Redelijkheid en billijkheid

Hoge Raad 17 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1300

Dit is het arrest in kort geding van de Hoge Raad in de Vitesse-zaak. De vraag is of een bepaald besluit van de Beroepscommissie vernietigbaar is (door de rechter) op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW, “strijd met de redelijkheid en billijkheid die door [artikel 2:8 lid 1 BW] worden geëist”

“Uitgangspunt bij de toepassing van art. 2:15 lid 1 BW is dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.3 Verder geldt dat de mate van beleids- en beoordelingsruimte die toekomt aan een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit … afhankelijk is van de omstandigheden van het geval. “

    • De HR geeft helaas niet aan wat de relevante omstandigheden van het geval zijn. De HR geeft slechts aan dat onjuist zijn: “de opvatting dat aan organen van rechtspersonen steeds een grote beleids- en beoordelingsruimte toekomt bij hun besluitvorming” en “de opvatting dat de rechter zich in het algemeen bij de beoordeling van de vernietigbaarheid van een besluit van een orgaan met een rechtsprekende taak binnen de rechtspersoon terughoudender moet opstellen dan bij de beoordeling van een besluit van een andersoortig (niet-rechtsprekend) orgaan.”

“Het hof heeft met het noemen van “de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen” kennelijk tot uitdrukking gebracht dat het belang van Vitesse, waarmee de Licentiecommissie en de Beroepscommissie op de voet van art. 2:8 BW rekening dienden te houden, mede wordt ingekleurd door de economische en maatschappelijke functie die Vitesse vervult. Dat oordeel geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.”

    • Dit betreft de volgende passage in ’s hofs arrest:  “4.78 De beoordeling door de Beroepscommissie moet volgens het Licentiereglement (artikel 13 leden 7 onder c. en 11 onder c.) geschieden naar de stand van zaken ten tijde van behandeling van het beroep. Bij de beslissing van de Licentiecommissie en de Beroepscommissie over de toe te passen sanctie spelen aan de ene kant het karakter en de ernst van de overtreding(en), aan de andere kant het mogelijk ingrijpende karakter en de al dan niet onomkeerbaarheid van de sanctie, met afweging van de aan Vitesse verbonden bredere maatschappelijke belangen.”
  • Dit volgt op rov. 4.7 van het hof:  “Van vernietigbaarheid op grond van [artikel 2:15 lid 1 sub b BW, “strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist”]  is sprake als een besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de gedragsregel van artikel 2:8 BW. Artikel 2:8 BW houdt in dat een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, zich ten opzichte van elkaar moeten gedragen naar wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Toetsingsmaatstaf is de vraag of het orgaan bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen.
  • N.b.artikel 2:8 BW bepaalt niet zelf dat het gaat om (slechts) de belangen van “de in artikel 2:8 BW bedoelde personen”, d.w.z. “de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken”.
  • Een invulling van de term  “wat door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd” wordt gegeven in artikel 3:12 BW: “Bij de vaststelling van wat redelijkheid en billijkheid eisen, moet rekening worden gehouden met algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen, die bij het gegeven geval zijn betrokken.”  (onderstreping toegevoegd) Artikel 3:12 is (indirect) van toepassing op Boek 2 BW (artikel 3:15 BW; zie aldaar ook de mogelijke beperking van die toepassing).
  • Al met al lijkt mij de door het hof geformuleerde toetsingsmaatstaf niet zonder meer juist, omdat zij niet alle in artikel 3:12 BW dwingend voorgeschreven gezichtspunten in acht neemt. Art.3:12 BW laat het rekening houden met de betrokken maatschappelijke belangen niet alleen toe, maar schrijft dat zelfs voor. 
  • Zie ook de interessante conclusie van de A-G, met als kernoverweging (die overigens wel een andere insteek heeft dan mijn bovenstaande punt over artikel 3:12): “Het gaat hier dan ook niet om het mede betrekken in de afweging van bepaalde (aan Vitesse externe) bredere maatschappelijke belangen als zodanig, wel om het mede betrekken in die afweging, met daarbij wat betreft Vitesse haar belang als centrale punt, van die maatschappelijke context en gerelateerde, onlosmakelijk met haar verbonden belangen.171 M.i. laat het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW in verbinding met art. 3:12 BW (en art. 3:15 BW) het hof inderdaad de ruimte dit zo te doen” (par. 4.184.1 concl. A-G)
  • Voor de goede orde: in deze zaak is de KNVB de rechtspersoon in de zin van artikel 2:8 en behoort Vitesse als lid van de KNVB tot “degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn [de KNVB’s] organisatie zijn betrokken”. De Beroepscommissie is een onderdeel van de KNVB. 

Geen afstand van toegang tot de rechter

Rechtbank Limburg 6 mei 2026, ECLI:NL:RBLIM:2026:4606

“Partijen zijn allen lid van de vereniging WBE (‘Wildbeheereenheid’) [locatie] (hierna: de WBE), die de jachtvelden van de leden beheert.”

“In de kern is het standpunt van [eiser] dat hij niet gebonden is aan de geschillenregeling op basis waarvan de Geschillencommissie haar uitspraak heeft gedaan en dat om die reden het door de Geschillencommissie uitgebrachte bindend advies nietig is of moet worden verklaard. “

“Bij de beoordeling stelt de rechtbank voorop dat een regeling die inhoudt dat toekomstige geschillen verplicht worden beslecht door middel van bindend advies, tot gevolg heeft dat er afstand wordt gedaan van het uit artikel 6 EVRM en artikel 17 Gw voortvloeiende recht tot toegang tot de overheidsrechter. Dit betekent dat de betrokken partij daaraan alleen gebonden is als deze afstand vrijwillig en ondubbelzinnig gebeurt. [eiser] heeft gesteld dat daarvan geen sprake is “

“De rechtbank is het met [eiser] eens dat alleen van het alsnog vrijwillig en ondubbelzinnig kiezen voor het bindend advies kan worden gesproken als [eiser] in zijn hoedanigheid van lid van de WBE daarmee akkoord is gegaan. Dat heeft niet plaatsgevonden met de hier besproken statutenwijziging omdat die wijziging van de statuten heeft plaatsgevonden binnen de KNJV.”

“De conclusie is dat ook (de omstandigheden rondom) de wijziging van geschillenregeling van de WBE als gevolg van een wijziging in de statuten van de KNJV niet tot gevolg hebben gehad dat [eiser] vrijwillig en ondubbelzinnig akkoord is gegaan met het bindend advies door de Geschillencommissie.”

Noot: de rechtspraak is op dit punt wat onvoorspelbaar.

Beroep behandeld door het verkeerde orgaan

Rechtbank Den Haag 22 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:17355

[eiser] betoogt voorts dat het besluit van de CvB [Commissie van Beroep] strijdig is met de wet en de statuten van het DSC en daarom nietig, althans vernietigbaar. [eiser] voert daartoe aan dat de CvB niet in de statuten is aangewezen als orgaan of derde waarbij beroep open staat door een ontzet lid (conform artikel 2:35 lid 4 BW), maar dat de algemene ledenvergadering (Corpsvergadering) daartoe is aangewezen (artikel 14 lid 3 van de statuten). Dat de CvB in plaats van de Corpsvergadering zijn hoger beroep heeft behandeld, leidt er volgens [eiser] toe dat de uitspraak in het hoger beroep nietig, althans vernietigbaar is.

De voorzieningenrechter stelt vast dat in artikel 14, lid 3, van de statuten is bepaald dat een geroyeerd lid de mogelijkheid heeft om in beroep te gaan bij de Corpsvergadering. In zoverre zijn de statuten niet in strijd met het voorschrift in artikel 2:35, vierde lid, BW. Anders dan het DSC, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het vervangen van de Corpsvergadering als beroepsinstantie door de CvB niet bij huishoudelijk reglement kan worden geregeld. Uitgangspunt is daarom: beroep bij de Corpsvergadering. Blijkens het verslag van de Corpsvergadering van 3 december 2024 is het hoger beroep van [eiser] door de Corpsvergadering goedgekeurd (wat dat ook moge betekenen), en is besloten dat de zaak wordt voorgelegd aan de CvB, een in het huishoudelijk reglement beschreven intern beroepsorgaan. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] , die aanwezig was op die Corpsvergadering, daar bezwaar tegen heeft gemaakt. [eiser] heeft er in deze procedure terecht op gewezen dat deze gang van zaken anders is dan is voorgeschreven in het artikel in het BW dat gaat over het royement van een lid van een vereniging, artikel 2:35, lid 4, BW. Dat artikel bepaalt dat de algemene vergadering bij schriftelijke statuten als beroepsorgaan kan worden vervangen door een ander orgaan óf een derde. Naar voorshands oordeel verzet deze wetsbepaling zich er echter niet tegen dat de algemene vergadering, indien de betrokkene er geen bezwaar tegen maakt, besluit een ander orgaan als beroepsorgaan aan te wijzen, zoals hier kennelijk is gebeurd. Dit brengt mee dat [eiser] niet wordt gevolgd in zijn stelling dat het besluit van de CvB nietig of vernietigbaar is op de aangevoerde gronden.

  • De rechter had hier ook wel anders kunnen oordelen, denk ik. Ik vraag me af waarom de (grote) vereniging de statuten  niet heeft aangepast. Het is een studentenvereniging, wel in Delft, dus misschien met niet zoveel rechtenstudenten. 

Ontzetting en stembriefjes

Rechtbank Rotterdam 22 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:809

De Vereniging is een volkstuinvereniging in [naam locatie] . [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn als lid van de Vereniging ieder rechthebbende op (het plezier van) een volkstuin.

Op 10 oktober 2023 heeft een buitengewone algemene ledenvergadering (BALV) plaatsgevonden, die door een aantal leden van de Vereniging was uitgeschreven. De aanleiding hiervoor was een conflict binnen de Vereniging. 

Tijdens deze BALV zijn [eiseres 1] en [eiseres 2] , naast enkele anderen, benoemd als leden van dit interim-bestuur. [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn ook als zodanig ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

De Vereniging heeft een kort geding gevoerd om het interim-bestuur, waarvan [eiseres 1] en [eiseres 2] deel uitmaakten, te laten verbieden om zich uit te geven als het bestuur van de Vereniging. Bij vonnis van 18 december 2023 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank voorshands geoordeeld dat “ [eiseres 1] en [eiseres 2] betrokken zijn geweest bij de hiervoor al genoemde actie van diverse leden om op onreglementaire wijze het huidige bestuur af te zetten en zichzelf als (interim)bestuursleden te laten benoemen.” Het is [eiseres 1] en [eiseres 2] met onmiddellijke ingang verboden om handelingen te verrichten namens de Vereniging alsof zij bestuurslid zijn, althans zich te presenteren of uit te laten als bestuursleden van de Vereniging. Dat was het eerste kort geding tussen partijen.

Bij brieven van 9 mei 2024 heeft de vereniging aan [eiseres 1] en [eiseres 2] meegedeeld dat het bestuur heeft besloten om [eiseres 1] en [eiseres 2] te ontzetten uit hun lidmaatschap op grond van artikel 8 lid 6 van de statuten. De Vereniging heeft in die brieven gesteld dat (i) [eiseres 1] en [eiseres 2] betrokken zijn geweest bij een coup en (ii) dat de vereniging ondanks de ernstige overtreding van de statuten en het in gevaar brengen van de vereniging heeft geprobeerd tot een oplossing te komen, maar daarin niet is geslaagd omdat [eiseres 1] en [eiseres 2] niet aan de gestelde voorwaarden voldeden. 

Op 6 juni 2024 hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] bij de algemene ledenvergadering (hierna: de ALV) beroep aangetekend tegen de ontzettingsbesluiten.

Op 15 juli 2024 heeft de ALV plaatsgevonden. Aan de relevante voorschriften voor het bijeenroepen is voldaan. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben ter ALV hun positie nader toegelicht. Tijdens die vergadering is een telcommissie aangewezen en heeft er een stemming plaatsgevonden. De telcommissie heeft vastgesteld dat zij 61 stembriefjes heeft ontvangen. Daarvan waren 2 stembriefjes ongeldig, waren er 50 stemmen tegen het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] (dus voor de ontzetting van [eiseres 1] en [eiseres 2] ) en 9 stemmen voor het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] (dus tegen de ontzetting). Op basis van die stemming is het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] tegen de ontzettingsbesluiten van 9 mei 2024 afgewezen en is de ontzetting uit het lidmaatschap bij besluit van de ALV bekrachtigd.

De rechtbank: “Dat de bestuursbesluiten tot ontzetting uit het lidmaatschap alleen door de ALV kunnen worden getoetst, is door de Hoge Raad uitgemaakt in HR 14 mei 1965, ECLI:NL:PHR:1965:AD8077, m.nt. G.J. Scholten (Amsterdams Speeltuinverbond). De Hoge Raad verwierp in die zaak het beroep in cassatie tegen de overweging van het hof dat de rechtsgeldigheid van het bestuursbesluit slechts kan worden aangetast door het instellen van beroep. Weliswaar had het lid in dat geval geen gebruik gemaakt van zijn recht op beroep bij de ALV, maar dat maakt geen verschil. Het gaat erom dat óf het ongebruikt laten verstrijken van de beroepstermijn óf het bekrachtigingsbesluit van de ALV de ontzetting pas definitief maakt. De beslissing van de Hoge Raad in HR 18 juni 1982, ECLI:NL:PHR:1982:AG4407, m.nt. J.M.M. Maeijer (De Vries/Elderveld) geeft ook steun aan de opvatting dat de ALV het bestuursbesluit toetst en niet de rechter, maar dan indirect. De Hoge Raad oordeelde in die zaak dat een ordemaatregel vooruitlopend op een besluit van de ALV wél mogelijk is (en een andere maatregel dus niet).”

De regel dat een bestuursbesluit tot ontzetting alleen door de ALV en niet door de rechter kan worden getoetst, lijdt uitzondering als het beroep op de ALV door de vereniging wordt gefrustreerd. Daarvan is in dit geval geen sprake geweest. 

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben aangevoerd dat de bekrachtigingsbesluiten van de ALV van 15 juli 2024 nietig of vernietigbaar zijn. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben hiertoe gesteld dat de besluiten van de ALV op het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] niet overeenkomstig de statuten tot stand zijn gekomen.

Eén van de formele bezwaren van [eiseres 1] en [eiseres 2] is dat sommige leden meer dan één stem hebben uitgeoefend en op meer dan één volmacht hebben gestemd. [eiseres 1] en [eiseres 2] stellen in dit verband dat “alle tegenstemmers waarschijnlijk dubbel [hebben] gestemd”. De Vereniging heeft dit gemotiveerd betwist onder het overleggen van de presentielijsten van de ALV van 15 juli 2024 en de volmachten, waarop namens de niet aanwezige leden is gestemd (productie 23 van de Vereniging). Er zijn volgens de Vereniging slechts drie leden die zowel een nutstuin als een verblijfstuin hebben en om die reden een dubbel lidmaatschap hebben. Er waren twee leden met een dubbel lidmaatschap op de ALV aanwezig ( [persoon A] en [persoon C] ) en die twee dubbelleden hadden samen vier volmachten. Als de dubbele stemmen en de dubbele volmachten buiten beschouwing worden gelaten, scheelt dat vier stemmen tegen het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] , aldus de Vereniging.

Dat leidt tot het volgende oordeel. Op zich is het bezwaar van [eiseres 1] en [eiseres 2] terecht. Artikel 12 lid 5 en 6 van de statuten bepalen dat elk lid maar één stem mag uitbrengen en op maar één volmacht mag stemmen. Die verplichtingen zijn geschonden en dat leidt tot nietigheid van de stemmen die in strijd met die verplichtingen zijn uitgebracht. Het meetellen van nietige stemmen is een totstandkomingsgebrek als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder a BW. Als sprake is van zo’n gebrek kan de rechtbank het besluit vernietigen op vordering van iemand die een redelijk belang heeft bij naleving van de verplichting die niet is nagekomen (artikel 2:15 lid 3 onder a BW). De rechtbank oordeelt echter dat [eiseres 1] en [eiseres 2] geen redelijk belang hebben bij de naleving van de verplichting die niet is nagekomen. Nadat de Vereniging de stelling dat “alle tegenstemmers waarschijnlijk dubbel [hebben] gestemd” gemotiveerd had betwist, had van [eiseres 1] en [eiseres 2] verwacht mogen worden dat zij hun stelling nader zouden onderbouwen. Dat hebben zij niet gedaan en de rechtbank gaat aan die stelling voorbij. Er zijn vier nietige stemmen uitgebracht. Dat betekent dat – na aftrek van vier nietige stemmen – het beroep van [eiseres 1] en [eiseres 2] tegen hun ontzetting met 46 stemmen tegen en 9 stemmen vóór is verworpen. Als de leden [persoon A] en [persoon C] volgens de statuten hadden gestemd, had dat dus niet tot een andere uitslag geleid. Ook in dat geval had de ALV de ontzetting bekrachtigd. Daarom ontbreekt een redelijk belang bij naleving van de geschonden verplichting.

De overige procedurele bezwaren zijn onterecht. De Vereniging heeft toegelicht dat op de ALV 61 leden aanwezig of vertegenwoordigd waren. Er zijn 61 stemmen uitgebracht, waarvan er twee als ongeldig buiten de telling zijn gelaten, omdat de stembriefjes niet goed waren ingevuld. De Vereniging heeft de stembriefjes en het document waarop de telcommissie de uitgebrachte stemmen heeft geturfd overgelegd (productie 20). De op geen enkele manier onderbouwde stellingen van [eiseres 1] en [eiseres 2] die erop neerkomen dat de uitslag niet klopt, zijn met deze stukken niet te verenigen. Ook de bezwaren van [eiseres 1] en [eiseres 2] tegen het instellen van een telcommissie en de manier waarop die telcommissie zijn werk heeft gedaan, worden verworpen. Dat de ALV gebruik heeft gemaakt van een telcommissie is niet bezwaarlijk. De statuten schrijven niets voor over de manier waarop de stemmen geteld moeten worden en het is in dat geval aan de voorzitter van de ALV om te bepalen hoe dat gebeurt. De suggestie dat de telcommissie de uitslag van de stemming zou hebben gemanipuleerd, is op geen enkele manier onderbouwd. Dat de stembriefjes “casual” zijn uitgedeeld en na de stemming in een “grote witte envelop” aan de stemcommissie zijn overhandigd, is evenmin bezwaarlijk. Ook valt niet in te zien, waarom de stem ten aanzien van het beroep van [eiseres 1] en ten aanzien van het beroep van [eiseres 2] op afzonderlijke stembriefjes uitgebracht had moeten worden. Ook hierover zeggen de statuten niets (anders dan dat over personen schriftelijk moet worden gestemd) en het is aan de voorzitter van de ALV om de gang van zaken te bepalen.

[eiseres 1] en [eiseres 2] hebben gesteld dat de discussie tijdens de ALV op 15 juli 2024 niets meer is geweest dan een ordinaire ruzie. De ALV was een schijnvertoning, waar niet inhoudelijk is gesproken over de redenen voor de “coup” op 10 oktober 2023. Er zijn geen vragen gesteld en er zijn geen opmerkingen gemaakt, aldus [eiseres 1] en [eiseres 2] . De rechtbank merkt deze bezwaren aan als een beroep op de redelijkheid en billijkheid die die de Vereniging en degenen die bij haar organisatie zijn betrokken in acht moeten nemen op grond van artikel 2:8 BW. Deze bezwaren kunnen niet leiden tot vernietiging van de bekrachtigingsbesluiten. De bestuursbesluiten, die voor de bekrachtigingsbesluiten de basis zijn geweest, waren duidelijk en concreet. [eiseres 1] en [eiseres 2] wisten waartegen zij hun beroep moesten richten. Dat blijkt uit het beroepschrift van 6 juni 2024 en de aanvulling daarop van 27 juni 2024 met bijlagen (producties 8 en 9 van [eiseres 1] en [eiseres 2] ). [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben niet gesteld dat de ALV door het bestuur onvolledig of ondeugdelijk is voorgelicht of dat [eiseres 1] en [eiseres 2] tijdens de ALV hun standpunt niet hebben kunnen toelichten. De ALV bepaalt dan zelf de inhoud van het daarop volgende debat. De Vereniging heeft aan de hand van de notulen gemotiveerd betwist dat er bijna geen vragen zijn gesteld en geen opmerkingen zijn gemaakt. [eiseres 1] en [eiseres 2] zijn daar niet meer op teruggekomen. Daarmee hebben zij die stellingen onvoldoende onderbouwd. Aan het opdragen van bewijs komt de rechtbank daarom niet toe.

De coup tijdens de BALV van 10 oktober 2023 wordt als zodanig door [eiseres 1] en [eiseres 2] niet betwist. Die coup was in strijd met de statuten van de Vereniging: leden kunnen op grond van de statuten van de Vereniging niet zonder meer zelf een BALV uitroepen en zij kunnen ook niet een dag voor de BALV ingrijpende voorstellen agenderen, zoals het ontslag van het bestuur en de benoeming van een nieuw bestuur. [eiseres 1] en [eiseres 2] hebben in hun beroepschrift over de BALV van 10 oktober 2023 en de besluiten die daar zijn genomen geschreven: “Onze huidige advocaat stelde echter op 3 november vast dat de besluiten niet rechtsgeldig waren (…)”, dus daar mocht ook de ALV op 15 juli 2024 vanuit gaan.

Het argument dat [eiseres 1] en [eiseres 2] al zijn gestraft voor het plegen van deze coup doordat zij in oktober 2023 voor een maand zijn geschorst, snijdt geen hout. Kennelijk hebben [eiseres 1] en [eiseres 2] zich van deze schorsing onvoldoende aangetrokken, want er was een kort geding nodig om hen ervan te weerhouden om zich als bestuur van de Vereniging uit te geven (vonnis van 18 december 2023).

Die discussies om de verhoudingen te normaliseren hebben in elk geval tot niets geleid. Inmiddels zijn binnen iets meer dan een jaar vier kort gedingen en een bodemprocedure gevoerd. Ook in 2021 had [eiseres 1] de Vereniging al eens in kort geding betrokken. Op de ALV van 15 juli 2024 heeft [eiseres 2] volgens de transcriptie van die vergadering gezegd: “Ik wil nog wat zeggen, als u het bestuur in wil, onze steun kunt u altijd op rekenen. Wees niet bang hoor, en zorg dat je een rechtsbijstandverzekering hebt. Dan gaan we hier uitkomen. Eerlijkheid duurt het langst.” Dat de ALV op 15 juli 2024 een einde wilde maken aan de onrust binnen de Vereniging, valt te billijken. Ook tegen deze achtergrond is het besluit van de ALV om de ontzetting te bekrachtigen niet kennelijk onredelijk.

De vereniging frustreert het intern beroep

De COM [de vereniging] heeft niet weersproken dat [eiser] het beroep 60 dagen voor het Congres heeft ingediend. [eiser] heeft het beroep dus tijdig ingesteld. Dat betekent dat het COM-bestuur het beroep van [eiser] had moeten agenderen ter behandeling door het Congres op 25 januari 2025. Dat is niet gebeurd en tijdens de zitting is gebleken dat het COM-bestuur niet bereid is (omdat dat niet opportuun wordt geacht) het beroep alsnog te agenderen. Dat is problematisch voor [eiser] , omdat de COM daarmee feitelijk de beroepsgang van [eiser] frustreert. Dat maakt naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat [eiser] zich – bij wijze van uitzondering op de regel uit het arrest van de Hoge Raad van 14 mei 1965, ECLI:NL:HR:1965:AD8077 (Amsterdams Speeltuinverbond) – direct tot de tot de civiele rechter kan wenden en zijn bezwaren tegen de besluiten van het COM-bestuur aan de rechter ter beoordeling kan voorleggen. Vooruitlopend daarop kan [eiser] een voorlopige voorziening in kort geding vragen strekkende tot schorsing van de besluiten die het COM-bestuur heeft genomen.

ij de beoordeling van de vorderingen van [eiser] zal de voorzieningenrechter vooruit moeten lopen op een oordeel van de bodemrechter over de vraag of de besluiten van het COM-bestuur vernietigbaar zijn, zoals [eiser] stelt. De voorzieningenrechter zal zich bij die beoordeling, voor zover getoetst wordt aan de maatstaven van redelijkheid en billijkheid (art. 2:8 BW) terughoudend moeten opstellen (zie HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145 (VEB/KLM)). De voorzieningenrechter is, marginaal toetsend, van oordeel dat het COM-bestuur in redelijkheid niet tot de gewraakte besluiten heeft kunnen komen zodat het schorsingsbesluit (en daarmee ook het voorlopige schorsingsbesluit) vernietigbaar is. De voorzieningenrechter motiveert dat oordeel als volgt.

Uit het door [naam 1] opgestelde feitenrapport (zie hiervoor bij 2.9) en de verduidelijking die de COM ter zitting heeft verschaft, begrijpt de voorzieningenrechter dat de COM [eiser] voornamelijk verwijt dat hij, in zijn rol als voorzitter van de OMJ en als vicevoorzitter van de OMJ, onvoldoende heeft gedaan om de belangen van de COM te beschermen, mede in de aanloop naar de internationale competitie in Salerno. 

De voorzieningenrechter begrijpt dat er bij de COM teleurstelling heerst over de wijze waarop de FOI haar beleid voor wat betreft het afvaardigen van keurmeesters voor evenementen van de COM heeft vormgegeven en wellicht tevens over de visie van de FOI op het beleid ter zake van uit te reiken prijzen aan winnaars. Maar die omstandigheden vormen geen reden – ook niet met inachtneming van de terughoudendheid waarmee de rechter een dergelijk besluit behoort te toetsen – om [eiser] te schorsen, laat staan voor een periode van vier jaar, uit zijn functies binnen de COM.

De COM heeft tot slot nog aangevoerd dat [eiser] tijdens de tuchtprocedure ten onrechte heeft geweigerd zich te laten horen en daarmee over zichzelf heeft afgeroepen dat het COM-bestuur zonder zijn inbreng maatregelen tegen hem heeft getroffen. De voorzieningenrechter volgt de COM daarin niet. De voorzieningenrechter acht het niet onbegrijpelijk dat [eiser] in zijn brief van 20 juni 2024 heeft verzocht om zich door een ander lid van het COM-bestuur dan [naam 1] te laten horen. Niet geheel onvoorstelbaar is dat er bij hem twijfels bestonden over de onafhankelijkheid van [naam 1] , die in de tuchtprocedure zowel de rol van getuige als van tuchtonderzoeker vervulde en als lid van het COM-bestuur betrokken was bij de besluitvorming. De COM heeft daar nog tegenin gebracht dat [eiser] niet alleen door [naam 1] , maar door het voltallig bestuur van de COM zou worden gehoord. De uitnodiging van 9 juni 2024, die door [naam 1] is verstuurd, maakt daar echter geen melding van. Daaruit had [eiser] dus niet kunnen afleiden dat hij door het COM-bestuur zou worden gehoord. Ook na ontvangst van het verzoek van [eiser] heeft het COM-bestuur hem daar niet van op de hoogte gesteld, terwijl dat wel in de rede had gelegen. Dat [eiser] zich niet heeft laten horen, kan naar het naar het oordeel van de voorzieningenrechter daarom geen reden zijn om aan te nemen dat [eiser] zijn rechten heeft verwerkt op een inhoudelijke toetsing (door het Congres en nu) door de rechter.

Rechtbank Den Haag 17 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2330