Opzegging wordt aangemerkt als royement (moskee Assalam)

Rechtbank Den Haag 11 maart 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:2492



In deze zaak was het lidmaatschap van een (lastig) lid opgezegd. De grond voor  opzegging was echter letterlijk overgenomen uit de bepaling van de statuten voor ontzetting (royement). De rechter merkt het besluit dus als een royement aan, zodat het lid het recht heeft om ertegen in beroep te gaan bij de ALV.

Vonnis in kort geding van 11 maart 2015 in de zaak van
[eiser], tegen
de vereniging Marokkaans Islamitische Vereniging Moskee Assalam,

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de vereniging’.

1De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 februari 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

De vereniging is in 1997 opgericht. De vereniging heeft volgens artikel 2 van de statuten ten doel het organiseren van godsdienstige en godsdienstig-culturele manifestaties en activiteiten voor alle islamieten en hun gezinnen. [eiser] is al vele jaren lid van de vereniging.
1.2.

In de statuten is verder – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“(….)
Artikel 5
1.Het lidmaatschap eindigt:
a. (…)
b. door opzegging door een lid;
c. door opzegging door de vereniging;
d. door ontzetting.
(….)
3. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging kan tegen het einde van het lopende boekjaar door het bestuur worden gedaan:
– wanneer een lid na daartoe bij herhaling schriftelijk te zijn aangemaand op een november niet volledig aan zijn geldelijke verplichtingen jegens de vereniging heeft voldaan;
– wanneer het lid heeft opgehouden te voldoen aan de vereisten die op dat moment door de statuten voor het lidmaatschap worden gesteld.
(…)
4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of wanneer het lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Zij geschiedt door het bestuur, dat het lid zo spoedig mogelijk van het besluit in kennis stelt, met opgave van de redenen. Het betrokken lid is bevoegd binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. (…..)
Artikel 10
1. Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging.
2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan de voorzitter tezamen met de secretaris of de penningmeester, dan wel aan de secretaris tezamen met de penningmeester. (….)
Artikel 15
1. Algemene ledenvergaderingen worden door het bestuur bijeengeroepen zo dikwijls het dit wenselijk oordeelt. (….)”
1.3.

In het huishoudelijk reglement van de vereniging is onder meer het volgende vermeld:
“(….)
Artikel 11 overtredingen
De overtredingen zoals bedoeld in de statuten bestaan uit:
a. Onbehoorlijk gedrag en/of handelen of nalaten waardoor de belangen van de vereniging worden geschaad.
b. Het doen aan groepsvorming of het creeren van fitna.
(…)
e. Het zonder toestemming van het bestuur in de moskeeruimten collecteren of geld of goederen (laten) inzamelen.
(….)
l. Het verbaal en non-verbaal bedreigen van moskeegangers en in het bijzonder bestuursleden.
(….)
Artikel 12 sancties
1. Bij overtreding van een of meer bepalingen van artikel 12 zal het bestuur bepalen welke sanctie zal worden opgelegd.
3. De mogelijke sancties zijn (combinatie is mogelijk):
-pandontzegging/toegangsverbod
-gesprek met het bestuur
-mondelinge waarschuwing
-schriftelijke waarschuwing
-schorsing
-aangifte bij de politie
-opzegging lidmaatschap (….)”

1.4.

Bij brief van 19 maart 2014 heeft het bestuur van de vereniging [eiser] een waarschuwing gestuurd met als reden dat hij zich frequent schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van onder andere bestuursleden en moskeegangers door verbaal en non-verbaal geweld en dat hij zich schuldig heeft gemaakt het verstoren van algemene leden-vergaderingen. Tevens heeft het bestuur [eiser] meegedeeld dat hem een pandverbod zal worden opgelegd indien hij zich niet houdt aan de in die brief opgesomde regels.
1.5.

Bij brief van 1 augustus 2014 heeft het bestuur van de vereniging aan [eiser] onder meer het volgende meegedeeld:
“(….)
Op 20 maart 2014 (19 maart, toevoeging rechtbank) bent u schriftelijk gewaarschuwd om op te houden met het zich frequent schuldig maken aan bedreiging van o.a. bestuursleden en moskeegangers door verbaal en non-verbaal geweld. U bent toen gewaarschuwd voor o.a. het bedreigen van moskeegangers en bestuursleden door bij herhaling te roepen dat u “nog steeds een plek in de gevangenis heeft”, voor het verstoren van een aantal algemene ledenvergaderingen, bijvoorbeeld de alv van 17 maart jl. en het pogen het slot van het moskeegebouw te forceren omdat u het niet eens was met een besluit van het bestuur, bekrachtigd door de algemene ledenvergadering. Hier is zelfs de politie voor ingeschakeld. We hebben in genoemde brief aangegeven dat indien u uw gedrag niet verbetert, u o.a. een pandverbod/toegangsverbod zal worden opgelegd voor een periode van minimaal 2 jaar en maximaal 10 jaar.
(…)
Ondanks de schriftelijke waarschuwing en vele gesprekken en bemiddelingspogingen bent u op de oude voet doorgegaan met het openlijk bedreigen en kleineren van bestuursleden en het opzetten van individuele leden tegen het bestuur. (….)
Ondanks uw agressie en asociaal gedrag hebben we zolang mogelijk gewacht met het treffen van maatregelen omdat we hoopten op verbetering van uw gedrag. Een tweetal recente incidenten hebben ons echter doen inzien dat u planmatig bezig bent het bestuur te ondermijnen de mensen tegen elkaar en tegen het bestuur op te zetten. De verhoudingen zijn hiermee definitief verstoord. Op 26 juni 2014 heeft u in het moskeegebouw aan de Rijkestraat geprobeerd de jaarlijkse contributie van onze leden in ontvangst te nemen van willekeurige leden. Naast het feit dat hier naar onze mening sprake is geweest van oplichting, raakten veel leden in de war aangaande het gezag van het bestuur. Binnen de vereniging is het immers uitsluitend het bestuur dat contributiegelden in ontvangst mag nemen. Het andere voorval betreft uw bedreigingen aan het adres van een individueel bestuurslid op 27 juli 2014. U heeft een van de bestuursleden het spreken in de moskee onmogelijk gemaakt door hem openlijk te beledigen en te bedreigen. Het betreffende bestuurslid voelde zich in extreme mate bedreigd door dat u schreeuwend en met zwaaiende armen hard op hem bent ingelopen. (….) De bestuursleden voelen zich hierdoor niet meer veilig als u in de moskee aanwezig bent.

Besluiten
1. Opzegging lidmaatschap
Het bestuur van de vereniging heeft besloten uw lidmaatschap van de vereniging per maandag 4 augustus 2014 op te zeggen. U bent dus per genoemde datum geen lid meer. Dit, omdat u bij herhaling en na schriftelijk te zijn gewaarschuwd de vereniging door uw gedrag op onredelijke wijze blijft benadelen. Daar u nu al maanden bezig bent het bestuur te ondermijnen door de bestuursleden te bedreigen en publiekelijk uit te schelden en tevens de besluitvorming van het bestuur frustreert, zijn wij van mening dat u een acuut gevaar vormt voor de saamhorigheid in de moskee. Immers, na vele gesprekken en bemiddelingspogingen en een schriftelijke waarschuwing blijft u het bestuur ondermijnen en bedreigen. Dit gedrag leidt in toenemende mate tot chaos, scheldpartijen en ondermijning van het gezag van het bestuur (….) Tevens voelen de leden van het bestuur zich door uw toedoen niet meer veilig in de moskee.
2. Toegangsverbod/pandverbod
Zoals hierboven gesteld is het bestuur van de vereniging bevoegd personen die zich o.a. aan agressie en geweld schuldig maken een pandverbod/toegangsverbod op te leggen.
Overeenkomstig het gestelde in de waarschuwingsbrief (….) heeft het bestuur besloten u een pandverbod en een toegangsverbod op te leggen voor een periode van 5 jaar na dagtekening van deze brief. U mag zich dus vanaf deze datum 5 jaar lang niet meer in de moskeegebouwen en -terreinen aan De Rijkestraat 2 en de Bernadottelaan 3 vertonen.
(….)”

1.6.

Bij brief van 22 augustus 2014 heeft [eiser] via zijn advocaat beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur hem uit het lidmaatschap te ontzetten en heeft hij onder meer verzocht door de algemene ledenvergadering te worden gehoord voordat deze een beslissing neemt op het beroep.
1.7.

Bij brief van 11 december 2014 heeft [eiser] het bestuur van de vereniging gesommeerd de besluiten tot opzegging/ontzetting van het lidmaatschap en het toegangsverbod uiterlijk 29 december 2014 in te trekken en hem weer als volwaardig lid ongehinderd en onbelemmerd toegang te geven tot de moskeeruimtes.
1.8.

Het bestuur van de vereniging heeft op de brieven van 22 augustus 2014 en 11 december 2014 niet gereageerd.

2Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven –:
I. (het bestuur) van de vereniging te verbieden [eiser] de toegang tot de Moskee Assalam aan de Rijkestraat 2 te Gouda en de toegang tot de dependance van de Moskee Assalam aan de Bernadottelaan 3 te Gouda te ontzeggen;
II. (het bestuur) van de vereniging te verbieden [eiser] te beperken in zijn rechten uit hoofde van het lidmaatschap van de vereniging;
III. (het bestuur) van de vereniging te gebieden [eiser] onverwijld weer ongehinderd en onbelemmerd tot de Moskee Assalam aan de Rijkestraat 2 te Gouda en de dependance van de Moskee Assalam aan de Bernadottelaan 3 te Gouda, althans tot de toekomstige vestigingsplaats van de Moskee Assalam toe te laten en [eiser] op de gebruikelijke wijze als volwaardig lid van de vereniging te behandelen;
een en ander op verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de vereniging in de proceskosten.

2.2.

Daartoe voert [eiser] – verkort weergegeven – het volgende aan.
– De reden waarom het bestuur tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] en het toegangsverbod heeft besloten is gelegen in het feit dat [eiser] aan de orde heeft gesteld dat het bestuur in strijd met de statuten van de vereniging handelt. Het bestuur weigert rekening en verantwoording van het beleid en beheer af te leggen en trekt zich van haar statutaire verplichtingen niets aan. Het bestuur wil € 500.000,– à € 600.000,– aan banktegoeden van de vereniging gebruiken voor het oprichten van de El-Wahda Moskee te Gouda. Het bestuur is daartoe niet bevoegd zonder voorafgaande goedkeuring door de algemene ledenvergadering. [eiser] en tenminste 350 andere leden van de vereniging willen gebruik blijven maken van de moskee Assalam, die nu dreigt te worden gesloten.
– De besluiten van het bestuur van de vereniging tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] en oplegging van een toegangsverbod zijn nietig/vernietigbaar op grond van de artikelen 2:14 en 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) wegens strijd met de wet en de statuten en met de redelijkheid en billijkheid. De bestuursleden van devereniging zijn niet door de algemene ledenvergadering benoemd, maar door middel van coöptatie in het bestuur terecht gekomen en kunnen dan ook geen rechtsgeldige besluiten nemen. De opzeggingsbrief van 1 augustus 2014 is slechts voorzien van één handtekening, zonder dat duidelijk is van wie deze afkomstig is en wat de functie van deze persoon is, terwijl de vertegenwoordigings-bevoegdheid uitsluitend toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden op grond van artikel 10 lid 2 van de statuten. Door [eiser] het lidmaatschap van de vereniging te ontnemen en door hem de toegang tot de moskeeruimtes te ontzeggen ontneemt het bestuur het kernrecht van de leden van de vereniging en ook het recht van iedere moslim om de moskeeruimtes te bezoeken. Evenmin is aan [eiser] de mogelijkheid kenbaar gemaakt beroep van de bestuursbesluiten in te stellen bij de algemene ledenvergadering, hetgeen in strijd is met de artikelen 2:33 en 35 lid 4 BW en artikel 5 lid 4 van de statuten.
– Voorts zijn de bestuursbesluiten op materiële gronden vernietigbaar nu de beschuldigingen en aan [eiser] gemaakte verwijten volstrekt onjuist zijn en met schriftelijke getuigenverklaringen ontkracht worden.
– Daarnaast handelt de vereniging onrechtmatig jegens [eiser], nu zij inbreuk maakt op de rechten van Massoudi lid te zijn van de vereniging en de moskee te betreden en is de vereniging gehouden de schade die [eiser] heeft geleden te vergoeden.
– [eiser] heeft een spoedeisend belang om weer als volwaardig lid van de vereniging te worden behandeld en toegang tot de moskeeruimtes te hebben.
2.3.

De vereniging voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3De beoordeling van het geschil

3.1.

De vereniging heeft allereerst betwist dat [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft. Geoordeeld wordt dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft, nu hij niet aan de gebedsdiensten in de Moskee Assalam en ook overigens niet aan de activiteiten van de vereniging kan deelnemen. Het niet reageren op diverse (aangetekende) brieven door devereniging maakt het belang van [eiser] naar zijn aard ook spoedeisend.
3.2.

De vereniging betwist dat de huidige bestuursleden niet zijn benoemd door de algemene ledenvergadering. Uit de door de vereniging overgelegde notulen van de algemene ledenvergadering van 22 april 2012 wordt voorshands afgeleid dat het bestuur rechtsgeldig door de algemene ledenvergadering van de vereniging is gekozen.
3.3.

[eiser] stelt dat de besluiten van het bestuur tot opzegging van zijn lidmaatschap en oplegging van een pandverbod/toegangsverbod niet rechtsgeldig zijn, nu de brief van 1 augustus 2014 van het bestuur van devereniging slechts ondertekend is door één persoon, zonder dat duidelijk is van wie deze afkomstig is en welke functie de persoon heeft, terwijl de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet toekomt aan één bestuurslid, doch aan de gezamenlijk handelende bestuursleden in de combinatie volgens artikel 10 van de statuten.
3.4.

Voor zover al niet gezegd kan worden dat het bestuur van de vereniging bij de aanzegging van de opzegging van het lidmaatschap en het opleggen van een toegangsverbod ook namens de overige bestuursleden heeft gesproken (waarmee de bestuursbesluiten moeten worden geacht te zijn genomen), heeft het bestuur het besluit van 1 augustus 2014 naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval bekrachtigd door middel van de verklaring van het bestuur van 20 februari 2015, die door alle bestuursleden is ondertekend. Voorshands wordt geoordeeld dat de besluiten van het bestuur van 1 augustus 2014 rechtsgeldig door het bestuur zijn genomen.
3.5.

Bij de motivering van het besluit tot opzegging in de brief van 1 augustus 2014 geeft het bestuur als reden op dat dit is “omdat u bij herhaling en na schriftelijk te zijn gewaarschuwd de vereniging door uw gedrag op onredelijke wijze blijft benadelen.” De opzeggingsgrond is woordelijk ontleend aan artikel 5 lid 4 van de statuten, welke bepaling ziet op ontzetting uit het lidmaatschap. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient “de opzegging” van het lidmaatschap gelet hierop derhalve te worden aangemerkt als een ontzetting uit het lidmaatschap van de vereniging, zodat de algemene ledenvergadering alsnog op het door [eiser] ingestelde beroep moet beslissen.
3.6.

Ter onderbouwing van de stelling van [eiser] dat de door het bestuur van de vereniging genomen besluiten op materiële gronden vernietigbaar zijn, heeft hij een aantal schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd waarin wordt verklaard dat de beschuldigingen van het bestuur ongegrond zijn. De (echtheid van de) verklaringen wordt door de vereniging betwist. De vereniging heeft van haar kant verklaringen overgelegd volgens welke de handtekeningen onder de door [eiser] overgelegde verklaringen zouden zijn vervalst. Voor nader onderzoek op dit punt is binnen het bestek van dit kort geding geen plaats. Ook overigens is zonder nader onderzoek niet uit te maken of de gronden waarop het besluit tot ontzetting is gebaseerd, juist zijn en of het besluit in stand kan blijven. Dit betekent dat op de beslissing van de algemene ledenvergadering op het beroep dat [eiser] tegen het besluit tot ontzetting heeft ingesteld, niet vooruit gelopen kan worden middels de door [eiser] gevraagde voorzieningen. De gevraagde voorzieningen zijn dan ook niet toewijsbaar.
3.7.

Hoewel de gevraagde voorzieningen daarop niet zijn gericht, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende met betrekking tot het beroep dat [eiser] op 22 augustus 2014 heeft ingesteld tegen het besluit van het bestuur om hem uit zijn lidmaatschap te ontzetten. Het bestuur heeft niet gereageerd op herhaalde verzoeken en sommaties van [eiser] om een algemene ledenvergadering bijeen te roepen. Het bestuur handelt daarmee in strijd met artikel 2:35 lid 4 BW en artikel 5 lid 4 van de statuten. Het bestuur dient dan ook, gelet op het zwaarwegende belang van [eiser], op korte termijn een algemene ledenvergadering bijeen te roepen met als agendapunt de ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van de vereniging. De voorzieningenrechter acht een termijn van één maand voorshands redelijk. Op deze algemene ledenvergadering dient [eiser] te worden gehoord over zijn beroep tegen het besluit tot ontzetting uit zijn lidmaatschap van de vereniging, waarna de algemene ledenvergadering op dit beroep dient te beslissen. Hangende het beroep is [eiser] op grond van artikel 35 lid 4 BW en artikel 5 lid 4 van de statuten geschorst. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] in afwachting van de beslissing op het beroep tegen de besluit tot ontzetting uit zijn lidmaatschap geen toegang heeft tot de moskee Assalam.
3.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevraagde voorlopige voorzieningen worden geweigerd. In de omstandigheden van het geval acht de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4De beslissing

De voorzieningenrechter:

– weigert de gevraagde voorzieningen;
– bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Royement en jarenlang afwijken van statuten

Rechtbank Midden-Nederland 10 december 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:6094


Constructie waarbij een vereniging afhankelijk van het ledenaantal een ledenraad of ALV heeft. Ledenaantal zweeft rondom de grens. Vereniging heeft al jarenlang een ALV, geen ledenraad. Geroyeerd lid voert zonder succes aan dat het besluit tot ontzetting nietig zou zijn omdat het bestuur niet conform de statuten door de Ledenraad benoemd is, maar door de ALV. Vacatures in bestuur maken bestuur niet onbevoegd, gelet op statutaire regeling. Inhoudelijke toetsing van de gronden van het ontzettingsbesluit niet mogelijk omdat vervaltermijn is verstreken.

Vonnis van 10 december 2014

in de zaak van

de vereniging [eiseres] ,  tegen

[gedaagde] ,  gedaagde.

Partijen zullen hierna De Vereniging en [gedaagde] genoemd worden.

2 De feiten

2.1. De Vereniging is opgericht op 31 maart 1977 als volkstuinvereniging.
2.2. [gedaagde] is in 2001 (volgens [gedaagde]) of 2003 (volgens De Vereniging) lid geworden van De Vereniging en heeft (laatstelijk) de tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113 (hierna: de tuinen) van De Vereniging gehuurd. Tussen (het bestuur van) De Vereniging en [gedaagde] zijn vanaf 2008 verschillende geschillen gerezen.
2.3. Op 29 maart 2012 heeft [A], lid van De Vereniging, aangifte bij de politie gedaan tegen [gedaagde] terzake van een op 28 maart 2012 gepleegde mishandeling en vernieling op het volktuinencomplex van De Vereniging.
2.4. Bij brief van 8 mei 2012 (hierna: het besluit) heeft het bestuur van De Vereniging aan [gedaagde] medegedeeld dat hij naar aanleiding van ‘het incident’ op 28 maart 2014 met onmiddellijke ingang is geroyeerd als lid van De Vereniging en tot 1 augustus 2012 de gelegenheid krijgt de door hem gehuurde tuinen te ontruimen. In deze brief is [gedaagde] gewezen op de mogelijkheid van beroep tegen deze beslissing en de beroepstermijn van 30 dagen.
2.5.

De statuten van De Vereniging (hierna: de statuten), zoals vastgesteld door algemene vergadering op 26 februari 1980, bevatten de volgende bepalingen:
Artikel 5.
De vereniging bestaat uit:
a. ereleden;
b. leden van verdienste;
c. leden
d. begunstigers.
(…)
Artikel 10.
1. In de vereniging fungeren de volgende organen:
a. de ledenraad;
b. het bestuur;
(…)
Artikel 11.
1. De ledenraad is de algemene vergadering van de vereniging en bestaat uit afgevaardigden die door en uit de leden worden gekozen.
2. Zolang de vereniging niet meer dan zeshonderd leden telt, wordt voor elke zes leden één afgevaardigde gekozen; zodra de vereniging meer dan zeshonderd leden telt, wordt voor elke tien leden een afgevaardigde gekozen (…).
3. De ledenraad is ontbonden, indien het aantal leden der vereniging beneden de
honderd daalt. In zodanig geval vervallen de bevoegdheden van de ledenraad aan de algemene ledenvergadering van de vereniging.
(…)
Artikel 13.
Tot de taak en bevoegdheden van de ledenraad behoren in het bijzonder:
a. het benoemen en ontslaan van de leden van het bestuur;
(…)
e. het beslissen in beroep over een ontzetting van een lid uit een lidmaatschap als bedoeld in artikel 9 lid 4.
(…)
Artikel 17.
1. Het bestuur bestaat uit tenminste vijf leden.
2. De leden van het bestuur worden benoemd door de ledenraad.
3. (…)
4. (…)
5. Bij een vacature in het bestuur benoemt de eerstvolgende vergadering van de ledenraad een opvolger.
6. Indien in het bestuur één of meer vacatures ontstaan, blijven de overblijvende bestuursleden een bevoegd college vormen, tenzij het aantal zitting hebbende bestuursleden minder bedraagt dan het aantal vacatures. In dat geval zijn de overblijvende bestuursleden verplicht binnen een termijn van één maand na het ontstaan van de laatste vacature een algemene vergadering bijeen te roepen, waarin in de ontstane vacature(s) wordt voorzien.”

3 Het geschil

3.1. De Vereniging vordert

I. een verklaring voor recht dat [gedaagde] met ingang van 28 maart 2012, althans een door de rechtbank vast te stellen datum, is ontzet uit het lidmaatschap van De Vereniging;
II. veroordeling van [gedaagde] de tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113, binnen zeven dagen na betekening van het vonnis, althans binnen een door de rechtbank te bepalen termijn, volledig te ontruimen en ontruimd te houden en deze schoon en braak –derhalve vrij van opstal, gewas en onkruid- ter beschikking te stellen aan De Vereniging, met machtiging van De Vereniging om, indien [gedaagde] in gebreke zou blijven, de ontruiming zelf te doen bewerkstelligen, desnoods met behulp van de sterke arm van politie en justitie en de daaraan verbonden kosten op [gedaagde] te verhalen;
III. dat het [gedaagde] zal worden verboden om vanaf zeven dagen na betekening van het vonnis, althans een door de rechtbank te bepalen termijn, te betreden de terreinen van De Vereniging, zijnde de [B] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie H, nummer 2090) en de [C] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie G, nummer 2621), onder oplegging van een dwangsom à € 5.000,- voor iedere overtreding;
IV. veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na datum vonnis en de nakosten;
V. alles voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

3.2. [gedaagde] stelt dat het besluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW en acht zich dan ook niet gehouden de tuinen te ontruimen. Volgens [gedaagde] heeft De Vereniging nooit een ledenraad gehad, zodat het bestuur, dat het besluit genomen heeft, niet overeenkomstig artikel 11 van de statuten is benoemd en [gedaagde] de mogelijkheid is onthouden om bij de ledenraad beroep in te stellen tegen het besluit. Blijkens eigen opgave van De Vereniging bedroeg het aantal leden (inclusief ‘tientjesleden’) tussen 2002 en 2014 nimmer minder dan 100, namelijk tussen 112 en 140 leden, zodat het installeren van een ledenraad verplicht was. Bovendien bestond het bestuur ten tijde van het nemen van het besluit uit drie leden in plaats van de in artikel 17 van de statuten voorgeschreven vijf leden. Subsidiair betwist [gedaagde] de gronden waarop het besluit berust.
3.3. De Vereniging heeft aangevoerd dat er sinds 1990 nimmer een ledenraad heeft gefungeerd omdat er geen animo voor was en omdat het ledental daarvoor te gering was, gelet op het bepaalde in artikel 11 lid 3 van de statuten. Volgens De Vereniging heeft zij sindsdien nooit tenminste 100 leden gehad, behoudens in het jaar 2011 (103 leden) en 2013 (100 leden), waarbij De Vereniging ‘de ‘tientjesleden’ niet meetelt omdat zij niet als lid van de vereniging moeten worden beschouwd. De reguliere algemene vergadering heeft al die tijd in plaats van de ledenraad gefungeerd en kon dat ook doen omdat die vergadering een hoger democratisch gehalte heeft dan de ledenraad. Het bestuur dat het besluit heeft genomen, bestond volgens De Vereniging uit vijf leden en het besluit steunt op voldoende inhoudelijke gronden. Subsidiair stelt De Vereniging dat de vernietiging van het besluit in de zin van artikel 2:15 BW niet is ingeroepen en de vervaltermijn als bedoeld in artikel 2:15 lid 5 BW reeds is verstreken.
3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

4.1. De rechtbank stelt voorop, dat ingevolge artikel 2:8 lid 1 BW, een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet of de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Voorts is, ingevolge artikel 2:14 lid 1 BW, een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit.
4.2. [gedaagde] stelt niet gehouden te zijn de tuinen te ontruimen, omdat het besluit nietig is op grond van het bepaalde in artikel 2:14 lid 1 BW en hij dus nog immer lid is van De Vereniging. [gedaagde] heeft primair gesteld dat het bestuur van De Vereniging dat het besluit heeft genomen niet benoemd is door de ledenraad en evenmin bestond uit vijf leden, zoals de statuten voorschrijven. Ten aanzien van de ledenraad, stelt [gedaagde] dat De Vereniging sinds haar oprichting in 1977 nimmer een ledenraad heeft gekend. De Vereniging stelt dat zij sinds 1990 geen ledenraad (meer) heeft gehad.
4.3. De rechtbank overweegt, dat tussen partijen vaststaat, dat De Vereniging in ieder geval gedurende meer dan 20 jaar geen ledenraad kent en dat, zo staat ook tussen partijen vast, in die jaren De Vereniging (in ieder geval) eenmaal per jaar een algemene vergadering heeft gehouden, waarin –onder meer- de leden van het bestuur van De Vereniging zijn benoemd. [gedaagde] heeft algemene vergaderingen van De Vereniging bijgewoond en was, naar eigen zeggen, tot 2008 actief binnen De Vereniging. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde] of enig ander lid van De Vereniging ooit besluiten van de algemene vergadering heeft betwist op grond van de omstandigheid dat deze besluiten ten onrechte niet door de ledenraad waren genomen. Zelfs indien moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van [gedaagde], dat het ledental groter was dan 100, zodat niet de algemene vergadering, maar enkel de ledenraad bevoegd was de leden van het bestuur te benoemen, op grond van artikel 11 van de statuten, dan nog moet worden vastgesteld dat [gedaagde], net als de overige leden van De Vereniging, al die jaren de bestuurlijke realiteit heeft geaccepteerd, en daaraan ook heeft meegewerkt, waarin, wederom uitgaande van de juistheid van zijn eigen stelling, niet de ledenraad, maar de algemene vergadering als hoogste orgaan van De Vereniging fungeerde en –onder meer- de leden van het bestuur benoemde.
4.4. Voorts heeft [gedaagde], die vanaf 2008 meermalen is aangeschreven door en in gesprek is geweest met het bestuur van De Vereniging omdat hij zich volgens het bestuur niet hield aan de geldende regels binnen het volkstuinencomplex, ook in die meer persoonlijke contacten met het bestuur, zich nimmer op het standpunt gesteld dat de leden van het bestuur niet bevoegd waren om als bestuur van De Vereniging op te treden omdat zij niet door de ledenraad waren benoemd.
4.5. Gelet op het vorenstaande, is het in strijd met de redelijkheid en billijkheid dat [gedaagde] zich na al die jaren thans op het standpunt stelt dat het bestuur niet als orgaan van De Vereniging besluiten kan nemen omdat de leden van dat bestuur niet door de ledenraad maar door de algemene vergadering zijn benoemd. Dit standpunt, indien juist, zou immers voor De Vereniging vergaande consequenties hebben, terwijl [gedaagde], net als de andere leden van De Vereniging, steeds heeft geaccepteerd en eraan heeft meegewerkt dat de leden van het bestuur door de algemene vergadering werden benoemd. Hierbij komt, dat de benoeming van het bestuur door de algemene vergadering, zoals opgenomen in artikel 2:37 BW, door de wetgever is aangemerkt als karakteristiek voor de vereniging en een van de waarborgen voor het democratische karakter van de vereniging (MvA II, Parl.Gesch. 2, p. 422). In dit kader is gesteld noch gebleken dat de democratische besluitvorming in De Vereniging beter tot zijn recht zou zijn gekomen in een ledenraad dan in de algemene vergadering. Dit betekent dat beroep van [gedaagde] op de nietigheid van het besluit, dat gebaseerd is op de stelling dat de leden van het bestuur niet door het juiste orgaan van De Vereniging zijn benoemd, wordt verworpen.
4.6. Evenmin is het besluit nietig vanwege de getalsmatige samenstelling van het bestuur. [gedaagde] heeft gesteld dat het bestuur dat het besluit heeft genomen uit drie, in plaats van het in de statuten voorgeschreven aantal van tenminste vijf, leden bestond. De Vereniging heeft dit standpunt gemotiveerd betwist en aangegeven uit welke vijf leden het bestuur bestond ten tijde van het nemen van het besluit. Hierop heeft [gedaagde] enkel herhaald dat zijns inziens het bestuur uit drie leden bestond. In artikel 17 lid 6 van de statuten is bepaald dat, ook in geval van vacatures, de overblijvende bestuursleden een bevoegd college (blijven) vormen, tenzij het aantal zitting hebbende bestuursleden minder bedraagt dan het aantal vacatures, welke situatie zich niet voordoet in de stelling van [gedaagde]. Dit betekent dat, zelfs indien de stelling van [gedaagde] juist zou zijn, hetgeen door De Vereniging gemotiveerd is betwist, hieruit nog immer niet voortvloeit dat het besluit daarmee nietig zou zijn. Ook deze grond kan derhalve het beroep op nietigheid van het besluit niet dragen.
4.7. [gedaagde] heeft voorts aangevoerd dat hij niet tegen het besluit in beroep heeft kunnen gaan omdat het beroepsorgaan, de ledenraad, niet bestond. Zoals hiervoor is overwogen, heeft [gedaagde] geaccepteerd dat niet de ledenraad, die immers in De Vereniging niet bestond, maar de algemene vergadering als hoogste orgaan van de vereniging fungeerde. Mede gelet op het bepaalde in artikel 11 van de statuten, waarin is bepaald dat de bevoegdheden van de ledenraad vervallen aan de algemene vergadering indien de ledenraad is ontbonden, betekent dit, dat [gedaagde] in beroep had kunnen gaan bij de algemene vergadering. Hieruit volgt dat het ontbreken van de ledenraad als orgaan van De Vereniging niet met zich brengt dat het besluit nietig is.
4.8. Subsidiair heeft [gedaagde] gesteld dat het besluit op ondeugdelijke gronden is genomen. Deze stelling, die overigens door De Vereniging is betwist, kan, zelfs indien juist, niet leiden tot de vaststelling dat het besluit nietig is en behoeft dan ook geen verdere bespreking. Deze stelling van [gedaagde] zou, indien juist, immers uitsluitend kunnen leiden tot de conclusie dat het besluit vernietigbaar is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 BW. [gedaagde] kan die vordering tot vernietiging echter niet meer doen, aangezien, zoals tussen partijen vaststaat, hij niet binnen de in artikel 2:15 lid 5 BW genoemde termijn, waarbinnen de bevoegdheid bestaat om vernietiging van het besluit te vorderen, die vordering heeft gedaan en die bevoegdheid daarmee is vervallen. Ook de subsidiaire grond leidt derhalve niet tot de conclusie dat het besluit nietig is.
4.9. Het vorenstaande betekent dat het beroep van [gedaagde] op de nietigheid van het besluit niet slaagt. De rechtbank oordeelt dan ook dat het besluit in rechte vaststaat, zodat [gedaagde] met ingang van 8 mei 2012 geen lid meer is van De Vereniging. De vordering van De Vereniging om een verklaring voor recht met die inhoud kan dan ook worden toegewezen.
4.10. Tussen partijen staat vast dat het huren van een volkstuin van De Vereniging uitsluitend is voorbehouden aan leden van De Vereniging, zodat uit het vorenstaande oordeel voortvloeit dat [gedaagde] de door hem gehuurde tuinen met nummer 74, 75, 112 en 113 dient te ontruimen. [gedaagde] heeft deze vordering niet afzonderlijk betwist, zodat ook deze vordering van De Vereniging wordt toegewezen. De verzochte machtiging van De Vereniging om de ontruiming zonodig zelf te (doen) bewerkstelligen wordt afgewezen, nu artikel 556 lid 1 Rv voorschrijft dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Tegen de termijn van ontruiming is geen verweer gevoerd, zodat de vordering met betrekking tot de termijn wordt toegewezen.
4.11. De vordering van De Vereniging om [gedaagde] te verbieden de terreinen van De Vereniging te betreden is niet betwist en wordt, mede gelet op de tussen partijen bestaande conflictueuze relatie en de omstandigheid dat het niet-leden niet is toegestaan die terreinen te betreden, toegewezen. De gevorderde dwangsom matigt de rechtbank tot het bedrag van € 250,00 per overtreding met een maximum van € 10.000,00.
4.12. [gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. …

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht, dat [gedaagde] met ingang van 8 mei 2012 is ontzet uit het lidmaatschap van De Vereniging;
5.2. veroordeelt [gedaagde] de tuinen binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis volledig te ontruimen en ontruimd te houden en deze schoon en braak, derhalve vrij van opstal, gewas en onkruid, ter beschikking te stellen aan De Vereniging;
5.3. verbiedt [gedaagde] om vanaf zeven dagen na betekening van dit vonnis te betreden de terreinen van De Vereniging, zijnde de [B] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie H, nummer 2090) en de [C] (kadastraal bekend onder Gemeente [plaats], sectie G, nummer 2621);
5.4. veroordeelt [gedaagde] om aan De Vereniging een dwangsom te betalen van € 250,00 voor iedere keer dat hij het hiervoor in 5.3. uitgesproken verbod overtreedt, tot een maximum van € 10.000,00 is bereikt;
5.5. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van De Vereniging tot op heden begroot op € 1.833,77, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 14 dagen na dit vonnis tot de dag van volledige betaling;
5.6. veroordeelt [gedaagde], onder de voorwaarde dat hij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door De Vereniging volledig aan dit vonnis voldoet, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op:
– € 226,00 aan salaris gemachtigde;
– te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
5.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.8. wijst het meer of anders gevorderde af.

Mislukt royement (Snel Tot Ziens)

Rechtbank Rotterdam 12 november 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:9330


Mislukt “royement”. Vereniging is niet duidelijk of het gaat om ontzetting of om opzegging. De leden hebben geen succen met het interne beroep bij de landelijke vereniging en ook niet kort geding, maar wel in onderhavige bodemprocedure. Geen geldig besluit tot onzetting, nu wangedrag van de leden niet voldoende is aangetoond door de vereniging. Geen geldig besluit tot opzegging, nu dit is genomen door een ALV waarbij de toegang aan de betreffende leden geweigerd was. Volgens de rechter maakt dit het besluit ongeldig. 
De statuten van de vereniging voorzien kennelijk niet opzegging van het lidmaatschap door het bestuur “wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren”.




Vonnis van 12 november 2014 (bij vervroeging)

in de zaak van
1[eiser1], 2. [eiser2] ,  3. [eiser3] , eisers,
tegen de vereniging SNEL TOT ZIENS POSTDUIVENHOUDERSVERENIGING , gedaagde,

Partijen zullen hierna [woonplaats] (enkelvoud) en Snel Tot Ziens genoemd worden.

2De feiten

2.1.

Snel Tot Ziens is een hobbyvereniging van postduivenhouders in de Rotterdamse wijk Crooswijk.
2.2.

[woonplaats] is al geruime tijd lid van Snel Tot Ziens. Binnen Snel Tot Ziens vormt [woonplaats] een combinatie (meerdere leden die onder één naam en vanaf hetzelfde hok vanaf één erf aan wedvluchten deelnemen) genaamd [combinatie].
2.3.

In de statuten van Snel Tot Ziens is onder meer opgenomen:
“ Artikel 6 Het lidmaatschap eindigt door:
a. opzegging bij aangetekend schrijven aan de secretaris;
(…)
c. royement (op voordracht van de meerderheid van het bestuur door een algemene vergadering met een besluit van 2/3 meerderheid).
Bij meerderheidsbesluit van het bestuur kan een lid in afwachting van het royementsbesluit worden geschorst. 
2.4.

Het huishoudelijk reglement van de Nederlandse Postduiven Organisatie (NPO), dat ook het huishoudelijk reglement van Snel Tot Ziens is, bepaalt onder meer:
“ Artikel 30
1. Door Bestuur N.P.O. wordt tenminste drie maanden voor Algemene Ledenvergadering N.P.O. aan de Afdelingen en de kiesmannen N.P.O. kennis gegeven wanneer Algemene Vergadering N.P.O. wordt gehouden, (…).”
4. Oproeping en agenda worden dertig dagen voor Algemene Vergadering N.P.O. verzonden en gepubliceerd met inachtneming van het bepaalde in Statuten artikel 27 lid 3.
5 Van de in lid 4 van dit artikel genoemde termijn kan worden afgeweken indien Bestuur N.P.O. dit noodzakelijk acht. 
2.5.

Per brief van 4 maart 2013 heeft de heer [persoon1], toenmalig voorzitter van Snel Tot Ziens, onder meer het volgende aan [woonplaats] geschreven:
“N.a.v. het voorval op de beurs te Houten zaterdag 02-03-2013 j.l. moet ik u
(de [combinatie] bestaande uit 3 personen) namens bestuur en leden mededelen dat de vereniging Snel tot Ziens geen prijs meer stelt op het lidmaatschap van onze vereniging, hierin spelen ook eerdere voorvallen tussen u en andere leden een rol.
Omdat na het vertrek van enkele leden dit ook n.a.v. uw instelling, en door dit nieuwe voorval, diverse leden hebben besloten hun lidmaatschap op te zeggen, ziet het bestuur zich genoodzaakt deze beslissing te nemen.
Het bestuur en leden hopen dat u deze beslissing wilt accepteren en u ([combinatie]) uw lidmaatschap op wilt zeggen, hiermede geven wij aan dat u in deze situatie geen financiële verplichtingen meer heeft aan devereniging Snel tot Ziens.
Tevens willen wij via dit schrijven u ook, (om complicaties te voorkomen) de toegang tot de a.s. (18-3-2013) vergadering ontzeggen.
U begrijp[t] dat gezien de situatie die zich voor heeft gedaan wij geen andere mogelijk[heid] zien, zeker niet nu er zoveel leden hun mening betreffende uw lidmaatschap hebben kenbaar gemaakt en daardoor devereniging S.T.Z. geen bestaansrecht meer zal hebben.
Mocht u om welke reden dan ook geen gehoor aan ons verzoek willen geven dan zien wij ons genoodzaakt deze situatie bij het NPO bestuur aanhangig te maken wat een zodanige tijd in beslag kan nemen dat er van deelname aan de concoursen voorlopig geen mogelijkheid is voor u.
Daar om geven wij u ([combinatie]) het advies ons voorstel te accepteren en zien wij p.v. Snel tot Ziens uw schrijven met een opzegging van uw drieën tegemoet.”

2.6.

Op 18 maart 2013 heeft een algemene ledenvergadering van Snel Tot Ziens plaatsgevonden. Bij deze algemene ledenvergadering zijn [woonplaats] niet aanwezig geweest. Naar aanleiding van deze vergadering is een ongedateerde brief aan [woonplaats] gezonden waarin onder meer is opgenomen:
 De Vergadering betreffende het onderwerp beëindiging is op de ledenvergadering van 18-03-2013 genomen door 25 van de 29 bij de NPO ingeschreven leden.
De stemverhouding is 20-leden tegen uw lidmaatschap
3 leden voor uw lidmaatschap
2 leden blanco
Deze maatregel gaat onmiddellijk in. D.D. 18-03-2013 en geldt voor
de totale [combinatie] [nummer1]
bestaande uit [eiser2] [nummer2]
[eiser1] [nummer3]
[eiser3] [nummer4]

Reden Het uiten doormiddel van woord en gebaar tijdens het afgelopen seizoen tegen andere leden , waardoor er veel wrevel en ongenoegen heerste en diverse leden aangaven hier niet meer van gediend te zijn en als deze maatregel niet genomen zou worden zij de vereniging zullen verlaten met als gevolg dat de vereniging1657 dan gedoemd zou zijn zich te ontbinden.
Daar veel van de resterende leden al een ver gevorderde leeftijd hebben zal dit voor deze leden het einde van hun hobby betekenen. 

2.7.

Tegen dit besluit heeft [woonplaats] bezwaar ingesteld bij het Tucht en Geschillencollege van de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie (TGC). Bij uitspraak van 18 april 2013, verzonden 17 mei 2013, heeft het TGC geoordeeld dat [woonplaats] weer als lid van Snel Tot Ziens dient te worden aangenomen.
2.8.

Tegen de uitspraak van het TGC heeft [woonplaats] beroep ingesteld bij het Beroepscollege van de Nederlandse Postduivenhouders Organisatie. Het beroepscollege heeft bij uitspraak van 24 juni 2013 zich onbevoegd geacht om in de zaak uitspraak te doen en de uitspraak van het TGC vernietigd.
2.9.

Tijdens de algemene ledenvergadering van Snel Tot Ziens van 24 april 2013 is wederom over de beëindiging van het lidmaatschap van [woonplaats] gestemd. Het bestuur van Snel Tot Ziens heeft geconcludeerd dat een meerderheid van de leden op die vergadering voor beëindiging van het lidmaatschap van [woonplaats] heeft gestemd.
2.10.

Per e-mail 3 juli 2013 heeft [persoon1] aan [woonplaats] laten weten dat er geen duiven meer op Snel Tot Ziens kunnen worden aangeboden.
2.11.

Een brief van het Arrondissementsparket Midden Nederland, onderdeel Slachtofferzorg OM, aan de heer [eiser3] van 18 september 2013 betreffende het incident op de beurs te Houten op 2 maart 2013 luidt onder meer als volgt:
“ Met deze brief laat ik u weten dat de rechtbank een uitspraak heeft gedaan in de strafzaak met bovengenoemd kenmerk.

Uitspraak van de rechtbank
De uitspraak van de rechtbank wordt een vonnis genoemd. De rechter heeft de verdachte op vrijdag 24 mei 2013 veroordeeld tot:
∙ Een geldboete ter hoogte van 200,00 euro (…).

Vonnis is onherroepelijk
Het vonnis in onherroepelijk.(…)

Verzoek om schadevergoeding is niet-ontvankelijk
In het vonnis heeft de rechtbank uw vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaard. (…) 

2.12.

Bij vonnis van 5 november 2013 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening tot ongedaanmaking van de besluiten waarbij het lidmaatschap van [woonplaats] is beëindiging geweigerd wegens gebrek aan spoedeisend belang. Het gerechtshof ’s-Gravenhage heeft dit vonnis bij arrest van 22 juli 2014 bekrachtigd.

3Het geschil

3.1.

De vordering van [woonplaats] luidt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, Snel Tot Ziens te veroordelen om:
I alle drie royementsbesluiten van [woonplaats] in te trekken, zowel die van 4 maart 2013 (voor zover de brief van die datum als een besluit te beschouwen is), als die van 18 maart 2013 en die van 24 april 2013;
II [woonplaats] te behandelen als was hij niet geroyeerd, zo lang er geen nieuw royementsbesluit tegen hem genomen is en dit na rechterlijke of tuchtrechterlijke toetsing in stand is gebleven;
III de NPO te berichten, dat [woonplaats] niet geroyeerd is, en dat hij beschouwd moeten worden als nimmer geroyeerd te zijn geweest;
IV aan [woonplaats] een bedrag van € 1.525,46 (zegge: duizendvijfhonderdvijfentwintig euro en 46 eurocent) te betalen als vergoeding van de schade die [woonplaats] heeft geleden door of ten gevolge van de beslissingen van het bestuur van Snel Tot Ziens als genoemd onder vordering I;
alles wat gevorderd wordt onder I, II en III onder oplegging van een dwangsom van
€ 500,00 per dag en per eiser dat Snel Tot Ziens nalatig blijft aan het in dezen te wijzen vonnis na drie dagen na betekening van het vonnis te voldoen, met een maximum van
€ 50.000,00 per eiser;
met veroordeling van Snel Tot Ziens in de kosten van deze procedure.

3.2.

Het verweer van Snel Tot Ziens strekt tot afwijzing van de vordering met veroordeling van [woonplaats] in de kosten van de procedure.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

[woonplaats] heeft zijn vordering tot intrekking van de royementsbesluiten gebaseerd op de stelling dat bij de totstandkoming van die besluiten is gehandeld in strijd met de wet en met de statuten en het huishoudelijk reglement van Snel Tot Ziens. Gelet op die grondslag zal de rechtbank de vordering sub I tot intrekking van de aldaar genoemde besluiten begrijpen als een vordering om de besluiten nietig te verklaren dan wel te vernietigen zoals bedoeld in artikel 2:14 Burgerlijk Wetboek (BW) respectievelijk artikel 2:15 BW.
4.2.

In het besluit van 18 maart 2013 is sprake van de “beëindiging van het lidmaatschap” en van een “maatregel” die onmiddellijk in gaat. Op de stembriefjes van de vergadering van 24 april 2013 wordt gesproken van de “beëindiging / royement” van (het lidmaatschap van) [woonplaats]
4.3.

Het recht van vereniging is geregeld in de artikelen 26 tot en met 52 van Boek 2 BW. De bepalingen van Boek 2 BW zijn dwingendrechtelijk van aard met dien verstande dat daarvan slechts kan worden afgeweken voor zover de wet dit toestaat (artikel 2:25 BW).
4.4.

Artikel 2:35 lid 1 BW geeft een limitatieve opsomming van de wijzen waarop het lidmaatschap van eenvereniging eindigt. Beëindiging van het lidmaatschap van een vereniging door middel van royement is in die opsomming niet genoemd. Uit dit artikellid volgt dat het lidmaatschap van een vereniging eindigt door, voor zover hier van belang, opzegging door de vereniging of door ontzetting.
4.5.

Ontzetting uit het lidmaatschap is een bestraffende vorm van opzegging en kan volgens artikel 2:35 lid 3 BW alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van devereniging handelt, of wanneer een lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Uit artikel 2:35 lid 2 BW volgt dat de vereniging het lidmaatschap kan opzeggen in de gevallen in de statuten genoemd, en voorts wanneer het lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld, te voldoen, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
4.6.

Partijen zijn het erover eens dat binnen voormeld juridisch kader de besluiten tot beëindiging van het lidmaatschap van [woonplaats] primair als ontzetting en subsidiair als opzegging dienen te worden gezien.
4.7.

Tussen partijen is niet in geschil dat de brief van 4 maart 2013 geen besluit tot ontzetting/opzegging vormt. Voor zover de vordering sub I betrekking heeft op een besluit genomen op 4 maart 2013, is deze derhalve niet toewijsbaar.
4.8.

Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, is ingevolge artikel 2:14 BW nietig.
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is ingevolge artikel 2:15 BW vernietigbaar:
a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;
b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist;
c. wegens strijd met een reglement.
4.9.

[woonplaats] stelt dat de besluiten om de volgende redenen niet in stand kunnen blijven:
  • het aan alle besluiten tot beëindiging van het lidmaatschap van [woonplaats] ten grondslag liggende verwijt is niet juist;
  • het besluit tijdens de algemene ledenvergadering van 18 maart 2013 is in strijd met de Statuten en het Huishoudelijk Reglement, omdat de algemene ledenvergadering niet tijdig is uitgeschreven, [woonplaats] niet in de gelegenheid zijn gesteld om bij de algemene ledenvergadering aanwezig te zijn en het ‘royement’ niet is uitgesproken bij een gekwalificeerde meerderheid;
  • het besluit op de algemene ledenvergadering van 24 april 2013 is in strijd met de Statuten en het Huishoudelijk Reglement, omdat de algemene ledenvergadering niet tijdig is uitgeschreven en het ‘royement’ niet is uitgesproken bij gekwalificeerde meerderheid.
4.10.

Snel Tot Ziens betwist dat er gebreken kleven aan de besluiten tot beëindiging van het lidmaatschap van [woonplaats]
Snel Tot Ziens heeft aangevoerd dat er sprake is van wangedrag van [eiser3] tegenover Snel Tot Ziens. Ter onderbouwing van dat wangedrag verwijst zij naar het incident tijdens de Beurs te Houten, de als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde correspondentie en de als productie 2 bij conclusie van antwoord overgelegde spreekaantekeningen van [persoon1] voor de algemene ledenvergadering van 24 april 2013. Door dit wangedrag benadeelt [woonplaats] Snel Tot Ziens onredelijk, zodat ontzetting mogelijk is, althans kan redelijkerwijs van Snel Tot Ziens niet gevergd worden het lidmaatschap te laten voortduren, zodat opzegging mogelijk is, aldus Snel Tot Ziens.

4.11.

Naar oordeel van de rechtbank is niet vast komen te staan dat sprake is van wangedrag van [eiser3]. Weliswaar heeft op 2 maart 2013 een incident plaatsgevonden tussen hem en een voormalig lid van Snel Tot Ziens, maar hiervoor is dit voormalig lid vervolgd en veroordeeld, terwijl [eiser3] in de strafrechtelijke procedure als het slachtoffer is aangemerkt. De rechtbank volgt Snel Tot Ziens niet in haar stelling dat [eiser3] desondanks verwijt treft, omdat wie als dader en wie als slachtoffer wordt aangemerkt afhangt van wie (als eerste) aangifte doet. Een in kracht van gewijsde gegaan, op tegenspraak gewezen vonnis waarbij de Nederlandse strafrechter bewezen heeft verklaard dat iemand een feit heeft begaan, levert ingevolge artikel 161 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dwingend bewijs van dat feit op. Aangenomen moet worden dat de strafrechter bij zijn oordeel heeft meegewogen of de verdachte handelde uit noodweer.
Voorts blijkt dit wangedrag niet uit de als productie 1 bij conclusie van antwoord overgelegde correspondentie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien in welk opzicht [eiser3] in die correspondentie die grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Zowel in de spreekaantekeningen van [persoon1] als in de verklaringen van Snel Tot Ziens ter comparitie is aangegeven dat de verhouding tussen [woonplaats] en (een deel van de) overige leden van Snel Tot Ziens stroef is. Snel Tot Ziens heeft echter, mede gelet op het gemotiveerde verweer van [woonplaats], onvoldoende onderbouwd uit welke concrete feiten en omstandigheden het aan [eiser3] verweten wangedrag heeft bestaan. Daarbij heeft Snel Tot Ziens bovendien onvoldoende aannemelijk gemaakt waarom eventueel wangedrag van [eiser3] ook tot ontzetting dan wel opzegging van het lidmaatschap van [eiser1] en [eiser2] dient te leiden. Onvoldoende redengevend daartoe is dat [woonplaats] als een combinatie deelnam aan wedvluchten, nu gesteld noch gebleken is dat [eiser1] en [eiser2] niet gezamenlijk of individueel ook aan die wedvluchten zouden kunnen deelnemen.

4.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 2:35 BW aan ontzetting dan wel opzegging stelt.
4.13.

Met betrekking tot het besluit van 18 maart 2013 heeft [woonplaats] aangevoerd dat hij ten onrechte niet in de gelegenheid is gesteld aanwezig te zijn bij de algemene ledenvergadering van 18 maart 2013, waar over de beëindiging van zijn lidmaatschap werd gestemd. Daarmee is niet voldaan aan de vereisten die de wet en de statuten en het huishoudelijk reglement aan dergelijke vergaderingen stellen.
4.14.

Ingevolge artikel 2:38 BW hebben alle leden die niet geschorst zijn toegang tot de algemene ledenvergadering en hebben daar ieder één stem. Niet in geschil tussen partijen is dat [woonplaats] niet geschorst is geweest, zodat hij toegang had tot de algemene ledenvergadering. Dit uitgangspunt blijft ook gelden in het geval dat de toenmalige voorzitter van Snel Tot Ziens aan [woonplaats] heeft verzocht om niet bij de algemene ledenvergadering van 18 maart 2013 aanwezig te zijn om onrust op die vergadering te voorkomen. Een besluit tot schorsing is immers ingevolge artikel 6 onder c van de Statuten een meerderheidsbesluit van het bestuur en gesteld noch gebleken is dat een dergelijk meerderheidsbesluit tot schorsing is genomen. De algemene ledenvergadering waarop het besluit tot beëindiging van het lidmaatschap van [woonplaats] is genomen voldoet daarmee niet aan de vereisten die artikel 2:38 BW daaraan stelt.
4.15.

Om deze redenen zijn de besluiten van 18 maart 2013 en 24 april 2013 nietig en is het daarop gerichte deel van de vordering (onderdeel I) toewijsbaar. Gelet daarop kan in het midden blijven of a) de oproeping correct is geschied en b) op de algemene ledenvergaderingen van 18 maart 2013 en 24 april 2013 met een gekwalificeerde meerderheid is gestemd voor de beëindiging van het lidmaatschap van [woonplaats] De rechtbank komt aan bewijsvoering dienaangaande niet meer toe.
4.16.

Onderdeel II van de vordering van [woonplaats] zal worden afgewezen. Het gevorderde is naar oordeel van de rechtbank zo ruim geformuleerd dat onvoldoende duidelijk is waar [woonplaats] op doelt. Desgevraagd is ter comparitie namens [woonplaats] geen verdere helderheid over het gevorderde sub II verstrekt. Voorts voorziet de rechtbank dat een toewijzing van het gevorderde zal leiden tot executieproblemen.
4.17.

Het in onderdeel III gevorderde zal eveneens worden afgewezen. Nu een verklaring voor recht wordt gegeven dat de besluiten tot beëindiging van het lidmaatschap van [woonplaats] nietig zijn, hebben deze besluiten geen werking. Daaruit volgt dat [woonplaats] niet als geroyeerd (althans ontzet dan wel opgezegd) dienen te worden beschouwd.
4.18.

[woonplaats] heeft de door haar geleden schade als gevolg van het handelen van Snel Tot Ziens, mede gelet op de betwisting hiervan door Snel Tot Ziens, onvoldoende onderbouwd, zodat dit deel van de vordering (onderdeel IV) zal worden afgewezen. Het had op de weg van [woonplaats] gelegen om de vordering nader te onderbouwen, bijvoorbeeld onder overlegging van de op de gevorderde kosten betrekking hebbende facturen en aankoopbonnen.
4.19.

Snel Tot Ziens zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld als hierna vermeld, dit in verband met de aan [woonplaats] verleende toevoeging.
Bij deze kostenbegroting worden de volgende posten in aanmerking genomen:
4.20.

Nu [woonplaats] door één advocaat is vertegenwoordigd, zal de rechtbank de proceskostenveroordeling ten gunste van alle eisers brengen ter nadere onderlinge verrekening.

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

verklaart voor recht dat de besluiten van Snel Tot Ziens tot beëindiging van het lidmaatschap van 18 maart 2013 en 24 april 2013 nietig zijn;
5.2.

veroordeelt Snel Tot Ziens in de kosten van de procedure, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [woonplaats] vastgesteld op:

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Klacht tegen notaris inzake royement (Kring Vrienden)

Gerechtshof Amsterdam 7 februari 2012
ECLI:NL:GHAMS:2012:BV5543 (niet eerder gesignaleerd)

Tuchtrechtelijke zaak tegen een notaris. Uitleg over royement (ontzetting) dat direct tijdens een ALV mondeling bekend wordt gemaakt aan de leden – moeten deze de ALV per verlaten, of pas na ontvangst van de brief over het royement? 
Voor het zich hier voordoende geval dat een besluit tot royement aanstonds mondeling aan het lid wordt medegedeeld bieden de statuten geen regeling. Te verdedigen valt dat een dergelijke mededeling tot gevolg heeft dat het lid geschorst is en geen toegang meer heeft tot ledenvergaderingen, behalve die waarin zijn beroep wordt behandeld. De beroepstermijn, gedurende welke het lid is geschorst, kan immers worden geacht op het moment van de mondelinge mededeling te zijn ingegaan, zij het dat die niet eerder eindigt dan een maand na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving. Een andere uitleg is ook verdedigbaar, maar zelfs als die juist(er) zou zijn, kan niet worden geoordeeld dat de notaris door zijn andersluidende uitleg tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld.”



Beslissing van 7 februari 2012 in de zaak van:
[NAMEN KLAGERS] APPELLANTEN, tegenMR. [naam] notaris te [plaatsnaam] GEÏNTIMEERDE

1. Het geding in hoger beroep
1.1. Van de zijde van appellanten, verder klagers, is bij een op 18 mei 2011 ter griffie van het hof ingekomen verzoekschrift – met bijlagen – hoger beroep ingesteld tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen in het arrondissement ‘s-Hertogenbosch, hierna de kamer, van 21 april 2011, waarbij de kamer een onderdeel van de klacht van klagers tegen geïntimeerde, verder de notaris, gegrond heeft verklaard zonder hieraan een tuchtrechtelijke maatregel te verbinden en de overige onderdelen van de klacht ongegrond heeft verklaard.
1.2. Op 30 juni 2011 is van de zijde van de notaris een verweerschrift – met bijlagen – ter griffie van het hof ingekomen.
1.3. Op 12 oktober 2011 is van de zijde van klagers nog een aantal aanvullende producties ter griffie van het hof ingekomen.
1.4. Het hoger beroep is behandeld ter openbare terechtzitting van 24 oktober 2011. Klagers en de notaris en zijn gemachtigde zijn verschenen. Zij hebben het woord gevoerd; klager sub 3 en de gemachtigde van de notaris aan de hand van een pleitnota.
2. De stukken van het geding
Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.
3. De feiten
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben de juistheid van de door de kamer vastgestelde feiten niet betwist, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan. Klagers achten de vaststelling van de feiten door de kamer onvolledig en hebben de feiten aangevuld. Slechts indien en voor zover die aanvulling voor de beoordeling van belang is, zal het hof daarop onder 6. (De beoordeling) ingaan.
4. Het standpunt van klagers
i. Klagers verwijten de notaris dat hij voorafgaand aan de algemene ledenvergadering, verder ALV, van 25 juni 2010 niet heeft gereageerd op brieven van klagers en van hun raadsman mr. [].
ii. Voorts wordt de notaris verweten dat hij de informatie uit voornoemde brieven niet onder de aandacht heeft gebracht van de ALV van 25 juni 2010, terwijl deze informatie wel degelijk van belang was voor de leden die op de ALV van 25 juni 2010 aanwezig waren.
iii. Ook verwijten klagers de notaris dat hij niet onafhankelijk en niet onpartijdig heeft gehandeld. De notaris dient in zijn ambt ook de belangen van eventuele derden, zoals klagers, te behartigen. Dat heeft hij naar de mening van klagers nagelaten.
iv. De notaris wordt tevens verweten dat hij op geen enkele wijze in de ALV van 25 juni 2010, waarin de royementen van de klagers werden uitgesproken, is opgetreden, terwijl de normale beginselen van “hoor en wederhoor” en “goed bestuur” met alle voeten werden getreden. Deze nalatigheid is laakbaar en valt de notaris aan te rekenen als onvoldoende uitoefening van zijn ambt.
v. De notaris heeft volgens klagers verschillende rollen en taken vervuld tijdens de ALV van 25 juni 2010 en daarbij gebruik gemaakt van het aanzien dat een notaris heeft. Voor deze rollen en taken ontbraken concrete schriftelijke opdrachten en/of waren deze strijdig met de onafhankelijke en onpartijdige uitoefening van het notarisambt.
vi. Klagers verwijten de notaris voorts dat hij in het [dagblad] uitspraken heeft gedaan over de vier geroyeerde leden die strijdig zijn met de onafhankelijke en onpartijdige uitoefening van het notarisambt.
vii. De notaris wordt bovendien verweten dat hij de notulen onjuist en onterecht heeft vastgesteld in een notariële akte. Er zijn in de akte data en namen gewijzigd of onjuist opgenomen ten opzichte van hetgeen daadwerkelijk is gezegd. Dit alleen al is klachtwaardig. Daarnaast hebben klagers de notaris hiervan melding gemaakt per brief. Deze brief heeft hij niet beantwoord. Evenzo heeft hij nagelaten om tijdens de ALV van 25 juni 2010, bij het bespreken van de notulen van de vorige jaarvergadering, van die brief melding te maken.
5. Het standpunt van de notaris
5.1. De notaris heeft de stellingen van klager betwist en heeft zich als volgt verweerd.
5.2. De notaris acht klagers niet ontvankelijk in hun klacht omdat hij van mening is dat de klagers door de verweten gedragingen niet in hun belangen zijn geraakt.
5.3. De notaris stelt zich op het standpunt dat de opdracht van het bestuur van de [naam] volstrekt duidelijk was. Hij zou de notulen van de ALV opmaken en dat heeft hij ook gedaan. Waar nodig heeft hij desgevraagd adviezen gegeven aan de voorzitter van het bestuur van de vereniging. De rol van de notaris tijdens de vergadering was dus duidelijk. De notaris heeft ten aanzien van het al dan niet terecht zijn van het royement van klagers aangevoerd dat dit duidelijk blijkt uit het proces-verbaal van de ALV van 25 juni 2010. Daarbij dient te worden opgemerkt dat klagers een jaar eerder al door het bestuur van de vereniging waren gewaarschuwd, nadat ook toen is gesproken over een mogelijk royement van de klagers. Op 26 januari 2011 heeft een bestuursvergadering van de vereniging plaatsgevonden waarbij het royement van klagers aan de orde is gekomen. De notaris heeft de opdracht gekregen om ook van deze vergadering de notulen op te maken. De notaris heeft de brieven van klagers niet beantwoord omdat zij hun grieven richting het bestuur van de [naam] moesten uiten. Dit heeft de advocaat van het bestuur hen ook bericht. Bij het opmaken van notulen van een vergadering is het doel de essentie van hetgeen ter vergadering is voorgevallen en wat daar ter sprake is gekomen weer te geven op een wijze die begrijpelijk is voor iemand die niet bij de vergadering aanwezig was. Het notarieel verslag betreft geen woordelijk verslag van de vergadering. Dat heeft de notaris ook niet gepretendeerd en dat werd ook niet van hem verlangd. Als de leden het niet eens zijn met de werkwijze van het bestuur van de vereniging, dan kunnen zij het bestuur wegsturen. Het handelen van het bestuur valt de notaris niet te verwijten. Voorafgaand aan de ALV is het royement van klagers besproken tijdens een vergadering van het bestuur van de vereniging. Daarbij is de notaris ook aanwezig geweest. Toen is door het bestuur tot royement van de klagers besloten en op de ALV van 25 juni 2010 is een en ander uitgesproken door de voorzitter van het bestuur van de vereniging. Tijdens de vergadering heeft de notaris desgevraagd medegedeeld dat het bestuur ten aanzien van het royement een schriftelijke kennisgeving aan de geroyeerde leden moet toezenden en hen moet wijzen op de beroepsmogelijkheid tegen het royement. Voorts heeft de notaris desgevraagd medegedeeld dat de geroyeerde leden zich aanstonds uit de zaal moesten verwijderen. De notaris is van mening dat dit verenigingsrechtelijke zaken betreffen. De notaris acht de klagers noch op grond van wat hij op de ledenvergadering op verzoek van het bestuur naar voren heeft gebracht noch door de inhoud van de opgemaakte notariële verslagen van de algemene ledenvergaderingen in hun belangen geschaad. Het artikel in het [dagblad] was een weergave van de reactie van de notaris op een eerder redactioneel artikel in dezelfde krant over de onderhavige kwestie.
6. De beoordeling
6.1. Alvorens tot de beoordeling over te gaan stelt hof vast dat de kamer ten onrechte [naam] heeft aangemerkt als klager. [naam] is op 26 juni 2010 overleden en de klacht van klagers dateert van 23 augustus 2010. De door [naam] aan klager sub 3 verleende machtiging is door zijn overlijden komen te vervallen. Het hof zal de beslissing van de kamer op dat punt vernietigen. In de kop van deze beslissing is met deze omstandigheid reeds rekening gehouden.
6.3. Met betrekking tot het hiervoor onder 4. sub iv omschreven klachtonderdeel is het hof, anders dan de kamer, van oordeel dat de notaris niet klachtwaardig heeft gehandeld. Hiertoe wordt als volgt overwogen.
6.4. Blijkens het in zoverre niet bestreden proces-verbaal van vergadering van 21 juli 2010 bladzijde 9, is het voorstel om klagers te royeren staande de vergadering voorgelegd door de voorzitter van de vereniging. De notaris heeft op de vraag van de voorzitter of er bij briefjes gestemd kon worden, het volgende opgemerkt:
“nee, het is een ontzettingsbesluit en dat is volgens de statuten een besluit van het bestuur. Wat het bestuur doet door instemming van de leden te vragen, is al meer dan wat het bestuur moet doen. Als dit besluit wordt genomen, dan moet dit binnen een week schriftelijk meegedeeld worden. Zo staat in de statuten. Als er vanavond ad hoc een besluit wordt genomen, dan moet er binnen week een aangetekende brief aan deze mensen gestuurd worden, waarna zij in beroep kunnen gaan”.
Later heeft de notaris de voorzitter het volgende medegedeeld:
“Een royement gaat onmiddellijk in. Het verlies van lidmaatschapsrechten, aanwezigheid op vergadering en binnen een maand hebben zij recht op van beroep bij de eerstvolgende ledenvergadering.”
6.5. Artikel 8 lid 4 van de statuten van de vereniging luidde ten tijde van de beraadslaging over het royement als volgt :
“Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken indien een lid in strijd met de statuten, de reglementen of de besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Het bestuur stelt het betrokken lid binnen één week na het besluit schriftelijk met opgave van redenen van het besluit in kennis.
De betrokkene is bevoegd binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering.
In de ledenvergadering waarin het beroep wordt behandeld, heeft de betrokkenen tijdens de behandeling van het beroep recht van toegang en mag daarin het woord voeren.
Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst, zodat het zijn rechten als lid van de vereniging niet kan uitoefenen, met dien verstande evenwel dat een geschorst lid toegang heeft tot de ledenvergadering , waarin de schorsing wordt behandeld en bevoegd is daarover het woord te voeren.”
6.6. Voor het zich hier voordoende geval dat een besluit tot royement aanstonds mondeling aan het lid wordt medegedeeld bieden de statuten geen regeling. Te verdedigen valt dat een dergelijke mededeling tot gevolg heeft dat het lid geschorst is en geen toegang meer heeft tot ledenvergaderingen, behalve die waarin zijn beroep wordt behandeld. De beroepstermijn, gedurende welke het lid is geschorst, kan immers worden geacht op het moment van de mondelinge mededeling te zijn ingegaan, zij het dat die niet eerder eindigt dan een maand na ontvangst van de schriftelijke kennisgeving. Een andere uitleg is ook verdedigbaar, maar zelfs als die juist(er) zou zijn, kan niet worden geoordeeld dat de notaris door zijn andersluidende uitleg tuchtrechtelijk laakbaar heeft gehandeld. Dit klachtonderdeel is dus ongegrond.
6.7 Met betrekking tot het hiervoor onder 4 sub vi weergegeven klachtonderdeel begrijpt het hof de motivering van de kamer aldus, dat de kamer van oordeel is dat de notaris met zijn opmerkingen ter bestrijding van de hem in de krant aangewreven partijdigheid, de grenzen van wat hem als notaris betaamt niet heeft overschreden.
Het hof deelt dat oordeel.
6.8. Voor het overige heeft het onderzoek in hoger beroep niet geleid tot vaststelling van andere beschouwingen en gevolgtrekkingen dan die vervat in de beslissing van de kamer, waarmee het hof zich verenigt.
6.9. Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.
7. De beslissing
Het hof:
– vernietigt de beslissing waarvan beroep voor zover daarin [naam] als klager is aangemerkt en voor zover daarbij het onder 4 sub iv van deze beslissing weergegeven klachtonderdeel gegrond is verklaard
en, in zoverre opnieuw rechtdoende:
– verstaat dat de klacht niet mede door [naam] is ingediend;
– verklaart ook het hiervoor onder 4 sub iv weergegeven klachtonderdeel ongegrond;
– bevestigt de bestreden beslissing voor het overige.
KLN 10.13
21 april 2011
DE KAMER VAN TOEZICHT OVER DE NOTARISSEN EN KANDIDAAT-NOTARISSEN IN HET ARRONDISSEMENT ‘s-HERTOGENBOSCH
neemt de volgende beslissing op de klacht van [namen] hierna te noemen klagers, tegen mr. [naam] te
[plaatsnaam] hierna te noemen de notaris.
1. De procedure
1.1 Op 23 augustus 2010 hebben klagers een klacht ingediend tegen de notaris.
1.2 Op 20 september 2010 heeft de notaris op de klacht gereageerd.
1.3 Op 20 oktober 2010 hebben klagers gerepliceerd.
1.4 Op 18 november 2010 heeft de notaris gedupliceerd.
1.5 Bij brief van 2 december 2010 heeft de plaatsvervangend voorzitter besloten de behandeling van de klacht door te verwijzen naar de volle kamer van toezicht.
1.6 De kamer van toezicht heeft de klacht behandeld ter openbare vergadering van
17 februari 2011. De heren [namen] zijn verschenen, waarbij [naam] namens klagers als woordvoerder is opgetreden. De notaris is eveneens verschenen.
2. De feiten
2.1 Op 14 december 2009 heeft de notaris op verzoek van het bestuur van de [naam] een notarieel proces-verbaal opgemaakt van de algemene ledenvergadering van de [naam] van 2 juni 2009.
2.2 Op 21 juli 2010 heeft de notaris op verzoek van het bestuur van de [naam] een notarieel proces-verbaal opgemaakt van de algemene ledenvergadering van de [naam] van 25 juni 2010. Tijdens deze ledenvergadering heeft de voorzitter van het bestuur aan klagers kenbaar gemaakt dat zij als lid zijn geroyeerd. De klagers hebben naar aanleiding hiervan een civiele procedure in kort geding opgestart. Op verzoek van de voorzitter heeft de notaris het bestuur van de vereniging geadviseerd en het bestuur medegedeeld dat het royement direct zou ingaan en dat de geroyeerde leden zich direct uit de zaal waar de ledenvergadering werd gehouden dienden te verwijderen.
2.2 Voorafgaand aan de algemene ledenvergadering van de Kring van Vrienden van
‘s-Hertogenbosch van 25 juni 2010 heeft de notaris niet inhoudelijk gereageerd op brieven van de klagers aangaande mogelijke onjuistheden in het notarieel proces-verbaal van de algemene ledenvergadering van 2 juni 2009.
3. De klacht en het verweer daartegen
3.1 Klagers stellen, zakelijk weergegeven, het navolgende.
3.1.1 Het handelen van de notaris wordt door klagers als klachtwaardig gezien. Klagers worden door dit handelen in hun belangen geschaad. Daarom zijn klagers ontvankelijk in hun klacht tegen de notaris.
3.1.2 De notaris heeft in de uitoefening van het notarisambt klachtwaardig gehandeld ten aanzien van klagers. Hiertoe zijn door klagers de volgende gronden ter motivering aangevoerd.
i. De notaris heeft in de aanloop naar de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010 niet gereageerd op brieven van klagers en van hun raadsman [];
ii. De notaris heeft de informatie uit voornoemde brieven niet onder de aandacht gebracht van de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010, terwijl deze informatie wel degelijk van belang was voor de leden die op de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010 aanwezig waren;
iii. De notaris heeft niet onafhankelijk en niet onpartijdig gehandeld. De notaris dient in zijn ambt ook de belangen van eventuele derden, zoals klagers, te behartigen. Dat heeft hij naar de mening van klagers nagelaten;
iv. De notaris heeft op geen enkele wijze in de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010, waarin de royementen van de klagers werden uitgesproken, opgetreden, terwijl de normale beginselen van “hoor en wederhoor” en “goed bestuur” met alle voeten werden getreden. Deze nalatigheid is laakbaar en valt de notaris aan te rekenen als onvoldoende uitoefenen van zijn ambt;
v. De notaris heeft veel verschillende rollen en taken vervuld tijdens de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010. Daarbij heeft hij gebruik gemaakt van het aanzien dat een notaris heeft. Voor deze rollen en taken ontbraken concrete schriftelijke opdrachten en/of waren deze strijdig met het onafhankelijk en onpartijdig uitoefenen van het notarisambt;
vi. De notaris heeft in het [dagblad] uitspraken gedaan over de vier geroyeerde leden die strijdig zijn met het onafhankelijk en onpartijdig uitoefenen van het notarisambt;
vii. De notaris heeft de notulen onjuist en onterecht vastgesteld in een notariële akte. Er zijn in de akte data en namen gewijzigd of onjuist opgenomen ten opzichte van hetgeen daadwerkelijk is gezegd. Dit alleen is al klachtwaardig. Daarnaast hebben klagers de notaris hiervan keurig melding gemaakt per brief. Deze brief heeft hij niet beantwoord. Evenzo heeft hij nagelaten om er tijdens de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010, bij het bespreken van de notulen van de vorige jaarvergadering, melding van te maken aan de leden.
Aldus heeft de notaris in strijd gehandeld met het bepaalde in artikel 17 eerste lid van de Wet op het notarisambt (Wna).
3.2 De notaris heeft, zakelijk weergegeven, het navolgende opgeworpen.
3.2.1 De notaris acht klagers niet ontvankelijk in hun klacht omdat hij van mening is dat de klagers door het verwijt dat hem wordt gemaakt niet door hem in hun belangen worden geschaad.
3.2.2 De notaris stelt zich op het standpunt dat de opdracht van het bestuur van de [naam] volstrekt duidelijk was. Hij zou de notulen van de ledenvergadering opmaken en dat heeft hij ook gedaan. Daar waar nodig heeft hij desgevraagd adviezen gegeven aan de voorzitter van het bestuur van de vereniging. De rol van de notaris tijdens de vergadering was dus duidelijk. De notaris heeft ten aanzien van het al dan niet terecht zijn van het royement van klagers aangevoerd dat dit duidelijk blijkt uit het proces-verbaal van de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010. Daarbij dient te worden opgemerkt dat klagers een jaar eerder al door het bestuur van de vereniging waren gewaarschuwd, nadat toen ook is gesproken over een mogelijk royement van de klagers. Op 26 januari 2011 heeft een bestuursvergadering van de vereniging plaatsgevonden waarbij het royement van klagers aan de orde is gekomen. De notaris heeft de opdracht gekregen om ook van deze vergadering de notulen op te maken. De notaris heeft de brieven van klagers niet beantwoord omdat zij hun grieven richting het bestuur van de [naam] moesten uiten. Dit heeft de advocaat van het bestuur hen ook bericht. Bij het opmaken van notulen van een vergadering is het doel dat de essentie van hetgeen ter vergadering is voorgevallen en wat daar ter sprake is gekomen duidelijk te beschrijven voor iemand die niet bij de vergadering aanwezig was. Het notarieel verslag betreft geen woordelijk verslag van de vergadering. Dat heeft de notaris ook niet gepretendeerd en dat werd ook niet van de notaris verlangd. Als de leden het niet eens zijn met de werkwijze van het bestuur van de vereniging, dan kunnen zij het bestuur wegsturen. Het handelen van het bestuur valt de notaris niet te verwijten. Voorafgaand aan de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010 is het royement van klagers besproken tijdens een vergadering van het bestuur van de vereniging. Daarbij is de notaris ook aanwezig geweest. Toen is door het bestuur tot royement van de klagers besloten en op de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010 uitgesproken door de voorzitter van het bestuur van de vereniging. Tijdens de vergadering heeft de notaris desgevraagd aangevoerd dat het bestuur ten aanzien van het royement een schriftelijke kennisgeving aan de geroyeerde leden moet toezenden en dat zij hen moet wijzen op de beroepsmogelijkheid tegen het royement. Voorts heeft de notaris desgevraagd aangevoerd dat de geroyeerde leden zich aanstonds uit de zaal moesten verwijderen. De notaris is van mening dat dit verenigingsrechtelijke zaken betreffen. De notaris acht de klagers noch op grond van wat hij op de ledenvergadering op verzoek van het bestuur naar voren heeft gebracht noch door de inhoud van de opgemaakte notariële verslagen van de algemene ledenvergaderingen in hun belangen geschaad.
4. De beoordeling
4.1.1 Tijdens de mondelinge behandeling van de klacht zijn drie van de vier klagers verschenen. Op desbetreffende vraag van de plaatsvervangend voorzitter is namens klagers geantwoord dat de heer [naam] na indiening van de klacht is overleden. Namens klagers, dus ook namens de overleden klager, is het woord gevoerd door klager, de heer [naam]. De notaris heeft hiertegen geen bezwaar gemaakt.
4.1.2 Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klagers is de Kamer van Toezicht van oordeel dat de klagers ontvankelijk zijn in hun klacht. Volgens tuchtrechtelijke jurisprudentie kan degene die zodanig bij het in een klacht gewraakte doen en/of nalaten van de notaris betrokken is, dat hij als belanghebbende bij een uitspraak over die klacht kan worden aangemerkt, in die klacht worden ontvangen. Deze situatie is van toepassing op ieder van de vier klagers.
4.2 De Kamer van Toezicht zal puntsgewijs ingaan op de inhoud van de hiervoor samengevatte klacht van de klagers. De Kamer van Toezicht heeft zoveel mogelijk de op pagina 16 van de bij repliek aangehaalde conclusie van de klagers overgenomen, omdat deze conclusie de inhoud van de klacht naar het oordeel van de Kamer van Toezicht afdoende verwoordt. De klacht wordt hierna puntsgewijs besproken.
4.2.1 Ad i:
De notaris had naar het oordeel van de Kamer van Toezicht naar aanleiding van de door klagers en hun raadsman aan hem gerichte correspondentie gepaster danwel wellevender kunnen reageren richting de klagers. De notaris had de klagers en hun raadsman kunnen berichten dat zij zich moesten wenden tot (de raadsman van) het bestuur en niet tot de notaris. Omdat echter de notaris niet de spreekbuis is van het bestuur van de vereniging en de klagers al een raadsman hadden ingeschakeld, die hen had moeten inlichten dat zij zich tot het bestuur van de vereniging moesten wenden, acht de Kamer van Toezicht de klacht op dit punt ongegrond.
4.2.2 Ad ii:
De klagers hadden hun bevindingen moeten richten aan het bestuur van de vereniging en niet aan de notaris. Gelet hierop en op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.2.1 is vermeld, acht de Kamer van Toezicht de klacht wegens een gebrek aan belang eveneens ongegrond.
4.2.3 Ad iii:
Uit de door klagers overlegde stukken blijkt dat de klagers wisten dat de notaris niet alleen was verzocht om een notarieel proces-verbaal op te maken van de algemene ledenvergadering, maar ook dat de notaris als adviseur voor het bestuur van de vereniging optrad. De notaris trad niet alleen tijdens de algemene ledenvergadering op als adviseur van het bestuur, maar ook gedurende (enkele van) de hieraan voorafgaande vergaderingen van het bestuur, waarin – zo begrijpt de Kamer van Toezicht – eveneens het royement van (onder meer) de klagers aan de orde is geweest. Naar het oordeel van de Kamer van Toezicht kan van de notaris niet worden verwacht dat hij in de rol van adviseur van het bestuur, tijdens de algemene ledenvergaderingen direct de belangen van individuele leden kan behartigen. De klacht wordt ook op dit punt ongegrond verklaard.
4.2.4 Ad iv:
De notaris heeft gesteld het woord op de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010 te hebben gevoerd op verzoek van de voorzitter van het bestuur van de vereniging. De voorzitter van het bestuur van de vereniging heeft hem tijdens de vergadering om advies gevraagd. Dit heeft de voorzitter hem gevraagd nadat hij had medegedeeld dat enkele leden, waaronder de klagers, geroyeerd waren. De notaris heeft aan dit verzoek voldaan en de voorzitter van advies voorzien.
De klagers hebben gesteld dat de notaris tijdens voornoemde algemene ledenvergadering ook hun belangen had moeten dienen en had moeten ingrijpen toen de voorzitter mededeelde dat zij geroyeerd waren. Ten aanzien van dit punt verwijst de Kamer van Toezicht naar hetgeen onder rechtsoverweging 4.2.3 is weergegeven. Ook daarna heeft de notaris, volgens klagers, hun belangen niet behartigd door hen – op zijn advies – direct uit de vergadering te laten verwijderen.
De Kamer van Toezicht overweegt dat van de notaris in de gegeven omstandigheden niet kon worden gevergd dat hij tijdens de algemene ledenvergadering ten faveure van de klagers ingreep tegen de voorzitter van het bestuur. De Kamer van Toezicht overweegt voorts dat de notaris daarna het bestuur van de vereniging onjuist heeft voorgelicht cq geadviseerd. De notaris heeft ten onrechte gesteld dat het uitgesproken royement direct in zou gaan en dat de geroyeerde leden direct de vergadering moesten verlaten.
De Kamer van Toezicht betrekt bij haar oordeel de navolgende wetsartikelen uit het Burgerlijk Wetboek, boek 2 Rechtspersonen, titel 2 Verenigingen.
Artikel 2:35 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek:
‘De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen in de gevallen in de statuten genoemd, voorts wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld, te voldoen, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de opzegging door het bestuur.’;
Artikel 2:35 lid 4 van het Burgerlijk Wetboek:
‘Tenzij de statuten dit aan een ander orgaan opdragen, geschiedt de ontzetting door het bestuur. Het lid wordt ten spoedigste schriftelijk van het besluit, met opgave van redenen, in kennis gesteld. Hem staat, behalve wanneer krachtens de statuten het besluit door de algemene vergadering is genomen, binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit, beroep op de algemene vergadering of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde open. De statuten kunnen een andere regeling van het beroep bevatten, doch de termijn kan niet korter dan op één maand worden gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.’;
Artikel 2:38 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek:
‘Behoudens het in het volgende artikel bepaalde, hebben alle leden die niet geschorst zijn, toegang tot de algemene vergadering en hebben daar ieder één stem; een geschorst lid heeft toegang tot de vergadering waarin het besluit tot schorsing wordt behandeld, en is bevoegd daarover het woord te voeren. De statuten kunnen aan bepaalde leden meer dan één stem toekennen.’
De statuten van de vereniging zijn door de partijen niet ingebracht, zodat de Kamer van Toezicht daar geen acht op heeft kunnen slaan en uit moet gaan van voorgaande wetsartikelen.
Uit de hiervoor vermelde wetsartikelen volgt dat de door de voorzitter geroyeerde leden gedurende de beroepstermijn zijn geschorst. Deze beroepstermijn gaat in na ontvangst van een schriftelijke en met redenen omklede kennisgeving van het royement.
In de notulen van de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010 valt te lezen dat de voorzitter heeft medegedeeld dat de schriftelijke kennisgeving van het royement aan de betreffende leden zal worden toegezonden. De beroepstermijn was op de vergadering nog niet aangevangen, tenzij er sprake was van een disciplinaire- ofwel ordemaatregel. Dat er sprake is geweest van een dergelijke maatregel is noch gesteld noch gebleken.
De notaris wordt verweten dat hij het bestuur onjuist heeft geadviseerd omtrent de ingang van de schorsing van de geroyeerde leden en het aanstonds verwijderen van die leden uit de vergadering. De Kamer van Toezicht acht de klacht op dit punt gegrond.
4.2.5 Ad v:
De notaris heeft naar de mening van klagers tijdens de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010 veel verschillende rollen en taken voor het bestuur van de vereniging vervuld. De notaris heeft dit tot op zekere hoogte beaamd en heeft daarbij aangevoerd dat hij deze rollen en taken heeft vervuld in opdracht van het bestuur van de vereniging. Hij heeft het bestuur van (juridisch) advies voorzien en daarnaast heeft hij de notulen van de vergaderingen opgemaakt. Naar het oordeel van de Kamer van Toezicht is het bestuur van een vereniging niet verplicht de notaris hiertoe een schriftelijke opdracht te verstrekken. Dit onderdeel van de klacht wordt derhalve ongegrond verklaard.
4.2.6 Ad vi:
De notaris heeft volgens de klagers uitlatingen gedaan over de klagers in het [dagblad]. De notaris heeft ter zitting een verklaring gegeven voor het artikel ‘Ik laat mij niet voor het karretje spannen’ in het [dagblad]. Dit artikel is tot stand gekomen nadat de notaris richting de redactie van het [dagblad] had gereageerd op een reactie in de katern ‘commentaar’ in diezelfde krant van 29 juni 2010. Het eerstgenoemde artikel is aldus de mededeling van de notaris na redactieberaad en nadat de inhoud van dat artikel is doorgesproken met de notaris, door de redactie van het [dagblad] in die krant geplaatst. De Kamer van Toezicht is van oordeel dat de uitleg van de notaris op dit punt voldoende aanleiding geeft om dit onderdeel van de klacht ongegrond te verklaren.
4.2.7 Ad vii:
De door de notaris opgemaakte notulen van de algemene ledenvergaderingen van de [naam] betreffen telkens een notarieel proces-verbaal. Op de algemene ledenvergadering van de vereniging zijn deze notulen uiteindelijk vastgesteld. Van de notaris mag zeker verlangd worden dat de inhoud van het notarieel proces-verbaal juist is. De stelling van de klagers dat de inhoud van het notarieel proces-verbaal onjuist was, is afdoende weersproken door de notaris. Vervolgens hebben de klagers hun stelling niet meer nader onderbouwd. Daarmee dient de klacht op dit punt ongegrond verklaard te worden.
4.3 Hetgeen de klagers hebben gesteld als weergegeven in rechtsoverweging 4.2.4, heeft de notaris niet weersproken. De notaris had op dit betreffende onderdeel een duidelijkere verslaglegging van de algemene ledenvergadering moeten doen. Ook het feit dat de notaris het bestuur van de vereniging heeft geadviseerd te handelen in tegenspraak met de hiervoor geldende wetgeving betrekt de Kamer van Toezicht in haar oordeel. De notaris is een gespecialiseerd jurist en werd juist hierom door het bestuur van de vereniging als adviseur geraadpleegd. Hij is bovendien in die hoedanigheid aanwezig geweest bij (enkele van) de vergaderingen van het bestuur van de vereniging in voorbereiding op de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010. De notaris had zich derhalve op dit punt meer in het verenigingsrecht kunnen en moeten verdiepen ter voorkoming van de onterechte verwijdering uit de algemene ledenvergadering van de klagers.
4.4 De notaris heeft ter zitting blijk gegeven zich bewust te zijn van het belang dat de klagers hebben bij een duidelijk en volledig opgemaakt notarieel proces-verbaal van de algemene ledenvergadering van de [naam] Van de omvangrijke klacht van de klagers wordt één onderdeel gegrond verklaard. Daarbij zijn de omstandigheden die ten grondslag liggen aan dit onderdeel van de klacht van belang. De notaris heeft in een hectische vergadering ten aanzien van de beslissing tot royement van enkele van de leden een op dit onderdeel onduidelijk verslag opgemaakt. Het betrof op 25 juni 2010 een buitengewoon turbulente algemene ledenvergadering van de vereniging. Hij is daarbij gevraagd om advies te geven en het bestuur te assisteren. Hij heeft stellige uitlatingen gedaan richting de voorzitter van het bestuur en heeft de vragen van deze voorzitter stellig beantwoord. Mede hierdoor was het royement voor de betreffende leden een zeer vernederende kwestie en dat hebben die leden gelet op de inhoud van de klacht ook als zodanig ervaren. Echter, de publiciteit rond de gewraakte vergaderingen van de [naam] heeft naast het gewicht van het gegrond verklaarde (geringe) deel van de klacht ook een rol gespeeld bij de beoordeling van de vraag naar een mogelijke sanctie. De notaris heeft door de hele gang van zaken en door de publiciteit cq ruchtbaarheid die aan de zaak wordt gegeven al het nodige ondergaan. Hij is als gevolg van deze klachtzaak negatief in het nieuws gekomen.
4.5 De kamer zal, gelet op hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 4.4 is overwogen, aan de gegrondverklaring geen tuchtrechtelijke maatregel verbinden.
5. De beslissing
De kamer van toezicht:
verklaart de klacht gedeeltelijk – zoals hiervoor overwogen in rechtsoverweging 4.2.4 – gegrond, zonder hieraan een tuchtrechtelijke maatregel te verbinden;

verklaart de klacht voor het overige ongegrond.

Klacht notaris (Kring Vrienden)

Gerechtshof Amsterdam 21 oktober 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:4397 



Tuchtklacht tegen de notaris in de nasleep van het conflict bij de vereniging Kring Vrienden. Korte overweging over de rol van een notaris die aanwezig is bij een ALV om daarvan een proces-verbaal op te maken.

Beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 28 augustus 2014 en uitgesproken op 21 oktober 2014inzake [klager], appellant, tegen[notaris], geïntimeerde.

1Het geding in hoger beroep

1.1.

Appellant (hierna: klager) heeft op 16 april 2014 een beroepschrift – met bijlage – bij het hof ingediend tegen de aan deze beslissing gehechte beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort ‘s-Hertogenbosch (hierna: de kamer) van 17 maart 2014. De kamer heeft in de bestreden beslissing klager op tien onderdelen van zijn klacht tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) niet-ontvankelijk verklaard en die klacht op een onderdeel ongegrond verklaard .
1.2.

De notaris heeft een verweerschrift – met bijlagen – bij het hof ingediend.
1.3.

De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 28 augustus 2014. Klager en de notaris zijn verschenen en hebben aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities het woord gevoerd.

2De stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.

3De feiten

3.1.

Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Klager heeft tegen de vaststelling van die feiten bezwaar gemaakt. Het hof zal hiermee, voor zover relevant, bij de beoordeling rekening houden.
3.2.

Het gaat in deze zaak – samengevat weergegeven – om het volgende.
3.2.1.

Klager is lid geweest van de vereniging [vereniging] (verder:
de vereniging). Aan de vereniging is de Stichting [stichting] (hierna: de stichting) gelieerd.
In de loop van 2008 is tussen een aantal leden van die vereniging enerzijds en het bestuur van devereniging (hierna: het bestuur) anderzijds een conflict ontstaan over de stichting. Dit conflict is dat jaar tijdens een algemene ledenvergadering aan de orde gekomen. Op 25 juni 2010 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden. Van deze vergadering zijn notulen opgemaakt. Vervolgens heeft op diezelfde dag een algemene ledenvergadering (hierna: de ALV) plaatsgevonden. Tijdens de ALV heeft het bestuur, na raadpleging van de aanwezige leden, de ontzetting van vier leden – onder wie klager – aangezegd. De notaris heeft van deze vergadering notarieel proces-verbaal opgemaakt. Het bestuur heeft de ontzetting uit het lidmaatschap aan de desbetreffende leden schriftelijk bevestigd. Op 26 januari 2011 heeft een algemene ledenvergadering plaatsgevonden waarbij het beroep van de vier leden tegen het besluit tot ontzetting ongegrond is verklaard.
3.2.2.

De andere drie geroyeerde leden hebben op 23 augustus 2010 een klacht tegen de notaris ingediend bij de kamer (toen nog kamer van toezicht over de notarissen en kandidaat-notarissen geheten). De kamer heeft die klacht bij beslissing van 21 april 2011 op zes onderdelen ongegrond en op een onderdeel gegrond verklaard, zonder oplegging van een maatregel (ECLI:NL:TNOKSHE:2011:YC0611 [noot: niet gepubliceerd op rechtspraak.nl). In hoger beroep heeft het hof bij beslissing van 7 februari 2012 (ECLI:NL:GHAMS:2012:BV5543) de klacht op alle onderdelen ongegrond verklaard.
3.2.3.

De vier geroyeerde leden hebben een civiele procedure tegen zowel de vereniging als tegen de voorzitter van de vereniging aangespannen. Bij vonnis van 7 december 2011 heeft de rechtbank ‘s-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) [Noot: niet gepubliceerd, ook kenbaar uit executiegeschil ECLI:NL:RBSHE:2012:BX2731– kort weergegeven en voor zover van belang – voor recht verklaard dat de door de voorzitter tijdens de ALV gedane uitlatingen jegens de vier leden onrechtmatig zijn. De voorzitter en de vereniging zijn tot schadevergoeding veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank het besluit tot ontzetting vernietigd, omdat de door het bestuur aangevoerde gronden het besluit tot ontzetting niet kunnen dragen en de algemene ledenvergadering in redelijkheid niet tot ongegrondverklaring van het beroep tegen het besluit tot ontzetting heeft kunnen komen. De rechtbank heeft het besluit tot ontzetting geconverteerd in een besluit tot opzegging van het lidmaatschap van devereniging. Het hof ‘s-Hertogenbosch heeft bij arrest van 16 juli 2013 (ECLI:GHSHE:2013:3040) het vonnis van de rechtbank op de hiervoor genoemde punten bekrachtigd.

4Het standpunt van klager

Klager stelt zich op het standpunt dat de notaris onzorgvuldig, nalatig, partijdig en ondeskundig heeft gehandeld. De klacht valt – zakelijk weergegeven – in de volgende onderdelen uiteen:

i. de notaris wist dat het besluit tot royement reeds op de aan de ALV voorafgaande bestuursvergadering was genomen. De notaris heeft nagelaten tijdens de ALV erop toe te zien dat de leden hierover zouden worden geïnformeerd. De notaris heeft in plaats daarvan doen voorkomen of het besluit tot royement nog moest worden genomen. De notaris heeft aldus geen dan wel onjuiste informatie verstrekt;
ii. de notaris heeft meegewerkt aan en/of nalatig gehandeld ter zake van het besluit tot royement, welk besluit nadien is vernietigd. De notaris heeft de belangen van klager en de vereniging onvoldoende behartigd door tijdens de bestuurs- en ledenvergadering van 25 juni 2010 niet te waarschuwen voor de gebreken die aan het besluit tot royement kleefden. Klager verwijst in dit verband naar het vonnis van de rechtbank. Klager is nooit gewaarschuwd voor een royement en het beginsel van “hoor en wederhoor” is niet in acht genomen, aldus klager in klacht ii. en vi., terwijl de notaris als deskundige op het gebied van het verenigingsrecht had moeten weten dat dat wel was vereist;
iii. de notaris heeft meegewerkt aan en/of nalatig gehandeld ter zake van de door de voorzitter gepleegde onrechtmatige daad, welke onrechtmatige daad ook aan de vereniging is toegerekend. Klager verwijst in dit verband naar het vonnis van de rechtbank. De notaris heeft het bestuur en de leden tijdens de ALV met zijn opstelling en antwoorden alleen maar aangemoedigd tot royeren;
iv. de notaris heeft meegewerkt aan en/of nalatig gehandeld ter zake van het besluit tot royement, welk besluit nadien is vernietigd. De notaris heeft nagelaten tijdens de ALV ervoor te waarschuwen dat in het besluit tot royement een duidelijke omschrijving van de gronden tot royement ontbrak. Klager verwijst in dit verband naar het vonnis van de rechtbank;
v. de notaris heeft meegewerkt aan en/of nalatig gehandeld ter zake het besluit tot royement, welk besluit nadien is vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat voor zover de gronden tot royement gevonden zouden moeten worden in de zorg en kritiek van de vier geroyeerde leden op het bestuur, die onwaar en misleidend zijn gebleken. De notaris heeft nagelaten tijdens de ALV hiervoor te waarschuwen;
vi. zie klacht ii.;
vii. de rechtbank heeft geoordeeld dat de algemene ledenvergadering zich misleid mag voelen door de voorzitter van de vereniging en in diens kielzog door het bestuur. De notaris heeft hieraan meegewerkt en/of op dit punt nalatig gehandeld;
viii. de notaris heeft meegewerkt aan en/of nalatig gehandeld ter zake van de motivering voor het royement. De notaris had zich meer moeten verdiepen in de achtergronden en deugdelijke adviezen moeten geven;
ix. de notaris had het bestuur en de algemene ledenvergadering moeten wijzen op de mogelijkheid van opzegging van het lidmaatschap ter vermijding van – zo begrijpt de kamer – de vernietiging van de besluiten tot royement. De notaris had zich meer moeten verdiepen in de achtergronden en deugdelijke adviezen moeten geven;
x. de notaris heeft onjuiste adviezen gegeven over de rol van de algemene ledenvergadering in relatie tot de stichting. De notaris heeft tijdens de ALV medegedeeld dat het bestuur niet meer openheid over de financiën van de stichting behoeft te geven. Dit is onjuist, aldus klager;
xi. de notaris heeft met een reactie in het [dagblad] op een eerder artikel in die krant over het verloop van de ALV laakbaar, nalatig en partijdig gehandeld.

5Het standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.

6De beoordeling

Ontvankelijkheid

6.1.

De notaris heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat klager op grond van het ne bis in idem -beginsel niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn klacht, omdat in de door de andere drie geroyeerde leden gevoerde klachtprocedure is geklaagd over hetzelfde handelen dan wel nalaten van de notaris en de kamer en het hof daarover een tuchtrechtelijk oordeel hebben gegeven (zie 3.2.2.).
6.2.

De kamer heeft geoordeeld dat de klachtonderdelen i. tot en met ix. en xi. betrekking hebben op hetzelfde handelen dan wel nalaten van de notaris als waarover in de eerdere beslissingen reeds is geoordeeld, zodat klager wat betreft die klachtonderdelen op grond van het ne bis in idem -beginsel niet in zijn klacht kan worden ontvangen. De kamer is met betrekking tot klachtonderdeel x. tot een inhoudelijke behandeling gekomen.
6.3.

Het hof overweegt als volgt.
Klachtonderdelen ii. tot en met vi. en xi.

Naar vaste jurisprudentie van het hof geldt in het tuchtrecht de regel dat na behandeling van een klacht door de tuchtrechter, een klacht over “hetzelfde feit” niet andermaal kan plaatsvinden. Dit ne bis in idem -beginsel leidt ertoe, dat indien kan worden gesproken van “hetzelfde feit”, de beoordeling van het tuchtrechtelijke aspect van de klacht in een eerdere zaak, aan een nieuwe tuchtrechtelijke beoordeling van het handelen van de notaris in de weg staat.
Het hof is van oordeel dat de klacht op de onderdelen ii. tot en met vi. in de kern ziet op hetgeen waarover in de eerdere klachtprocedure onherroepelijk is beslist in de onder 3.2.2. bedoelde beslissing van dit hof van 7 februari 2012. De onderhavige klachtonderdelen hebben betrekking op het handelen dan wel nalaten van de notaris ter zake van het op de ALV uitgesproken royement en zien daarmee op hetzelfde feitencomplex dat aan het in vorenbedoelde beslissing weergegeven klachtonderdeel iv. ten grondslag werd gelegd. De door klager aangevoerde specifieke punten met betrekking tot het uitgesproken (besluit tot) royement kunnen hiervan niet los worden gezien. Dat inmiddels de civiele rechter zich over het royement en het op de ALV verhandelde heeft uitgesproken, doet aan het voorgaande niet af, omdat die omstandigheid niets verandert aan de aard of het nalaten van de notaris bij gelegenheid van die ALV. Hetzelfde geldt voor de andere stukken die klager als grond voor een hernieuwde beoordeling van de onderhavige klachtonderdelen heeft aangevoerd.
Ook met betrekking tot klachtonderdeel xi. is het hof van oordeel dat het beroep op het ne bis in idem -beginsel slaagt. Over de vraag of het in dit klachtonderdeel verweten handelen van de notaris, zijn reactie in het [dagblad] op een eerder artikel in die krant, tuchtrechtelijk door de beugel kon, heeft het hof in voornoemde beslissing van 7 februari 2012, in rechtsoverweging 6.7., een uitdrukkelijk oordeel gegeven, dat onherroepelijk is geworden.
Klager dient met betrekking tot deze klachtonderdelen niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Klachtonderdelen i. en vii. tot en met x.

Naar het oordeel van het hof is het in deze klachtonderdelen verweten handelen van de notaris in de eerdere klachtprocedure geen onderdeel van de klacht geweest. Deze klachtonderdelen zal het hof derhalve hierna inhoudelijk beoordelen.

Inhoudelijk

Klachtonderdeel i.

6.4.

Het nemen van het besluit tot royement viel binnen de bevoegdheden van het bestuur. Het was ook aan het bestuur en niet aan de notaris om de leden tijdens de ALV over (de totstandkoming van) het besluit tot royement volledig en correct te informeren. Hierbij is van belang dat de notaris bij de ALV aanwezig was om het proces-verbaal van vergadering op te stellen en zo nodig vanuit zijn deskundigheid als notaris op vragen van het bestuur of leden te reageren en toelichting te geven op de verschillende agendapunten. Klager heeft aangevoerd dat het besluit tot royement van (onder anderen) klager al op de aan de ALV voorafgaande bestuursvergadering door het bestuur was genomen. Wat hiervan ook zij, het feit dat daarvan geen mededeling is gedaan op de ALV is gezien de taak en bevoegdheden van het bestuur niet aan de notaris toe te rekenen. Dit klachtonderdeel zal daarom ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdelen vii. tot en met ix.

6.5.

Het hof acht de verwijten die klager de notaris op deze punten maakt niet terecht. De door de (toenmalige) voorzitter van het bestuur tijdens de ALV gedane uitlatingen jegens onder anderen klager, welke uitlatingen de rechtbank opzettelijk misleidend acht, vallen de (toenmalige) voorzitter van het bestuur en wellicht het bestuur aan te rekenen. Het was niet de taak van de notaris tijdens de ALV hiertegen op te treden (zie hetgeen hiervoor onder 6.4. is overwogen). Ook was het aan het bestuur het besluit tot royement deugdelijk te motiveren en eventueel voor opzegging van het lidmaatschap in plaats van royement te kiezen. Dat de notaris aan misleiding van de leden en/of de gebrekkige motivering van het besluit tot royement heeft meegewerkt of op deze punten nalatig heeft gehandeld, is het hof niet gebleken. Ook deze klachtonderdelen zullen ongegrond worden verklaard.
Klachtonderdeel x.

6.6.

Uit het proces-verbaal van vergadering blijkt dat de notaris op de ALV op verzoek van de (toenmalige) voorzitter van het bestuur aan de leden een toelichting heeft gegeven over de juridische verwevenheid tussen de vereniging en de stichting. Het hof is niet gebleken dat de notaris onjuiste adviezen heeft gegeven over de rol van de algemene vergadering in relatie tot de stichting. Het hof volgt de notaris in zijn verweer dat hetgeen de notaris tijdens de ALV over de financiële aspecten ten aanzien van de aankoop van een onroerende zaak door de stichting heeft medegedeeld, in het perspectief van zijn toelichting op vorenbedoelde juridische verwevenheid dient te worden gezien. Niet kan worden gezegd dat de notaris op dit punt onjuist heeft gehandeld. Dit betekent dat dit klachtonderdeel eveneens ongegrond zal worden verklaard.
Conclusie

6.7.

Het hof is deels tot een andere beslissing dan de kamer gekomen. Omwille van de duidelijkheid zal het hof de beslissing van de kamer in zijn geheel vernietigen en beslissen overeenkomstig het voorgaande.
6.8.

Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.
6.9.

Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.

7De beslissing

Het hof:

– vernietigt de bestreden beslissing;
en, opnieuw beslissende:

– verklaart klager in de klachtonderdelen ii. tot en met vi. en xi. niet-ontvankelijk;
– verklaart de klacht op de onderdelen i. en vii. tot en met x. ongegrond.