Beroep op ALV is achteraf (Schelforst)

Rechtbank Overijssel 8 februari 2016

Conflict bij volkstuinvereniging. Bestuur zegt lidmaatschap van lastige leden op. Statuten geven recht op beroep daartegen bij ALV. Bestuur weigert dit omdat het “het ten vierde male bijeen roepen van de ALV dient volgens het bestuur geen enkel doel, nu de leden zich reeds hebben uitgesproken in de [voorafgaand aan de opzegging] gehouden ALV.” De rechter maakt korte metten met dit argument. Als de statuten recht geven op beroep tegen opzegging, dat maakt het niet of en hoe de voorgenomen opzegging op ALVs is besproken en dat toen een ruime meerderheid van de leden voor was.

” Ten onrechte gaat het bestuur van de Volkstuinvereniging ervan uit dat de in artikel 5 lid 7 bedoelde ALV al op 21 september 2015, voorafgaande aan haar opzeggingsbesluit, heeft plaatsgevonden. Dat is niet slechts in strijd met de voorgeschreven statutaire gang van zaken maar zou ook de positie van [eiser 2 = het lid] c.s ten onrechte verzwakken. Ter vergadering dient het bestuur haar besluit aan de ALV voor te leggen en toe te lichten, waarna [eiser 2] c.s het recht hebben om hun visie op de zaak aan de ALV te geven. Het gaat dan om een vergadering die duidelijk is geagendeerd, waaruit zonneklaar blijkt dat het bestuur haar opzeggingsbesluit van [eiser 2] c.s als gevolg van het daartegen ingestelde beroep, aan de ALV wil voorleggen en zal handhaven als de ALV het bezwaar van [eiser 2] c.s afwijst. De oproeping van de vergadering van 21 september 2015 [] is niet op deze duidelijke wijze geagendeerd zodat niet vaststaat dat ter vergadering alle leden aanwezig waren die over de materie zouden willen oordelen. Het niet volgen van artikel 5 lid 7 van de statuten zou de besluitvorming in strijd doen zijn met het bepaalde in onder meer de artikelen 2:8 en 2:14 B.W.”


Vonnis in kort geding van 8 februari 2016
in de zaak van1 [eiser 1] – 3. [eiser 3], eisers,tegen de rechtspersoonlijkheid bezittende (sic!) vereniging
VOLKSTUINVERENIGING SCHELFORST, gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiser 2] c.s. en de Volkstuinvereniging genoemd worden.

2De feiten

2.1.

Eisers zijn lid van de Volkstuinvereniging. Deze vereniging is in 2010 opgericht, nadat het Volkstuincomplex ‘Schelfhorst’ failliet was gegaan. Eisers waren lid van de tuintechnische commissie, die onder meer tot haar taak had het adviseren van het bestuur inzake de verhuur van tuinen.

2.2.

In de statuten van de Volkstuinvereniging is onder meer het volgende opgenomen.

Einde lidmaatschapArtikel 51. Het lidmaatschap eindigt:(…)c. door opzegging namens de vereniging. Deze kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten of reglementen gesteld te voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen ook die uit hoofde van een tussen de vereniging en het lid gesloten huurovereenkomst jegens de vereniging niet nakomt, alsook wanneer redelijkerwijs van devereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.(…)2. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging geschiedt door het bestuur.(…)7. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap door de vereniging op grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, (…) staat de betrokkene binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit schriftelijk beroep open op de eerstvolgende algemene ledenvergadering. Hij wordt daartoe ten spoedigste schriftelijk van het besluit met opgave van redenen in kennis gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid in voorkomend geval geschorst.(…)Toegang en stemrechtArtikel 141. Toegang tot de algemene ledenvergadering hebben alle leden van de vereniging. Geen toegang hebben geschorste leden en geschorste bestuursleden, behoudens indien en voor zover in die vergadering hun schorsing aan de orde komt.(…)2. Ieder lid van de vereniging, voor zover niet geschorst, heeft het recht het woord te voeren, het recht van initiatief, het recht van amendement en het recht van interpellatie. Hij heeft voorts het recht tot het uitbrengen van een stem.(…)Besluitvorming van de algemene ledenvergaderingArtikel 16(…)1. Voor zover de statuten of de wet niet anders bepalen, worden alle besluiten van de algemene ledenvergadering genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.7. Alle stemmingen over personen geschieden schriftelijk (…). Schriftelijke stemming geschiedt bij ongetekende, gesloten briefjes. Besluitvorming bij acclamatie is mogelijk, tenzij een stemgerechtigde hoofdelijke stemming verlangt.Het Huishoudelijk reglement Volkstuinvereniging ‘Schelfhorst’ luidt onder meer als volgt.Artikel 1Elk lid dient het bepaalde in de statuten in acht te nemen, zich op het tuincomplex zodanig te gedragen dat niemand enige overlast ondervindt.

2.3.

Tussen [eiser 2] c.s. en het bestuur van de Vereniging is een verschil van inzicht ontstaan over het zich al dan niet discriminerend uitlaten van de bestuursvoorzitter tijdens een op 25 augustus 2014 gehouden vergadering van het bestuur en de tuintechnische commissie, in die zin dat hij gezegd zou hebben dat buitenlanders van de wachtlijst moesten. [eiser 2] heeft de bestuurssecretaris verzocht deze (beweerdelijke) uitlatingen van de voorzitter in de notulen op te nemen. Op de volgende vergadering van het bestuur en de tuintechnische commissie op 13 oktober 2014 heeft [eiser 2] gevraagd waarom de bewuste uitlating niet in de notulen is opgenomen. Het bestuur heeft vervolgens ontkend dat de voorzitter zich aldus zou hebben uitgelaten. Daarop hebben [eiser 2] c.s. hun lidmaatschap van de tuintechnische commissie per direct opgezegd en hebben zij de vergadering verlaten.
2.4.

Bij brief van 19 oktober 2014 heeft het bestuur [eiser 2] laten weten dat zij van verschillende tuinders heeft vernomen dat [eiser 2] leden heeft benaderd over het tussen [eiser 2] c.s. en het bestuur ontstane verschil van inzicht. Gebleken is dat [eiser 2] een lijst heeft laten rond gaan onder de leden om handtekeningen te verzamelen tegen ‘discriminatie’ binnen het tuincomplex. Daarbij heeft het bestuur [eiser 2] aangezegd dat dit in het algemeen belang van de vereniging door het bestuur niet kan worden geaccepteerd. Daarbij heeft het bestuur gewezen op artikel 1 van het huishoudelijk reglement.
2.5.

Op 24 oktober 2014 hebben [eiser 2] c.s. een brief aan het bestuur en de leden van de Volkstuinvereniging gestuurd, waarin zij eisen dat het bestuur excuses aanbiedt voor de (vermeende) discriminerende opmerkingen en belooft zich te distantiëren van elke vorm van discriminatie.
2.6.

Op 13 november 2014 hebben [eiser 2] c.s. een klacht tegen het bestuur ingediend bij Artikel 1 Overijssel, een antidiscriminatievoorziening die in opdracht van alle 25 gemeenten van de Provincie Overijssel de wet op de gemeentelijke anti-discriminatievoorziening uitvoert.
2.7.

In februari 2015 heeft het bestuur de leden van de Volkstuinvereniging schriftelijk geïnformeerd over de stand van zaken.
2.8.

Bij brief van 24 maart 2015 heeft het bestuur [eiser 2] c.s. meegedeeld dat zij met inachtneming van artikel 6 juncto artikel 5 lid 1 c van de statuten en artikel 1 van het huishoudelijk reglement, met onmiddellijke ingang in afwachting van nadere besluitvorming zijn geschorst als leden van de Volkstuinvereniging.
2.9.

Bij brief van eveneens 24 maart 2015 heeft het bestuur de leden uitgenodigd voor een extra ledenvergadering op 13 april 2015. Op de agenda staat onder meer de bespreking van maatregelen van het bestuur naar aanleiding van de situatie op het tuincomplex en stemmen hierover. Als toelichting is het volgende in de brief opgenomen:
Tijdens de algemene jaarvergadering van 2 maart j.l. is het bestuur gevraagd of het niet tijd werd maatregelen te nemen tegen een aantal onruststokers binnen de vereniging. Het bestuur heeft aldus gewenste maatregelen getroffen en [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] geschorst in afwachting van het oordeel van de ledenvergadering. (…) De thans door het bestuur genomen beslissing doet naar ons oordeel recht aan wat op de algemene ledenvergadering is gevraagd, namelijk het herstellen van de rust en de sfeer op het tuincomplex.
Het bestuur acht het van het grootste belang u als leden van de vereniging te raadplegen of u het bestuursbeleid in deze ondersteunt en zal zich op basis van de uitslag van deze raadpleging beraden op vervolgstappen’.

2.10.

Bij brief van 6 april 2015 verzoeken [eiser 2] c.s. het bestuur de schorsing ongedaan te maken.
2.11.

Het bestuur laat daarop bij brief van 10 april 2015 weten dat [eiser 2] c.s. voorbij zien aan artikel 6 van de statuten, waarin expliciet de bevoegdheid van het bestuur om tot schorsing van leden over te gaan is neergelegd. Tevens wordt [eiser 2] c.s. meegedeeld dat het bestuur tijdens de ledenvergadering aan de leden slechts de vraag zal voorleggen of zij het bestuur steunen in haar beleid om in gevallen als deze tot het opzeggen van het lidmaatschap over te gaan. De schorsing van [eiser 2] c.s. zal geen onderwerp van gesprek zijn. Daarom hebben [eiser 2] c.s. als geschorste leden ingevolge de statuten geen recht om de vergadering bij te wonen.
2.12.

In de notulen van de op 13 april 2015 gehouden extra ledenvergadering is verwoord dat het bestuur het voornemen heeft om op de schorsing het opzeggen van het lidmaatschap (van [eiser 2] c.s.) te laten volgen en hen daarmee duurzaam uit de vereniging te weren.
Opgemerkt is dat, om de procedure zuiver te houden, er nu niet gediscussieerd zal worden over de schorsingen.
Tevens vraagt het bestuur de leden schriftelijk te laten weten of zij het geformuleerde beleid van het bestuur, ondersteunen. Dit beleid is in de notulen als volgt verwoord:
Het bestuur op geen enkel wijze en van geen enkel lid grensoverschrijdend gedrag waarbij bestuursleden beticht worden van discriminatie en al helemaal niet wanneer dat – zoals in het onderhavige geval – ook nog eens zeer breed gedragen tot zelfs een aanklacht bij het College Rechten van de Mens toe.
Evenmin aanvaarden wij:
  • Het bewust negeren van bestuursbesluiten
  • Een gedrag waarbij tweedracht wordt gezaaid tussen leden van de vereniging
  • Aantasting van een rustig en genoegzaam tuinieren
  • Intimidatie van leden om iets te doen wat zij beslist niet wensen
  • Met gerichte acties grote onrust veroorzaken in de vereniging
  • Provocerend gedrag, zoals het brengen van de Hitlergroet in de richting van de tuin van een bestuurslid
Een dergelijk handelen van leden kunnen en willen wij niet accepteren en zullen dan ook niet ongestraft kunnen passeren. Onze verantwoordelijkheid en zorg bestaat uit het adequaat besturen van de vereniging en daarbij hoort een respectvol leden gedrag.
Gedragingen van het kaliber als hiervoor genoemd tasten in zodanige ernstige mate de verenigingsbelangen aan dat geen enkel bestuur ontkomt aan drastische maatregelen, zoals het opzeggen van het lidmaatschap.
Zijn bovengenoemde punten als ernstig genoeg, in de nu lopende zaak komt daar nog bij:
  • Het bestuur onthouden van de nodige informatie, zodat niet bekend wie zich aangemeld heeft als lid en wanneer
  • Tuinen toewijzen zonder rekening te houden met datum van aanmelden
  • Het niet op de gebruikelijke wijze aansnijden van een onderwerp. Alleen aan de orde stellen door te ‘eisen’ en wel ‘onmiddellijk’ en vervolgens weg te lopen’.
2.12.

Op 23 juni 2015 heeft het College voor de Rechten van de Mens uitspraak gedaan inzake de door [eiser 2] c.s. jegens de Volkstuinvereniging ingediende klacht. Het oordeel luidt:
– niet is gebleken dat verweerster onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door bij haar toewijzingsbeleid van volkstuinen personen met een buitenlandse naam uit te sluiten;
– verweerster wel onderscheid op grond van ras heeft gemaakt door voor asielzoekers een afwijkend toewijzingsbeleid ten opzichte van overige geïnteresseerden toe te passen;
– Niet is gebleken dat verweerster in strijd heeft gehandeld met het verbod van intimidatie;
– Verweerster in strijd heeft gehandeld met het victimisatieverbod van artikel 8a AWGB.
2.13.

Op 24 juni 2015 hebben [eiser 2] c.s. een brief aan de leden van de Volkstuinvereniging geschreven, waarin zij toelichten waarom zij zijn vertrokken als leden van de tuintechnische commissie. Voorts hebben zij te kennen gegeven dat zij van mening zijn dat als gevolg van de uitspraak van het College voor de Rechten van de Mens, het vertrouwen in het bestuur en de twee nog zittende leden van de tuintechnische commissie opgezegd dient te worden.
2.14.

Bij brief van 21 juli 2015 heeft het bestuur van de Volkstuinvereniging de aan eisers opgelegde schorsing opgeheven.
2.15.

Op 2 september 2015 nodigt het bestuur de leden uit voor een extra ledenvergadering op 21 september 2015. Als punt 2 op de agenda staat vermeld ‘Uitleg van de voorzitter over de stand van zaken en uitspraken rond de klachten en aangiftes van enkele leden tegen het bestuur. Na deze uitleg is er de mogelijkheid voor het stellen van vragen’. Als punt 3 staat op de agenda: ‘Stemming over visie van het bestuur en voornemens bestuur zoals aangegeven in de brief van 20 juli 2015. Het bestuur vraagt de leden steun voor haar beleid en de te nemen maatregelen.
2.16.

Bij brief van 5 november 2015 beëindigt het bestuur het lidmaatschap van de Volkstuinvereniging van [eiser 2] c.s. per 1 januari 2016. Daarbij heeft het bestuur tevens aangetekend dat [eiser 2] c.s. uiterlijk op 31 december 2015 de tuinen schoon dienen op te leveren en de sleutels van het tuincomplex dienen in te leveren bij een van de bestuursleden.
2.17.

Op 1 december 2015 tekent de raadsman van [eiser 2] c.s. beroep aan tegen het besluit tot opzegging van het lidmaatschap.
2.18.

Bij brief van 8 december 2015 heeft het bestuur het verzoek van [eiser 2] c.s. ingewilligd om de gevorderde ontruiming op te schorten, en wel tot 1 februari 2016.
2.19.

Bij brief van 16 december 2015 heeft het bestuur [eiser 2] c.s. onder meer meegedeeld dat en waarom het besluit van 5 november 2015 tot opzegging van het lidmaatschap onverkort wordt gehandhaafd en dat zij geen beroep meer kunnen instellen bij de Algemene Ledenvergadering (ALV), omdat zij die gelegenheid hebben laten passeren. Het ten vierde male bijeen roepen van de ALV dient volgens het bestuur geen enkel doel, nu de leden zich reeds hebben uitgesproken in de op 21 september 2015 gehouden ALV.

3Het geschil

3.1.

Samengevat weergegeven vorderen [eiser 2] c.s.:
Primair:
I. vernietiging van het besluit tot het opzeggen van het lidmaatschap van [eiser 2] c.s. van de Volkstuinvereniging;
II. de Volkstuinvereniging op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden de door [eiser 2] c.s. gehuurde tuinen per 1 februari 2016 te ontruimen;
III. veroordeling van de Volkstuinvereniging inde kosten van deze procedure;
Subsidiair:
IV. de Volkstuinvereniging te veroordelen tot het bijeen roepen van een ALV waarin het beroepschrift van [eiser 2] c.s. inhoudelijk zal worden behandeld, waarbij [eiser 2] c.s. de mogelijkheid krijgen om – al dan niet door een door hen te benoemen gemachtigde – het beroepschrift toe te lichten;
V. te bepalen dat er tijdens de ALV een stemcommissie wordt benoemd waarbij het bestuur twee leden benoemt en [eiser 2] c.s. twee leden benoemen;
VI. te bepalen dat op de betreffende vergadering terzake de stemming over de beëindiging van het lidmaatschap van [eiser 2] c.s. slechts één stem per gehuurde volkstuin kan worden uitgebracht, ongeacht de grootte van de volkstuin;
VII. de Volkstuinvereniging op straffe van verbeurte van een dwangsom te verbieden de door [eiser 2] c.s. gehuurde tuinen per 1 februari 2016 te ontruimen;
VIII. veroordeling van de Volkstuinvereniging in de kosten van deze procedure.

3.2.

De Volkstuinvereniging voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is uit het gestelde en het gevorderde voldoende aannemelijk geworden en wordt door de Volkstuinvereniging ook niet betwist.
4.2.

Voorop dient te worden gesteld dat voor de primair sub I gevorderde vernietiging van het besluit van het bestuur van de Volkstuinvereniging geen plaats is in een procedure als de onderhavige. Het oordeel van de voorzieningenrechter draagt immers naar de aard van een kort-gedingprocedure een voorlopig karakter, terwijl vernietiging van het besluit van het bestuur een principaal en constitutief karakter heeft, welke beslissing in beginsel aan de bodemrechter is voorbehouden. Ter zitting hebben [eiser 2] c.s. te kennen gegeven dat als de voorzieningenrechter van oordeel is dat in feite met het sub I gevorderde een declaratoire uitspraak wordt gevraagd, zij deze vordering zullen intrekken. Gelet op het vorenstaande beschouwt de voorzieningenrechter het sub I gevorderde als ingetrokken.
4.3.

Het vorenstaande laat onverlet dat in dit kort geding moet worden beoordeeld of bij de besluitvorming van het bestuur de juiste procedurele weg is bewandeld. Alvorens dat te toetsen overweegt de voorzieningenrechter dat de omvang van dit kort geding daarin haar beperking kent. Door partijen is uitgebreid gedebatteerd over de vraag of het bestuur al dan niet zou hebben gediscrimineerd bij het aannemen van nieuwe leden dan wel zodanige discriminatie van plan zou zijn geweest. De reacties over en weer van [eiser 2] c.s en het bestuur zijn door partijen inzichtelijk gemaakt en deels van een kwalificatie voorzien. Uit diverse geproduceerde stukken en uit hetgeen partijen desgevraagd ter zitting hebben verklaard meent de voorzieningenrechter te kunnen afleiden dat de discussie over al dan niet discriminatie de onderliggende problematiek enigszins toedekt. Duidelijk is immers ter zitting geworden dat het bestuur kennelijk niet tevreden was over de wijze waarop [eiser 2] c.s invulling gaven aan hun functioneren als tuintechnische commissie en dat [eiser 2] c.s. op hun beurt het optreden en de houding van het bestuur bij hun taakuitoefening beneden de maat vonden. Uit de uitspraak van de Commissie voor de Rechten van de Mens van 23 juni 2015 kan in ieder geval naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet worden afgeleid dat er van daadwerkelijke discriminatie bij de invulling van het ledenbeleid sprake is geweest.
4.4.

Niet ter toetsing in dit kort geding ligt dan ook voor de vraag of [eiser 2] c.s door hun opstelling en gedrag redenen hebben gegeven tot opzegging door het bestuur van hun lidmaatschap. In beginsel komt zodanige opzeggingsbevoegdheid aan het bestuur toe zoals blijkt uit artikel 5 lid 1 sub c juncto lid 2 van de statuten. Noch uit de statuten, noch uit het huishoudelijk reglement blijkt dat het bestuur een dergelijk besluit eerst kan nemen als de leden vooraf zijn geconsulteerd en de meerderheid van de leden daarmee heeft ingestemd. Of een meerderheid van de leden zich op de ALV van 21 september 2015 heeft uitgesproken voor de opzegging van het lidmaatschap is in zoverre derhalve niet doorslaggevend. Het is aan [eiser 2] c.s om tegen een uiteindelijke opzegging al dan niet in een bodemprocedure op te komen.
4.5.

De statuten kennen derhalve niet een procedure die het bestuur voorafgaande aan haar besluit moet volgen. Daarentegen kennen de statuten wel een procedure die moet worden gevolgd als het opgezegde lid tegen het bestuursbesluit tot opzegging beroep instelt bij de ALV. Artikel 5 lid 7 noodzaakt het bestuur in dat geval haar besluit aan de ALV voor te leggen, terwijl in casu [eiser 2] c.s het recht toekomt om tijdens die ALV zelf of via een gemachtigde hun beroep toe te lichten.
4.6.

Ten onrechte gaat het bestuur van de Volkstuinvereniging ervan uit dat de in artikel 5 lid 7 bedoelde ALV al op 21 september 2015, voorafgaande aan haar opzeggingsbesluit, heeft plaatsgevonden. Dat is niet slechts in strijd met de voorgeschreven statutaire gang van zaken maar zou ook de positie van [eiser 2] c.s ten onrechte verzwakken. Ter vergadering dient het bestuur haar besluit aan de ALV voor te leggen en toe te lichten, waarna [eiser 2] c.s het recht hebben om hun visie op de zaak aan de ALV te geven. Het gaat dan om een vergadering die duidelijk is geagendeerd, waaruit zonneklaar blijkt dat het bestuur haar opzeggingsbesluit van [eiser 2] c.s als gevolg van het daartegen ingestelde beroep, aan de ALV wil voorleggen en zal handhaven als de ALV het bezwaar van [eiser 2] c.s afwijst. De oproeping van de vergadering van 21 september 2015 ( zie productie 12 bij dagvaarding) is niet op deze duidelijke wijze geagendeerd zodat niet vaststaat dat ter vergadering alle leden aanwezig waren die over de materie zouden willen oordelen. Het niet volgen van artikel 5 lid 7 van de statuten zou de besluitvorming in strijd doen zijn met het bepaalde in onder meer de artikelen 2:8 en 2:14 B.W.
4.7.

De conclusie is derhalve dat alsnog een ALV moet worden bijeengeroepen teneinde invulling te geven aan het bepaalde in artikel 5 lid 7 van de statuten. Het subsidiair sub IV gevorderde is dan ook voor toewijzing vatbaar. Het spreekt vanzelf dat de Volkstuinvereniging, indien en zolang de beroepsprocedure bij de ALV nog niet is afgerond, niet van [eiser 2] c.s mag verlangen dat reeds tot ontruiming wordt overgegaan. Het subsidiair onder VII gevorderde is in zoverre dan ook eveneens voor toewijzing vatbaar. Voor het toewijzen van het subsidiair sub V en VI gevorderde ziet de voorzieningenrechter geen reden aanwezig. Niet is onderbouwd de stelling dat er redenen zouden moeten zijn om te twijfelen aan de oprechtheid van een stemcommissie die ter ALV zal moeten worden benoemd, terwijl de statuten in artikel 14 lid 2 al voorschrijven dat ieder lid het recht heeft tot het uitbrengen van 1 stem zodat niet duidelijk is waarom er ter vergadering anders zou worden gehandeld.
4.8.

De voorzieningenrechter zal voorts de gevorderde dwangsom in navolgende zin matigen en maximeren.
4.9.

De Volkstuinvereniging zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser 2] c.s. worden begroot op:
– dagvaarding € 100,12
– griffierecht 288,00
– salaris advocaat 816,00
Totaal € 1.204,12
4.10.

De voorzieningenrechter stelt vast dat de Volkstuinvereniging in haar conclusie van antwoord een aantal vorderingen heeft neergelegd. De Volkstuinvereniging kan in deze vorderingen, die de voorzieningenrechter kwalificeert als reconventionele vorderingen, niet worden ontvangen, aangezien artikel 7.1 van het Procesreglement kort gedingen rechtbanken sector civiel/familie bepaalt dat alleen de gedaagde die die bij advocaat ter zitting verschijnt, een eis in reconventie kan instellen.

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

veroordeelt de Volkstuinvereniging om binnen vier weken na dagtekening van dit vonnis een ALV bijeen te roepen en op de agenda te plaatsten de behandeling van het door [eiser 2] c.s. d.d. 1 december 2015 tegen het besluit tot opzegging van hun lidmaatschap ingediende beroepschrift en hen tijdens de ALV de mogelijkheid te bieden – al dan niet bij monde van een gemachtigde – om hun beroepschrift toe te lichten,
5.2.

verbiedt de Volkstuinvereniging om de door [eiser 2] c.s. gehuurde volkstuinen te ontruimen tot in ieder geval twee weken nadat de ALV op het beroep van [eiser 2] c.s. heeft beslist, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,– voor iedere dag dat de Volkstuinvereniging hiermee in strijd handelt, tot een maximum van € 25.000,– is bereikt,
5.3.

veroordeelt de Volkstuinvereniging in de proceskosten, aan de zijde van [eiser 2] c.s. tot op heden begroot op € 1.204,12,
5.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Buitengewone ALV (Casinopersoneel)

Rechtbank Limburg 27 januari 2016

ECLI:NL:RBLIM:2016:683

De vereniging kent een “kaderbestuur” en een hoofdbestuur (dagelijks bestuur). Zowel het kaderbestuur als het hoofdbestuur kunnen met gewone meerderheid van stemmen besluiten een ALV bijeen te roepen. Het kaderbestuur kan daarnaast met drie/vierde meerderheid het hoofdbestuur verzoeken een buitengewone ALV bijeen te roepen (net als een/tiende van het aantal leden). Een meerderheid, maar minder dan drie/vierde meerderheid, van het kaderbestuur wil van het bestuur af. Na enkele pogingen om het hoofdbestuur een buitengewone ALV te laten uitschrijven, besluit het kaderbestuur bij meerderheid een gewone ALV bijeen te roepen en bekend te maken via alternatieve kanalen (waaronder facebook en de prikborden in de vestigingen van bedrijf) omdat het hoofdbestuur medewerking van de ledenadministratie weigert. De rechter oordeelt dat deze ALV geldig bijeengeroepen is en bevoegd was besluiten te nemen (en het zittende hoofdbestuur te ontslaan).

De uitspraak is met name van belang vanwege het goedkeuren het bekendmaken van de ALV via alternatieve kanalen (overigens omdat de statuten wel een termijn voor de oproeping, maar niets over de wijze waarop).

Vonnis in kort geding van 21 januari 2016 (motivering gegeven op 27 januari 2016)
in de zaak van
1. de vereniging ALGEMENE BOND CASINOPERSONEEL,
2. de stichting STICHTING ALGEMENE BOND CASINOPERSONEEL,
3. [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3],
eiseressen, van wie [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] gedaagde in reconventie,

tegen
1. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ,
2. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie su b 2],
3. [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3],
4. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 4], gedaagden, eisersin reconventie,

Partijen zullen hierna [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] , waar nodig [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] , de Bond en/of de Stichting, en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en/of [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] , [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 4] worden genoemd.

Het geschil in conventie en in reconventie

2.1.

[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] vordert te bevelen dat op straffe van hoofdelijk verbeurte van een dwangsom – samengevat – het voorzitterschap van [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] van de Bond en de Stichting wordt hersteld door haar inschrijving en uitschrijving van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 2] , [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3] en [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 4] als bestuurder(s) bij de Kamer van Koophandel, en te gehengen en te gedogen dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] haar functie van voorzitter ongehinderd kan uitoefenen, met rectificatie aan alle geadresseerden van het besluit van 21 december 2015 en met veroordeling van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] in de kosten.
2.2.

[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] stelt recht op en spoedeisend belang bij de gevraagde maatregel te hebben. Zij stelt dat het besluit tot haar ontslag als voorzitter en bestuurder van 21 december 2015 in strijd met de statuten is genomen.
2.3.

[gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] voert verweer en vordert in reconventie op straffe van een dwangsom – samengevat – dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] op haar beurt het besluit van 21 december 2015 respecteert en alle handelingen verricht die noodzakelijk zijn om het nieuwe bestuur te kunnen laten functioneren, zoals het afgeven van allerlei (financiële) bescheiden en dat
[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] de leden van de Bond, Holland Casino, de Ondernemingsraad, de FNV en de Unie informeert omtrent in het verleden gedane onterechte beschuldigingen met veroordeling van haar in de kosten.

3De beoordeling

3.1.

De spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de zaak.
In conventie

3.2.

Centraal staat de vraag door wie en op welke wijze een (buitengewone) algemene ledenvergadering bijeen kan worden geroepen.
3.3.

Omtrent het bijeenroepen van de algemene ledenvergadering door het kaderbestuur en het hoofdbestuur is in de statuten van de Bond het volgende – voor zover thans relevant – bepaald.
Het kaderbestuur van de Bond, waarvan het hoofdbestuur deel uit maakt, kan te allen tijde een algemene ledenvergadering bijeenroepen (artikel 16 lid 3). Omdat er geen bepaling is opgenomen over de stemverhouding waarin dit dient te geschieden, ligt het naar het oordeel van de voorzieningenrechter in de rede dat het kaderbestuur met volstrekte meerderheid (de helft + één) van de stemmen daartoe kan besluiten.
Voorts kan het kaderbestuur het hoofdbestuur oproepen een zogenoemde “buitengewone” algemene ledenvergadering bijeen te roepen. Het hoofdbestuur dient jaarlijks ten minste éénmaal een algemene ledenvergadering bijeen te roepen (artikel 19 lid 2) en zo vaak als het hoofdbestuur dat nodig vindt, kan een buitengewone algemene ledenvergadering bijeen worden geroepen (artikel 19 lid 3). Dit laatste kan ook geschieden op verzoek van andere geledingen van de Bond: met drie/vierde meerderheid van het kaderbestuur door dat kaderbestuur (artikel 19 lid 4 aanhef en sub a) en op verzoek van een/tiende van het aantal leden van de Bond (artikel 19 lid 4 aanhef en sub b) kan het hoofdbestuur eveneens worden opgeroepen een algemene ledenvergadering uit te schrijven. De voorzieningenrechter stelt vast dat de benaming “buitengewone” algemene ledenvergadering betrekking heeft op het feit dat het hoofdbestuur slechts eenmaal per jaar verplicht is een algemene ledenvergadering bijeen te roepen: een algemene ledenvergadering die buiten die verplichte algemene ledenvergadering wordt georganiseerd door het hoofdbestuur draagt de naam “buitengewoon”.

3.4.

De voorzieningenrechter stelt vast dat er dus één statutair verplichte algemene ledenvergadering is en dat er algemene ledenvergaderingen zijn, die ofwel door het hoofdbestuur ofwel door het kaderbestuur ofwel op verzoek van het kaderbestuur en/of de leden van de Bond door het hoofdbestuur bijeen worden geroepen. De mogelijkheid van artikel 19 lid 4 aanhef en sub c is in deze niet relevant.
3.5.

Het besluitvormingsproces tot het houden van een algemene ledenvergadering op 21 december 2015 is als volgt verlopen.
Op 12 november 2015 heeft een meerderheid van het kaderbestuur het vertrouwen in het dagelijks bestuur van het hoofdbestuur verloren door perikelen rondom het tellen van stemmen en het presenteren van het resultaat inzake een peiling onder de leden van de Bond over de uitkomst van de c.a.o.-onderhandelingen met Holland Casino. Er is op 13 november 2015 evenwel onvoldoende steun (geen drie/vierde meerderheid) om het hoofdbestuur te bewegen een bijzondere algemene ledenvergadering uit te schrijven.
Op 19 november 2015 roepen de hoofdbestuursleden [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] en [naam hoofdbestuurslid] de overige leden van het hoofdbestuur, te weten het dagelijks bestuur [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] (voorzitter), [naam penningmeester] (penningmeester) en [naam secretaris] (secretaris), op dat het hoofdbestuur zo spoedig mogelijk een buitengewone algemene ledenvergadering uitroept. Het dagelijks bestuur wil daaraan niet meewerken (het hoofdbestuur besluit bij volstrekte meerderheid van stemmen als tenminste de helft van het aantal leden van het bestuur ter vergadering aanwezig is; artikel 11).
Op 19 november 2015 roepen negen leden van het kaderbestuur, hetgeen een (niet gekwalificeerde) meerderheid van de kaderbestuurders is, het hoofdbestuur op om zo spoedig mogelijk een algemene ledenvergadering uit te roepen. Het hoofdbestuur geeft geen gehoor aan deze oproep.
Er wordt op 30 november 2015 een ledenraadpleging gehouden om het hoofdbestuur te bewegen een bijzondere algemene ledenvergadering bijeen te roepen. Dit levert een groot aantal reacties op, beweerdelijk 142. Het hoofdbestuur roept geen buitengewone algemene ledenvergadering bijeen.
Op 6 december 2015 besluit een meerderheid van het kaderbestuur, onder wie hoofdbestuurder [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] , zelf een algemene ledenvergadering uit te schrijven. De uitnodiging voor deze vergadering wordt niet, zoals gebruikelijk, verspreid door de Servicedesk, maar via alternatieve kanalen, waaronder facebook en de prikborden in de vestigingen van Holland Casino. Dit omdat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] de servicedesk niet wilde toestaan voor de verspreiding van de uitnodigingen te zorgen.

3.6.

De voorzieningenrechter stelt vast dat op de oproep staat dat sprake is van een “buitengewone” algemene ledenvergadering. In artikel 20 wordt geen onderscheid gemaakt tussen de bevoegdheden van een “gewone” algemene ledenvergadering, de statutair verplichte algemene ledenvergadering of de “buitengewone” algemene ledenvergadering.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat, omdat artikel 20 geen onderscheid maakt in de bevoegdheden van een door het hoofdbestuur, al dan niet op verzoek van een van de andere Bondsgeledingen, bijeengeroepen “buitengewone” ledenvergadering, als bedoeld in artikel 19 lid 3, en een door het kaderbestuur uitgeroepen algemene ledenvergadering, als bedoeld in artikel 16 lid 3, de naamgeving geen effect heeft op de aard en de wijze van besluitvorming door de algemene ledenvergadering.

3.7.

Tussenconclusie is dat het kaderbestuur bevoegd was een algemene ledenvergadering op 21 december 2015 bijeen te roepen en dat deze algemene ledenvergadering in beginsel bevoegd was besluiten te nemen.
3.8.

De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat de (overige) stellingen van [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] inzake de rechtsgeldigheid van de besluiten van de algemene ledenvergadering van 21 december 2015 geen hout snijden. Hij overweegt daartoe het volgende
3.9.

[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] stelt dat zij nooit een oproep voor een ledenvergadering heeft ontvangen. De voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] kan worden verweten een situatie te hebben geschapen waardoor het kaderbestuur in de situatie verkeerde dat het versturen van de uitnodiging via het gebruikelijke kanaal van de Servicedesk met als uitgangspunt de ledenlijst van de Bond werd verhinderd. Wanneer een verzoek van het kaderbestuurslid [gedaagde in conventie, eiseres in reconventie sub 3] komt om de ledenlijst van vestiging ter beschikking te stellen, reageert zij met de woorden “dat gaan we niet doen” en de Servicedesk, waarover [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] als voorzitter zeggenschap heeft, werkt niet mee aan het verzenden van de uitnodiging. Het kaderbestuur heeft daarop alternatieve wijzen gezocht om de leden te informeren. Artikel 19 schrijft slechts de termijn voor waarop een algemene ledenvergadering moet worden uitgeroepen, maar zegt niets over de wijze waarop. [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] heeft niet betwist dat de oproep in alle vestigingen is opgehangen door de kaderleden en dat via informele kanalen als bijvoorbeeld facebook de leden ook in kennis zijn gesteld. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] niet worden gevolgd in haar standpunt dat zij door het kaderbestuur, dat verantwoordelijk was voor het uitschrijven van deze algemene ledenvergadering, niet is geïnformeerd. Als zij er al niet uit hoofde van de overleggen met hoofd- en kaderbestuur van op de hoogte was dat het kaderbestuur voornemens was een algemene ledenvergadering bijeen te roepen op 21 december 2015, dan is dat zeer aannemelijk gezien haar weigering de ledenlijst beschikbaar te stellen.
3.10.

[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] stelt dat niet is gebleken dat tijdens de algemene ledenvergadering van 21 december 2015 een rechtsgeldig besluit is genomen over haar ontslag, omdat uit niets blijkt hoe de stemming is verlopen: notulen en stembriefjes ontbreken immers. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring van [naam voorzitter stembureau] , die ter vergadering de voorzitter van het stembureau was (productie 31 van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] ).
3.11.

[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] stelt voorts dat doordat niet op behoorlijke wijze is opgeroepen tot deze algemene ledenvergadering met betrekking tot kandidaatstelling voor het hoofdbestuur niet iedereen in de gelegenheid is geweest zich te kandideren. De voorzieningenrechter stelt in dit verband vast dat de termijn van de oproeping in acht is genomen, zodat de leden zich hebben kunnen kandideren. Voorts stelt hij vast dat alle nieuw tot het hoofdbestuur verkozen leden slechts zijn benoemd tot de eerstvolgende statutair verplichte algemene ledenvergadering, zodat sprake is van een overgangsbestuur in de geest van artikel 8 lid 5. [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] kan dan ook niet worden gevolgd in haar stelling dat de besluiten tot benoeming van deze waarnemende hoofdbestuursleden door de algemene vergadering van 21 december 2015 niet rechtmatig zouden zijn.
3.12.

Om genoemde redenen is de algemene ledenvergadering van 21 december 2015 rechtsgeldig bijeengeroepen en zijn de besluiten die zijn genomen rechtsgeldig tot stand gekomen. Dit laatste betekent ook dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] vanaf die datum niet meer bevoegd was om de Bond en de Stichting in rechte te vertegenwoordigen dan wel met en namens de Bond en de Stichting te procederen. De Bond en de Stichting zullen dan ook niet-ontvankelijk worden verklaard in de vordering en de vordering zal voor zover deze is ingediend door [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] worden afgewezen.
3.13.

[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie, aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] begroot op € 1.104,00.
In reconventie

3.14.

Omdat dit vonnis na 13 januari 2016 wordt uitgesproken, hoeft de voorzieningenrechter niet meer te oordelen over de gegrondheid van de vordering onder 1 in reconventie.
3.15.

Met [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] is de voorzieningenrechter van oordeel dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] , omdat geoordeeld is dat zij op rechtmatige wijze door de algemene ledenvergadering van de Bond van haar functie van voorzitter van het hoofdbestuur van de Bond is ontheven, alles wat in haar macht en mogelijkheden ligt zal moeten doen om het nieuwe (deels waarnemend) hoofdbestuur zijn taken en bevoegdheden goed te kunnen laten uitoefenen. De vordering in reconventie onder 2, 4 en 5 kan daarom ook zonder meer worden toegewezen, met dien verstande dat de voorzieningenrechter in overeenstemming met de eisen van redelijkheid en billijkheid de hoogte van de dwangsommen zal aanpassen alsmede de dwangsommen zal maximeren.
3.16.

De vordering onder 3 betreffende de rectificatie van beweringen gedaan door
[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] omtrent het gedrag van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] zal worden afgewezen, omdat op grond van de overgelegde stukken en het verhandelde ter zitting de feiten daaromtrent niet genoegzaam zijn komen vast te staan. De kort gedingprocedure biedt ook overigens niet de gelegenheid om aan partijen op te dragen zich nader uit te laten dan wel de standpunten nader te onderzoeken door opdragen van bewijs.
3.17.

[eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] zal als de in het ongelijk gestelde partij in reconventie worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] . Deze worden tot op heden begroot op € 408,00.

4De beslissing

De voorzieningenrechter
In conventie

4.1.

verklaart de Bond en de Stichting niet-ontvankelijk,
4.2.

wijst de vordering van [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] af,
4.3.

veroordeelt [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] in de kosten van het geding in conventie aan de zijde van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] tot op heden begroot op € 1.104,00 (griffierecht€ 288,00 en salaris advocaat € 816,00),
4.4.

verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad voor zover het de kostenveroordeling betreft,
In reconventie

4.5.

beveelt [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] dat zij zal verklaren dat zij de Buitengewone Algemene Ledenvergadering van Vakbond ABC van 21 december 2015 zal respecteren evenals de in deze vergadering genomen besluiten en dit aan de leden mee te delen via Klankbord, facebook en Servicedesk@abc.nl en aan Holland Casino, de Ondernemingsraad, de FNV en de Unie per brief, binnen 24 uur, nadat dit vonnis aan haar is betekend, en bepaalt dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] een dwangsom van € 500,00 verschuldigd is voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij nalaat om aan dit bevel te voldoen met een maximum van € 5.000,00,
4.6.

beveelt [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] om alle zaken, die zij uit hoofde van haar (gewezen) voorzitterschap van Vakbond ABC onder zich heeft af te geven aan [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] binnen 24 uur, nadat dit vonnis aan haar is betekend, en bepaalt dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] een dwangsom van € 500,00 verschuldigd is voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij nalaat om aan dit bevel te voldoen met een maximum van
€ 5.000,00,
4.7.

beveelt [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] ervoor zorg te dragen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] de beschikking krijgt over de volledige financiële administratie, inclusief alle onderliggende bescheiden, vanaf 2010 tot en met heden, alsmede over de volledige ledenadministratie, alsmede er zorg voor te dragen dat [gedaagde in conventie, eiser in reconventie sub 1] binnen vijf dagen na betekening van het vonnis bij uitsluiting van anderen toegang heeft tot servicedesk@vakbondabc.nl en de bankrekeningen op naam van Vakbond ABC en Stichting ABC, en bepaalt dat [eiseres in conventie, gedaagde in reconventie sub 3] een dwangsom van € 500,00 verschuldigd is voor iedere dag of gedeelte van een dag dat zij nalaat om aan dit bevel te voldoen met een maximum van € 5.000,00,

Stoppen activiteiten (Veluweruiters)

Rechtbank Gelderland 10 november 2015
ECLI:NL:RBGEL:2015:7727


De rechter laat het besluit van de ALV om te stoppen met de activiteiten van de afdeling ” mennen”  in stand. “Het besluit tot staking van de menactiviteiten komt in de visie van [eisers] neer op opheffing van de afdeling mennen. Daarmee wordt in wezen een wijziging van de statuten teweeggebracht. (…) Dat standpunt moet worden verworpen. Staking van de menactiviteiten is niet hetzelfde als opheffen van de afdeling mennen. De staking van de activiteiten hoeft in de eerste plaats niet definitief te zijn. De vereniging zou in de toekomst kunnen besluiten die activiteiten weer te laten herleven. In de tweede plaats ontneemt het staken van de activiteiten niet elke betekenis aan het bestaan van de afdeling mennen.” 

Vonnis in kort geding van 10 november 2015

in de zaak van
1. [eiser] ,
2. [eiser 1],

tegen de vereniging VERENIGING PAARDENSPORTVERENIGING DE VELUWERUITERS,

Partijen zullen hierna [eisers] en De Veluweruiters genoemd worden.

 

2De feiten

2.1.

De Veluweruiters, een paardensportvereniging, is blijkens artikel 1 van haar statuten onderverdeeld in een afdeling paarden, een afdeling pony’s en een afdeling mennen. De Veluweruiters heeft één bestuur en één algemene ledenvergadering. De Vereniging telt ongeveer 140 leden. De Veluweruiters en haar leden zijn lid van de Koninklijke Nederlandse Hippische Sportfederatie (hierna: KNHS). In de statuten van De Veluweruiters is voorts, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
Artikel 4 – Leden
1. Leden van de vereniging zijn natuurlijke personen. Leden, die de leeftijd van 18 jaar nog niet hebben bereikt, worden vertegenwoordigd door één der ouders of wettelijke vertegenwoordiger. (…).
(…)
Artikel 12 – Algemene vergadering
(…)
3. De algemene vergadering bestaat uit alle leden van de vergadering.
4. Leden die niet geschorst zijn, hebben toegang tot de algemene vergadering en zijn stemgerechtigd, mits minimale leeftijd van 18 jaar. Bij aspirant leden onder de 18 jaar is de ouder of wettelijk vertegenwoordiger van stemgerechtigd.
(…)
Artikel 16 – Besluiten
  1. Het in dit artikel bepaalde is van toepassing op alle besluiten die in de vereniging worden genomen. (…).
  2. (…)
  3. Tenzij in de statuten of in een reglement anders is bepaald, worden besluiten in de vergadering genomen met een gewone meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Onder meerderheid wordt verstaan meer dan de helft van de door stemgerechtigde leden uitgebrachte stemmen, zo nodig door afronding naar boven. Indien de stemmen staken is geen meerderheid behaald.
(…)
Artikel 21 – Wijziging van statuten
(…)
3. Een besluit tot wijziging van de statuten kan slechts op een algemene vergadering met ten minste twee derden van de uitgebrachte geldige stemmen worden genomen.
(…)
2.2.

[eisers] zijn als menlid aangesloten bij De Veluweruiters.
2.3.

In 2013 waren er 23 menners als leden bij De Veluweruiters aangesloten. In het najaar van 2013 heeft het bestuur op de algemene ledenvergadering voorgelegd dat de menactiviteit al een aantal jaar niet kostendekkend is. De contributie is onvoldoende om de instructiekosten (de rechtstreekse leskosten ten behoeve van de menners) te dekken. Er werd op twee avonden les gegeven door drie instructeurs. De lessen bleken regelmatig niet goed bezet te zijn.
2.4.

Per 1 januari 2014 is het aantal bij De Veluweruiters aangesloten menleden gedaald tot 17. Het bestuur van De Veluweruiters heeft de menafdeling verzocht om tot een kostenreductie te komen. In dat verband is voorgesteld de lessen te concentreren op één avond en terug te gaan op één instructeur. Het voorstel van het bestuur is besproken op de algemene ledenvergadering van 20 januari 2014. Op deze vergadering zijn, na uitleg van het voorstel door het bestuur, de menleden weggelopen.
2.5.

Het bestuur heeft het voorgenomen besluit uitgevoerd. De menleden hebben vervolgens contact gezocht met de KNHS voor bemiddeling in het ontstane geschil over de kostenreductie. De eerste bemiddelingspoging vn de KNHS heeft plaatsgevonden op 2 februari 2014.
2.6.

Op initiatief van de menleden is op 10 maart 2014 een buitengewone algemene ledenvergadering gehouden. Tijdens deze algemene vergadering is opnieuw de financiële positie van de menafdeling ter sprake gebracht en in dat verband ook het aantal en de omvang van de meninstructies. Besloten wordt de menactiviteiten te beperken tot één avond met de heer Boer (een van de oorspronkelijke instructeurs) als instructeur.
2.7.

Gedurende de rest van het jaar 2014 heeft er regelmatig overleg tussen het bestuur en de menafdeling plaatsgevonden. In juli 2014 heeft het bestuur de menleden gewezen op de lage kantineomzet tijdens de menwedstrijd en het verstrekken van consumpties zonder dat daar betaling tegenover heeft gestaan. Op 5 november 2014 is dit ook aan de orde gekomen in de algemene ledenvergadering. Dit punt heeft tot een heftige woordenwisseling geleid.
2.8.

Op 12 november 2014 is een spoedvergadering van het bestuur uitgeroepen. Besloten werd de menleden die het niet eens zijn met het besluit en die beschuldigingen naar het bestuur hebben geuit en bestuursleden persoonlijk hebben bedreigd, uit te nodigen voor een gesprek. De uitgenodigde menleden hebben dit gesprek geweigerd.
2.9.

Op initiatief van het bestuur heeft op 9 december 2014 een vergadering plaatsgevonden voor alle menleden. Op deze vergadering is wederom de financiële positie van de menafdeling aan bod gekomen en de vertrouwensbreuk die is ontstaan tussen de menleden en het bestuur. De menleden hebben aldaar beterschap beloofd.
2.10.

Op 12 januari 2015 hebben de menleden een plan van aanpak aan het bestuur gezonden. Het bestuur heeft dit plan van aanpak als onvoldoende beoordeeld. Eind januari 2015 heeft het bestuur besloten een buitengewone algemene ledenvergadering uit te roepen zodat de leden kunnen beslissen over het beëindigen van de menactiviteiten van de vereniging.
2.11.

De buitengewone algemene ledenvergadering over het beëindigen van de menactiviteiten heeft plaatsgevonden op 18 februari 2015. Het bestuur heeft op deze vergadering toegelicht waarom zij van mening is dat de menactiviteiten beëindigd moeten worden. De menleden hebben vervolgens aan de hand van een PowerPoint presentatie hun voorstel en standpunten toegelicht. Het bestuur heeft op de toelichting van de menleden gereageerd. Vervolgens zijn er vanuit de zaal vragen gesteld en heeft er een discussie plaatsgevonden. De buitengewone algemene ledenvergadering is daarna overgegaan tot een schriftelijke stemming. Er is een stemcommissie benoemd bestaande uit een menlid, een lid van de afdeling paarden en een lid van de afdeling pony’s. Door 97 leden zijn stemmen uitgebracht. Daarnaast is 46 keer bij volmacht gestemd. In totaal zijn 143 stemmen uitgebracht. De uitslag was als volgt: 83 stemmen hebben voor het voorstel van het bestuur gestemd, 58 stemmen hebben tegen gestemd en 2 stemmen hebben blanco gestemd. Het voorstel tot beëindiging van de menactiviteiten is vervolgens aangenomen.
2.12.

In een brief van 8 april 2015 heeft de algemeen directeur van de KNHS onder meer het volgende aan het bestuur van de Veluweruiters geschreven:
Wij hebben kennis genomen van het geschil tussen een aantal leden van de vereniging de Veluweruiters en de vereniging. De kern van de zaak is dat de vereniging met de menactiviteiten wil gaan stoppen. De menners willen dit niet. Er heeft een Algemene Ledenvergadering plaatsgevonden waarin de meerderheid van de vergadering heeft besloten de menactiviteiten te stoppen. Er is niet besloten om de menafdeling op te heffen.

De ledenvergadering van uw vereniging is akkoord gegaan met het staken van de activiteiten. Zoals u heeft kunnen lezen in het advies dat is ingewonnen bij mevrouw Olfers, Hoogleraar sport en recht, dient het staken van de activiteiten netjes afgewikkeld te worden. Uit het advies blijkt duidelijk dat een minderheidsgroep leden niet de voortgang van activiteiten kan afdwingen. Een vereniging mag echter ook niet zomaar stoppen. Er moet een deugdelijke belangenafweging hebben plaatsgevonden en er dienen goede afspraken gemaakt te worden over het moment waarop het staken van de activiteiten ingaat en de eventuele gevolgen voor de hoogte van de contributie.

3Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen samengevat – De Veluweruiters te bevelen het besluit tot staking van de menactiviteiten op te schorten totdat in een bodemprocedure is beslist en De Veluweruiters te gelasten materialen die nodig zijn voor het uitoefenen van menactiviteiten aan te kopen, een en ander op straffe van een dwangsom en met veroordeling van De Veluweruiters in de kosten.
3.2.

De Veluweruiters voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang vloeit in voldoende mate uit de stellingen van [eisers] voort.
4.2

[eisers] hebben zich er in de eerste plaats op beroepen dat het besluit van de algemene ledenvergadering van 18 februari 2015 vernietigbaar is wegens strijd met de statuten op de voet van art. 15 lid 1 aanhef en onder a BW. Volgens art. 1 lid 1 van de statuten is de vereniging De Veluweruiters onderverdeeld in een afdeling paarden, afdeling pony’s en afdeling mennen. Het besluit tot staking van de menactiviteiten komt in de visie van [eisers] neer op opheffing van de afdeling mennen. Daarmee wordt in wezen een wijziging van de statuten teweeggebracht. Beslissingen tot wijziging van de statuten moeten volgens art. 21 lid 3 van de statuten met twee derden meerderheid worden genomen en dat is hier niet gebeurd. Dat standpunt moet worden verworpen. Staking van de menactiviteiten is niet hetzelfde als opheffen van de afdeling mennen. De staking van de activiteiten hoeft in de eerste plaats niet definitief te zijn. De vereniging zou in de toekomst kunnen besluiten die activiteiten weer te laten herleven. In de tweede plaats ontneemt het staken van de activiteiten niet elke betekenis aan het bestaan van de afdeling mennen. Namens De Veluweruiters is uiteen gezet dat menners lid kunnen blijven van de vereniging en dat het lidmaatschap van een vereniging met een afdeling mennen maakt dat het lid aan menwedstrijden kan deelnemen. Volgens De Veluweruiters hebben meer ruitersportverenigingen daarom een menafdeling hoewel binnen die verenigingen geen menactiviteiten plaatsvinden. [eisers] hebben dat niet gemotiveerd betwist. Voor het besluit tot staking van de activiteiten volstond daarom de gewone meerderheid.
4.3

Voldoende aannemelijk is dat de stemming daarover rechtsgeldig heeft plaatsgevonden. Ter zitting is gebleken dat een schriftelijke uitnodiging voor de algemene ledenvergadering is verstuurd met een bijgevoegde agenda. Gebleken is dat in die schriftelijke uitnodiging stond dat ter vergadering zou worden besloten over het staken van de menactiviteiten. Niet gesteld of gebleken is dat die uitnodiging te laat is verstuurd. Voorshands moet worden aangenomen dat hiermee voldaan is aan het bepaalde in de artt. 13 en 15 van de statuten. Volgens [eisers] hebben de menners getracht hunnerzijds punten op die agenda te krijgen betrekking hebbend op de vraag of de menactiviteiten opgeheven dienden te worden en heeft het bestuur van De Veluweruiters dat geweigerd. De Veluweruiters heeft betwist dat een dergelijk verzoek is gedaan. Dat kan dus niet worden vastgesteld. Maar dat de menners in hun mogelijkheden om de besluitvorming over het staken van de menactiviteiten te beïnvloeden zijn beperkt, kan niet worden aangenomen. De Veluweruiters heeft gesteld dat de menners ter vergadering uitvoerig de gelegenheid hebben gehad en benut om hun visie op het al dan niet voortbestaan van de menactiviteiten uiteen te zetten, wat [eisers] hebben bevestigd. Niets is gesteld of gebleken waaruit afgeleid moet worden dat zij benadeeld zijn door het feit dat de uiteenzettingen van hun visie niet waren geagendeerd. [eisers] hebben er verder nog een punt van gemaakt dat een groot aantal stemmen bij volmacht is uitgebracht. Niet aannemelijk is geworden dat daarmee iets mis was. De Veluweruiters heeft uiteengezet dat minderjarige leden geen stemrecht hebben en dat hun ouders of wettelijke vertegenwoordigers via een volmachtregeling hun stem uitbrengen.
4.4

Voor het overige hebben [eisers] in tal van opzichten betoogd dat het besluit tot staking van de menactiviteiten niet op goede gronden en niet zorgvuldig is genomen. Klaarblijkelijk beroepen zij zich erop dat het besluit daarom vernietigbaar is op de voet van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Of een besluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid kan slechts marginaal door de rechter worden getoetst. Het besluit is slechts dan vernietigbaar indien het orgaan van de rechtspersoon in redelijkheid niet tot dit besluit had kunnen komen. Dat kan hier niet worden gezegd. Uit de door De Veluweruiters overgelegde stukken blijkt voorshands voldoende dat het in stand houden van de menactiviteiten jaren achtereen niet kostendekkend heeft kunnen plaatsvinden, dat daarover bij herhaling met de menners is gesproken waarbij hen gevraagd is daarin verandering te brengen, maar dat daarin desondanks geen verbetering is gebracht. Het staat De Veluweruiters vrij verliesgevende activiteiten te beëindigen. Niet kan worden gezegd dat zij daartoe in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten. De termijn waarop zij de activiteiten heeft beëindigd is niet onredelijk kort geweest. De Veluweruiters heeft onbetwist gesteld dat er in de omgeving voldoende ruitersportverenigingen zijn met menafdelingen waar menactiviteiten kunnen plaatsvinden. Zij heeft ook gesteld dat vrijwel alle menleden bij een andere vereniging onderdak hebben gevonden, wat [eisers] evenmin gemotiveerd hebben betwist. Dat deze leden graag terug zouden willen keren naar De Veluweruiters, zoals [eisers] stellen, is iets anders.
4.5

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

wijst de vorderingen af,

Toetsing uitspraak tuchtcommissie (KNVB)

Rechtbank Midden-Nederland 25-11-2015ECLI:NL:RBMNE:2015:8154

Na een schorsing door de tuchtcommissie van de KNVB, tekent het lid eerst intern beroep aan bij de beroepscommissie en legt de zaak daarna voor aan de voorzieningenrechter. De rechter of toetst in kort geding marginaal of de tuchtcommissie (en niet de beroepscommissie) in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen.

Vonnis in kort geding van 25 november 2015
in de zaak van
[eiser], eiser,
tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND, gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiser] en KNVB genoemd worden.

2De feiten

2.1.

Op 25 mei 2015 heeft in [woonplaats] een (amateur)voetbalwedstrijd plaatsgevonden tussen de eerste elftallen van [voetbalclub 1] en [voetbalclub 2] . [eiser] was op dat moment trainer van [voetbalclub 2] .
2.2.

Tijdens de wedstrijd heeft [eiser] een rode kaart gekregen. Na afloop heeft zich in de bestuurskamer een incident voorgedaan, waarbij [eiser] het arbitraal trio verbaal onheus heeft bejegend.
2.3.

De scheidsrechter heeft op 25 mei 2015 een rapportage opgesteld over het incident, waarin hij melding maakt van de door hem geconstateerde overtredingen. Daarmee is de overtreding aanhangig geworden bij de Tuchtcommissie van de sectie amateurvoetbal van de KNVB (hierna: de tuchtcommissie). De assistent-scheidsrechters hebben op 26 mei 2015 eveneens een rapportage ingediend. De tuchtcommissie heeft [eiser] naar aanleiding van deze rapportage op 28 mei 2015 een tenlastelegging gezonden.
2.4.

Op 10 juni 2015 heeft de tuchtcommissie mondeling onderzoek gedaan, ter gelegenheid waarvan zes personen zijn gehoord, waaronder beide assistent-scheidsrechters, [eiser] en de voorzitter en secretaris van [voetbalclub 2] .
2.5.

Bij uitspraak van 24 juni 2015 heeft de tuchtcommissie bewezen verklaard:
“Dat u zich tijdens en na de wedstrijd [voetbalclub 1] – [voetbalclub 2] d.d. 25 mei 2015 te [woonplaats] onbehoorlijk heeft gedragen door:

1. Het bedreigen van de scheidsrechter(s) met de woorden: […]
3. Het op agressieve wijze belagen van de scheidsrechter(s)

(Artikel 2 lid 2 sub b Algemeen Reglement)”

De tuchtcommissie heeft [eiser] daarop als volgt beslist:

STRAFMOTIVERING
(…)
De tuchtcommissie heeft zich bij het bepalen van de strafmaat in eerste aanleg afgevraagd of er sprake is geweest van een excessieve overtreding, waarbij dient te worden vastgesteld of de geuite bedreigingen ernstig (…) zijn geweest. De tuchtcommissie is van oordeel dat de strekking van de woorden in combinatie met de houding van betrokkene als excessief bestempeld en ook betraft dienen te worden.

De richtlijn voor het ernstig bedreigen van de scheidsrechter schrijft conform paragraaft 2.3.2.2 van de Handleiding tuchtzaken amateurvoetbal – seizoen 2014/’15 een schorsing van 12 maanden t/m ontzetting uit het lidmaatschap als straf voor.

De tuchtcommissie is van oordeel dat alleen al de geuite bedreigingen op zich zouden leiden tot de minimale straf. Daarnaast heeft de tuchtcommissie bij het bepalen van de strafoplegging het volgende in acht genomen:
– Dat betrokkene na afloop van de wedstrijd de mogelijkheid heeft gehad om zich te bezinnen en er zodoende voor heeft kunnen kiezen om niet naar de bestuurskamer te gaan.
– Dat betrokkene tijdens de wedstrijd de assistent-scheidsrechter bij zijn arm heeft gepakt.
– Dat er naast bedreigingen ook beledigingen zijn geuit door betrokkene.
– De strafkaart van betrokkene, waarop valt af te lezen dat dit de derde overtreding van betrokkene is dit seizoen.

Hierdoor heeft de tuchtcommissie besloten om af te wijken van de minimale straf ten nadele van betrokkene. Deze afwijking komt ten uiting in het voorwaardelijke deel van de straf.

STRAFOPLEGGING
(…)
– Een schorsing van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

De ingangsdatum van de straf is 24 juni 2015.

Dit houdt in dat betrokkene gedurende de schorsing niet aan wedstrijden in de zaal of op het veld noch aan zaal- of veldtrainingen mag deelnemen, geen functie binnen de KNVB of binnen een vereniging mag vervullen en op geen enkele wijze, actief of passief, mag deelnemen aan activiteiten binnen de KNVB of binnen een vereniging.”

2.6.

[eiser] heeft op 25 juni 2015 beroep ingesteld tegen de uitspraak. Bij uitspraak van 13 juli 2015 heeft de commissie van beroep de uitspraak van de tuchtcommissie van 24 juni 2015 bevestigd. Vervolgens heeft [eiser] op 7 augustus 2015 een herzieningsverzoek ingediend. Dit verzoek is door de commissie van beroep afgewezen op 28 augustus 2015.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert, na wijziging van eis, primair – samengevat – schorsing van de uitspraak waarbij [eiser] is geschorst (hierna: de uitspraak) vanaf de datum van het in dezen te wijzen vonnis en subsidiair schorsing vanaf een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen datum.
3.2.

KNVB voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

[eiser] heeft onweersproken gesteld dat de werkzaamheden die hij voor [voetbalclub 2] verrichtte zijn voornaamste bron van inkomen vormden en dat hij ten gevolge van de schorsing geen inkomen meer ontvangt. Daarmee is het spoedeisend belang gegeven.
4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de KNVB haar tuchtrechtspraak statutair heeft belegd bij onafhankelijke organen van de KNVB, waaronder de tuchtcommissie van de sectie amateurvoetbal. De uitspraken van die commissie betreffen daarmee besluiten van een orgaan van de rechtspersoon, zodat de nietigheid en/of vernietigbaarheid van deze uitspraken getoetst dienen te worden aan de in de artikelen 2:14 lid 1 BW en 2:15 lid 1 BW opgenomen criteria.
4.3.

[eiser] heeft verzocht om schorsing van de uitspraak nu deze de toets van de redelijkheid en billijkheid niet kan doorstaan en in een bodemprocedure geen stand zal houden. De voorzieningenrechter begrijpt de vordering aldus dat [eiser] meent dat de uitspraak vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. De voorzieningenrechter dient bij een dergelijke vordering het bestreden besluit marginaal te toetsen, waarbij als toetsingskader geldt of de tuchtcommissie en/of de commissie van beroep in redelijkheid en naar billijkheid tot diens uitspraken konden komen en het besluit bij de bodemrechter stand zal houden.
4.4.

Tussen partijen is ter gelegenheid van de mondelinge behandeling debat ontstaan of de vordering zich dient te richten tegen de uitspraak van de tuchtcommissie of de commissie van beroep. [eiser] heeft bij dagvaarding terecht schorsing van het besluit van de tuchtcommissie gevorderd, nu de vraag of het orgaan van de KNVB in redelijkheid en naar billijkheid tot diens besluit moet komen met name ziet op de wijze waarop de tuchtcommissie de procedure heeft vormgegeven en de strafmaat heeft gemotiveerd. Bovendien zou schorsing van het besluit van de commissie van beroep niet tot een voor [eiser] gunstig resultaat leiden, nu daarmee het besluit van de tuchtcommissie in stand gelaten wordt.
4.5.

[eiser] heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat de uitspraak van de tuchtcommissie vernietigbaar is enerzijds aangevoerd dat de tuchtcommissie ten onrechte geen getuigen aan de zijde van [eiser] heeft gehoord en anderzijds dat de opgelegde schorsing disproportioneel is gezien de persoonlijke situatie van [eiser] .
4.6.

Ten aanzien van de getuigen geldt dat zijdens de KNVB onweersproken is gesteld dat zij in de schriftelijke oproeping voor de mondelinge behandeling heeft gewezen op de mogelijkheid om getuigen te doen horen. [eiser] heeft echter niet op voorhand opgave gedaan van de door hem gewenste getuigen, noch heeft hij ter gelegenheid van het mondeling onderzoek van 10 juni 2015 de tuchtcommissie verzocht om getuigen te horen. Overigens zijn bij het mondeling onderzoek wel getuigen van de zijde van [voetbalclub 2] gehoord. Daarmee staat voldoende vast dat [eiser] weliswaar de mogelijkheid heeft gehad om getuigen te laten horen, maar dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt. Dat deze getuigen niet zijn gehoord kan [eiser] dan ook niet aan de KNVB tegenwerpen. Daarbij geldt bovendien dat in dit kort geding ook niet is gebleken wat deze getuigen zouden hebben kunnen verklaren en of dit de tuchtcommissie tot een ander oordeel had kunnen brengen. Daaruit volgt reeds dat de tuchtcommissie in redelijkheid en naar billijkheid tot haar bewezenverklaring heeft kunnen komen, nu de gestelde disproportionaliteit slechts ziet op de opgelegde straf. Onvoldoende aannemelijk is dan ook dat de bodemrechter op deze grond over zal gaan tot vernietiging van het besluit.
4.7.

Ten aanzien van de gehanteerde strafmaat geldt dat in artikel 25 lid 3 onder b van het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal is bepaald dat voor excessieve overtredingen zoals door [eiser] begaan onvoorwaardelijke minimum- en maximumstraffen gelden. Uit het in een bijlage bij dat reglement opgenomen ‘Overzicht excessen en onvoorwaardelijke minimum- en maximumstraffen excessen’ blijkt dat voor ‘Ernstige bedreiging’ de geldende minimumstraf een schorsing van 12 maanden bedraagt en de maximumstraf ontzetting uit het lidmaatschap van de KNVB betreft. Zoals blijkt uit de hiervoor onder 2.5 opgenomen strafmotivering heeft de tuchtcommissie aansluiting gezocht bij de vastgestelde minimumstraf. De door haar geconstateerde strafverzwarende omstandigheden heeft zij tot uitdrukking gebracht in een voorwaardelijke sanctie.
4.8.

Daaruit volgt dat de door de tuchtcommissie opgelegde straf geheel binnen het door de KNVB opgestelde kader past, waarbij de tuchtcommissie voor het onvoorwaardelijke deel van de straf heeft volstaan met de minimum. Als zodanig acht de voorzieningenrechter, marginaal toetsend, de straf dan ook niet disproportioneel. Voor zover de voorzieningenrechter het betoog van [eiser] zo moet begrijpen dat de tuchtcommissie, gezien de belangen van [eiser] , die naar eigen zeggen met [voetbalclub 2] opstaat en naar bed gaat, af had moeten wijken van de minimumstraf treft dit evenmin doel. Tegenover het belang van [eiser] om bij [voetbalclub 2] werkzaam te kunnen zijn staat immers het zwaarwegende belang van de KNVB om geweld en agressie in het amateurvoetbal waar mogelijk uit te bannen. Dat de tuchtcommissie het laatste belang kennelijk zwaarder heeft laten wegen is alleszins te billijken, zodat zij in redelijkheid en naar billijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen en het besluit dan ook stand zal houden bij de bodemrechter. De vordering zal worden afgewezen.
4.9.

De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

wijst de vorderingen af,
5.2.

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van KNVB tot op heden begroot op € 1.429,00.

Verplicht lidmaatschap (VVEP)

GERECHTSHOF ‘s-HERTOGENBOSCH 15 november 2011
Online gepubliceerd op 19 november 2015
ECLI:NL:GHSHE:2011:5701 

Bungalowparkzaak, alsnog gepubliceerd. Arrest over de negatieve vrijheid van vereniging: het beginsel dat je niet gedwongen worden om lid te worden van een vereniging (met als belangrijkste uitzondering de boek 5 VVE en de publiekrechtelijke beroepsorganisaties). Hier gaat het om een bungalowpark zaak (quasi-VVE, d.w.z. boek 2 BW vereniging met een constructie om lidmaatschap te verplichten in leveringsakte). De overeenkomst om lid te worden is geldig en bindt het lid, het lid kan wel het lidmaatschap opzeggen. (Noot: latere jurisprudentie lijken op een doorbetalingsverplichting naar redelijkheid voor het lid op grond van ongerechtvaardigde verrijking bij profiteren van gezamenlijke voorzieningen van het bungalowpark zonder lidmaatschap – zie bijv. Hof ‘s-Hertogenbosch 5 oktober 2015 ).

arrest van de vijfde kamer van 15 november 2011
in de zaak van
1 [appellant 1] , mede als erfgenaam en/of gevolmachtigde van de erven van wijlen,
2. [erflaatster] ,
wonende te [woonplaats] ,
appellanten,

tegen:
de rechtspersoonlijkheid bezittende (sic!) vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [VVEP] ,
geïntimeerde,

op het bij exploot van dagvaarding van 18 maart 2010 ingeleide hoger beroep tegen het door de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, gewezen vonnis van 23 december 2009 tussen appellanten hierna: [appellant 1] dan wel [erflaatster] of, gezamenlijk, [appellanten c.s.] als gedaagden in conventie, eisers in reconventie, en geïntimeerde hierna: VVEP als eiseres in conventie, verweerster in reconventie.

5 Bespreking van grief I – Beroep op het EVRM

5.1

In het bestreden vonnis heeft de kantonrechter onder 2.3 geoordeeld dat noch uit artikel 11 EVRM noch uit het ACCA-arrest (oorspronkelijk LJN AD3045, is EHRM Grote Kamer 29 april 1999 CASE OF CHASSAGNOU AND OTHERS v. FRANCE, zaken 25088/94; 28331/95; 28443/95) valt af te leiden dat partijen niet contractueel zouden mogen overeenkomen dat een van hen (“verplicht”) lid wordt van een privaatrechtelijke vereniging zonder publiekrechtelijke bevoegdheden of taken. Grief I bestrijdt dit oordeel.
5.2

In het ACCA-arrest ging het om de klacht dat de in artikel 11 EVRM gewaarborgde vrijheid van vereniging (en wel de negatieve component daarvan, de vrijheid om tot een vereniging niet toe te treden) van de klagers geschonden zou zijn en volgens dat arrest ook geschonden was door de hun door de wet opgelegde verplichting tot een bepaalde vereniging toe te treden. [appellanten c.s.] echter beklagen zich erover dat hun negatieve vrijheid van vereniging geschonden is door de in hun leveringsakte opgenomen verplichting lid te worden van VVEP. Dit acht het hof een wezenlijk onderscheidend verschil aangezien die leveringsakte de weergave was van de door [appellanten c.s.] zelf met hun rechtsvoorganger overeengekomen voorwaarden. Als artikel 11 EVRM aan de burger het recht waarborgt lid van een vereniging te worden en daarmee zijn recht om er geen lid van te worden prijs te geven, valt niet in te zien waarom hij zijn recht geen lid van een vereniging te worden niet prijs zou kunnen geven door zich tot dat lidmaatschap te verplichten.
5.3

Dat betekent dat uit het ACCA-arrest voor de onderhavige zaak niets van belang kan worden afgeleid behalve dat er zoiets als een negatief recht van vereniging bestaat, wat ook niet bestreden is. Het betekent niet zonder meer dat [appellanten c.s.] geen beroep op artikel 11 EVRM meer zou kunnen doen op de enkele grond dat zij zich zelf verbonden hebben lid van VVEP te worden. Dat is niet noodzakelijkerwijs het geval en inderdaad heeft het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in zijn arrest van 11 januari 2006 (LJN AV6044 [EHRM zaken 52562/99; 52620/99) ten aanzien van twee klagers beslist dat zij, hoewel zij zich zelf verplicht hadden tot het lidmaatschap van een vereniging, met recht klaagden dat hun nationale recht hen niet of onvoldoende beschermde tegen de daaruit voortvloeiende beperking van hun negatieve recht tot vereniging. Daarbij ging het bij beiden om de situatie dat de klager zich tot het lidmaatschap van een bepaalde vakvereniging verplicht had bij een arbeidsovereenkomst die de werkgever anders niet bereid was met hem te sluiten. Het EHRM overwoog hierbij “that individuals applying for employment often find themselves in a vulnerable situation and are only too eager to comply with the terms of employment offered” en dat de klagers bezwaar hadden tegen het lidmaatschap van die vakvereniging “because they could not subscribe to the political views of that trade union” en kwam tot het oordeel dat de klagers gedwongen waren zich bij deze vakvereniging aan te sluiten en dat deze dwang de kern raakte van de vrijheid van vereniging, gegarandeerd door artikel 11 EVRM.
5.4

De onderhavige zaak vertoont met de door het EHRM berechte zaak in zoverre overeenstemming dat ook [appellanten c.s.] de verplichting tot lidmaatschap op zich hebben genomen in een overeenkomst die hun wederpartij anders niet met hen had willen sluiten. Het was echter geen arbeidsovereenkomst, strekkend tot het verwerven van een broodwinning, maar een koopovereenkomst, strekkend tot het verwerven van een bouwkavel voor de stichting van een recreatiewoning. Dat acht het hof van zo veel minder dwingend en spoedeisend dwingend belang dat het hier niet van dwang kan spreken.
5.5

VVEP houdt zich bezig met het beheren, onderhouden en in stand houden van collectieve voorzieningen voor het recreatiepark […] en het behartigen van collectieve belangen van de eigenaars en gebruikers van de recreatiewoningen op dat park. Het lijkt niet voor de hand te liggen dat VVEP standpunten van politieke of andere aard zal innemen of uitdragen waarmee [appellanten c.s.] zich mogelijk niet kunnen verenigen en zij hebben ook niet gesteld te vrezen dat VVEP dat in de toekomst zal gaan doen.
5.6

Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter, in hoger beroep niet bestreden, beslist dat het lidmaatschap van VVEP ondanks een andersluidende bepaling in haar statuten opzegbaar is ingevolge artikel 2:35 BW. Daarmee biedt de Nederlandse wet een redelijke en adequate maatregel om het genot van het recht van vereniging te beschermen tegen inmenging anders dan van overheidswege die met een redelijk evenwicht tussen conflicterende belangen niet in overeenstemming is.
5.7

Op deze gronden is het hof van oordeel dat niet gesproken kan worden van een dwang tot het aangaan van het lidmaatschap van een vereniging waardoor de kern van de vrijheid van vereniging, gegarandeerd door artikel 11 EVRM, wordt geraakt. Grief I faalt.

6Bespreking van grief II – Partiële nietigheid

6.1

Onder 2.3 van het bestreden vonnis heeft de kantonrechter overwogen dat, voor het geval het verplichte aanvangslidmaatschap en het “opzegverbod” als één geheel moeten worden gezien, plaats is voor partiële nietigheid. Grief II bestrijdt deze overweging met de stelling dat zowel het verplichte aanvangslidmaatschap als het opzegverbod nietig is, dit ongeacht of zij tezamen als één geheel moeten worden gezien.
6.2

De overeenkomst tussen [appellanten c.s.] en hun rechtsvoorganger houdt de bepaling in dat [appellanten c.s.] lid van VVEP dienen te worden. Het daartegen gedane beroep op artikel 11 EVRM is door de kantonrechter verworpen en de daartegen gerichte grief I is hiervoor ondeugdelijk bevonden. Er is geen grond deze bepaling nietig te achten. Van onopzegbaarheid van het lidmaatschap wordt in de overeenkomst niet gerept. Die onopzegbaarheid is voorzien in de statuten van VVEP, maar is, naar niet betwist is, in strijd met artikel 2:35 BW. Deze statutaire bepaling is daarom onverbindend.
6.3

Hieruit volgt dat de contractuele verplichting om lid te worden en de statutaire onopzegbaarheid van dat lidmaatschap niet één geheel vormen. De eerste geldt, de laatste heeft geen effect. Van partiële nietigheid is dus geen sprake en grief II faalt.
Bespreking van de grieven III en IV – Beroep op dwaling

7.1 ‘

[appellanten c.s.] hebben een beroep op dwaling gedaan. De kantonrechter heeft dat niet uitdrukkelijk aanvaard of verworpen, maar heeft het in elk geval niet gehonoreerd. In dat kader heeft de kantonrechter overwogen
 dat niet gesteld of gebleken is dat [appellanten c.s.] tot voor enkele jaren hun lidmaatschap van VVEP als knellend hebben ervaren en hebben willen opzeggen, maar het wegens het opzegverbod niet hebben gedaan;
 dat, als [appellanten c.s.] hebben gedwaald omtrent hun rechtspositie, dat voor hun rekening moet blijven.
Deze overwegingen worden bestreden door de grieven III en IV en in de toelichting op grief IV beroepen [appellanten c.s.] zich wederom op dwaling.
7.2

Als [appellanten c.s.] gemeend hebben dat zij op grond van hun koopovereenkomst verplicht waren lid van VVEP te worden, was dat, zoals uit de beslissing op grief I volgt, juist en geen dwaling. Mogelijk hebben zij enige tijd ten onrechte in de mening verkeerd dat zij dat lidmaatschap niet konden opzeggen. Dat was dan een onjuiste voorstelling van zaken. Niet is echter duidelijk en door hen is ook niet toegelicht welke overeenkomst onder invloed daarvan tot stand gekomen is. Het beroep op dwaling is daarom terecht niet gehonoreerd en de grieven III en IV zijn ongegrond.

8Bespreking van grief V – De enkele of dubbele kavel

8.1 ‘

[appellanten c.s.] hebben aangevoerd dat zij voor hun perceel door VVEP ten onrechte dubbel aangeslagen zijn in de parkbijdrage op de grond dat het uit twee kavels zou bestaan. De kantonrechter heeft het standpunt van [appellanten c.s.] verworpen en daarbij overwogen dat VVEP groot belang heeft bij een zo letterlijk mogelijke uitleg van de statutaire definitie van het begrip “kavel” en dat dat ook strookt met de bij een dergelijke uitleg aan te leggen zogenaamde “CAO-norm”. [appellanten c.s.] bestrijden dat oordeel met grief V en betogen dat een letterlijke uitleg van de definitie het pleit juist in hun voordeel zou moeten beslechten.
8.2

Dat wijst erop dat een letterlijke uitleg alleen niet bepalend kan zijn voor de beslechting van dit geschil en dat is ook zo want de statutaire definitie van het begrip “kavel” luidt:
“een zelfstandig gedeelte van het recreatiepark “Patersven”, waarop een recreatiebungalow/-chalet met erf is/zal worden gesticht, welke kavel volgens het vigerende bestemmingsplan van de gemeente Zundert niet voor permanente bewoning mag worden gebruikt”
zonder dat daarbij wordt aangegeven op welk ogenblik die bestemming moet worden beoordeeld en wie die bestemming kan geven of wijzigen.

8.3

Vaststaat dat er oorspronkelijk voordat [appellanten c.s.] hun perceel kochten een kavelindelingsplan is gemaakt waarop de kavels genummerd waren. [appellanten c.s.] hebben een perceel, bestaande uit twee van die kavels, gekocht en hebben aangegeven daarop slechts één recreatiewoning te willen bouwen. Dat hebben zij ook gedaan.
8.4

Aangenomen moet worden dat vóór de uitgifte van de grond het kavelindelingsplan bepalend was voor de (door de toenmalige eigenaar gegeven) bestemming van de grond en dus ook voor het begrip “kavel”. Bij de uitgifte zijn de kavelnummers volgens dat kavelindelingsplan ook gebruikt ter aanduiding van de verkochte percelen. De statuten hanteren vervolgens het begrip “kavel” voor de bepaling van zowel het stemrecht als de bijdrageplicht van de leden. Daarom is niet aannemelijk dat de statutaire definitie aldus begrepen moet worden dat de nieuwe eigenaar aan een kavel die hoedanigheid (zonder medewerking van VVEP) zonder meer zou kunnen ontnemen door te besluiten er geen woning op te bouwen. Het hof acht daarom de door de kantonrechter aan de definitie gegeven uitleg juist.
8.5

Het door [appellanten c.s.] gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel doet daaraan niet af. De kantonrechter heeft dat beroep verworpen op grond dat de situatie van [appellanten c.s.] niet gelijk is aan die van de door hen aangevoerde vergelijkingsgevallen. Daarvoor heeft de kantonrechter onder 2.5 feiten aangevoerd die dit oordeel rechtvaardigen en waarvan de feitelijke juistheid in hoger beroep niet bestreden is. Grief V faalt daarom.

9Bespreking van grief VI – Het bedrag van de vordering

9.1 ‘

[appellanten c.s.] hebben in eerste aanleg als derde verweer tegen de vordering van VVEP aangevoerd dat het gevorderde bedrag ondoorzichtig is. VVEP heeft daarop gereageerd met een nieuwe specificatie, tevens aanleiding gevend tot een nieuwe formulering van de vordering en een vermeerdering van eis. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis onder 2.6 overwogen dat deze nieuwe specificatie door [appellanten c.s.] niet meer is bestreden en dus voor juist moet worden gehouden en hij heeft de vermeerderde vordering toegewezen. Dit wordt bestreden door grief VI waarin [appellanten c.s.] stellen dat zij de nieuwe specificatie wel degelijk hebben bestreden en volharden bij die bestrijding.
9.2

Als eerste en kennelijk als centraal bedoelde betwisting presenteerden [appellanten c.s.] in eerste aanleg en thans weer in de toelichting op deze grief de bewering dat de specificatie niet wordt ondersteund door overlegging van de daarin voorkomende facturen waarvan zelfs de data en factuurnummers niet worden vermeld en dat de genoemde bedragen afwijken van eerder genoemde bedragen. Dit miskent dat VVEP tot bewijs van haar stellingen eerst gehouden is als die stellingen betwist worden en als die betwisting voldoende gemotiveerd is. Hoe ver die motivering gaan moet, hangt van de omstandigheden af en onder omstandigheden kan zelfs een betwisting bij gebreke van wetenschap al voldoende gemotiveerd zijn, mits het gebrek van wetenschap voldoende begrijpelijk of begrijpelijk gemaakt is. De enkele bewering echter dat bewijs voor een stelling ontbreekt, levert nog geen betwisting op.
9.3

Voorts hebben [appellanten c.s.] in eerste aanleg voor de parkbijdragen tot en met 2003 een beroep gedaan op verjaring. De kantonrechter heeft dit beroep, gedaan bij de laatste akte en waarop VVEP niet meer had kunnen reageren, tardief geoordeeld en gepasseerd. In hoger beroep hebben [appellanten c.s.] van verjaring niet meer gerept. De grief houdt aldus geen behoorlijk naar voren gebrachte grief tegen deze beslissing van de kantonrechter in.
9.4

Dan hebben [appellanten c.s.] in eerste aanleg als verweer nog opmerkingen gemaakt over de rentedatum voor het bij vermeerdering van eis toegevoegde deel van de vordering en over de vordering van toekomstige parkbijdragen. Die opmerkingen heeft de kantonrechter (behoudens het herstel van een kennelijke vergissing in een datum) gevolgd zodat deze punten in hoger beroep geen rol meer spelen.
9.5

Ten slotte hebben [appellanten c.s.] aangevoerd dat hun opzegging tot gevolg heeft dat de grondslag voor de verschuldigdheid van parkbijdragen is vervallen. Dat is echter slechts juist voor zover het om toekomstige parkbijdragen zou gaan. De specificatie vermeldt echter slechts bedragen tot en met 2008 terwijl de opzegging volgens opgave van [appellanten c.s.] eerst op 20 maart 2009 plaatsvond. Als verweer faalt daarom ook dit betoog.
9.6

Grief VI is aldus ongegrond.

10Slotsom

Nu alle grieven falen, dient het bestreden vonnis te worden bekrachtigd met verwijzing van
[appellanten c.s.] als in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep.

11De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Breda, sector kanton, locatie Breda, van 23 december 2009;

veroordeelt [appellanten c.s.] in de kosten van het hoger beroep en bepaalt deze, voor zover tot op heden aan de zijde van VVEP gevallen, op € 1.264,00 voor salaris advocaat volgens het liquidatietarief en € 263,00 voor griffierecht;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.