Beroep op ALV is achteraf (Schelforst)

Rechtbank Overijssel 8 februari 2016

Conflict bij volkstuinvereniging. Bestuur zegt lidmaatschap van lastige leden op. Statuten geven recht op beroep daartegen bij ALV. Bestuur weigert dit omdat het “het ten vierde male bijeen roepen van de ALV dient volgens het bestuur geen enkel doel, nu de leden zich reeds hebben uitgesproken in de [voorafgaand aan de opzegging] gehouden ALV.” De rechter maakt korte metten met dit argument. Als de statuten recht geven op beroep tegen opzegging, dat maakt het niet of en hoe de voorgenomen opzegging op ALVs is besproken en dat toen een ruime meerderheid van de leden voor was.

” Ten onrechte gaat het bestuur van de Volkstuinvereniging ervan uit dat de in artikel 5 lid 7 bedoelde ALV al op 21 september 2015, voorafgaande aan haar opzeggingsbesluit, heeft plaatsgevonden. Dat is niet slechts in strijd met de voorgeschreven statutaire gang van zaken maar zou ook de positie van [eiser 2 = het lid] c.s ten onrechte verzwakken. Ter vergadering dient het bestuur haar besluit aan de ALV voor te leggen en toe te lichten, waarna [eiser 2] c.s het recht hebben om hun visie op de zaak aan de ALV te geven. Het gaat dan om een vergadering die duidelijk is geagendeerd, waaruit zonneklaar blijkt dat het bestuur haar opzeggingsbesluit van [eiser 2] c.s als gevolg van het daartegen ingestelde beroep, aan de ALV wil voorleggen en zal handhaven als de ALV het bezwaar van [eiser 2] c.s afwijst. De oproeping van de vergadering van 21 september 2015 [] is niet op deze duidelijke wijze geagendeerd zodat niet vaststaat dat ter vergadering alle leden aanwezig waren die over de materie zouden willen oordelen. Het niet volgen van artikel 5 lid 7 van de statuten zou de besluitvorming in strijd doen zijn met het bepaalde in onder meer de artikelen 2:8 en 2:14 B.W.”


Vonnis in kort geding van 8 februari 2016
in de zaak van1 [eiser 1] – 3. [eiser 3], eisers,tegen de rechtspersoonlijkheid bezittende (sic!) vereniging
VOLKSTUINVERENIGING SCHELFORST, gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiser 2] c.s. en de Volkstuinvereniging genoemd worden.

2De feiten

2.1.

Eisers zijn lid van de Volkstuinvereniging. Deze vereniging is in 2010 opgericht, nadat het Volkstuincomplex ‘Schelfhorst’ failliet was gegaan. Eisers waren lid van de tuintechnische commissie, die onder meer tot haar taak had het adviseren van het bestuur inzake de verhuur van tuinen.

2.2.

In de statuten van de Volkstuinvereniging is onder meer het volgende opgenomen.

Einde lidmaatschapArtikel 51. Het lidmaatschap eindigt:(…)c. door opzegging namens de vereniging. Deze kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten of reglementen gesteld te voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen ook die uit hoofde van een tussen de vereniging en het lid gesloten huurovereenkomst jegens de vereniging niet nakomt, alsook wanneer redelijkerwijs van devereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.(…)2. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging geschiedt door het bestuur.(…)7. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap door de vereniging op grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, (…) staat de betrokkene binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit schriftelijk beroep open op de eerstvolgende algemene ledenvergadering. Hij wordt daartoe ten spoedigste schriftelijk van het besluit met opgave van redenen in kennis gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid in voorkomend geval geschorst.(…)Toegang en stemrechtArtikel 141. Toegang tot de algemene ledenvergadering hebben alle leden van de vereniging. Geen toegang hebben geschorste leden en geschorste bestuursleden, behoudens indien en voor zover in die vergadering hun schorsing aan de orde komt.(…)2. Ieder lid van de vereniging, voor zover niet geschorst, heeft het recht het woord te voeren, het recht van initiatief, het recht van amendement en het recht van interpellatie. Hij heeft voorts het recht tot het uitbrengen van een stem.(…)Besluitvorming van de algemene ledenvergaderingArtikel 16(…)1. Voor zover de statuten of de wet niet anders bepalen, worden alle besluiten van de algemene ledenvergadering genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.7. Alle stemmingen over personen geschieden schriftelijk (…). Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes. Besluitvorming bij acclamatie is mogelijk, tenzij een stemgerechtigde hoofdelijke stemming verlangt.Het Huishoudelijk reglement Volkstuinvereniging ‘Schelfhorst’ luidt onder meer als volgt.Artikel 1Elk lid dient het bepaalde in de statuten in acht te nemen, zich op het tuincomplex zodanig te gedragen dat niemand enige overlast ondervindt.

2.3.

Tussen [eiser 2] c.s. en het bestuur van de Vereniging is een verschil van inzicht ontstaan over het zich al dan niet discriminerend uitlaten van de bestuursvoorzitter tijdens een op 25 augustus 2014 gehouden vergadering van het bestuur en de tuintechnische commissie, in die zin dat hij gezegd zou hebben dat buitenlanders van de wachtlijst moesten. [eiser 2] heeft de bestuurssecretaris verzocht deze (beweerdelijke) uitlatingen van de voorzitter in de notulen op te nemen. Op de volgende vergadering van het bestuur en de tuintechnische commissie op 13 oktober 2014 heeft [eiser 2] gevraagd waarom de bewuste uitlating niet in de notulen is opgenomen. Het bestuur heeft vervolgens ontkend dat de voorzitter zich aldus zou hebben uitgelaten. Daarop hebben [eiser 2] c.s. hun lidmaatschap van de tuintechnische commissie per direct opgezegd en hebben zij de vergadering verlaten.
2.4.

Bij brief van 19 oktober 2014 heeft het bestuur [eiser 2] laten weten dat zij van verschillende tuinders heeft vernomen dat [eiser 2] leden heeft benaderd over het tussen [eiser 2] c.s. en het bestuur ontstane verschil van inzicht. Gebleken is dat [eiser 2] een lijst heeft laten rond gaan onder de leden om handtekeningen te verzamelen tegen ‘discriminatie’ binnen het tuincomplex. Daarbij heeft het bestuur [eiser 2] aangezegd dat dit in het algemeen belang van de vereniging door het bestuur niet kan worden geaccepteerd. Daarbij heeft het bestuur gewezen op artikel 1 van het huishoudelijk reglement.
2.5.

Op 24 oktober 2014 hebben [eiser 2] c.s. een brief aan het bestuur en de leden van de Volkstuinvereniging gestuurd, waarin zij eisen dat het bestuur excuses aanbiedt voor de (vermeende) discriminerende opmerkingen en belooft zich te distantiëren van elke vorm van discriminatie.
2.6.

Op 13 november 2014 hebben [eiser 2] c.s. een klacht tegen het bestuur ingediend bij Artikel 1 Overijssel, een antidiscriminatievoorziening die in opdracht van alle 25 gemeenten van de Provincie Overijssel de wet op de gemeentelijke anti-discriminatievoorziening uitvoert.
2.7.

In februari 2015 heeft het bestuur de leden van de Volkstuinvereniging schriftelijk geïnformeerd over de stand van zaken.
2.8.

Bij brief van 24 maart 2015 heeft het bestuur [eiser 2] c.s. meegedeeld dat zij met inachtneming van artikel 6 juncto artikel 5 lid 1 c van de statuten en artikel 1 van het huishoudelijk reglement, met onmiddellijke ingang in afwachting van nadere besluitvorming zijn geschorst als leden van de Volkstuinvereniging.
2.9.

Bij brief van eveneens 24 maart 2015 heeft het bestuur de leden uitgenodigd voor een extra ledenvergadering op 13 april 2015. Op de agenda staat onder meer de bespreking van maatregelen van het bestuur naar aanleiding van de situatie op het tuincomplex en stemmen hierover. Als toelichting is het volgende in de brief opgenomen:
Tijdens de algemene jaarvergadering van 2 maart j.l. is het bestuur gevraagd of het niet tijd werd maatregelen te nemen tegen een aantal onruststokers binnen de vereniging. Het bestuur heeft aldus gewenste maatregelen getroffen en [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] geschorst in afwachting van het oordeel van de ledenvergadering. (…) De thans door het bestuur genomen beslissing doet naar ons oordeel recht aan wat op de algemene ledenvergadering is gevraagd, namelijk het herstellen van de rust en de sfeer op het tuincomplex.
Het bestuur acht het van het grootste belang u als leden van de vereniging te raadplegen of u het bestuursbeleid in deze ondersteunt en zal zich op basis van de uitslag van deze raadpleging beraden op vervolgstappen’.

2.10.

Bij brief van 6 april 2015 verzoeken [eiser 2] c.s. het bestuur de schorsing ongedaan te maken.
2.11.

Het bestuur laat daarop bij brief van 10 april 2015 weten dat [eiser 2] c.s. voorbij zien aan artikel 6 van de statuten, waarin expliciet de bevoegdheid van het bestuur om tot schorsing van leden over te gaan is neergelegd. Tevens wordt [eiser 2] c.s. meegedeeld dat het bestuur tijdens de ledenvergadering aan de leden slechts de vraag zal voorleggen of zij het bestuur steunen in haar beleid om in gevallen als deze tot het opzeggen van het lidmaatschap over te gaan. De schorsing van [eiser 2] c.s. zal geen onderwerp van gesprek zijn. Daarom hebben [eiser 2] c.s. als geschorste leden ingevolge de statuten geen recht om de vergadering bij te wonen.
2.12.

In de notulen van de op 13 april 2015 gehouden extra ledenvergadering is verwoord dat het bestuur het voornemen heeft om op de schorsing het opzeggen van het lidmaatschap (van [eiser 2] c.s.) te laten volgen en hen daarmee duurzaam uit de vereniging te weren.
Opgemerkt is dat, om de procedure zuiver te houden, er nu niet gediscussieerd zal worden over de schorsingen.
Tevens vraagt het bestuur de leden schriftelijk te laten weten of zij het geformuleerde beleid van het bestuur, ondersteunen. Dit beleid is in de notulen als volgt verwoord:
Het bestuur op geen enkel wijze en van geen enkel lid grensoverschrijdend gedrag waarbij bestuursleden beticht worden van discriminatie en al helemaal niet wanneer dat – zoals in het onderhavige geval – ook nog eens zeer breed gedragen tot zelfs een aanklacht bij het College Rechten van de Mens toe.
Evenmin aanvaarden wij:
  • Het bewust negeren van bestuursbesluiten
  • Een gedrag waarbij tweedracht wordt gezaaid tussen leden van de vereniging
  • Aantasting van een rustig en genoegzaam tuinieren
  • Intimidatie van leden om iets te doen wat zij beslist niet wensen
  • Met gerichte acties grote onrust veroorzaken in de vereniging
  • Provocerend gedrag, zoals het brengen van de Hitlergroet in de richting van de tuin van een bestuurslid
Een dergelijk handelen van leden kunnen en willen wij niet accepteren en zullen dan ook niet ongestraft kunnen passeren. Onze verantwoordelijkheid en zorg bestaat uit het adequaat besturen van de vereniging en daarbij hoort een respectvol leden gedrag.
Gedragingen van het kaliber als hiervoor genoemd tasten in zodanige ernstige mate de verenigingsbelangen aan dat geen enkel bestuur ontkomt aan drastische maatregelen, zoals het opzeggen van het lidmaatschap.
Zijn bovengenoemde punten als ernstig genoeg, in de nu lopende zaak komt daar nog bij:
  • Het bestuur onthouden van de nodige informatie, zodat niet bekend wie zich aangemeld heeft als lid en wanneer
  • Tuinen toewijzen zonder rekening te houden met datum van aanmelden
  • Het niet op de gebruikelijke wijze aansnijden van een onderwerp. Alleen aan de orde stellen door te ‘eisen’ en wel ‘onmiddellijk’ en vervolgens weg te lopen’.
2.12.

Op 23 juni 2015 heeft het College voor de Rechten van de Mens uitspraak gedaan inzake de door [eiser 2] c.s. jegens de Volkstuinvereniging ingediende klacht. Het oordeel luidt:
– niet is gebleken dat verweerster onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door bij haar toewijzingsbeleid van volkstuinen personen met een buitenlandse naam uit te sluiten;
– verweerster wel onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door voor asielzoekers een afwijkend toewijzingsbeleid ten opzichte van overige geïnteresseerden toe te passen;
– Niet is gebleken dat verweerster in strijd heeft gehandeld met het verbod van intimidatie;
– Verweerster in strijd heeft gehandeld met het victimisatieverbod van artikel 8a AWGB.
2.13.

Op 24 juni 2015 hebben [eiser 2] c.s. een brief aan de leden van de Volkstuinvereniging geschreven, waarin zij toelichten waarom zij zijn vertrokken als leden van de tuintechnische commissie. Voorts hebben zij te kennen gegeven dat zij van mening zijn dat als gevolg van de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens, het vertrouwen in het bestuur en de twee nog zittende leden van de tuintechnische commissie opgezegd dient te worden.
2.14.

Bij brief van 21 juli 2015 heeft het bestuur van de Volkstuinvereniging de aan eisers opgelegde schorsing opgeheven.
2.15.

Op 2 september 2015 nodigt het bestuur de leden uit voor een extra ledenvergadering op 21 september 2015. Als punt 2 op de agenda staat vermeld ‘Uitleg van de voorzitter over de stand van zaken en uitspraken rond de klachten en aangiftes van enkele leden tegen het bestuur. Na deze uitleg is er de mogelijkheid voor het stellen van vragen’. Als punt 3 staat op de agenda: ‘Stemming over visie van het bestuur en voornemens bestuur zoals aangegeven in de brief van 20 juli 2015. Het bestuur vraagt de leden steun voor haar beleid en de te nemen maatregelen.
2.16.

Bij brief van 5 november 2015 beëindigt het bestuur het lidmaatschap van de Volkstuinvereniging van [eiser 2] c.s. per 1 januari 2016. Daarbij heeft het bestuur tevens aangetekend dat [eiser 2] c.s. uiterlijk op 31 december 2015 de tuinen schoon dienen op te leveren en de sleutels van het tuincomplex dienen in te leveren bij een van de bestuursleden.
2.17.

Op 1 december 2015 tekent de raadsman van [eiser 2] c.s. beroep aan tegen het besluit tot opzegging van het lidmaatschap.
2.18.

Bij brief van 8 december 2015 heeft het bestuur het verzoek van [eiser 2] c.s. ingewilligd om de gevorderde ontruiming op te schorten, en wel tot 1 februari 2016.
2.19.

Bij brief van 16 december 2015 heeft het bestuur [eiser 2] c.s. onder meer meegedeeld dat en waarom het besluit van 5 november 2015 tot opzegging van het lidmaatschap onverkort wordt gehandhaafd en dat zij geen beroep meer kunnen instellen bij de Algemene Ledenvergadering (ALV), omdat zij die gelegenheid hebben laten passeren. Het ten vierde male bijeen roepen van de ALV dient volgens het bestuur geen enkel doel, nu de leden zich reeds hebben uitgesproken in de op 21 september 2015 gehouden ALV.

3Het geschil

3.1.

Samengevat weergegeven vorderen [eiser 2] c.s.:
Primair:
I. vernietiging van het besluit tot het opzeggen van het lidmaatschap van [eiser 2] c.s. van de Volkstuinvereniging;
II. de Volkstuinvereniging op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden de door [eiser 2] c.s. gehuurde tuinen per 1 februari 2016 te ontruimen;
III. veroordeling van de Volkstuinvereniging inde kosten van deze procedure;
Subsidiair:
IV. de Volkstuinvereniging te veroordelen tot het bijeen roepen van een ALV waarin het beroepschrift van [eiser 2] c.s. inhoudelijk zal worden behandeld, waarbij [eiser 2] c.s. de mogelijkheid krijgen om – al dan niet door een door hen te benoemen gemachtigde – het beroepschrift toe te lichten;
V. te bepalen dat er tijdens de ALV een stemcommissie wordt benoemd waarbij het bestuur twee leden benoemt en [eiser 2] c.s. twee leden benoemen;
VI. te bepalen dat op de betreffende vergadering terzake de stemming over de beëindiging van het lidmaatschap van [eiser 2] c.s. slechts één stem per gehuurde volkstuin kan worden uitgebracht, ongeacht de grootte van de volkstuin;
VII. de Volkstuinvereniging op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden de door [eiser 2] c.s. gehuurde tuinen per 1 februari 2016 te ontruimen;
VIII. veroordeling van de Volkstuinvereniging in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Volkstuinvereniging voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is uit het gestelde en het gevorderde voldoende aannemelijk geworden en wordt door de Volkstuinvereniging ook niet betwist.
4.2.

Voorop dient te worden gesteld dat voor de primair sub I gevorderde vernietiging van het besluit van het bestuur van de Volkstuinvereniging geen plaats is in een procedure als de onderhavige. Het oordeel van de voorzieningenrechter draagt immers naar de aard van een kort-gedingprocedure een voorlopig karakter, terwijl vernietiging van het besluit van het bestuur een principaal en constitutief karakter heeft, welke beslissing in beginsel aan de bodemrechter is voorbehouden. Ter zitting hebben [eiser 2] c.s. te kennen gegeven dat als de voorzieningenrechter van oordeel is dat in feite met het sub I gevorderde een declaratoire uitspraak wordt gevraagd, zij deze vordering zullen intrekken. Gelet op het vorenstaande beschouwt de voorzieningenrechter het sub I gevorderde als ingetrokken.
4.3.

Het vorenstaande laat onverlet dat in dit kort geding moet worden beoordeeld of bij de besluitvorming van het bestuur de juiste procedurele weg is bewandeld. Alvorens dat te toetsen overweegt de voorzieningenrechter dat de omvang van dit kort geding daarin haar beperking kent. Door partijen is uitgebreid gedebatteerd over de vraag of het bestuur al dan niet zou hebben gediscrimineerd bij het aannemen van nieuwe leden dan wel zodanige discriminatie van plan zou zijn geweest. De reacties over en weer van [eiser 2] c.s en het bestuur zijn door partijen inzichtelijk gemaakt en deels van een kwalificatie voorzien. Uit diverse geproduceerde stukken en uit hetgeen partijen desgevraagd ter zitting hebben verklaard meent de voorzieningenrechter te kunnen afleiden dat de discussie over al dan niet discriminatie de onderliggende problematiek enigszins toedekt. Duidelijk is immers ter zitting geworden dat het bestuur kennelijk niet tevreden was over de wijze waarop [eiser 2] c.s invulling gaven aan hun functioneren als tuintechnische commissie en dat [eiser 2] c.s. op hun beurt het optreden en de houding van het bestuur bij hun taakuitoefening beneden de maat vonden. Uit de uitspraak van de Commissie voor de Rechten van de Mens van 23 juni 2015 kan in ieder geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat er van daadwerkelijke discriminatie bij de invulling van het ledenbeleid sprake is geweest.
4.4.

Niet ter toetsing in dit kort geding ligt dan ook voor de vraag of [eiser 2] c.s door hun opstelling en gedrag redenen hebben gegeven tot opzegging door het bestuur van hun lidmaatschap. In beginsel komt zodanige opzeggingsbevoegdheid aan het bestuur toe zoals blijkt uit artikel 5 lid 1 sub c juncto lid 2 van de statuten. Noch uit de statuten, noch uit het huishoudelijk reglement blijkt dat het bestuur een dergelijk besluit eerst kan nemen als de leden vooraf zijn geconsulteerd en de meerderheid van de leden daarmee heeft ingestemd. Of een meerderheid van de leden zich op de ALV van 21 september 2015 heeft uitgesproken voor de opzegging van het lidmaatschap is in zoverre derhalve niet doorslaggevend. Het is aan [eiser 2] c.s om tegen een uiteindelijke opzegging al dan niet in een bodemprocedure op te komen.
4.5.

De statuten kennen derhalve niet een procedure die het bestuur voorafgaande aan haar besluit moet volgen. Daarentegen kennen de statuten wel een procedure die moet worden gevolgd als het opgezegde lid tegen het bestuursbesluit tot opzegging beroep instelt bij de ALV. Artikel 5 lid 7 noodzaakt het bestuur in dat geval haar besluit aan de ALV voor te leggen, terwijl in casu [eiser 2] c.s het recht toekomt om tijdens die ALV zelf of via een gemachtigde hun beroep toe te lichten.
4.6.

Ten onrechte gaat het bestuur van de Volkstuinvereniging ervan uit dat de in artikel 5 lid 7 bedoelde ALV al op 21 september 2015, voorafgaande aan haar opzeggingsbesluit, heeft plaatsgevonden. Dat is niet slechts in strijd met de voorgeschreven statutaire gang van zaken maar zou ook de positie van [eiser 2] c.s ten onrechte verzwakken. Ter vergadering dient het bestuur haar besluit aan de ALV voor te leggen en toe te lichten, waarna [eiser 2] c.s het recht hebben om hun visie op de zaak aan de ALV te geven. Het gaat dan om een vergadering die duidelijk is geagendeerd, waaruit zonneklaar blijkt dat het bestuur haar opzeggingsbesluit van [eiser 2] c.s als gevolg van het daartegen ingestelde beroep, aan de ALV wil voorleggen en zal handhaven als de ALV het bezwaar van [eiser 2] c.s afwijst. De oproeping van de vergadering van 21 september 2015 ( zie productie 12 bij dagvaarding) is niet op deze duidelijke wijze geagendeerd zodat niet vaststaat dat ter vergadering alle leden aanwezig waren die over de materie zouden willen oordelen. Het niet volgen van artikel 5 lid 7 van de statuten zou de besluitvorming in strijd doen zijn met het bepaalde in onder meer de artikelen 2:8 en 2:14 B.W.
4.7.

De conclusie is derhalve dat alsnog een ALV moet worden bijeengeroepen teneinde invulling te geven aan het bepaalde in artikel 5 lid 7 van de statuten. Het subsidiair sub IV gevorderde is dan ook voor toewijzing vatbaar. Het spreekt vanzelf dat de Volkstuinvereniging, indien en zolang de beroepsprocedure bij de ALV nog niet is afgerond, niet van [eiser 2] c.s mag verlangen dat reeds tot ontruiming wordt overgegaan. Het subsidiair onder VII gevorderde is in zoverre dan ook eveneens voor toewijzing vatbaar. Voor het toewijzen van het subsidiair sub V en VI gevorderde ziet de voorzieningenrechter geen reden aanwezig. Niet is onderbouwd de stelling dat er redenen zouden moeten zijn om te twijfelen aan de oprechtheid van een stemcommissie die ter ALV zal moeten worden benoemd, terwijl de statuten in artikel 14 lid 2 al voorschrijven dat ieder lid het recht heeft tot het uitbrengen van 1 stem zodat niet duidelijk is waarom er ter vergadering anders zou worden gehandeld.
4.8.

De voorzieningenrechter zal voorts de gevorderde dwangsom in navolgende zin matigen en maximeren.
4.9.

De Volkstuinvereniging zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 2] c.s. worden begroot op:
– dagvaarding € 100,12
– griffierecht 288,00
– salaris advocaat 816,00
Totaal € 1.204,12
4.10.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de Volkstuinvereniging in haar conclusie van antwoord een aantal vorderingen heeft neergelegd. De Volkstuinvereniging kan in deze vorderingen, die de voorzieningenrechter kwalificeert als reconventionele vorderingen, niet worden ontvangen, aangezien artikel 7.1 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie bepaalt dat alleen de gedaagde die die bij advocaat ter zitting verschijnt, een eis in reconventie kan instellen.

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

veroordeelt de Volkstuinvereniging om binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis een ALV bijeen te roepen en op de agenda te plaatsten de behandeling van het door [eiser 2] c.s. d.d. 1 december 2015 tegen het besluit tot opzegging van hun lidmaatschap ingediende beroepschrift en hen tijdens de ALV de mogelijkheid te bieden – al dan niet bij monde van een gemachtigde – om hun beroepschrift toe te lichten,
5.2.

verbiedt de Volkstuinvereniging om de door [eiser 2] c.s. gehuurde volkstuinen te ontruimen tot in ieder geval twee weken nadat de ALV op het beroep van [eiser 2] c.s. heeft beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,– voor iedere dag dat de Volkstuinvereniging hiermee in strijd handelt, tot een maximum van € 25.000,– is bereikt,
5.3.

veroordeelt de Volkstuinvereniging in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 2] c.s. tot op heden begroot op € 1.204,12,
5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Verplichtingen zonder basis in statuten (Aqua Horst)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:120

Recreatieparkzaak. Verplicht lidmaatschap en ledenverplichtingen van bewoners. De vereniging heeft de bewoners gesommeerd om een camper te verwijderen en dat op basis van het reglement van de vereniging een boete verschuldigd is. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, omdat in de koopakte wel staat dat de bewoners lid worden, maar de bewoners zich niet daadwerkelijk schriftelijk bij het bestuur hebben aangemeld. Het hof ziet wel een mogelijkheid voor lid worden van een vereniging op grond van een derdenbeding in een koopakte en feitelijke gedragingen, maar kan dit uiteindelijk in het midden laten. Het tweede verweer, dat de verplichting om geen campers op het park te parkeren en de daaraan verbonden boete, geen grondslag vinden in de statuten van de Vereniging, treft namelijk doel.

arrest van de derde kamer van 13 januari 2015
in de zaak van
de vereniging Recreatiepark Aqua Horst, appellante, hierna: de Vereniging,
tegen: 1. [geïntimeerde sub 1] 2. [geïntimeerde sub 2], geïntimeerden, hierna: [geïntimeerden] […]

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 5 juni 2013 en 25 september 2013 die de rechtbank Gelderland tussen de Vereniging als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagde heeft gewezen.

4De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende.
De Vereniging is in december 1993 bij notariële akte opgericht.
Het doel van de Vereniging is, blijkens artikel 3 van de oprichtingsakte/statuten, het in de ruimste zin des woords behartigen van de belangen van de eigenaren/gerechtigden van/tot de rechten van ondererfpacht binnen het Recreatiepark Aquahorst te Ermelo (hierna: het park), in het bijzonder het beheren en onderhouden van de in het park gelegen gemeenschappelijke terreinen.
In artikel 5 van de oprichtingsakte/statuten is bepaald dat een aanvraag om lid te worden schriftelijk dient te worden gericht aan het bestuur, waarna het bestuur binnen twee maanden beslist over de toelating, welk besluit bij aangetekende brief wordt meegedeeld aan de aanvrager.
In artikel 15 van de oprichtingsakte/statuten is vermeld dat nadere regels, de Vereniging betreffende, in een huishoudelijk reglement kunnen worden neergelegd.
De Vereniging heeft in 1994 een huishoudelijk reglement opgesteld, dat nadien meerdere malen (op onderdelen) is gewijzigd. In dit huishoudelijk reglement (versie 5.0 van 12 april 2010) zijn parkregels opgenomen, waaronder de verplichting om geen kampeerauto’s, caravans en dergelijke, en om evenmin auto’s hoger dan 2.00 meter die in de categorie bestelauto of vrachtauto vallen, bij de bungalows of op het park te parkeren. In artikel 12 van het huishoudelijk reglement is vermeld dat een boete van maximaal € 5.000 is verschuldigd in geval van overtreding van een van de bepalingen van de wet, de statuten, of het reglement.
[geïntimeerden] is sinds 2006 rechthebbende op een eeuwigdurend recht van ondererfpacht van een perceel grond met een daarop gebouwde recreatiewoning op het park. In artikel 16 van de akte van levering (productie 4 bij memorie van grieven), is de verplichting opgenomen om lid te worden en te blijven van deVereniging, welk lidmaatschap niet mag worden opgezegd, anders dan op grond van het in de statuten bepaalde. Op niet-nakoming van deze verplichting is een boete gesteld van ƒ 100.000. In de akte van levering is voorts vermeld dat kopers zich bij deze aanmelden als lid van de Vereniging.
[geïntimeerden] heeft meerdere malen vergaderingen van de Vereniging bezocht en gebruik gemaakt van zijn stemrecht. Hij heeft ook facturen van de Vereniging ontvangen en betaald.
[geïntimeerden] maakt vanaf de aankoop van de (ondererfpacht van de grond met daarop de) recreatiewoning gebruik van een camper om van en naar zijn recreatiewoning te gaan. Bij brief van 13 juni 2010 (productie 10 bij memorie van grieven) heeft [geïntimeerden] het bestuur van de Vereniging op de hoogte gesteld van de vervanging van zijn oude camper door een nieuwe, langere, camper. Daarin is geschreven: “Gezien het feit, dat het bestuur al jaren de aanwezigheid van de huidige camper heeft gedoogd èn de directe buren hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen een iets langere camper, geparkeerd op ons eigen terrein, beschouwen wij dit niet als een overtreding van het huishoudelijk reglement.”
De Vereniging heeft [geïntimeerden] meerdere malen verzocht en gesommeerd om de camper van het park te verwijderen. Bij brief van 27 maart 2012 (productie 23 bij akte van 17 april 2013) heeft (de advocaat van) de Vereniging in verband met de aanwezigheid van zijn camper op het park [geïntimeerden] bericht dat bij overtreding van het reglement een boete van € 100 per dag of per overtreding zal zijn verschuldigd. Bij brief van 26 juli 2012 (productie 26 bij akte van 17 april 2013) heeft de Vereniging de boete aangezegd, met ingang van 13 juli 2012.

4.2

In de inleidende dagvaarding heeft de Vereniging – kort samengevat – gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat [geïntimeerden] het huishoudelijk reglement heeft overtreden door zijn camper op het park te plaatsen en dat [geïntimeerden] hoofdelijk een boete heeft verbeurd van € 5.000, met veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van het bedrag van € 5.000 en de wettelijke rente daarover. Daarnaast heeft de Vereniging gevorderd [geïntimeerden] te gelasten de camper van het park te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tevens heeft de Vereniging veroordeling van [geïntimeerden] in de buitengerechtelijke kosten en proceskosten gevorderd.
4.3

De rechtbank heeft in het vonnis van 25 september 2013 het gevorderde afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank redengevend geoordeeld dat [geïntimeerden] geen lid is (geworden) van de Vereniging, omdat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] bij het bestuur schriftelijk een lidmaatschap heeft aangevraagd en de Vereniging ter comparitie heeft verklaard dat haar bestuur nooit toelatingsbesluiten heeft genomen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet valt in te zien hoe uit de met een derde partij gesloten koopovereenkomst het lidmaatschap van de Vereniging kan voortvloeien. Tevens kunnen, naar het oordeel van de rechtbank, feitelijke gedragingen geen verandering brengen in de omstandigheid dat het voor het ontstaan van het lidmaatschap vereiste bestuursbesluit niet is genomen.
4.4

De Vereniging is met vijf grieven opgekomen tegen het vonnis van 25 september 2013. Zij heeft verzocht dit vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog haar vorderingen toe te wijzen.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.5

Mede gelet op het uitdrukkelijke verzoek van partijen, zal het hof eerst de vraag beantwoorden of [geïntimeerden] lid is (geworden) van de Vereniging.
Deze kwestie heeft de Vereniging geregeld in artikel 5 van haar oprichtingsakte/statuten. Daarin is uitdrukkelijk bepaald dat een aanvraag om als lid te worden toegelaten schriftelijk dient te worden gericht aan het bestuur, dat het bestuur binnen twee maanden beslist over de toelating en dat het bestuur haar beslissing bij aangetekende brief meedeelt aan de aanvrager.
Tussen partijen staat vast dat zij deze procedure niet hebben gevolgd. Formeel is derhalve niet voldaan aan de in de statuten gestelde vereisten voor het verkrijgen van het lidmaatschap van de Vereniging.

4.6

Aannemelijk is echter dat [geïntimeerden] lid is geworden op grond van het derdenbeding dat is opgenomen in de akte van levering.
In artikel 16 van de akte van levering is immers de verplichting opgenomen om lid te worden en te blijven van de Vereniging, welk artikel in de slotbepalingen onder I. als een derdenbeding door de verkoper aan [geïntimeerden] is opgelegd. Ingevolge dit derdenbeding heeft [geïntimeerden] de verplichting om lid van de Vereniging te worden op zich genomen, heeft de verkoper namens de Vereniging het kettingbeding aanvaard en heeft [geïntimeerden] zich aangemeld als lid van de Vereniging.
Uit de brief van de notaris, die de akte van levering heeft gepasseerd, van 9 november 2005 (productie 5 bij memorie van grieven), waarin de notaris de Vereniging onder meer heeft verzocht om toestemming te verlenen aan de verkoper om tot de overdracht over te gaan, in samenhang gelezen met de brief van de Vereniging aan de notaris van 20 maart 2006 (productie 6 bij memorie van grieven), waarin de Vereniging zich akkoord heeft verklaard met verkoop aan [geïntimeerden], zou dan kunnen worden afgeleid dat de Vereniging het derdenbeding heeft aanvaard.

4.7

Aanwijzingen voor het lidmaatschap van [geïntimeerden] van de Vereniging zijn voorts de feitelijke gedragingen van [geïntimeerden]. Vast staat immers dat [geïntimeerden] meerdere malen vergaderingen van de Vereniging heeft bezocht en zijn stemrecht heeft uitgeoefend, facturen van de Vereniging heeft betaald en bij brief van 13 juni 2010 het bestuur van de Vereniging heeft geïnformeerd over zijn besluit een andere camper aan te schaffen. Uit deze feitelijke gedragingen valt af te leiden dat [geïntimeerden] de wil heeft gehad om lid te zijn van de Vereniging, terwijl uit de correspondentie van de Vereniging aan [geïntimeerden] valt af te leiden dat de Vereniging deze wilsuiting van [geïntimeerden] heeft aanvaard.
4.8

De vraag of [geïntimeerden] lid is geworden van de Vereniging kan in het midden blijven, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.
4.9

[geïntimeerden] heeft als verweer tegen de vorderingen van de Vereniging onder meer aangevoerd dat de verplichting om geen campers op het park te parkeren en de daaraan verbonden boete, geen grondslag vinden in de statuten van de Vereniging.
De Vereniging heeft gesteld dat de grondslag voor deze verplichting, en de daaraan verbonden boete, voortvloeit uit de doelomschrijving van de Vereniging, zoals vermeld in artikel 3 van de oprichtingsakte/statuten. Daarnaast heeft de Vereniging erop gewezen dat in artikel 7 sub b van deze statuten is bepaald dat de leden van de Vereniging verplicht zijn tot naleving van de statuten en reglementen en dat in artikel 15 van deze statuten is voorzien in het treffen van nadere regelingen in een huishoudelijk reglement.

4.10

Bij de beoordeling van dit verweer dient het navolgende als uitgangspunt.
In artikel 2:27 lid 4 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de statuten van een vereniging moeten inhouden de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd. In artikel 2:34a BW is bepaald dat verbintenissen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap kunnen worden verbonden.
Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de vereniging bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, doch de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Indien dergelijke besluiten een statutaire basis ontberen, zijn zij nietig.
De besluiten tot aanschrijving van [geïntimeerden] tot verwijdering van de camper van het park en tot oplegging van een boete aan [geïntimeerden] behoeven derhalve een grondslag in de statuten.

4.11

In de oprichtingsakte/statuten van de Vereniging is slechts het doel van de Vereniging vermeld. Deze doelomschrijving behelst het in de ruimste zin van het woord behartigen van de belangen van de eigenaren/gerechtigden van/tot de rechten van ondererfpacht binnen het park.
Deze algemene doelomschrijving biedt echter niet de vereiste statutaire grondslag voor de verplichting om geen campers (bij de recreatiewoning) op het park te parkeren, terwijl zij evenmin de benodigde statutaire grondslag biedt om aan de leden van de Vereniging een boete op te leggen. Dat wordt niet anders door het feit dat in artikel 7 sub b en artikel 15 van de oprichtingsakte/statuten is bepaald dat nadere regels kunnen worden gesteld in een huishoudelijk reglement, en dat de leden van de Vereniging dit huishoudelijk reglement moeten naleven. De verwijzing in de statuten naar het huishoudelijk reglement laat immers onverlet dat in de statuten zelf de aard van de verplichtingen die de leden tegenover de Vereniging hebben niet is omschreven. Ook voor het overige is niet gebleken dat [geïntimeerden] door het parkeren van hun camper op het park – dat dit in strijd is met de statutaire doelstellingen van de Vereniging is een kwestie van nadere uitleg van die doelstellingen; hetgeen de Vereniging in dit verband heeft betoogd is onvoldoende onderbouwd – in strijd met de statuten van de Vereniging hebben gehandeld. Daarnaast ontbreekt in de statuten een vermelding van de mogelijkheid om aan leden boetes op te leggen. Artikel 7 van de statuten vermeldt slechts een verbintenis tot betaling van een jaarlijkse bijdrage in de exploitatiekosten, naast een algemene verplichting tot naleving van de bepalingen van de statuten, de reglementen en besluiten van de Vereniging. De besluiten tot aanschrijving van [geïntimeerden] tot verwijdering van de camper van het park en tot oplegging van een boete aan [geïntimeerden] zijn om die redenen nietig.

4.12

Het hiervoor onder 4.10 en 4.11 overwogene brengt mee dat de vorderingen van de Vereniging niet kunnen worden toegewezen. Het hoger beroep treft derhalve geen doel, wat er ook zij van de (eventuele) gegrondheid van de grieven 1 tot en met 4. De overige stellingen en verweren van partijen hoeven geen behandeling meer.
Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, zij het op andere gronden.
In verband met de bekrachtiging van dit vonnis faalt grief 5, waarin wordt betoogd dat de Vereniging ten onrechte door de rechtbank in de proceskosten is veroordeeld.
Het door de Vereniging gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat het te bewijzen aangebodene, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kan leiden.

5Slotsom

5.1

Het hoger beroep treft geen doel, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 25 september 2013;

Royement en jarenlang afwijken van statuten

Rechtbank Midden-Nederland 10 december 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:6094


Constructie waarbij een vereniging afhankelijk van het ledenaantal een ledenraad of ALV heeft. Ledenaantal zweeft rondom de grens. Vereniging heeft al jarenlang een ALV, geen ledenraad. Geroyeerd lid voert zonder succes aan dat het besluit tot ontzetting nietig zou zijn omdat het bestuur niet conform de statuten door de Ledenraad benoemd is, maar door de ALV. Vacatures in bestuur maken bestuur niet onbevoegd, gelet op statutaire regeling. Inhoudelijke toetsing van de gronden van het ontzettingsbesluit niet mogelijk omdat vervaltermijn is verstreken.

Vonnis van 10 december 2014

in de zaak van

de vereniging [eiseres] ,  tegen

[gedaagde] ,  gedaagde.

Partijen zullen hierna De Vereniging en [gedaagde] genoemd worden.

2 De feiten

2.1. De Vereniging is opgericht op 31 maart 1977 als volkstuinvereniging.
2.2. [gedaagde] is in 2001 (volgens [gedaagde]) of 2003 (volgens De Vereniging) lid geworden van De Vereniging en heeft (laatstelijk) de tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113 (hierna: de tuinen) van De Vereniging gehuurd. Tussen (het bestuur van) De Vereniging en [gedaagde] zijn vanaf 2008 verschillende geschillen gerezen.
2.3. Op 29 maart 2012 heeft [A], lid van De Vereniging, aangifte bij de politie gedaan tegen [gedaagde] terzake van een op 28 maart 2012 gepleegde mishandeling en vernieling op het volktuinencomplex van De Vereniging.
2.4. Bij brief van 8 mei 2012 (hierna: het besluit) heeft het bestuur van De Vereniging aan [gedaagde] medegedeeld dat hij naar aanleiding van ‘het incident’ op 28 maart 2014 met onmiddellijke ingang is geroyeerd als lid van De Vereniging en tot 1 augustus 2012 de gelegenheid krijgt de door hem gehuurde tuinen te ontruimen. In deze brief is [gedaagde] gewezen op de mogelijkheid van beroep tegen deze beslissing en de beroepstermijn van 30 dagen.
2.5.

De statuten van De Vereniging (hierna: de statuten), zoals vastgesteld door algemene vergadering op 26 februari 1980, bevatten de volgende bepalingen:
Artikel 5.
De vereniging bestaat uit:
a. ereleden;
b. leden van verdienste;
c. leden
d. begunstigers.
(…)
Artikel 10.
1. In de vereniging fungeren de volgende organen:
a. de ledenraad;
b. het bestuur;
(…)
Artikel 11.
1. De ledenraad is de algemene vergadering van de vereniging en bestaat uit afgevaardigden die door en uit de leden worden gekozen.
2. Zolang de vereniging niet meer dan zeshonderd leden telt, wordt voor elke zes leden één afgevaardigde gekozen; zodra de vereniging meer dan zeshonderd leden telt, wordt voor elke tien leden een afgevaardigde gekozen (…).
3. De ledenraad is ontbonden, indien het aantal leden der vereniging beneden de
honderd daalt. In zodanig geval vervallen de bevoegdheden van de ledenraad aan de algemene ledenvergadering van de vereniging.
(…)
Artikel 13.
Tot de taak en bevoegdheden van de ledenraad behoren in het bijzonder:
a. het benoemen en ontslaan van de leden van het bestuur;
(…)
e. het beslissen in beroep over een ontzetting van een lid uit een lidmaatschap als bedoeld in artikel 9 lid 4.
(…)
Artikel 17.
1. Het bestuur bestaat uit tenminste vijf leden.
2. De leden van het bestuur worden benoemd door de ledenraad.
3. (…)
4. (…)
5. Bij een vacature in het bestuur benoemt de eerstvolgende vergadering van de ledenraad een opvolger.
6. Indien in het bestuur één of meer vacatures ontstaan, blijven de overblijvende bestuursleden een bevoegd college vormen, tenzij het aantal zitting hebbende bestuursleden minder bedraagt dan het aantal vacatures. In dat geval zijn de overblijvende bestuursleden verplicht binnen een termijn van één maand na het ontstaan van de laatste vacature een algemene vergadering bijeen te roepen, waarin in de ontstane vacature(s) wordt voorzien.”

3 Het geschil

3.1. De Vereniging vordert

I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] met ingang van 28 maart 2012, althans een door de rechtbank vast te stellen datum, is ontzet uit het lidmaatschap van De Vereniging;
II. veroordeling van [gedaagde] de tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113, binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, volledig te ontruimen en ontruimd te houden en deze schoon en braak –derhalve vrij van opstal, gewas en onkruid- ter beschikking te stellen aan De Vereniging, met machtiging van De Vereniging om, indien [gedaagde] in gebreke zou blijven, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie en de daaraan verbonden kosten op [gedaagde] te verhalen;
III. dat het [gedaagde] zal worden verboden om vanaf zeven dagen na betekening van het vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, te betreden de terreinen van De Vereniging, zijnde de [B] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie H, nummer 2090) en de [C] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie G, nummer 2621), onder oplegging van een dwangsom à € 5.000,- voor iedere overtreding;
IV. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis en de nakosten;
V. alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. [gedaagde] stelt dat het besluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en acht zich dan ook niet gehouden de tuinen te ontruimen. Volgens [gedaagde] heeft De Vereniging nooit een ledenraad gehad, zodat het bestuur, dat het besluit genomen heeft, niet overeenkomstig artikel 11 van de statuten is benoemd en [gedaagde] de mogelijkheid is onthouden om bij de ledenraad beroep in te stellen tegen het besluit. Blijkens eigen opgave van De Vereniging bedroeg het aantal leden (inclusief ‘tientjesleden’) tussen 2002 en 2014 nimmer minder dan 100, namelijk tussen 112 en 140 leden, zodat het installeren van een ledenraad verplicht was. Bovendien bestond het bestuur ten tijde van het nemen van het besluit uit drie leden in plaats van de in artikel 17 van de statuten voorgeschreven vijf leden. Subsidiair betwist [gedaagde] de gronden waarop het besluit berust.
3.3. De Vereniging heeft aangevoerd dat er sinds 1990 nimmer een ledenraad heeft gefungeerd omdat er geen animo voor was en omdat het ledental daarvoor te gering was, gelet op het bepaalde in artikel 11 lid 3 van de statuten. Volgens De Vereniging heeft zij sindsdien nooit tenminste 100 leden gehad, behoudens in het jaar 2011 (103 leden) en 2013 (100 leden), waarbij De Vereniging ‘de ‘tientjesleden’ niet meetelt omdat zij niet als lid van de vereniging moeten worden beschouwd. De reguliere algemene vergadering heeft al die tijd in plaats van de ledenraad gefungeerd en kon dat ook doen omdat die vergadering een hoger democratisch gehalte heeft dan de ledenraad. Het bestuur dat het besluit heeft genomen, bestond volgens De Vereniging uit vijf leden en het besluit steunt op voldoende inhoudelijke gronden. Subsidiair stelt De Vereniging dat de vernietiging van het besluit in de zin van artikel 2:15 BW niet is ingeroepen en de vervaltermijn als bedoeld in artikel 2:15 lid 5 BW reeds is verstreken.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop, dat ingevolge artikel 2:8 lid 1 BW, een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Voorts is, ingevolge artikel 2:14 lid 1 BW, een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.
4.2. [gedaagde] stelt niet gehouden te zijn de tuinen te ontruimen, omdat het besluit nietig is op grond van het bepaalde in artikel 2:14 lid 1 BW en hij dus nog immer lid is van De Vereniging. [gedaagde] heeft primair gesteld dat het bestuur van De Vereniging dat het besluit heeft genomen niet benoemd is door de ledenraad en evenmin bestond uit vijf leden, zoals de statuten voorschrijven. Ten aanzien van de ledenraad, stelt [gedaagde] dat De Vereniging sinds haar oprichting in 1977 nimmer een ledenraad heeft gekend. De Vereniging stelt dat zij sinds 1990 geen ledenraad (meer) heeft gehad.
4.3. De rechtbank overweegt, dat tussen partijen vaststaat, dat De Vereniging in ieder geval gedurende meer dan 20 jaar geen ledenraad kent en dat, zo staat ook tussen partijen vast, in die jaren De Vereniging (in ieder geval) eenmaal per jaar een algemene vergadering heeft gehouden, waarin –onder meer- de leden van het bestuur van De Vereniging zijn benoemd. [gedaagde] heeft algemene vergaderingen van De Vereniging bijgewoond en was, naar eigen zeggen, tot 2008 actief binnen De Vereniging. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] of enig ander lid van De Vereniging ooit besluiten van de algemene vergadering heeft betwist op grond van de omstandigheid dat deze besluiten ten onrechte niet door de ledenraad waren genomen. Zelfs indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [gedaagde], dat het ledental groter was dan 100, zodat niet de algemene vergadering, maar enkel de ledenraad bevoegd was de leden van het bestuur te benoemen, op grond van artikel 11 van de statuten, dan nog moet worden vastgesteld dat [gedaagde], net als de overige leden van De Vereniging, al die jaren de bestuurlijke realiteit heeft geaccepteerd, en daaraan ook heeft meegewerkt, waarin, wederom uitgaande van de juistheid van zijn eigen stelling, niet de ledenraad, maar de algemene vergadering als hoogste orgaan van De Vereniging fungeerde en –onder meer- de leden van het bestuur benoemde.
4.4. Voorts heeft [gedaagde], die vanaf 2008 meermalen is aangeschreven door en in gesprek is geweest met het bestuur van De Vereniging omdat hij zich volgens het bestuur niet hield aan de geldende regels binnen het volkstuinencomplex, ook in die meer persoonlijke contacten met het bestuur, zich nimmer op het standpunt gesteld dat de leden van het bestuur niet bevoegd waren om als bestuur van De Vereniging op te treden omdat zij niet door de ledenraad waren benoemd.
4.5. Gelet op het vorenstaande, is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [gedaagde] zich na al die jaren thans op het standpunt stelt dat het bestuur niet als orgaan van De Vereniging besluiten kan nemen omdat de leden van dat bestuur niet door de ledenraad maar door de algemene vergadering zijn benoemd. Dit standpunt, indien juist, zou immers voor De Vereniging vergaande consequenties hebben, terwijl [gedaagde], net als de andere leden van De Vereniging, steeds heeft geaccepteerd en eraan heeft meegewerkt dat de leden van het bestuur door de algemene vergadering werden benoemd. Hierbij komt, dat de benoeming van het bestuur door de algemene vergadering, zoals opgenomen in artikel 2:37 BW, door de wetgever is aangemerkt als karakteristiek voor de vereniging en een van de waarborgen voor het democratische karakter van de vereniging (MvA II, Parl.Gesch. 2, p. 422). In dit kader is gesteld noch gebleken dat de democratische besluitvorming in De Vereniging beter tot zijn recht zou zijn gekomen in een ledenraad dan in de algemene vergadering. Dit betekent dat beroep van [gedaagde] op de nietigheid van het besluit, dat gebaseerd is op de stelling dat de leden van het bestuur niet door het juiste orgaan van De Vereniging zijn benoemd, wordt verworpen.
4.6. Evenmin is het besluit nietig vanwege de getalsmatige samenstelling van het bestuur. [gedaagde] heeft gesteld dat het bestuur dat het besluit heeft genomen uit drie, in plaats van het in de statuten voorgeschreven aantal van tenminste vijf, leden bestond. De Vereniging heeft dit standpunt gemotiveerd betwist en aangegeven uit welke vijf leden het bestuur bestond ten tijde van het nemen van het besluit. Hierop heeft [gedaagde] enkel herhaald dat zijns inziens het bestuur uit drie leden bestond. In artikel 17 lid 6 van de statuten is bepaald dat, ook in geval van vacatures, de overblijvende bestuursleden een bevoegd college (blijven) vormen, tenzij het aantal zitting hebbende bestuursleden minder bedraagt dan het aantal vacatures, welke situatie zich niet voordoet in de stelling van [gedaagde]. Dit betekent dat, zelfs indien de stelling van [gedaagde] juist zou zijn, hetgeen door De Vereniging gemotiveerd is betwist, hieruit nog immer niet voortvloeit dat het besluit daarmee nietig zou zijn. Ook deze grond kan derhalve het beroep op nietigheid van het besluit niet dragen.
4.7. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat hij niet tegen het besluit in beroep heeft kunnen gaan omdat het beroepsorgaan, de ledenraad, niet bestond. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [gedaagde] geaccepteerd dat niet de ledenraad, die immers in De Vereniging niet bestond, maar de algemene vergadering als hoogste orgaan van de vereniging fungeerde. Mede gelet op het bepaalde in artikel 11 van de statuten, waarin is bepaald dat de bevoegdheden van de ledenraad vervallen aan de algemene vergadering indien de ledenraad is ontbonden, betekent dit, dat [gedaagde] in beroep had kunnen gaan bij de algemene vergadering. Hieruit volgt dat het ontbreken van de ledenraad als orgaan van De Vereniging niet met zich brengt dat het besluit nietig is.
4.8. Subsidiair heeft [gedaagde] gesteld dat het besluit op ondeugdelijke gronden is genomen. Deze stelling, die overigens door De Vereniging is betwist, kan, zelfs indien juist, niet leiden tot de vaststelling dat het besluit nietig is en behoeft dan ook geen verdere bespreking. Deze stelling van [gedaagde] zou, indien juist, immers uitsluitend kunnen leiden tot de conclusie dat het besluit vernietigbaar is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 BW. [gedaagde] kan die vordering tot vernietiging echter niet meer doen, aangezien, zoals tussen partijen vaststaat, hij niet binnen de in artikel 2:15 lid 5 BW genoemde termijn, waarbinnen de bevoegdheid bestaat om vernietiging van het besluit te vorderen, die vordering heeft gedaan en die bevoegdheid daarmee is vervallen. Ook de subsidiaire grond leidt derhalve niet tot de conclusie dat het besluit nietig is.
4.9. Het vorenstaande betekent dat het beroep van [gedaagde] op de nietigheid van het besluit niet slaagt. De rechtbank oordeelt dan ook dat het besluit in rechte vaststaat, zodat [gedaagde] met ingang van 8 mei 2012 geen lid meer is van De Vereniging. De vordering van De Vereniging om een verklaring voor recht met die inhoud kan dan ook worden toegewezen.
4.10. Tussen partijen staat vast dat het huren van een volkstuin van De Vereniging uitsluitend is voorbehouden aan leden van De Vereniging, zodat uit het vorenstaande oordeel voortvloeit dat [gedaagde] de door hem gehuurde tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113 dient te ontruimen. [gedaagde] heeft deze vordering niet afzonderlijk betwist, zodat ook deze vordering van De Vereniging wordt toegewezen. De verzochte machtiging van De Vereniging om de ontruiming zonodig zelf te (doen) bewerkstelligen wordt afgewezen, nu artikel 556 lid 1 Rv voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Tegen de termijn van ontruiming is geen verweer gevoerd, zodat de vordering met betrekking tot de termijn wordt toegewezen.
4.11. De vordering van De Vereniging om [gedaagde] te verbieden de terreinen van De Vereniging te betreden is niet betwist en wordt, mede gelet op de tussen partijen bestaande conflictueuze relatie en de omstandigheid dat het niet-leden niet is toegestaan die terreinen te betreden, toegewezen. De gevorderde dwangsom matigt de rechtbank tot het bedrag van € 250,00 per overtreding met een maximum van € 10.000,00.
4.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. …

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht, dat [gedaagde] met ingang van 8 mei 2012 is ontzet uit het lidmaatschap van De Vereniging;
5.2. veroordeelt [gedaagde] de tuinen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis volledig te ontruimen en ontruimd te houden en deze schoon en braak, derhalve vrij van opstal, gewas en onkruid, ter beschikking te stellen aan De Vereniging;
5.3. verbiedt [gedaagde] om vanaf zeven dagen na betekening van dit vonnis te betreden de terreinen van De Vereniging, zijnde de [B] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie H, nummer 2090) en de [C] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie G, nummer 2621);
5.4. veroordeelt [gedaagde] om aan De Vereniging een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat hij het hiervoor in 5.3. uitgesproken verbod overtreedt, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van De Vereniging tot op heden begroot op € 1.833,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.6. veroordeelt [gedaagde], onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door De Vereniging volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
– € 226,00 aan salaris gemachtigde;
– te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Niet-leden met stemrecht (Tuchtklacht notaris)

Gerechtshof Amsterdam 5 augustus 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:3095

Tuchtklacht van een lid tegen een notaris i.v.m. met statutenwijziging van de vereniging. In de nieuwe statuten hebben aangeslotenen stemrecht in de ALV, wat klager in strijd met de wet acht. Het hof overweeegt dat “rechtspraak en literatuur geen eenduidig antwoord geven op de vraag of aan aangeslotenen bij een vereniging – al dan niet als “bijzondere” leden – stemrecht in de algemene vergadering kan worden gegeven zonder dat de aangeslotenen een orgaan zijn van die vereniging of deel uitmaken van zo een orgaan.” Het is echter niet aan de tuchtrechter om hierover het laatste woord te spreken.


Als je het als lid niet eens bent met een statutenwijziging, dan is de procedure van een tuchtklacht tegen de notaris op het eerste gezicht aantrekkelijk: er is geen advocaat voor nodig (zo begrijp ik uit deze zaak), er lijkt geen griffierecht te zijn, en de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW van 1 jaar geldt niet (de termijn voor tuchtklachten is drie jaar, naar ik begrijp). Het nadeel is dat zelfs als je de tuchtprocedure wint, de vereniging niet aan de uitspraak gebonden is. Al met al lijkt het me dus alleen maar frustrerend. De kosten van een rechtszaak, met griffierecht en advocaat kunnen hoog lijken. Aan de andere kant, het griffierecht voor een zaak over statutenwijzigingen van een lid tegen een vereniging is E 282 (Griffierecht natuurlijke personen, civiel, zaken van onbepaalde waarde) en E 77,- voor “onvermogenden”. De kosten voor je advocaat heb je in enige mate zelf in de hand. En als de vereniging ermee akkoord gaat, kan je ook kiezen voor de procedure voor de kantonrechter, zonder verplichte advocaat (art. 96 Rv.)

GERECHTSHOF AMSTERDAM

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 5 augustus 2014

inzake [het lid] tegen [de notaris]

1Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 2 april 2014 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Arnhem-Leeuwarden
(hierna: de kamer) van 4 maart 2014 (ECLI:NL:TNORARL:2014:7 (http://tuchtrecht.overheid.nl/ECLI__NL__TNORARL__2014__7). De kamer heeft in de bestreden beslissing de klacht van klager tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) ongegrond verklaard .

1.2.

De notaris heeft een verweerschrift bij het hof ingediend.
1.3.

Van de zijde van klager zijn op 27 mei 2014 aanvullende stukken ingekomen.
1.4.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 10 juli 2014. Klager, vergezeld van zijn echtgenote, en de notaris zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; klager aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.

2De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat.
3.2.

Kort gezegd gaat het in deze zaak om het volgende.
De notaris heeft in opdracht van het bestuur van [vereniging serviceflat] te [plaats] (hierna: de vereniging) op 13 juli 2010 een akte van statutenwijziging gepasseerd. Hierbij zijn de statuten integraal gewijzigd. In de statuten is opgenomen dat de vereniging leden en aangeslotenen kent, die allen stemrecht hebben in de algemene vergadering van de leden en aangeslotenen van de vereniging. Volgens de statuten is een lid een persoon die als zodanig is ingeschreven in het ledenregister en als bewoner van een wooneenheid is aangemerkt en is een aangeslotene een persoon die als zodanig is ingeschreven in het ledenregister en als samenwonend met een lid is aangemerkt. Klager is op 15 december 2010 lid geworden van de vereniging.

4Het standpunt van klager

Klager verwijt de notaris dat hij de statuten in strijd met de wet heeft opgemaakt omdat daarin is opgenomen dat aangeslotenen stemrecht hebben in de algemene vergadering van de vereniging. Aangeslotenen zijn geen lid en maken in het onderhavige geval geen deel uit van een orgaan van de vereniging. Voorts werd de verzorgingsflat, die de vereniging exploiteert, vroeger geëxploiteerd door een coöperatieve vereniging. Die is bij de statutenwijziging omgezet in een gewone vereniging. Ook dat is in strijd met de wet. Klager verwijt de notaris voorts dat hij, ondanks herhaald verzoek hiertoe, geen ter zake doende stukken, zoals verslagen en notulen, van de notaris heeft gekregen.

5Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6De beoordeling

6.1.

In hoger beroep heeft klager een nieuwe klacht geformuleerd met betrekking tot het gewijzigde onderdeel van artikel 6 van de statuten dat ziet op de toegang tot een wooneenheid. Op grond van het bepaalde in artikel 107 lid 4 van de Wet op het notarisambt (Wna) dient het hof een aan hem voorgelegde zaak opnieuw in volle omvang te behandelen. In die procedure is voor de behandeling van in appel nieuw geformuleerde klachten geen plaats. Klager zal daarom in zijn nieuwe klacht niet-ontvankelijk worden verklaard. Het hof zal zich dus beperken tot het beoordelen van de klachten zoals die in eerste aanleg zijn geformuleerd.
6.2.

Uit de door klager in hoger beroep ingediende aanvullende stukken blijkt dat klager geen nadere behandeling van het klachtonderdeel wenst dat ziet op de omzetting van de coöperatieve vereniging in een gewone vereniging. Dit onderdeel van de klacht wordt als ingetrokken beschouwd. Het hof is van oordeel dat het algemeen belang geen voortzetting van de behandeling op dit punt vordert, zodat op dit klachtonderdeel niet meer hoeft te worden beslist.
6.3.

Met betrekking tot klachtonderdeel dat betrekking heeft op de door de notaris opgestelde statuten, heeft de notaris aangevoerd dat een vereniging volgens de wet zowel leden als aangeslotenen kan hebben indien, zoals in het onderhavige geval, in de statuten is opgenomen dat zowel de leden als de aangeslotenen lid zijn van de vereniging.
6.4.

Het hof overweegt dat rechtspraak en literatuur geen eenduidig antwoord geven op de vraag of aan aangeslotenen bij een vereniging – al dan niet als “bijzondere” leden – stemrecht in de algemene vergadering kan worden gegeven zonder dat de aangeslotenen een orgaan zijn van die vereniging of deel uitmaken van zo een orgaan. Het is niet aan de tuchtrechter om hierover het laatste woord te spreken. Het hof stelt vast dat de in de statuten neergelegde constructie naar de ten tijde van de statutenwijziging heersende opvattingen niet zonder meer in strijd is te achten met de wet, zodat de keuze van de notaris om de statutenwijziging bij akte te passeren verdedigbaar is. Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door de notaris is in dit opzicht dan ook niet gebleken.
6.5.

Ten aanzien van het klachtonderdeel dat ziet op het niet-afgeven van stukken heeft klager ter zitting in hoger beroep op vragen van het hof verklaard dat zijn klacht ziet op stukken waarover de notaris de beschikking heeft gehad bij de voorbereiding van de statutenwijziging. Niet gebleken is dat dit stukken betreft als bedoeld in artikel 49 Wna. De notaris was daarom niet gehouden een afschrift van de desbetreffende stukken aan klager te doen toekomen. Het kan de notaris daarom niet worden verweten dat hij, ondanks herhaald verzoek hiertoe, de desbetreffende stukken niet aan klager heeft verstrekt.
6.6.

Het voorgaande betekent dat de kamer de klacht terecht ongegrond heeft verklaard.
6.7.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.
6.8.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7De beslissing

Het hof:

– verklaart klager niet-ontvankelijk in zijn in hoger beroep nieuw geformuleerde klacht met betrekking tot artikel 6 van de statuten van de vereniging;
– verstaat dat het klachtonderdeel dat betrekking heeft op de omzetting van de coöperatieve vereniging in een gewone vereniging is ingetrokken;
– bevestigt de bestreden beslissing.

Klassieker: Oud Volendam (Hof)

Gerechtshof Amsterdam 2 februari 2006
ECLI:NL:GHAMS:2006:AV1944

Voor een overzicht van de zaak, zie het arrest van de Hoge Raad.

BESCHIKKING

in de zaak van:
1. […], 7. […], APPELLANTEN,
t e g e n
1. de vereniging VERENIGING OUD VOLENDAM,
2. de stichting STICHTING VOLENDAMS MUSEUM,

3. […],
4. [X],
5. […],- 9. […],
GEÏNTIMEERDEN,

In navolging van de kantonrechter worden appellanten hierna aangeduid als [appellanten] en geïntimeerden als [geïntimeerden].

1. Het geding in hoger beroep

[Appellanten] zijn bij beroepschrift (met producties), dat op 12 mei 2005 is binnengekomen ter griffie van het hof, in hoger beroep gekomen van een beschikking die de kantonrechter te Alkmaar op 15 februari 2005 onder de (rep)nummers 169.432/-04-3382 en 169.919/04-3528 heeft gegeven en die op 18 maart 2005 door de kantonrechter is verbeterd. [Appellanten] formuleren zeven grieven tegen die beschikking, bieden bewijs aan en verzoeken -zakelijk- dat het hof genoemde beschikking zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de door [geïntimeerden] ingediende verzoeken alsnog zal afwijzen en de door [appellanten] ingediende verzoeken alsnog zal toewijzen, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten van het geding in beide instanties.

Op 25 augustus 2005 is ter griffie van het hof een verweerschrift (met producties) binnengekomen. [Geïntimeerden] bestrijden de grieven, bieden bewijs aan en verzoeken -zakelijk- dat het hof bij beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, het beroep van [appellanten] zal afwijzen, met veroordeling van [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep.

Bij brieven van 8 en 16 september 2005 heeft mr. P.F. Keuchenius, advocaat te Volendam, namens [appellanten] nog nadere producties in het geding gebracht. Op 20 september 2005 heeft een mondelinge behandeling van het beroep plaatsgehad. Daarbij was namens de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Noordwest-Holland aanwezig mr. B.J.P. Heij. De behandeling is geschorst en voortgezet op 20 december 2005. Bij gelegenheid van de beide behandelingen heeft mr. Keuchenius het beroep toegelicht, beide keren aan de hand van aantekeningen die zijn overgelegd. Op 8 december 2005 is ter griffie een brief (met producties) binnengekomen van mr. Keuchenius. Mr. Purcell heeft het verweer toegelicht op de zitting van 20 december 2005, eveneens aan de hand van aantekeningen die zijn overgelegd.

Vervolgens is de behandeling van de zaak gesloten en de uitspraak bepaald op heden. De inhoud van alle bovengenoemde stukken geldt als hier ingevoegd.

2. Beoordeling

2.1 Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.2 Op 27 januari 1967 is de Vereniging Oud Volendam (de vereniging) opgericht. In de algemene ledenvergadering van 20 maart 1967 zijn de statuten van de vereniging vastgesteld. Die statuten bepalen onder meer dat de vereniging bestaat uit gewone leden, ereleden en donateurs. De leden en de ereleden hebben stemrecht. De leden verbinden zich tot het betalen van een bedrag dat in het huishoudelijk reglement is bepaald. Om tot de vereniging te kunnen toetreden, dient men zich aan te melden bij het bestuur, dat over de toelating beslist. Het bestuur bestaat uit tenminste zeven leden, die door de leden worden gekozen. De leden van het bestuur worden gekozen voor de duur en op de wijze bij het huishoudelijk reglement te bepalen. Jaarlijks wordt een ledenvergadering gehouden. Voorts wordt een ledenvergadering gehouden wanneer het bestuur dit wenselijk acht of wanneer tenminste tien leden daartoe een gemotiveerd, schriftelijk verzoek aan het bestuur doen. In dat geval is het bestuur verplicht binnen drie weken een ledenvergadering bijeen te roepen. Als het bestuur daarmee in gebreke blijft, kunnen de bedoelde leden zelf overgaan tot het bijeenroepen van een ledenvergadering.

2.3 De vereniging had in 1967 ongeveer 150 leden. Aan de leden werd jaarlijks, na het betalen van de contributie, een bewijs van lidmaatschap verstrekt. Ook ontvingen de leden in de beginperiode jaarlijks een door de vereniging uitgegeven premiefoto. Tussen 1971 en 1975 heeft de vereniging geen activiteiten ontplooid. In de periode na 1975 heeft een werkgroep onder leiding van geïntimeerde sub 4, [X], zich ingezet voor de totstandkoming van een Volendams museum. [X] heeft contact opgenomen met de toenmalige bestuursleden van de vereniging. Deze hebben hun bestuursfunctie neergelegd. [X] heeft daarop een bestuur van de vereniging (hierna: het zittende bestuur) samengesteld. Hij maakte en maakt daarvan zelf deel uit. Het zittende bestuur heeft (in ieder geval) tot 7 april 2004 nimmer een algemene ledenvergadering bijeen geroepen. Op 11 maart 1977 is de Stichting Volendams Museum (de stichting) opgericht. Het zittende bestuur is tevens het bestuur van de stichting. De vereniging draagt financieel in belangrijke mate bij aan de stichting.
2.4 Sedert 1967 geeft de vereniging, met uitzondering van de jaren 1972, 1973 en 1976, jaarlijks een premiefoto uit. Belangstellenden kunnen deze foto tegen betaling verwerven. Afname van de premiefoto in een bepaald jaar betekent geen verplichting het volgend jaar weer een foto af te nemen.

2.5 Bij brief van 1 februari 2004 is onder meer door enkelen van de thans appellanten aan het zittende bestuur verzocht een algemene ledenvergadering te houden. Aan dat verzoek heeft het zittende bestuur geen gehoor gegeven.

2.6 Op 23 februari 2004 hebben [geïntimeerden] de vereniging doen inschrijven in het Handelsregister. Op 7 april 2004 heeft een vergadering plaats gehad waarbij uitsluitend de leden van het zittende bestuur van de vereniging aanwezig waren. Bij die gelegenheid is besloten tot wijziging van de statuten van de vereniging en neerlegging daarvan in een notariële akte, []. Per 28 april 2004 hebben [geïntimeerden] de aldus gewijzigde statuten doen inschrijven in het Handelsregister.

2.7 Op 2 juni 2004 heeft op initiatief van [appellanten] een bijeenkomst plaats gehad van ruim honderd personen, voornamelijk afnemers van de premiefoto. Daartoe was een oproep geplaatst in een plaatselijke krant. Van de bijeenkomst zijn notulen opgesteld. Deze notulen maken melding van het ontslag van het zittende bestuur en van de benoeming van een nieuw bestuur. Beide besluiten zijn, aldus de notulen, tot stand gekomen doordat de aanwezige leden door handopsteking massaal voorstemden. [Appellanten] hebben het ontslag van het zittende bestuur en de benoeming van het nieuwe bestuur op 28 juni 2004 per 2 juni 2004 doen inschrijven in het Handelsregister.

2.8 [Geïntimeerden] hebben de kantonrechter verzocht de Kamer van Koophandel te gelasten deze inschrijvingen ongedaan te maken. [Appellanten] hebben daarop de kantonrechter verzocht de doorhaling te gelasten van de inschrijving, per 28 april 2004, van de op 7 april 2004 vastgestelde statuten.

2.9 Bij de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter het verzoek van [geïntimeerden] toegewezen en in hun verzoek niet-ontvankelijk verklaard.

2.10 Bij de beoordeling van het beroep komt eerst de vraag aan de orde of de afnemers van de premiefoto zijn aan te merken als leden van de vereniging. Het gaat hier om afnemers die niet op de bij de statuten van 20 maart 1967 voorziene wijze lid van de vereniging zijn geworden.

2.11 Daaromtrent geldt het volgende.

2.12 De statuten van 20 maart 1967 bepalen dat het als lid toetreden tot de vereniging alleen kan geschieden met toestemming van het bestuur. De aldus toegelaten leden hebben zich verbonden tot het jaarlijks betalen van een bedrag. Deze betalingsverplichting eindigt, behalve door overlijden of royement, door opzegging van het lidmaatschap. Deze opzegging dient te geschieden tenminste een maand voor het einde van het verenigingsjaar (dat loopt van 1 januari tot en met 31 december) en gericht te zijn aan het bestuur.

2.13 [Appellanten] betogen dat (ook) de afnemers van de premiefoto zijn aan te merken als leden van de vereniging. Zij wijzen erop dat sedert 1971 geen andere leden (dan de afnemers) tot de vereniging zijn toegetreden, dat de afnemers in het jaarboekje van de vereniging, alsmede in andere publicaties afkomstig van de vereniging, worden aangeduid als “leden” en dat de opbrengst van de premiefoto in de exploitatierekening van de vereniging door het zittende bestuur wordt aangemerkt als “leden contributies”.

2.14 In dit betoog kan het hof [appellanten] niet volgen. Vaststaat dat de vereniging in 1971 beschikte over ongeveer 150 leden, die op de statutair voorgeschreven wijze tot de vereniging waren toegetreden, aan wie een lidmaatschapskaart was verstrekt en die verplicht waren de bij huishoudelijk reglement vastgestelde contributie jaarlijks te voldoen. Het enkele feit dat de vereniging in de jaren 1971 tot 1975 geen activiteiten heeft ontplooid en dat het zittende bestuur sedert zijn aantreden in 1975 nooit heeft beslist over de toelating van een aspirant lid (waarbij in het midden kan blijven of in de periode sedert 1975 ooit een verzoek tot toelating is gedaan), betekent niet dat de statutaire voorschriften voor het verwerven van het lidmaatschap van de vereniging hun geldigheid hadden verloren. Dat het zittende bestuur de opbrengst van de premiefoto in voorkomende gevallen aanduidt als contributies, betekent niet dat degenen die de premiefoto’s kopen en betalen, daarmee als lid toetreden tot de vereniging. Bij dit oordeel komt met name betekenis toe aan het onweersproken feit dat het degeen aan wie jaarlijks de premiefoto wordt aangeboden vrijstaat van afname af te zien. Daarmee ontbreekt aan het betalen voor de foto het karakter van de op de leden van de vereniging rustende verplichting tot het jaarlijks betalen van contributie.

2.15 Het komt er derhalve op neer dat de afnemers van de premiefoto niet zijn aan te merken als leden van de vereniging, aangezien zij niet als zodanig door het zittende bestuur zijn toegelaten en zij niet verplicht zijn tot het betalen van een jaarlijkse bijdrage aan de vereniging.

2.16 Het hof merkt in dit verband nog op dat, indien mocht blijken dat de statuten van 20 maart 1967 hun geldigheid hebben behouden, niets er aan in de weg staat dat individuele afnemers van de premiefoto zich op de voet van artikel 3 van die statuten wenden tot het bestuur met het verzoek als lid te worden toegelaten. Het bestuur is gehouden omtrent een dergelijk verzoek tot toelating te beslissen. Voorshands valt niet in te zien dat het zittende bestuur dergelijke verzoeken, afkomstig van degenen die door afname van de premiefoto de vereniging financieel steunen, in redelijkheid zal kunnen afwijzen. Omtrent de hoogte van de contributie waartoe de aldus toegetreden leden dan jaarlijks verplicht zijn, zal het huishoudelijk reglement uitsluitsel moeten bieden.

2.17 Ten aanzien van de grieven overweegt het hof voorts nog als volgt.

2.18 De grieven I, II en VII hebben betrekking op het besluit van het zittend bestuur van 7 april 2004 (ingeschreven in het handelsregister per 28 april 2004), dat strekt tot wijziging van de statuten. [Appellanten] betogen allereerst dat zij in hun verzoek tot doorhaling van die inschrijving wel degelijk kunnen worden ontvangen.

2.19 Dit betoog treft doel. Onweersproken is immers dat [appellanten] vaste afnemers zijn van de premiefoto. Voorts staat vast dat de jaarlijkse opbrengst van de verkoop van de premiefoto een belangrijke, zo niet de belangrijkste, bron van inkomsten van de vereniging is. Hoewel [appellanten] daarmee geen lid van de vereniging zijn geworden, zijn zij naar het oordeel van het hof wel aan te merken als belanghebbenden in de zin van artikel 23 van de Handelsregisterwet 1996. Dit betekent dat zij in het onderhavige verzoek kunnen worden ontvangen.

2.20 Vervolgens betogen [appellanten] dat hun verzoek alsnog dient te worden toegewezen, omdat de desbetreffende statutenwijziging niet geldig is. [Appellanten] voeren aan dat het besluit van het zittende bestuur van 7 april 2004, waarbij de statutenwijziging is vastgesteld, vernietigbaar is nu een dergelijk besluit ingevolge het bepaalde in artikel 11 van de statuten van 20 maart 1967, alsmede van artikel 2:42 van het Burgerlijk Wetboek dient te worden genomen door de daartoe bijeengeroepen algemene ledenvergadering.

2.21 Het hof overweegt als volgt.

2.22 Het enkele feit dat sedert 1971 geen algemene ledenvergadering meer is gehouden en dat het voor het bestuur in april 2004 niet duidelijk was of er nog leden van de vereniging waren en zo ja, om welke personen het daarbij ging, ontsloeg het bestuur niet van zijn statutaire en wettelijke plicht bij een voorstel tot wijziging van de statuten een algemene ledenvergadering uit te schrijven. Bij het hof bestaat twijfel of het bestuur aan zijn verplichting te dezen wel heeft voldaan. Tijdens de zitting van 20 december 2005 is immers gebleken dat er waarschijnlijk nog leden bestaan die in het bezit zijn van een lidmaatschapskaart, die geen deel uitmaken van het zittende bestuur en die niet voor de vergadering van 7 april 2004 zijn uitgenodigd. Dat de desbetreffende vergadering in de notulen (productie 14 bij het beroepschrift) wordt aangeduid als een algemene ledenvergadering, neemt de twijfel van het hof niet weg. Het staat immers vast dat voor die vergadering uitsluitend de leden van het zittende bestuur zijn uitgenodigd. Naar het voorlopig oordeel van het hof is er alle aanleiding voor de veronderstelling dat het onderhavige besluit tot goedkeuring van het voorstel tot wijziging van de statuten van de vereniging vernietigbaar is.

2.23 [Appellanten] stellen in hun beroepschrift (sub 6) dat zij dan ook bij dagvaarding van 2 mei 2005 bij de rechtbank te Haarlem een vordering tegen de vereniging hebben ingesteld tot vernietiging van het bedoelde besluit. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling van het onderhavige beroep ter zitting van het hof, hebben [appellanten] medegedeeld dat de rechtbank te Haarlem op deze vordering nog geen eindbeslissing heeft genomen.

2.24 Dit betekent dat het hof nog niet kan beslissen op het verzoek van [appellanten] tot doorhaling van de inschrijving van de gewijzigde statuten in het Handelsregister. Het hof zal de behandeling van het beroep ten aanzien van dit verzoek voor onbepaalde tijd aanhouden. De verdere behandeling van de grieven I, II en VII zal plaats vinden wanneer [appellanten] aan de griffie van het hof hebben laten weten dat de rechtbank te Haarlem een vonnis heeft gewezen waarbij op de vordering tot vernietiging een eindbeslissing is genomen.

2.25 De grieven III tot en met VI hebben betrekking op de bijeenkomst van 2 juni 2004. Zij strekken ten betoge dat die bijeenkomst is aan te merken als een algemene ledenvergadering van de vereniging, alsmede dat op die vergadering rechtsgeldig is besloten het zittende bestuur te ontslaan en een nieuw bestuur te benoemen.

2.26 Dit betoog gaat niet op. Zoals volgt uit hetgeen hierboven (sub 2.10 tot en met 2.15) is overwogen, is het hof van oordeel dat de afnemers van de premiefoto, voorzover zij niet het lidmaatschap van de vereniging hebben gekregen volgens de in artikel 3 van de statuten van 20 maart 1967 beschreven methode, niet zijn aan te merken als leden van de vereniging. Dit betekent dat op de bijeenkomst van afnemers van de premiefoto van 2 juni 2004 geen besluiten konden worden genomen met rechtgevolg voor de vereniging en/of het zittende bestuur.

2.27 Dit betekent dat de grieven III tot en met VI falen.

3. Slotsom

3.1 [Appellanten] kunnen worden ontvangen in hun verzoek tot doorhaling van de inschrijving, op 28 april 2004, van de statutenwijziging van de vereniging. De verdere behandeling van dit verzoek wordt aangehouden totdat de rechtbank te Haarlem heeft beslist op de vordering van [appellanten] tot vernietiging van het besluit van 7 april 2004 tot wijziging van de statuten.

3.2 De grieven III tot en met VI falen. De beschikking waarvan beroep dient te worden bekrachtigd voorzover het verzoek van [geïntimeerden] is toegewezen.

3.3 De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.

4. Beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor wat betreft de toewijzing van het verzoek van [geïntimeerden] tot doorhaling van de vermeldingen in het Handelsregister bij de Kamer van Koophandel:

– dat [geïntimeerden] per 1 juni 2004 als bestuur van de vereniging zijn ontslagen en

– dat [appellanten] met ingang van 2 juni 2004 zijn benoemd tot bestuur van de vereniging;

houdt de verdere behandeling van het beroepschrift aan totdat [appellanten] hebben laten weten dat de rechtbank te Haarlem een eindbeslissing heeft genomen op de vordering tot vernietiging van het bestuursbesluit van 7 april 2004.