De democratische weg van het behalen van een meerderheid

Rb. Den Haag 14 februari 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:1737


In deze zaak hebben zes leden (eisers) grote kritiek op het bestuur en op de kascommissie. De rechter oordeelt echter dat: “De leden van de Vereniging zullen de democratische weg van het behalen van een meerderheid in de ledenvergadering moeten bewandelen. Wet en statuten bevatten voldoende bepalingen die het de leden van de Vereniging mogelijk maken langs deze weg in de besluitvorming van de Vereniging een rol te spelen.” 
In deze zaak komt ook aan de orde dat de statuten onder meer de bepaling bevatten dat ” Een ledenvergadering kan alleen besluiten nemen, wanneer tenminste zevenenzestig procent (67%) van het aantal stemgerechtigde leden aanwezig is”. De rechter oordeelt dat deze bepaling alleen ziet op buitengewone ledenvergaderingen, niet op gewone ALV’s. Daarom zijn niet alle besluiten van de ALV sinds 2009 ongeldig, zoals de zes leden hadden gesteld. 
[Zes leden], eisers,
tegen

1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
[de Vereniging] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
2. [gedaagde sub 2],
8. [gedaagde sub 8],
Eisers zullen hierna [eisende partij sub 1 c.s.] worden genoemd. Gedaagden zullen hierna gezamenlijk de Vereniging c.s. worden genoemd, gedaagde onder 1 de Vereniging en gedaagden 2 tot en met 8 gezamenlijk de bestuurders.

1De procedure

1.1.

[]

2De feiten

2.1.

De Vereniging is opgericht op 3 maart 1975. Voor zover hier van belang luiden haar huidige statuten (hierna ‘de Statuten’):
 REKENING EN VERANTWOORDING.
Artikel 16
1. Het bestuur is verplicht van de vermogenstoestand van de vereniging zodanig aantekening te houden dat daaruit te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
2. Het bestuur brengt – behoudens verlenging door de Algemene ledenvergadering – binnen zes maanden na afloop van het verenigingsjaar op een Algemene ledenvergadering zijn jaarverslag uit en doet, onder overlegging van een balans en een staat van baten en lasten, rekening en verantwoording over zijn in het afgelopen boekjaar gevoerd bestuur. Bij gebreke daarvan kan, na afloop van de termijn ieder lid deze rekening en verantwoording in rechte van het bestuur vorderen.
3. a. De Algemene ledenvergadering kiest uit haar midden jaarlijks een kascommissie,
bestaande uit drie leden en twee plaatsvervangende leden die geen deel mogen uitmaken van het bestuur.
b. De leden treden volgens een op te maken rooster af en zijn aansluitend slechts 
eenmaal herkiesbaar.
c. De kascommissie onderzoekt de rekening en verantwoording van het bestuur en brengt aan de Algemene ledenvergadering verslag van haar bevindingen uit.
(…)
6. Goedkeuring door de Algemene ledenvergadering van het jaarverslag en de rekening en verantwoording strekt het bestuur tot décharge.
LEDENVERGADERINGEN .
Artikel 17 .
1. Eénmaal per jaar vóór dertig juni wordt een gewone Algemene ledenvergadering gehouden, waartoe de leden tenminste vijftien dagen tevoren schriftelijk aan hun bij de vereniging bekende adressen worden bijeengeroepen. De wijze waarop deze vergadering wordt gehouden en de wijze van uitoefening van het stemrecht worden geregeld bij huishoudelijk reglement.
(…)
3. In de jaarlijkse Algemene ledenvergadering worden onder meer behandeld:
(…)
c. de rekening en verantwoording over het afgelopen verenigingsjaar en de décharge van de penningmeester;
d. de begroting voor het komende verenigingsjaar;
(…)
BUITENGEWONE LEDENVERGADERING .
Artikel 18.
Buitengewone ledenvergaderingen worden gehouden wanneer het bestuur of tenminste vijfentwintig stemgerechtigde leden dit nodig oordelen. In het laatste geval worden de te behandelen punten schriftelijk door bedoelde leden ingediend bij het bestuur, dat verplicht is binnen één maand na ontvangst daarvan de buitengewone ledenvergadering te beleggen. Geeft het bestuur aan zodanig verzoek geen gevolg dan hebben de bedoelde leden het recht zelf tot het beleggen van de verzochte vergadering over te gaan. De roeping voor de vergadering geschiedt overeenkomstig het bepaalde in artikel 17. lid 1.
Artikel 19 .
1. Een ledenvergadering kan alleen besluiten nemen, wanneer tenminste zevenenzestig procent (67%) van het aantal stemgerechtigde leden aanwezig is en slechts over onderwerpen, in de oproeping vermeld.
(…)
3. Is aan de vereisten, genoemd in het eerste lid niet voldaan, dan beslist een opzettelijk daartoe bijeengeroepen volgende ledenvergadering, welke niet later dan dertig dagen na de eerste vergadering wordt gehouden, met gewone meerderheid van de alsdan uitgebrachte geldige stemmen.”

2.2.

In ieder geval tot 2 april 2017 waren [eisende partij sub 1 c.s.] leden van de Vereniging. De contributie voor de Vereniging bedraagt € 10 per maand.

2.3.

Gedaagden onder zeven en acht zijn bestuurslid van de Vereniging. Tot de ledenvergadering van mei 2017 waren ook gedaagden onder twee tot en met zes bestuurder van de Vereniging. Op deze ledenvergadering zijn zij afgetreden als bestuurder.
2.4.

Op 5 februari 2003 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag een proces-verbaal van een minnelijke regeling opgemaakt, waarin onder meer het volgende is opgenomen:
…zal het bestuur van de Vereniging zich richten tot alle verenigingsleden met de mededeling dat de
financiën van de Vereniging voor de toekomst (lees: vanaf 1 januari 2003) in die zin geprofessionaliseerd zullen worden dat bijstand van een boekhouder zal worden ingeroepen en dat aan deze boekhouder opdracht zal worden gegeven om een openingsbalans van de Vereniging per 1 januari 2003 op te stellen. Deze aanschrijving aan de leden zal worden ondertekend door alle leden van het bestuur.

2.5.

Op 19 oktober 2014 hebben eisers onder 1, 4 en 5 inzage gekregen in een gedeelte van de financiële administratie van de Vereniging. Zij hebben hun bevindingen vastgelegd in een verslag waarin zij zich kritisch hebben uitgelaten over onder meer de ledenadministratie, het zwart betalen, zaalverhuur, de onduidelijkheid ten aanzien van de verdeling van zakaat gelden, verstrengelde belangen met de stichting [de Stichting] , de betaling aan imams, de mogelijkheid van fraude en verduistering van subsidiegelden en de kascommissie.
2.6.

Begin december 2014 hebben [eisende partij sub 1 c.s.] het bestuur gevraagd een buitengewone ledenvergadering bijeen te roepen, teneinde hun bevindingen te bespreken.
2.7.

Tijdens een buitengewone ledenvergadering gehouden op 28 december 2014 is gepeild of de ledenvergadering leden moest royeren. Tijdens een buitengewone ledenvergadering van 18 januari 2015 is het besluit genomen eisers onder 1, 2, 4 en 5 als lid van de Vereniging te royeren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag heeft in een vonnis van 22 juni 2015 geoordeeld dat de besluitvorming ten aanzien van dit royement niet rechtsgeldig was en heeft het bestuur verboden aan de betreffende leden hun lidmaatschapsrechten te onthouden. In de agenda voor de eerste buitengewone ledenvergadering van 28 december 2014, was namelijk het agendapunt royement leden niet opgenomen, waardoor de vergadering van 18 januari 2015 niet kon dienen als tweede vergadering bedoelt in artikel 19 van de statuten.
2.8.

Na 22 juni 2015 hebben [eisende partij sub 1 c.s.] met het bestuur van de Vereniging gecorrespondeerd, waarbij [eisende partij sub 1 c.s.] onder meer aan de orde hebben gesteld dat in de ledenvergadering van 7 juni 2015 de besluitvorming niet juist is geweest en dat derhalve nog rekening en verantwoording over 2014 moet worden afgelegd en dat de begroting nog ter goedkeuring aan de ledenvergadering moet worden voorgelegd.
2.9.

Bij brief van 28 september 2015 heeft de advocaat van [eisende partij sub 1 c.s.] in een uitgebreide brief beschreven dat en waarom [eisende partij sub 1 c.s.] van het bestuur van de Vereniging meer openheid en transparantie eisen. In deze brief zijn twintig vragen, met deels subvragen, geformuleerd die [eisende partij sub 1 c.s.] beantwoord wensen te zien (hierna: de Vragen).
2.10.

[eisende partij sub 1 c.s.] hebben in 2016 een vordering aanhangig gemaakt tegen de Vereniging c.s. bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag. In deze procedure hebben zij soortgelijke vorderingen ingediend als in deze procedure. Bij vonnis van 3 maart 2016 heeft de rechtbank de vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] afgewezen.
2.11.

Na het uitbrengen van de dagvaarding in deze procedure heeft op 18 maart 2017 een buitengewone ledenvergadering plaatsgevonden, waarin is besloten [eisende partij sub 1 c.s.] als leden te royeren. Vanwege het ontbreken van het quorum heeft op 2 april 2017 een tweede buitengewone ledenvergadering plaatsgevonden waarin opnieuw het besluit is genomen [eisende partij sub 1 c.s.] te royeren. Bij brief van 14 april 2017 heeft het bestuur [eisende partij sub 1 c.s.] van het besluit tot royement op de hoogte gebracht.

3Het geschil

3.1.

[eisende partij sub 1 c.s.] vorderen, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. de veroordeling van gedaagden onder 2 tot en met 8 in hun hoedanigheid van gezamenlijke bestuurders van de Vereniging én gedaagde onder 1 zijnde (het bestuur van) de Vereniging om binnen acht weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis de verplichtingen na te komen:
– om een door de gezamenlijke bestuurders ondertekend jaarverslag over de gang van zaken in 2014 en 2015 in de Vereniging en over het in 2014 en 2015 gevoerde beleid aan de Ledenvergadering van de Vereniging uit te brengen, waarin ook wordt ingegaan op de kwesties die aan de orde zijn gesteld in de Vragen;
– om het door de gezamenlijke bestuurders ondertekend volledige “financieel jaarverslag 2014” van 87 pagina’s en het volledige “financieel jaarverslag 2015”, waaronder begrepen de ondertekende balans en de ondertekende staat van baten en lasten (beide) met een
ondertekende toelichting, betreffende de Vereniging zodanig ter goedkeuring aan de Ledenvergadering van de Vereniging over te leggen, dat daarover tijdens een ledenvergadering een rechtsgeldig besluit door de Ledenvergadering kan worden genomen;
II. de veroordeling van gedaagden onder 2 t/m 8 in hun hoedanigheid van gezamenlijke bestuurders van de Vereniging en gedaagde onder 1 zijnde (het bestuur van) de Vereniging te veroordelen binnen acht weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis naar eer en geweten, waarheidsgetrouw en zo volledig mogelijk de Vragen te beantwoorden;
III. de veroordeling van (het bestuur van) de Vereniging binnen acht weken na betekening van het in deze te wijzen vonnis de verplichting na te komen om de begroting voor de Vereniging voor het verenigingsjaar 2016 en voor het komende verenigingsjaar 2017 zodanig ter goedkeuring aan de Ledenvergadering van de Vereniging voor te leggen, dat daarvoor tijdens een ledenvergadering een rechtsgeldig besluit door de Ledenvergadering kan worden genomen;
IV. naar analogie van artikel 2:393 lid 3 BW een deskundigenonderzoek te bepalen
door een door de rechtbank met naam en toenaam te benoemen onafhankelijke accountant zoals bedoeld in artikel 2:393 BW, waarvan de kosten voor rekening komen van de Vereniging, welk onderzoek een aanvang neemt na afloop van de termijn van acht weken zoals genoemd in de hiervoorgaande vorderingen onder I, II en III, en welk onderzoek zich richt op:
– de financiële toestand van de Vereniging en de getrouwheid van de stukken, waaronder begrepen het door de gezamenlijke bestuurders ondertekende volledig “financieel jaarverslag 2014” van 87 pagina’s en het door de gezamenlijk bestuurders ondertekende volledig “financieel jaarverslag 2015”, waaronder steeds begrepen de (ondertekende)
balans en de (ondertekende) staat van baten en lasten (beide) met een (ondertekende) toelichting;
– de juistheid en volledigheid van de door de gezamenlijke bestuurders, althans (het bestuur van) de Vereniging afgelegde rekening en verantwoording over 2014 en 2015;
– de juistheid en volledigheid van de door de gezamenlijke bestuurders, althans (het bestuur van) de Vereniging beantwoorde Vragen;
– althans voor rekening van de Vereniging een zodanig onderzoek door een zodanige onderzoeker binnen een zodanige termijn te bepalen als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren;
V. te bepalen dat deze accountant daarover naar analogie van artikel 2:393 lid 4 en 5 BW een verslag en een verklaring van haar/zijn bevindingen uitbrengt aan de ledenvergadering van de Vereniging en aan [eisende partij sub 1 c.s.] ;
VI. gedaagden onder 2 t/m 8 in hun hoedanigheid van gezamenlijke bestuurders van de Vereniging én gedaagde onder 1 zijnde (het bestuur van) de Vereniging te veroordelen opdracht te geven aan de door de rechtbank krachtens het gevorderde onder IV benoemde onafhankelijke accountant onmiddellijk na afloop van de onder I, II en III dezes gevorderde termijn van acht weken, voor rekening van de Vereniging een aanvang te maken met het door de rechtbank bepaalde deskundigenonderzoek;
VII. gedaagden onder 2 t/m 8 in hun hoedanigheid van gezamenlijke bestuurders van de Vereniging én gedaagde onder 1 zijnde (het bestuur van) de Vereniging te veroordelen aan voornoemd deskundigenonderzoek mee te werken door aan voornoemde accountant alle door deze accountant gewenste medewerking te verlenen en alle gevraagde inlichtingen te verschaffen en deze accountant desgewenst de kas en de waarden te tonen en de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van de Vereniging voor raadpleging beschikbaar te
stellen;
VIII. te bepalen dat gedaagden onder 2 t/m 8, zijnde de gezamenlijke bestuurders van de Vereniging én gedaagde onder 1 zijnde (het bestuur van) de Vereniging voor wat betreft de hiervoor onder I, II, VI en VII ingestelde vorderingen, en (het bestuur van) de Vereniging voorts voor wat betreft de hiervoor onder III ingestelde vordering, aan [eisende partij sub 1 c.s.] hoofdelijk een dwangsom verbeuren van € 250,– per (rechts)persoon per dag, bij overtreding van het door de rechtbank bepaalde, een en ander tot een maximum van € 50.000,– per (rechts)persoon is bereikt;
IX. te verklaren voor recht, althans vast te stellen dat alle besluiten van de Ledenvergadering sedert in ieder geval 19 april 2009 nietig en derhalve non-existent zijn;
X. te verklaren voor recht, althans vast te stellen dat alle besluiten van de Ledenvergadering tot benoeming van bestuursleden sedert in ieder geval 19 april 2009 nietig en derhalve non-existent zijn;
XI. te verklaren voor recht, althans vast te stellen dat alle besluiten van de Ledenvergadering tot goedkeuring van de rekening en verantwoording over het voorgaande verenigingsjaar en de décharge van de penningmeester sedert in ieder geval 19 april 2009 nietig en derhalve non-existent zijn;
XII. te verklaren voor recht dat alle besluiten van de Ledenvergadering tot goedkeuring van de begroting voor het daaropvolgend verenigingsjaar sedert in ieder geval 19 april 2009 nietig en derhalve non-existent zijn;
XIII. te verklaren voor recht dat alle besluiten van de Ledenvergadering tot benoeming/verkiezing van (de leden van) de Kascommissie sedert in ieder geval 19 april 2009 nietig en derhalve non-existent zijn;
XIV. te verklaren voor recht, althans vast te stellen dat alle besluiten van het bestuur sedert in ieder geval 19 april 2009 nietig en derhalve non-existent zijn;
XV. met hoofdelijke veroordeling van de Vereniging c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2.

[eisende partij sub 1 c.s.] leggen aan hun vorderingen het volgende ten grondslag. Zij verwijten het bestuur gebrek aan openheid en transparantie, hebben bij een inzage in de financiële administratie in 2014 misstanden geconstateerd en vrezen de invloed in de Vereniging van de Hijazbeweging. Zij willen dat het bestuur op de juiste wijze rekening en verantwoording aflegt en dat de democratie in de Vereniging wordt hersteld. Er dient openheid en transparantie te komen zodat de leden kunnen zien wat er speelt en zodat de leden op basis van feiten en deugdelijke informatie keuzes kunnen maken en de toekomst van de Vereniging mede kunnen bepalen.
Meer sprecifiek leggen zij aan de afzonderlijke onderdelen van het petitum het volgende ten grondslag.
I en III. De stukken voor de ledenvergaderingen van 7 juni 2015, 29 mei 2016 en 2 oktober 2016 zijn niet tijdig toegestuurd, niet volledig aan de leden beschikbaar gesteld en voldoen niet aan de wettelijke vereisten. Voorts is bij de besluitvorming ten onrechte niet voldaan aan de quorumeis van artikel 19 van de statuten;
II. Artikel 2:48 BW verplicht het bestuur van de Vereniging de ondertekende balans met een toelichting aan de ledenvergadering voor te leggen, bij welke toelichting de Vragen mede dienen te worden beantwoord. Artikel 16 lid 2 van de statuten verplicht de Vereniging rekening en verantwoording af te leggen en ook daartoe behoort het beantwoorden van de Vragen. Voorts nopen de vereisten van behoorlijk bestuur ertoe dat de gezamenlijke bestuurders gehouden zijn de Vragen te beantwoorden. Ook uit de redelijkheid en billijkheid vloeit deze gehoudenheid voort.
IV tot en met VII. Nu het vertrouwen in het bestuur is verdwenen, dienen de door het bestuur nog af te leggen rekening en verantwoording en de door het bestuur gegeven antwoorden op de Vragen te worden gecontroleerd door een door de rechtbank benoemde deskundige. Andere grondslag voor deze vordering is het gebrekkig functioneren van de kascommissie, die in strijd met de statuten is benoemd en die eerder als verlengde van het bestuur functioneert dan als commissie die namens de ledenvergadering het bestuur controleert;
IX tot en met XIV. Bij de besluitvorming in de ledenvergaderingen wordt niet het in artikel 19 van de statuten voorgeschreven quorum toegepast, waardoor alle besluiten van de ledenvergaderingen van de Vereniging vanaf in ieder geval 2009 nietig zijn. Dit betekent eveneens dat het bestuur van de Vereniging in die periode niet rechtsgeldig is benoemd en derhalve ook geen besluiten heeft kunnen nemen. Hetzelfde geldt voor de leden van de kascommissie.

3.3.

De Vereniging c.s. voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

ontvankelijkheid [eisende partij sub 1 c.s.]

4.1.

De Vereniging c.s. hebben aangevoerd dat [eisende partij sub 1 c.s.] niet ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen, nu zij in de buitengewone ledenvergadering van 2 april 2017 zijn geroyeerd als lid van de Vereniging en derhalve geen beroep meer kunnen doen op de rechten die voorvloeien uit het lidmaatschap van de Vereniging. Dit verweer wijst de rechtbank af, nu het in deze procedure met name gaat om besluitvorming van het bestuur en de ledenvergaderingen van de Vereniging in een periode dat [eisende partij sub 1 c.s.] in ieder geval lid waren van de Vereniging. Besluitvorming in de periode na 2 april 2017 is in deze procedure niet aan de orde. Door dit lidmaatschap hebben zij belang bij een oordeel over de besluitvorming in deze periode: werd de vereniging vertegenwoordigd door een rechtsgeldig gekozen bestuur en heeft dit bestuur op rechtsgeldige wijze verantwoording afgelegd over het gevoerde beleid? Het bestuur heeft immers in deze periode beschikt over de door [eisende partij sub 1 c.s.] betaalde contributie.
vorderingen IX tot en met XIV

4.2.

De rechtbank zal allereerst de vorderingen bespreken tot nietigverklaring van de besluiten van de ledenvergaderingen van de Vereniging sedert 19 april 2009.
4.3.

De nietigheid dan wel vernietigbaarheid van de besluiten van rechtspersonen is geregeld in artikelen 2:14 en 2:15 van het Burgerlijk Wetboek (BW). In de literatuur en rechtspraak wordt algemeen aangenomen dat het ontbreken van een voorgeschreven quorum een vergadering onbevoegd maakt om besluiten te nemen en dat een besluit dat desondanks is genomen nietig is op grond van artikel 2:14 BW.
4.4.

Artikel 19 van de statuten bevat een quorumeis en bepaalt onder meer dat de ledenvergadering van de Vereniging alleen besluiten kan nemen, wanneer tenminste zevenenzestig procent (67%) van het aantal stemgerechtigde leden aanwezig is.
[eisende partij sub 1 c.s.] doen een beroep op dit artikel en stellen dat de in dit artikel opgenomen quorumeis van toepassing is op de besluitvorming in zowel de algemene als de buitengewone ledenvergaderingen van de Vereniging.

4.5.

De Vereniging c.s. hebben betoogd dat artikel 19 van de statuten alleen geldt voor buitengewone ledenvergaderingen omdat het direct geplaatst is na artikel 18 over buitengewone ledenvergaderingen zonder dat het een nieuw, eigen kopje heeft gekregen. Het is ook logisch dat dit vereiste alleen voor buitengewone ledenvergaderingen geldt, omdat in deze vergaderingen buitengewone besluiten worden genomen, waarvoor een quorumeis terecht is. Bovendien was dit de bedoeling van de leden van de Vereniging, hetgeen blijkt uit de omstandigheid dat sinds de oprichting van de vereniging bij algemene ledenvergaderingen de quorumeis niet is toegepast, aldus de Vereniging c.s.
4.6.

De rechtbank oordeelt als volgt. Gelet op de verschillende stellingen van partijen ten aanzien van de toepassing van de quorumeis in artikel 19 van de statuten, dient de rechtbank artikel 19 uit te leggen. In beginsel kan worden aangenomen dat voor statuten geldt dat zij zich in het spectrum dat de vloeiende overgang tussen de Haviltexnorm en de CAO-norm weergeeft, bevinden in het gebied waarin de uitleg op basis van de CAO-norm prevaleert, zodat objectieve maatstaven bij de uitleg van de statuten in beginsel centraal dient te staan (Hof Arnhem-Leeuwarden 28 april 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3094). De statuten zijn immers bedoeld voor een groot aantal personen, die zich op basis van de tekst van de statuten een beeld moeten kunnen vormen van de regels die binnen de vereniging gelden.
4.7.

In de tekst van artikel 19 van de statuten is vermeld ledenvergaderingen. Er wordt geen beperking aangebracht ten aanzien van het soort ledenvergadering waarvoor dit quorum heeft te gelden. Het artikel volgt op artikel 18 met als kopje “Buitengewone ledenvergadering” en heeft geen eigen kopje, zoals ook de Vereniging c.s. hebben aangevoerd.
Artikel 17, met als kopje “Algemene Ledenvergadering” bevat de bepalingen over de algemene ledenvergaderingen en bepaalt onder meer dat een algemene ledenvergadering één keer per jaar wordt gehouden voor 30 juni. Voorts bepaalt dit artikel welke onderwerpen in de jaarlijkse algemene ledenvergadering worden behandeld, zoals de vaststelling van een huishoudelijke reglement en andere reglementen, het verslag over het afgelopen verenigingsjaar, de rekening en verantwoording, de begroting en verkiezingen, ter voorziening in vacatures.

4.8.

Daarnaast geldt het volgende:
( i) de wetgever heeft geen quorum voorgeschreven bij besluitvorming van leden van een vereniging. Het kan, maar het is niet gebruikelijk dat statuten van een vereniging een quorum voorschrijven voor alle ledenvergaderingen. Voor de Vereniging, met haar omvang van ongeveer 1.000 leden, is een dergelijke quorumeis voor alle ledenvergaderingen ook niet goed werkbaar, in die zin dat dit zal inhouden dat waarschijnlijk steeds twee ledenvergaderingen zullen moeten worden gehouden om tot rechtsgeldige besluitvorming te komen. Het is namelijk niet waarschijnlijk dat bij ledenvergaderingen van de Vereniging meer dan 670 leden aanwezig zijn, nu uit de overgelegde notulen blijkt dat per vergadering minder dan 100 leden de ledenvergadering van de Vereniging bezoeken.
(ii) de Vereniging is opgericht in 1967. In de procedure zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de Vereniging in haar bestaan bij algemene ledenvergaderingen ooit de quorumeis heeft toegepast.
(iii) uit de overgelegde stukken volgt dat de Vereniging de quorumeis wel heeft proberen toe te passen bij de buitengewone ledenvergaderingen van december 2014 en januari 2015. Tijdens de buitengewone ledenvergadering van januari 2015 is onder meer het besluit genomen om eisers onder 1, 2, 4 en 5 als lid te royeren. In het vonnis van de voorzieningenrechter van 22 juni 2015 is geoordeeld dat dit besluit niet rechtsgeldig is genomen omdat deze vergadering van januari 2015 niet als tweede buitengewone ledenvergadering kon gelden als bedoeld in artikel 19 van de statuten. In de agenda van de buitengewone ledenvergadering van december 2014 was namelijk het agendapunt royement van deze leden, niet opgenomen;
(iv) er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat tijdens een ledenvergadering van de Vereniging, die door het bestuur als een buitengewone ledenvergadering is uitgeschreven, besluiten zijn genomen zonder althans te proberen de quorumeis toe te passen;
( v) niet weersproken door de Vereniging, hebben [eisende partij sub 1 c.s.] gesteld dat in de ledenvergadering van 7 juni 2015 bezwaar is gemaakt tegen het niet toepassen van de quorumeis. Uit de overgelegde stukken volgt niet dat [eisende partij sub 1 c.s.] of andere leden op enig moment voor 7 juni 2015 bezwaar hebben gemaakt tegen het niet toepassen van een quorumeis tijdens algemene ledenvergaderingen of tegen de handelwijze van de Vereniging waarbij meerdere algemene ledenvergaderingen per jaar werden uitgeschreven, waarin dan geen quorum werd aangehouden voor de besluitvorming. Niet is gesteld, noch is anderszins gebleken dat de betreffende leden op 7 juni 2015 voor het eerst een algemene ledenvergadering bijwoonden.
4.9.

De onder 4.7 en 4.8. genoemde omstandigheden, in onderling verband beschouwd, rechtvaardigen het oordeel dat de quorumeis in de statuten van de Vereniging alleen geldt voor besluiten van buitengewone ledenvergaderingen. Bij dit oordeel acht de rechtbank doorslaggevend dat deze uitleg van artikel 19 door de plaatsing direct na artikel 18 en zonder eigen kopje wellicht niet de meest voor hand liggende uitleg is, nu wordt verwezen naar ledenvergaderingen, maar wel mogelijk is en dat de Vereniging kennelijk in haar bestaan deze uitleg altijd heeft gevolgd, zonder dat dit tot de ledenvergadering van 7 juni 2015 tot vragen bij leden heeft geleid. Het grote aantal personen dat bij de Vereniging is betrokken, heeft kennelijk vanaf 1967 de statuten niet anders uitgelegd dan dat de quorumeis beperkt dient te worden toegepast. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding de statuten thans anders uit te leggen dan de Vereniging kennelijk jarenlang heeft gedaan.
4.10.

Gelet op dit een en ander, dienen de vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] onder IX tot en met XIV te worden afgewezen.
vordering I

4.11.

Wet en statuten kennen een samenstel van regels over de wijze waarop een verenigingsbestuur rekening en verantwoording dient af te leggen. Zo dient het bestuur rekening en verantwoording af te leggen aan de ledenvergadering over het door haar gevoerde beleid. [eisende partij sub 1 c.s.] stellen dat (het bestuur van) de Vereniging in 2015 en in 2016 niet aan de op dit punt geldende regelgeving heeft voldaan. Het gevolg hier van is, aldus [eisende partij sub 1 c.s.] , dat ieder lid van de Vereniging het recht heeft in rechte nakoming van voernoemde verplichting tot het afleggen van rekening en verantwoording te vorderen van het bestuur.
4.12.

Zij leggen de volgende stellingen hieraan ten grondslag:
( i) het ontbreken van een huishoudelijk reglement. Hierdoor zijn geen regels vastgesteld over de contributie die leden moeten voldoen en geen regels over de wijze waarop ledenvergaderingen worden gehouden, tijdens ledenvergaderingen moet worden gestemd en op welke wijze stukken voor de ledenvergadering moeten worden verspreid;
(ii) het bestuur heeft het jaarverslag, de balans, de staat van baten en lasten, de toelichting op de balans en de toelichting op de staat van baten en lasten in strijd met artikel 2:48 BW zonder opgave van redenen niet ondertekend;
(iii) het jaarverslag van het bestuur over 2014 en over 2015 is te summier, hetgeen ook geldt voor de staat van baten en lasten. Het bestuur dient de volledige financiële jaarverslagen aan de leden ter hand te stellen;
(iv) de ledenvergadering dient de quorumeis van artikel 19 in acht te nemen bij besluitvorming ten aanzien van de rekening en verantwoording;
( v) de rekening en verantwoording over 2015 is te laat afgelegd, namelijk niet binnen de termijn van zes maanden die daarvoor in de statuten is opgenomen. Dit is ook in eerdere boekjaren gebeurd;
(vi) de agenda’s voor de ledenvergaderingen in 2015 en 2016 bevatten niet de juiste onderwerpen;
4.13.

De Vereniging c.s. hebben aangevoerd dat het bestuur heeft voldaan aan haar wettelijke en statutaire verplichtingen voor wat betreft het afleggen van de rekening en verantwoording.
4.14.

De rechtbank oordeelt als volgt. Het enkel ontbreken van een huishoudelijk reglement betekent niet dat geen verantwoording kan worden afgelegd omdat ledenvergaderingen ook kunnen worden georganiseerd zonder dat de regels hiervoor schriftelijk zijn vastgelegd in een dergelijk reglement. De Vereniging functioneert immers al sinds haar oprichting zonder dit reglement.
4.15.

Aan een jaarverslag worden voorts geen vormvereisten gesteld; het kan ook mondeling worden uitgebracht. Dat ligt slechts anders in geval van een vereniging in de zin van artikel 2:49 BW in samenhang met artikel 360 lid 3 BW. Gesteld noch gebleken is dat de Vereniging daartoe behoort. [eisende partij sub 1 c.s.] kunnen derhalve geen aanspraak maken op een ondertekend jaarverslag. Verder is van belang dat het bestuur van de Vereniging op grond van de artikelen 2:48 lid 1 BW en 16 lid 2 van de statuten enkel gehouden is een balans en een staat van baten en lasten met een toelichting aan de ALV te verstrekken. Aan deze verplichting heeft het bestuur in 2015 en in 2016 voldaan. Het bestuur is niet verplicht om het volledige – 87 pagina’s omvattende – Financieel jaarverslag 2014, waarvan de balans en de winst- en verliesrekeningen deel uitmaken, over te leggen, noch dat over 2015.
4.16.

Uit de overgelegde notulen van de ledenvergaderingen van 7 juni 2015 en 2 oktober 2016 volgt bovendien dat het financiële verslag van het bestuur van de Vereniging over 2014 is besproken en dat aan de penningmeester hiervoor decharge is verleend. Onder 4.9. heeft de rechtbank al overwogen dat de besluitvorming op deze ledenvergaderingen niet nietig is omdat niet is voldaan aan de quorumeis. Een andere grond voor de nietigheid van de besluitvorming van deze ledenvergaderingen hebben [eisende partij sub 1 c.s.] niet aan hun vordering ten grondslag gelegd. [eisende partij sub 1 c.s.] hebben evenmin tijdig de vernietiging van deze besluitvorming van de algemene ledenvergadering gevorderd. Hieruit volgt dat het besluit van de algemene ledenvergadering van 7 juni 2015 om het door het bestuur afgelegde verslag over de financiële gang van zaken over 2014 goed te keuren en de penningmeester hiervoor decharge te verlenen tussen partijen thans vaststaat. De verwijten die [eisende partij sub 1 c.s.] het bestuur en de Vereniging ten aanzien van deze vergadering maken, behoeven dan ook geen verdere bespreking.
Hetzelfde geldt voor de besluitvorming tijdens de ledenvergadering van 2 oktober 2016, tijdens welke ledenvergadering is besloten tot goedkeuring van de rekening en verantwoording over 2015 en tot decharge.

4.17.

Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat geen grond bestaat het bestuur van de Vereniging te veroordelen opnieuw een jaarverslag over de gang van zaken in 2014 en 2015 en over het gevoerde beleid aan de ledenvergadering uit te brengen of om het bestuur te veroordelen om een volledig financieel jaarverslag over 2014 en 2015 ter goedkeuring aan de ledenvergadering voor te leggen. De vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] op dit punt zal de rechtbank dan ook afwijzen.
vordering II

4.18.

[eisende partij sub 1 c.s.] vorderen de beantwoording door het bestuur van de Vereniging van 20 vragen zoals geformuleerd in een brief van 28 september 2015 (hierna: de Vragen).
4.19.

Rekening en verantwoording over het gevoerde beleid legt het bestuur af aan de leden in de ledenvergadering. Zoals ook al geoordeeld in het vonnis van de voorzieningenrechter van 3 mei 2016 heeft een individueel lid geen recht om van het bestuur te verlangen dat deze aan hem afzonderlijk informatie verstrekt. Tijdens de comparitie van partijen heeft het bestuur gezegd dat ze bereid is vragen die in de ledenvergadering over het gevoerde beleid worden gesteld, te beantwoorden. Op de vraag van de rechtbank of de Vragen tijdens een ledenvergadering aan het bestuur zijn gesteld hebben [eisende partij sub 1 c.s.] in eerste instantie ontkennend geantwoord, en vervolgens gezegd dat niet alle Vragen tijdens ledenvergaderingen zijn gesteld. Sommige vragen of onderdelen ervan zijn tijdens (een) ledenvergadering(en) aan de orde gekomen, aldus [eisende partij sub 1 c.s.] Zij hebben echter niet specifiek gesteld welke van de Vragen aan de orde zijn geweest en welke van de Vragen het bestuur heeft geweigerd te beantwoorden en wat de overige aanwezige leden hiervan vonden, noch hebben zij gewezen op passages in de notulen van de ledenvergaderingen van de Vereniging waarin is opgenomen dat zij Vragen hebben gesteld, die het bestuur geweigerd heeft te antwoorden. Aldus is tussen partijen onvoldoende komen vast te staan dat en welke Vragen het bestuur op de Ledenvergadering heeft geweigerd te beantwoorden. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat het daarvoor aangewezen gremium niet volledig is benut om de Vragen te stellen. Gelet hierop ziet de rechtbank geen grond het bestuur tot beantwoording van deze vragen te veroordelen.
4.20.

In de volgende, door [eisende partij sub 1 c.s.] aan hun vordering tot het beantwoorden van de Vragen ten grondslag gelegde, omstandigheden ziet de rechtbank geen aanleiding om op dit punt anders te oordelen. Daarbij zal zij eerst het bezwaar van [eisende partij sub 1 c.s.] formuleren, voor zover dit hiervoor niet al aan de orde is gesteld, en vervolgens motiveren waarom dit bezwaar niet leidt tot een verplichting van het bestuur de Vragen te beantwoorden.
( i) de ledenadministratie klopt volgens [eisende partij sub 1 c.s.] niet, waardoor niet zeker is hoeveel stemgerechtigde leden er zijn. 
Dit bezwaar dienen [eisende partij sub 1 c.s.] aan de orde te stellen in het kader van de besluitvorming binnen de Vereniging en kan als los bezwaar niet als grondslag dienen om het bestuur te verplichten buiten de ledenvergadering om vragen van individuele leden te beantwoorden. Daarbij komt nog dat [eisende partij sub 1 c.s.] hun bezwaar op dit punt, tegenover het gemotiveerde verweer van het bestuur dat grote inspanningen worden geleverd om het ledenbestand correct en up-to-date te houden, geen concrete voorbeelden heeft kunnen noemen van fouten in de ledenadministratie, waardoor zij haar besluit feitelijk onvoldoende heeft onderbouwd.
(ii) het bestuur vraagt voor bepaalde besluiten niet de voorafgaande goedkeuring van de ledenvergadering.
Dergelijke bestuursbesluiten zouden nietig of vernietigbaar kunnen zijn omdat het bestuur dan niet bevoegd is deze besluiten te nemen, echter een vordering tot vernietiging van bestuursbesluiten op deze grond is niet aan de rechtbank voorgelegd.
(iii) door het ontbreken van een huishoudelijk reglement, ontbreken interne “huisregels” over de gang van zaken binnen de Vereniging, waaronder de gang van zaken tijdens een ledenvergadering. 
Door het ontbreken van een huishoudelijke reglement voldoet de Vereniging niet aan de bepalingen zoals die in de Statuten zijn opgenomen. De sanctie hierop is echter niet dat het bestuur van de Vereniging rechtstreeks, buiten de ledenvergadering om, vragen van individuele leden dient te beantwoorden. 
Uit de overgelegde notulen van ledenvergaderingen kan overigens worden opgemaakt dat dit onderwerp ook de aandacht van het bestuur heeft. Daarbij valt op dat [eisende partij sub 1 c.s.] stellen dat op twee door het bestuur belegde bijeenkomsten waar leden input konden geven voor het huishoudelijk reglement, behoudens [eisende partij sub 1 c.s.] , twintig respectievelijk vijf van de 1000 leden aanwezig waren, zodat de conclusie gerechtvaardigd is dat dit onderwerp niet bij alle leden leeft. Voorts kunnen [eisende partij sub 1 c.s.] , als zij de opstelling en vaststelling van een huishoudelijk reglement wensen, het bestuur verzoeken daartoe een bijzondere ledenvergadering bijeen te roepen met als agendapunt de opdracht aan het bestuur om op korte termijn een huishoudelijk reglement op te stellen. Indien dan de meerderheid van de vergadering hiervoor stemt, is het bestuur ook langs die weg gehouden een huishoudelijk reglement aan de vergadering voor te leggen.
(iv) [eisende partij sub 1 c.s.] uiten beschuldigingen over een dictatoriaal beleid, nepotisme, vriendjespolitiek, een gemanipuleerde meerderheid, intimidatie en angst voor represailles, hetgeen noopt tot een vergaande plicht tot het afleggen van rekening en verantwoording. Concrete voorbeelden van het gedrag dat het bestuur wordt verweten, met uitzondering van een aangifte die is gedaan, worden echter niet genoemd. Daartegenover stelt de Vereniging dat eisers met zijn zessen zijn en dat niet is gebleken dat zij door een grotere groep leden worden ondersteund in hun bezwaren tegen het bestuur en tegen de gang van zaken binnen de Vereniging. Nu [eisende partij sub 1 c.s.] deze stelling onvoldoende heeft toegelicht, gaat de rechtbank hieraan voorbij.
( v) de kascommissie reageert niet op vragen van leden waaronder [eisende partij sub 1 c.s.] 
Mocht dit inderdaad zijn voorgevallen, dan is het bestuur hiervoor niet primair verantwoordelijk maar zijn dit de leden van de kascommissie zelf. Voorts is niet gesteld, noch is anderszins gebleken dat [eisende partij sub 1 c.s.] de leden van de kascommissie hierop hebben aangesproken. Ook is niet gesteld of anderszins gebleken dat [eisende partij sub 1 c.s.] het bestuur hiervan op de hoogte hebben gesteld. Een grond om het bestuur te verplichten de Vragen te beantwoorden, ziet de rechtbank hierin niet.
(vi) Ondanks een verzoek daartoe, heeft het bestuur een door [eisende partij sub 1 c.s.] gevraagd agendapunt niet op de agenda van een buitengewone ledenvergadering gezet of is aan de behandeling van dit punt in een volgende vergadering niet toegekomen.
Ook hier was de aangewezen weg dat [eisende partij sub 1 c.s.] het bestuur, in overeenstemming met hetgeen daarover in de statuten is bepaald, andermaal hadden verzocht dit punt te agenderen, zodat democratische besluitvorming hierover tijdens een ledenvergadering kon plaatsvinden. Bovendien voorzien de statuten in de mogelijkheid dat leden zelf een buitengewone ledenvergadering organiseren, als het bestuur hiertoe niet overgaat. Bezwaren tegen de handelwijze van het bestuur op dit punt, leiden er dan ook niet toe dat het bestuur verplicht kan worden om buiten de ledenvergadering om de Vragen aan [eisende partij sub 1 c.s.] te beantwoorden.

4.21.

Gelet op dit een en ander is de rechtbank van oordeel dat de vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] het bestuur te verplichtingen de Vragen te beantwoorden, dient te worden afgewezen. De omstandigheid dat de ledenvergadering van 2 april 2017 het besluit heeft genomen [eisende partij sub 1 c.s.] als leden te royeren behoeft ten aanzien van deze vordering dan ook geen verdere bespreking.
vordering III

4.22.

Ook de vordering tot het opmaken van een begroting voor de jaren 2016 en 2017 wijst de rechtbank af. Besluitvorming hierover heeft plaatsgevonden tijdens de ledenvergadering van 2 oktober 2016. De rechtbank heeft onder 4.9 al overwogen dat voor de besluitvorming op deze vergadering de quorumeis niet geldt.
vordering IV tot en met VII benoeming van een deskundige

4.23.

[eisende partij sub 1 c.s.] stellen dat ook indien het bestuur wordt veroordeeld (i) tot het opnieuw afleggen van rekening en verantwoording over 2014 en 2015, (ii) het volledige jaarverslag te overleggen en (iii) de Vragen te beantwoorden, bij hen het vertrouwen ontbreekt dat deze rekening en verantwoording werkelijk openheid en transparantie ten aanzien van de verenigingsfinanciën oplevert. Bestuurders zullen hun misstappen en feilen niet willen toegeven en blijven camoufleren. Echte antwoorden zullen niet worden gegeven.
4.24.

Voorts stellen zij dat er bezwaren zijn tegen het functioneren van de kascommissie van de Vereniging:
( i) De besluiten van de ledenvergadering tot benoeming van de kascommissie zijn nietig omdat de quorumeis niet in acht is genomen;
(ii) Voor het boekjaar 2014 zijn geen plaatsvervangende leden van de kascommissie benoemd, waardoor de kascommissie in 2014 slechts uit twee leden heeft bestaan omdat één lid aftrad. Hierdoor heeft deze kascommissie geen rechtsgeldig verslag uitgebracht;
(iii) De kascommissie kent geen rooster van aftreden. Een lid van de kascommissie kan voor drie jaar worden benoemd en is slechts één keer herkiesbaar. De voorzitter van de kascommissie is echter al onafgebroken lid van de commissie sinds 2004. Tijdens de algemene vergadering van 7 juni 2015 is wederom dezelfde voorzitter van de kascommissie benoemd. Als plaatsvervangende leden zijn benoemd een nichtje van de penningmeester en een zwager van de voorzitter.
(iv) De kascommissie schermt met de betrokkenheid van een accountant, maar heeft de naam van deze accountant nooit willen noemen. Pas tijdens de comparitie van partijen is de naam van de accountant genoemd.
( v) De kascommissie functioneert als een verlengde van het bestuur. Dit blijkt onder meer uit de omstandigheid dat de voorzitter van de kascommissie zich tijdens ledenvergaderingen meer manifesteert als penningmeester dan de werkelijke penningsmeester. Hij is degene die vragen aan het bestuur over financiële aangelegenheden beantwoordt. Voorts blijkt dit uit de omstandigheid dat een lid van de kascommissie de begroting over 2015 heeft opgesteld en niet de penningmeester.
Het gevolg hiervan is dat er geen kascommissie is die het Financieel Jaarverslag over 2014 en over 2015 heeft onderzocht en daarover rechtsgeldig verslag heeft uitgebracht aan de ledenvergadering, aldus [eisende partij sub 1 c.s.]
4.25.

De onder 4.23. en 4.24. opgesomde omstandigheden zijn, aldus nog steeds [eisende partij sub 1 c.s.] , voldoende zwaarwegend om over te gaan tot het toewijzen van de, ook in de ogen van [eisende partij sub 1 c.s.] onorthodoxe, vordering tot benoeming van een deskundige.
4.26.

De rechtbank stelt het volgende voorop. Afgezien van het verweer tegen de werking van de quorumeis, heeft de Vereniging geen verweer gevoerd tegen de door [eisende partij sub 1 c.s.] gestelde bezwaren tegen het functioneren van de kascommissie. Zij heeft enkel gesteld dat naast de huidige voorzitter van de kascommissie niemand zich beschikbaar heeft gesteld zodat het bestuur van de Vereniging hem steeds wel als voorzitter moe(s)t voordragen.
4.27.

Artikel 2:48 BW, dat ook op de Vereniging van toepassing is, bepaalt dat bij het ontbreken van een raad van commissarissen of een accountantsverklaring, de algemene vergadering jaarlijks twee leden benoemt [noot: de wet spreekt van een commissie van ten minste twee leden], die geen bestuurslid mogen zijn. Deze twee leden onderzoeken de financiële stukken die het bestuur aan de ledenvergadering dient te overleggen en brengen van dit onderzoek verslag uit aan de ledenvergadering. Artikel 16 van de statuten bevat de bepalingen die voor de Vereniging gelden voor wat betreft deze kascommissie.
Bij het afleggen van de rekening en verantwoording door het bestuur aan de ledenvergadering speelt deze door de ledenvergadering benoemde kascommissie een belangrijke rol. Zij kan in meer detail de financiële stukken bestuderen, heeft vaak de daartoe benodigde financiële achtergrond en kan met het bestuur voorafgaand aan de ledenvergadering in discussie over deze stukken. Van haar werkzaamheden brengt zij verslag uit aan de ledenvergadering. De kascommissie is tot dit alles beter in staat dan de ledenvergadering van de Vereniging, waarbij potentieel 1.000 leden aanwezig kunnen zijn en waarvan niet iedereen over de benodigde financiële bagage zal beschikken om de financiële stukken te begrijpen.
Wil de ledenvergadering op de kascommissie kunnen vertrouwen, dan dient deze commissie overeenkomstig de daarvoor geldende regels te zijn samengesteld. Tevens dient zij op voldoende afstand van het bestuur te staan, teneinde een controlerende rol te kunnen vervullen.

4.28.

De enige grond die [eisende partij sub 1 c.s.] ten grondslag hebben gelegd aan hun vordering tot nietigverklaring van de besluiten tot benoeming van de kascommissie is dat niet is voldaan aan de quorumeis. Ten aanzien van dit gedeelte van de vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] heeft de rechtbank onder 4.9. al overwogen dat deze zal worden afgewezen.
Voor het overige hebben [eisende partij sub 1 c.s.] slechts geconcludeerd dat de verwijten die zij het bestuur en de Vereniging maken voor wat betreft de kascommissie ertoe moeten leiden dat de rechtbank een deskundige benoemd die de jaarstukken van de Vereniging moet onderzoeken en hierover moet rapporten. Deze vorderingen baseren zij tevens op het gebrek aan vertrouwen ten aanzien van het handelen van het bestuur. Dit betekent dat de rechtbank het functioneren van de kascommissie alleen in het licht van deze vorderingen behoeft te beoordelen.

4.29.

De wet noch de statuten bevatten een bepaling die het voor individuele verenigingsleden – die tezamen ongeveer 0,6% van de stemmen binnen een ledenvergadering vertegenwoordigen – mogelijk maakt te vorderen dat een deskundige wordt benoemd die op kosten van de Vereniging onderzoek doet naar het reilen en zeilen van het bestuur en de door het bestuur afgelegde rekening en verantwoording. Artikelen 2:344 en verder BW en artikel 2:393 lid 3 BW zijn op de Vereniging niet van toepassing. Artikel 2:48 lid 2 regelt de benoeming van een kascommissie en artikel 2:16 lid 4 van de statuten verwijst naar een deskundige die de kascommissie kan inschakelen om haar bij te staan in haar werkzaamheden. Beide artikelen geven niet de leden van de Vereniging het recht om een financieel deskundige te laten benoemen.
4.30.

Ook de tegen het functioneren van de kascommissie genoemde bezwaren rechtvaardigen niet de benoeming van een deskundige. De omstandigheid dat [eisende partij sub 1 c.s.] zich niet kunnen vinden in het beleid van de Vereniging en het bestuur wantrouwen, maken dit oordeel niet anders.
De leden van de Vereniging zullen de democratische weg van het behalen van een meerderheid in de ledenvergadering moeten bewandelen. Wet en statuten bevatten voldoende bepalingen die het de leden van de Vereniging mogelijk maken langs deze weg in de besluitvorming van de Vereniging een rol te spelen. Zo kunnen 25 leden van de Vereniging op grond van artikel 18 van de statuten het bestuur vragen een buitengewone ledenvergadering bijeen te roepen op welke ledenvergadering het bestuur de door de 25 leden aangedragen onderwerpen dient te agenderen. Niet gesteld noch is anderszins gebleken dat het bestuur artikel 18 van de statuten niet naleeft. Daarnaast hebben de leden de mogelijkheid de nietigheid van besluiten te vorderen die in strijd met wet en statuten zijn genomen dan wel de vernietiging van besluiten op grond van artikel 2:15 BW.
De rechtbank zal dan ook de vordering tot het benoemen van een deskundige afwijzen.
Gelet hierop behoeft de omstandigheid dat de ledenvergadering van 2 april 2017 het besluit heeft genomen [eisende partij sub 1 c.s.] als leden te royeren geen verdere bespreking.

vordering VIII opleggen dwangsom

4.31.

Nu de rechtbank de vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] onder I, II, III, VI en VII afwijst, ziet de rechtbank ook geen grond aan het bestuur en de Vereniging een dwangsom op te leggen. Ook dit gedeelte van de vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] wijst de rechtbank dan ok af.
4.32.

Nu alle vorderingen worden afgewezen, behoeft de stelling van de Vereniging dat de vorderingen tegen bestuurders onder 2 tot en met 6 niet ontvankelijk is omdat zij in mei 2017 zijn afgetreden geen bespreking.

De boekhouding van de afdeling



Rechtbank Amsterdam 20 september 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:6823

In deze zaak besluit de Bond een centraal boekhoudingssysteem in te voeren om te voldoen aan de vereisten voor BTW aangifte. De afdelingen moeten alle gegevens daarin invoeren, ofwel alle stukken (inkoopfacturen, verkoopfacturen, alle afschriften, etc. ) aanleveren bij de Bond zodat de Bond de gegevens kan invoeren. Het bestuur van één van de afdelingen is niet overtuigd. 

“Voorshands is voldoende aannemelijk dat het besluit van het bondsbestuur om de financiële administratie in AFAS te voeren valt onder de omschrijving van de taken en verplichtingen van het bondsbestuur als bedoeld in artikel 17, lid 1, van de Statuten. Het betreft een strategische beslissing in de zin van artikel 11, lid 2, van de Statuten en het is bovendien een afdelingsoverschrijdende aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, lid 3, sub m, van de Statuten. Uit deze artikelen volgt dan ook dat het bondsbestuur bevoegd is om dit besluit te nemen (en daarmee dat het besluit rechtsgeldig is genomen). “

Er is tot slot nog een opmerkelijke overweging over de evt. dwangsommen. “Tot slot [hebben de afdelingsbestuursleden] nog naar voren gebracht dat [zij] g ten onrechte niet in hun hoedanigheid als bestuurslid van de [afdeling]  zijn gedagvaard maar als privépersonen. [De afdelingsbestuursleden vragen] zich af wat er gebeurt als zij in dit vonnis op straffe van dwangsommen wordt veroordeeld tot afgifte van de gevraagde documenten en zij kort daarna [aftreden] als bestuurslid van [de afdeling].
Voorop gesteld wordt dat (het bestuur van) de [afdeling ] zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft. Dit brengt met zich dat het voor de Bond alleen mogelijk is de bestuursleden van [de afdeling] als privépersonen te dagvaarden. Aan de toewijzing van de vorderingen zal wel de voorwaarde worden verbonden dat de veroordelingen genoemd onder 5.1. en 5.2. enkel gelden zolang [gedaagden gezamenlijk] bestuurslid van [de afdeling zijn]”. 

Vonnis in kort geding van 20 september 2017

in de zaak van
de vereniging BOND VAN VOLKSTUINDERS, []


tegen
1. [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2], 3. [gedaagde 3],
[]

Eiseres zal hierna de Bond worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en gezamenlijk (in enkelvoud) [gedaagden gezamenlijk] worden genoemd.

[]

2De feiten

2.1.

De Bond is een vereniging die het beheer voert over ongeveer 6.000 volkstuinen in Amsterdam, Ouder-Amstel, Landsmeer en Almere. De Bond wordt vertegenwoordigd door het bondsbestuur. De Bond heeft 29 afdelingen. Ieder tuinpark van de Bond vormt een afdeling, waaronder tuinpark Amstelglorie.
2.2.

In 2014 heeft het bestuur van de Bond besloten dat er voor alle afdelingen een centrale ledenadministratie en een centrale boekhouding ingevoerd dient te worden.
2.3.

In 2015 heeft de Belastingdienst aan de Bond meegedeeld dat zij, mede namens haar afdelingen, over de afgelopen vijf jaar en in de toekomst Btw-aangifte moet gaan doen.
2.4.

Het bestuur van de Bond heeft in 2015, na overleg met diverse afdelings-penningmeesters, besloten dat AFAS als computerprogramma moet worden gebruikt voor de centrale financiële administratie. Het bondsbestuur heeft de afdelingen daarbij de keuze gegeven om ofwel zelf de administratie in AFAS in te voeren ofwel dit door de Bond te laten doen. Tijdens de bondsvergadering, bestaande uit de afgevaardigden van de afdelingen, op 10 december 2015 heeft het bondsbestuur het besluit besproken met de leden.


2.5.

Tijdens de bondsvergaderingen van 11 juni 2016 en 10 december 2016 is dit onderwerp nogmaals aan de orde gekomen.
2.6.

Bij brief van 29 juni 2017 heeft het bestuur van de Bond aan het bestuur van tuinpark Amstelglorie meegedeeld dat Amstelglorie verplicht is om het besluit tot invoering van haar financiële administratie in AFAS uit te voeren. Het bestuur van de Bond heeft Amstelglorie in deze brief onder meer verzocht om binnen twee weken te bevestigen dat het tuinpark per 1 augustus 2017 haar financiële administratie in AFAS gaat voeren. Het bestuur van de Bond heeft, voor zover van belang, in de brief verder aangegeven ervan uit te gaan dat penningmeester [gedaagde 2] binnen een week bij de afdeling Financiën de inloggegevens voor AFAS opvraagt en vervolgens binnen twee weken een afspraak maakt met die afdeling om de ingeboekte cijfers te bespreken.
2.7.

Bij brief van 5 juli 2017 heeft het bestuur van Amstelglorie onder meer aan de Bond bericht dat het bondsbestuur niet heeft laten weten waarom de huidige wijze van financiële administratievoering door Amstelglorie niet juist zou zijn. Het bestuur van Amstelglorie heeft verder meegedeeld dat zij haar administratie en jaarcijfers over 2016 tijdig en conform de aanwijzingen van het bondsbestuur heeft aangeleverd (zowel digitaal als op papier en met onderliggende stukken) en dat het haar dan ook verbaast waarom het bondsbestuur niet kan consolideren over 2016.
2.8.

Bij e-mailbericht van 11 juli 2017 heeft het bondsbestuur het bestuur van Amstelglorie nogmaals verzocht om uiterlijk op 14 juli 2017 schriftelijk te bevestigen dat Amstelglorie per 1 augustus 2017 haar financiële administratie in AFAS gaat voeren.
2.9.

Bij e-mailbericht van 18 juli 2017 heeft (de gemachtigde van) het bestuur van Amstelglorie onder meer meegedeeld dat hen onvoldoende is gebleken dat er alleen door invoering van de administratie in AFAS aan de fiscus kan worden gerapporteerd en kan worden geconsolideerd. In de brief heeft het afdelingsbestuur verder laten weten dat Amstelglorie het bondsbestuur tijdig haar (in een Algemene Ledenvergadering vastgestelde) jaarcijfers over 2016 heeft aangeleverd en dat het bondsbestuur op basis daarvan kan consolideren.

3Het geschil

3.1.

De Bond vordert samengevat – [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk te veroordelen om binnen één werkdag na betekening van dit vonnis aan de Bond te overhandigen:
  1. de kas van Amstelglorie met alle originele achterliggende stukken;
  2. kassen van alle commissies met originele achterliggende stukken;
  3. bankafschriften van tuinpark Amstelglorie met alle originele achterliggende stukken;
  4. alle originele inkoopfacturen;
  5. memorialen, indien aanwezig, met alle originele achterliggende stukken;
  6. alle verkoopfacturen;
  7. ledenadministratie.
De Bond vordert verder om [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk te veroordelen om na betekening van dit vonnis maandelijks per de tiende van de opvolgende maand alle financiële documenten en informatie die nodig zijn om een deugdelijke financiële administratie van de afdeling Amstelglorie te kunnen voeren in het AFAS systeem aan de Bond te overhandigen.
Tot slot vordert de Bond om de veroordelingen te versterken met dwangsommen, met veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] in de proces- en nakosten van dit geding.

3.2.

De Bond stelt daartoe, kort gezegd, dat zij heeft besloten dat alle afdelingen de financiële administratie in AFAS moeten gaan voeren. Dit is een rechtsgeldig genomen besluit. Het bondsbestuur kan dit besluit eenzijdig nemen. Zij heeft daarvoor geen instemming van de afdelingen nodig. Desondanks is het besluit (in elk geval) tijdens de bondsvergadering op 10 december 2015 geaccordeerd door de leden.
[gedaagden gezamenlijk] weigert ten onrechte om aan dit besluit uitvoering te geven. Op grond van de artikelen 5, lid 1, en 13, lid 6, van de Statuten en artikel 8, lid 2, sub f, van het Afdelingsreglement dient [gedaagden gezamenlijk] evenwel de door de Bond genomen besluiten na te leven. Bovendien mag het afdelingsbestuur op grond van artikel 13, lid 6, van de Statuten geen beleid voeren dat in strijd is met het beleid van de Bond. [gedaagden gezamenlijk] zijn bovendien afdelingsbestuurders van een afdeling, die geen rechtspersoonlijkheid heeft. Zij hebben dus niet de vrijheid om zelf te beslissen om al dan niet in AFAS te gaan werken, aldus de Bond.
3.3.

[gedaagden gezamenlijk] voert verweer.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De vordering van de Bond strekt tot afgifte van, kort gezegd, de financiële administratie van tuinpark Amstelglorie. Een dergelijke vordering is in kort geding slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en indien van de Bond niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
4.2.

Het spoedeisend belang van de Bond is aanwezig, nu zij de gevraagde bescheiden stelt nodig te hebben om de financiële administratie van tuinpark Amstelglorie zelf in AFAS in te kunnen voeren. Op die manier kan zij onder meer voldoen aan haar verplichting ten opzichte van de Belastingdienst om over de afgelopen vijf jaar en in de toekomst Btw-aangifte te doen.
4.3.

[gedaagden gezamenlijk] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het besluit van het bestuur van de Bond om de financiële administratie in AFAS te gaan voeren niet rechtsgeldig is genomen. Voorafgaande aan de bondsvergadering van 10 december 2015 was dit besluit niet op de agenda vermeld. Bovendien was het bondsbestuur niet bevoegd om dit besluit zonder instemming van de bondsvergadering te nemen. De Bond heeft haar verplichting om Btw-aangifte te doen niet aangetoond en ook niet dat zij enkel door invoering van de financiële administratie in AFAS aan haar verplichting ten opzichte van de Belastingdienst kan voldoen. Bovendien staat nergens in de Statuten dat de Bond haar jaarrekening dient te centraliseren of consolideren. Daar komt bij dat het bestuur van Amstelglorie begin 2017 de jaarcijfers over 2016 volgens haar eigen boekhoudsysteem heeft aangeleverd. Daarmee heeft zij aan haar verplichtingen voldaan. De Bond heeft dan ook geen redelijk doel of belang bij haar besluit. Op grond van artikel 13, lid 7, van de Statuten is het afdelingsbestuur voor haar eigen afdelingsbeleid verantwoording verschuldigd aan de Afdelingsvergadering. Dat geldt ook voor wat de afdeling doet met de gelden en heffingen die zij aan de Afdelingsleden mag opleggen. Dat geld is doelvermogen voor de Afdeling en niet voor de Bond (zoals volgt uit artikel 13, lid 13, van de Statuten), aldus [gedaagden gezamenlijk]
4.4.

In geschil is de vraag of het besluit van het bestuur van de Bond om de financiële administratie in AFAS te (gaan) voeren bevoegd (en daarmee rechtsgeldig) is genomen en (vervolgens) of tuinpark Amstelglorie gehouden is om dat besluit uit te voeren.
4.5.

In artikel 11, lid 2, van de Statuten is bepaald dat het bondsbestuur verantwoordelijk is voor het nemen van alle strategische en tactische beslissingen met betrekking tot het door de Bond voorgestane beleid van de Bond. In lid 3 van dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat het bondsbestuur meer in het bijzonder als taak en bevoegdheid heeft het coördineren van afdelingsoverschrijdende aangelegenheden (sub m).
4.6.

In artikel 13, lid 2, van de Statuten is bepaald dat een afdeling de belangen van haar tuinpark behartigt en de zaken regelt die uitsluitend de eigen afdeling betreffen. De taken en bevoegdheden van de afdelingen zijn vastgesteld in het Afdelingsreglement. Ingevolge lid 6 van dit artikel is een afdelingsbestuur binnen haar afdeling belast met het uitvoeren en handhaven van het bondsbeleid, zoals dat door het bondsbestuur aan het afdelingsbestuur is gemandateerd. Daarnaast voert een afdeling een op haar eigen afdeling gericht afdelingsbeleid, welk afdelingsbeleid niet in strijd mag zijn met het beleid van de Bond.
In artikel 13, lid 7, van de Statuten is bepaald dat het afdelingsbestuur voor de door het bondsbestuur gemandateerde taken en bevoegdheden verantwoording verschuldigd is aan het bondsbestuur. Voor het eigen afdelingsbeleid is het afdelingsbestuur verantwoording verschuldigd aan de afdelingsvergadering.

4.7.

Ingevolge artikel 17, lid 1, van de Statuten is het bondsbestuur verplicht van de vermogenstoestand van de Bond en van alles betreffende de werkzaamheden van de Bond, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze administratie te voeren en daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de Bond kunnen worden gekend.
4.8.

Overwogen wordt als volgt. Voorshands is voldoende aannemelijk dat het besluit van het bondsbestuur om de financiële administratie in AFAS te voeren valt onder de omschrijving van de taken en verplichtingen van het bondsbestuur als bedoeld in artikel 17, lid 1, van de Statuten. Het betreft een strategische beslissing in de zin van artikel 11, lid 2, van de Statuten en het is bovendien een afdelingsoverschrijdende aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, lid 3, sub m, van de Statuten. Uit deze artikelen volgt dan ook dat het bondsbestuur bevoegd is om dit besluit te nemen (en daarmee dat het besluit rechtsgeldig is genomen). In tegenstelling tot hetgeen [gedaagden gezamenlijk] stelt, is niet gebleken dat daarvoor (tevens) toestemming van de bondsvergadering, bestaande uit de afgevaardigden van de afdelingen, nodig is. Ook de door [gedaagden gezamenlijk] aangevoerde omstandigheid dat dit besluit voorafgaand aan de bondsvergadering van 10 december 2015 niet op de agenda was vermeld, doet dus niet af aan de rechtsgeldigheid van het besluit. Ook kan [gedaagden gezamenlijk] niet in haar stelling worden gevolgd dat zij rauwelijks met dit besluit is geconfronteerd en rauwelijks is gedagvaard, nu blijkens de verslagen van de bondsvergaderingen van 10 december 2015, 11 juni 2016 en 10 december 2016 meerdere malen (uitvoerig) is gesproken over dit onderwerp en de onder rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.8 genoemde correspondentie tussen partijen is gevoerd.
4.9.

[gedaagden gezamenlijk] heeft in dit verband verder naar voren gebracht dat het bondsbestuur ook op grond van artikel 11, lid 8, van de Statuten niet bevoegd was om dit besluit te nemen, nu de kosten die gepaard gaan met de invoering van AFAS € 119.000,- bedragen en daarmee de vastgestelde begroting met meer dan 5% overschrijden.
4.10.

In artikel 11, lid 8, van de Statuten is bepaald dat het bondsbestuur niet bevoegd is beslissingen te nemen waarvan de financiële verplichtingen de voor dat boekjaar vastgestelde begroting in totaal met meer dan 5% overschrijden. [gedaagden gezamenlijk] stelt weliswaar dat invoering van AFAS gepaard gaat met € 119.000,- aan kosten, maar laat na om die stelling nader te onderbouwen. De Bond betwist daarentegen dat die kosten door de invoering van AFAS (in een boekjaar) verschuldigd zouden zijn. Het is de voorzieningenrechter ook anderszins niet gebleken dat dit het geval zou zijn.
4.11.

Nu sprake is van een rechtsgeldig besluit van het bondsbestuur, is het afdelingsbestuur van Amstelglorie gehouden om dit besluit uit te voeren. Uit de artikelen 5, lid 1, onder a, van de Statuten en 8, lid 2, sub f, van het Afdelingsreglement volgt immers dat [gedaagden gezamenlijk] , als afdelingsbestuurslid en als afzonderlijk lid van de Bond, gehouden is om besluiten van het bondsbestuur na te leven. De weigering van [gedaagden gezamenlijk] om het besluit van het bondsbestuur uit te voeren is bovendien in strijd met het bondsbeleid, hetgeen niet is toegestaan op grond van artikel 13, lid 6, van de Statuten.
Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat niet alle leden van Amstelglorie gelukkig zijn met het standpunt van het bestuur en getracht hebben een extra ledenvergadering te beleggen, hetgeen op formele gronden is geweigerd. Verder is het bestuur niet compleet, zo is er geen voorzitter. Het komt de voorzieningenrechter voor dat het bestuur voldoende draagkracht moet hebben voor haar beleid en daartoe met haar leden op een lijn moet zien te komen.

4.12.

De vordering tot afgifte van de gevraagde bescheiden alsmede de vordering om de benodigde documenten maandelijks aan het bondsbestuur te verschaffen, worden gelet op het vooroverwogene toegewezen. De Bond heeft immers toegelicht dat zij, bij weigering van het bestuur om AFAS te gebruiken, deze documenten nodig heeft om de financiële administratie van Amstelglorie zelf in AFAS in te kunnen voeren. Aangezien niet kan worden vastgesteld wie van de bestuursleden welke documenten onder zich heeft zal ieder van hen hoofdelijk worden veroordeeld.
4.13.

Tot slot heeft [gedaagden gezamenlijk] nog naar voren gebracht dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in (het petitum van) de dagvaarding ten onrechte niet in hun hoedanigheid als bestuurslid van de afdeling Amstelglorie zijn gedagvaard maar als privépersonen. [gedaagden gezamenlijk] vraagt zich af wat er gebeurt als zij in dit vonnis op straffe van dwangsommen wordt veroordeeld tot afgifte van de gevraagde documenten en zij kort daarna aftreedt als bestuurslid van Amstelglorie.
4.14.

Voorop gesteld wordt dat (het bestuur van) de afdeling Amstelglorie zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft. Dit brengt met zich dat het voor de Bond alleen mogelijk is de bestuursleden van Amstelglorie als privépersonen te dagvaarden. Aan de toewijzing van de vorderingen zal wel de voorwaarde worden verbonden dat de veroordelingen genoemd onder 5.1. en 5.2. enkel gelden zolang [gedaagden gezamenlijk] bestuurslid van Amstelglorie is.
4.15.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als volgt.
4.16.

[gedaagden gezamenlijk] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Bond worden begroot op:
[]
4.17.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing vermeld.

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zolang zij bestuurslid van de afdeling Amstelglorie zijn, om binnen één week na betekening van dit vonnis aan de Bond aan de [straat] te [plaats] de volgende documenten te overhandigen:
  1. de kas van Amstelglorie met alle originele achterliggende stukken;
  2. kassen van alle commissies met originele achterliggende stukken;
  3. bankafschriften van tuinpark Amstelglorie met alle originele achterliggende stukken;
  4. alle originele inkoopfacturen;
  5. memorialen, indien aanwezig, met alle originele achterliggende stukken;
  6. alle verkoopfacturen;
  7. ledenadministratie.
5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zolang zij bestuurslid van de afdeling Amstelglorie zijn, om na betekening van dit vonnis maandelijks per de tiende van de opvolgende maand alle financiële documenten en informatie die nodig zijn om een deugdelijke financiële administratie van de afdeling Amstelglorie te kunnen voeren in het AFAS systeem aan de Bond aan de [straat] te [plaats] te overhandigen;
5.3.

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] om aan de Bond een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1. en 5.2. uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;

Beroep op ALV is achteraf (Schelforst)

Rechtbank Overijssel 8 februari 2016

Conflict bij volkstuinvereniging. Bestuur zegt lidmaatschap van lastige leden op. Statuten geven recht op beroep daartegen bij ALV. Bestuur weigert dit omdat het “het ten vierde male bijeen roepen van de ALV dient volgens het bestuur geen enkel doel, nu de leden zich reeds hebben uitgesproken in de [voorafgaand aan de opzegging] gehouden ALV.” De rechter maakt korte metten met dit argument. Als de statuten recht geven op beroep tegen opzegging, dat maakt het niet of en hoe de voorgenomen opzegging op ALVs is besproken en dat toen een ruime meerderheid van de leden voor was.

” Ten onrechte gaat het bestuur van de Volkstuinvereniging ervan uit dat de in artikel 5 lid 7 bedoelde ALV al op 21 september 2015, voorafgaande aan haar opzeggingsbesluit, heeft plaatsgevonden. Dat is niet slechts in strijd met de voorgeschreven statutaire gang van zaken maar zou ook de positie van [eiser 2 = het lid] c.s ten onrechte verzwakken. Ter vergadering dient het bestuur haar besluit aan de ALV voor te leggen en toe te lichten, waarna [eiser 2] c.s het recht hebben om hun visie op de zaak aan de ALV te geven. Het gaat dan om een vergadering die duidelijk is geagendeerd, waaruit zonneklaar blijkt dat het bestuur haar opzeggingsbesluit van [eiser 2] c.s als gevolg van het daartegen ingestelde beroep, aan de ALV wil voorleggen en zal handhaven als de ALV het bezwaar van [eiser 2] c.s afwijst. De oproeping van de vergadering van 21 september 2015 [] is niet op deze duidelijke wijze geagendeerd zodat niet vaststaat dat ter vergadering alle leden aanwezig waren die over de materie zouden willen oordelen. Het niet volgen van artikel 5 lid 7 van de statuten zou de besluitvorming in strijd doen zijn met het bepaalde in onder meer de artikelen 2:8 en 2:14 B.W.”


Vonnis in kort geding van 8 februari 2016
in de zaak van1 [eiser 1] – 3. [eiser 3], eisers,tegen de rechtspersoonlijkheid bezittende (sic!) vereniging
VOLKSTUINVERENIGING SCHELFORST, gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiser 2] c.s. en de Volkstuinvereniging genoemd worden.

2De feiten

2.1.

Eisers zijn lid van de Volkstuinvereniging. Deze vereniging is in 2010 opgericht, nadat het Volkstuincomplex ‘Schelfhorst’ failliet was gegaan. Eisers waren lid van de tuintechnische commissie, die onder meer tot haar taak had het adviseren van het bestuur inzake de verhuur van tuinen.

2.2.

In de statuten van de Volkstuinvereniging is onder meer het volgende opgenomen.

Einde lidmaatschapArtikel 51. Het lidmaatschap eindigt:(…)c. door opzegging namens de vereniging. Deze kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten of reglementen gesteld te voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen ook die uit hoofde van een tussen de vereniging en het lid gesloten huurovereenkomst jegens de vereniging niet nakomt, alsook wanneer redelijkerwijs van devereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.(…)2. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging geschiedt door het bestuur.(…)7. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap door de vereniging op grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, (…) staat de betrokkene binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit schriftelijk beroep open op de eerstvolgende algemene ledenvergadering. Hij wordt daartoe ten spoedigste schriftelijk van het besluit met opgave van redenen in kennis gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid in voorkomend geval geschorst.(…)Toegang en stemrechtArtikel 141. Toegang tot de algemene ledenvergadering hebben alle leden van de vereniging. Geen toegang hebben geschorste leden en geschorste bestuursleden, behoudens indien en voor zover in die vergadering hun schorsing aan de orde komt.(…)2. Ieder lid van de vereniging, voor zover niet geschorst, heeft het recht het woord te voeren, het recht van initiatief, het recht van amendement en het recht van interpellatie. Hij heeft voorts het recht tot het uitbrengen van een stem.(…)Besluitvorming van de algemene ledenvergaderingArtikel 16(…)1. Voor zover de statuten of de wet niet anders bepalen, worden alle besluiten van de algemene ledenvergadering genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.7. Alle stemmingen over personen geschieden schriftelijk (…). Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes. Besluitvorming bij acclamatie is mogelijk, tenzij een stemgerechtigde hoofdelijke stemming verlangt.Het Huishoudelijk reglement Volkstuinvereniging ‘Schelfhorst’ luidt onder meer als volgt.Artikel 1Elk lid dient het bepaalde in de statuten in acht te nemen, zich op het tuincomplex zodanig te gedragen dat niemand enige overlast ondervindt.

2.3.

Tussen [eiser 2] c.s. en het bestuur van de Vereniging is een verschil van inzicht ontstaan over het zich al dan niet discriminerend uitlaten van de bestuursvoorzitter tijdens een op 25 augustus 2014 gehouden vergadering van het bestuur en de tuintechnische commissie, in die zin dat hij gezegd zou hebben dat buitenlanders van de wachtlijst moesten. [eiser 2] heeft de bestuurssecretaris verzocht deze (beweerdelijke) uitlatingen van de voorzitter in de notulen op te nemen. Op de volgende vergadering van het bestuur en de tuintechnische commissie op 13 oktober 2014 heeft [eiser 2] gevraagd waarom de bewuste uitlating niet in de notulen is opgenomen. Het bestuur heeft vervolgens ontkend dat de voorzitter zich aldus zou hebben uitgelaten. Daarop hebben [eiser 2] c.s. hun lidmaatschap van de tuintechnische commissie per direct opgezegd en hebben zij de vergadering verlaten.
2.4.

Bij brief van 19 oktober 2014 heeft het bestuur [eiser 2] laten weten dat zij van verschillende tuinders heeft vernomen dat [eiser 2] leden heeft benaderd over het tussen [eiser 2] c.s. en het bestuur ontstane verschil van inzicht. Gebleken is dat [eiser 2] een lijst heeft laten rond gaan onder de leden om handtekeningen te verzamelen tegen ‘discriminatie’ binnen het tuincomplex. Daarbij heeft het bestuur [eiser 2] aangezegd dat dit in het algemeen belang van de vereniging door het bestuur niet kan worden geaccepteerd. Daarbij heeft het bestuur gewezen op artikel 1 van het huishoudelijk reglement.
2.5.

Op 24 oktober 2014 hebben [eiser 2] c.s. een brief aan het bestuur en de leden van de Volkstuinvereniging gestuurd, waarin zij eisen dat het bestuur excuses aanbiedt voor de (vermeende) discriminerende opmerkingen en belooft zich te distantiëren van elke vorm van discriminatie.
2.6.

Op 13 november 2014 hebben [eiser 2] c.s. een klacht tegen het bestuur ingediend bij Artikel 1 Overijssel, een antidiscriminatievoorziening die in opdracht van alle 25 gemeenten van de Provincie Overijssel de wet op de gemeentelijke anti-discriminatievoorziening uitvoert.
2.7.

In februari 2015 heeft het bestuur de leden van de Volkstuinvereniging schriftelijk geïnformeerd over de stand van zaken.
2.8.

Bij brief van 24 maart 2015 heeft het bestuur [eiser 2] c.s. meegedeeld dat zij met inachtneming van artikel 6 juncto artikel 5 lid 1 c van de statuten en artikel 1 van het huishoudelijk reglement, met onmiddellijke ingang in afwachting van nadere besluitvorming zijn geschorst als leden van de Volkstuinvereniging.
2.9.

Bij brief van eveneens 24 maart 2015 heeft het bestuur de leden uitgenodigd voor een extra ledenvergadering op 13 april 2015. Op de agenda staat onder meer de bespreking van maatregelen van het bestuur naar aanleiding van de situatie op het tuincomplex en stemmen hierover. Als toelichting is het volgende in de brief opgenomen:
Tijdens de algemene jaarvergadering van 2 maart j.l. is het bestuur gevraagd of het niet tijd werd maatregelen te nemen tegen een aantal onruststokers binnen de vereniging. Het bestuur heeft aldus gewenste maatregelen getroffen en [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] geschorst in afwachting van het oordeel van de ledenvergadering. (…) De thans door het bestuur genomen beslissing doet naar ons oordeel recht aan wat op de algemene ledenvergadering is gevraagd, namelijk het herstellen van de rust en de sfeer op het tuincomplex.
Het bestuur acht het van het grootste belang u als leden van de vereniging te raadplegen of u het bestuursbeleid in deze ondersteunt en zal zich op basis van de uitslag van deze raadpleging beraden op vervolgstappen’.

2.10.

Bij brief van 6 april 2015 verzoeken [eiser 2] c.s. het bestuur de schorsing ongedaan te maken.
2.11.

Het bestuur laat daarop bij brief van 10 april 2015 weten dat [eiser 2] c.s. voorbij zien aan artikel 6 van de statuten, waarin expliciet de bevoegdheid van het bestuur om tot schorsing van leden over te gaan is neergelegd. Tevens wordt [eiser 2] c.s. meegedeeld dat het bestuur tijdens de ledenvergadering aan de leden slechts de vraag zal voorleggen of zij het bestuur steunen in haar beleid om in gevallen als deze tot het opzeggen van het lidmaatschap over te gaan. De schorsing van [eiser 2] c.s. zal geen onderwerp van gesprek zijn. Daarom hebben [eiser 2] c.s. als geschorste leden ingevolge de statuten geen recht om de vergadering bij te wonen.
2.12.

In de notulen van de op 13 april 2015 gehouden extra ledenvergadering is verwoord dat het bestuur het voornemen heeft om op de schorsing het opzeggen van het lidmaatschap (van [eiser 2] c.s.) te laten volgen en hen daarmee duurzaam uit de vereniging te weren.
Opgemerkt is dat, om de procedure zuiver te houden, er nu niet gediscussieerd zal worden over de schorsingen.
Tevens vraagt het bestuur de leden schriftelijk te laten weten of zij het geformuleerde beleid van het bestuur, ondersteunen. Dit beleid is in de notulen als volgt verwoord:
Het bestuur op geen enkel wijze en van geen enkel lid grensoverschrijdend gedrag waarbij bestuursleden beticht worden van discriminatie en al helemaal niet wanneer dat – zoals in het onderhavige geval – ook nog eens zeer breed gedragen tot zelfs een aanklacht bij het College Rechten van de Mens toe.
Evenmin aanvaarden wij:
  • Het bewust negeren van bestuursbesluiten
  • Een gedrag waarbij tweedracht wordt gezaaid tussen leden van de vereniging
  • Aantasting van een rustig en genoegzaam tuinieren
  • Intimidatie van leden om iets te doen wat zij beslist niet wensen
  • Met gerichte acties grote onrust veroorzaken in de vereniging
  • Provocerend gedrag, zoals het brengen van de Hitlergroet in de richting van de tuin van een bestuurslid
Een dergelijk handelen van leden kunnen en willen wij niet accepteren en zullen dan ook niet ongestraft kunnen passeren. Onze verantwoordelijkheid en zorg bestaat uit het adequaat besturen van de vereniging en daarbij hoort een respectvol leden gedrag.
Gedragingen van het kaliber als hiervoor genoemd tasten in zodanige ernstige mate de verenigingsbelangen aan dat geen enkel bestuur ontkomt aan drastische maatregelen, zoals het opzeggen van het lidmaatschap.
Zijn bovengenoemde punten als ernstig genoeg, in de nu lopende zaak komt daar nog bij:
  • Het bestuur onthouden van de nodige informatie, zodat niet bekend wie zich aangemeld heeft als lid en wanneer
  • Tuinen toewijzen zonder rekening te houden met datum van aanmelden
  • Het niet op de gebruikelijke wijze aansnijden van een onderwerp. Alleen aan de orde stellen door te ‘eisen’ en wel ‘onmiddellijk’ en vervolgens weg te lopen’.
2.12.

Op 23 juni 2015 heeft het College voor de Rechten van de Mens uitspraak gedaan inzake de door [eiser 2] c.s. jegens de Volkstuinvereniging ingediende klacht. Het oordeel luidt:
– niet is gebleken dat verweerster onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door bij haar toewijzingsbeleid van volkstuinen personen met een buitenlandse naam uit te sluiten;
– verweerster wel onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door voor asielzoekers een afwijkend toewijzingsbeleid ten opzichte van overige geïnteresseerden toe te passen;
– Niet is gebleken dat verweerster in strijd heeft gehandeld met het verbod van intimidatie;
– Verweerster in strijd heeft gehandeld met het victimisatieverbod van artikel 8a AWGB.
2.13.

Op 24 juni 2015 hebben [eiser 2] c.s. een brief aan de leden van de Volkstuinvereniging geschreven, waarin zij toelichten waarom zij zijn vertrokken als leden van de tuintechnische commissie. Voorts hebben zij te kennen gegeven dat zij van mening zijn dat als gevolg van de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens, het vertrouwen in het bestuur en de twee nog zittende leden van de tuintechnische commissie opgezegd dient te worden.
2.14.

Bij brief van 21 juli 2015 heeft het bestuur van de Volkstuinvereniging de aan eisers opgelegde schorsing opgeheven.
2.15.

Op 2 september 2015 nodigt het bestuur de leden uit voor een extra ledenvergadering op 21 september 2015. Als punt 2 op de agenda staat vermeld ‘Uitleg van de voorzitter over de stand van zaken en uitspraken rond de klachten en aangiftes van enkele leden tegen het bestuur. Na deze uitleg is er de mogelijkheid voor het stellen van vragen’. Als punt 3 staat op de agenda: ‘Stemming over visie van het bestuur en voornemens bestuur zoals aangegeven in de brief van 20 juli 2015. Het bestuur vraagt de leden steun voor haar beleid en de te nemen maatregelen.
2.16.

Bij brief van 5 november 2015 beëindigt het bestuur het lidmaatschap van de Volkstuinvereniging van [eiser 2] c.s. per 1 januari 2016. Daarbij heeft het bestuur tevens aangetekend dat [eiser 2] c.s. uiterlijk op 31 december 2015 de tuinen schoon dienen op te leveren en de sleutels van het tuincomplex dienen in te leveren bij een van de bestuursleden.
2.17.

Op 1 december 2015 tekent de raadsman van [eiser 2] c.s. beroep aan tegen het besluit tot opzegging van het lidmaatschap.
2.18.

Bij brief van 8 december 2015 heeft het bestuur het verzoek van [eiser 2] c.s. ingewilligd om de gevorderde ontruiming op te schorten, en wel tot 1 februari 2016.
2.19.

Bij brief van 16 december 2015 heeft het bestuur [eiser 2] c.s. onder meer meegedeeld dat en waarom het besluit van 5 november 2015 tot opzegging van het lidmaatschap onverkort wordt gehandhaafd en dat zij geen beroep meer kunnen instellen bij de Algemene Ledenvergadering (ALV), omdat zij die gelegenheid hebben laten passeren. Het ten vierde male bijeen roepen van de ALV dient volgens het bestuur geen enkel doel, nu de leden zich reeds hebben uitgesproken in de op 21 september 2015 gehouden ALV.

3Het geschil

3.1.

Samengevat weergegeven vorderen [eiser 2] c.s.:
Primair:
I. vernietiging van het besluit tot het opzeggen van het lidmaatschap van [eiser 2] c.s. van de Volkstuinvereniging;
II. de Volkstuinvereniging op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden de door [eiser 2] c.s. gehuurde tuinen per 1 februari 2016 te ontruimen;
III. veroordeling van de Volkstuinvereniging inde kosten van deze procedure;
Subsidiair:
IV. de Volkstuinvereniging te veroordelen tot het bijeen roepen van een ALV waarin het beroepschrift van [eiser 2] c.s. inhoudelijk zal worden behandeld, waarbij [eiser 2] c.s. de mogelijkheid krijgen om – al dan niet door een door hen te benoemen gemachtigde – het beroepschrift toe te lichten;
V. te bepalen dat er tijdens de ALV een stemcommissie wordt benoemd waarbij het bestuur twee leden benoemt en [eiser 2] c.s. twee leden benoemen;
VI. te bepalen dat op de betreffende vergadering terzake de stemming over de beëindiging van het lidmaatschap van [eiser 2] c.s. slechts één stem per gehuurde volkstuin kan worden uitgebracht, ongeacht de grootte van de volkstuin;
VII. de Volkstuinvereniging op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden de door [eiser 2] c.s. gehuurde tuinen per 1 februari 2016 te ontruimen;
VIII. veroordeling van de Volkstuinvereniging in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Volkstuinvereniging voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is uit het gestelde en het gevorderde voldoende aannemelijk geworden en wordt door de Volkstuinvereniging ook niet betwist.
4.2.

Voorop dient te worden gesteld dat voor de primair sub I gevorderde vernietiging van het besluit van het bestuur van de Volkstuinvereniging geen plaats is in een procedure als de onderhavige. Het oordeel van de voorzieningenrechter draagt immers naar de aard van een kort-gedingprocedure een voorlopig karakter, terwijl vernietiging van het besluit van het bestuur een principaal en constitutief karakter heeft, welke beslissing in beginsel aan de bodemrechter is voorbehouden. Ter zitting hebben [eiser 2] c.s. te kennen gegeven dat als de voorzieningenrechter van oordeel is dat in feite met het sub I gevorderde een declaratoire uitspraak wordt gevraagd, zij deze vordering zullen intrekken. Gelet op het vorenstaande beschouwt de voorzieningenrechter het sub I gevorderde als ingetrokken.
4.3.

Het vorenstaande laat onverlet dat in dit kort geding moet worden beoordeeld of bij de besluitvorming van het bestuur de juiste procedurele weg is bewandeld. Alvorens dat te toetsen overweegt de voorzieningenrechter dat de omvang van dit kort geding daarin haar beperking kent. Door partijen is uitgebreid gedebatteerd over de vraag of het bestuur al dan niet zou hebben gediscrimineerd bij het aannemen van nieuwe leden dan wel zodanige discriminatie van plan zou zijn geweest. De reacties over en weer van [eiser 2] c.s en het bestuur zijn door partijen inzichtelijk gemaakt en deels van een kwalificatie voorzien. Uit diverse geproduceerde stukken en uit hetgeen partijen desgevraagd ter zitting hebben verklaard meent de voorzieningenrechter te kunnen afleiden dat de discussie over al dan niet discriminatie de onderliggende problematiek enigszins toedekt. Duidelijk is immers ter zitting geworden dat het bestuur kennelijk niet tevreden was over de wijze waarop [eiser 2] c.s invulling gaven aan hun functioneren als tuintechnische commissie en dat [eiser 2] c.s. op hun beurt het optreden en de houding van het bestuur bij hun taakuitoefening beneden de maat vonden. Uit de uitspraak van de Commissie voor de Rechten van de Mens van 23 juni 2015 kan in ieder geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat er van daadwerkelijke discriminatie bij de invulling van het ledenbeleid sprake is geweest.
4.4.

Niet ter toetsing in dit kort geding ligt dan ook voor de vraag of [eiser 2] c.s door hun opstelling en gedrag redenen hebben gegeven tot opzegging door het bestuur van hun lidmaatschap. In beginsel komt zodanige opzeggingsbevoegdheid aan het bestuur toe zoals blijkt uit artikel 5 lid 1 sub c juncto lid 2 van de statuten. Noch uit de statuten, noch uit het huishoudelijk reglement blijkt dat het bestuur een dergelijk besluit eerst kan nemen als de leden vooraf zijn geconsulteerd en de meerderheid van de leden daarmee heeft ingestemd. Of een meerderheid van de leden zich op de ALV van 21 september 2015 heeft uitgesproken voor de opzegging van het lidmaatschap is in zoverre derhalve niet doorslaggevend. Het is aan [eiser 2] c.s om tegen een uiteindelijke opzegging al dan niet in een bodemprocedure op te komen.
4.5.

De statuten kennen derhalve niet een procedure die het bestuur voorafgaande aan haar besluit moet volgen. Daarentegen kennen de statuten wel een procedure die moet worden gevolgd als het opgezegde lid tegen het bestuursbesluit tot opzegging beroep instelt bij de ALV. Artikel 5 lid 7 noodzaakt het bestuur in dat geval haar besluit aan de ALV voor te leggen, terwijl in casu [eiser 2] c.s het recht toekomt om tijdens die ALV zelf of via een gemachtigde hun beroep toe te lichten.
4.6.

Ten onrechte gaat het bestuur van de Volkstuinvereniging ervan uit dat de in artikel 5 lid 7 bedoelde ALV al op 21 september 2015, voorafgaande aan haar opzeggingsbesluit, heeft plaatsgevonden. Dat is niet slechts in strijd met de voorgeschreven statutaire gang van zaken maar zou ook de positie van [eiser 2] c.s ten onrechte verzwakken. Ter vergadering dient het bestuur haar besluit aan de ALV voor te leggen en toe te lichten, waarna [eiser 2] c.s het recht hebben om hun visie op de zaak aan de ALV te geven. Het gaat dan om een vergadering die duidelijk is geagendeerd, waaruit zonneklaar blijkt dat het bestuur haar opzeggingsbesluit van [eiser 2] c.s als gevolg van het daartegen ingestelde beroep, aan de ALV wil voorleggen en zal handhaven als de ALV het bezwaar van [eiser 2] c.s afwijst. De oproeping van de vergadering van 21 september 2015 ( zie productie 12 bij dagvaarding) is niet op deze duidelijke wijze geagendeerd zodat niet vaststaat dat ter vergadering alle leden aanwezig waren die over de materie zouden willen oordelen. Het niet volgen van artikel 5 lid 7 van de statuten zou de besluitvorming in strijd doen zijn met het bepaalde in onder meer de artikelen 2:8 en 2:14 B.W.
4.7.

De conclusie is derhalve dat alsnog een ALV moet worden bijeengeroepen teneinde invulling te geven aan het bepaalde in artikel 5 lid 7 van de statuten. Het subsidiair sub IV gevorderde is dan ook voor toewijzing vatbaar. Het spreekt vanzelf dat de Volkstuinvereniging, indien en zolang de beroepsprocedure bij de ALV nog niet is afgerond, niet van [eiser 2] c.s mag verlangen dat reeds tot ontruiming wordt overgegaan. Het subsidiair onder VII gevorderde is in zoverre dan ook eveneens voor toewijzing vatbaar. Voor het toewijzen van het subsidiair sub V en VI gevorderde ziet de voorzieningenrechter geen reden aanwezig. Niet is onderbouwd de stelling dat er redenen zouden moeten zijn om te twijfelen aan de oprechtheid van een stemcommissie die ter ALV zal moeten worden benoemd, terwijl de statuten in artikel 14 lid 2 al voorschrijven dat ieder lid het recht heeft tot het uitbrengen van 1 stem zodat niet duidelijk is waarom er ter vergadering anders zou worden gehandeld.
4.8.

De voorzieningenrechter zal voorts de gevorderde dwangsom in navolgende zin matigen en maximeren.
4.9.

De Volkstuinvereniging zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 2] c.s. worden begroot op:
– dagvaarding € 100,12
– griffierecht 288,00
– salaris advocaat 816,00
Totaal € 1.204,12
4.10.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de Volkstuinvereniging in haar conclusie van antwoord een aantal vorderingen heeft neergelegd. De Volkstuinvereniging kan in deze vorderingen, die de voorzieningenrechter kwalificeert als reconventionele vorderingen, niet worden ontvangen, aangezien artikel 7.1 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie bepaalt dat alleen de gedaagde die die bij advocaat ter zitting verschijnt, een eis in reconventie kan instellen.

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

veroordeelt de Volkstuinvereniging om binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis een ALV bijeen te roepen en op de agenda te plaatsten de behandeling van het door [eiser 2] c.s. d.d. 1 december 2015 tegen het besluit tot opzegging van hun lidmaatschap ingediende beroepschrift en hen tijdens de ALV de mogelijkheid te bieden – al dan niet bij monde van een gemachtigde – om hun beroepschrift toe te lichten,
5.2.

verbiedt de Volkstuinvereniging om de door [eiser 2] c.s. gehuurde volkstuinen te ontruimen tot in ieder geval twee weken nadat de ALV op het beroep van [eiser 2] c.s. heeft beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,– voor iedere dag dat de Volkstuinvereniging hiermee in strijd handelt, tot een maximum van € 25.000,– is bereikt,
5.3.

veroordeelt de Volkstuinvereniging in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 2] c.s. tot op heden begroot op € 1.204,12,
5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Verplichtingen zonder basis in statuten (Aqua Horst)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 13 januari 2015
ECLI:NL:GHARL:2015:120

Recreatieparkzaak. Verplicht lidmaatschap en ledenverplichtingen van bewoners. De vereniging heeft de bewoners gesommeerd om een camper te verwijderen en dat op basis van het reglement van de vereniging een boete verschuldigd is. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen, omdat in de koopakte wel staat dat de bewoners lid worden, maar de bewoners zich niet daadwerkelijk schriftelijk bij het bestuur hebben aangemeld. Het hof ziet wel een mogelijkheid voor lid worden van een vereniging op grond van een derdenbeding in een koopakte en feitelijke gedragingen, maar kan dit uiteindelijk in het midden laten. Het tweede verweer, dat de verplichting om geen campers op het park te parkeren en de daaraan verbonden boete, geen grondslag vinden in de statuten van de Vereniging, treft namelijk doel.

arrest van de derde kamer van 13 januari 2015
in de zaak van
de vereniging Recreatiepark Aqua Horst, appellante, hierna: de Vereniging,
tegen: 1. [geïntimeerde sub 1] 2. [geïntimeerde sub 2], geïntimeerden, hierna: [geïntimeerden] […]

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 5 juni 2013 en 25 september 2013 die de rechtbank Gelderland tussen de Vereniging als eiseres en [geïntimeerden] als gedaagde heeft gewezen.

4De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Het gaat in de onderhavige zaak om het volgende.
De Vereniging is in december 1993 bij notariële akte opgericht.
Het doel van de Vereniging is, blijkens artikel 3 van de oprichtingsakte/statuten, het in de ruimste zin des woords behartigen van de belangen van de eigenaren/gerechtigden van/tot de rechten van ondererfpacht binnen het Recreatiepark Aquahorst te Ermelo (hierna: het park), in het bijzonder het beheren en onderhouden van de in het park gelegen gemeenschappelijke terreinen.
In artikel 5 van de oprichtingsakte/statuten is bepaald dat een aanvraag om lid te worden schriftelijk dient te worden gericht aan het bestuur, waarna het bestuur binnen twee maanden beslist over de toelating, welk besluit bij aangetekende brief wordt meegedeeld aan de aanvrager.
In artikel 15 van de oprichtingsakte/statuten is vermeld dat nadere regels, de Vereniging betreffende, in een huishoudelijk reglement kunnen worden neergelegd.
De Vereniging heeft in 1994 een huishoudelijk reglement opgesteld, dat nadien meerdere malen (op onderdelen) is gewijzigd. In dit huishoudelijk reglement (versie 5.0 van 12 april 2010) zijn parkregels opgenomen, waaronder de verplichting om geen kampeerauto’s, caravans en dergelijke, en om evenmin auto’s hoger dan 2.00 meter die in de categorie bestelauto of vrachtauto vallen, bij de bungalows of op het park te parkeren. In artikel 12 van het huishoudelijk reglement is vermeld dat een boete van maximaal € 5.000 is verschuldigd in geval van overtreding van een van de bepalingen van de wet, de statuten, of het reglement.
[geïntimeerden] is sinds 2006 rechthebbende op een eeuwigdurend recht van ondererfpacht van een perceel grond met een daarop gebouwde recreatiewoning op het park. In artikel 16 van de akte van levering (productie 4 bij memorie van grieven), is de verplichting opgenomen om lid te worden en te blijven van deVereniging, welk lidmaatschap niet mag worden opgezegd, anders dan op grond van het in de statuten bepaalde. Op niet-nakoming van deze verplichting is een boete gesteld van ƒ 100.000. In de akte van levering is voorts vermeld dat kopers zich bij deze aanmelden als lid van de Vereniging.
[geïntimeerden] heeft meerdere malen vergaderingen van de Vereniging bezocht en gebruik gemaakt van zijn stemrecht. Hij heeft ook facturen van de Vereniging ontvangen en betaald.
[geïntimeerden] maakt vanaf de aankoop van de (ondererfpacht van de grond met daarop de) recreatiewoning gebruik van een camper om van en naar zijn recreatiewoning te gaan. Bij brief van 13 juni 2010 (productie 10 bij memorie van grieven) heeft [geïntimeerden] het bestuur van de Vereniging op de hoogte gesteld van de vervanging van zijn oude camper door een nieuwe, langere, camper. Daarin is geschreven: “Gezien het feit, dat het bestuur al jaren de aanwezigheid van de huidige camper heeft gedoogd èn de directe buren hebben aangegeven geen bezwaren te hebben tegen een iets langere camper, geparkeerd op ons eigen terrein, beschouwen wij dit niet als een overtreding van het huishoudelijk reglement.”
De Vereniging heeft [geïntimeerden] meerdere malen verzocht en gesommeerd om de camper van het park te verwijderen. Bij brief van 27 maart 2012 (productie 23 bij akte van 17 april 2013) heeft (de advocaat van) de Vereniging in verband met de aanwezigheid van zijn camper op het park [geïntimeerden] bericht dat bij overtreding van het reglement een boete van € 100 per dag of per overtreding zal zijn verschuldigd. Bij brief van 26 juli 2012 (productie 26 bij akte van 17 april 2013) heeft de Vereniging de boete aangezegd, met ingang van 13 juli 2012.

4.2

In de inleidende dagvaarding heeft de Vereniging – kort samengevat – gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat [geïntimeerden] het huishoudelijk reglement heeft overtreden door zijn camper op het park te plaatsen en dat [geïntimeerden] hoofdelijk een boete heeft verbeurd van € 5.000, met veroordeling van [geïntimeerden] tot betaling van het bedrag van € 5.000 en de wettelijke rente daarover. Daarnaast heeft de Vereniging gevorderd [geïntimeerden] te gelasten de camper van het park te verwijderen en verwijderd te houden, op straffe van verbeurte van een dwangsom. Tevens heeft de Vereniging veroordeling van [geïntimeerden] in de buitengerechtelijke kosten en proceskosten gevorderd.
4.3

De rechtbank heeft in het vonnis van 25 september 2013 het gevorderde afgewezen. Daartoe heeft de rechtbank redengevend geoordeeld dat [geïntimeerden] geen lid is (geworden) van de Vereniging, omdat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerden] bij het bestuur schriftelijk een lidmaatschap heeft aangevraagd en de Vereniging ter comparitie heeft verklaard dat haar bestuur nooit toelatingsbesluiten heeft genomen. Daarnaast heeft de rechtbank geoordeeld dat zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet valt in te zien hoe uit de met een derde partij gesloten koopovereenkomst het lidmaatschap van de Vereniging kan voortvloeien. Tevens kunnen, naar het oordeel van de rechtbank, feitelijke gedragingen geen verandering brengen in de omstandigheid dat het voor het ontstaan van het lidmaatschap vereiste bestuursbesluit niet is genomen.
4.4

De Vereniging is met vijf grieven opgekomen tegen het vonnis van 25 september 2013. Zij heeft verzocht dit vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog haar vorderingen toe te wijzen.
[geïntimeerden] heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

4.5

Mede gelet op het uitdrukkelijke verzoek van partijen, zal het hof eerst de vraag beantwoorden of [geïntimeerden] lid is (geworden) van de Vereniging.
Deze kwestie heeft de Vereniging geregeld in artikel 5 van haar oprichtingsakte/statuten. Daarin is uitdrukkelijk bepaald dat een aanvraag om als lid te worden toegelaten schriftelijk dient te worden gericht aan het bestuur, dat het bestuur binnen twee maanden beslist over de toelating en dat het bestuur haar beslissing bij aangetekende brief meedeelt aan de aanvrager.
Tussen partijen staat vast dat zij deze procedure niet hebben gevolgd. Formeel is derhalve niet voldaan aan de in de statuten gestelde vereisten voor het verkrijgen van het lidmaatschap van de Vereniging.

4.6

Aannemelijk is echter dat [geïntimeerden] lid is geworden op grond van het derdenbeding dat is opgenomen in de akte van levering.
In artikel 16 van de akte van levering is immers de verplichting opgenomen om lid te worden en te blijven van de Vereniging, welk artikel in de slotbepalingen onder I. als een derdenbeding door de verkoper aan [geïntimeerden] is opgelegd. Ingevolge dit derdenbeding heeft [geïntimeerden] de verplichting om lid van de Vereniging te worden op zich genomen, heeft de verkoper namens de Vereniging het kettingbeding aanvaard en heeft [geïntimeerden] zich aangemeld als lid van de Vereniging.
Uit de brief van de notaris, die de akte van levering heeft gepasseerd, van 9 november 2005 (productie 5 bij memorie van grieven), waarin de notaris de Vereniging onder meer heeft verzocht om toestemming te verlenen aan de verkoper om tot de overdracht over te gaan, in samenhang gelezen met de brief van de Vereniging aan de notaris van 20 maart 2006 (productie 6 bij memorie van grieven), waarin de Vereniging zich akkoord heeft verklaard met verkoop aan [geïntimeerden], zou dan kunnen worden afgeleid dat de Vereniging het derdenbeding heeft aanvaard.

4.7

Aanwijzingen voor het lidmaatschap van [geïntimeerden] van de Vereniging zijn voorts de feitelijke gedragingen van [geïntimeerden]. Vast staat immers dat [geïntimeerden] meerdere malen vergaderingen van de Vereniging heeft bezocht en zijn stemrecht heeft uitgeoefend, facturen van de Vereniging heeft betaald en bij brief van 13 juni 2010 het bestuur van de Vereniging heeft geïnformeerd over zijn besluit een andere camper aan te schaffen. Uit deze feitelijke gedragingen valt af te leiden dat [geïntimeerden] de wil heeft gehad om lid te zijn van de Vereniging, terwijl uit de correspondentie van de Vereniging aan [geïntimeerden] valt af te leiden dat de Vereniging deze wilsuiting van [geïntimeerden] heeft aanvaard.
4.8

De vraag of [geïntimeerden] lid is geworden van de Vereniging kan in het midden blijven, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.
4.9

[geïntimeerden] heeft als verweer tegen de vorderingen van de Vereniging onder meer aangevoerd dat de verplichting om geen campers op het park te parkeren en de daaraan verbonden boete, geen grondslag vinden in de statuten van de Vereniging.
De Vereniging heeft gesteld dat de grondslag voor deze verplichting, en de daaraan verbonden boete, voortvloeit uit de doelomschrijving van de Vereniging, zoals vermeld in artikel 3 van de oprichtingsakte/statuten. Daarnaast heeft de Vereniging erop gewezen dat in artikel 7 sub b van deze statuten is bepaald dat de leden van de Vereniging verplicht zijn tot naleving van de statuten en reglementen en dat in artikel 15 van deze statuten is voorzien in het treffen van nadere regelingen in een huishoudelijk reglement.

4.10

Bij de beoordeling van dit verweer dient het navolgende als uitgangspunt.
In artikel 2:27 lid 4 sub c van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat de statuten van een vereniging moeten inhouden de verplichtingen die de leden tegenover de vereniging hebben, of de wijze waarop zodanige verplichtingen kunnen worden opgelegd. In artikel 2:34a BW is bepaald dat verbintenissen slechts bij of krachtens de statuten aan het lidmaatschap kunnen worden verbonden.
Deze bepalingen brengen mee dat een statutaire basis is vereist voor de verbintenissen die aan het lidmaatschap worden gekoppeld. De statuten kunnen weliswaar bepalen dat een orgaan van de vereniging bij besluit verbintenissen kan opleggen aan de leden of dat een verbintenis nader wordt uitgewerkt in een huishoudelijk reglement, doch de aard van de desbetreffende verbintenis moet steeds uit de statuten kenbaar zijn. Indien dergelijke besluiten een statutaire basis ontberen, zijn zij nietig.
De besluiten tot aanschrijving van [geïntimeerden] tot verwijdering van de camper van het park en tot oplegging van een boete aan [geïntimeerden] behoeven derhalve een grondslag in de statuten.

4.11

In de oprichtingsakte/statuten van de Vereniging is slechts het doel van de Vereniging vermeld. Deze doelomschrijving behelst het in de ruimste zin van het woord behartigen van de belangen van de eigenaren/gerechtigden van/tot de rechten van ondererfpacht binnen het park.
Deze algemene doelomschrijving biedt echter niet de vereiste statutaire grondslag voor de verplichting om geen campers (bij de recreatiewoning) op het park te parkeren, terwijl zij evenmin de benodigde statutaire grondslag biedt om aan de leden van de Vereniging een boete op te leggen. Dat wordt niet anders door het feit dat in artikel 7 sub b en artikel 15 van de oprichtingsakte/statuten is bepaald dat nadere regels kunnen worden gesteld in een huishoudelijk reglement, en dat de leden van de Vereniging dit huishoudelijk reglement moeten naleven. De verwijzing in de statuten naar het huishoudelijk reglement laat immers onverlet dat in de statuten zelf de aard van de verplichtingen die de leden tegenover de Vereniging hebben niet is omschreven. Ook voor het overige is niet gebleken dat [geïntimeerden] door het parkeren van hun camper op het park – dat dit in strijd is met de statutaire doelstellingen van de Vereniging is een kwestie van nadere uitleg van die doelstellingen; hetgeen de Vereniging in dit verband heeft betoogd is onvoldoende onderbouwd – in strijd met de statuten van de Vereniging hebben gehandeld. Daarnaast ontbreekt in de statuten een vermelding van de mogelijkheid om aan leden boetes op te leggen. Artikel 7 van de statuten vermeldt slechts een verbintenis tot betaling van een jaarlijkse bijdrage in de exploitatiekosten, naast een algemene verplichting tot naleving van de bepalingen van de statuten, de reglementen en besluiten van de Vereniging. De besluiten tot aanschrijving van [geïntimeerden] tot verwijdering van de camper van het park en tot oplegging van een boete aan [geïntimeerden] zijn om die redenen nietig.

4.12

Het hiervoor onder 4.10 en 4.11 overwogene brengt mee dat de vorderingen van de Vereniging niet kunnen worden toegewezen. Het hoger beroep treft derhalve geen doel, wat er ook zij van de (eventuele) gegrondheid van de grieven 1 tot en met 4. De overige stellingen en verweren van partijen hoeven geen behandeling meer.
Het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd, zij het op andere gronden.
In verband met de bekrachtiging van dit vonnis faalt grief 5, waarin wordt betoogd dat de Vereniging ten onrechte door de rechtbank in de proceskosten is veroordeeld.
Het door de Vereniging gedane bewijsaanbod wordt gepasseerd, omdat het te bewijzen aangebodene, indien bewezen, niet tot een andere conclusie kan leiden.

5Slotsom

5.1

Het hoger beroep treft geen doel, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

6De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Gelderland van 25 september 2013;

Royement en jarenlang afwijken van statuten

Rechtbank Midden-Nederland 10 december 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:6094


Constructie waarbij een vereniging afhankelijk van het ledenaantal een ledenraad of ALV heeft. Ledenaantal zweeft rondom de grens. Vereniging heeft al jarenlang een ALV, geen ledenraad. Geroyeerd lid voert zonder succes aan dat het besluit tot ontzetting nietig zou zijn omdat het bestuur niet conform de statuten door de Ledenraad benoemd is, maar door de ALV. Vacatures in bestuur maken bestuur niet onbevoegd, gelet op statutaire regeling. Inhoudelijke toetsing van de gronden van het ontzettingsbesluit niet mogelijk omdat vervaltermijn is verstreken.

Vonnis van 10 december 2014

in de zaak van

de vereniging [eiseres] ,  tegen

[gedaagde] ,  gedaagde.

Partijen zullen hierna De Vereniging en [gedaagde] genoemd worden.

2 De feiten

2.1. De Vereniging is opgericht op 31 maart 1977 als volkstuinvereniging.
2.2. [gedaagde] is in 2001 (volgens [gedaagde]) of 2003 (volgens De Vereniging) lid geworden van De Vereniging en heeft (laatstelijk) de tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113 (hierna: de tuinen) van De Vereniging gehuurd. Tussen (het bestuur van) De Vereniging en [gedaagde] zijn vanaf 2008 verschillende geschillen gerezen.
2.3. Op 29 maart 2012 heeft [A], lid van De Vereniging, aangifte bij de politie gedaan tegen [gedaagde] terzake van een op 28 maart 2012 gepleegde mishandeling en vernieling op het volktuinencomplex van De Vereniging.
2.4. Bij brief van 8 mei 2012 (hierna: het besluit) heeft het bestuur van De Vereniging aan [gedaagde] medegedeeld dat hij naar aanleiding van ‘het incident’ op 28 maart 2014 met onmiddellijke ingang is geroyeerd als lid van De Vereniging en tot 1 augustus 2012 de gelegenheid krijgt de door hem gehuurde tuinen te ontruimen. In deze brief is [gedaagde] gewezen op de mogelijkheid van beroep tegen deze beslissing en de beroepstermijn van 30 dagen.
2.5.

De statuten van De Vereniging (hierna: de statuten), zoals vastgesteld door algemene vergadering op 26 februari 1980, bevatten de volgende bepalingen:
Artikel 5.
De vereniging bestaat uit:
a. ereleden;
b. leden van verdienste;
c. leden
d. begunstigers.
(…)
Artikel 10.
1. In de vereniging fungeren de volgende organen:
a. de ledenraad;
b. het bestuur;
(…)
Artikel 11.
1. De ledenraad is de algemene vergadering van de vereniging en bestaat uit afgevaardigden die door en uit de leden worden gekozen.
2. Zolang de vereniging niet meer dan zeshonderd leden telt, wordt voor elke zes leden één afgevaardigde gekozen; zodra de vereniging meer dan zeshonderd leden telt, wordt voor elke tien leden een afgevaardigde gekozen (…).
3. De ledenraad is ontbonden, indien het aantal leden der vereniging beneden de
honderd daalt. In zodanig geval vervallen de bevoegdheden van de ledenraad aan de algemene ledenvergadering van de vereniging.
(…)
Artikel 13.
Tot de taak en bevoegdheden van de ledenraad behoren in het bijzonder:
a. het benoemen en ontslaan van de leden van het bestuur;
(…)
e. het beslissen in beroep over een ontzetting van een lid uit een lidmaatschap als bedoeld in artikel 9 lid 4.
(…)
Artikel 17.
1. Het bestuur bestaat uit tenminste vijf leden.
2. De leden van het bestuur worden benoemd door de ledenraad.
3. (…)
4. (…)
5. Bij een vacature in het bestuur benoemt de eerstvolgende vergadering van de ledenraad een opvolger.
6. Indien in het bestuur één of meer vacatures ontstaan, blijven de overblijvende bestuursleden een bevoegd college vormen, tenzij het aantal zitting hebbende bestuursleden minder bedraagt dan het aantal vacatures. In dat geval zijn de overblijvende bestuursleden verplicht binnen een termijn van één maand na het ontstaan van de laatste vacature een algemene vergadering bijeen te roepen, waarin in de ontstane vacature(s) wordt voorzien.”

3 Het geschil

3.1. De Vereniging vordert

I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] met ingang van 28 maart 2012, althans een door de rechtbank vast te stellen datum, is ontzet uit het lidmaatschap van De Vereniging;
II. veroordeling van [gedaagde] de tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113, binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, volledig te ontruimen en ontruimd te houden en deze schoon en braak –derhalve vrij van opstal, gewas en onkruid- ter beschikking te stellen aan De Vereniging, met machtiging van De Vereniging om, indien [gedaagde] in gebreke zou blijven, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie en de daaraan verbonden kosten op [gedaagde] te verhalen;
III. dat het [gedaagde] zal worden verboden om vanaf zeven dagen na betekening van het vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, te betreden de terreinen van De Vereniging, zijnde de [B] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie H, nummer 2090) en de [C] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie G, nummer 2621), onder oplegging van een dwangsom à € 5.000,- voor iedere overtreding;
IV. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis en de nakosten;
V. alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. [gedaagde] stelt dat het besluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en acht zich dan ook niet gehouden de tuinen te ontruimen. Volgens [gedaagde] heeft De Vereniging nooit een ledenraad gehad, zodat het bestuur, dat het besluit genomen heeft, niet overeenkomstig artikel 11 van de statuten is benoemd en [gedaagde] de mogelijkheid is onthouden om bij de ledenraad beroep in te stellen tegen het besluit. Blijkens eigen opgave van De Vereniging bedroeg het aantal leden (inclusief ‘tientjesleden’) tussen 2002 en 2014 nimmer minder dan 100, namelijk tussen 112 en 140 leden, zodat het installeren van een ledenraad verplicht was. Bovendien bestond het bestuur ten tijde van het nemen van het besluit uit drie leden in plaats van de in artikel 17 van de statuten voorgeschreven vijf leden. Subsidiair betwist [gedaagde] de gronden waarop het besluit berust.
3.3. De Vereniging heeft aangevoerd dat er sinds 1990 nimmer een ledenraad heeft gefungeerd omdat er geen animo voor was en omdat het ledental daarvoor te gering was, gelet op het bepaalde in artikel 11 lid 3 van de statuten. Volgens De Vereniging heeft zij sindsdien nooit tenminste 100 leden gehad, behoudens in het jaar 2011 (103 leden) en 2013 (100 leden), waarbij De Vereniging ‘de ‘tientjesleden’ niet meetelt omdat zij niet als lid van de vereniging moeten worden beschouwd. De reguliere algemene vergadering heeft al die tijd in plaats van de ledenraad gefungeerd en kon dat ook doen omdat die vergadering een hoger democratisch gehalte heeft dan de ledenraad. Het bestuur dat het besluit heeft genomen, bestond volgens De Vereniging uit vijf leden en het besluit steunt op voldoende inhoudelijke gronden. Subsidiair stelt De Vereniging dat de vernietiging van het besluit in de zin van artikel 2:15 BW niet is ingeroepen en de vervaltermijn als bedoeld in artikel 2:15 lid 5 BW reeds is verstreken.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop, dat ingevolge artikel 2:8 lid 1 BW, een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Voorts is, ingevolge artikel 2:14 lid 1 BW, een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.
4.2. [gedaagde] stelt niet gehouden te zijn de tuinen te ontruimen, omdat het besluit nietig is op grond van het bepaalde in artikel 2:14 lid 1 BW en hij dus nog immer lid is van De Vereniging. [gedaagde] heeft primair gesteld dat het bestuur van De Vereniging dat het besluit heeft genomen niet benoemd is door de ledenraad en evenmin bestond uit vijf leden, zoals de statuten voorschrijven. Ten aanzien van de ledenraad, stelt [gedaagde] dat De Vereniging sinds haar oprichting in 1977 nimmer een ledenraad heeft gekend. De Vereniging stelt dat zij sinds 1990 geen ledenraad (meer) heeft gehad.
4.3. De rechtbank overweegt, dat tussen partijen vaststaat, dat De Vereniging in ieder geval gedurende meer dan 20 jaar geen ledenraad kent en dat, zo staat ook tussen partijen vast, in die jaren De Vereniging (in ieder geval) eenmaal per jaar een algemene vergadering heeft gehouden, waarin –onder meer- de leden van het bestuur van De Vereniging zijn benoemd. [gedaagde] heeft algemene vergaderingen van De Vereniging bijgewoond en was, naar eigen zeggen, tot 2008 actief binnen De Vereniging. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] of enig ander lid van De Vereniging ooit besluiten van de algemene vergadering heeft betwist op grond van de omstandigheid dat deze besluiten ten onrechte niet door de ledenraad waren genomen. Zelfs indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [gedaagde], dat het ledental groter was dan 100, zodat niet de algemene vergadering, maar enkel de ledenraad bevoegd was de leden van het bestuur te benoemen, op grond van artikel 11 van de statuten, dan nog moet worden vastgesteld dat [gedaagde], net als de overige leden van De Vereniging, al die jaren de bestuurlijke realiteit heeft geaccepteerd, en daaraan ook heeft meegewerkt, waarin, wederom uitgaande van de juistheid van zijn eigen stelling, niet de ledenraad, maar de algemene vergadering als hoogste orgaan van De Vereniging fungeerde en –onder meer- de leden van het bestuur benoemde.
4.4. Voorts heeft [gedaagde], die vanaf 2008 meermalen is aangeschreven door en in gesprek is geweest met het bestuur van De Vereniging omdat hij zich volgens het bestuur niet hield aan de geldende regels binnen het volkstuinencomplex, ook in die meer persoonlijke contacten met het bestuur, zich nimmer op het standpunt gesteld dat de leden van het bestuur niet bevoegd waren om als bestuur van De Vereniging op te treden omdat zij niet door de ledenraad waren benoemd.
4.5. Gelet op het vorenstaande, is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [gedaagde] zich na al die jaren thans op het standpunt stelt dat het bestuur niet als orgaan van De Vereniging besluiten kan nemen omdat de leden van dat bestuur niet door de ledenraad maar door de algemene vergadering zijn benoemd. Dit standpunt, indien juist, zou immers voor De Vereniging vergaande consequenties hebben, terwijl [gedaagde], net als de andere leden van De Vereniging, steeds heeft geaccepteerd en eraan heeft meegewerkt dat de leden van het bestuur door de algemene vergadering werden benoemd. Hierbij komt, dat de benoeming van het bestuur door de algemene vergadering, zoals opgenomen in artikel 2:37 BW, door de wetgever is aangemerkt als karakteristiek voor de vereniging en een van de waarborgen voor het democratische karakter van de vereniging (MvA II, Parl.Gesch. 2, p. 422). In dit kader is gesteld noch gebleken dat de democratische besluitvorming in De Vereniging beter tot zijn recht zou zijn gekomen in een ledenraad dan in de algemene vergadering. Dit betekent dat beroep van [gedaagde] op de nietigheid van het besluit, dat gebaseerd is op de stelling dat de leden van het bestuur niet door het juiste orgaan van De Vereniging zijn benoemd, wordt verworpen.
4.6. Evenmin is het besluit nietig vanwege de getalsmatige samenstelling van het bestuur. [gedaagde] heeft gesteld dat het bestuur dat het besluit heeft genomen uit drie, in plaats van het in de statuten voorgeschreven aantal van tenminste vijf, leden bestond. De Vereniging heeft dit standpunt gemotiveerd betwist en aangegeven uit welke vijf leden het bestuur bestond ten tijde van het nemen van het besluit. Hierop heeft [gedaagde] enkel herhaald dat zijns inziens het bestuur uit drie leden bestond. In artikel 17 lid 6 van de statuten is bepaald dat, ook in geval van vacatures, de overblijvende bestuursleden een bevoegd college (blijven) vormen, tenzij het aantal zitting hebbende bestuursleden minder bedraagt dan het aantal vacatures, welke situatie zich niet voordoet in de stelling van [gedaagde]. Dit betekent dat, zelfs indien de stelling van [gedaagde] juist zou zijn, hetgeen door De Vereniging gemotiveerd is betwist, hieruit nog immer niet voortvloeit dat het besluit daarmee nietig zou zijn. Ook deze grond kan derhalve het beroep op nietigheid van het besluit niet dragen.
4.7. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat hij niet tegen het besluit in beroep heeft kunnen gaan omdat het beroepsorgaan, de ledenraad, niet bestond. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [gedaagde] geaccepteerd dat niet de ledenraad, die immers in De Vereniging niet bestond, maar de algemene vergadering als hoogste orgaan van de vereniging fungeerde. Mede gelet op het bepaalde in artikel 11 van de statuten, waarin is bepaald dat de bevoegdheden van de ledenraad vervallen aan de algemene vergadering indien de ledenraad is ontbonden, betekent dit, dat [gedaagde] in beroep had kunnen gaan bij de algemene vergadering. Hieruit volgt dat het ontbreken van de ledenraad als orgaan van De Vereniging niet met zich brengt dat het besluit nietig is.
4.8. Subsidiair heeft [gedaagde] gesteld dat het besluit op ondeugdelijke gronden is genomen. Deze stelling, die overigens door De Vereniging is betwist, kan, zelfs indien juist, niet leiden tot de vaststelling dat het besluit nietig is en behoeft dan ook geen verdere bespreking. Deze stelling van [gedaagde] zou, indien juist, immers uitsluitend kunnen leiden tot de conclusie dat het besluit vernietigbaar is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 BW. [gedaagde] kan die vordering tot vernietiging echter niet meer doen, aangezien, zoals tussen partijen vaststaat, hij niet binnen de in artikel 2:15 lid 5 BW genoemde termijn, waarbinnen de bevoegdheid bestaat om vernietiging van het besluit te vorderen, die vordering heeft gedaan en die bevoegdheid daarmee is vervallen. Ook de subsidiaire grond leidt derhalve niet tot de conclusie dat het besluit nietig is.
4.9. Het vorenstaande betekent dat het beroep van [gedaagde] op de nietigheid van het besluit niet slaagt. De rechtbank oordeelt dan ook dat het besluit in rechte vaststaat, zodat [gedaagde] met ingang van 8 mei 2012 geen lid meer is van De Vereniging. De vordering van De Vereniging om een verklaring voor recht met die inhoud kan dan ook worden toegewezen.
4.10. Tussen partijen staat vast dat het huren van een volkstuin van De Vereniging uitsluitend is voorbehouden aan leden van De Vereniging, zodat uit het vorenstaande oordeel voortvloeit dat [gedaagde] de door hem gehuurde tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113 dient te ontruimen. [gedaagde] heeft deze vordering niet afzonderlijk betwist, zodat ook deze vordering van De Vereniging wordt toegewezen. De verzochte machtiging van De Vereniging om de ontruiming zonodig zelf te (doen) bewerkstelligen wordt afgewezen, nu artikel 556 lid 1 Rv voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Tegen de termijn van ontruiming is geen verweer gevoerd, zodat de vordering met betrekking tot de termijn wordt toegewezen.
4.11. De vordering van De Vereniging om [gedaagde] te verbieden de terreinen van De Vereniging te betreden is niet betwist en wordt, mede gelet op de tussen partijen bestaande conflictueuze relatie en de omstandigheid dat het niet-leden niet is toegestaan die terreinen te betreden, toegewezen. De gevorderde dwangsom matigt de rechtbank tot het bedrag van € 250,00 per overtreding met een maximum van € 10.000,00.
4.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. …

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht, dat [gedaagde] met ingang van 8 mei 2012 is ontzet uit het lidmaatschap van De Vereniging;
5.2. veroordeelt [gedaagde] de tuinen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis volledig te ontruimen en ontruimd te houden en deze schoon en braak, derhalve vrij van opstal, gewas en onkruid, ter beschikking te stellen aan De Vereniging;
5.3. verbiedt [gedaagde] om vanaf zeven dagen na betekening van dit vonnis te betreden de terreinen van De Vereniging, zijnde de [B] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie H, nummer 2090) en de [C] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie G, nummer 2621);
5.4. veroordeelt [gedaagde] om aan De Vereniging een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat hij het hiervoor in 5.3. uitgesproken verbod overtreedt, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van De Vereniging tot op heden begroot op € 1.833,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.6. veroordeelt [gedaagde], onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door De Vereniging volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
– € 226,00 aan salaris gemachtigde;
– te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.