Irritant gedrag, maar geen grond voor royement

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 25 januari 2017


Een lid van een lokale politieke partij is geroyeerd. De rechter toets het royement inhoudelijk, namelijk door te toetsen of de aan het lid verweten gedragingen voldoende ernstig zijn om te kunnen stellen dat het lid de vereniging onredelijk benadeeld. De rechter beoordeeld opmerkingen van het lid als “ongepast” en “smakeloos”. Dit is echter niet voldoende, omdat de vereniging niet duidelijk heeft gemaakt hoe ze door die gedragingen is benadeeld.

De feiten

2.1.

[eiser] was sinds oktober 2013 lid van LR. LR is een politieke partij die actief is in de gemeente Reimerswaal. [eiser] was actief voor LR als fractievolger en adviseur. De bestuurs- en fractievoorzitter van LR is [voorzitter] .
Zowel [eiser] als [voorzitter] was respectievelijk is daarnaast lid van de vereniging Partij voor Zeeland (hierna: PvZ). PvZ is een politieke partij die actief is in de provincie Zeeland.
LR en PvZ zijn formeel niet met elkaar verbonden.
[eiser] en [voorzitter] stonden begin 2015 beiden voor PvZ op de kieslijst voor de Waterschaps- en Statenverkiezingen van 2015. Degenen die deel gaan uitmaken van de fractie van PvZ in de Provinciale Staten, ontvangen daarvoor een vergoeding.

2.2.

Artikel 7 van de statuten van LR bepaalt, voor zover van belang:
1. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
d. door ontzetting. Deze kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

2.3.

Op 22 januari 2015 heeft het bestuur van LR besloten [eiser] te royeren als lid van LR. Dit besluit is [eiser] bij e-mailbericht van 24 januari 2015 meegedeeld.
2.4.

In dit e-mailbericht van 24 januari 2015 staat:
Het bestuur heeft kennis genomen van het e-mail verkeer tussen u en de PvZ. Wij hebben deze e-mails geanalyseerd en zijn tot de volgende conclusie gekomen.
  • Binnen Leefbaar Reimerswaal is fractievoorzitter [voorzitter] zeer gewaardeerd. Wij kunnen dan ook niet toe staan dat hij door u, richting de Partij voor Zeeland in naam word aangetast.
  • De kritiek uwerzijds richting Leefbaar Reimerswaal dient binnen de partij opgelost te worden en niet via e-mail aan derden (PvZ bestuur).
  • Onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden.
  • U criminaliseerd personen in een reactie op de aan u aangeboden geldelijke vergoeding, het stond u vrij deze vergoeding en functie te weigeren, maar u beschuldigd personen van zelfverrijking.
  • Door uw handelen heeft u Leefbaar Reimerswaal in diskrediet gebracht bij de PvZ.


3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad het royementsbesluit van 24 januari 2015 nietig verklaart, althans vernietigt, []
[eiser] wenst eerherstel. Hij heeft bij aangetekende brief een beroepschrift ingediend bij LR, maar LR heeft deze brief niet in ontvangst genomen, zodat hij genoodzaakt is deze zaak aan de civiele rechter voor te leggen.
[eiser] stelt dat het royementsbesluit van LR niet voldoet aan de wettelijke en statutaire eisen. Hij heeft niet in strijd gehandeld met de statuten, reglementen of besluiten van LR en evenmin LR op onredelijke wijze benadeeld. Het royementsbesluit vermeldt ten onrechte niet om welke e-mailberichten het gaat en is op grond daarvan niet met voldoende redenen omkleed. [eiser] weet niet van e-mailberichten waaruit de in het besluit opgesomde gedragingen zijn af te leiden. De wrijving die in de aanloop naar de provinciale verkiezingen van 2015 tussen hem en [voorzitter] was ontstaan, had alleen betrekking op PvZ.
[eiser] vordert vergoeding van buitengerechtelijke kosten. Dit zijn de kosten van werkzaamheden die door zijn raadsman zijn verricht voor het hoger beroep bij LR.

3.2.

LR voert verweer. Zij stelt dat na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014, waarin [eiser] geen plaats in de gemeenteraad kreeg, omdat een lager geplaatst lid met voorkeursstemmen zijn zetel innam, een kentering in het gedrag van [eiser] optrad en onderbouwt dat als volgt.
  • Na de verkiezingen trad [eiser] voor haar op in Opinie- en Themaraden. [eiser] maakte daarin met regelmaat opmerkingen over de – in zijn ogen – te strakke kleding van de fractievoorzitster van een andere partij en over de vrouwelijke leden van LR. [voorzitter] heeft hem daarop meermalen aangesproken.
  • In juli 2014 meldde steunfractielid mevr. [naam] aan [voorzitter] dat [eiser] zich ongevraagd in haar huwelijksleven mengde. LR verwijst naar een door mevr. [naam] op 19 februari 2016 opgemaakte verklaring.
  • Op 21 augustus 2014 ontving [voorzitter] een e-mail van [eiser] , naar aanleiding van een e-mail van dhr. [naam] , lid van LR, aan hem met daarin een bericht dat [naam] aan de gemeenteraad en het college had gestuurd over het begraafplaatsenbeleid van de gemeente. [naam] had gezien dat in plaats van naast, op graven bordjes waren geplaatst ‘zo ongeveer tussen de benen’. [eiser] schreef aan [voorzitter] onder meer: Sommige van de overledenen (m n vrouwen) zullen het zelfs na hun verscheiden niet erg vinden ‘zoals op de foto’s te zien is zo ongeveer ‘tussen de benen’ post-mortem als zodanig te worden opgesierd, echter we gaan uit van de gangbare fatsoensnormen terzake. Ook hierop heeft [voorzitter] hem aangesproken.
  • Op 31 augustus 2014 schreef [eiser] een zeer vreemde e-mail aan [voorzitter] . Deze e-mail heeft als onderwerp: Waarom LR beslist niet werd genoemd! [eiser] begint deze e-mail met het navolgende: LR kon niet worden genoemd, want er is sprake van een oorlogsverklaring, die SGP, CDA en CU inmiddels wel gelezen zullen hebben. Het moest uit eigen kring komen van een Bijbelgetrouwe, die niet van sympathie voor LR laat blijken. Hij vervolgt met anderhalve pagina tekst uit Matteüs 23:1-39.
  • Met ingang van oktober 2014 liet [eiser] zowel naar LR als naar PvZ wispelturig en oncollegiaal gedrag zien. Hij stelde [voorzitter] in een kwaad daglicht bij PvZ, terwijl [voorzitter] door PvZ als fractievoorzitter werd voorgesteld. In de e-mail van 18 januari 2015 aan de voorzitter en leden van PvZ is hij beledigend over [voorzitter] en LR, alsmede over andere met name genoemde personen. Hij schreef daarin onder meer, terugkomend op de fractievergoeding PvZ: De hoogte der vergoeding laat ik wel ik in jullie handen ( [naam] en [voorzitter] ) ter bepaling, gelet op de groeiende cordiale samenwerking die al langer werd verwacht en die jullie aan het verzilveren zijn zo met zijn tweeën. (…) Die vergoeding is mede afhankelijk en gerelateerd aan de vergoeding die eerder mevrouw [naam] (rechtbank: eerder door PvZ geroyeerd) ontving en staat daarmee wel in redelijke verhouding. Per slot van rekening kreeg te ’s Heerenhoek de PVZ een bijna doodklap, terwijl jullie inmiddels tweede man [naam] op allebei de lijsten gelukzoeker bleek te zijn en bijgevolg alle opties open liet (inclusief de staatsgreep met de alleszins obscure [naam] ). Het is toch warempel wel ik geweest die voor jullie de doorstart heeft voorbereid zodat jullie nummers 1 en 2 (die door [voorzitter] liefkozend “De enig hooggeboren Baby [naam] ” wordt genoemd) zo’n riante uitgangspositie thans kregen. Dat ik daarbij toch zeker voor de voorman van Leefbaar Reimerswaal zijn terugkeer in PS heb voorbereid om het gemodder op plaatselijk niveau met enige eer wat achter zich te kunnen laten. (…) Voorts heb ik mij er bijzonder mee vermaakt dat onze nieuw lijsttrekker (rechtbank: [voorzitter] ) ‘zijn pragmatisch politieke ideologie’ menigvuldig vooraf laat gaan door een autobiografisch exposé, waarbij hij als het ware aan de door hem uitgediepte levenspassages een feestelijke zelfanalyse van zijn afkomst en levensgeschiedenis toevoegt. Rest mij nog mijn welzeker gemeende erkentelijkheid uit te spreken aan het adres van de heren (rechtbank: volgen 4 namen van mensen die in deze zaak geen rol spelen). Ik vind het altijd fijn te ervaren dat er, net als ik, ook nog mensen zijn met een enkelvoudige agenda. Vermeld dient vanzelfsprekend te worden om het welbekende gegeven toe te voegen dat ik steeds door de nu optrekkende kompanen [voorzitter] en [naam] met de meest genereuze vriendelijkheid ben bejegend.(…)
  • In de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 heeft [eiser] zijn e-mail van 18 januari 2015 toegelicht en ten aanzien van verschillende personen wederom ‘op de man gespeeld’.
  • Op 13 januari 2015 belde [eiser] ’s avonds naar het woonhuis van [voorzitter] , terwijl hij wist dat [voorzitter] op dat moment naar een vergadering in het gemeentehuis was. De echtgenote van [voorzitter] , die van Indonesische afkomst is, nam op en zei dat [voorzitter] niet thuis was. Vervolgens begon hij tegen haar over getinte vrouwen, dat hij die ook wel wilde, maar dan wel met lange benen. De echtgenote van [voorzitter] heeft daarop geschrokken de telefoon neergelegd.
Deze laatste gebeurtenis was voor [voorzitter] de bekende ‘druppel’. Hij heeft daarop het bestuur van LR bijeen geroepen. De bestuursvergadering waarop tot royement van [eiser] is besloten, heeft op 22 januari 2015 plaatsgevonden.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt voorop dat beide partijen ter comparitie te kennen hebben gegeven voorbij te willen gaan aan de – formeel voorliggende – procedure ten overstaan van de ledenraadvergadering van LR en de zaak voor te willen leggen aan de rechtbank. [eiser] kan dan ook in zijn vordering worden ontvangen.
4.2.

Zowel op grond van art. 7 lid 1 aanhef en sub b van de statuten als op grond van art. 2:35 lid 1 aanhef en sub d juncto 2:35 lid 3 BW kan het bestuur van LR besluiten [eiser] uit zijn lidmaatschap te ontzetten als er sprake is van handelen in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging dan wel handelen waardoor de vereniging op onredelijke wijze wordt benadeeld. Uit de laatste in r.o. 2.4 aangehaalde zinsnede van het besluit leidt de rechtbank af dat het bestuur van LR zijn besluit tot ontzetting van [eiser] heeft gebaseerd op de laatst aangehaalde ontzettingsgrond [d.w.z. onredelijk benadelen van de vereniging].
4.3.

Ter comparitie heeft [eiser] aangevoerd dat LR in haar conclusie van antwoord 12 gronden voor de ontzetting heeft gesteld, terwijl in het ontzettingsbesluit 5 gronden zijn opgenomen. De rechtbank volgt hem daarin niet. Met LR oordeelt zij dat de in de conclusie aangevoerde feiten en omstandigheden moeten worden gekwalificeerd als onderbouwing van de redenen die LR aan haar besluit, zoals dat aan [eiser] bij e-mailbericht van 24 januari 2015 is meegedeeld, ten grondslag heeft gelegd.
4.4.

De stelling van [eiser] dat gebeurtenissen van geruime tijd voordat het besluit tot ontzetting werd genomen, niet aan dat besluit ten grondslag kunnen worden gelegd, gaat in haar algemeenheid evenmin op. Niet kan worden uitgesloten dat een veelheid aan gebeurtenissen in een beperkt tijdsbestek opbouwt tot een situatie waarin een daarop komende gedraging de bekende ‘druppel’ is die ontzetting uit het lidmaatschap rechtvaardigt.
4.5.

De gedragingen die [eiser] worden verweten, zouden hebben plaatsgevonden vanaf het moment dat hij zitting nam in de Opinie- en Themaraden. Dit was, zo heeft [voorzitter] namens LR ter comparitie onweersproken verklaard, kort na de gemeenteraadsverkiezingen in 2014. Het is een feit van algemene bekendheid dat deze op 19 maart dat jaar hebben plaatsgevonden. Verder baseert LR zich op voorvallen in juli 2014, augustus 2014, oktober 2014 en januari 2015. Het ontzettingsbesluit is op 22 januari 2015 door het bestuur genomen. Hieruit volgt dat de verweten gedragingen in circa 10 maanden, zouden hebben plaatsgevonden. Daarmee is sprake van een beperkt tijdsbestek, als bedoeld in r.o. 4.4.
4.6.

Dat LR in het ontzettingsbesluit verwijst naar e-mailberichten, zonder deze specifiek aan te halen, leidt er op zichzelf niet toe dat het besluit met onvoldoende redenen is omkleed. De redenen die voor LR de grondslag voor de ontzetting vormden zijn in het besluit uitgeschreven. Bij haar conclusie van antwoord heeft LR alsnog diverse e-mailberichten van [eiser] overgelegd. Daarmee staat het bestaan van de e-mailberichten van zijn hand voldoende vast.
4.7.

Aan de orde is dan of de redenen die in de e-mail van 24 januari 2015 aan [eiser] staan opgesomd, al dan niet in onderlinge samenhang, het besluit tot ontzetting kunnen dragen. Of de onder de ‘gedachtenbolletjes’ geformuleerde redenen louter uit een analyse van e-mailberichten voortkomen, is daarbij niet doorslaggevend. Het gaat niet om een taalkundige toetsing van het besluit, maar om de logische inhoud daarvan.
4.8.

Getoetst zal eerst worden of, als ervan wordt uitgegaan dat de gedragingen die [eiser] worden verweten, aangehaald in dit vonnis onder 3.2., hebben plaatsgevonden – [eiser] betwist dat ten dele – en ervan wordt uitgegaan dat die gedragingen de onderbouwing zijn van de onder de gedachtenbolletjes geformuleerde redenen, die gedragingen ontzetting uit het lidmaatschap rechtvaardigen.
4.8.1.

[eiser] heeft opmerkingen gemaakt tegen LR-lid mevr. [naam] over haar huwelijk, die mogelijk ongepast waren en in ieder geval door haar niet op prijs werden gesteld. Deze opmerkingen zijn mogelijk te scharen onder de onder het derde gedachtenbolletje geformuleerde reden: onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden. Dit geldt echter niet voor de vrouwonvriendelijke opmerkingen in de Opinie- en Themaraden tegen de fractievoorzitster van een andere partij. LR noemt verder wel dat ook tegen vrouwelijke partijleden opmerkingen over hun kleding werden gemaakt, maar concretiseert dit niet. Zij noemt geen namen en legt geen verklaringen over.
4.8.2.

De reactie van [eiser] aan [voorzitter] op de e-mailcorrespondentie met [naam] is als smakeloos te kwalificeren, maar is aan [voorzitter] op zijn e-mailadres gestuurd. Niet staat vast dat deze e-mail anderen heeft bereikt.
4.8.3.

De inhoud van de e-mail van 31 augustus 2014 is weliswaar merkwaardig, maar zonder nadere uitleg, welke ontbreekt, is onduidelijk ter onderbouwing van welke reden voor ontzetting zij is aangehaald en hoe LR daarmee is geschaad.
4.8.4.

Het telefoongesprek met de echtgenote van [voorzitter] op 13 januari 2015 is ongepast, echter gesteld noch gebleken is hoe LR daardoor is benadeeld. Evenmin is gesteld noch gebleken dat de echtgenote van [voorzitter] lid van LR is, zodat ook niet is vast te stellen dat dit gesprek valt onder ‘onwenselijke uitspraken richting vrouwelijke partijleden’.
4.8.5.

LR stelt dat dit gesprek de spreekwoordelijke druppel is geweest en de aanleiding voor het bijeenroepen van de bestuursvergadering van 22 januari 2015. Tussen het telefoongesprek en de vergadering heeft [eiser] nog de e-mail d.d. 18 januari 2015 gestuurd en de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 toegesproken.

4.8.6.

De toon en inhoud van de e-mail van 18 januari 2015 aan de voorzitter en verschillende leden van PvZ, onder wie [voorzitter] , is weinig respectvol. [eiser] laat zich tegenover hen negatief uit over LR en diffamerend over [voorzitter] , [naam] , [naam] en [naam] . In de vergadering van PvZ op 21 januari 2015 heeft hij deze mail nader toegelicht aan de hand van de als productie 7 bij de conclusie van antwoord overgelegde aantekeningen. Hij heeft zijn diffamerende uitlatingen niet teruggenomen, eerder herhaald. Van de door [eiser] genoemde personen heeft alleen [voorzitter] banden met LR. De overige genoemde personen zijn of waren gelieerd aan PvZ. Niet zonder meer valt in te zien, wat de schadelijke werking van deze uitlatingen is jegens LR. Ter comparitie heeft [voorzitter] toegelicht dat hij in die periode door de voorzitter van PvZ was gevraagd om lijstaanvoerder te zijn en PvZ te ondersteunen met LR, alsmede dat zijn kansen voor PvZ en daarmee de positie van PvZ aanzienlijk slechter worden als hij en/of LR negatief in het nieuws komen bij PvZ. Hij heeft verklaard dat door de negatieve opmerkingen aan PvZ over hem, [eiser] zijn positie bij PvZ onmogelijk maakte en dat als [voorzitter] bij PvZ onderuit gaat, ook zijn positie bij LR en vervolgens de positie van LR in de lokale politiek onder druk komt te staan.
4.8.7.

Uit het voorgaande is af te leiden dat in ieder geval de verhoudingen tussen [eiser] en [voorzitter] verstoord zijn geraakt en, ten gevolge van de gebeurtenissen beschreven onder 4.8.5, [eiser] zich ook bij PvZ mogelijk van een negatieve kant heeft laten zien. Niet is uit te sluiten dat de opstelling van [eiser] bij PvZ irritatie wekte. Of en in hoeverre de positie van [voorzitter] bij PvZ daardoor negatief werd beïnvloed en LR daardoor werd benadeeld is echter onvoldoende onderbouwd. Onduidelijk is gebleven wat het belang van LR is, om positief bij PvZ te boek te staan, anders dan het persoonlijke belang van [voorzitter] , een positie bij die partij te kunnen bekleden.
4.8.8.

Voorstelbaar is, gegeven de beschreven voorvallen voor zover juist, dat er sprake is geweest van een oplopende graad van irritatie bij [voorzitter] , waarin ook de overige bestuursleden van LR zijn betrokken. De stelling van LR dat het telefoongesprek van [eiser] , wat daar verder van zij, de bekende druppel was en leidde tot de bestuursvergadering waarop tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR is besloten, wijst daar ook op. Dit is echter niet genoeg. De gestelde en hiervoor besproken gedragingen leveren noch ieder afzonderlijk, noch in onderlinge samenhang voldoende grond op voor ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR. De rechtbank oordeelt van doorslaggevende betekenis dat LR niet heeft gesteld wat het effect van de gedragingen van [eiser] was op (het functioneren van) LR. Aldus is onvoldoende komen vast te staan dat de belangen van LR door [eiser] zo ernstig en onredelijk zijn benadeeld dat daardoor de maatregel van ontzetting uit het lidmaatschap is gerechtvaardigd.
4.9.

Op grond van het voorgaande komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of de verweten gedragingen daadwerkelijk hebben plaatsgevonden.
4.10.

De vordering tot vernietiging van het ontzettingsbesluit van [eiser] zal worden toegewezen. Voor nietigverklaring van het besluit ingevolge art. 2:14 BW is geen grond, nu gesteld noch gebleken is dat het besluit in strijd is met de wet of statuten. []

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

vernietigt het besluit van het bestuur van LR tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van LR, genomen op 22 januari 2015 en aan [eiser] meegedeeld bij e-mailbericht van 24 januari 2015;
[]

Vernietiging royement in kort geding (De Maaasplassen)

Rb. Limburg 19 juli 2016
 ECLI:NL:RBLIM:2016:6217


De voorzieningenrechter vernietigt een besluit tot ontzetting (royement) in kort geding. Volgens mij kan dat niet in kort geding (het lijkt mij geen voorlopige voorziening). Voor het overige een tamelijk eenvoudige zaak van een ongeldig royement. 
” Uit de pleitnota en hetgeen ter zitting is aangevoerd blijkt dat er sprake is van een verstoring van de onderlinge verhouding. Dat [eiseres] hiermee in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van De Maasplassen zou hebben gehandeld is hier overigens niet uit af te leiden. Evenmin is uit hetgeen door De Maasplassen naar voren is gebracht af te leiden dat De Maasplassen door [eiseres] op onredelijke wijze is benadeeld. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 2:35 BW aan ontzetting stelt. Opzegging van het lidmaatschap door het bestuur was in casu de geëigende weg geweest die door De Maasplassen bewandeld had dienen te worden. Nu De Maasplassen in redelijkheid niet tot het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap had kunnen komen, is de vordering strekkende tot vernietiging van het ontzettingsbesluit en betredingsverbod toewijsbaar” 

Vonnis in kort geding van 19 juli 2016
in de zaak van

[eiseres],
tegen de vereniging NATURISTENVERENIGING DE MAASPLASSEN,
gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiseres] en De Maasplassen worden genoemd.

2De feiten

2.1.

[eiseres] is lid van de naturistenvereniging De Maasplassen.
2.2.

In de statuten van De Maasplassen (productie 10 bij verzoekschrift) staat – voor zover relevant – vermeld:
Artikel 6.1. Het lidmaatschap eindigt:
  1. door overlijden van het lid;
  2. door opzegging door het lid;
  3. door opzegging namens de vereniging; en
  4. door ontzetting
(…)
3. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging kan tegen het einde van het lopende verenigingsjaar geschieden door het bestuur, met inachtneming van een opzeggingstermijn van tenminste vier weken (…)
De opzegging door het bestuur kan onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg hebben, wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. De opzegging geschiedt steeds schriftelijk, met opgave van de reden(en).

4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of de vereniging onredelijke wijze benadeelt. (…)”
2.3.

Bij brief van 16 april 2016 deelt het bestuur van De Maasplassen aan [eiseres] mee (productie 6 bij verzoekschrift):
“Het bestuur van de Naturistenvereniging de Maasplassen te Maastricht heeft besloten u met ingang van heden te ontzetten uit het lidmaatschap van de vereniging. Deze ontzetting geschied op geleide van Artikel 6.4e lid van de notarieel vastgelegde Statuten van onze vereniging.

In de periode vanaf 17 februari 2016 zijn het bestuur, bestuursleden op persoonlijke titel en oud-bestuursleden overspoeld met vele e-mails. Hierbij is door u meerdere keren gedreigd met juridische stappen, kort geding en aangifte bij de politie.
Ook zijn er door u leden van de vereniging benaderd met gebruik making van de vertrouwelijk in 2014 ter beschikking gestelde ledenlijst. Dit is een overtreding van de Wet bescherming Persoonsgegevens. In de correspondentie naar deze leden zijn meerdere onwaarheden vermeld.

Door dit optreden en reageren is de vereniging op onredelijke wijze benadeeld en voor het bestuur een niet acceptabele situatie ontstaan. In het belang van de vereniging heeft het bestuur daarom unaniem besloten tot ontzetting uit het lidmaatschap over te gaan. Hierbij hoort ook een betredingsverbod van het verenigingsterrein. Een getekend betredingsverbod is als bijlage toegevoegd. (…)”

2.4.

Het betredingsverbod luidt:
“Het bestuur van de Naturistenvereniging de Maasplassen ontzegt u met ingang van 16 april 2016 de toegang tot het terrein van onze vereniging, gelegen aan de Hoge Weerd ongenummerd te Maastricht. Deze ontzegging is voor onbepaalde tijd. (…)”

2.5.

[eiseres] heeft schriftelijk protest aangetekend bij de Commissie van Beroep. De Commissie van Beroep heeft – voor zover relevant – geoordeeld (productie 12 bij verzoekschrift):
“(…) Het bestuur, en in het bijzonder het lid [naam bestuurslid] , wordt ten onrechte beschuldigd van het openbaar maken van een integrale email van 21 februari 2016 die mevr. [eiseres] gericht heeft aan het bestuur, immers:
  1. Uit de inhoud van betreffende email mocht worden aangenomen dat deze bedoeld was ter (globale) bespreking op de ALV van 22 maart.
  2. In de ALV is niet de integrale email vertoond, doch slechts geanonimiseerde teksten daaruit; dit heeft de commissie uit eigen waarneming kunnen bevestigen.
  3. Vervolgens is het bestuur op onbehoorlijke wijze lastig gevallen met een stroom aan berichten; deze stroom heeft de vorm aangenomen van ‘stalking’.
  4. Binnen deze stroom van berichten is het bestuur op onterechte wijze beschuldigd van allerlei zaken, die samengevat kunnen worden als ‘laster’.
  5. Deze berichtenstroom en de inhoud daarvan is zodanig belastend geworden voor de bestuursleden dat zij niet meer aan hun statutaire taak, namelijk het besturen van de vereniging, konden toekomen; dit kan gezien worden als het veroorzaken van ‘hinderlijke overlast’.
(…) Op grond van bovengenoemde zaken heeft het bestuur besloten tot ontzetting van het lidmaatschap over te gaan.

Mevrouw [eiseres] heeft (…) bij herhaling gehandeld in strijd met Artikel 3 van de Statuten van devereniging, en wel in het bijzonder het genoemde in lid 1 en 3 van dit artikel.

Om die reden mag van het bestuur, en daarmee van de vereniging, niet langer verwacht worden om mevr. [eiseres] als lid van de verenging te handhaven.

De Commissie van Beroep concludeert dan ook op basis van artikel 6.1 lid 4 van de statuten (…) dat het bestuur van de Naturistenvereniging De Maasplassen terecht heeft besloten u uit het lidmaatschap te ontzetten (…) De ontzetting uit het lidmaatschap blijft bij dezen gehandhaafd.”

3Het geschil

3.1.

Tegen de achtergrond van deze vaststaande feiten vordert [eiseres] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  • de ontzetting van het lidmaatschap van [eiseres] door de vereniging te vernietigen en [eiseres] per omgaande in staat te stellen haar activiteiten als lid van de vereniging voort te zetten,
  • het betredingsverbod van [eiseres] van het terrein te vernietigen, dan wel nietig te verklaren en [eiseres] per omgaande in staat te stellen het perceel zoals in gebruik door de vereniging te betreden gedurende de daarvoor bedoelde uren als dan niet als lid van de vereniging,
  • de vereniging te veroordelen tot een dwangsom van € 500,00, althans een door de rechtbank te bepalen dwangsom, voor iedere dag dat De Maasplassen daarmee in gebreke blijft tot een maximum van € 15.000,00,
  • veroordeling van De Maasplassen in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente.
3.2.

De Maasplassen heeft verweer gevoerd.
3.3.

Op de stellingen van partijen zal hierna – voor zover relevant – nader worden ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Uit de stukken en de toelichting ter terechtzitting is genoegzaam gebleken dat het gaat om een spoedeisende zaak waarin, gelet op het belang van [eiseres] , een onmiddellijke voorziening bij voorraad wordt vereist. Voorts heeft De Maasplassen ook niet bestreden dat [eiseres] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen.
4.2.

In het kader van deze procedure dient beoordeeld te worden of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat gerechtvaardigd is daarop door toewijzing van de vorderingen vooruit te lopen. Daarbij moet de voorzieningenrechter thans uitgaan van de voorshands vaststaande feiten met de beperkte toetsing daarvan (zonder nadere bewijsvoering) die in deze procedure in beginsel slechts mogelijk is.
4.3.

Kern van het geschil is of het besluit van 16 april 2016 van De Maasplassen om [eiseres] te ontzetten uit haar lidmaatschap in stand kan blijven dan wel dat dit besluit vernietigbaar is.
4.4.

Uit artikel 2:35 BW lid 1 BW volgt dat het lidmaatschap van een vereniging (onder meer) eindigt door opzegging door de vereniging of door ontzetting. De voorzieningenrechter stelt voorop dat ontzetting een zwaar middel is om een lidmaatschap van een vereniging te beëindigen. Ontzetting uit het lidmaatschap is een bestraffende vorm van opzegging en kan volgens artikel 2:35 lid 3 BW alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van devereniging handelt, of wanneer een lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet bij ieder handelen in strijd met statuten, reglementen of besluiten van devereniging plaats is voor ontzetting. Bij niet ernstige schending van regels van de vereniging ligt beëindiging door opzegging meer in de rede. Lid 4 bepaalt dat de ontzetting in beginsel door het bestuur van de vereniging geschiedt en dat beroep openstaat tegen het ontzettingsbesluit binnen één maand na de kennisgeving van het besluit, bij de algemene vergadering van aandeelhouders of een daartoe bij de statuten aangewezen orgaan of derde. In het onderhavige geval kan, zo blijkt uit de statuten van De Maasplassen, beroep worden ingesteld bij de Commissie van Beroep.
4.5.

De Maasplassen heeft niet althans niet voldoende geconcretiseerd in welk opzicht [eiseres] in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van De Maasplassen zou hebben gehandeld. De Maasplassen heeft geen bepalingen van de statuten of van enig reglement genoemd en evenmin bepaalde besluiten, in strijd waarmee [eiseres] zou hebben gehandeld. Uit de pleitnota en hetgeen ter zitting is aangevoerd blijkt dat er sprake is van een verstoring van de onderlinge verhouding. Dat [eiseres] hiermee in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van De Maasplassen zou hebben gehandeld is hier overigens niet uit af te leiden. Evenmin is uit hetgeen door De Maasplassen naar voren is gebracht af te leiden dat De Maasplassen door [eiseres] op onredelijke wijze is benadeeld. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 2:35 BW aan ontzetting stelt. Opzegging van het lidmaatschap door het bestuur was in casu de geëigende weg geweest die door De Maasplassen bewandeld had dienen te worden. Nu De Maasplassen in redelijkheid niet tot het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap had kunnen komen, is de vordering strekkende tot vernietiging van het ontzettingsbesluit en betredingsverbod toewijsbaar op de hierna in het dictum weergegeven wijze. []

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

vernietigt het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap en bepaalt dat [eiseres] haar activiteiten als lid van de vereniging mag voortzetten totdat haar lidmaatschap rechtsgeldig is beëindigd
5.2.

vernietigt het betredingsverbod en bepaalt dat [eiseres] toegelaten wordt tot het perceel zoals in gebruik door De Maasplassen

Royement: ontzetting of opzegging

Gerechtshof Den Haag 22 juli 2014
ECLI:NL:GHDHA:2014:2465 (online op 21 oktober 2015)



In deze zaak heeft de vereniging een aantal leden proberen te royeren, zonder duidelijk te zijn of het gaat om ontzetting of opzegging. De statuten zijn dat overigens ook niet. Het besluit is genomen met twee/derde meerderheid op de ALV. De vereniging heeft niet gesteld (in de rechtszaak) dat de leden de staten of reglementen niet hebben nageleefd, of dat de leden de vereniging onredelijk hebben benadeeld. De rechter oordeelt dat het dus niet gaat om ontzetting, maar om opzegging. Omdat de vereniging ook niet heeft gesteld dat redelijkerwijs van haar niet verlangd kan worden om het lidmaatschap te laten voortduren, zodat de opzegging pas tegen het einde van het kalenderjaar inging. Het kalenderjaar was echter op het moment van de uitspraak in hoger beroep verstreken, zodat het besluit in stand blijft. 


Arrest van 22 juli 2014

inzake { A., B. en C. [Achternaam]}  appellanten,
hierna te noemen: [appellanten] ,
tegen Postduivenhoudersvereniging `Snel tot Ziens’, geïntimeerde,

hierna te noemen: STZ,


Het geding
Beoordeling van het hoger beroep

2.

De door de rechtbank in het vonnis van 5 november 2013 vastgestelde feiten zijn niet in geschil. Ook het hof zal daar van uitgaan.
3.

Het gaat in deze zaak om het volgende:
a. STZ is een vereniging voor postduivenhouders. In de statuten van STZ is onder meer het volgende opgenomen:
“Artikel 6 Het lidmaatschap eindigt door:
(…)
c. royement (op voordracht van de meerderheid van het bestuur door een algemene vergadering met een besluit van 2/3 meerderheid).
(…)”
In artikel 30 lid 4 van het Huishoudelijk reglement N.P.O., dat ook het huishoudelijk reglement van STZ is, is opgenomen dat oproeping en agenda voor een algemene ledenvergadering 30 dagen voor de vergadering worden verzonden en gepubliceerd. Van deze termijn kan volgens artikel 30, lid 5 worden afgeweken indien het bestuur dit noodzakelijk acht.
[appellanten] zijn op enig moment lid geworden van STZ. Binnen STZ vormden zij de “Combinatie [appellanten] ”.
Door de (toenmalige) voorzitter van STZ, [voorzitter] , is in een brief van 4 maart 2013 aan [appellanten] onder meer geschreven: “N.a.v. het voorval op de beurs te Houten zaterdag 02-03-2013 j.l. moet ik u (de Comb. [appellanten] bestaande uit 3 personen) namens het bestuur en leden mededelen dat de vereniging Snel tot Ziens geen prijs meer stelt op het lidmaatschap van onze vereniging, hierin spelen ook eerdere voorvallen tussen u en andere leden een rol.
Omdat na het vertrek van enkele leden dit ook n.a.v. uw instelling, en door dit nieuwe voorval, diverse leden hebben besloten hun lidmaatschap op te zeggen, ziet het bestuur zich genoodzaakt deze beslissing te nemen.
Het bestuur en leden hopen dat u deze beslissing wilt accepteren en u (Comb. [appellanten] ) uw lidmaatschap op wilt zeggen, hiermede geven wij aan dat u in deze situatie geen financiële verplichtingen meer heeft aan devereniging Snel tot Ziens.
Tevens willen wij via dit schrijven u ook, (om complicatie,s te voorkomen) de toegang tot de a.s. (18-3-2013) vergadering ontzeggen.(…)”
Op 18 maart 2013 heeft een algemene ledenvergadering van STZ plaatsgevonden. [appellanten] hebben daarbij niet aanwezig kunnen zijn. In een naar aanleiding van die vergadering opgestelde ongedateerde brief van het bestuur van STZ aan [appellanten] is onder meer opgenomen dat tijdens de algemene ledenvergadering van 18 maart 2013, 20 leden tegen het lidmaatschap van [appellanten] hebben gestemd, 3 leden voor en 2 leden blanco. In deze brief is als reden voor de beëindiging van het lidmaatschap het volgende opgenomen: “Het uiten door middel van woord en gebaar tijdens het afgelopen seizoen tegen andere leden, waardoor er veel wrevel en ongenoegen heerste en diverse leden aangaven hier niet meer van gediend te zijn en als deze maatregel niet genomen zou worden zij de vereniging zullen verlaten met als gevolg dat de vereniging 1657 dan gedoemd zou zijn zich te ontbinden. Daar veel van de resterende leden al een ver gevorderde leeftijd hebben zal dit voor deze leden het einde van hun hobby betekenen.”
Op 24 april 2013 heeft opnieuw een algemene ledenvergadering plaatsgevonden tijdens welke vergadering (opnieuw) over het lidmaatschap van [appellanten] is gestemd.
In een e-mail van 3 juli 2013 heeft Van Cortenberghe [appellanten] laten weten dat er geen duiven meer in STZ kunnen worden aangeboden.
In een uitspraak van het Tucht- en Geschillencollege NPO van 18 juli 2013 is onder meer opgenomen: “De statuten en reglementen zijn in ernstige mate veronachtzaamd. De instelling van een A en B poule is op onrechtmatige wijze tot stand gekomen en dient direct te worden opgeheven en wel met terugwerkende kracht. Het moet voor de combinatie [achternaam] mogelijk zijn hun sport in Snel tot Ziens op een normale manier, zoals voor alle andere leden geldt, te kunnen beoefenen”.
[appellanten] hebben hun duiven tijdelijk bij de postduivenvereniging Barendrecht kunnen aanbieden.

4.

[appellanten] vorderen in dit geding dat STZ wordt veroordeeld de royementsbesluiten van 4 maart 2013, 18 maart 2013 en 24 april 2013 in te trekken en [appellanten] te behandelen als waren zij niet geroyeerd. Zij vorderen voorts dat STZ wordt veroordeeld NPO te berichten dat zij niet zijn geroyeerd en dat zij beschouwd moeten worden als nimmer geroyeerd te zijn geweest. Zij vorderen voorts voldoening van een voorschot op de vergoeding van de door hen geleden schade van € 750,-. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afgewezen wegens het ontbreken van spoedeisend belang. Voorts heeft de voorzieningenrechter overwogen dat niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat [appellanten] niet op rechtsgeldige wijze zijn geroyeerd, terwijl tot slot een belangenafweging niet zou leiden tot toewijzing van het gevorderde.
5.

[appellanten] hebben tegen dit vonnis 10 grieven geformuleerd en toegelicht en concluderen dat hun vordering alsnog wordt toegewezen.
6.

De grieven 1 tot en met 4 richten zich tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat een spoedeisend belang bij de vordering ontbreekt. Het hof is van oordeel dat het spoedeisend belang bij de vorderingen die betrekking hebben op het royement, gegeven is aangezien [appellanten] hun activiteiten binnen het verband van STZ willen uitvoeren met alle mogelijkheden die dat meebrengt en dit hun thans onmogelijk wordt gemaakt. [appellanten] hebben er in dat verband onder meer op gewezen dat zij ook betrokken willen zijn bij het (vormen van het) beleid van STZ en dat de door hen ingediende klachten bij NPO niet in behandeling worden genomen zolang zij geen lid zijn. Het hof voegt daaraan toe dat [appellanten] ook in hoger beroep hebben aangevoerd dat zij niet bij een andere vereniging kunnen “inkorven”. Ook als moet worden aangenomen dat de echtgenote van een van appellanten lid is geworden van de postduivenvereniging Barendrecht, neemt dat het spoedeisend belang van [appellanten] om zelf als lid van STZ te worden behandeld, niet weg. De grieven 1 tot en met 4 slagen aldus, zodat het hof tot een inhoudelijke beoordeling van de vordering zal overgaan. Het hof zal het spoedeisend belang van de vordering tot vergoeding van (een voorschot op) de schade hierna zonodig afzonderlijk beoordelen.
7.

Grieven 5 tot en met 8 hebben betrekking op het oordeel van de voorzieningenrechter dat niet met de voor een kort geding vereiste mate van zekerheid kan worden vastgesteld dat in een bodemprocedure zal worden geoordeeld of [appellanten] al dan niet op rechtsgeldige wijze zijn geroyeerd. Het hof oordeelt daarover als volgt.
8.

Uit artikel 2:35 BW lid 1 BW volgt dat het lidmaatschap van een vereniging (onder meer) eindigt door opzegging door de vereniging of door ontzetting. In het besluit van 18 maart 2013 is sprake van de “beëindiging van het lidmaatschap” en van een “maatregel” die onmiddellijk in gaat. Op de stembriefjes van de vergadering van 24 april 2013 wordt gesproken van de “beëindiging / royement” van (het lidmaatschap van) [appellanten] . Ook in de memorie van antwoord wordt gesproken over het royement van [appellanten] , terwijl namens STZ ter comparitie is aangegeven dat het zowel om een ontzetting als om een opzegging gaat.
9.

Ontzetting uit het lidmaatschap is een bestraffende vorm van opzegging en kan volgens artikel 2:35 lid 3 BW alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van devereniging handelt, of wanneer een lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Deze wettelijke regeling is van dwingend recht. In het besluit van 18 maart 2013 is als reden voor de beëindiging van het lidmaatschap opgenomen “het uiten doormiddel van woord en gebaar tijdens het afgelopen seizoen tegen andere leden, waardoor er veel wrevel en ongenoegen heerste”. Dat [appellanten] hiermee in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van STZ hebben gehandeld, is door STZ niet gesteld en is hier ook overigens niet uit af te leiden. Evenmin is uit hetgeen door STZ naar voren is gebracht af te leiden dat STZ door [appellanten] op onredelijke wijze is benadeeld. STZ stelt dit ook niet met zoveel woorden. Dat er voor het besluit dat op 24 april 2013 is genomen andere gronden waren dan zojuist besproken is evenmin door STZ gesteld. Van ontzetting uit het lidmaatschap kan dus geen sprake zijn.
10.

Uit artikel 2:35 lid 2 BW volgt dat de vereniging het lidmaatschap kan opzeggen in de gevallen in de statuten genoemd, en voorts wanneer het lid heeft opgehouden aan de vereisten door de statuten voor het lidmaatschap gesteld, te voldoen, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Het hof stelt voorop dat de wet op geen enkele wijze de vrijheid beperkt om in de statuten gevallen op te nemen waarin door de vereniging het lidmaatschap kan worden opgezegd. STZ heeft van die vrijheid gebruik gemaakt door in haar statuten op te nemen dat op voordracht van de meerderheid van het bestuur door een algemene vergadering met een besluit van 2/3 meerderheid tot royement van een lid kan worden overgegaan. Nu de aanduiding royement niet nader is gedefinieerd, zal het hof ervan uitgaan dat daarmee ook opzegging is bedoeld. In beginsel stond het STZ dus vrij, zoals [appellanten] ook niet gemotiveerd betwisten, om met een 2/3 meerderheid van de leden en op voordracht van de meerderheid van het bestuur over te gaan tot opzegging van het lidmaatschap van [appellanten] .
11.

Uit artikel 2:36 lid 1 BW volgt evenwel dat opzegging slechts kan geschieden tegen het eind van het boekjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vier weken. Onmiddellijke opzegging kan plaatsvinden indien redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. Dat van dit laatste sprake is, heeft STZ niet gesteld, zodat de opzegging in beginsel slechts tegen het eind van het boekjaar, dat in dit geval gelijk is aan het kalenderjaar (artikel 2:10a BW), had kunnen plaatsvinden. Uit artikel 2:36 lid 2 BW volgt evenwel dat een opzegging in strijd met het in artikel 2:36 lid 1 BW bepaalde, het lidmaatschap doet eindigen op het vroegst toegelaten tijdstip volgende op de datum waartegen was opgezegd. Dat betekent dat, wanneer aan de overige eisen is voldaan, de opzegging het lidmaatschap van [appellanten] zou hebben beëindigd per 31 december 2013.
12.

STZ heeft ter comparitie gesteld dat zij zich primair op het besluit van 24 april 2013 beroept. [appellanten] hebben niet gesteld dat er geen voordracht van de meerderheid van het bestuur was, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Partijen twisten over de vraag of tijdens de vergadering op 24 april 2013 sprake is geweest van een 2/3 meerderheid. Partijen betogen over en weer dat de stemming met ernstige onregelmatigheden gepaard is gegaan en dat stembriefjes zijn vervalst. Het hof is met de voorzieningenrechter van oordeel dat nader onderzoek nodig is om de vraag te kunnen beantwoorden of van een 2/3 meerderheid van de stemmen sprake is geweest. De verklaringen van partijen over de uitgebrachte stemmen staan immers diametraal tegenover elkaar. Dergelijk onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Anders dan [appellanten] betogen, betekent dit niet dat hun vordering dus moet worden toegewezen. In dit kort geding moet immers, zoals de voorzieningenrechter terecht voorop heeft gesteld, beoordeeld worden of met voldoende mate van zekerheid is komen vast te staan dat de vordering in de bodemprocedure zal worden toegewezen, om een voorlopige maatregel te rechtvaardigen. Die mate van zekerheid kan met betrekking tot de vraag of er al dan niet een 2/3 meerderheid was, niet worden gevonden.
13.

[appellanten] hebben aangevoerd dat de vergadering op 24 april 2013 in strijd met het bepaalde in artikel 30 lid 4 van het huishoudelijk reglement op kortere termijn dan 30 dagen na oproeping heeft plaatsgevonden. STZ heeft echter terecht aangevoerd dat van deze termijn op grond van het bepaalde in artikel 30 lid 5 van het huishoudelijk reglement kan worden afgeweken indien het bestuur dit noodzakelijk acht. Deze bepaling geeft het bestuur een vrij ruime beoordelingsvrijheid om al dan niet tot verkorting van de termijn van 30 dagen te besluiten, van welke bevoegdheid het bestuur kennelijk gebruik heeft gemaakt.
14.

De conclusie van het bovenstaande is dat, hoewel de procedurele gang van zaken bepaald niet de schoonheidsprijs verdient, niet met een voldoende mate van zekerheid kan worden aangenomen dat in de bodemprocedure de vordering van [appellanten] zal worden toegewezen. Ook wanneer moet worden aangenomen dat het besluit van 18 maart 2013 nietig of vernietigbaar is, geldt dat op grond van het besluit van 24 april 2013 de opzegging in stand zou kunnen blijven als er een 2/3 meerderheid blijkt te zijn, zij het tegen 31 december 2013. Dat betekent dat er in ieder geval thans, nu de datum van 31 december 2013 is verstreken, onvoldoende grond is op een veroordeling in een bodemprocedure in kort geding vooruit te lopen. Het feit dat het Tucht- en geschillencollege NPO in haar oordeel van 18 juli 2013 heeft geoordeeld dat de statuten en reglementen in ernstige mate zijn veronachtzaamd maakt dit niet anders nu dit oordeel blijkens de tekst vooral betrekking had op de instelling van een A en een B poule.
15.

De grieven 5 tot en met 8 falen dus. Nu de vorderingen die betrekking hebben op het royement niet kunnen worden toegewezen, geldt datzelfde voor de vordering met betrekking tot het voorschot op de schadevergoeding. Grief 9 stuit daarop af. Grief 10 richt zich tegen de proceskostenveroordeling en stuit eveneens op het bovenstaande af. Het vonnis van de voorzieningenrechter zal dus worden bekrachtigd.
16.

[appellanten] zullen als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding.

Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam van 5 november 2013;
  • veroordeelt [appellanten] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van STZ tot op heden begroot op € 683,- aan verschotten en € 1.788,- aan salaris advocaat;
  • verklaart dit arrest ten aanzien van de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Arubaanse vereniging – royement

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 1 juli 2015

ECLI:NL:OGEAA:2015:152

Royement bij Arubaanse vereniging. Royement wordt in stand gelaten.
“De ongefundeerde uitlatingen in de pers over banden van (toenmalig) bestuurslid [NAAM] met FARC (noot: de terroristische organisatie) vormden op zichzelf al een gedraging die door Seppa opgevat kon worden als opzettelijk handelen tegen de belangen van Seppa en voldoende grond voor royement opleverde.”

VONNIS
in de zaak tussen:
A ,  eiser,
tegen:
de vereniging SINDICATO DI EMPLEADONAN PUBLICO Y PRIVA DI ARUBA ,
hierna ook te noemen: “Seppa”,

1DE PROCEDURE

1.1

Het verloop van de procedure tot en met 15 januari 2014 blijkt uit het tussenvonnis van die datum. Op 25 maart 2014 heeft vervolgens een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarna partijen nog hebben gere- en dupliceerd.
1.2

Vonnis is nader bepaald op heden.

2DE VASTSTAANDE FEITEN

2.1

Seppa is een werknemersvereniging. A is een (voormalig) lid van Seppa.
2.2

Artikel 7 aanhef en onder c van de statuten van Seppa bepaalt:
“ Het lidmaatschap eindigt door:
(..) royement door het Uitvoerend comité op grond van handelingen van het lid die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen of het doel van de vereniging, betrokkene kan binnen 30 dagen, nadat hij van zijn royement op de hoogte is gebracht, in beroep gaan bij het Bestuur. Het Bestuur beslist in zijn eerstvolgende zitting, doch binnen 60 dagen en doet van zijn beslissing schriftelijk mededeling aan betrokkene en aan het Uitvoerend comité; Het Uitvoerend comité gaat akkoord met de beslissing van het Bestuur of wijst de beslissing af. Het Lid kan in beroep gaan bij de rechter. 

2.3

Artikel 5 van het Huishoudelijk Reglement van Seppa bepaalt:
“ a. Royeren van een lid geschiedt door het Uitvoerend Comite op grond van handelingen van het lid die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen of het doel van de vereniging.
b. Zodanig lid kan binnen een maand, nadat hij een met redenen omkleed schrijven het royement is medegedeeld beroep tekenen, die zo spoedig mogelijk in haar eerstvolgende zitting een beslissing neemt. Het geroyeerde lid heeft het recht persoonlijk zijn standpunt toe te lichten, waarna eenmaal gerepliceerd mag worden. Terstond lid kan door de voorzitter het woord ontnomen worden, indien hij/haar zijn/haar standpunt niet met gematigdheid uiteenzet.
c. Tot aan de dag waarop het Uitvoerend Comite zal hebben beslist, wordt geacht dat het royement van kracht is.
d. Een geroyeerde lid wordt de toegang ontzegt tot de gebouwen van S.E.P.P.A. m.u.v. de handelingen betreffende lid b. 

2.4

A heeft op 1 december 2009 een persconferentie belegd met als doel het aan het licht brengen van misstanden binnen CAPA, zijnde de cooperatieve spaar- en kredietvereniging van Seppa. A heeft tijdens die persconferentie verklaard dat [NAAM], toenmalig secretaris van CAPA, hem ter uitvoering van een opdracht van de veiligheidsdienst Aruba had benaderd met de mededeling dat hij op zoek was naar inlichtingen over [NAAM], toenmalig bestuursvoorzitter van Seppa (hierna: [NAAM]). [NAAM] zou US$ 200.000,00 van CAPA hebben doorgesluisd naar de FARC. A heeft aan die verklaring toegevoegd dat lang daarvoor, toen A en [NAAM] nog vrienden waren, [NAAM] aan A heeft gevraagd om twee enveloppen voor hem in Colombia af te geven aan een aan de FARC gelieerde journalist en dat A dit toen geweigerd. A heeft van een en ander melding gemaakt bij het openbaar ministerie en de Centrale bank.
2.5

Bij vonnis in kort geding van dit gerecht van 6 januari 2010 is A veroordeeld om tot de volgende rectificatie in twee dagbladen over te gaan:
“ Ami, A, durante e conferencia di prensa riba di 1 december 2009, a haci incorrectamente mencion die e informacion cu mi a tende cu Gregorio [NAAM] lo a financia FARC ku un suma die US$ 200.000,- procedent di CAPA. Mi no a verifica si e informacion aki ta correcto, pa cual motibo no por ser determina ku e informacion aki ta correcto. 
Dit naar aanleiding van het feit dat verschillende radiostations opnamen van bedoelde persconferentie hadden uitgezonden en verschillende kranten over die persconferentie hadden gepubliceerd dat [NAAM] via CAPA de FARC in Colombia heeft gefinancieerd. CAPA is. A is vervolgens tot rectificatie overgegaan.

2.6

Bij brief gedateerd 26 mei 2011 is namens Seppa het volgende aan A medegedeeld:
“(..) U heeft op verschillende momenten handelingen verricht die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen en het doel van de vereniging. U heeft keer op keer de media gezocht en getracht cliënte te beschadigen. Voorts heeft u zelfs een lid van het bestuur beschuldigd van banden met een terroristische organisatie.
Gezien het bovenstaande heeft het Uitvoerbaar Comité, hiermede mede uitvoering gevende aan het verzoek van het Congres van 8 december 2010, besloten u per direct te royeren.
U heeft 30 dagen na ontvangst van dit schrijven 30 dagen om van deze beslissing in beroep te gaan bij het bestuur. 

2.7

Dit gerecht heeft bij vonnis van 9 januari 2013 de beslissing van het Bestuur op het beroep tegen het royementsbesluit vernietigd en het royementsbesluit van het Uitvoerend Comité tot het moment dat opnieuw door het Bestuur op het hoger beroep is beslist. Het gerecht heeft daartoe overwogen dat uit artikel 5 sub b van het Huishoudelijk Reglement van Seppa blijkt dat het geroyeerde lid het recht heeft persoonlijk zijn standpunt toe te lichten, terwijl aan A die mogelijkheid niet werd geboden en de beslissing van het bestuur op het hoger beroep niet zorgvuldig tot stand was gekomen.
2.8

Naar aanleiding van voornoemd vonnis heeft alsnog een hoorzitting plaatsgevonden.
2.9

Bij brief gedateerd 24 april 2013 heeft het bestuur van Seppa aan A medegedeeld:
“ Despues di scucha sr. A bestuur no wak motibo di cambia e decision pa royeer sr. A. 

2.10

Bij brief gedateerd 9 mei 2013 heeft het Uitvoerend Comité van Seppa aan A medegedeeld:
“ Het Uitvoerend Comitee heeft kennis genomen van de beslissing van het bestuur van 24 april 2013. Het Uitvoerend Comitee ziet dan ook geen reden om op haar eerdere besluit terug te komen.
Conform art. 7 aanhef + lid c van de Statuten heeft u recht in beroep te gaan bij de rechter. 
3. DE VORDERING
3.1

A vordert, samengevat, na vermindering van eis, dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de beslissing van 9 mei 2013 van Seppa, inhoudende het royement van A, zal vernietigen en zal bepalen dat Seppa dienaangaande opnieuw zal dienen te beslissen, alsmede zal bepalen dat A, totdat opnieuw zal zijn beslist door het bestuur van Seppa, nog lid zal zijn van Seppa, met veroordeling van Seppa in de proceskosten.
3.2

A legt samengevat het volgende betoog ten grondslag aan zijn vordering. De beslissing tot royement ontbeert een deugdelijke motivering, waardoor het A nog steeds niet duidelijk is geworden welke daden tot het besluit hebben geleid. Verenigingen zijn gebonden aan de eisen van een deugdelijk bestuur en behoren hun besluiten deugdelijk te motiveren. Voor zover het verwijt betrekking heeft op de de banden van het lid [NAAM] met een terroristische organisatie, geldt dat er reeds rehabilitatie middels rectificatie heeft plaatsgevonden, waarmee die kwestie reeds begin 2010 is afgedaan. Mede gelet op het tijdsverloop had dit verwijt niet meer aan een royement ten grondslag gelegd mogen worden. Voorts had A op goede gronden melding gemaakt van zijn kennis bij het openbaar ministerie en de Centrale Bank. A erkent in een aantal gevallen woordelijk uitlatingen te hebben gedaan in de media, maar die uitlatingen zijn niet beledigend of grievend geweest jegens Seppa of haar bestuurders. Een en ander levert onvoldoende grond op voor royement. Tijdens het congres van 8 december 2010 is er gesproken over het royement van A, terwijl dit onderwerp in strijd met het huishoudelijk reglement niet op de agenda was geplaatst. De royementsbeslissing dient als buiten proportioneel aangemerkt te worden.
3.3

Seppa voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering, met veroordeling van A in de proceskosten. Seppa voert samengevat het volgende verweer. De royementsbeslissing is voldoende gemotiveerd. De bedoelde uitspraken in de media volgen uit eerdergenoemd vonnis in kort geding, op grond waarvan A zijn uitspraken heeft moeten rectificeren. Voorts heeft A op de radio op verschillende momenten [NAAM], mevrouw [NAAM] en Seppa aangevallen. Dit blijkt ook uit de notulen van de jaarvergadering van december 2010. A is daarna doorgegaan met de aanvallen, zoals ook blijkt uit een artikel van een veelgelezen nieuwssite Top 95FM/Boletinextra van 20 mei 2011, waarin als kop staat “ A Seppa a pidi’e pa subi pista di airport cu 20 hende ora American Airlines baha ”. De beslissing waarvan beroep was voldoende gemotiveerd en A kende de motivering.
3.4

Op de stellingen van partijen zal in de beoordeling, voor zover nodig, nader worden ingegaan.

4DE BEOORDELING

4.1

Vaststaat dat A uiteindelijk is gehoord ten aanzien van de beslissing tot royement. A heeft niet weersproken dat hem tijdens de hoorzitting is gevraagd waarom hij verschillende keren naar de media is gegaan zonder de kwestie eerst intern aan te kaarten. Daaruit volgt dat aan A voldoende gelegenheid van hoor en wederhoor is geboden. A heeft voorts niet weersproken dat hij als enige reactie heeft opgemerkt dat hij bewijzen wilde zien en aangaf dat hij de beschuldigingen aangaande de terroristische banden had vernomen van een ander en dat hij vrijheid van meningsuiting had. A heeft nog aangevoerd dat voor aanvang van het congres van 8 december 2010 het royement van A niet als agendapunt is ingediend, hetgeen de rechtmatigheid van de royementsbeslissnig aantast. Het gerecht volgt A daar niet in, omdat een eventueel gebrek in de besluitvorming op genoemd congres niet de uiteindelijke beslissing van Seppa raakt om tot royement over te gaan, nu bij die besluitvorming de statutaire bepalingen (wel) in acht zijn genomen.
4.2

Het gerecht is van oordeel dat het besluit tot royement ook voldoende is gemotiveerd en het A ook voldoende duidelijk moet zijn geweest om welke redenen hij is geroyeerd. A heeft immers niet weersproken dat hij zich meerdere malen kritisch in de pers heeft uitgelaten over – naar zijn zeggen – misstanden bij Seppa en diens toenmalige bestuurder [NAAM]. Dat A van mening is dat hij dit altijd op een behoorlijke wijze heeft gedaan, doet er niet aan af dat hij had kunnen en behoren te weten dat het ging om de door hemzelf in de pers gedane kritische uitlatingen over Seppa. A heeft voorts erkend dat het verwijt terzake de terroristische banden voldoende kenbaar voor hem was.
4.3

Het gerecht is tevens van oordeel dat Seppa vanwege de in het royementsbesluit genoemde redenen in redelijkheid heeft kunnen beslissen om A te royeren als lid van Seppa. De ongefundeerde uitlatingen in de pers over banden van (toenmalig) bestuurslid [NAAM] met FARC vormden op zichzelf al een gedraging die door Seppa opgevat kon worden als opzettelijk handelen tegen de belangen van Seppa en voldoende grond voor royement opleverde. Van A had verwacht mogen worden om zijn uitlatingen te staven met feiten en de op het spel staande naam van Seppa af te wegen alvorens naar de pers te stappen. Dat A naar aanleiding van een vonnis uiteindelijk tot rectificatie is overgegaan, maakt niet dat Seppa geen gevolgen kon verbinden aan de uitlatingen van A. A is daarna, zoals hij zelf heeft erkend, bovendien doorgegaan met het zich in de pers kritisch uitlaten over Seppa, hetgeen Seppa heeft mogen opvatten als het opzettelijk (verder blijven) handelen tegen de belangen van Seppa, naar aanleiding waarvan Seppa in redelijkheid tot het royement van A heeft kunnen en mogen besluiten. A heeft overigens weliswaar weersproken dat hij de door Top 95 FM/Boletinextra weergegeven uitlatingen heeft gedaan, maar aan die ontkenning kan thans weinig waarde worden gehecht, nu A zich toen blijkens die berichtgeving met foto kennelijk wel namens Seppa in de pers heeft uitgelaten en gesteld noch gebleken is dat A zich na publicatie heeft gedistantieerd van het nieuwsbericht. Seppa heeft die berichtgeving gelet op de inhoud ook als schadelijk voor haar goede naam kunnen en mogen opvatten.
4.4

Concluderend is het gerecht van oordeel dat de beslissing tot royement voldoende zorgvuldig en (uiteindelijk) met inachtneming van de statuten en het reglement tot stand gekomen, waardoor de vordering van A afgewezen dient te worden.
4.5

[…]

5DE BESLISSING

De rechter in dit gerecht, recht doende:
5.1

wijst de vordering af; […]

Royement en quorum ALV (Noeroel Islam)

Rechtbank Den Haag 22 juni 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:7111


ALV wordt gehouden op verzoek van een groep leden, deze leden worden tijdens de ALV geroyeerd. ALV is daartoe bevoegd. Echter, de artikel 19 van de statuten bepaalt dat:
1. Een ledenvergadering kan alleen besluiten nemen, wanneer tenminste zevenenzestig pocent (67%) van het aantal stemgerechtigde leden aanwezig is en slechts over onderwerpen, in de oproeping vermeld.” 
Op de eerste vergadering op 28 december is aan geen van beide eisen voldaan. De statuten bepalen voor dat geval:
” 3. Is aan de vereisten, genoemd in het eerste lid, niet voldaan, dan beslist een opzettelijk daartoe bijeengeroepen volgende ledenvergadering, welke niet later dan dertig dagen na de eerste vergadering wordt gehouden, met gewone meerderheid van de alsdan uitgebrachte geldige stemmen.” 

Op 18 januari wordt een tweede vergadering gehouden, waar ook niet 67% van de leden aanwezig is. Volgens de kortgedingrechter is ook de tweede vergadering dus ongeldig, er zou nog een tweede vergadering als bedoeld in lid 3 moeten worden gehouden. M.i. valt de ALV van 18 januari reeds als een geldige vergadering als bedoeld in lid 3 aan te merken. 
Vervolgens is de vraag of lid 3 nu beoogt een afwijkend quorum te geven of een lagere meerderheid, maar dat komt in de uitspraak niet aan de orde. 

Vonnis in kort geding van 22 juni 2015
in de zaak van
1[A] – 4. [D], eisers, tegen:

de verenging met volledige rechtsbevoegdheid
Haagse Moslim-Vereniging “Noeroel Islam”(Ahle Soennat Wal Jamaat Hanafie),
gedaagde,

Partijen worden hierna aangeduid als respectievelijk [A] c.s. en de Vereniging.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– de dagvaarding met producties;
– de door gedaagde overgelegde producties;
– de op 8 juni 2015 gehouden mondelinge behandeling, waarbij door eide partijen pleitnotities zijn overgelegd.

1.2.

Ter zitting is vonnis bepaald op heden.

2De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

2.1.

In de statuten van de Vereniging (hierna: de statuten) is, voor zover nu relevant, het volgende bepaald:
“(…)
DOEL.
Artikel 3.
Het doel van de vereniging is:
a. het bevorderen van godsdienstige, culturele en sociale belangen der Moslims, alsmede van de betrekking met andere gelijksoortige nationale en internationale organen en instellingen;
b. het bevorderen van de studie van de Islam;
c. het prediken, verkondigen en verbreiden van de Islamitische leer zoals zij is vastgesteld in de Heilige Koran en de overlevering van de heilige profeet Mohamed;
d. het oprichten en instand-houden van moskeën, scholen, bibliotheken en bejaardencentra;
e. het bevorderen van goede intergodsdienstige betrekkingen.
(…)
LEDEN
Artikel 6.
De vereniging bestaat uit:
a. leden;
(…)
Alleen leden hebben stemrecht en elk lid heeft één stem.
(…)
Artikel 8.
Leden zijn zij die een bij huishoudelijk reglement vastgestelde maandelijkse contributie aan de verenigingvoldoen.
(…)
LIDMAATSCHAP.
(…)
Artikel 13.
Het lidmaatschap gaat verloren door:
1. (…)
d. royering (ontzetting)
(…)
4. Leden wier gedrag in strijd is met deze statuten en de op grond daarvan vastgestelde reglementen kunnen door het bestuur of de Algemene ledenvergadering worden geroyeerd.
5. In geval van royement door het bestuur vereist die bestuursdaad op de eerstvolgende ledenvergadering de goedkeuring van de Algemene ledenvergadering. Blijft de goedkeuring achterwege of wordt de goedkeuring geweigerd dan wordt die bestuursdaad geacht nooit te zijn verricht.
6. Degenen ten aanzien van wie een besluit tot royement is genomen worden ten spoedigste hiervan schriftelijk en met opgaaf van reden(en) door het bestuur in kennis gesteld.
7. In geval van royement door het bestuur zijn de desbetreffende personen gerechtigd om binnen een maand nadat zij daarvan schriftelijk in kennis zijn gesteld, daartegen schriftelijk in verzet te komen bij de Algemene ledenvergadering, die alsdan in hoogste instantie beslist.
8. Gedurende deze verzetsprocedure wordt de werking der royering opgeschort totdat omtrent in hoogste instantie finaal is beslist.
9. Tegen royement door de Algemene ledenvergadering is geen verzet mogelijk.
(…)
BUITENGEWONE LEDENVERGADERINGEN .
Artikel 18.
Buitengewone ledenvergaderingen worden gehouden wanneer het bestuur of tenminste vijfentwintig stemgerechtigde leden dit nodig oordelen. In het laatste geval worden de te behandelen punten schriftelijk door de bedoelde leden ingediend bij het bestuur, dat verplicht is binnen één maand na ontvangst daarvan de buitengewone ledenvergadering te beleggen. Geeft het bestuur aan zodanig verzoek geen gevolg dan hebben de bedoelde leden het recht zelf tot het beleggen van de verzochte vergadering over te gaan. De roeping voor de vergadering geschiedt overeenkomstig het bepaald in artikel 17. lid 1.
Artikel 19.
1. Een ledenvergadering kan alleen besluiten nemen, wanneer tenminste zevenenzestig pocent (67%) van het aantal stemgerechtigde leden aanwezig is en slechts over onderwerpen, in de oproeping vermeld.
2. (…)
3. Is aan de vereisten, genoemd in het eerste lid, niet voldaan, dan beslist een opzettelijk daartoe bijeengeroepen volgende ledenvergadering, welke niet later dan dertig dagen na de eerste vergadering wordt gehouden, met gewone meerderheid van de alsdan uitgebrachte geldige stemmen.
(…)”

2.2.

Bij brief van 5 december 2014 hebben [A] c.s., namens meer dan vijfentwintig stemgerechtigde leden van de Vereniging, het bestuur van de Vereniging verzocht een buitengewone ledenvergadering uit te schrijven omdat, blijkens die brief, “zij zich geruime tijd ernstige zorgen maken op het voor hun op feiten gebaseerde signalen van onverantwoord besturen van de vereniging.” In de brief staat voorts vermeld dat “een belangrijk onderdeel van deze argumenten zijn gebaseerd op feiten m.b.t. financieel wanbeheer van de vereniging en bestuursbesluiten die zonder statutaire draagvlak genomen worden.” [A] c.s. verzoeken het bestuur een aantal concrete, in de brief genoemde, agendapunten te agenderen.
2.3.

Bij brief van 11 december 2014 heeft het bestuur een “Oproep BLV 28 december 2014” verzonden. In die brief staat, voor zover nu relevant, vermeld:
“(…)
U bent hierbij uitgenodigd voor een Bijzondere Ledenvergadering (BLV) die op zondag 28 december 2014 zal worden gehouden (…).

Deze BLV wordt georganiseerd n.a.v. een verzoek tot BLV van onze leden waarbij bepaalde aantijgingen zijn gedaan naar het bestuur, haar leden en vrijwilligers.

De agenda:

1. Opening / Dua
2. Vaststelling Agenda
3. Inhoudelijke punten conform ingekomen brief d.d. 09-12-2014 (Bijlage 1)
4. Ingekomen stuk d.d. 24-11-2014 en daarbij behorende maatregel (Bijlage 2)
5. Rondvraag
6. Sluiting / Dua

(…)”

2.4.

Tijdens de ledenvergadering van 28 december 2014 is een voorstel besproken om [A] c.s. als leden van devereniging te royeren. Dit voorstel is in stemming gebracht en 47 leden hebben voor royement gestemd, 30 tegen en 1 lid heeft zich van stemming onthouden.
2.5.

Op 18 januari 2015 heeft een buitengewone ledenvergadering plaatsgevonden. Het voorstel om tot royement van [A] c.s. over te gaan stond in de oproep voor die vergadering vermeld.
2.6.

Bij brief van 23 januari 2015 hebben de voorzitter en secretaris van de Vereniging [A] c.s. geïnformeerd over de uitslag van de stemming over het royement tijdens de ledenvergadering van 18 januari 2015. In die brief staat vermeld dat 68 leden van de Vereniging voor het royement en 32 leden van de Vereniging tegen het royement hebben gestemd. Voorts is in die brief aan [A] c.s. medegedeeld dat zij met ingang van 18 januari 2015 zijn geroyeerd als lid van de vereniging, dat zij niet meer actief kunnen deelnemen aan verenigingsactiviteiten en bijeenkomsten georganiseerd door derden binnen de Vereniging, maar dat zij wel nog welkom zijn als gebedsparticipant.

3Het geschil

3.1.

[A] c.s. vorderen – zakelijk weergegeven –:
I. (het bestuur van) de Vereniging te verbieden [A] c.s. de toegang tot de verenigingsactiviteiten en bijeenkomsten van de Vereniging te ontzeggen;
II. (het bestuur van) de Vereniging te verbieden [A] c.s. te beperken in hun rechten uit hoofde van het lidmaatschap van de Verenging;
III. (het bestuur van) de Verenging te gebieden [A] c.s. onverwijld weer ongehinderd en onbelemmerd tot de verenigingsactiviteiten en de bijenkomsten georganiseerd door derden binnen de Vereniging toe te laten en [A] c.s. op de gebruikelijke wijze als volwaardig lid van de Vereniging te behandelen;
alles op straffe van een dwangsom van € 1.000,= per dag dat Vereniging in gebreke is, tot een maximum van € 100.000,= en met veroordeling van de Vereniging in de kosten van deze procedure, inclusief de nakosten.

3.2.

Daartoe voeren [A] c.s. samengevat het volgende aan. Het besluit tot royement dat op de vergadering van 18 januari 2015 is genomen (hierna: het besluit) is op grond van artikel 2:14 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) nietig, althans op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar, wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen en wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid krachtens welke de leden en de algemene ledenvergadering zich jegens elkaar moeten gedragen. Het besluit heeft verstrekkende gevolgen voor [A] c.s., omdat zij daardoor worden uitgesloten van de faciliteiten die de Vereniging hen biedt en waarvan [A] c.s. al jarenlang gebruikmaken. [A] c.s. worden rechtstreeks geraakt in hun geloofsbeleving. [A] c.s. voelen zich verknocht met de Vereniging en hebben er een spoedeisend belang bij om als volwaardig lid van de Vereniging te worden toegelaten.
3.3.

De Vereniging voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4De beoordeling van het geschil

4.1.

De Vereniging heeft allereerst betwist dat [A] c.s. een spoedeisend belang bij hun vordering hebben, omdat zij een andere moskee in de buurt kunnen bezoeken en ook nog bij de Vereniging welkom zijn om (passief) deel te nemen aan de dagelijkse gebeden en verenigingsactiviteiten. [A] c.s. hebben echter hun spoedeisend belang bij de vordering voldoende aannemelijk gemaakt en kunnen daarom worden ontvangen in hun vorderingen. De voorzieningenrechter acht hierbij relevant dat [A] c.s. hebben gesteld dat hun gehele families (kleinkinderen, kinderen, ouders, grootouders) lid zijn van de Vereniging en dat het uiterst pijnlijk is als hun band met de Vereniging wordt doorbroken. Dit zou, volgens onweersproken stelling, namelijk als gevolg hebben dat zij (bijvoorbeeld) dan niet meer deel kunnen nemen aan de rituelen die binnen de Vereniging plaatsvinden bij overlijden van een naast familielid.
4.2.

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de statuten kan een ledenvergadering alleen besluiten nemen indien (i) tenminste 67% van het aantal stemgerechtigde leden aanwezig is en (ii) slechts over onderwerpen die in de oproeping worden vermeld. Dit artikel geldt naar het oordeel van de voorzieningenrechter zowel voor de algemene ledenvergadering als bedoeld in artikel 17 van de statuten, als voor de buitengewone ledenvergadering als bedoeld in artikel 18 van de statuten. In artikel 19 wordt immers uitsluitend gesproken over “een ledenvergadering” en wordt de toepassing van deze bepaling niet beperkt tot de algemene of de bijzondere ledenvergadering. Nu een royement van [A] c.s. niet in de oproeping voor de vergadering van 28 december 2014 stond vermeld, staat vast – voor zover dat tussen partijen nog in geschil is – dat op die vergadering geen besluit genomen kon worden over dat royement.
4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat het royement van [A] c.s. in de oproeping voor de vergadering van 18 januari 2015 stond vermeld, zodat aan één van de twee vereisten voor het nemen van een besluit over het royement op die vergadering is voldaan. [A] c.s. hebben echter onweersproken gesteld dat de Verenging ongeveer 1000 leden heeft. Nu blijkens de door de Vereniging overgelegde notulen van de vergadering van 18 januari 2015 bij die vergadering 111 leden zijn verschenen (waarvan – gezien de inhoud van de brief van 23 januari 2015 – kennelijk slechts 100 leden hebben gestemd) staat vast dat op die vergadering niet tenminste 67% van het aantal stemgerechtigde leden aanwezig was. Derhalve kon de ledenvergadering ook tijdens de vergadering van 18 januari 2015 geen geldig besluit nemen over het royement van [A] c.s. Teneinde alsnog een rechtsgeldig besluit te kunnen nemen over het royement, had ingevolge lid 3 van artikel 19 van de statuten nogmaals een ledenvergadering bijeen geroepen moeten worden. Dat is niet gebeurd.
4.4.

Gezien het vorenstaande moet worden geoordeeld dat het besluit in strijd met de statuten tot stand is gekomen en dientengevolge, op grond van artikel 2:14 BW nietig is. Derhalve komt de voorzieningenrechter tot de conclusie dat de bodemrechter met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid het litigieuze besluit niet in stand zal laten en dat er in beginsel geen grond is [A] c.s. te belemmeren in de uitoefening van de rechten die zij als lid van de Verenging hebben. Dit zou anders kunnen zijn indien, gezien de feitelijke situatie, in redelijkheid van de Vereniging niet gevergd kan worden dat zij [A] c.s. tot verenigingsactiviteiten toelaten. Het had op de weg van de Vereniging gelegen om dat aannemelijk te maken. Daarin is zij niet geslaagd. Gebleken is weliswaar dat er sprake is van onenigheid binnen de Vereniging tussen, in elk geval, [A] c.s. en het bestuur van de Vereniging, maar – mede nu [A] c.s. nog wel worden toegelaten als gebedsparticipant – geenszins gebleken is dat de aard van dit conflict van zodanige aard is dat van de Vereniging in redelijkheid niet gevergd kan worden dat zij [A] c.s. nog langer toe laat tot Verenigingsactiviteiten. Een kritische benadering van het bestuur door [A] c.s. is voor dergelijke zwaarwegende maatregelen ontoereikend.
4.5.

Het voorgaand leidt, in ogenschouw nemend het onder 4.1. weergegeven belang van [A] c.s., tot de slotsom dat de vordering van [A] c.s. moet worden toegewezen. Alle overige door [A] c.s. aangevoerde gronden voor toewijzing van het gevorderde kunnen onbesproken blijven. De omstandigheid dat, zoals de Vereniging stelt, een nieuw besluit tot royement zal worden genomen indien het besluit in onderhavige procedure wordt aangetast kan, tot slot, niet leiden tot afwijzing van de gevorderde ordemaatregelen, reeds omdat niet vooruitgelopen kan worden op een eventueel toekomstig besluit van een ledenvergadering, met een mogelijk grotere opkomst of andere samenstelling van de opkomst. Volledigheidshalve wordt wel opgemerkt dat de thans te nemen ordemaatregelen betrekking hebben op de huidige situatie en dat die niet in de weg staan aan toekomstige, rechtsgeldig genomen beslissingen van een ledenvergadering van de Vereniging.
4.6.

Oplegging van een dwangsom, als stimulans tot nakoming van de te geven beslissing, is aangewezen. De op te leggen dwangsom zal worden gematigd en gemaximeerd. Voorts zal er worden bepaald dat de op te leggen dwangsom vatbaar is voor matiging door de rechter, voor zover handhaving daarvan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, mede in aanmerking genomen de mate waarin aan de veroordeling is voldaan, de ernst van de overtreding en de mate van verwijtbaarheid daarvan.
4.7.

De Vereniging zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding. Voor veroordeling in de nakosten bestaat geen grond, nu de kostenveroordeling ook voor deze nakosten een executoriale titel oplevert (vgl. HR 19 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL1116, NJ 2011/237).

5De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

verbiedt (het bestuur van) de Vereniging [A] c.s. de toegang tot de verenigingsactiviteiten en bijeenkomsten van de Vereniging te ontzeggen;
5.2.

verbiedt (het bestuur van) de Vereniging [A] c.s. te beperken in hun rechten uit hoofde van het lidmaatschap van de Vereniging;
5.3.

gebiedt (het bestuur van) de Vereniging [A] c.s. ongehinderd en onbelemmerd tot de verenigingsactiviteiten en de bijeenkomsten georganiseerd door derden binnen de Vereniging toe te laten en [A] c.s. op de gebruikelijke wijze als volwaardig lid van de Vereniging te behandelen;
5.4.

bepaalt dat de Verenging een dwangsom verbeurt van € 250,- per dag bij overtreding van voormelde verboden en gebod, te maximeren op een bedrag van € 20.000,-;
5.5.

bepaalt dat bovenstaande dwangsom vatbaar is voor matiging op de wijze zoals onder 4.6 is vermeld;
5.6.

veroordeelt de Vereniging in de kosten van dit geding