Verenigingstuchtrecht en art. 6 EVRM

Conclusie AG Vlas 5 september 2014
ECLI:NL:PHR:2014:1743
Hoge Raad 24 oktober 2014 (art. 81 RO) ECLI:NL:HR:2014:3037
In cassatie op ECLI:NL:GHDHA:2013:5198

Zaak tussen oud-broeder en de Congregatie en de Provincie, dit zijn kerkelijke, rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen(*) van religieuzen binnen de Rooms Katholieke Kerk.


Hof, r.o. 14 : “[] Onderdeel van het canoniek recht is de wegzendingsprocedure waar de voorliggende zaak om draait. Het hof duidt die procedure als een tuchtrechtelijke procedure. Het staat de burgerlijke rechter niet vrij die tuchtrechtelijke procedure [] als beheerst door het canonieke en niet het Nederlands civiele recht, inhoudelijk te beoordelen. [] Slechts een marginale toetsing is toegelaten. [] In dat kader heeft [appellant] betoogd dat de wegzendingsprocedure getoetst moet worden aan art. 6 EVRM.

15. Inzake het verenigingstuchtrecht (zoals hier aan de orde) wordt toepasselijkheid van art. 6 EVRM niet aangenomen. Genoemde bepaling richt zich tegen de verdragstaten en de door hen ingerichte procedures en niet rechtstreeks tot de burgers. Dit betekent overigens niet dat van genoemde bepaling geen reflexwerking uit kan gaan in de relatie burgers en/of niet-publiekrechtelijke rechtspersonen onderling. Het begrip “eerlijk proces” (met name het recht van hoor en wederhoor en de mogelijkheid tot hoger beroep bij een onafhankelijke instantie) staat daarbij centraal. Vertaald naar de onderhavige zaak, komt het neer op de vraag of de wegzendingsprocedure de toets der kritiek (een eerlijke procedure) kan doorstaan. Het hof beantwoordt die vraag bevestigend. Daartoe overweegt het hof het volgende.”

AG: ” Terecht heeft het hof overwogen dat het de burgerlijke rechter niet vrijstaat deze tuchtrechtelijke procedure die beheerst wordt door het canonieke recht en niet door het Nederlandse civiele recht, inhoudelijk te toetsen en dat slechts een marginale toetsing kan plaatsvinden. De rechter kan slechts toetsen of sprake is van strijd met de wet, van strijd met de eigen tuchtrechtelijke regels en of de interne procedure met voldoende waarborgen is omkleed. Het is vaste rechtspraak dat tuchtrechtelijke beslissingen slechts beperkt kunnen worden getoetst.”

Het is mij niet duidelijk of deze overwegingen zonder meer van toepassing zijn op niet-religieuze verenigingen. In ieder geval r.o. 15 van het hof sluit aan bij het verenigingstuchtrecht, in contrast met de voorafgaande alinea die gebaseerd was op de toepasselijkheid van canoniek recht.


(*) Noot: heel misschien is dit in het kerkelijk recht niet een pleonasme. De eerlijkheid gebiedt te melden dat ik de formulering had overgenomen uit r.o. 1.1 van de conclusie.

Conclusie inzake: [eiser] (hierna: [eiser]) tegen
1. Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria (hierna: de Congregatie ),2. Nederlandse provincie van de Congregatie van de Broeders van de Onbevlekte Ontvangenis van de Heilige Maagd Maria (hierna: de Provincie).

Deze zaak heeft betrekking op de rechtspositie van een rooms katholiek geestelijke die zijn congregatie heeft moeten verlaten op grond van een kerkelijk wegzendingsbesluit. Aan de orde komt de vraag of met het wegzendingsbesluit de tussen partijen bestaande overeenkomst sui generis is beëindigd en de vraag of de burgerlijke rechter het wegzendingsbesluit volledig dan wel slechts marginaal kan toetsen.

1Feiten en procesverloop

1.1

De relevante feiten zijn als volgt. (1) De Congregatie en de Provincie zijn kerkelijke, rechtspersoonlijkheid bezittende verenigingen van religieuzen binnen de Rooms Katholieke Kerk. De Congregatie is een internationale organisatie met onder andere nationale afdelingen in Ghana en in Nederland. Aan het hoofd van de Congregatie staat de Generale Overste. De Provincie is de Nederlandse afdeling van de Congregatie met aan het hoofd de Provinciale Overste.
1.2

[eiser] is op 15 augustus 1962 in de Congregatie ingetreden als broeder en heeft bij zijn intrede de gelofte van gehoorzaamheid, celibaat en armoede afgelegd. Hij is daarbij lid geworden van de Provincie.
1.3

Op 11 maart 1984 is een overeenkomst tussen de Provincie en [eiser] tot stand gekomen, waarin onder andere is bepaald dat [eiser] voor onbepaalde tijd alleen mocht blijven wonen en voortaan uitsluitend zelf verantwoordelijk is voor huisvesting, werkkring, studie, vorming, verzekeringen, belastingen en besteding van zijn salaris. Volgens deze overeenkomst bleef [eiser] volwaardig broeder met alle rechten en plichten die daaraan verbonden zijn.
1.4

Van 1962 tot 1989 was [eiser] lid van de Provincie en vanaf 1989 tot november 2000 lid van de Ghanese provincie van de Congregatie.
1.5

Tussen [eiser] en de leiding van de Ghanese provincie is een conflict ontstaan. De Generale Overste van de Congregatie heeft [eiser] mondeling op de hoogte gebracht van zijn besluit [eiser] over te plaatsen naar de Provincie, welke overplaatsing in november 2000 schriftelijk aan [eiser] is bevestigd. [eiser] heeft daaraan geen gehoor gegeven, ook niet na herhaalde aanzegging zich bij de Provinciaal Overste in Nederland te melden, en is in Ghana gebleven.
1.6

Bij decreet van 21 november 2003 van de Generale Overste is [eiser] uit de Congregatie ontslagen op grond van ‘obstinate disobedience to the lawful orders of Superiors in grave matters’ en daarmee schending van zijn gelofte van gehoorzaamheid. Na bevestiging van dit decreet bij besluit van de Congregatie voor Religieuzen bij de Heilige Stoel heeft [eiser] daartegen bezwaar aangetekend. Bij besluit van 28 februari 2005 zijn de bezwaren van [eiser] ongegrond verklaard en is het decreet herbevestigd. [eiser] heeft daartegen beroep aangetekend bij de Vaticaanse rechtbank, de Signatura Apostolica, welk beroep op 2 maart 2006 ongegrond is verklaard. Het daartegen ingestelde bezwaar is door dezelfde rechtbank op 2 december 2006 definitief afgewezen.
1.7

De Provincie heeft bij brief van 6 december 2006 aan [eiser] bericht dat hij met ingang van de datum van de beslissing van de Signatura Apostolica (2 december 2006) niet langer lid van de Congregatie is.
1.8

[eiser] heeft vervolgens in 2007 een civiele procedure aangespannen tegen de Congregatie en de Provincie en gevorderd – kort weergegeven – een verklaring voor recht dat sprake is van een arbeidsovereenkomst die kennelijk onredelijk c.q. onregelmatig is opgezegd, alsmede vergoeding van materiële en immateriële schade.
1.9

De rechtbank Rotterdam heeft zich bij vonnis van 11 december 2007 bevoegd verklaard van de vorderingen kennis te nemen en overwogen dat partijen in het verdere verloop van de procedure de stellingen van [eiser] moeten uitdiepen dat (i) sprake is van schending van elementaire beginselen van een behoorlijke procesorde in de kerkelijke rechtsgang en (ii) naast de verbintenissen tussen partijen van meer kerkrechtelijke aard, er tevens een rechtsverhouding tussen partijen op grond van het civiele recht is ontstaan (een arbeidsovereenkomst of een overeenkomst sui generis). 2
1.10

Bij vonnis van 2 september 2008 heeft de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat de formele regels ten aanzien van de wegzendingsprocedure zijn nageleefd en dat de klachten over de kerkelijke rechtsgang moeten worden verworpen. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst, maar wel van een overeenkomst sui generis. Volgens de rechtbank moet worden beoordeeld of de wegzending niet tot een onredelijke financiële situatie voor [eiser] heeft geleid die de Congregatie en de Provincie zich hadden moeten aantrekken. Aan partijen is alsnog gelegenheid gegeven het debat hierover te voeren.
1.11

Bij vonnis van 17 maart 2009 heeft de rechtbank de vorderingen van [eiser] afgewezen, omdat uitgaande van de omstandigheid dat [eiser] recht heeft op AOW en op een ABP-pensioen er geen reden is om hem naar analogie van art. 7:681 BW een schadevergoeding toe te kennen en evenmin een vergoeding voor immateriële schade. 4
1.12

[eiser] heeft tegen deze vonnissen hoger beroep ingesteld. Bij arrest van 14 mei 2013 heeft het hof Den Haag de vonnissen bekrachtigd. Het hof heeft daartoe overwogen dat zeker na de overeenkomst van 11 maart 1984 de relatie van partijen niet aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst voldoet (rov. 7). Volgens het hof is de verhouding van partijen aan te merken als een overeenkomst sui generis, die wel vermogensrechtelijke aspecten bevat (rov. 9). Van materiële schade is aan de kant van [eiser] door de wegzending geen sprake, omdat de wegzending waarmee de overeenkomst sui generis werd beëindigd, niet ertoe heeft geleid dat [eiser] verstoken was van inkomsten en niet meer kon voorzien in eigen onderhoud (rov. 10). De schade die volgens [eiser] door zijn wegzending ontstaat omdat hij geen aanspraak meer kan maken op verzorging door de Congregatie en de Provincie tot zijn levenseinde en hij daardoor genoodzaakt is zelf een regeling te treffen, is door [eiser] op geen enkele manier gespecificeerd of nader onderbouwd (rov. 12). Over de stelling van [eiser] dat de kerkelijke wegzendingsprocedure niet voldoet aan art. 6 EVRM, heeft het hof overwogen dat de wegzendingsprocedure als een tuchtrechtelijke procedure moet worden geduid en dat in het verenigingstuchtrecht de toepasselijkheid van art. 6 EVRM niet wordt aangenomen. Wel kan een reflexwerking van art. 6 EVRM worden aanvaard en moet de vraag worden beantwoord of de wegzendingsprocedure als een eerlijke procedure kan worden beschouwd. Volgens het hof moet deze vraag bevestigend worden beantwoord en is de wegzendingsprocedure naar behoren verlopen (rov. 14-19).
1.13

[eiser] heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het arrest van het hof. De Congregatie en de Provincie hebben verweer gevoerd. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht, gevolgd door re- en dupliek.

2Bespreking van het cassatiemiddel

2.1

Het cassatiemiddel voert tegen het bestreden arrest vier klachten aan. De eerste klacht valt uiteen in vier onderdelen. Onderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 3, 6 en 10 van het arrest en betoogt dat, nu vaststaat dat partijen een overeenkomst sui generis voor het leven hebben gesloten, welke overeenkomst is geamendeerd door de overeenkomst van 11 maart 1984, het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de bekrachtiging van het wegzendingsdecreet door de Signatura Apostolica niet alleen een einde heeft gemaakt aan het lidmaatschap van [eiser] van de Provincie maar ook aan de overeenkomst sui generis en dit oordeel als uitgangspunt te nemen voor de beoordeling van de vorderingen van [eiser].Onderdeel 1.2 betoogt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat niet zonder toelichting valt in te zien waarom het lidmaatschap van de Provincie met de overeenkomst sui generis zou moeten worden vereenzelvigd respectievelijk waarom het royement van [eiser] als lid van de Provincie tevens de beëindiging inhield van de overeenkomst sui generis zonder dat daarvoor een nadere beëindigingshandeling naar Nederlands recht had plaatsgevonden. Onderdeel 1.3 voert aan dat zelfs indien zou moeten worden geoordeeld dat het lidmaatschap van [eiser] van de Provincie zou moeten worden vereenzelvigd met de overeenkomst sui generis, het hof in rov. 10 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat door de wegzending de overeenkomst sui generis werd beëindigd, terwijl de wegzending slechts zag op het lidmaatschap van de Provincie. Onderdeel 1.4 betoogt dat het voorgaande ook rov. 9 t/m 20 van het bestreden arrest aantast.
2.2

Deze klachten kunnen gezamenlijk worden behandeld. In de kern genomen verdedigen de klachten de opvatting dat het lidmaatschap van [eiser] van de Provincie los moet worden gezien van de tussen [eiser] en de Provincie gesloten overeenkomst van 11 maart 1984. De klachten kunnen niet tot cassatie leiden. In rov. 3 heeft het hof de (vaststaande) feiten van de zaak weergegeven en in rov. 6 het standpunt van [eiser]. In rov. 10 heeft het hof geoordeeld dat [eiser] door zijn wegzending geen materiële schade heeft geleden. Volgens het hof heeft de wegzending waarmee de overeenkomst sui generis werd beëindigd, niet ertoe geleid dat [eiser] verstoken was van inkomsten en niet meer kon voorzien in het eigen onderhoud. Het hof heeft in rov. 7 – onbestreden in cassatie – overwogen dat zeker na de overeenkomst van 11 maart 1984 de relatie van partijen niet aan de kenmerken van een arbeidsovereenkomst in de zin van art. 7:610 BW voldoet. Op de vraag hoe de relatie van partijen dan wel moet worden gekwalificeerd, heeft het hof in rov. 9 – eveneens onbestreden in cassatie – overwogen dat deze verhouding moet worden aangemerkt als een overeenkomst sui generis. Het hof heeft vervolgens in rov. 10 overwogen dat met de wegzending de overeenkomst sui generis werd beëindigd. Daarmee heeft het hof geenszins een onderscheid gemaakt tussen enerzijds het lidmaatschap van [eiser] van de Provincie en anderzijds de overeenkomst van 11 maart 1984.
2.3

Voor zover de klachten betogen dat het hof in rov. 9 dit onderscheid wel heeft gemaakt, berusten zij op een verkeerde lezing van het arrest. Voor zover de klachten betogen dat het hof dit onderscheid ten onrechte niet heeft gemaakt, wordt miskend dat in het onderhavige geval sprake is van één rechtsverhouding, die – onbestreden in cassatie – is gekwalificeerd als een overeenkomst sui generis. De overeenkomst van 11 maart 1984 staat niet los van het lidmaatschap van [eiser] van de Provincie, zoals ook duidelijk uit deze overeenkomst blijkt. Daarin is uitdrukkelijk bepaald dat [eiser] ‘volwaardig broeder f.i.c.’ blijft met alle rechten en plichten die daaraan verbonden zijn. De relatie tussen [eiser] en de Provincie als een overeenkomst sui generis heeft een gemengd karakter met religieuze en civielrechtelijke aspecten. Door de bekrachtiging van het wegzendingsbesluit en daarmee de beëindiging van het lidmaatschap van [eiser] van de Provincie is een einde gekomen aan de rechtsverhouding tussen [eiser] en de Provincie die als overeenkomst sui generis is geduid. De overeenkomst sui generis kan niet voortbestaan zonder het lidmaatschap van de Congregatie. Het oordeel van het hof is voorts begrijpelijk en voldoende gemotiveerd in het licht van de gedingstukken. 10 Op het voorgaande stuiten de klachten 1.1 t/m 1.4 af.
2.4

De tweede klacht betoogt onder 2.1 dat – kort samengevat – het hof in rov. 14 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door te oordelen dat de burgerlijke rechter de uitspraak van de verenigingstuchtrechter aangaande de wegzending slechts marginaal kan toetsen, terwijl een volledige toetsing zou moeten plaatsvinden. Onder 2.2 wordt betoogd dat zonder nadere toelichting niet begrijpelijk is waarom de door de Provincie en de Congregatie aan het wegzendingsbesluit ten grondslag gelegde reden als deugdelijk moet worden aangemerkt.
2.5

Het hof heeft in rov. 14 de wegzendingsprocedure geduid als een tuchtrechtelijke procedure, hetgeen in cassatie niet is bestreden. Terecht heeft het hof overwogen dat het de burgerlijke rechter niet vrijstaat deze tuchtrechtelijke procedure die beheerst wordt door het canonieke recht en niet door het Nederlandse civiele recht, inhoudelijk te toetsen en dat slechts een marginale toetsing kan plaatsvinden. De rechter kan slechts toetsen of sprake is van strijd met de wet, van strijd met de eigen tuchtrechtelijke regels en of de interne procedure met voldoende waarborgen is omkleed. Het is vaste rechtspraak dat tuchtrechtelijke beslissingen slechts beperkt kunnen worden getoetst. 11 De klacht onder 2.1 faalt mitsdien. Voor het overige bouwen de klachten voort op de eerdere klachten en delen zij het lot daarvan.
2.6

De derde klacht betoogt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door onder meer (i) in rov. 9 niet te oordelen dat de tussen partijen gesloten overeenkomst voor het leven niet opzegbaar is, althans (ii) door niet ten minste te oordelen dat de overeenkomst moet worden aangemerkt als een ‘duurovereenkomst zonder beëindigingsregeling’ en dat de overeenkomst daarom hooguit beëindigd kan worden wegens een zwaarwegende reden, en (iii) dat uit de gedingstukken niet blijkt dat de overeenkomst is beëindigd zolang hij nog voortduurt.
2.7

De klacht mist feitelijke grondslag, omdat [eiser] in feitelijke instanties niet heeft gesteld dat de tussen partijen gesloten overeenkomst een overeenkomst voor het leven betreft die niet opzegbaar zou zijn. Voor het overige bouwt de klacht voort op de eerdere klachten en faalt hij ook om die reden.
2.8

In de vierde klacht wordt betoogd dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door niet te onderzoeken of de reden voor de wegzending van [eiser] moet worden aangemerkt als een ‘zwaarwegende reden voor beëindiging’. Ook deze klacht bouwt voort op de voorgaande klachten en faalt mitsdien.
2.9

Ik geef Uw Raad in overweging de zaak af te doen met toepassing van art. 81 lid 1 RO.

3Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden

A-G

1Zie rov. 3 van het arrest van het hof Den Haag van 14 mei 2013, alsmede rov. 2.1-2.6 van het tussenvonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, van 11 december 2007 en rov. 2.2-2.3 en 2.6 van het tussenvonnis van 2 september 2008.
2Zie rov. 6.5 van het vonnis van 11 december 2007.
3Zie rov. 2.19 van het vonnis van 2 september 2008.
4Zie rov. 3.2-3.4 van het vonnis van 17 maart 2009.
5In rov. 7 van het arrest wordt abusievelijk 13 maart 1984 als datum van de overeenkomst vermeld.
6Zie nr. 3.13 van de s.t. zijdens [eiser].
7De tekst van de overeenkomst is geciteerd in rov. 3 van het bestreden arrest.
8Zie Asser/Rensen 2-III* 2012, nr. 393; zie in het algemeen P. T. Pel, Geestelijken in het recht, diss. Groningen 2013, p. 365-370.
9Vgl. HR 29 december 1911, W 9272, m.nt. E.M. Meijers en HR 28 januari 1959, NJ 1959/170. In beide arresten is overwogen dat personen die tot een kerkgenootschap behoren ‘onderling zijn verbonden door een tweeledigen voor geen splitsing vatbaren band: een van godsdienstigen of ideëlen aard en tegelijkertijd een band van wereldlijken of materiëlen aard beantwoordende aan burgerrechtelijken kenmerken’.
10Zie dagvaarding in eerste aanleg onder 20; conclusie van repliek in eerste aanleg onder 34; MvG onder 47 en 215; pleitnota zitting hof zijdens [eiser] onder 1 en 9.
11Zie in dit verband HR 19 december 2003, ECLI:NL:2003:AN7818, NJ 2004/559, m.nt. C.J.H. Brunner, en de conclusie van A-G Timmerman vóór dit arrest (ECLI:NL:PHR:2003:AN7818), onder 3.5 met vermelding van verdere literatuur.

Opgave van redenen bij royement (RTO)

Rechtbank Rotterdam 22 oktober 2014
ECLI:NL:RBROT:2014:8659

Toetsing van een besluit tot ontzetting (royement) aan de procedurele regels en aan de redelijkheid en billijkheid.



Met betrekking tot de feiten die aan het besluit ten grondslag liggen zijn genoemd ‘het gedrag’ en ‘het niet naleven van de statuten van RTO en het huishoudelijk reglement van RAT’. Hoewel summier, is de rechtbank van oordeel dat deze omschrijving voldoet aan de eis van ‘opgave van redenen’ als bedoeld in artikel 2:53 lid 4 BW en het noemen van ‘feiten’ als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de Statuten. De ratio van deze bepaling is immers dat het betrokken lid verweer kan voeren tegen zijn ontzetting bij (het door de statuten aangewezen orgaan dan wel) de rechter. Nu [eiser] bij de [ALV] aanwezig was en de verwijten van RTO aan [eiser] bovendien ook in het [al eerder gevoerde] kort geding aan de orde zijn geweest, kon RTO in de gegeven omstandigheden in de brief van 31 december 2013 volstaan met de beknopte beschrijving van de redenen voor de ontzetting.”(r.o. 4.13)


Een besluit tot ontzetting werkt onmiddelijk, niet pas vanaf kennisgeving ervan, wat in dit geval uitdrukkelijk in de statuten geregeld was, maar volgens de rechtbank ook de wettelijke regeling is (r.o. 4.11)

Vonnis van 22 oktober 2014in de zaak van[eiser] tegen de coöperatie R.T.O. ROTTERDAMSE TAXI ONDERNEMING U.A. gedaagde

Partijen zullen hierna [eiser] en RTO genoemd worden.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 6 augustus 2014
  • het proces-verbaal van comparitie van 8 september 2014 en de daaraan gehechte brief aan [eiser] van 17 juni 2014 van de Wethouder Haven, Duurzaamheid, Mobiliteit en Organisatie van de gemeente Rotterdam.

2De feiten

2.1.

Tussen RTO en Rotterdam The Hague Airport B.V. (hierna: de luchthaven) bestaat een concessieovereenkomst op grond waarvan het taxivervoer van en naar de luchthaven voor een deel aan RTO is toegekend. Met betrekking tot de uitvoering van de concessieovereenkomst is een coördinerende rol aan de Stichting Rotterdam Airport Taxi (hierna: RAT) toegekend.
2.2.

[eiser] is taxichauffeur van beroep. Als lid van RTO was hij op grond van een (sub)concessieovereenkomst in de gelegenheid was om taxivervoer van en naar de luchthaven uit te voeren. [eiser] beschikte hiervoor over diverse toegangspassen en een parkeerontheffing.
2.3.

Naar aanleiding van klachten van passagiers over [eiser] heeft RTO op 7 juli 2013 [eiser] het gebruik van zijn concessieplaats ontzegd. [eiser] heeft daarop in kort geding gevorderd deze maatregel op te schorten totdat hierover in een bodemprocedure zou zijn beslist. De voorzieningenrechter heeft de vordering van [eiser] in het vonnis van 28 november 2013 toegewezen, onder de opschortende voorwaarde dat [eiser] binnen twee weken na de datum van het vonnis te zake van het geschil over de concessie een bodemprocedure aanhangig heeft gemaakt en tot het moment dat het lidmaatschap van [eiser] van RTO rechtsgeldig is beëindigd. [eiser] heeft geen bodemprocedure binnen veertien dagen aanhangig gemaakt.
2.4.

Op 18 december 2013 heeft een buitengewone algemene ledenvergadering van RTO plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering heeft het bestuur van RTO voorgesteld om [eiser] op grond van artikel 10 van de statuten van RTO (hierna: de Statuten) als lid te ontzetten. Dit artikel luidt als volgt:
1. Ontzetting uit het lidmaatschap kan geschieden op grond dat een lid:
a. handelt in strijd met de statuten, enig krachtens deze statuten vastgesteld reglement of een besluit van de algemene ledenvergadering of van het bestuur;
b. zijn verplichtingen tegenover de vereniging niet nakomt;
c. opzettelijk de vereniging benadeelt;
(…)
2. De ontzetting wordt uitgesproken door de algemene ledenvergadering op voorstel van het bestuur, onder vermelding van de feiten waarop het besluit tot ontzetting is gegrond, van welk besluit het bestuur schriftelijk mededeling doet aan het betrokken lid; ook deze mededeling zal de feiten behelzen waarop het besluit tot ontzetting is gegrond.
3. Een lid te wiens aanzien ontzetting is uitgesproken, houdt op lid te zijn met ingang van de dag, waarop de algemene ledenvergadering die uitspraak heeft gedaan.
Het voorstel tot ontzetting is met twintig stemmen voor en vijf stemmen tegen aangenomen.

2.5. RTO heeft [eiser] bij brief van 31 december 2013 onder meer het volgende geschreven:
“Naar aanleiding van de gehouden leden vergadering op 18-12-2013 over gedrag
en het niet naleven van de statuten van de R.T.O. en het huishoudelijk reglement van de R.A.T. heeft er een schriftelijke stemming (…) plaatsgevonden. (…) Naar aanleiding van deze stemming heeft de voorzitter (…) u per direct het royement aangezegd en u verzocht de vergadering te verlaten. 
Bij deze deelt het bestuur van R.T.O. schriftelijk mede dat wij de samenwerking en het lidmaatschap per 31-12-2013 met u hebben beëindigd.”

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert – samengevat – het besluit van de algemene ledenvergadering van RTO van 18 december 2013, houdende de ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van RTO, te vernietigen en RTO te veroordelen [eiser] in staat te stellen gebruik te kunnen maken van de concessieplaats, onder andere door het verstrekken aan [eiser] van de benodigde toegangspassen en de parkeerontheffing, onder verbeurte van een dwangsom van € 5.000,00 voor iedere dag dat RTO in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen. [eiser] vordert voorts RTO te veroordelen tot betaling van een schadevergoeding wegens gemaakte kosten ad € 6.500,00 exclusief btw en een vergoeding van gederfde inkomsten van € 2.200,00 bruto per maand, vanaf 8 juli 2013 tot en met de datum dat hij de exploitatie van het taxivervoer van en naar de luchthaven weer kan hervatten
3.2.

[eiser] stelt daartoe het volgende. Het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap is vernietigbaar omdat er in strijd is gehandeld met artikel 2:15 lid 1 sub a en sub b BW. De royementsbrief vermeldt niet de feiten die ten grondslag liggen aan de ontzetting. Voorts zijn de specifieke gedragingen die hem worden verweten niet aan de orde geweest tijdens de algemene ledenvergadering en staan deze evenmin vermeld in de opzeggingsbrief. [eiser] heeft de notulen, oproepingsbrief en machtigingen niet kunnen controleren en geen verweer kunnen voeren tegen de beweerdelijke klachten. Zijn vordering tot schadevergoeding is gebaseerd op de stelling dat RTO onrechtmatig heef gehandeld door hem keer op keer op oneigenlijke wijze de uitoefening van zijn lidmaatschap en subconcessieovereenkomst te ontzeggen.
3.3.

RTO concludeert tot afwijzing van de vordering en voert daartoe aan dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij zijn vordering. RTO stelt zich voorts op het standpunt dat het besluit tot ontzetting van [eiser] als lid geldig is, omdat aan alle formaliteiten is voldaan en dat als hij weer lid zou worden, hij geen taxivervoer op de luchthaven mag verzorgen De door [eiser] gestelde schade wordt door RTO betwist.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

In geschil is de vraag of het besluit van RTO van 18 december 2013 om [eiser] te ontzetten als lid vernietigd moet worden. Eerst dient echter beoordeeld te worden of [eiser] voldoende belang heeft bij zijn vordering tot vernietiging van dit besluit.
Voldoende belang bij de vordering

4.2.

RTO heeft aangevoerd dat [eiser] bij zijn vordering onvoldoende belang heeft in de zin van artikel 3:303 BW. RTO heeft hiertoe in de eerste plaats aangevoerd dat vernietiging van het besluit niet tot gevolg heeft dat [eiser] van de concessie gebruik kan maken. Daarnaast stelt zij dat RTO [eiser] niet als lid kan toelaten, omdat hij niet aan de gemeentelijke eisen voldoet. Ten derde heeft RTO [eiser] inmiddels opnieuw aangeboden om lid te worden.
4.3.

Vernietiging van het besluit brengt niet noodzakelijk mee dat [eiser] van de concessie gebruik kan maken. Het lidmaatschap van RTO is echter wel één van de voorwaarden om van de concessie gebruik te kunnen maken. [eiser] heeft dan ook belang bij (voortzetting van) het lidmaatschap van RTO.
4.4.

RTO heeft voorts aangevoerd dat zo lang [eiser] niet voldoet aan de eisen die de gemeente stelt aan taxichauffeurs, zij hem niet kan toelaten als lid. Uit de artikel 9 van de Taxiverordening Rotterdam 2013 blijkt dat taxichauffeurs in Rotterdam over een zogenoemde RTX-vergunning dienen te beschikken. Deze vergunning wordt verleend wanneer de chauffeur (a) is aangesloten bij een Toegelaten Taxi Organisatie (zoals RTO) en (b) in het bezit is van een certificaat dat wordt afgegeven door de Stichting Kwaliteitsverbetering Rotterdamse Taxi (het SKRT-certificaat). Voorts volgt uit artikel 2 onder b van het Uitvoeringsbesluit Taxiverordening Rotterdam 2013 dat alle bij een Toegelaten Taxi Organisatie aangesloten chauffeurs over een SKRT-certificaat dienen te beschikken. Volgens RTO heeft [eiser] tot op heden geweigerd de opleiding te volgen om het SKRT-certificaat te verkrijgen.
4.5.

[eiser] heeft niet weersproken dat hij niet in het bezit is van een SKRT-certificaat. Dit betekent dat hij ook niet kan beschikken over een RTX-vergunning. [eiser] heeft echter gesteld dat voor vervoer van en naar de luchthaven geen (RTX)vergunning vereist is. Uit de door [eiser] ter comparitie overgelegde brief van 17 juli 2014 van de Wethouder Haven, Duurzaamheid, Mobiliteit en Organisatie van de gemeente Rotterdam blijkt dat de taxistandplaats op het terrein van de luchthaven een niet-openbare standplaats betreft, waardoor deze niet onder de Taxiverordening Rotterdam 2013 valt. De Wethouder bevestigt in deze brief dat voor het uitvoeren van taxivervoer van en naar deze locatie op dit moment geen RTX-vergunning nodig is. Hoewel RTO kennelijk voornemens is om deze eis wel aan haar leden te stellen, heeft zij ter comparitie erkend dat dit besluit nog niet formeel genomen is. Daarbij is door RTO niet weersproken dat [eiser] alsnog een RTX-vergunning zou kunnen verkrijgen door zijn SKRT-certificaat te behalen. Voor de onderhavige procedure heeft dit tot gevolg dat het niet beschikken over een RTX-vergunning niet afdoet aan het belang van [eiser] bij zijn vordering tot vernietiging van het besluit tot ontzetting als lid van RTO.
4.6.

Door RTO is voorts aangevoerd dat zij [eiser] bij brief van 2 juni 2014 heeft aangeboden (opnieuw) lid te worden. Volgens haar is daarmee het belang van [eiser] bij zijn vordering tot vernietiging van het besluit van 18 december 2013 komen te ontvallen. Dit verweer slaagt niet. [eiser] heeft er immers belang bij dat wordt vastgesteld of hij in de periode vanaf 18 december 2013 lid is gebleven van RTO, onder meer ten behoeve van de vraag of hij recht heeft op vergoeding van in deze periode gederfde inkomsten.
4.7.

Uit het voorgaande moet geconcludeerd worden dat [eiser] voldoende belang heeft bij zijn vordering en daardoor ontvankelijk is.
Vernietiging besluit wegens strijd met statutaire bepalingen

4.8.

Volgens [eiser] is het op 18 december 2013 genomen besluit vernietigbaar wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (artikel 2:15 lid 1 onder a BW). Uit artikel 10 lid 2 van de Statuten volgt dat de ontzetting van een lid kan worden uitgesproken door de algemene ledenvergadering op voorstel van het bestuur, onder vermelding van de feiten waarop besluit tot ontzetting is gegrond. Deze procedure is in overeenstemming met de wettelijke regeling van artikel 2:53a in verbinding met 2:35 BW.
4.9.

RTO heeft de oproepingsbrief van 2 december 2013 voor de buitengewone algemene ledenvergadering van 18 december 2013 in het geding gebracht. [eiser] heeft tijdens de comparitie van partijen erkend dat hij deze brief heeft ontvangen. Tevens staat vast dat [eiser] bij de betreffende vergadering aanwezig is geweest. Dat het voorgenomen besluit aan [eiser] als betrokkene nog eens apart aangezegd had moeten worden, zoals door hem ter zitting is gesteld, blijkt niet uit artikel 10 van de Statuten. De hierin genoemde mededeling ziet immers op het door de algemene ledenvergadering genomen besluit en niet op het voorstel hiertoe van het bestuur. De oproepingstermijn van een bijzondere algemene ledenvergadering bedraagt veertien dagen op grond van artikel 22 lid 3 in verbinding met artikel 21 lid 2 van de Statuten. Niet in geschil is dat deze termijn door RTO in acht is genomen.
4.10.

In de brief van 2 december 2013 is duidelijk vermeld dat het onderwerp van de vergadering de ontzetting van [eiser] als lid van de coöperatie op grond van artikel 10 lid 1 onder a, b en/of c van de Statuten betreft. Ter onderbouwing van grond b is daarbij vermeld dat (1) er herhaaldelijk is geklaagd omdat [eiser] meerdere malen klanten onheus zou hebben bejegend, (2) dat [eiser] zijn gedrag ondanks waarschuwingen niet heeft verbeterd en (3) dat [eiser] taxivervoer heeft aangeboden zonder in het bezit te zijn van een RTX-vergunning. Ter onderbouwing van grond c is vermeld dat RTO Eneco als klant heeft verloren, doordat [eiser] één van de klanten van Eneco onheus heeft bejegend. Naar het oordeel van de rechtbank is het op de buitengewone algemene ledenvergadering te behandelen agendapunt hiermee voldoende duidelijk omschreven als bedoeld in artikel 22 lid 1 van de Statuten.
4.11.

Partijen verschillen van mening over de vraag of het ‘pakket klachten’ over [eiser] aan de leden ter beschikking is gesteld. Een verplichting om de schriftelijke stukken (anders dan de rekening en verantwoording) vooraf toe te zenden of op de vergadering ter inzage te leggen volgt niet uit de Statuten. Weliswaar dienen de leden over voldoende informatie met betrekking tot het voorgenomen besluit te beschikken, maar dit hoeft niet per definitie schriftelijk te gebeuren. Dat op dit onderdeel de bepalingen omtrent totstandkoming zijn geschonden, is dan ook niet vast komen te staan.
4.12.

[eiser] vermoedt dat het besluit niet aan de formele vereisten voldoet. Hiermee doelt hij kennelijk op de wijze van stemmen, nu het feit dat RTO geen gehoor heeft gegeven aan zijn verzoek om hem afschriften van de bij de stemming gebruikte volmachten en de schriftelijke stemmen te doen toekomen, hem in dit vermoeden sterkt. Vooropgesteld moet worden dat er geen wettelijke of statutaire bepaling is die [eiser] het recht op inzage in of op een afschrift van deze documenten geeft. Voorts heeft [eiser] niet onderbouwd om welke reden de stemmingsprocedure als omschreven in artikel 23 van de Statuten niet correct zou zijn verlopen. De gang van zaken omtrent de stemming, zoals beschreven in de door RTO bij conclusie van antwoord overgelegde notulen van de bijzondere algemene ledenvergadering, is door [eiser] niet weersproken. De hierin beschreven stemwijze is in overeenstemming met de Statuten. Nu het vermoeden dat de ‘formele vereisten’ met betrekking tot de stemming niet zijn nageleefd niet nader is onderbouwd, is onvoldoende vast komen te staan dat de stemming niet correct is verlopen.
4.13.

Uit artikel 10 lid 2 van de Statuten volgt dat het besluit tot ontzetting schriftelijk moet worden medegedeeld aan het betrokken lid, waarin tevens de feiten worden vermeld waarop het besluit tot ontzetting is gegrond. In de brief van 31 december 2013 is voldoende duidelijk verwoord dat [eiser] als lid is ontzet (in de brief: ‘geroyeerd’). Met betrekking tot de feiten die aan het besluit ten grondslag liggen zijn genoemd ‘het gedrag’ en ‘het niet naleven van de statuten van RTO en het huishoudelijk reglement van RAT’. Hoewel summier, is de rechtbank van oordeel dat deze omschrijving voldoet aan de eis van ‘opgave van redenen’ als bedoeld in artikel 2:53 lid 4 BW en het noemen van ‘feiten’ als bedoeld in artikel 10 lid 3 van de Statuten. De ratio van deze bepaling is immers dat het betrokken lid verweer kan voeren tegen zijn ontzetting bij (het door de statuten aangewezen orgaan dan wel) de rechter. Nu [eiser] bij de vergadering van 18 december 2013 aanwezig was en de verwijten van RTO aan [eiser] bovendien ook in het kort geding aan de orde zijn geweest, kon RTO in de gegeven omstandigheden in de brief van 31 december 2013 volstaan met de beknopte beschrijving van de redenen voor de ontzetting.
4.14.

Uit artikel 10 lid 3 van de Statuten volgt dat de ontzetting aanvangt op de dat de algemene ledenvergadering de uitspraak heeft gedaan. Uit de notulen en de brief van 31 december 2013 volgt dat [eiser] per direct als lid is ontzet en verzocht is de vergadering te verlaten. In de brief van 31 december 2013 is echter tevens medegedeeld dat het lidmaatschap per 31 december 2013 wordt beëindigd. Deze opmerking, die niet in overeenstemming met de wettelijke en statutaire regeling is, wijkt af van de eerder gedane mededelingen van RTO. Voor zover RTO het lidmaatschap toch tot het einde van het jaar heeft gecontinueerd, is [eiser] daardoor niet benadeeld. Het levert derhalve geen gebrek in de totstandkoming van het besluit op dat vernietiging hiervan rechtvaardigt.
4.15.

Uit het voorgaande volgt dat de oproeping voor de vergadering, de agendering, het ter beschikking stellen van stukken, de wijze van stemming en de mededeling van het besluit aan het betrokken lid niet in strijd zijn met wettelijke of statutaire bepalingen. Het beroep op vernietiging op grond van artikel 2:15 lid 1 onder a BW slaagt daarom niet.
Vernietiging besluit wegens strijd met redelijkheid en billijkheid

4.16.

Door [eiser] is voorts aangevoerd dat het besluit vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist (artikel 2:15 lid 1 onder b BW). Hiervan is slechts sprake wanneer de algemene ledenvergadering bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen in redelijkheid en naar billijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.
4.17.

Hierboven is reeds vastgesteld dat de formaliteiten met betrekking tot de besluitvorming in acht zijn genomen. Met betrekking tot de inhoud van het besluit wordt opgemerkt dat niet alle genoemde grondslagen deugdelijk onderbouwd zijn. Zo is niet inzichtelijk gemaakt welke statutaire regels [eiser] volgens RTO heeft overtreden. Daarnaast is, aangenomen dat Eneco als gevolg van het optreden van [eiser] geen klant meer van RTO is, niet onderbouwd dat van een opzettelijke benadeling van RTO door [eiser] sprake is. Voorts is door RTO intussen erkend dat een overtreding van het Huishoudelijk Reglement van de RAT geen grondslag kan bieden voor ontzetting als lid van RTO. Verder is hierboven reeds vastgesteld dat een RTX-vergunning niet vereist is voor taxivervoer van en naar de luchthaven.
4.18.

Uit de stukken blijkt echter duidelijk dat de kern van het conflict tussen partijen gelegen is in het gedrag van [eiser] jegens klanten en andere chauffeurs, zoals ook in het kort geding al aan de orde is geweest. [eiser] heeft aangevoerd dat de klachten op de algemene ledenvergadering niet of nauwelijks aan de orde zijn geweest en dat hij geen gelegenheid heeft gekregen om zich hiertegen te verweren. [eiser] heeft echter onweersproken gelaten dat de in de door RTO overgelegde notulen een juiste weergave van hetgeen op de vergadering is besproken is opgenomen. Uit deze notulen volgt dat er in ieder geval twee klachten inhoudelijk zijn besproken (één van Eneco en één van een Engelse dame). Tevens blijkt uit het verslag dat [eiser] in de gelegenheid is gesteld om hierop te reageren, waarna een woordenwisseling zou zijn ontstaan. Van een schending van elementaire rechtsbeginselen in de ontzettingsprocedure lijkt dan ook geen sprake.
4.19.

Op grond van het voorgaande is voldoende vast komen te staan dat voor alle betrokkenen duidelijk was om welke redenen werd voorgesteld om [eiser] als lid te ontzetten. Voort staat vast dat [eiser] hier tijdens de vergadering zijn visie op heeft kunnen geven. De genoemde klachten van passagiers raken de kern van de dienstverlening als taxichauffeur en kunnen, ondanks het belang van [eiser] bij het lidmaatschap, aanleiding zijn voor een besluit tot ontzetting. De stemprocedure hierover is correct verlopen. Hierdoor is onvoldoende gebleken dat de algemene ledenvergadering in redelijkheid en billijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen. Het besluit is daardoor evenmin vernietigbaar op grond van artikel 2:15 lid 1 onder b BW.
Gebruik concessieplaats

4.20.

Hierboven is geoordeeld dat er geen grond is voor vernietiging van het besluit van 18 december 2013. Het besluit tot ontzetting van [eiser] als lid van RTO blijft dus in stand. Nu [eiser] geen lid meer is van RTO, kan hij geen aanspraak meer maken op gebruikmaking van de concessie tot taxivervoer, nu deze concessie juist op het lidmaatschap van RTO is gebaseerd. De vordering tot gebruikmaking van de concessie zal daarom worden afgewezen, evenals de daaraan verbonden vorderingen tot het verschaffen van toegangspassen en een parkeerontheffing en de aan deze vordering gekoppelde dwangsom.
Schadevergoeding

4.21.

[eiser] heeft gesteld dat RTO jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door ‘hem keer op keer op oneigenlijke wijze de uitoefening van zijn lidmaatschap te ontzeggen’. Volgens [eiser] loopt hij hierdoor sinds 8 juli 2013 inkomsten mis.
4.22.

Niet in geschil is dat [eiser] vanaf 8 juli 2013 geen gebruik meer van de concessie heeft kunnen maken. Uit het voorgaande volgt dat [eiser] hier in ieder geval vanaf 18 december 2013 geen recht meer op had, omdat hij per deze datum niet langer lid was van RTO. Dat [eiser] in de tussenliggende periode geen taxivervoer heeft kunnen uitvoeren van en naar de luchthaven is het gevolg van het besluit van RTO van 7 juli 2013 om de concessieplaats van [eiser] te beëindigen. Dit besluit was onderwerp van het tussen [eiser] enerzijds en RTO en RAT anderzijds gevoerde kort geding. In onderhavige geschil is de rechtmatigheid van het beëindigen van de concessieplaats op 7 juli 2013 door RTO echter door [eiser] slechts zijdelings aan de orde gesteld. Dat RTO onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld, is dan ook onvoldoende onderbouwd. Hoewel de voorzieningenrechter aanleiding heeft gezien RTO in het kort geding voorwaardelijk (mede) te veroordelen om de aan [eiser] opgelegde maatregel tot beëindiging van de concessie te schorsen, betreft dit slechts een ordemaatregel (waarbij [eiser] overigens niet aan de voorwaarde tot het binnen twee weken instellen van een bodemprocedure heeft voldaan). Op grond van deze uitspraak kan dan ook niet worden aangenomen dat RTO onrechtmatig heeft gehandeld. De vordering tot vergoeding van gederfde inkomsten en advocaatkosten is dan ook niet toewijsbaar.
Proceskosten

4.23.

De beslissing
De rechtbank

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van RTO tot op heden begroot op € 2.796,00, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na uitspraak van dit vonnis tot aan de dag der voldoening;

veroordeelt [eiser], indien hij niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan de veroordeling voldoet, tot betaling van € 131,00 aan nakosten, verhoogd met € 68,00 aan betekeningskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt, vermeerderd met de wettelijke rente over de nakosten vanaf veertien dagen na aanzegging van de nakosten aan [eiser] tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. Boer en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2014.

Niet toelaten leden (Tuinwijk hoger beroep)

Gerechtshof Amsterdam 14 oktober 2014
ECLI:NL:GHAMS:2014:4257
Hoger beroep van Rb. Noord-Holland 21 maart 2014

Een persoon staat jaren als “kandidaat-lid” op de wachtlijst van een “kleine” woningbouwvereniging die alleen verhuurt aan leden. Tegen de tijd dat de kandidaat vrij hoog op de wachtlijst staat, wordt hij geschrapt van de kandidatenlijst, in eerste intantie zonder opgaaf van redenen. De rechtbank had de vereniging bij wijze van voorlopige voorziening veroordeeld om eiser op de oude plek op kandidatenlijst terug te plaatsen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter na een marginale toetsing van het besluit tot schapping van de kandidatenlijst, welk besluit dus zelfs een marginale toetsing niet kan doorstaan.

GERECHTSHOF AMSTERDAM

arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 14 oktober 2014
inzake de vereniging WONINGBOUWVERENIGING TUINWIJK-NOORD , [] appellante, [] tegen: geïntimeerde] , [] geïntimeerde

2 Feiten
De kantonrechter heeft in het bestreden vonnis onder a. tot en met i. de feiten opgesomd die zij tot uitgangspunt heeft genomen. Deze feiten zijn in hoger beroep niet in geschil en dienen derhalve ook het hof als uitgangspunt. Die feiten zijn de volgende.
a. Tuinwijk-Noord is een kleine woningbouwvereniging die het verhuren van woningen aan haar leden ten doel heeft.
b. In de statuten van Tuinwijk-Noord is, voor zover relevant, vermeld:

leden

4. Leden van de vereniging zijn natuurlijke personen niet wie een huurovereenkomst is aangegaan.

kandidaatleden

5.1.

Kandidaatleden zijn natuurlijke personen van achttien jaar en ouder, die schriftelijk aan het bestuur te kennen hebben gegeven in aanmerking te willen komen voor huur van een woning van de vereniging en die door het bestuur als zodanig zijn toegelaten.
5.2.

Tegen het besluit tot niet toelating als kandidaat-lid is geen beroep bij de vereniging mogelijk.
Het bestuur dient haar beslissing schriftelijk te motiveren.
c. [geïntimeerde] heeft tot 1 november 2003 een woning aan de [adres] te [woonplaats 2] van Tuinwijk-Noord gehuurd. Die huurovereenkomst is door opzegging zijdens [geïntimeerde] geëindigd.
d. Op 3 november 2003 heeft Tuinwijk-Noord aan [geïntimeerde] geschreven:
Hierbij berichten wij u over de acceptatie van de schone oplevering van [adres]. Zoals u al telefonisch is medegedeeld zijn er nog een aantal zaken niet voor elkaar: (…). Wij zouden graag van u willen weten wanneer u dit in orde wilt gaan brengen, deze week is er nog de mogelijkheid voor u om het zelf op te lossen, daarna zal het gedaan moeten worden met als gevolg dat er een rekening open komt te staan op uw naam. (…).
e. In reactie daarop heeft [geïntimeerde] op 3 november 2003 geschreven:
Zoals gevraagd in de brief d.d. 3 september (…) heb ik op woensdag 29 oktober j.l. met de heer [inspecteur] een afspraak gemaakt om de eindinspectie te laten verrichten in de woning aan de [adres]. Deze eindinspectie vond plaats op zaterdag 1 november om tien uur in de ochtend. (…) De heer [inspecteur] heeft de woning op dat moment zonder enig bezwaar goedgekeurd en na het invullen van de meterstanden heeft de heer [inspecteur] de sleutels in ontvangst genomen: op dat moment was de inspectie afgerond. (…) Ik heb de procedure correct afgehandeld en wens verschoond te blijven van verdere correspondentie. (…).
f. Op 5 maart 2009 is [geïntimeerde] bij Tuinwijk-Noord ingeschreven als kandidaat-lid voor een eengezinswoning.
g. Bij brief van 16 augustus 2013 heeft Tuinwijk-Noord aan [geïntimeerde] geschreven:
Op basis van recent door ons ontvangen informatie over de periode van uw eerdere lidmaatschap van Woningbouwvereniging Tuinwijk Noord heeft het bestuur zich genoodzaakt gezien u per direct, en zonder enige opgaaf van redenen, te verwijderen van de kandidatenlijst van onze Woningbouwvereniging.
h. In reactie daarop heeft [geïntimeerde] bij brief van 22 augustus 2013 zijn verbazing over het
besluit van Tuinwijk-Noord uitgesproken, verzocht om hem te laten weten op basis van welke informatie dat besluit genomen is, hoor en wederhoor toe te passen en hem weer op de kandidatenlijst te plaatsen.
i. Bij brief van 15 september 2013 heeft Tuinwijk-Noord aan [geïntimeerde] geschreven:
Naar aanleiding van uw brief van 22 augustus 2013 kunnen wij u niet meer mededelen dan dat het bestuur met voortschrijdend inzicht tot het besluit is gekomen om u te verwijderen van de kandidatenlijst van onze Woningbouwvereniging.

3Beoordeling

3.1

[geïntimeerde] heeft in eerste aanleg, na eiswijziging, gevorderd dat bij wijze van voorlopige voorziening Tuinwijk-Noord op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,= per dag wordt bevolen binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis hem en zijn gezin op een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen plaats op de kandidatenlijst te plaatsen. Hij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat Tuinwijk-Noord jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld althans wanprestatie heeft gepleegd door hem vijf jaar nadat hij als kandidaat-lid was toegelaten, van de kandidatenlijst te schrappen, zonder dat daarvoor een deugdelijke reden bestaat en zonder dat de statuten en het huishoudelijk reglement van Tuinwijk-Noord daartoe de mogelijkheid bieden.[geïntimeerde] stelt een spoedeisend belang te hebben bij zijn vordering, omdat hij op grond van de hoge positie op de kandidatenlijst die hij had verkregen, binnen afzienbare termijn in aanmerking kan komen voor de door hem gewenste grotere eengezinswoning.
3.2

Tuinwijk-Noord heeft de vordering van[geïntimeerde] gemotiveerd weersproken.
Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter het verweer van Tuinwijk-Noord verworpen en de vordering van[geïntimeerde] toegewezen, met veroordeling van Tuinwijk-Noord in de kosten van het geding.

3.3.1

Hetgeen de kantonrechter met betrekking tot het spoedeisend belang heeft overwogen komt neer op het volgende. [geïntimeerde] heeft door zijn jarenlange inschrijving een zodanige positie op de kandidatenlijst verworven, dat niet valt uit te sluiten dat hij binnen afzienbare termijn een woning toegewezen zou kunnen krijgen. Ter handhaving van de door hem verworven positie heeft [geïntimeerde] een spoedeisend belang bij zijn vordering. Tuinwijk-Noord bestrijdt deze overwegingen met grief I .
3.3.2

Ter toelichting op haar grief voert Tuinwijk-Noord aan dat [geïntimeerde] op dit moment over een huurwoning beschikt, geen speciale banden heeft met de buurt waarin de woningen van Tuinwijk-Noord zijn gelegen en ook geen speciale woonbehoeften heeft die door middel van de woningen van Tuinwijk-Noord kunnen worden bevredigd. Met de overweging dat [geïntimeerde] belang heeft bij handhaving van zijn positie op de kandidatenlijst miskent de kantonrechter volgens Tuinwijk-Noord dat plaatsing op die lijst nog niet garandeert dat hem ook een woning zal worden aangeboden, omdat Tuinwijk-Noord niet verplicht is een huurovereenkomst met [geïntimeerde] aan te gaan. Ook had [geïntimeerde] aannemelijk behoren te maken dat binnen afzienbare termijn een woning voor verhuur aan hem beschikbaar zou komen. Door die eis niet te stellen heeft de kantonrechter haar de mogelijkheid onthouden haar bezwaren nader met bewijs te onderbouwen, aldus Tuinwijk-Noord.
3.3.3

Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat [geïntimeerde] voldoende spoedeisend belang heeft bij zijn vordering, omdat hij een betrekkelijk hoge positie op de kandidatenlijst had verworven (namelijk nummer 18 per mei 2013, voor een bestand van 136 woningen), die maakt dat het niet uitgesloten is dat binnen afzienbare tijd een woning voor hem beschikbaar komt. Van[geïntimeerde] kan niet worden geëist dat hij aannemelijk maakt dat die woning daadwerkelijk binnen afzienbare tijd beschikbaar zal komen, aangezien niet valt te voorspellen met hoeveel huurbeëindigingen Tuinwijk-Noord in de komende tijd zal worden geconfronteerd.
3.3.4

Ook al is Tuinwijk-Noord bij het beschikbaar komen van een woning niet zonder meer gehouden met de bovenste kandidaat op de lijst een huurovereenkomst aan te gaan – waarover hierna onder 3.4.8 meer – , toch heeft[geïntimeerde] er belang bij om bij wijze van voorlopige voorziening zijn positie op die lijst te behouden, omdat hij op die manier zicht kan houden op het verloop van de kandidatenlijst en zijn mogelijkheid om een woning te huren. Aan dat belang doet niet af dat[geïntimeerde] op dit moment reeds over een huurwoning in [woonplaats 2] beschikt en geen bijzondere binding heeft met de buurt waarin de woningen van Tuinwijk-Noord zich bevinden of andere speciale woonbehoeften. Hij heeft immers vijf jaar geleden door zijn inschrijving als kandidaat-lid al blijk gegeven van zijn wens een woning van Tuinwijk-Noord te huren. Grief I is tevergeefs voorgedragen.
3.4.1

Grief II behelst de klacht dat de kantonrechter bij de toetsing van het besluit tot schrapping van [geïntimeerde] van de kandidatenlijst een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Volgens Tuinwijk-Noord heeft de kantonrechter ten onrechte overwogen dat de vordering van [geïntimeerde] alleen toewijsbaar is als zijn belang bij toelating tot de vereniging veel groter is dan het belang van de vereniging bij haar weigering. [Deze grief is mij niet geheel duidelijk, PdL] Met de grieven III en IV bestrijdt Tuinwijk-Noord de wijze waarop de kantonrechter de wederzijdse belangen heeft gewogen. Grief V betreft de grondslag van de vordering van [geïntimeerde]. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.
3.4.2

In het midden kan blijven of de kantonrechter heeft beoogd een andere maatstaf aan te leggen dan Tuinwijk-Noord voorstaat. Met juistheid heeft de kantonrechter in ieder geval overwogen dat het bestreden besluit op dezelfde manier moet worden beoordeeld als een weigering tot toelating tot een vereniging, zodat bij de beoordeling van het besluit van Tuinwijk-Noord de vrijheid van vereniging uitgangspunt is en dat besluit in rechte slechts marginaal kan worden getoetst. Die marginale toetsing houdt in dat dient te worden beoordeeld of het besluit tot verwijdering van de kandidatenlijst onder de gegeven omstandigheden in strijd is met hetgeen volgens ongeschreven recht jegens [geïntimeerde] betaamt en derhalve jegens hem onrechtmatig is.
3.4.3

Met haar betoog dat het belang van [geïntimeerde] bij het huren van een woning van Tuinwijk-Noord zich niet onderscheidt van dat van ieder ander, miskent Tuinwijk-Noord dat [geïntimeerde] ten tijde van het besluit al vier jaar lang op de kandidatenlijst had gestaan en daaraan bepaalde verwachtingen heeft mogen ontlenen. Weliswaar brengt naar het voorlopig oordeel van het hof het feit dat de statuten en het huishoudelijk reglement van Tuinwijk-Noord niet regelen dat een eenmaal toegelaten kandidaat op een later moment alsnog van de lijst kan worden verwijderd, niet met zich dat (het bestuur van) Tuinwijk-Noord het recht kan worden ontzegd een dergelijk besluit te nemen met overeenkomstige toepassing van hetgeen in de statuten is bepaald over de weigering tot plaatsing op de lijst, maar het feit dat door een besluit tot schrapping van de kandidatenlijst verworven rechten worden afgenomen heeft wel implicaties voor de wijze waarop het bestuur de belangen van de kandidaat moet wegen; het belang van[geïntimeerde] om een woning van Tuinwijk-Noord te kunnen huren moet zwaarder wegen dan dat van een willekeurige derde. Door zijn langdurige inschrijving heeft [geïntimeerde] inmiddels een groot belang bij zijn inschrijving op de kandidatenlijst, ook al ontbreken speciale banden of woonbehoeften.
3.4.4

Tuinwijk-Noord heeft haar besluit tot schrapping van [geïntimeerde] van de kandidatenlijst in hoofdzaak doen steunen op door hem en zijn gezin gedurende zijn eerdere lidmaatschap veroorzaakte overlast en de wijze waarop hij in 2003 zijn woning aan Tuinwijk-Noord heeft opgeleverd.
3.4.5

Volgens Tuinwijk-Noord heeft de kantonrechter door te overwegen dat Tuinwijk-Noord de door haar gestelde overlast onvoldoende heeft onderbouwd en haar tegen te werpen dat[geïntimeerde] in het verleden nooit is aangesproken op het veroorzaken van overlast, de complexiteit van overlastproblematiek, zeker binnen een kleine vereniging als Tuinwijk-Noord, miskend. Het hof volgt haar niet in dit betoog. Uit de door Tuinwijk-Noord in eerste aanleg overgelegde verklaring van [X] blijkt dat deze destijds naast [geïntimeerde] woonde. Tuinwijk-Noord heeft zelf gesteld dat [X] destijds voorzitter was van de vereniging. Het toenmalige bestuur van Tuinwijk-Noord kon dus als geen ander van eventuele overlast op de hoogte zijn. Ook al is Tuinwijk-Noord een (zeer) kleine vereniging met een weinig professioneel bestuur, van dat bestuur had toch mogen worden verwacht dat het [geïntimeerde] en zijn gezin erop zou aanspreken als zij overlast veroorzaakten. Op die manier zou hun tijdig de gelegenheid zijn geboden hun leven te beteren. Met de kantonrechter acht het hof de onderbouwing van de gestelde overlast bovendien uiterst summier; naast een korte en in algemene termen gestelde verklaring van [X] betreft het bewijs een opsomming van anonieme uitlatingen van eveneens tamelijk algemene aard. Deze opsomming vertoont op bepaalde punten opvallende overeenkomsten met een later ingetrokken verklaring van de voormalige secretaris [Y], waarvan de toonzetting in flagrante strijd is met de joviale beantwoording van de opzeggingsbrief van [geïntimeerde] in 2003 door diezelfde secretaris. Op grond van een en ander is niet voldoende aannemelijk geworden dat[geïntimeerde] en zijn gezin in de periode van 2001 tot en met 2003 overlast hebben veroorzaakt in een mate die thans, mede in aanmerking nemende dat hij daarop nooit is aangesproken, een zwaarwegende grond oplevert voor schrapping van de kandidatenlijst.
3.4.6

Hetzelfde geldt voor de wijze waarop [geïntimeerde] in 2003 zijn woning aan Tuinwijk-Noord heeft opgeleverd. Uit de brief van Tuinwijk-Noord van 3 november 2003 kan het hof niet afleiden dat [geïntimeerde] de woning, in de woorden van twee van de anonieme verklaringen, als een “puinhoop” of “vreselijk vies” heeft achtergelaten. Voorts heeft het bestuur van Tuinwijk-Noord niet meer gereageerd nadat [geïntimeerde] zich in zijn brief van 3 november 2003 op het standpunt had gesteld dat de woning bij de inspectie door [inspecteur] was goedgekeurd en hij daarom niet gehouden was de geconstateerde mankementen te herstellen. Door vervolgens niet uit te leggen waarom[geïntimeerde] toch verplicht was tot herstel van de gebreken heeft Tuinwijk-Noord hem niet de gelegenheid geboden alsnog de eventuele onjuistheid van zijn standpunt in te zien en de opleveringsgebreken te herstellen. Het hof acht het onjuist dat Tuinwijk-Noord [geïntimeerde] pas tien jaar later van een en ander een verwijt heeft gemaakt, ook al begrijpt het hof dat binnen een vereniging met het karakter van Tuinwijk-Noord de, zacht gezegd, weinig coöperatieve houding waarvan de brief van 3 november 2003 blijk geeft, als ongepast wordt beschouwd.
3.4.7

Het feit dat door bestuurderswisselingen binnen Tuinwijk-Noord in 2009 het bestuur niet meer op de hoogte was van hetgeen in de jaren 2001 tot en met 2003 met de familie [geïntimeerde] zou zijn voorgevallen, vormt geen afdoende rechtvaardiging voor het feit dat Tuinwijk-Noord een toetsing die zij in 2009 reeds had kunnen verrichten, heeft uitgesteld tot 2013. Met de kantonrechter is het hof van oordeel dat deze omstandigheid in het nadeel van Tuinwijk-Noord werkt.
3.4.8

In hoger beroep, en met name bij gelegenheid van het pleidooi, heeft Tuinwijk-Noord aan het besluit tot verwijdering van[geïntimeerde] van de kandidatenlijst voorts nog ten grondslag gelegd het ontbreken van gegoedheid en de huurschulden die het gezin [geïntimeerde] in de afgelopen jaren bij hun achtereenvolgende verhuurders heeft laten ontstaan. In het midden kan blijven of deze nieuwe motivering tijdig naar voren is gebracht. Het hof is voorshands van oordeel dat, als een kandidaat eenmaal tot de kandidatenlijst is toegelaten, de vraag naar diens financiële gegoedheid voor het eerst weer dient te worden bezien op het moment dat aan de kandidaat daadwerkelijk een woning wordt aangeboden. Het zou immers onbillijk zijn als een, wellicht tijdelijke, insolvabiliteit waarvan het bestuur bij toeval op de hoogte komt – er wordt immers geen voortdurende controle op uitgeoefend – tot verwijdering van de kandidatenlijst zou leiden. Op het moment dat een woning wordt aangeboden kan ook worden bezien of in het betalingsgedrag van de kandidaat in het verleden (nog) een grond is gelegen voor een weigering daadwerkelijk een huurovereenkomst aan te gaan, waarbij tevens betekenis toekomt aan de oorzaken van eventuele wanbetaling en de wijze waarop in een later stadium met de opgelopen schulden is omgegaan. Naar het oordeel van het hof kan Tuinwijk-Noord het slechte betalingsgedrag van[geïntimeerde] in het verleden op dit moment in redelijkheid niet aan het besluit tot schrapping ten grondslag leggen.
3.4.9

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de door Tuinwijk-Noord aangevoerde gronden zo weinig draagkrachtig zijn dat het, de belangen van[geïntimeerde] mede in aanmerking genomen, van onzorgvuldigheid jegens hem getuigt dat Tuinwijk-Noord hem op die gronden van de kandidatenlijst heeft verwijderd. De kantonrechter heeft dan ook terecht die verwijdering als onrechtmatig aangemerkt en op grond daarvan Tuinwijk-Noord bevolen [geïntimeerde] weer op de kandidatenlijst te plaatsen. De grieven II tot en met V falen.
3.5

Grief VI houdt in dat de kantonrechter Tuinwijk-Noord ten onrechte in de kosten heeft veroordeeld. Ook deze grief heeft geen succes. Ook als de eiswijziging buiten beschouwing wordt gelaten is Tuinwijk-Noord te beschouwen als de overwegend in het ongelijk gestelde partij, die de kosten van het geding in eerste aanleg moet dragen. Hieraan doet het ideële doel van Tuinwijk-Noord niet af.
3.6

De slotsom uit het voorgaande is dat de grieven tevergeefs zijn voorgedragen en het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Als de in het ongelijk gestelde partij zal Tuinwijk-Noord worden verwezen in de kosten van het hoger beroep.

4Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt Tuinwijk-Noord in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van[geïntimeerde] begroot op € 308,= aan verschotten en € 2.682,= voor salaris;

verklaart deze veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,

Oud-penningmeester moet boekhouding afstaan (CVAH)

Rechtbank Noord-Holland 3 maart 2014
ECLI:NL:RBNHO:2014:9389 (publicatie 9 oktober 2014)


Oud-penningmeester wordt veroordeeld om de boekhouding en bonnen aan de vereniging ter beschikking te bestellen. 
Daarbij heeft CVAH ook uiteengezet dat zij een specifiek belang heeft bij de onder punt 14 genoemde [bonnetjes bij declaraties], omdat zij bij gebreke aan die stukken het risico loopt dat bij een controle door de belastingdienst de betaalde vergoedingen zullen worden aangemerkt als loon, en niet als reële onkostenvergoeding, met als gevolg dat naheffingen aan loonbelasting en boetes kunnen worden opgelegd, ook indien één ander langer geleden is dan vijf jaar.”

Vonnis in de zaak van: de vereniging Centrale Vereniging voor de Ambulante Handel, eisende partij

verder ook te noemen: CVAH tegen [naam], wonende te [plaats], gedaagde partij


Het procesverloop

1.

CVAH heeft bij dagvaarding van 22 oktober 2013 een vordering ingesteld. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. Na beraad heeft de kantonrechter bij vonnis van 2 december 2013 een verschijning van partijen ter terechtzitting bevolen.
2.

Die zitting heeft plaatsgevonden op 3 februari 2014, waar voor CVAH zijn verschenen [A], landelijk penningmeester, en [B], bestuurslid, bijgestaan door P.J. Smink, en waar [gedaagde] is verschenen, bijgestaan door [N.M. Kamp]. Partijen hebben hun standpunt ter zitting toegelicht.
3.

Vervolgens is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

De feiten

4.

CVAH is de brancheorganisatie voor ondernemers op markten. [gedaagde] is lid van de vereniging.
5.

[gedaagde] is in het verleden en tot 25 februari 2008 penningmeester geweest van het afdelingsbestuur van de toenmalige afdeling Hoorn van CVAH, thans de afdeling Noord-Holland Noord.
6.

In verschillende brieven heeft het CVAH aan [gedaagde] gevraagd om een nadere onderbouwing van de boekhouding van de CVAH-afdeling Noord-Holland Noord over de jaren 2007 en 2008. [gedaagde] heeft de door CVAH gevraagde stukken niet verstrekt.

Het geschil

7.

CVAH vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld om op grond van artikel 843a lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) de onderbouwing van de boekhouding van de CVAH-afdeling Noord-Holland Noord over de jaren 2007 en 2008 ter beschikking te stellen, op een door de kantonrechter krachtens artikel 843a lid 2 Rv te bepalen wijze. Daarbij stelt CVAH – kort weergegeven – dat zij er recht en belang bij heeft dat haar boekhouding is voorzien van onderliggende stukken, met name declaraties en bonnen.
8.

[gedaagde] voert aan – kort samengevat – dat niet duidelijk is welk belang CVAH heeft bij haar vordering, nu de boekhouding over 2007 en 2008 al is goedgekeurd door de toenmalige kascommissie van CVAH. Verder stelt [gedaagde] dat hij niet verantwoordelijk is voor de boekhouding over 2008, omdat hij op 25 februari 2008 is afgetreden als penningmeester. Daarnaast wijst [gedaagde] erop dat hij niet bereid is om de door CVAH gevraagde stukken af te geven, omdat CVAH ook niet bereid is om openstaande posten en kosten aan hem te betalen. Daarnaast maakt [gedaagde] bezwaar tegen de gevorderde buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
9.

Bij de beoordeling wordt zo nodig nog nader ingegaan op de standpunten van partijen.

De beoordeling

12.

In deze zaak gaat het om de vraag of [gedaagde] moet worden veroordeeld om de onderbouwing van de boekhouding van de CVAH-afdeling Noord-Holland Noord over de jaren 2007 en 2008 ter beschikking te stellen.
13.

Volgens artikel 843a lid 1 Rv kan hij die daarbij rechtmatig belang heeft, op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorgangers partij zijn, van degene die deze bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft.
14.

Ter zitting heeft CVAH toegelicht dat zij de beschikking wil krijgen over declaraties en bonnen, door haar genoemd in een als productie 9 bij de dagvaarding overgelegd overzicht, met betrekking tot de boekhouding over 2007 en 2008. Het gaat daarbij blijkens dat overzicht en de toelichting specifiek om:
 declaraties van [gedaagde] van 1 januari 2007 tot een bedrag van € 190,57, van 1 januari 2007 tot een bedrag van € 525,00, van 13 maart 2007 tot een bedrag van € 126,00, van 10 december 2007 tot een bedrag van € 164,16, en van 10 december 2007 tot een bedrag van € 475,00;
 declaraties van [C] van 1 februari 2008 tot een bedrag van € 1.599,65 en van 1 februari 2008 tot een bedrag van € 1.702,74;
 een declaratie van [D] van 1 februari 2007 tot een bedrag van € 200,00;
 een bon van Het Schermer Wapen van 26 februari 2007 tot een bedrag van € 435,00;
 een bon van De Zandhorst van 5 februari 2007 tot een bedrag van € 122,00.

15.

Verder heeft CVAH ter zitting nader toegelicht dat zij de genoemde stukken wil hebben, omdat zij als vereniging de verplichting en verantwoordelijkheid heeft om te beschikken over een complete en sluitende boekhouding. Daarbij heeft CVAH ook uiteengezet dat zij een specifiek belang heeft bij de onder punt 14 genoemde stukken, omdat zij bij gebreke aan die stukken het risico loopt dat bij een controle door de belastingdienst de betaalde vergoedingen zullen worden aangemerkt als loon, en niet als reële onkostenvergoeding, met als gevolg dat naheffingen aan loonbelasting en boetes kunnen worden opgelegd, ook indien één ander langer geleden is dan vijf jaar.
16.

Ter zitting heeft [gedaagde] verklaard dat hij de beschikking heeft over de hiervoor onder punt 14 genoemde stukken.
17.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft CVAH een rechtmatig belang, als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv, bij de onder punt 14 genoemde stukken. CVAH kan in dat verband worden gevolgd in haar stelling dat dit belang gelegen is in haar verplichting en verantwoordelijkheid als vereniging om te beschikken over een complete en sluitende boekhouding, mede gelet op het feit dat de vereniging in een voorkomend geval aan de belastingdienst zal moeten kunnen verantwoorden dat de betaalde vergoedingen reële onkostenvergoedingen zijn en geen ‘verkapt’ loon. Het gaat in dit kader ook om een rechtsbetrekking waarin CVAH partij is, omdat [gedaagde] lid is van CVAH en het gaat om de eigen boekhouding van CVAH. Nu ook vast staat dat [gedaagde] de gevraagde stukken onder zich heeft, is voldaan aan alle voorwaarden voor toepassing van artikel 843a lid 1 Rv.
18.

Het verweer van [gedaagde] dat CVAH geen belang heeft bij de stukken, omdat de boekhouding over 2007 en 2008 al is goedgekeurd door de kascommissie, gaat niet op. CVAH heeft belang bij een deugdelijke boekhouding en bij de mogelijkheid om verantwoording te kunnen afleggen aan de belastingdienst, zoals hiervoor is overwogen, ongeacht de vraag of de kascommissie de boekhouding heeft goedgekeurd. Daarnaast heeft [gedaagde] niet betwist de stelling van CVAH ter zitting dat de kascommissie niet bevoegd is om goedkeuring te verlenen voor uitgaven boven een bedrag van in totaal € 3.000,00, zoals hier aan de orde.
19.

De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in zijn standpunt dat hij niet verantwoordelijk is voor de boekhouding van 2008. Weliswaar is [gedaagde] per 25 februari 2008 gestopt als penningmeester, maar ter zitting is gebleken dat hij op verzoek van de opvolgend penningmeester de boekhouding over 2008 nog heeft gedaan en dat hij de door CVAH gevraagde stukken over dat jaar ook onder zich heeft. Bovendien zien de door CVAH gevraagde stukken uitsluitend op de periode vóór 25 februari 2008.
20.

[gedaagde] voert nog aan dat hij de stukken niet hoeft af te geven, omdat CVAH ook niet bereid is om openstaande posten en kosten aan hem te betalen. De kantonrechter gaat ervan uit dat [gedaagde] beoogt een beroep te doen op opschorting van zijn verplichting tot afgifte van de stukken, in de zin van artikel 6:52 van het Burgerlijk Wetboek. Dit beroep treft echter geen doel, omdat de gestelde vordering van [gedaagde] tegenover de betwisting daarvan door CVAH niet is komen vast te staan, er geen sprake is van verzuim van CVAH, en niet is gebleken van voldoende samenhang tussen de vorderingen van [gedaagde] en CVAH.
21.

De conclusie is dan ook dat de vordering zal worden toegewezen, in die zin dat [gedaagde] zal worden veroordeeld om aan CVAH de stukken ter beschikking te stellen als genoemd in punt 14.
22.

De kantonrechter zal met toepassing van artikel 843a lid 2 Rv bepalen dat [gedaagde] de onder punt 14 genoemde stukken ter beschikking moet stellen aan CVAH, door middel van overhandiging van die stukken aan de fungerend voorzitter of penningmeester van CVAH, dan wel door middel van aangetekende verzending aan het adres van CVAH. Nu CVAH ter zitting heeft gesteld dat zij genoegen neemt met een kopie van de stukken, kan [gedaagde] naar eigen keuze de originele stukken dan wel een kopie daarvan verstrekken.
23.

De vordering ten aanzien van buitengerechtelijke kosten wordt toegewezen. [gedaagde] stelt dat deze kosten niet redelijk zijn, omdat hij steeds heeft meegewerkt aan onderzoeken en controles. Kern de zaak is echter dat [gedaagde] bij brief van 29 juni 2011 door CVAH in gebreke is gesteld ten aanzien van het verstrekken van de stukken, dat aanmaningen daartoe nadien zijn herhaald, ook door de advocaat van CVAH, maar dat [gedaagde] de stukken niet heeft verstrekt. Onder die omstandigheden is het redelijk dat CVAH buitengerechtelijke kosten heeft gemaakt. De door CVAH gevorderde kosten van € 833,00 zijn echter niet in overeenstemming met de gebruikelijke tarieven en ook niet redelijk, en zullen daarom worden vastgesteld op een bedrag van € 181,50 (inclusief btw).
24.

Nu [gedaagde] ongelijk krijgt, moet hij de proceskosten van CVAH betalen. Daarbij zullen geen punten worden toegekend voor het salaris van de gemachtigde van CVAH, nu die gemachtigde kennelijk in (loon)dienst is bij CVAH. Nu de vordering betreffende de buitengerechtelijke incassokosten slechts is toegewezen tot een bedrag ad € 181,50 (inclusief btw), zal het door CVAH verschuldigde griffierecht ad € 448,- slechts tot een bedrag ad € 112,- voor rekening van [gedaagde] worden gebracht.

De beslissing

De kantonrechter:

Veroordeelt [gedaagde] om krachtens artikel 843a lid 1 Rv de onderbouwing van de boekhouding van de CVAH-afdeling Noord-Holland Noord over de jaren 2007 en 2008 ter beschikking te stellen, voor zover het betreft de stukken genoemd onder punt 14 van dit vonnis, door middel van overhandiging van (een kopie van) die stukken aan de fungerend voorzitter of penningmeester van CVAH, dan wel door middel van aangetekende verzending aan het adres van CVAH.

Veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan CVAH van een bedrag van € 181,50 (incl. btw) aan buitengerechtelijke kosten.

Veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, die tot heden voor CVAH (wat [gedaagde] betreft) worden vastgesteld op een bedrag van € 208,74 (€ 96,74 aan dagvaardingskosten en € 112,- aan griffierecht).

Verklaart deze veroordeling(en) uitvoerbaar bij voorraad.

Wijst af het meer of anders gevorderde.

Klassieker: informele vereniging als erfgenaam (Haarlems Museum)

Klassieker: Hoge Raad 17 december 1909  (Haarlems Museum / Druyvestein)
Weekblad van het recht nr. 8947

Art. 2:30 lid 1 BW bepaalt dat een informele vereniging  (dus waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte) geen registergoederen kan verkrijgen en geen erfgenaam kan zijn. Waar de regeling van lid 2 – 4, dat bestuurders van een dergelijke vereniging hoofdelijk aansprakelijk zijn, op het eerste gezicht een duidelijke ratio heeft, is de achtergrond van lid 1 duister. Enig onderzoek leert dat art. 2:30 lid 1 BW een codificatie is van onderstaand arrest (Y. Scholten, Preadvies Cand. Not. 1956, p. 173).

O. ten aanzien van het eerste onderdeel van het principale middel:
dat dit is gebaseerd op deze, bij pleidooi uitvoerig ontwik­kelde stelling, dat, waar de wet van 22 April 1855 de ver­eeniging in het algemeen als bestaande erkent ook zonder de speciale erkenning volgens art. 5 dier wet, hieruit vanzelf haar rechtsbevoegdheid — en daarmede hare bekwaamheid om te erven — voortvloeit, terwijl dan ook de verkrijging van rechts­persoonlijkheid door erkenning ingevolge art. 5 niet de betee­kenis heeft van verwerving van rechtsbevoegdheid, doch alleen van verwerving van handelingsbevoegdheid, zoodat omgekeerd het verlies van rechtspersoonlijkheid de rechtsbevoegdheid der vereeniging onaangetast laat;
dat evenwel deze stelling is onjuist en het daarop gebouwde eerste onderdeel van het middel ongegrond ;

Mijn voorlopige analyse is als volgt.
De Grondwet van 1848 erkende de vrijheid van vereniging. Enige jaren later was er echter behoefte aan toezicht op verenigingen. De wet van 1855 regelde de verboden vereniging en voerde een systeem van erkenning (Koninklijke goedkeuring van de statuten) in voor het verkrijgen van rechtspersoonlijkheid, steeds voor een bepaalde duur van ten hoogste 30 jaar. Echter, de wet regelde niet wat de status van een vereniging zonder rechtspersoonlijkheid was. In dit geval was de vereniging ingesteld als erfgenaam in een testament, maar was de geldigheidsduur van de erkenning verstreken op het moment van overlijden van de erflater. De vereniging betoogt dat de rechtspersoonlijkheid alleen ziet op de bevoegdheid om rechtshandelingen te verrichten. Ze zou dus wel erfgenaam kunnen zijn, aangezien dat geen rechtshandeling is. De Hoge Raad wijst dit argument af.


Y. Scholten merkt t.a.v. het Ontwerp-Meijers al op dat “principiële rechtsgronden, waarop men tot de conclusie moet komen, dat een vereniging met onvolledige rechtspersoonlijkheid per se nimmer erfgenaam kan zijn of een legaat kan verkrijgen, [er niet zijn]” (Preadvies p. 172). De Tweede Kamer had echter aangegeven dat het handhaven van een systeem van preventief toezicht wenselijk was (Vraagpunt 30) en dit vereiste een regeling die het niet vragen van goedkeuring van de statuten, dus het zijn van een informele vereniging, onaantrekkelijk maakte. Hiertoe diende de onmogelijkheid om erfgenaam te zijn te behoren, volgens de Kamer (in Vraagpunt 32). Nog voor de invoering van Boek 2 BW is het systeem van goedkeuring door de Minister vervangen door het vastleggen van de statuten in een notariële akte. Onder art. 2:30 lid 1 BW is het verkrijgen van legaten overigens wel mogelijk. Wel geldt nog steeds dat voor het zijn van erfgenaam de vereniging volledige rechtsbevoegdheid moet hebben op het moment van de dood van de erflater.