en naar bankrekeningen van derden. Het naar de rekening van de Vennootschap overgeboekte bedrag is vervolgens in delen doorgeboekt naar een vijftal andere rekeningen, waarvan één rekening op naam van [gedaagde] en één rekening op naam van [A] en [gedaagde] samen. Op de beide laatstbedoelde rekeningen is aldus in totaal € 12.965,- overgeboekt.

2.5.

[gedaagde] is per 5 september 2006 ingeschreven in het handelsregister van de kamer van koophandel als bestuurder van de Vennootschap. Voorts is [gedaagde] per 19 februari 2007 in voornoemd register ingeschreven als bestuurder van de Vereniging, met de titel secretaris/penningmeester.
2.6.

Nadat de voorzitter van SWS omstreeks juli 2015 constateerde dat in tranches een groot bedrag van de bankrekening van SWS was overgeboekt, heeft SWS Hoffman Bedrijfsrecherche B.V. (hierna: Hoffman) ingeschakeld om onderzoek te doen. [A] heeft tijdens een bespreking met Hoffman erkend dat hij geld nodig had en daarom gelden van SWS heeft verduisterd.
2.7.

Op 23 oktober 2015 heeft SWS conservatoir (verhaals-)beslag doen leggen ten laste van, onder meer, [A] – [gedaagde] .


4De beoordeling

4.1.

Kern van het geschil is de vraag of [gedaagde] aansprakelijk is voor de door SWS geleden schade. Deze schade bestaat uit een bedrag van (primair) € 210.536,= dan wel (subsidiair) € 12.965,-, zoals onder 2.4 omschreven.
4.2.

Tussen partijen staat vast dat [gedaagde] ten tijde van de overboekingen van de gelden vanuit de Vereniging benoemd was als bestuurder van de Vereniging, met als functie secretaris/penningmeester. [gedaagde] was ook benoemd als bestuurder van de Vennootschap toen deze een deel van de gelden ontving en doorboekte naar andere rekeningen.
[gedaagde] is bestuurder – ernstig verwijt

4.3.

Vooropgesteld moet worden dat – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – [gedaagde] als bestuurder ten opzichte van SWS als schuldeiser van de Vereniging en de Vennootschap aansprakelijk kan zijn uit hoofde van een onrechtmatige daad. Van een dergelijke aansprakelijkheid kan sprake zijn indien een bestuurder, mede gelet op de op hem rustende verplichting tot een behoorlijke taakuitoefening als bedoeld in artikel 2:9 van het Burgerlijk Wetboek, een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt. Het antwoord op de vraag of een bestuurder persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval.
4.4.

Tussen partijen staat – als door [gedaagde] onweersproken – vast dat de gelden onverschuldigd door SWS zijn overgeboekt naar de bankrekening van de Vereniging. Het vervolgens overboeken van een deel van deze gelden naar de Vennootschap en voor het overige naar derden, en het vanuit de Vennootschap overboeken van een deel van de gelden naar derden kwalificeert naar het oordeel van de rechtbank als een onrechtmatige daad. Het verweer van [gedaagde] dat haar ter zake daarvan geen ernstig verwijt treft, omdat zij helemaal niets wist en niet op de hoogte was van de overboekingen, snijdt geen houdt. Hiertoe dient dat een bestuurder op grond van artikel 2:239 lid 1 BW belast is met het besturen van de vennootschap. Dit brengt mee dat een bestuurder de vennootschap dan ook daadwerkelijk dient te besturen en zijn bestuurstaak niet onvervuld mag laten. Hierbij geldt in het geval van [gedaagde] als uitgangspunt dat zij als bestuurder van de Vereniging belast was met de functie penningmeester. Dit betreft derhalve bij uitstek de financiële aangelegenheden van de Vereniging, op welk vlak [gedaagde] een bijzondere verantwoordelijkheid heeft. 
Indien waar is dat [gedaagde] , zoals zij zelf stelt, geen enkele bemoeienis heeft gehad met het besturen van de Vereniging (en de Vennootschap) en helemaal niets wist, dan heeft zij daarmee geen deugdelijke invulling gegeven aan haar bestuurstaak. Voorts heeft [gedaagde] geen reden (of onderbouwing) gegeven waarom haar bestuurstaak niet door haar werd ingevuld, laat staan dat [gedaagde] op grond van die reden en zonder enige vorm van toezicht kon en mocht vertrouwen op de persoon die wel feitelijk invulling gaf aan haar bestuurstaak. Hiermee heeft [gedaagde] de verantwoordelijkheden behorende bij een benoeming als bestuurder miskent.
Indien [gedaagde] haar bestuurstaak bij de Vereniging zelf deugdelijk had ingevuld, dan zou zij op de hoogte zijn geweest van het onverschuldigd overboeken van de gelden van SWS naar de Vereniging. Voorts zou zijn dan ook op de hoogte zijn geweest van de overboekingen vanuit de Vereniging naar de Vennootschap. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat zowel de Vereniging als de Vennootschap slechts zeer beperkte eigen inkomsten hebben (gehad), zodat de overboeking van de gelden ten bedrage van € 210.536,= over een periode van ruim anderhalf jaar naar de Vereniging en de overboeking van € 146.730,= van de Vereniging naar de Vennootschap over eenzelfde periode haar had kunnen en moeten opvallen. Het had vervolgens op de weg van [gedaagde] als bestuurder/penningmeester gelegen om adequate maatregelen te nemen om veilig te stellen dat de door de Vereniging ontvangen gelden beschikbaar bleven voor SWS, met het oog op de plicht van de Vereniging om haar schuld uit die onverschuldigde betaling aan SWS te voldoen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft [gedaagde] door dit alles na te laten haar bestuurstaak ernstig verwaarloosd. Reeds uit hetgeen hiervoor is overwogen is er mitsdien sprake van een voldoende ernstig verwijt en is [gedaagde] aansprakelijk voor de dientengevolge door SWS geleden schade ten bedrage van € 210.536,=.