Opzeggen lidmaatschap

Rechtbank Gelderland 12 februari 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:1317

“[eiseres] is gewichthefster. DMWA is een (onafhankelijke) vereniging die de belangen behartigt van atleten in het gewichtheffen van 35 jaar of ouder”

Op 24 augustus 2023 heeft [eiseres] als lid van DMWA deelgenomen aan het Wereldkampioenschap Masters in Polen. Tijdens deze wedstrijd heeft een incident plaatsgevonden waarbij [eiseres] betrokken was. “

“DMWA heeft vervolgens bij besluit van 26 oktober 2023 het lidmaatschap van [eiseres] opgezegd per 31 december 2023. [eiseres] heeft per e-mails van 22 november en 6 december 2023 bezwaar gemaakt tegen de opzegging van haar lidmaatschap. DMWA heeft dit bezwaar op 30 december 2023 ongegrond verklaard.

“DMWA voert aan dat tegen het besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [eiseres] beroep ingesteld had kunnen worden bij de ALV, hetgeen [eiseres] heeft nagelaten. (…) De wet bepaalt bij opzegging van het lidmaatschap – anders dan bij ontzetting – niets omtrent een beroepsmogelijkheid voor het lid waarvan het lidmaatschap door de vereniging wordt opgezegd. Het is echter mogelijk om een dergelijke beroepsmogelijkheid statutair vast te leggen.

“Uit deze statutaire bepaling volgt niet dat ingeval van opzegging een beroepsmogelijkheid bestaat voor het lid waarvan het lidmaatschap is opgezegd. Ook uit andere statutaire bepalingen blijkt dit niet. “

“Nu [eiseres] ontvankelijk is in haar vorderingen, moet het besluit van DMWA tot opzegging van het lidmaatschap van [eiseres] inhoudelijk worden beoordeeld. De rechtbank stelt bij de inhoudelijke beoordeling van de opzegging voorop dat in een lidmaatschapsverhouding als de onderhavige aan de betrokken vereniging, binnen de grenzen van wetsbepalingen als artikel 2:35 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en de statuten, bij het nemen van haar besluiten een vrijheid toekomt, die meebrengt dat maatregelen als de onderhavige — afgezien van strijd met wet of statuten — slechts jegens het betrokken lid ontoelaatbaar zijn, indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, jegens het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen (arrest van de Hoge Raad van 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702). Dit betekent dat het besluit van de Vereniging slechts geen stand kan houden, indien redelijk oordelende mensen niet tot een dergelijk besluit hadden kunnen komen.”

“Vast staat dat [eiseres] tijdens het WK Masters in Polen iemand heeft uitgemaakt voor fascist. Hoewel [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling haar kant van het verhaal heeft toegelicht – inhoudende dat zij werd aangevallen/agressief werd benaderd door deze persoon – neemt dat niet weg dat de uitlating door [eiseres] is gedaan. Hiermee heeft [eiseres] gehandeld in strijd met lid 1 van de gedragscode van DMWA. “

Er is nog een tweede verwijt van rechtstreeks mailen met een voorzitter van de internationale vereniging. “Door rechtstreeks per e-mail te corresponderen met de Poolse gewichthef federatie en de IMWA heeft [eiseres] gehandeld in strijd met lid 9 van de gedragscode van DMWA. “

“Op grond van artikel 7 van de statuten van DMWA zijn leden onder andere verplicht de statuten, reglementen en besluiten van DMWA na te leven en de belangen van DMWA niet te schaden. Gelet op het voorgaande heeft DMWA in redelijkheid tot het oordeel kunnen komen dat [eiseres] niet (langer) aan de statuten en reglementen voldoet. Op grond van artikel 9 lid 3 van de statuten van DMWA en artikel 2:35 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek levert dat een grond voor opzegging van het lidmaatschap van de vereniging op. De door [eiseres] gevorderde vernietiging van het besluit tot opzegging van haar lidmaatschap zal daarom worden afgewezen.”

Het besluit is dus geldig.

Verplicht intern beroep

Artikel 2:35 lid 4 BW schrijft voor dat voor [eiseres] binnen een maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit tot ontzetting (oftewel royement) door het bestuur van Cumela beroep openstaat bij, in dit geval, de Commissie. Noch uit de overgelegde stukken, noch uit de verklaringen van partijen ter zitting blijkt dat [eiseres] van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. Op grond van jurisprudentie van de Hoge Raad van 14 mei 1965 (ECLI:NL:HR:1965:AD8077, Amsterdamse Speeltuinverbond) en het hof Amsterdam van
3 november 2020 (ECLI:NL:GHAMS:2020:2941) kan [eiseres] niet ten overstaan van de rechtbank de vernietiging van het royementsbesluit vorderen met een beroep op de vernietigingsgronden van artikel 2:15 BW als geen gebruik is gemaakt van deze dwingendrechtelijke interne beroepsmogelijkheid.

Intern beroep verhinderen

“Bij brief van 14 november 2022 heeft het bestuur aan [eiser] medegedeeld dat zij het lidmaatschap van [eiser] per direct opzeggen (hierna: het Besluit). Het bestuur noemt als reden voor de opzegging dat zij geen toestemming heeft gegeven voor de Website, [eiser] geen antwoord geeft op de vragen van het bestuur over de Website, het niet lukt om in gesprek te gaan met [eiser] en [eiser] niet langer een positieve bijdrage levert aan de Watersportvereniging. “

“In een e-mail van 13 maart 2023 heeft [eiser] het bestuur geïnformeerd dat hij de Website niet heeft gemaakt (…) [en dat] [eiser] wenst de ledenvergadering bijeen te roepen om het Besluit aan te vechten en heeft het bestuur verzocht om binnen drie weken de ledenvergadering te beleggen.

“In reactie hierop heeft het bestuur op 23 maart 2023 aan [eiser] bericht dat het aanvragen van een bijzondere ledenvergadering om het Besluit terug te draaien buiten alle proporties en onredelijk is. Het bestuur heeft de opzegging naar eigen zeggen eerder al heroverwogen. [eiser] heeft volgens het bestuur een reeds geplande ledenvergadering niet benut om hier tegen op te komen en de opzegging heeft vier maanden geleden plaatsgevonden. “

De rechtbank: “De statuten voorzien in een beroepsmogelijkheid bij de ledenvergadering als een lidmaatschap wordt opgezegd door het bestuur. Vast staat dat in de opzeggingsbrief van 14 november 2022 geen melding is gemaakt van deze beroepsmogelijkheid. Het bestuur heeft [eiser] daar ook naderhand niet op gewezen, terwijl [eiser] kenbaar heeft gemaakt dat hij het niet eens was met het Besluit. Zo heeft [eiser] in correspondentie tussen hem en het bestuur (2.8 en 2.10) benoemd dat hij zich niet kon vinden in de redenen voor opzegging en zich tegen de opzegging verzet. [eiser] heeft het bestuur op 13 maart 2023 hierna ook expliciet verzocht om het bijeenroepen van een ledenvergadering, om tegen de opzegging door het bestuur op te komen. De weigering van het bestuur hierna om over te gaan tot het bijeenroepen van de ledenvergadering, maakt dat het Besluit in strijd is met de door artikel 2:8 geëiste redelijkheid en billijkheid. Immers, met deze gang van zaken heeft het bestuur verhinderd dat [eiser] in beroep kon gaan tegen het Besluit, waartoe hij op grond van de statuten gerechtigd was.”

“Vast staat dat het in deze zaak gaat om een besluit tot opzegging en niet tot ontzetting. In de wet wordt onderscheid gemaakt tussen opzegging van lidmaatschap (2:36 BW) en ontzetting van een lid (2:35 BW). Het gaat om twee verschillende wijzen waarop het lidmaatschap eindigt, waarvoor een zelfstandige grond bestaat. Voor ontzetting is slechts plaats als een lid heeft gehandeld in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging. De wet voorziet in een beroepsmogelijkheid voor het ontzette lid bij de ledenvergadering, waarvoor een termijn is bepaald. Wat opzegging betreft, bestaat deze wettelijke beroepsmogelijkheid en termijn niet. De Watersportvereniging heeft ervoor gekozen om in haar statuten te voorzien in een beroepsmogelijkheid bij opzegging.”

” Dit betekent echter niet dat hierop de wettelijke bepalingen inzake ontzetting van toepassing zijn. Dat het Watersportverbond in haar statuten wel een beroepstermijn bepaalt bij zowel opzegging als ontzetting, doet er in dit verband niet toe. De statuten van het Watersportverbond zijn niet van toepassing op de verhouding tussen de Watersportvereniging en haar leden. Nu de statuten van de Watersportvereniging geen termijn voorschrijven voor het instellen van beroep tegen een opzeggingsbesluit en het voor het bestuur bovendien al geruime tijd kenbaar was dat [eiser] op wenste te komen tegen het Besluit, ziet de rechtbank geen aanleiding om haar verweer te volgen dat [eiser] op 13 maart 2023 in redelijkheid niet meer kon verzoeken om het bijeenroepen van de ledenvergadering.”

Rechtbank Amsterdam 7 augustus 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5137