Opgave van redenen bij royement (RTO)

Rechtbank Rotterdam 22 oktober 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:8659

Toetsing van een besluit tot ontzetting (royement) aan de procedurele regels en aan de redelijkheid en billijkheid.



Met betrekking tot de feiten die aan het besluit ten grondslag liggen zijn genoemd ‘het gedrag’ en ‘het niet naleven van de statuten van RTO en het huishoudelijk reglement van RAT’. Hoewel summier, is de rechtbank van oordeel dat deze omschrijving voldoet aan de eis van ‘opgave van redenen’ als bedoeld in artikel 2:53 lid 4 BW en het noemen van ‘feiten’ als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de Statuten. De ratio van deze bepaling is immers dat het betrokken lid verweer kan voeren tegen zijn ontzetting bij (het door de statuten aangewezen orgaan dan wel) de rechter. Nu [eiser] bij de [ALV] aanwezig was en de verwijten van RTO aan [eiser] bovendien ook in het [al eerder gevoerde] kort geding aan de orde zijn geweest, kon RTO in de gegeven omstandigheden in de brief van 31 december 2013 volstaan met de beknopte beschrijving van de redenen voor de ontzetting.”(r.o. 4.13)


Een besluit tot ontzetting werkt onmiddelijk, niet pas vanaf kennisgeving ervan, wat in dit geval uitdrukkelijk in de statuten geregeld was, maar volgens de rechtbank ook de wettelijke regeling is (r.o. 4.11)

Vonnis van 22 oktober 2014in de zaak van[eiser] tegen de coöperatie R.T.O. ROTTERDAMSE TAXI ONDERNEMING U.A. gedaagde

Partijen zullen hierna [eiser] en RTO genoemd worden.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 6 augustus 2014
  • het proces-verbaal van comparitie van 8 september 2014 en de daaraan gehechte brief aan [eiser] van 17 juni 2014 van de Wethouder Haven, Duurzaamheid, Mobiliteit en Organisatie van de gemeente Rotterdam.

2De feiten

2.1.

Tussen RTO en Rotterdam The Hague Airport B.V. (hierna: de luchthaven) bestaat een concessieovereenkomst op grond waarvan het taxivervoer van en naar de luchthaven voor een deel aan RTO is toegekend. Met betrekking tot de uitvoering van de concessieovereenkomst is een coördinerende rol aan de Stichting Rotterdam Airport Taxi (hierna: RAT) toegekend.
2.2.

[eiser] is taxichauffeur van beroep. Als lid van RTO was hij op grond van een (sub)concessieovereenkomst in de gelegenheid was om taxivervoer van en naar de luchthaven uit te voeren. [eiser] beschikte hiervoor over diverse toegangspassen en een parkeerontheffing.
2.3.

Naar aanleiding van klachten van passagiers over [eiser] heeft RTO op 7 juli 2013 [eiser] het gebruik van zijn concessieplaats ontzegd. [eiser] heeft daarop in kort geding gevorderd deze maatregel op te schorten totdat hierover in een bodemprocedure zou zijn beslist. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [eiser] in het vonnis van 28 november 2013 toegewezen, onder de opschortende voorwaarde dat [eiser] binnen twee weken na de datum van het vonnis te zake van het geschil over de concessie een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt en tot het moment dat het lidmaatschap van [eiser] van RTO rechtsgeldig is beëindigd. [eiser] heeft geen bodemprocedure binnen veertien dagen aanhangig gemaakt.
2.4.

Op 18 december 2013 heeft een buitengewone algemene ledenvergadering van RTO plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering heeft het bestuur van RTO voorgesteld om [eiser] op grond van artikel 10 van de statuten van RTO (hierna: de Statuten) als lid te ontzetten. Dit artikel luidt als volgt:
1. Ontzetting uit het lidmaatschap kan geschieden op grond dat een lid:
a. handelt in strijd met de statuten, enig krachtens deze statuten vastgesteld reglement of een besluit van de algemene ledenvergadering of van het bestuur;
b. zijn verplichtingen tegenover de vereniging niet nakomt;
c. opzettelijk de vereniging benadeelt;
(…)
2. De ontzetting wordt uitgesproken door de algemene ledenvergadering op voorstel van het bestuur, onder vermelding van de feiten waarop het besluit tot ontzetting is gegrond, van welk besluit het bestuur schriftelijk mededeling doet aan het betrokken lid; ook deze mededeling zal de feiten behelzen waarop het besluit tot ontzetting is gegrond.
3. Een lid te wiens aanzien ontzetting is uitgesproken, houdt op lid te zijn met ingang van de dag, waarop de algemene ledenvergadering die uitspraak heeft gedaan.
Het voorstel tot ontzetting is met twintig stemmen voor en vijf stemmen tegen aangenomen.

2.5. RTO heeft [eiser] bij brief van 31 december 2013 onder meer het volgende geschreven:
“Naar aanleiding van de gehouden leden vergadering op 18-12-2013 over gedrag
en het niet naleven van de statuten van de R.T.O. en het huishoudelijk reglement van de R.A.T. heeft er een schriftelijke stemming (…) plaatsgevonden. (…) Naar aanleiding van deze stemming heeft de voorzitter (…) u per direct het royement aangezegd en u verzocht de vergadering te verlaten. 
Bij deze deelt het bestuur van R.T.O. schriftelijk mede dat wij de samenwerking en het lidmaatschap per 31-12-2013 met u hebben beëindigd.”

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – het besluit van de algemene ledenvergadering van RTO van 18 december 2013, houdende de ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van RTO, te vernietigen en RTO te veroordelen [eiser] in staat te stellen gebruik te kunnen maken van de concessieplaats, onder andere door het verstrekken aan [eiser] van de benodigde toegangspassen en de parkeerontheffing, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat RTO in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen. [eiser] vordert voorts RTO te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens gemaakte kosten ad € 6.500,00 exclusief btw en een vergoeding van gederfde inkomsten van € 2.200,00 bruto per maand, vanaf 8 juli 2013 tot en met de datum dat hij de exploitatie van het taxivervoer van en naar de luchthaven weer kan hervatten
3.2.

[eiser] stelt daartoe het volgende. Het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap is vernietigbaar omdat er in strijd is gehandeld met artikel 2:15 lid 1 sub a en sub b BW. De royementsbrief vermeldt niet de feiten die ten grondslag liggen aan de ontzetting. Voorts zijn de specifieke gedragingen die hem worden verweten niet aan de orde geweest tijdens de algemene ledenvergadering en staan deze evenmin vermeld in de opzeggingsbrief. [eiser] heeft de notulen, oproepingsbrief en machtigingen niet kunnen controleren en geen verweer kunnen voeren tegen de beweerdelijke klachten. Zijn vordering tot schadevergoeding is gebaseerd op de stelling dat RTO onrechtmatig heef gehandeld door hem keer op keer op oneigenlijke wijze de uitoefening van zijn lidmaatschap en subconcessieovereenkomst te ontzeggen.
3.3.

RTO concludeert tot afwijzing van de vordering en voert daartoe aan dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij zijn vordering. RTO stelt zich voorts op het standpunt dat het besluit tot ontzetting van [eiser] als lid geldig is, omdat aan alle formaliteiten is voldaan en dat als hij weer lid zou worden, hij geen taxivervoer op de luchthaven mag verzorgen De door [eiser] gestelde schade wordt door RTO betwist.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

In geschil is de vraag of het besluit van RTO van 18 december 2013 om [eiser] te ontzetten als lid vernietigd moet worden. Eerst dient echter beoordeeld te worden of [eiser] voldoende belang heeft bij zijn vordering tot vernietiging van dit besluit.
Voldoende belang bij de vordering

4.2.

RTO heeft aangevoerd dat [eiser] bij zijn vordering onvoldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW. RTO heeft hiertoe in de eerste plaats aangevoerd dat vernietiging van het besluit niet tot gevolg heeft dat [eiser] van de concessie gebruik kan maken. Daarnaast stelt zij dat RTO [eiser] niet als lid kan toelaten, omdat hij niet aan de gemeentelijke eisen voldoet. Ten derde heeft RTO [eiser] inmiddels opnieuw aangeboden om lid te worden.
4.3.

Vernietiging van het besluit brengt niet noodzakelijk mee dat [eiser] van de concessie gebruik kan maken. Het lidmaatschap van RTO is echter wel één van de voorwaarden om van de concessie gebruik te kunnen maken. [eiser] heeft dan ook belang bij (voortzetting van) het lidmaatschap van RTO.
4.4.

RTO heeft voorts aangevoerd dat zo lang [eiser] niet voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan taxichauffeurs, zij hem niet kan toelaten als lid. Uit de artikel 9 van de Taxiverordening Rotterdam 2013 blijkt dat taxichauffeurs in Rotterdam over een zogenoemde RTX-vergunning dienen te beschikken. Deze vergunning wordt verleend wanneer de chauffeur (a) is aangesloten bij een Toegelaten Taxi Organisatie (zoals RTO) en (b) in het bezit is van een certificaat dat wordt afgegeven door de Stichting Kwaliteitsverbetering Rotterdamse Taxi (het SKRT-certificaat). Voorts volgt uit artikel 2 onder b van het Uitvoeringsbesluit Taxiverordening Rotterdam 2013 dat alle bij een Toegelaten Taxi Organisatie aangesloten chauffeurs over een SKRT-certificaat dienen te beschikken. Volgens RTO heeft [eiser] tot op heden geweigerd de opleiding te volgen om het SKRT-certificaat te verkrijgen.
4.5.

[eiser] heeft niet weersproken dat hij niet in het bezit is van een SKRT-certificaat. Dit betekent dat hij ook niet kan beschikken over een RTX-vergunning. [eiser] heeft echter gesteld dat voor vervoer van en naar de luchthaven geen (RTX)vergunning vereist is. Uit de door [eiser] ter comparitie overgelegde brief van 17 juli 2014 van de Wethouder Haven, Duurzaamheid, Mobiliteit en Organisatie van de gemeente Rotterdam blijkt dat de taxistandplaats op het terrein van de luchthaven een niet-openbare standplaats betreft, waardoor deze niet onder de Taxiverordening Rotterdam 2013 valt. De Wethouder bevestigt in deze brief dat voor het uitvoeren van taxivervoer van en naar deze locatie op dit moment geen RTX-vergunning nodig is. Hoewel RTO kennelijk voornemens is om deze eis wel aan haar leden te stellen, heeft zij ter comparitie erkend dat dit besluit nog niet formeel genomen is. Daarbij is door RTO niet weersproken dat [eiser] alsnog een RTX-vergunning zou kunnen verkrijgen door zijn SKRT-certificaat te behalen. Voor de onderhavige procedure heeft dit tot gevolg dat het niet beschikken over een RTX-vergunning niet afdoet aan het belang van [eiser] bij zijn vordering tot vernietiging van het besluit tot ontzetting als lid van RTO.
4.6.

Door RTO is voorts aangevoerd dat zij [eiser] bij brief van 2 juni 2014 heeft aangeboden (opnieuw) lid te worden. Volgens haar is daarmee het belang van [eiser] bij zijn vordering tot vernietiging van het besluit van 18 december 2013 komen te ontvallen. Dit verweer slaagt niet. [eiser] heeft er immers belang bij dat wordt vastgesteld of hij in de periode vanaf 18 december 2013 lid is gebleven van RTO, onder meer ten behoeve van de vraag of hij recht heeft op vergoeding van in deze periode gederfde inkomsten.
4.7.

Uit het voorgaande moet geconcludeerd worden dat [eiser] voldoende belang heeft bij zijn vordering en daardoor ontvankelijk is.
Vernietiging besluit wegens strijd met statutaire bepalingen

4.8.

Volgens [eiser] is het op 18 december 2013 genomen besluit vernietigbaar wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (artikel 2:15 lid 1 onder a BW). Uit artikel 10 lid 2 van de Statuten volgt dat de ontzetting van een lid kan worden uitgesproken door de algemene ledenvergadering op voorstel van het bestuur, onder vermelding van de feiten waarop besluit tot ontzetting is gegrond. Deze procedure is in overeenstemming met de wettelijke regeling van artikel 2:53a in verbinding met 2:35 BW.
4.9.

RTO heeft de oproepingsbrief van 2 december 2013 voor de buitengewone algemene ledenvergadering van 18 december 2013 in het geding gebracht. [eiser] heeft tijdens de comparitie van partijen erkend dat hij deze brief heeft ontvangen. Tevens staat vast dat [eiser] bij de betreffende vergadering aanwezig is geweest. Dat het voorgenomen besluit aan [eiser] als betrokkene nog eens apart aangezegd had moeten worden, zoals door hem ter zitting is gesteld, blijkt niet uit artikel 10 van de Statuten. De hierin genoemde mededeling ziet immers op het door de algemene ledenvergadering genomen besluit en niet op het voorstel hiertoe van het bestuur. De oproepingstermijn van een bijzondere algemene ledenvergadering bedraagt veertien dagen op grond van artikel 22 lid 3 in verbinding met artikel 21 lid 2 van de Statuten. Niet in geschil is dat deze termijn door RTO in acht is genomen.
4.10.

In de brief van 2 december 2013 is duidelijk vermeld dat het onderwerp van de vergadering de ontzetting van [eiser] als lid van de coöperatie op grond van artikel 10 lid 1 onder a, b en/of c van de Statuten betreft. Ter onderbouwing van grond b is daarbij vermeld dat (1) er herhaaldelijk is geklaagd omdat [eiser] meerdere malen klanten onheus zou hebben bejegend, (2) dat [eiser] zijn gedrag ondanks waarschuwingen niet heeft verbeterd en (3) dat [eiser] taxivervoer heeft aangeboden zonder in het bezit te zijn van een RTX-vergunning. Ter onderbouwing van grond c is vermeld dat RTO Eneco als klant heeft verloren, doordat [eiser] één van de klanten van Eneco onheus heeft bejegend. Naar het oordeel van de rechtbank is het op de buitengewone algemene ledenvergadering te behandelen agendapunt hiermee voldoende duidelijk omschreven als bedoeld in artikel 22 lid 1 van de Statuten.
4.11.

Partijen verschillen van mening over de vraag of het ‘pakket klachten’ over [eiser] aan de leden ter beschikking is gesteld. Een verplichting om de schriftelijke stukken (anders dan de rekening en verantwoording) vooraf toe te zenden of op de vergadering ter inzage te leggen volgt niet uit de Statuten. Weliswaar dienen de leden over voldoende informatie met betrekking tot het voorgenomen besluit te beschikken, maar dit hoeft niet per definitie schriftelijk te gebeuren. Dat op dit onderdeel de bepalingen omtrent totstandkoming zijn geschonden, is dan ook niet vast komen te staan.
4.12.

[eiser] vermoedt dat het besluit niet aan de formele vereisten voldoet. Hiermee doelt hij kennelijk op de wijze van stemmen, nu het feit dat RTO geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoek om hem afschriften van de bij de stemming gebruikte volmachten en de schriftelijke stemmen te doen toekomen, hem in dit vermoeden sterkt. Vooropgesteld moet worden dat er geen wettelijke of statutaire bepaling is die [eiser] het recht op inzage in of op een afschrift van deze documenten geeft. Voorts heeft [eiser] niet onderbouwd om welke reden de stemmingsprocedure als omschreven in artikel 23 van de Statuten niet correct zou zijn verlopen. De gang van zaken omtrent de stemming, zoals beschreven in de door RTO bij conclusie van antwoord overgelegde notulen van de bijzondere algemene ledenvergadering, is door [eiser] niet weersproken. De hierin beschreven stemwijze is in overeenstemming met de Statuten. Nu het vermoeden dat de ‘formele vereisten’ met betrekking tot de stemming niet zijn nageleefd niet nader is onderbouwd, is onvoldoende vast komen te staan dat de stemming niet correct is verlopen.
4.13.

Uit artikel 10 lid 2 van de Statuten volgt dat het besluit tot ontzetting schriftelijk moet worden medegedeeld aan het betrokken lid, waarin tevens de feiten worden vermeld waarop het besluit tot ontzetting is gegrond. In de brief van 31 december 2013 is voldoende duidelijk verwoord dat [eiser] als lid is ontzet (in de brief: ‘geroyeerd’). Met betrekking tot de feiten die aan het besluit ten grondslag liggen zijn genoemd ‘het gedrag’ en ‘het niet naleven van de statuten van RTO en het huishoudelijk reglement van RAT’. Hoewel summier, is de rechtbank van oordeel dat deze omschrijving voldoet aan de eis van ‘opgave van redenen’ als bedoeld in artikel 2:53 lid 4 BW en het noemen van ‘feiten’ als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de Statuten. De ratio van deze bepaling is immers dat het betrokken lid verweer kan voeren tegen zijn ontzetting bij (het door de statuten aangewezen orgaan dan wel) de rechter. Nu [eiser] bij de vergadering van 18 december 2013 aanwezig was en de verwijten van RTO aan [eiser] bovendien ook in het kort geding aan de orde zijn geweest, kon RTO in de gegeven omstandigheden in de brief van 31 december 2013 volstaan met de beknopte beschrijving van de redenen voor de ontzetting.
4.14.

Uit artikel 10 lid 3 van de Statuten volgt dat de ontzetting aanvangt op de dat de algemene ledenvergadering de uitspraak heeft gedaan. Uit de notulen en de brief van 31 december 2013 volgt dat [eiser] per direct als lid is ontzet en verzocht is de vergadering te verlaten. In de brief van 31 december 2013 is echter tevens medegedeeld dat het lidmaatschap per 31 december 2013 wordt beëindigd. Deze opmerking, die niet in overeenstemming met de wettelijke en statutaire regeling is, wijkt af van de eerder gedane mededelingen van RTO. Voor zover RTO het lidmaatschap toch tot het einde van het jaar heeft gecontinueerd, is [eiser] daardoor niet benadeeld. Het levert derhalve geen gebrek in de totstandkoming van het besluit op dat vernietiging hiervan rechtvaardigt.
4.15.

Uit het voorgaande volgt dat de oproeping voor de vergadering, de agendering, het ter beschikking stellen van stukken, de wijze van stemming en de mededeling van het besluit aan het betrokken lid niet in strijd zijn met wettelijke of statutaire bepalingen. Het beroep op vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 onder a BW slaagt daarom niet.
Vernietiging besluit wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

4.16.

Door [eiser] is voorts aangevoerd dat het besluit vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist (artikel 2:15 lid 1 onder b BW). Hiervan is slechts sprake wanneer de algemene ledenvergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.
4.17.

Hierboven is reeds vastgesteld dat de formaliteiten met betrekking tot de besluitvorming in acht zijn genomen. Met betrekking tot de inhoud van het besluit wordt opgemerkt dat niet alle genoemde grondslagen deugdelijk onderbouwd zijn. Zo is niet inzichtelijk gemaakt welke statutaire regels [eiser] volgens RTO heeft overtreden. Daarnaast is, aangenomen dat Eneco als gevolg van het optreden van [eiser] geen klant meer van RTO is, niet onderbouwd dat van een opzettelijke benadeling van RTO door [eiser] sprake is. Voorts is door RTO intussen erkend dat een overtreding van het Huishoudelijk Reglement van de RAT geen grondslag kan bieden voor ontzetting als lid van RTO. Verder is hierboven reeds vastgesteld dat een RTX-vergunning niet vereist is voor taxivervoer van en naar de luchthaven.
4.18.

Uit de stukken blijkt echter duidelijk dat de kern van het conflict tussen partijen gelegen is in het gedrag van [eiser] jegens klanten en andere chauffeurs, zoals ook in het kort geding al aan de orde is geweest. [eiser] heeft aangevoerd dat de klachten op de algemene ledenvergadering niet of nauwelijks aan de orde zijn geweest en dat hij geen gelegenheid heeft gekregen om zich hiertegen te verweren. [eiser] heeft echter onweersproken gelaten dat de in de door RTO overgelegde notulen een juiste weergave van hetgeen op de vergadering is besproken is opgenomen. Uit deze notulen volgt dat er in ieder geval twee klachten inhoudelijk zijn besproken (één van Eneco en één van een Engelse dame). Tevens blijkt uit het verslag dat [eiser] in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren, waarna een woordenwisseling zou zijn ontstaan. Van een schending van elementaire rechtsbeginselen in de ontzettingsprocedure lijkt dan ook geen sprake.
4.19.

Op grond van het voorgaande is voldoende vast komen te staan dat voor alle betrokkenen duidelijk was om welke redenen werd voorgesteld om [eiser] als lid te ontzetten. Voort staat vast dat [eiser] hier tijdens de vergadering zijn visie op heeft kunnen geven. De genoemde klachten van passagiers raken de kern van de dienstverlening als taxichauffeur en kunnen, ondanks het belang van [eiser] bij het lidmaatschap, aanleiding zijn voor een besluit tot ontzetting. De stemprocedure hierover is correct verlopen. Hierdoor is onvoldoende gebleken dat de algemene ledenvergadering in redelijkheid en billijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen. Het besluit is daardoor evenmin vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 onder b BW.
Gebruik concessieplaats

4.20.

Hierboven is geoordeeld dat er geen grond is voor vernietiging van het besluit van 18 december 2013. Het besluit tot ontzetting van [eiser] als lid van RTO blijft dus in stand. Nu [eiser] geen lid meer is van RTO, kan hij geen aanspraak meer maken op gebruikmaking van de concessie tot taxivervoer, nu deze concessie juist op het lidmaatschap van RTO is gebaseerd. De vordering tot gebruikmaking van de concessie zal daarom worden afgewezen, evenals de daaraan verbonden vorderingen tot het verschaffen van toegangspassen en een parkeerontheffing en de aan deze vordering gekoppelde dwangsom.
Schadevergoeding

4.21.

[eiser] heeft gesteld dat RTO jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door ‘hem keer op keer op oneigenlijke wijze de uitoefening van zijn lidmaatschap te ontzeggen’. Volgens [eiser] loopt hij hierdoor sinds 8 juli 2013 inkomsten mis.
4.22.

Niet in geschil is dat [eiser] vanaf 8 juli 2013 geen gebruik meer van de concessie heeft kunnen maken. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] hier in ieder geval vanaf 18 december 2013 geen recht meer op had, omdat hij per deze datum niet langer lid was van RTO. Dat [eiser] in de tussenliggende periode geen taxivervoer heeft kunnen uitvoeren van en naar de luchthaven is het gevolg van het besluit van RTO van 7 juli 2013 om de concessieplaats van [eiser] te beëindigen. Dit besluit was onderwerp van het tussen [eiser] enerzijds en RTO en RAT anderzijds gevoerde kort geding. In onderhavige geschil is de rechtmatigheid van het beëindigen van de concessieplaats op 7 juli 2013 door RTO echter door [eiser] slechts zijdelings aan de orde gesteld. Dat RTO onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Hoewel de voorzieningenrechter aanleiding heeft gezien RTO in het kort geding voorwaardelijk (mede) te veroordelen om de aan [eiser] opgelegde maatregel tot beëindiging van de concessie te schorsen, betreft dit slechts een ordemaatregel (waarbij [eiser] overigens niet aan de voorwaarde tot het binnen twee weken instellen van een bodemprocedure heeft voldaan). Op grond van deze uitspraak kan dan ook niet worden aangenomen dat RTO onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering tot vergoeding van gederfde inkomsten en advocaatkosten is dan ook niet toewijsbaar.
Proceskosten

4.23.

De beslissing
De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van RTO tot op heden begroot op € 2.796,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na uitspraak van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [eiser], indien hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling voldoet, tot betaling van € 131,00 aan nakosten, verhoogd met € 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan [eiser] tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Boer en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.

Opzeggen of royeren bij conflict (NVD)

Rechtbank Midden-Nederland 16 oktober 2013 (NVD)
ECLI:NL:RBMNE:2013:3743 (10 juli 2014)


Een vereniging zegt het lidmaatschap op van een kritisch lid. Toetsing aan 2:8 BW.
Van belang is r.o. 4.4:

“Naar terecht niet tussen partijen in geschil is, komt aan [eiser] in beginsel (ook in diens verhouding [de vereniging als] vereniging waarvan hij lid is) het recht toe om het met de koers van [de vereniging] niet eens te zijn en zijn afwijkende mening binnen en buiten [de vereniging] te ventileren. Ik zou hierbij opmerken dat er binnen de vereniging meer ruimte moet zijn voor debat dan voor kritiek op de vereniging in de media. 

De vraag is evenwel of de wijze waarop hij dat heeft gedaan aan het bestuur van [de vereniging] grond heeft verschaft om zijn lidmaatschap (onmiddellijk) te mogen opzeggen, zonder de jegens hem in acht te nemen redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW te schenden.

Anders dan [eiser] stelt, komt bij beantwoording van die vraag geen betekenis toe aan het feit dat de statuten (evenals de wet) de (niet defamerende) mogelijkheid kennen van opzegging van het lidmaatschap door het bestuur, naast de (defamerende) mogelijkheid van ontzetting uit het lidmaatschap door de algemene ledenvergadering. Het gaat daarbij om naast elkaar staande rechtsfiguren, die elk voor zich toepasbaar zijn wanneer de daarbij voorgeschreven criteria zijn vervuld. Wanneer de criteria van de beide rechtsfiguren zijn vervuld is het dus niet zo, zoals [eiser] in zijn stellingen lijkt aan te voeren, dat aan de rechtsfiguur van de ontzetting voorrang moet worden gegeven boven die van de opzegging. Dit is een nuttige overweging voor de vele gevallen waar ontzetting (royement) mogelijk te zwaar is: opzegging staat dan ook open. 

Vonnis van 16 oktober 2013 in de zaak van
[eiser] , tegen
de vereniging NEDERLANDSE VERENIGING VAN DIËTISTEN ,

Partijen zullen hierna [eiser] en NVD genoemd worden.

2De feiten

2.1.

[eiser] is diëtist. Hij is (afgezien van een korte onderbreking in januari 2012) sedert 2002 lid van NVD. Het doel van deze vereniging is de bevordering van de kwaliteit en beschikbaarheid van diëtistische zorg. NVD is een belangrijke gesprekspartner in het overleg met (koepels) van andere zorgaanbieders, zorgverzekeraars, de overheid en patiënten- en consumentenorganisaties. NVD heeft circa 2850 leden (diëtisten). Haar directeur is [A], hierna: directeur[A].
2.2.

Diëtistische zorg maakte in 2011 deel uit van het basispakket waarvoor krachtens de Zorgverzekeringswet aanspraak op vergoeding bestond. Voor die vergoeding was in dat jaar 54 miljoen euro beschikbaar. Op 30 juni 2011 nam de Tweede Kamer voor om uit bezuinigingsnoodzaak dieetadvisering uit het basispakket te schrappen, met uitzondering van een beperkt aantal gevallen. NVD heeft zich, met gebruikmaking van een denktank, bezonnen op een andere wijze waarop de bezuinigingsnoodzaak het hoofd zou kunnen worden geboden. Ook [eiser] heeft dat gedaan. Hij heeft op het (voor leden beschikbare) NVD-internetforum (hierna: het forum) zijn alternatieve plan gepresenteerd. Hoofdpunt van dit plan is dat voor dieetvoeding een eigen bijdrage verplicht wordt. Kort nadien, op 15 juli 2011, heeft NVD het door haar vormgegeven, andersluidende, plan in een nieuwsbrief aan haar leden kenbaar gemaakt. Rond dat tijdstip en daarna is door NVD-leden, met veelvuldige inbreng van [eiser], op het forum gediscussieerd over de aangekondigde bezuinigingen.
2.3.

NVD stond het uitgangspunt voor dat de vergoeding van gewichtsconsulenten geheel in het basispakket bleef, naast vergoeding van 3 uur diëtistische zorg per jaar (in plaats van – zoals tot en met 2011 – 4 uur per jaar). Zij heeft haar plan op 7 november 2011 aan D’66 doen toekomen, in de hoop dat deze het plan zou willen bevorderen. Op 8 november 2011 schreef [eiser] op het forum onder meer: ‘Misschien kan het NVD bestuur bij de vereniging van gewichtsconsulenten in de leer ? Of moeten we een nieuwe club oprichten ? ’. Op 9 november 2011 voegde hij daaraan toe: ‘Misschien niet de tijd en de plek om deze discussie te starten maar zou het niet tijd zijn voor een andere vereniging ? Ik heb niet echt het gevoel het lidmaatschap van de nvd betekend dat onze belangen worden behartigd (…) zullen we met zijn allen tekenen voor een ander beleid / vereniging ? (…)’. [eiser] heeft het door hem geformuleerde plan medio november 2011 naar diverse politieke partijen gezonden.
2.4.

De Commissie Dieetkosten van NVD heeft in haar vergadering van 21 november 2011 het plan van [eiser] besproken en verworpen. Diezelfde dag heeft [eiser] aan directeur[A] van NVD geschreven, in verband met het door NVD voorgestane plan, ‘Ik vind het zorgelijk dat de industrie (facilitair bedrijf) is gevraagd een doorberekening te maken naar de gevolgen voor patiënten. De vraag is of hier niet sprake is van belangenverstrengeling ?’. [eiser] meldt daarbij dat hij de vrijheid blijft nemen zijn eigen plan verder uit te dragen en vorm te geven.
2.5.

Ook op 21 november 2011 heeft [eiser] zijn lidmaatschap van NVD tegen 1 januari 2012 opgezegd, op de grond dat hij niet het gevoel heeft dat NVD zijn belangen vertegenwoordigt. Diezelfde dag heeft hij per e-mail aan zijn netwerk van collega’s, waaronder vele NVD-leden, bericht over zijn plan en over zijn wens dat plan bij de wetgever (met name via lobby-activiteiten bij D’66) ingang te doen vinden. Hij heeft daarbij vermeld: ‘In de discussie die ik over dit plan heb gehad met [A] van de NVD was zo teleurstellend dat ik me dan maar tot jullie als collega’s richt’. Bij zijn e-mail heeft hij een bericht gevoegd, waarmee de respondenten (na invulling van hun personalia) aan D’66 konden aangeven [eiser] plan te steunen. Ook heeft [eiser] bij zijn e-mail de onder 2.4 omschreven brief aan directeur[A] van NVD als bijlage meegezonden.
2.6.

Op 24 november 2011 heeft NVD jegens haar leden gereageerd op de e-mail die [eiser] op 21 november 2011 aan zijn collega’s zond. In haar schrijven licht zij (de gronden van) haar eigen voorstel toe, alsmede waarom zij niet voor het voorstel van [eiser] is. Ook meldt zij dat haar voorstel aan de politiek is gepresenteerd en verzoekt zij de beroepsgroep de krachten te bundelen en vooral NVD daarvan de spreekbuis te laten zijn.
2.7.

Op 28 november 2011 heeft [eiser] aan D’66 geschreven en daarbij zijn kritiek op het voorstel van NVD geuit. Hij schrijft onder meer: ‘Het beeld dat vanuit de NVD wordt geschetst: dat de huidige regels voldoen, er sprake is van adequaat voorschrijfgedrag door artsen en dietisten is dus onjuist. De vraag blijft welke belangen het NVD dient van zijn leden of van de industrie? Het is aan de politiek een keuze te maken in beleid. Hopelijk gebeurt dit op basis van juiste informatie en niet op basis van valse argumenten ingegeven door verkeerde belangen’.
2.8.

Op 5 december 2012 heeft [eiser] naar aanleiding van het desbetreffende meningsverschil tussen NVD en hem op het forum geschreven: ‘Misschien moeten de voorstanders van dieetvingen eens gewoon nutridrink intypen op marktplaats en dan in alle eerlijkheid aangeven of hun standpunt een patiëntenbelang dient dan wel een industrie belang dient ?’.
2.9.

Op 8 januari 2012 heeft [eiser] per e-mail aan zijn netwerk van collega’s, waaronder vele NVD-leden, ernstige kritiek op het voorstel van NVD geuit. Hij schrijft onder meer: ‘Ik denk dat NVD bestuur hier een akte van onvermogen heeft afgegeven en op een extra ALV verantwoording moet afleggen. Het kan niet zo zijn dat NVD 25% van onze omzet schrapt, naast het omzetverlies wat we al verwachten, zonder dat dit consequenties heeft. Dit is geen belangenbehartiging, maar belangenverkwanseling. (…) Laat onze belangen niet verkwanselen door de NVD!’. Over het plan van NVD schrijft hij voorts: ‘(misschien toch ingegeven door de € 100.000,- / 12% van de inkomsten / sponsoring vanuit de industrie aan het NVD bureau ? Los van de bijdrage aan symposia etc.’
2.10.

Op diens verzoek is [eiser] eind januari 2012 weer als lid van NVD toegelaten. Partijen zijn het er niet over eens of dat is gebeurd onder de voorwaarde dat het optreden van [eiser] als lid na drie maanden zou worden geëvalueerd. In de maanden na zijn hernieuwde lidmaatschap is [eiser] voortgegaan met het uiten van zijn kritiek op het NVD-voorstel en de promotie van zijn eigen voorstel. In mei 2012 is hij door het bestuur van NVD uitgenodigd voor een evaluatiegesprek omtrent zijn handelen in de voorafgegane periode, maar hij heeft die uitnodiging afgeslagen.
2.11.

In het jaar 2012 viel diëtistische zorg in het geheel niet in het basispakket. De discussie en planvorming omtrent de vergoeding van die zorg heeft zich vervolgens, op gelijke voet als voorheen, voortgezet met het oog op de regeling die in 2013 zou moeten gelden. Vóór juni 2012 heeft het bestuur van NVD het plan van NVD (ten behoeve van 2013) aan het ministerie van VWS gezonden. Zij heeft aan de inhoud van dat voorstel geen ruime ruchtbaarheid gegeven, vanuit de wens het precaire politieke besluitvormingsproces niet te frustreren en daarmee de kansen op een goede vergoedingsregeling te vergroten. Ook aan haar leden (afgezien van de genoemde denktank en de Commissie Dieetkosten) heeft het bestuur de precieze inhoud van het plan toentertijd niet vrijgegeven, in afwachting van de politieke reacties daarop.
2.12.

Op 12 juni 2012 heeft [eiser] per e-mail aan zijn netwerk van collega’s, waaronder vele NVD-leden, zijn onvrede geuit over het feit dat hij geen volledige inzage heeft kunnen verkrijgen in de aan het ministerie van VWS gepresenteerde plannen van NVD en heeft hij wederom zijn eigen plan gepromoot. Bij zijn e-mail heeft hij een bericht gevoegd, waarmee de respondenten (na invulling van hun personalia) aan NVD de volgende eisen konden presenteren:
  • de eis dat alle door NVD bij het ministerie van VWS ingediende voorstellen worden openbaar gemaakt,
  • de eis dat alle voorstellen die de productie met 25% beperken met onmiddellijke ingang door NVD worden ingetrokken,
  • de eis dat bij de vaste commissie van de Tweede Kamer voor VWS een voorstel wordt ingediend door NVD overeenkomstig het voorstel van [eiser].
2.13.

Ook op 12 juni 2012 heeft [eiser], met een beroep op de Wet openbaarheid van bestuur (hierna WOB) aan het ministerie van VWS verzocht de door NVD ingediende plannen aan hem mede te delen. Het ministerie heeft [eiser] daarop voor de inhoud van dat plan naar NVD verwezen. Op 14 juni 2012 heeft hij zijn WOB-verzoek eveneens aan NVD gericht. Hij heeft daarbij ook verzocht om mededeling van hetgeen NVD omtrent de bezuinigingsmaatregelen aan de Nederlandse Zorgautoriteit heeft kenbaar gemaakt.
2.14.

Ook op 14 juni 2012 heeft NVD in een nieuwsbrief aan haar leden mededeling gedaan dat het ministerie van VWS daags daarvoor een voorstel voor de vergoedingsregeling in 2013 aan de Eerste en Tweede Kamer had gezonden, inhoudend dat per jaar 3 uur diëtistische zorg wordt vergoed in het basispakket. In de brief doet NVD mededeling van de vier aanbevelingen die zij aan het ministerie heeft aangereikt (te weten: verlaag de vergoedingsaanspraak van vier naar drie uur zorg per jaar, zonder van die verlaging kinderen en ondervoede patiënten uit, wijzig het begrip dieetadvisering in dieetbehandeling en repareer de maatregel zo spoedig mogelijk en laat de regeling al per 1 juli 2012 ingaan). Ook meldt NVD welke vijf kritiekpunten zij op het voorstel van het ministerie van VWS heeft.
2.15.

Op 21 juni 2012 heeft [eiser] het ministerie van VWS geschreven, waarbij hij zijn vraag naar de door NVD ingediende voorstellen heeft herhaald. Hij schrijft onder meer: ‘De reden hiervoor is dat de NVD 2011 12% van haar directe inkomsten heeft ontvangen uit sponsoring van de (dieet)voedingsmiddelen industrie. Hierbij komen nog bijdragen aan symposia en scholingen. Mijn persoonlijke mening is dat hier in ieder geval de schijn van belangenverstrengeling aanwezig is. En derhalve ik het essentieel vindt dat dit gegeven wordt meegewogen in aangedragen voorstellen van de NVD’.
2.16.

Op 22 juni 2012 heeft het bestuur van NVD het lidmaatschap van [eiser] per direct opgezegd, met gebruikmaking van haar bevoegdheid daartoe op grond van artikel 7, lid 1, aanhef en sub c, van de statuten. Deze bepaling luidt, voor zover hier van belang: ‘Het lidmaatschap eindigt door opzegging namens de vereniging. Deze kan geschieden (…) wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren’. In lid 2 van artikel 7 is bepaald dat de opzegging namens de vereniging door het hoofdbestuur geschiedt en dat die opzegging, indien op de voormelde grond berustend, met onmiddellijke ingang kan worden gedaan. Naast de opzegging kennen de statuten de figuur van de ontzetting van een lid uit diens lidmaatschap, onder meer op de grond dat deze de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Tot ontzetting kan volgens de statuten slechts de algemene ledenvergadering besluiten. Het hoofdbestuur kan, daarop vooruitlopend, besluiten een lid te schorsen.
2.17.

Als feitelijke grond voor de opzegging van [eiser] lidmaatschap heeft het bestuur van NVD in haar opzeggingsbrief vermeld dat [eiser] met zijn berichten aan het ministerie van VWS (waaronder zijn overbodige WOB-verzoek) en aan zijn collegae/mede-leden voor onrust en verwarring heeft gezorgd en de diëtist en NVD in verlegenheid en diskrediet heeft gebracht.
2.18.

[eiser] heeft op 24 juni 2012 tegen de opzegging geprotesteerd en is daarbij uitgebreid ingegaan op de inhoud van zijn eigen plan en dat van NVD. Hij besluit zijn brief met: ‘De twee vragen die zich dan voordoen zijn:
  1. Is hier sprake van kokervisie dan wel hobbyisme van de huidige directeur van het NVD bureau ?
  2. Is hier sprake van (financieel/persoonlijke) belangenverstrengeling met de industrie ?’.
Ook schrijft [eiser] dat het bestuur zichzelf in een kwetsbare positie heeft gebracht als er openheid van zaken komt en dat het handelen van het bestuur de indruk geeft dat het iets te verbergen heeft.
2.19.

Het bestuur van NVD heeft de opzegging van [eiser] gehandhaafd.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het besluit van het bestuur van NVD van 22 juni 2012 tot opzegging van [eiser] lidmaatschap vernietigt, met veroordeling van NVD in de gedingkosten.
3.2.

NVD voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

[eiser] beroept zich op de vernietigbaarheid van het opzeggingsbesluit. Hij erkent dat het bestuur van NVD uit hoofde van artikel 7 van de statuten, in lijn met het bepaalde in artikel 2:35 BW, de bevoegheid toekomt een dergelijk besluit te nemen. Hij stelt echter dat het opzeggingsbesluit in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die het bestuur van NVD uit hoofde van artikel 8 lid 1 BW jegens hem in acht heeft te nemen, zodat het besluit op grond van artikel 2:15 lid 1, aanhef en sub b, BW moet worden vernietigd.
4.2.

[eiser] stelt daartoe dat het hem als lid van NVD volledig vrij stond om zijn standpunt in de kwestie van de bezuinigingsmaatregelen (zowel zijn verzet tegen het plan van NVD als de promotie van zijn eigen plan) als lid van de NVD binnen de kring van die vereniging kenbaar te maken en dat hem dat ook buiten die kring vrijstond, mits hij dat op persoonlijke titel deed, aan welke voorwaarde hij zich steeds heeft gehouden. Het opzeggingsbesluit houdt naar zijn oordeel een ongeoorloofde inperking van die vrijheden in, temeer nu het bestuur niet heeft gekozen voor de alternatieve mogelijkheid hem te schorsen, vooruitlopend op een eventuele ontzetting uit zijn lidmaatschap. Wanneer zij dat had gedaan, had [eiser] naar zijn zeggen de mogelijkheid gehad het oordeel van de algemene ledenvergadering te vragen over zijn optreden en de daar aan te verbinden gevolgen. Die mogelijkheid is hem ten onrechte onthouden.
4.3.

NVD stelt dat het opzeggingsbesluit rechtsgeldig is en aan het vereiste van de onderling in acht te nemen redelijkheid en billijkheid voldoet. Van NVD kon naar haar zeggen in redelijkheid niet worden verlangd [eiser] lidmaatschap te doen voortduren, gezien de gebezigde opzeggingsgronden. Het gaat NVD daarbij niet om het feit dat [eiser] zijn eigen plan promoot en dat dat plan afwijkt van het plan van NVD, maar om het feit dat [eiser] daarbij onrust binnen (de ledenkring van) NVD veroorzaakt, NVD ten onrechte beticht van belangenverstrengeling (in strijd met het verenigingsdoel teveel invloed toekennen aan haar – commerciële – sponsoren) en het bestuur anderszins van wanbestuur beticht, waardoor hij de werkzaamheid van NVD ter verwezenlijking van haar doelstelling frustreert.
4.4.

Naar terecht niet tussen partijen in geschil is, komt aan [eiser] in beginsel (ook in diens verhouding tot NVD als vereniging waarvan hij lid is) het recht toe om het met de koers van NVD in de in geding zijnde bezuinigingsdiscussie niet eens te zijn en zijn afwijkende mening binnen en buiten NVD te ventileren. De vraag is evenwel of de wijze waarop hij dat heeft gedaan aan het bestuur van NVD grond heeft verschaft om zijn lidmaatschap (onmiddellijk) te mogen opzeggen, zonder de jegens hem in acht te nemen redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 lid 1 BW te schenden. Anders dan [eiser] stelt, komt bij beantwoording van die vraag geen betekenis toe aan het feit dat de statuten (evenals de wet) de (niet defamerende) mogelijkheid kennen van opzegging van het lidmaatschap door het bestuur, naast de (defamerende) mogelijkheid van ontzetting uit het lidmaatschap door de algemene ledenvergadering. Het gaat daarbij om naast elkaar staande rechtsfiguren, die elk voor zich toepasbaar zijn wanneer de daarbij voorgeschreven criteria zijn vervuld. Wanneer de criteria van de beide rechtsfiguren zijn vervuld is het dus niet zo, zoals [eiser] in zijn stellingen lijkt aan te voeren, dat aan de rechtsfiguur van de ontzetting voorrang moet worden gegeven boven die van de opzegging.
4.5.

Uit de vaststaande feiten volgt dat [eiser] zijn kritiek jegens NVD reeds vanaf begin november 2011 aan haar leden heeft geuit in bewoordingen die een controverse (pogen te) scheppen tussen NVD en haar leden, zoals de suggestie een nieuwe club op te richten. Daarbij telt niet alleen dat hij de desbetreffende uitlatingen herhaaldelijk heeft gedaan (met het risico van versterking van hun effect), maar ook dat hij daarbij in toenemende mate scherpe bewoordingen heeft gebruikt, zoals (op 28 november 2011) ‘valse argumenten ingegeven door verkeerde belangen’ en (op 8 januari 2012) ‘akte van onvermogen’ en ‘Dit is geen belangenbehartiging, maar belangenverkwanseling’.
4.6.

Daar komt bij dat hij, ook vanaf november 2011, herhaaldelijk – jegens NVD, haar individuele leden en derden – de vraag heeft opgeworpen of de standpuntbepaling van NVD was ingegeven door het feit dat de inkomsten van NVD deels bestaan uit sponsorgelden. Deze vraag suggereert dat (het bestuur van) NVD haar statutaire taakstelling niet of onvoldoende nastreeft, doch daarbij oneigenlijke beweegredenen hanteert, ontleend aan het belang van haar sponsoren. Tegen de achtergrond van het feit dat NVD maximaal 15% van haar jaarbudget uit sponsorgelden financiert, waarbij sponsorvoorwaarden gelden ter waarborging van de vrijheid haar verenigingsdoel na te streven en tegen de achtergrond van het feit dat niet is gesteld of gebleken dát de standpuntbepaling van NVD op oneigenlijke gronden berust, is dat een ongefundeerde suggestie die NVD (aannemelijkerwijs) tegenwerkt, waar het gaat om het zo goed mogelijk behartigen van haar doelstelling.
4.7.

Voorts komt hier betekenis toe aan de omstandigheid dat NVD, naar zij voldoende heeft toegelicht, haar in juni 2012 aan het ministerie van VWS gepresenteerde plan tegen te grote ruchtbaarheid heeft willen beschermen teneinde de politieke besluitvorming (met name: de standpuntbepaling door de minister) zo gunstig mogelijk te doen verlopen en dat zij – nadat de minister op 13 juni 2012 diens standpunt had kenbaar gemaakt – in de nieuwsbrief van 14 juni 2012 alsnog aan haar leden duidelijkheid heeft verschaft over het ingediende plan. Door op 12 juni 2012 en nadien (ook na 14 juni 2012) bij het ministerie en bij NVD zelf aan te dringen op bekendmaking van de door NVD ingediende plannen en door binnen de kring van NVD-leden en daarbuiten te spreken over ongegronde weigerachtigheid van NVD, heeft [eiser] NVD eveneens (aannemelijkerwijs) tegengewerkt in de opgemelde zin. Daarbij telt in [eiser] nadeel dat hij in zijn brief aan zijn collegae/mede-leden van 12 juni 2012 niet alleen heeft opgeroepen tot steunbetuiging (jegens de politiek) aan zijn eigen plan, maar ook tot de eis dat het door NVD ingediende plan wordt ingetrokken en door daartoe aan de beoogde respondenten een tekstvoorstel te verschaffen.
4.8.

Daar komt bij dat [eiser], na de opzegging van zijn lidmaatschap, in zijn opstelling heeft volhard door in zijn brief aan het bestuur van NVD van 24 juni 2012 te spreken van ‘kokervisie dan wel hobbyisme’ en door opnieuw te spreken van ‘financieel/persoonlijke belangenverstrengeling’. Weliswaar zijn die uitlatingen niet mede redengevend geweest voor de opzeggingsbeslissing, maar zij onderbouwen wel het gewicht en de betekenis van de voor die beslissing door [eiser] gedane uitlatingen.
4.9.

Al de voorgaande uitlatingen en gedragingen van [eiser] in onderling verband wegend en beoordelend, komt de rechtbank tot de volgende slotsom. [eiser] heeft gebruik gemaakt van de onder 4.4. omschreven vrijheid, die hem in beginsel toekomt, maar hij heeft dat op zodanige – met het belang van NVD strijdige – wijze gedaan, dat het bestuur van NVD kon besluiten [eiser] lidmaatschap onmiddellijk op te zeggen, op de grond dat van de vereniging in redelijkheid niet kon worden verlangd zijn lidmaatschap te doen voortduren. Door dat te doen heeft (het bestuur van) NVD niet gehandeld in strijd met de redelijkheid die jegens [eiser] in acht dient te worden genomen krachtens artikel 2:8 BW.
4.10.

Daaruit volgt dat de vordering als ongegrond moet worden afgewezen. …

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

wijst de vordering af, …

Royement na vaststellingsovereenkomst (ACW Samenwerking)

Gerechtshof Amsterdam 22 april 2014

Een royementsbesluit dat stand houdt voor de rechter. Ontzetting lid van woningcoöperatie vanwege overlast, ook na het sluiten van een vaststellingsovereenkomst tot beëindiging van de huurovereenkomst. 

Arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 22 april 2014
inzake
1[APPELLANT SUB 1],
2. [APPELLANTE SUB 2] ,
beiden wonende te [woonplaats],
appellanten,
tegen:
de coöperatie AMSTERDAMSCHE COÖPERATIEVE WONINGVEREENIGING “SAMENWERKING” B.A.,
geïntimeerde,


1 Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellanten] (appellanten afzonderlijk [appellant sub 1] respectievelijk [appellante sub 2]) en Samenwerking genoemd.
[appellanten] zijn bij dagvaarding van 25 januari 2013 in hoger beroep gekomen van een vonnis van de rechtbank Amsterdam van 31 oktober 2012, onder bovengenoemd zaak-/rolnummer gewezen tussen [appellanten] als eisers en Samenwerking als gedaagde.
2 Feiten
De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 2.1 tot en met 2.19 de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Met grief 5 stellen [appellanten] aan de orde dat de rechtbank de feiten niet volledig heeft weergegeven. Het hof zal hiermee zo nodig in het navolgende rekening houden. Voor het overige zijn de feiten in hoger beroep niet in geschil en dienen daarom ook het hof als uitgangspunt.

3Beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.
3.1.1

Samenwerking is een coöperatie die als statutair doel heeft het verbeteren van woontoestanden in Amsterdam en aangrenzende gemeenten, onder meer door woningen en gebouwen te doen bouwen, te kopen en zo nodig te doen verbeteren en aan haar leden te verhuren.
3.1.2

Artikel 17 van de statuten van Samenwerking luidt, voor zover van belang, als volgt:
  1. Een lid kan uit het lidmaatschap worden ontzet wegens overtreding van de statuten of reglementen der coöperatie(…) of het op andere wijze benadelen der coöperatie.
  2. De ontzetting uit het lidmaatschap wordt uitgesproken door het bestuur.
  3. Het ontzette lid heeft recht van beroep op de ledenraad.
3.1.3

Artikel 15 van het huishoudelijk reglement van Samenwerking luidt, voor zover van belang, als volgt:
  1. Het veroorzaken van overlast aan de buren is verboden.
  2. Het bestuur beslist of een geval van overlast aanwezig is.
  3. Van deze beslissing heeft de betrokkene gedurende veertien dagen beroep op de ledenraad.
(…)
3.1.4

[appellant sub 1] is sinds 18 juni 1974 lid van Samenwerking en [appellante sub 2] sinds 20 juni 2003.
3.1.5

Vanaf 1 november 2008 tot 1 maart 2011 huurde [appellant sub 1] van de Samenwerking de woning aan de [adres]. [appellant sub 1] woonde daar samen met zijn echtgenote [appellante sub 2].
3.1.6

Boven [appellanten] woonde op de eerste verdieping [X] (hierna: [X]) en op de tweede verdieping het gezin [Y] (hierna: [Y]).
3.1.7

[X] heeft vanaf maart 2009 geklaagd over geluidsoverlast van [appellant sub 1]. Zij is voor die geluidsoverlast herhaaldelijk op het spreekuur van Samenwerking geweest. Vanaf maart 2009 tot februari 2011 heeft [X] vele brieven en e-mails gestuurd aan [appellanten] en aan (de advocaat van) Samenwerking. De klachten betroffen harde muziek overdag tot laat in de avond en geblaf van de hond overdag en ’s avonds, zowel in de woning als in de tuin. Vanaf najaar 2010 gingen de klachten ook over hard zingen door [appellant sub 1] gedurende de hele dag en het continu slaan van deuren. De klachten namen in omvang en frequentie toe. [X] heeft hiervan zowel in 2009 als in 2010 dagstaten bijgehouden en aan Samenwerking gestuurd.
3.1.8

Ook [Y] heeft vanaf maart 2009 tot februari 2011 brieven en e-mails gestuurd naar [appellant sub 1] en (de advocaat van) Samenwerking met klachten over door [appellant sub 1] veroorzaakte geluidsoverlast, bestaande uit harde muziek, hondengeblaf en slaande deuren.
3.1.9

Vanaf april 2009 heeft Samenwerking [appellanten] herhaaldelijk uitgenodigd voor een gesprek over de klachten van de buren. Ook heeft Samenwerking voorgesteld een mediationtraject te starten. [appellanten] zijn op deze uitnodigingen en het voorstel tot mediation niet ingegaan. Vanaf eind 2010 heeft Samenwerking [appellanten] diverse malen gesommeerd met de door de buren gemelde geluidsoverlast te stoppen en daarbij aangekondigd eventueel een procedure te starten tot ontbinding van de huurovereenkomst.
3.1.10

In januari 2011 hebben Samenwerking en [appellant sub 1] een vaststellingsovereenkomst gesloten ter beëindiging van de huur per 1 maart 2011. Partijen zijn overeengekomen dat [appellant sub 1] een vergoeding voor de kosten van herhuisvesting ontvangt ter hoogte van € 5.327,–. Artikel 9 van de vaststellingsovereenkomst luidt als volgt:
“Partijen verklaren voor het overige, behoudens de normale voortdurende uit de huurovereenkomst voortvloeiende verplichtingen, niets van elkaar te vorderen hebben en verlenen elkaar over en weer finale kwijting. Dit betekent onder meer dat huurder zijn huurbetalingsverplichtingen zal nakomen, dat huurder de kosten van herstel van eventuele opleveringsgebreken aan de woning zal betalen en dat huurder geen huurprijs- en/of servicekostenprocedures aanhangig zal maken.”

3.1.11

Bij brief van 12 april 2011 heeft Samenwerking aan [appellant sub 1] bericht dat het bestuur van Samenwerking heeft besloten hem als lid te royeren (hierna: het royementsbesluit). Deze brief luidt, voor zover van belang, als volgt:
“In de periode 1 november 2008 tot 1 maart 2010 heeft u de woning [adres] bewoond. Tijdens deze periode zijn er door verschillende omwonenden klachten geuit naar aanleiding van de overlast die u heeft veroorzaakt. In verband hiermee hebben wij getracht deze overlast met u bespreekbaar te maken doch daaraan heeft u, ook niet na schriftelijke meldingen dienaangaande van onze jurist, geen gevolg gegeven hetgeen geresulteerd heeft in een vertrek uit de woning conform de vaststellingsovereenkomst die daaromtrent is afgesloten.
In verband met deze situatie heeft het Bestuur besloten u als lid te royeren, om er voor te zorgen dat u niet meer in de gelegenheid wordt gesteld een woning van “Samenwerking” te betrekken. Hierbij beroept het Bestuur van “Samenwerking” zich op artikel 17 van de statuten.
“Samenwerking”heeft in deze procedure een bedrag groot € 14.772,00 moeten uitgegeven, hetgeen voor de vereniging een schadepost is.
Overeenkomstig art. 17 lid 3 heeft u recht van beroep op de ledenraad.”

3.1.12

Bij brief van 17 juni 2011 heeft [Z] van DAS Rechtsbijstand namens [appellanten] beroep aangetekend tegen (in ieder geval) dit royementsbesluit.
3.1.13

Samenwerking heeft bij brief van 9 november 2011 aan [appellanten] bericht dat haar ledenraad het beroep ongegrond heeft verklaard (hierna: het besluit in beroep). Deze brief houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“(…)
Een commissie uit de Ledenraad heeft de heer [Z] en u op 13 juli 2011 gehoord over dit beroep. U heeft uw bezwaren tegen het besluit mondeling toegelicht.
De ledenraad heeft uw beroepschrift besproken en komt tot de volgende afwegingen:
1. De ledenraad is van oordeel dat de tussen u en “Samenwerking” gesloten vaststellingsovereenkomst alleen inhoudt dat de huurovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd, de woning wordt ontruimd en dat “Samenwerking” in verband hiermee een verhuiskostenvergoeding van 5327 euro zal toekennen. De vaststellingsovereenkomst was een oplossing voor het huurrechtelijke geschil tussen u en “Samenwerking”. In deze overeenkomst zijn naar het inzien van de Ledenraad geen verwachtingen gewekt omtrent het (behoud van het) lidmaatschap.(…)
2. Het bestuur beroept zich op artikel 17 van de statuten voor het uitspreken van het royement. Dit artikel van de Statuten van “Samenwerking” houdt in dat een lid uit het lidmaatschap kan worden ontzet wegens overtreding van (…) reglementen der vereniging (…).
 De ledenraad acht het aannemelijk dat er sprake is geweest van overlast. Deze overlast is door verschillende personen aan de directeur van “Samenwerking” gemeld. De enkele ontkenning door u acht de Ledenraad niet overtuigend. Het veroorzaken van overlast is in strijd met het huishoudelijk reglement (en ook met de wet).
 De ledenraad is daarom van oordeel dat het Bestuur grond heeft om zich op artikel 17 te beroepen.

3. De Ledenraad deelt de zienswijze van het Bestuur dat u vanwege de door u veroorzaakte overlast niet meer in de gelegenheid gesteld mag worden om een woning van “Samenwerking” te betrekken. De Statuten van “samenwerking” bieden geen mogelijkheid een lid het recht te ontzeggen naar een woning te dingen. De Ledenraad acht het daarom begrijpelijk en niet onredelijk dat het Bestuur heeft besloten u met een beroep op artikel 17 van de Statuten als lid te royeren. De Ledenraad van “Samenwerking” verklaart daarom uw beroep ongegrond.”
3.2

Voor zover in dit hoger beroep van belang hebben [appellanten] in de eerste aanleg gevorderd, kort samengevat, vernietiging van het royementsbesluit op grond van artikel 2:15 BW en veroordeling van Samenwerking tot betaling van schadevergoeding, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten en rente.
3.2.1

[appellanten] hebben aan hun vorderingen primair ten grondslag gelegd dat het royementsbesluit en het besluit in beroep vernietigbaar zijn wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die de totstandkoming van besluiten regelen. Subsidiair voeren zij aan dat Samenwerking in redelijkheid en billijkheid niet tot deze besluiten had kunnen komen omdat nooit is komen vast te staan dat [appellanten] overlast hebben veroorzaakt. Voorts stellen [appellanten] dat Samenwerking bij de besluitvorming onrechtmatig jegens hen heeft gehandeld, waardoor zij schade hebben geleden.
3.3

De rechtbank heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellanten] afgewezen, zowel op de primaire als op de subsidiaire grondslag. De primaire stelling miste naar het oordeel van de rechtbank feitelijke grondslag. Ten aanzien van de subsidiaire grondslag heeft zij overwogen dat Samenwerking bij afweging van alle betrokken belangen in redelijkheid en billijkheid tot het royementsbesluit heeft kunnen komen, gelet op het feit dat – kort samengevat – [appellanten] in beginsel bijna twee jaar lang structureel en in toenemende mate ernstige geluidsoverlast bij hun buren hebben veroorzaakt en geweigerd hebben met de buren en Samenwerking naar een gemeenschappelijke oplossing te zoeken, zodat hun belang om wederom een woning van Samenwerking te kunnen huren moet wijken voor het belang van Samenwerking het woongenot te verschaffen aan al haar (andere) leden/huurders.
3.3.1

Tegen deze beslissing en de daaraan ten grondslag liggende motivering komen [appellanten] met vijftien grieven op.
Totstandkoming royementsbesluit

3.4

Alvorens in te gaan op de vraag of het royementsbesluit (en het besluit in beroep) op inhoudelijke gronden in stand kan blijven, zal het hof grief 7 behandelen waarin [appellanten] aanvoeren dat de totstandkoming van dit besluit in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen:
(i) Volgens [appellanten] is alleen [appellant sub 1] bij brief van 12 april 2011 als lid geroyeerd en niet [appellante sub 2], omdat deze brief zich volgens de inhoud uitsluitend tot [appellant sub 1] richt en [appellante sub 2] eenzelfde aan haar gerichte (door Samenwerking eerst bij memorie van antwoord overgelegde) brief nooit heeft ontvangen;
(ii) In strijd met artikel 15 leden 2 en 3 van het huishoudelijk reglement heeft Samenwerking de Ledenraad niet geraadpleegd en verzuimd [appellanten] te wijzen op de mogelijkheid van beroep op de Ledenraad.

3.4.1

Het hof overweegt ten aanzien van de eerste stelling als volgt.
Daargelaten of [appellante sub 2] de aan haar gerichte brief van 12 april 2011 – tot royement – , die Samenwerking stelt haar te hebben gestuurd, heeft ontvangen, is niet in geschil dat de jurist van de DAS namens zowel [appellant sub 1] als [appellante sub 2] beroep heeft ingesteld tegen het royementsbesluit (zie 3.1.12). Dit vindt bevestiging in de tekst van het beroepschrift waarin wordt geschreven dat het bestuur van de vereniging heeft besloten ‘cliënten’ als leden te royeren en ook overigens consequent wordt gesproken van ‘cliënten’. De stelling van [appellante sub 2] dat de DAS slechts zekerheidshalve ook namens haar bezwaar heeft aangetekend, acht het hof niet onderbouwd, nu uit het beroepschrift niet valt op te maken dat ten aanzien van [appellante sub 2] een voorbehoud is gemaakt. Omdat bovendien [appellante sub 2] blijkens de (in zoverre onweersproken gebleven) brief van Samenwerking van 9 november 2011 naar aanleiding van haar bezwaar tegen het royementsbesluit door (een commissie uit) de ledenraad van Samenwerking is gehoord, kan niet worden volgehouden dat het royementsbesluit ten aanzien van [appellante sub 2] op onjuiste wijze is tot stand gekomen en op die grond vernietigbaar is.

3.4.2

[appellanten] hebben evenmin succes met hun tweede stelling dat Samenwerking heeft verzuimd de procedure als genoemd in artikel 15 van het huishoudelijk reglement te volgen. Hoewel dit artikel procedureregels bij overlast bevat, was het overlastgeschil reeds beslecht door het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst, zodat een beslissing van het bestuur hierover (lid 2) niet meer aan de orde was, evenmin als beroep op de Ledenraad (lid 3).
3.4.3

Uit het vorenstaande volgt dat de totstandkoming van het royementsbesluit ten aanzien van zowel [appellant sub 1] als [appellante sub 2] niet in strijd is met wettelijke of statutaire bepalingen. De grief faalt.
Inhoud royementsbesluit; overlast

3.5

De grieven 1 tot en met 3 en 8 tot en met 11 zien op de overlast als rechtsgrond voor het royement. Hiermee stellen [appellanten] zowel de door hen van anderen ondervonden (en in hun visie door de rechtbank niet meegewogen) overlast aan de orde als de klachten van buren over door [appellanten] veroorzaakte overlast. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.5.1

Volgens [appellanten] heeft de rechtbank ten onrechte hun klachten over geluidsoverlast buiten beschouwing gelaten, welke overlast haar oorzaak vond in het ontbreken van geluidsisolatie, en is zij er ten onrechte aan voorbijgegaan dat [appellanten] eerst de akoestische onderzoeken van de adviesbureaus Mosch en Tauw naar de – in hun woorden – slechte fysieke constitutie van de oude woningen wensten af te wachten alvorens verder te praten. Ook heeft de rechtbank ten onrechte geen acht geslagen op Hoofdstuk XVIII onder 4 in de algemene huurbepalingen van Samenwerking, op grond waarvan het niet is toegestaan in woningen op de eerste of hogere verdieping harde vloerbedekking aan te brengen, zoals parket, welke bepaling [X] als bewoonster van de eerste verdieping met een houten vloer niet heeft gerespecteerd. [appellanten] hebben de klachten van de buren van meet af aan weersproken en voor zover daadwerkelijk sprake was van overlast hield dit verband met de gebrekkige isolatie van de woningen, aldus [appellanten] Als verhuurder weigerde Samenwerking deze gebreken te verhelpen door het aanbrengen van verlaagde plafonds en geluidsdempers. Ten onrechte is het beeld ontstaan dat [appellant sub 1] de kwade genius is, terwijl vaststaat dat Samenwerking na het vertrek van [appellanten] wel geluidsisolerende maatregelen (het verlagen van de plafonds) heeft getroffen.
3.5.2

Met de onder 3.1.7 tot en met 3.1.9 weergegeven feiten en omstandigheden is voor het hof genoegzaam komen vast te staan dat [appellanten] bijna twee jaar lang structureel en in toenemende mate overlast hebben veroorzaakt en geweigerd hebben hierover met de buren en Samenwerking in overleg te treden om een gezamenlijke oplossing te zoeken. De stelling van [appellanten] dat Samenwerking hun klachten over de buren – waaronder die over de houten vloer bij [X] – niet in behandeling heeft genomen en heeft geweigerd maatregelen te treffen ter vermindering van de overlast, heeft Samenwerking gemotiveerd betwist. Samenwerking heeft onbestreden aangevoerd dat zij geluidsdempers en dubbel glas heeft aangebracht conform het advies van Mosch. Voorts heeft zij gemotiveerd uiteengezet dat zij conform haar beleid geen woningen in bewoonde staat renoveert maar dat pas doet bij woningmutaties, zodat zij eerst na het vertrek van [appellanten] is overgegaan tot het aanbrengen van een verlaagd plafond.
3.5.3

Gelet op de door [appellanten] veroorzaakte overlast en hun weigerachtige houding tot een oplossing te komen, heeft Samenwerking op goede gronden tot het royementsbesluit kunnen komen, welk besluit de Ledenraad in beroep eveneens op goede gronden in stand heeft gelaten. De grieven falen.
Vaststellingsovereenkomst

3.6

De grieven 4 en 13 hebben betrekking op rol die de vaststellingsovereenkomst speelt in relatie tot het royementsbesluit. Volgens [appellanten] was het geschil tussen partijen door de vaststellingsovereenkomst beslecht. Gelet op artikel 4 van die overeenkomst, waarin een directe verwijzing naar het lidmaatschap is opgenomen, verkeerden [appellanten] in de veronderstelling dat het lidmaatschap geen onderwerp van discussie zou worden, terwijl ook in de onderhandelingen voorafgaand aan deze overeenkomst met geen woord over de beëindiging van het lidmaatschap is gerept. Door [appellanten] kort na het sluiten van de vaststellingsovereenkomst als lid te royeren, heeft Samenwerking hen voor de overlastkwestie tweemaal gestraft, hetgeen in strijd is met de zorgplicht en de redelijkheid en billijkheid, aldus [appellanten]
3.6.1

Anders dan [appellanten] betogen, staat het feit dat eerst de vaststellingsovereenkomst is gesloten en vervolgens het royementsbesluit is genomen, aan de geldigheid van dat besluit niet in de weg. De vaststellingsovereenkomst was, zoals van de zijde van Samenwerking ook tijdens het pleidooi – onweersproken – naar voren is gebracht, een initiatief van [appellanten] respectievelijk de jurist van de DAS, waarbij [appellanten] hebben aangekondigd te willen verhuizen, mits tegen een financiële vergoeding. Deze overeenkomst, die ziet op beëindiging van de relatie tussen Samenwerking als verhuurder en [appellant sub 1] als huurder, is in januari 2011 tot stand gekomen en namens Samenwerking gesloten door haar directeur. Daaropvolgend heeft – naar door Samenwerking onvoldoende weersproken is aangevoerd – de directeur in de bestuursvergadering van Samenwerking van maart 2011 verslag gedaan van de overlastkwestie en het probleem van het lidmaatschap van [appellanten] aangekaart omdat [appellant sub 1] als bezitter van een oud lidmaatschapsnummer de eerste gegadigde zou zijn voor een andere woning. Vervolgens heeft het bestuur van Samenwerking als bevoegd orgaan in april 2011 het besluit tot royement van [appellanten] genomen.
3.6.2

Tegen deze achtergrond acht het hof de stelling van [appellanten], zakelijk, dat de directeur van Samenwerking tijdens het ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst al van plan was hen voor royement voor te dragen, onvoldoende feitelijk toegelicht. Gesteld noch gebleken is, voorts, dat op dat moment van de zijde van Samenwerking uitlatingen zijn gedaan over het voortduren van het lidmaatschap van [appellanten]. [appellanten] konden aan de enkele verwijzing naar het lidmaatschap in artikel 4 van de vaststellingsovereenkomst redelijkerwijs niet de verwachting ontlenen dat hun lidmaatschap zou blijven voortduren. De grieven kunnen dus niet slagen.
3.7

Uit het vorenstaande volgt dat Samenwerking in redelijkheid en naar billijkheid tot het royementsbesluit heeft kunnen komen. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat Samenwerking ook de belangen van haar andere huurders/leden dient te behartigen en hen dient te vrijwaren van overlast. Waar [appellanten] met grief 12 betogen dat Samenwerking aan het bestreden besluit ten onrechte mede ten grondslag heeft gelegd dat zij kosten heeft moeten maken, waaronder de verhuiskosten van [appellanten], wordt opgemerkt dat uit de tekst van het royementsbesluit blijkt dat de door [appellanten] veroorzaakte overlast het – dragende – argument voor royement is (zie 3.1.11). Nu dat argument voor royement volstaat, behoeft de vraag of de door Samenwerking gemaakte kosten eveneens een geldig argument voor royement kunnen zijn, geen beantwoording meer. Dit onderdeel van de grief is dus tevergeefs voorgedragen.
3.8

In grief 6 voeren [appellanten] aan dat Samenwerking jegens hen heeft gehandeld in strijd met haar zorgplicht. Aangezien het hof in het vorenstaande zowel de formele als materiële bezwaren van [appellanten] heeft besproken en verworpen, treft ook deze grief geen doel. Dit geldt eveneens voor de grieven 14 en 15 die geen zelfstandige betekenis hebben. Ook deze grieven zijn ongegrond.
3.9

De conclusie is dat de grieven falen, zodat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd en de vermeerderde eis moet worden afgewezen. [appellanten] zullen als in het ongelijk gestelde partij worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep. Het bewijsaanbod zal worden gepasseerd omdat dit niet is gebaseerd op voldoende geconcretiseerde stellingen die, indien bewezen, tot een ander oordeel kunnen leiden.

4Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en wijst de vordering, zoals in hoger beroep vermeerderd, af;

Ontzetting en vervaltermijn (WBE)

Rechtbank Overijssel 26 februari 2014
ECLI:NL:RBOVE:2014:1818

Een lid heeft een afspraak binnen een vereniging overtreden en de vereniging gaat over tot royement.
“Nu .. gesteld noch gebleken is dat [de vereniging] de afspraak op andere wijze dan door het opnemen in de notulen in 2008, (regelmatig) ter kennis van de leden heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat aan deze afspraak, na de wijziging van [het huishoudelijk reglement om dezelfde problematiek te regelen], geen werking meer toekomt als [besluit van de vereniging als] bedoeld in artikel 2:35 BW. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 2:35 BW aan de ontzetting stelt. Dit betekent dat het besluit [] nietig is en de gevorderde verklaring voor recht in die zin kan worden toegewezen.” De vervaltermijn van artikel 2:15 lid 5 ziet op  vorderingen tot vernietiging, niet op de verklaring voor recht dat het besluit nietig is.

Vonnis van 26 februari 2014
in de zaak van
[eiser] , eiser, tegen
de vereniging WILDBEHEEREENHEID STEENWIJKERWOLD EN OMSTREKEN , gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiser] en WBE genoemd worden.

2 De feiten
2.1.  [eiser] is jager en was in die hoedanigheid lid van de WBE.
2.2. Op 22 oktober 2011 ontvangt het bestuur van de WBE een brief van de heer [naam 1], eveneens lid van WBE. [naam 1] deelt hierin mede dat hij voor het uitoefenen van zijn jachtrecht sinds 2002 enkele percelen van de heer [naam 2] heeft gehuurd, alsmede dat deze jachthuurovereenkomst op 30 september 2011 is geëindigd. Hij vervolgt met:
“Eind september heb ik de heer [naam 2] verzocht deze overeenkomst te willen verlengen. Tijdens ons gesprek is mij gebleken dat de heer [eiser], buurtjager en eveneens lid van onze WBE enige actie heeft ondernomen teneinde de percelen voor hemzelf in te huren.
(…) Natuurlijk heeft de verhuurder in deze altijd het laatste woord, maar de manier van doen van de heer [eiser] vind ik laakbaar, onkies en zeer oncollegiaal.
(…)Verder meen ik dat onze statuten een dergelijke handelwijze niet toestaan.
Gaarne verneem ik van u op korte termijn uw standpunt in deze”

2.3. Bij brief van 7 januari 2012 deelt het bestuur aan [eiser] mee dat hij in afwachting van de jaarvergadering van 8 maart 2012 geschorst is als lid van de WBE. In de brief wordt verwezen naar een weergave van een deel van de notulen van 13 oktober 2008:

“Een lid van de WBE Steenwijkerwold e.o. zal geen jachtveld binnen de grenzen van onze WBE aannemen zonder voorafgaand overleg met de afgaande jager, lid zijnde van deze WBE. Dit mede om onderling respect en vertrouwen te handhaven. De vergadering stemt hier met overgrote meerderheid mee in.”
2.4.
Bij brief van 15 februari 2012 wordt door het bestuur van WBE aan [eiser] medegedeeld:
Naar aanleiding van uw gedrag inzake het verkrijgen van jachtgronden heeft het bestuur van de WBE Steenwijkerwold e.o. unaniem besloten uw lidmaatschap van de WBE te beëindigen.

Uw handelen was in strijd met de statuten van de WBE (zie artikel 9 lid 1, onder d).
(…)
Artikel 9
1. Het lidmaatschap eindigt:
d. door ontzetting. Dit kan alleen geschieden wanneer een lid of in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
(…)
Tijdens de jaarvergadering d.d. 8 maart 2012 zal het bestuur het besluit kenbaar maken aan de leden. Bij stemming hebben de leden het laatste woord. Als uit de stemming blijkt dat de meerderheid het besluit van het bestuur steunt, is de beëindiging van uw lidmaatschap definitief.

2.5.Bij brief van 26 maart 2012 schrijft [eiser]:

Naar aanleiding van uw brief van 14 maart 2012 inzake uw besluit mij het lidmaatschap van uw WBE te ontnemen, deel ik u mede het zeer te betreuren dat u het reeds ingenomen standpunt handhaaft. Zo er al sprake zou zijn van onjuist handelen mijnerzijds ben ik van mening dat de door u genomen maatregel buitenproportioneel is. Ik doe dan ook, op grond van artikel 9 lid 7 van de statuten, een beroep op de Algemene ledenvergadering van de WBE Steenwijkerwold en omgeving. (…)

2.6. Tijdens de algemene ledenvergadering van 11 oktober 2012 hebben partijen hun standpunten toegelicht, waarna een schriftelijke stemming heeft plaatsgevonden. Bij ruime meerderheid van stemmen heeft de algemene ledenvergadering zich uitgesproken voor de beëindiging van het lidmaatschap van [eiser].
2.7. [eiser] heeft het geschil met de WBE voorgelegd aan de geschillencommissie van Koninklijke Nederlandse Jagers Vereniging (KNJV). Gelet op het feit dat [eiser] op dat moment geen lid meer was van de WBE heeft de KNJV aan [eiser] het beroep op het Convenant Geschillencommissie ontzegd en is zij niet tot een inhoudelijke beoordeling overgegaan.
2.8. Op 24 februari 2010 heeft een wijziging van de statuten van WBE plaatsgevonden. Hierin is geen bepaling opgenomen van de strekking als weergegeven in rechtsoverweging 2.3.
2.9. Het huishoudelijk reglement van WBE is op 18 maart 2011 aangepast.

Artikel 17 luidt:
Het is de leden (…) verboden op enigerlei wijze te pogen, direct dan wel indirect, het jachtrecht en/of de toestemming om op die gronden te beheren en/of schade te bestrijden te verwerven op gronden waarop andere leden ditzelfde recht hebben verworven. (…) een en ander op verbeurte van een (…) boete van euro 1.000,– voor iedere overtreding of dag dat een overtreding voortduurt.

Vorenstaand verbod is niet van kracht indien (…) het initiatief tot verhuur respectievelijk tot toestemming voor beheer en schadebestrijding genomen wordt door de verhuurder.
2.10.

Op 21 november 2011 heeft de heer [naam 2] een schriftelijke verklaring afgelegd:

(…) Toen ik september jl. werd benaderd door de heer [naam 1], de vorige jachthouder, om het jachtrecht op betreffende gronden opnieuw te mogen pachten heb ik, om mij moverende redenen, besloten dit niet te doen.

Vervolgens heb ik geheel uit eigen beweging en ongevraagd, door wie dan ook, de heer [eiser] benaderd met het verzoek of hij betreffende gronden wilde pachten voor wat betreft het jachtrecht. (…)

3 Het geschil
3.1. [eiser] vordert voor recht te verklaren dat het besluit van de WBE tot beëindiging van het lidmaatschap van [eiser] d.d. 15 februari 2012 nietig is dan wel het besluit van de WBE tot beëindiging van het lidmaatschap van [eiser] d.d. 15 februari 2012 te vernietigen, met veroordeling van WBE in de kosten van dit geding, alsmede de nakosten.
3.2. WBE voert verweer.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
4.1. Kern van het geschil is of het besluit van 15 februari 2012 van de WBE om [eiser] te ontzetten uit zijn lidmaatschap in stand kan blijven, dan wel dat dit besluit als nietig of vernietigbaar moet worden aangemerkt.
4.2. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het besluit niet in stand kan blijven en voert daarbij aan dat de regel die is vastgelegd in de notulen van 13 oktober 2008 (rechtsoverweging 2.3) door de statutenwijziging in 2010 en wijziging in het huishoudelijk reglement in 2011 geen werking meer heeft. Hij verwijst daarbij naar artikel 17 van het huishoudelijk reglement en de verklaring van grondeigenaar [naam 2], als weergegeven in rechtsoverweging 2.10.

4.3. WBE betoogt dat [eiser] de gedragsregel uit 2008 heeft overtreden. Zij verwijt [eiser] dat hij niet met [naam 1] in overleg is getreden alvorens hij de overeenkomst met [naam 2] heeft gesloten en stelt zich voorts op het standpunt dat [eiser] in 2007 reeds een overeenkomst met [naam 1] is aangegaan met betrekking tot het onderhavige jachtgebied. Het handelen van [eiser] heeft tot grote onrust binnen de vereniging geleid.

4.4. De rechtbank stelt voorop dat ontzetting een zwaar middel is om een lidmaatschap van een verenigingte beëindigen. Ingevolge artikel 2:35 BW kan ontzetting alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Daarbij moet worden opgemerkt dat niet bij ieder handelen in strijd met statuten, regelementen of besluiten van de vereniging plaats is voor ontzetting. Bij niet ernstige schending van regels van de verenging ligt beëindiging door opzegging meer in de rede.

4.5. Op grond van artikel 2:15 lid 5 vervalt de bevoegdheid om vernietiging van een besluit te vorderen één jaar na de dag waarop hetzij aan het besluit voldoende bekendheid is gegeven, hetzij de belanghebbende van dat besluit kennis heeft genomen of daarvan is verwittigd. Gelet op de reactie van [eiser] op het besluit bij brief van 26 maart 2012 en de vordering tot vernietiging die bij dagvaarding van 30 juli 2013 is ingesteld, moet ambtshalve worden vastgesteld dat de vervaltermijn is verlopen en dat [eiser] daarmee geen beroep op vernietiging meer toekomt.
4.6. Ingevolge artikel 2:14 BW is een besluit van een rechtspersoon nietig als dit in strijd is met de wet of de statuten, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Onderhavig besluit tot ontzetting is gebaseerd op schending van een afspraak die in 2008 tijdens een algemene ledenvergadering is gemaakt en is opgenomen in de notulen van die vergadering.
Als door [eiser] gemotiveerd aangevoerd en door WBE onweersproken gelaten, staat vast dat artikel 17 van het huishoudelijk reglement ná 2008 (18 maart 2011) is uitgewerkt en vervangen door de huidige bepaling als weergegeven in rechtsoverweging 2.9, alsmede dat eerst na het incident met [eiser] op de website van WBE wordt verwezen naar de afspraak uit 2008.

In artikel 17 is geen plicht tot overleg met de voorgaande jager opgenomen. Indien WBE deze afspraak zo wezenlijk acht als zij heeft betoogd, had het in de rede gelegen de plicht tot overleg op te nemen bij de wijziging van de statuten dan wel bij de wijziging van artikel 17 van het huishoudelijk reglement. Dit geldt temeer nu in dit artikel gedetailleerd is omschreven welke vormen van concurrentie verboden zijn, welke uitzondering hierop van toepassing is en welke sanctie op overtreding van de bepaling staat. Van belang is immers dat voor leden duidelijk kenbaar is wat van hen verwacht wordt, van welke gedragingen zij zich dienen te onthouden en welk gevolg kan worden verbonden aan de overtreding van een regel. Nu WBE dit heeft nagelaten en voorts gesteld noch gebleken is dat zij de afspraak op andere wijze dan door het opnemen in de notulen in 2008, (regelmatig) ter kennis van de leden heeft gebracht, is de rechtbank van oordeel dat aan deze afspraak, na de wijziging van artikel 17 voormeld, geen werking meer toekomt als bedoeld in artikel 2:35 BW. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat niet is voldaan aan de vereisten die artikel 2:35 BW aan de ontzetting stelt. Dit betekent dat het besluit van 15 februari 2012 nietig is en de gevorderde verklaring voor recht in die zin kan worden toegewezen.

4.7. Voor zover WBE heeft willen betogen dat [eiser] in 2007, dan wel in 2012, op eigen initiatief [naam 2] heeft benaderd waardoor hij in strijd zou hebben gehandeld met artikel 17 het huishoudelijk reglement heeft WBE dit op geen enkele wijze onderbouwd met feiten en omstandigheden. Gelet op de verklaring van [naam 2] en de gemotiveerde betwisting van [eiser], had het op haar weg gelegen duidelijk te maken welke concrete gedragingen aan [eiser] worden verweten, alsmede wanneer en op welke wijze deze zouden hebben plaatsgevonden. Aangezien WBE heeft nagelaten haar stelling van een feitelijke grondslag te voorzien heeft WBE terzake niet aan haar stelplicht voldaan.
4.8.

5 De beslissing

De rechtbank
5.1. verklaart voor recht dat het besluit van WBE tot beëindiging van het lidmaatschap van [eiser] d.d. 15 februari 2012 nietig is;

Ontzegging (Waterkip)

Rechtbank Arnhem 11 juli 2011 (Waterkip)
ECLI:NL:RBARN:2011:BR3147



Deze uitspraak is even blijven liggen. Royement dochter vanwege gedrag ouders, terwijl dochter niets wordt verweten, is nietig. Daarnaast onzorgvuldige procedure: de ALV is bevoegd tot royeren, maar de uitnodiging voor de extra ALV is verhullend. “Dit maakt dat het besluit gezien de voorbereiding daarvan op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is. Het besluit is dan ook, voorshands geoordeeld, ingevolge artikel 2:15 aanhef en onder c Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.”

Vonnis in kort geding van 11 juli 2011
in de zaak van
1. [eiser .1], en 2. [eiser.2],
in hun hoedanigheid van ouders die het gezag uitoefenen over hun op [datum] geboren dochter [naam dochter], eisers, tegen
de vereniging BARNEVELDSE ZWEMCLUB “DE WATERKIP”, gedaagde,

Eisers zullen hierna gezamenlijk [eisers] worden genoemd en afzonderlijk [eis.1], [eis.2] en [dochter]. Gedaagde wordt hierna DWK genoemd.

1.2. Tijdens de mondelinge behandeling is door [eisers] overgelegd een beschikking d.d. 30 juni 2011 van de kantonrechter van de rechtbank Utrecht, locatie Amersfoort, waarbij hen machtiging is verleend tot het voeren van deze procedure.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eis.2] en [dochter] zijn sinds enige jaren lid van DWK.

2.2. [dochter] is een getalenteerd zwemster die uitkomt op het niveau van de Nederlandse kampioenschappen.

2.3. [eis.1] is vaak aanwezig bij de zwemlessen en -wedstrijden van [dochter].

2.4. Bij brief d.d. 24 februari 2011 heeft het bestuur van DWK onder meer het volgende aan [eis.1] geschreven:

Geachte heer [eis.1],

Naar aanleiding van ons gesprek van afgelopen maandagavond 21 februari 2011 deel ik u middels dit schrijven mede dat wij [dochter] het lidmaatschap van DWK per 1 maart 2011 ontzeggen.

De aanleiding hiertoe is uw gedrag welke als zeer storend wordt ervaren en een te grote negatieve sfeer binnen de vereniging heeft gecreëerd.

In meerdere gesprekken is naar voren gekomen dat u geen vertrouwen heeft in de kwaliteit van het technisch kader en het niet eens bent met de lopende gang van zaken binnen de vereniging. Hierover is een aantal gesprekken met u gevoerd door meerdere mensen. Dit heeft helaas tot niets geleid.

Tot onze spijt hebben wij tevens meerdere malen moeten vernemen dat u niet schroomt om uitlatingen te doen naar overige ouders over hetgeen u irriteert binnen de vereniging en maakt u daarbij gebruik van provocerende uitspraken die op anderen als bedreigend overkomen. Ook het technisch kader ervaart uw instelling als intimiderend en bedreigend. Dit kan en mag nooit de insteek zijn van een ouder / trainer relatie. (…)

Wij moeten helaas constateren dat door dit alles de verhoudingen ernstig verstoord zijn en er derhalve geen draagvlak meer is binnen het DWK trainersteam en de technische commissie [dochter] verder te trainen en begeleiden bij wedstrijden en zien geen andere uitweg dan haar het lidmaatschap van de vereniging te ontzeggen (…).

2.5. DWK heeft aan het gestelde in de brief van 24 februari 2011 geen gevolg gegeven.

2.6. Vervolgens heeft het bestuur van DWK bij brief d.d. 25 maart 2011 onder meer het volgende aan “de familie [eis.1]” geschreven:

(…) Op 28 februari hebben wij kennis genomen van het standpunt van de heer [eis.1], aangaande de kritiek die is geuit vanuit de vereniging op gedragingen die kunnen worden gekwalificeerd als:

– bedreigingen aan het adres van betrokken trainers,
– diverse keren provocerende en grievende uitspraken aan het adres van trainers en leden van commissies,
– meerdere malen druk op de organisatie uit te oefenen ten einde te trachten uw persoonlijk belang vóór dat van het algemeen belang van de vereniging te stellen.

U hebt aangegeven het niet eens te zijn met deze conclusies maar hebt de gedane uitspraken en voorvallen die aanleiding waren tot deze conclusies niet ontkend. Ons voorstel aan u niet meer aanwezig te zijn bij trainingen en wedstrijden waaraan door uw dochter wordt deelgenomen, werd door u verworpen.

Op 10 maart 2011 hebben wij kennis genomen van het standpunt van het technisch kader. Bovenstaande conclusies werden door commissie en trainers onderstreept. Tevens werd ons uit dit gesprek duidelijk dat ieder draagvlak op een vruchtbare voortzetting van de begeleiding van uw dochter (opmerking voorzieningenrechter: [dochter]) ontbreekt bij het voltallige technisch kader. (…)

Op 14 maart werd de vereniging door mevrouw [eis.2] geïnformeerd over vermeende seksuele handelingen, geconstateerd na gesprekken met zwemmers die in januari 2011 aanwezig waren op een meerdaagse wedstrijd met overnachting. Nadat vanuit het bestuur hierop werd aangedrongen, is geen openheid van zaken door u gegeven, dan wel extra informatie verstrekt, waardoor een aanzet tot verder onderzoek niet mogelijk was. Wij hebben derhalve moeten vaststellen dat u door vage verdachtmakingen willens en wetens de vereniging in een kwaad daglicht hebt willen stellen. Door deze correspondentie van uw kant, die u wijd hebt verspreid binnen de vereniging, hebt u diverse mensen die betrokken zijn bij de organisatie en begeleiding tijdens meerdaagse wedstrijden met overnachting grievend bejegend en schade toegebracht. Bovendien is door uw handelen het bestuur lang bezig geweest de ontstane onrust binnen de vereniging weg te nemen, met disproportioneel tijdbeslag tot gevolg, waardoor afhandeling van andere zaken in het gedrang is gekomen.

Al deze zaken tezamen leiden er toe dat wij geen draagvlak meer zien verder met u te willen samenwerken en wij zullen [dochter] daarom tijdelijk schorsen. Op grond van artikel 9, lid 6 van het verenigingsstatuut zijn wij als bestuur hiertoe bevoegd. Deze schorsing is tijdelijk, namelijk met onmiddellijke ingang van kracht tot het moment dat de ledenvergadering een uitspraak heeft gedaan het voorstel van het bestuur (ontzegging van het lidmaatschap van [naam dochter]) aan te nemen dan wel af te wijzen (…).


2.7. Vervolgens ontving [dochter] een uitnodiging voor een algemene ledenvergadering van DWK d.d. 11 mei 2011.

2.8. Op 9 mei 2011 heeft de advocaat van [eisers] DWK gesommeerd om tijdens de algemene ledenvergadering van 11 mei 2011 geen voorstel tot ontzetting van [dochter] uit het lidmaatschap te doen en in stemming te brengen.

2.9. Op 11 mei 2011 zijn [eisers] niet bij de algemene ledenvergadering aanwezig geweest. Tijdens deze vergadering heeft het bestuur een voorstel tot ontzetting van [dochter] uit het lidmaatschap in stemming gebracht, waarna het besluit door de algemene ledenvergadering is aangenomen.

2.10. Op 17 mei 2011 heeft DWK een aangetekende brief aan [dochter] gestuurd. In deze brief staat onder meer het volgende:

Hierbij deelt het bestuur van de Barnevelds Zwem- en Polovereniging DWK je mede dat in de ledenvergadering van 11 mei 2011 de leden van de vereniging in overgrote meerderheid het voorstel van het bestuur hebben gesteund jouw lidmaatschap bij de vereniging te beëindigen. Beëindiging van het lidmaatschap is ingevolge artikel 9, lid 7 van het verenigingsstatuut.

De redenen voor deze ontzetting uit het lidmaatschap zijn verwoord in een brief die wij eerder op 25 maart 2011 hebben verstuurd.
Het bestuur van DWK betreurt deze gang van zaken bijzonder, maar, gezien alle ontwikkelingen van de afgelopen maanden, zag zich genoodzaakt tot het nemen van deze zeer ongebruikelijke stap (…).

(Noot red.: Artikel 9 lid 7 statuten luidt:
Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen door de algemene vergadering worden uitgesproken, indien een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van organen van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.)

3. Het geschil

3.1. [eisers] vorderen dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad:

1. DWK zal verbieden iets te doen of te laten dat er toe strekt of ertoe leidt dat de rechten die [naam dochter] uit haar lidmaatschap van DWK ontleent, op enigerlei wijze worden beperkt of verminderd, op straffe van een dwangsom van

€ 1.000,00 voor iedere overtreding, vermeerderd met € 500,00 voor iedere dag of gedeelte daarvan dat zo’n overtreding voortduurt,

2. DWK zal gebieden om binnen zeven dagen na betekening van het te dezen wijzen vonnis op pagina 1, bovenaan, van de homepage van haar website, in dezelfde opmaak en lettergrootte als de overige mededelingen op die pagina, de hieronder vermelde tekst op te nemen en gedurende ten minste zes maanden geplaatst te houden, en voorts aan elk van de leden per aangetekende post een brief toe te sturen (onder toezending van kopieën van de bewijzen van ter postbezorging aan de raadsman van [eisers]) met de navolgende tekst:

“Ter uitvoering van hetgeen de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem DWK heeft opgedragen, wordt u hierbij medegedeeld dat [naam dochter] tijdens de algemene ledenvergadering van 11 mei 2011 ten onrechte uit haar lidmaatschap is ontzet. Dat besluit is in strijd met de statutaire bepalingen tot stand gekomen. [naam dochter] is daarom in al haar lidmaatschapsrechten hersteld”.

3. DWK zal veroordelen in de proceskosten.

3.2. DWK voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eis.1] en [eis.2] baseren hun vorderingen op vier gronden:

– de oproeping voor de algemene ledenvergadering is niet aan alle leden verstuurd en voor zover deze wel aan de leden is verstuurd is dat niet tijdig gebeurd,

– de agenda is te vaag, in die zin dat daarop geen voorstel tot ontzetting van [dochter] uit het lidmaatschap is geagendeerd,

– de statuten kennen niet de mogelijkheid tot ontzetting van [dochter] van het lidmaatschap wegens het gedrag van een derde, haar vader, en

– het besluit tot ontzetting van het lidmaatschap is genomen op ontoereikende gronden.

4.2. De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat de tweede en derde hiervoor weergegeven gronden elk de vorderingen kunnen dragen, waartoe het volgende wordt overwogen.

4.3. De ontzetting van een lid van een vereniging uit het lidmaatschap van die vereniging is een besluit met ernstige nadelige gevolgen voor dat lid. Dat besluit heeft bovendien een diffamerend karakter. Het besluit dient dan ook met een hoge mate van zorgvuldigheid te worden genomen, zowel inhoudelijk als ten aanzien van de wijze van totstandkoming.

4.4. De agenda voor de algemene ledenvergadering van 11 mei 2011 luidt als volgt:
1. Opening door de voorzitter (19:30)

2. vaststellen agenda

3. toelichting op algemene gang van zaken deze vergadering

4. toelichting voorstel bestuur (19:40)

5. standpunt verweerder

6. bestuur – tweede termijn (20:00)

7. verweerder – tweede termijn (20:10)

8. schriftelijke stemming en uitslag (20:20)

9. besluit vergadering (20:50)

10. sluiting (21:00)

4.5. Uit deze agenda kan dus niet worden afgeleid wat het voorstel onder punt 4 van de agenda inhoudt. De naam van [dochter] of die van [eis.1] of [eis.2] wordt niet genoemd.

4.6. Daargelaten het belang in dezen van de website van DWK, uit de vermelding daarop dat er een kwestie was tussen een jeugdlid en het bestuur die aan de algemene ledenvergadering zou worden voorgelegd, wordt evenmin duidelijk wat het voorstel onder punt 4 van de agenda inhoudt, en met name niet dat dat voorstel inhield de ontzetting van [dochter] uit het lidmaatschap van DWK.

4.7. Dit maakt dat het besluit gezien de voorbereiding daarvan op onzorgvuldige wijze tot stand gekomen is. Het besluit is dan ook, voorshands geoordeeld, ingevolge artikel 2:15 aanhef en onder c Burgerlijk Wetboek (BW) vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.

4.8. Daaraan kan niet afdoen dat [eis.1] en [eis.2] wisten, naar zij erkennen, dat bedoeld voorstel aan de algemene ledenvergadering zou worden voorgelegd. De zorgvuldigheid vergt immers dat alle leden die een uitnodiging voor de algemene ledenvergadering ontvangen, daaruit kunnen afleiden welke voorstellen aan de orde zullen komen en wat deze inhouden en zich daarover desgewenst kunnen uitspreken. Dat zij wellicht op informele wijze (via het geruchtencircuit) reeds op de hoogte zouden kunnen zijn, is niet relevant.

4.9. Het besluit moet naar het oordeel van de voorzieningenrechter voorts in strijd met de statuten van DWK worden geacht. Artikel 9 lid 7 daarvan luidt:

Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen door de algemene vergadering worden uitgesproken, indien een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van organen van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.

4.10. Het voorstel van het bestuur aan de algemene ledenvergadering en het besluit zijn niet overgelegd, maar naar de voorzieningenrechter begrijpt is de ontzetting van [dochter] uit haar lidmaatschap uitgesproken op grond van het optreden van [eis.1] en (in mindere mate) [eis.2]. [dochter] zelf wordt niets verweten. In de verhouding tussen DWK en [dochter] zijn [eis.1] en [eis.2] derden. De statuten voorzien uitsluitend in de mogelijkheid een lid uit het lidmaatschap te ontzetten op grond van handelen van het lid zelf. De statuten voorzien niet in de mogelijkheid van een dergelijke ontzetting op grond van handelen van derden. Dit laatste geldt ook nu, zoals tijdens de mondelinge behandeling namens DWK is verklaard, het bestuur van DWK geen mogelijkheden zag het probleem (op andere wijze) op te lossen.

4.11. Het besluit van de algemene ledenvergadering tot ontzetting van [dochter] uit het lidmaatschap van DWK is dus, voorshands geoordeeld, in strijd met de statuten en dus ingevolge artikel 2:14 lid 1 BW nietig.

4.12. Op grond van het bovenstaande is de vordering onder 1 toewijsbaar als hierna te melden. De vordering onder 2 is toewijsbaar, doch niet voor zover het betreft de toezending per aangetekende post van de brieven aan de leden; dit zou een te zware financiële last op DWK leggen. Bovendien ligt verzending per gewone post meer in lijn met de verzending van de agenda, die ook per gewone post is geschied.

4.13. De voorzieningenrechter vraagt zich overigens wel af of de vermelding op de website van de door [eis.1] en [eis.2] gewenste tekst wel in hun belang (en dat van [dochter]) is nu de naam van [dochter], naar de voorzieningenrechter begrijpt, tot nu toe niet op de website heeft gestaan en na plaatsing daar wel staat vermeld en volgens DWK voor heel Nederland zichtbaar is.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. verbiedt DWK vanaf drie dagen na de betekening van dit vonnis iets te doen of na te laten waardoor de rechten die [dochter] aan haar lidmaatschap van DWK ontleent, op enigerlei wijze worden beperkt of verminderd, zulks op straffe van een dwangsom van € 200,00 voor iedere overtreding, vermeerderd met € 100,00 voor iedere dag dat de overtreding voortduurt, met een maximum van € 20.000,00,

5.2. gebiedt DWK om binnen zeven dagen na betekening van dit vonnis op pagina 1, bovenaan, van de homepage van haar website, in dezelfde opmaak en lettergrootte als de overige mededelingen op die pagina, de hieronder vermelde tekst op te nemen en ten minste zes maanden geplaatst te houden, en voorts aan elk van de leden per post een brief toe te sturen met de navolgende tekst:

Ter uitvoering van hetgeen de voorzieningenrechter in de rechtbank Arnhem DWK heeft opgedragen, wordt u hierbij medegedeeld dat [naam dochter] tijdens de algemene ledenvergadering van 11 mei 2011 ten onrechte uit haar lidmaatschap is ontzet. Dat besluit is in strijd met de statutaire bepalingen tot stand gekomen. [naam dochter] is daarom in al haar lidmaatschapsrechten hersteld.

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.