Het verenigingsgeld in een stichting stoppen

Gerechtshof Den Haag 3 april 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:491 




Bij een dreigende fusie van een vereniging, richt een bestuurslid (en drijvende kracht) van de vereniging een Stichting op. De Stichting ontvangt gelden uit diverse sponsorcontracten en ondersteunt de Vereniging. Het bestuurslid is enig bestuurslid van de stichting. De vereniging heeft ondertussen een nieuw bestuur en de bestuurder van de stichting wil de banden tussen vereniging en stichting doorsnijden. De vereniging verzoekt daarop aan de rechtbank om de bestuurder te ontslaan als bestuurder van de Stichting. Het hof wijst dat verzoek in hoger beroep af. Kortom, de bestuurder blijft zitten. En de vereniging is het vermogen dat in de Stichting zit (is opgebouwd), kwijt (de Stichting heeft wel een bedrag overgemaakt naar de Vereniging, maar ik neem aan dat dit niet hele vermogen van de Stichting is). 






” De Vereniging is op 1 november 1910 opgericht en heeft tot doel het bevorderen van de wielersport in het algemeen en wielrennen in het bijzonder. [appellant] is jarenlang drijvende kracht geweest achter de Vereniging. Blijkens de inschrijving bij de KvK was [appellant] van 1 januari 1993 tot 1 januari 2014 algemeen bestuurder van de Vereniging.” 
” In 2009 speelde een mogelijke fusie van de Vereniging met een Rotterdamse wielervereniging. [appellant] en [belanghebbende 1] waren hiervan geen voorstander. Dit heeft ertoe geleid dat [appellant] de Stichting heeft opgericht. ” 
” De Stichting ontving (al dan niet mede) ten behoeve van de Vereniging gelden uit diverse sponsorcontracten en ondersteunde de evenementen van de Vereniging financieel. Ook heeft de Stichting materiaal aan de Vereniging in bruikleen verstrekt.” 
In 2016 is een conflict ontstaan tussen [appellant] en leden van de Vereniging. [appellant] heeft zijn lidmaatschap van de Vereniging opgezegd.


” Bij inleidend verzoekschrift van 29 december 2016 heeft de Vereniging [] verzocht [appellant] te ontslaan als bestuurder van de Stichting ” 


Is er sprake van wanbeleid door Appellant als bestuurder van de Stichting? Het Hof overweegt als volgt:
” Duidelijk is dat [appellant] met de Stichting een andere koers wenst te gaan varen dan voorheen, waarbij aan de nauwe banden tussen de Vereniging en de Stichting een einde komt. [appellant] handelt daarmee niet in strijd met de Statuten. De doelomschrijving in de Statuten geeft er immers geen blijk van dat de Stichting (mede) is opgericht ten behoeve van de Vereniging.” 
” Hieraan kan niet afdoen dat [appellant] mogelijk wel jegens de Vereniging onrechtmatig heeft gehandeld / toerekenbaar tekort is geschoten door geen openheid van zaken te geven over het door hem gevoerde financiële beleid over de (in ieder geval deels) aan de Vereniging toekomende sponsorgelden, waardoor de Vereniging nadeel heeft ondervonden. Een grond voor ontslag als bestuurder van de Stichting vormt een dergelijk handelen zoals eerder overwogen echter niet.” 

” De omstandigheid dat de Vereniging niet bekend is met een rekening-courantverhouding tussen [appellant] en de Stichting, is onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [appellant] is gaan bankieren met de gelden van de Stichting en dat dus sprake is van wanbeheer.” 




Beschikking van 3 april 2018

in de zaak van

[appellant], 

appellant in het principaal beroep,
verweerder in het incidenteel beroep,
nader te noemen: [appellant],

tegen:

Vereniging Rotterdamse Renners Club “De Pedaalridders”,

geïntimeerde in het principaal beroep,
appellante in het incidenteel beroep,
hierna te noemen: de Vereniging,
en
[belanghebbende 1] ,
wonende te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
hierna te noemen: [belanghebbende 1],
[belanghebbende 2] ,
wonende te Berkel en Rodenrijs, gemeente Lansingerland,
hierna te noemen: [belanghebbende 2],
belanghebbenden,

en

Stichting Wieleracademie Lansingerland e.o.,

voorheen genaamd Stichting Wielerpromotie Pedaalridders Lansingerland,
hierna te noemen: de Stichting,
[belanghebbende 3] ,
hierna te noemen: [belanghebbende 3],
[belanghebbende 4] ,
verder te noemen: [belanghebbende 4],
[belanghebbende 5],
verder te noemen: [belanghebbende 5],
[belanghebbende 6] ,
verder te noemen: [belanghebbende 6],
belanghebbenden,

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor zover de door de rechtbank in de bestreden beschikking vastgestelde feiten door partijen niet zijn bestreden, zal ook het hof daarvan zal uitgaan. Met grief 1 komt [appellant] op tegen de door de rechtbank in rov. 2.3 van het bestreden vonnis vastgestelde feiten, deze feiten zal het hof daarom niet als vaststaand aannemen.
2. Het gaat in deze zaak om het volgende.
2.1

De Vereniging is op 1 november 1910 opgericht en heeft tot doel het bevorderen van de wielersport in het algemeen en wielrennen in het bijzonder. [appellant] is jarenlang drijvende kracht geweest achter de Vereniging. Blijkens de inschrijving bij de KvK was [appellant] van 1 januari 1993 tot 1 januari 2014 algemeen bestuurder van de Vereniging.

2.2

In de Statuten van de Verenging is onder meer het volgende bepaald:
 BESTUUR
artikel 8
1. Het bestuur bestaat uit een oneven aantal van tenminste vijf personen, die door de algemene vergadering worden benoemd. (…)
3. De benoeming van bestuursleden geschiedt uit een of meer bindende voordrachten, (…).
Tot het opmaken van zulk een voordracht zijn bevoegd zowel het bestuur als tien leden. De voordracht van het bestuur wordt bij de oproeping door de vergadering meegedeeld. Een voordracht door tien of meer leden moet vóór de aanvang van de vergadering schriftelijk bij het bestuur worden ingediend.
(…)
7. Wie de leeftijd van vijfenzestig jaar heeft bereikt, is niet tot bestuurslid benoembaar.

BESTUURSTAAK – VERTEGENWOORDIGING
artikel 11
(…)
5. Het bestuur behoeft (…) goedkeuring van de algemene vergadering voor besluiten tot:
(…)
e. het optreden in rechte, (…)”

2.3

In 2009 speelde een mogelijke fusie van de Vereniging met een Rotterdamse wielervereniging. [appellant] en [belanghebbende 1] waren hiervan geen voorstander. Dit heeft ertoe geleid dat [appellant] de Stichting heeft opgericht. De statuten van de Stichting luiden voor zover van belang als volgt:
 DOEL
artikel 2
1. De Stichting heeft ten doel:
het stimuleren, ondersteunen, bevorderen en (doen) beoefenen van de wielersport in de ruimste zin van het woord.
2. De stichting tracht haar doel onder meer te bereiken door:
a. het organiseren van (jeugd-)wieleropleidingen in de regio Lansingerland
b. het beheren/verhuren van materialen zoals fietsen, fietshelmen en dergelijke
c. het organiseren van (jeugd-)wielertoernooien
d. het organiseren van scholenprojecten, dikke banden race en dergelijke;
e. het in opdracht (bijvoorbeeld van de gemeente Lansingerland) mede organiseren van projecten als Kies voor Hart en Sport.

(…)

BESTUUR
Artikel 4
1. De stichting wordt bestuurd door een bestuur bestaande uit een door het bestuur te bepalen aantal leden. Bestuursleden worden benoemd en ontslagen door het bestuur.
2. Het bestuur kiest uit zijn middelen een voorzitter, een secretaris en penningmeester kunnen door één persoon worden vervuld.

(…)

BESTUURSVERGADERINGEN
Artikel 6
1. Het bestuur vergadert tenminste éénmaal per jaar (…)
(…)
4. Van elke bestuursvergadering worden notulen gehouden (…)

(…)

BOEKJAAR EN JAARSTUKKEN
Artikel 8
(…)
2. Het bestuur is verplicht tot het houden van zodanige aantekeningen omtrent de vermogenstoestand van de stichting en van alles betreffende haar werkzaamheden, dat daaruit te allen tijde haar rechten en verplichtingen kunnen worden gekend.
3. Het bestuur is verplicht binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een balans en een staat van baten en lasten op te maken en op papier te stellen. (…)
4. Het bestuur is verplicht de in lid 2 van dit artikel bedoelde stukken, boeken, bescheiden en andere gegevensdragers alsmede de balans en staat van baten en lasten zeven jaren lang te bewaren.

(…)

SLOTBEPALING
Tenslotte verklaarde de verschenen persoon, handelend als gemeld:
dat het aantal bestuursleden is vastgesteld op één (1);
dat de heer [appellant] voornoemd bij deze tot bestuurder wordt benoemd.”

2.4

De Vereniging en Stichting trokken sindsdien gelijk op, zij waren veelal betrokken bij dezelfde activiteiten. De Stichting ontving (al dan niet mede) ten behoeve van de Vereniging gelden uit diverse sponsorcontracten en ondersteunde de evenementen van de Vereniging financieel. Ook heeft de Stichting materiaal aan de Vereniging in bruikleen verstrekt.
2.5

Blijkens een uittreksel van de Kamer van Koophandel is [belanghebbende 2] (geboren op [geboortedatum 1]) sedert 1 juli 2015 voorzitter en [belanghebbende 1] (geboren op [geboortedatum 2]) sedert 9 maart 2016 penningmeester van de Vereniging. [belanghebbende 1] is blijkens datzelfde uittreksel ook penningmeester geweest van 1 januari 1997 tot 27 juli 2015.
2.6

In 2016 is een conflict ontstaan tussen [appellant] en leden van de Vereniging. [appellant] heeft zijn lidmaatschap van de Vereniging opgezegd.
2.7

Bij e-mail van 4 maart 2016 schreef [appellant] aan [belanghebbende 2]:
“Er zal een bedrag van € 27.600,00 van de Stichting (…) aan de Rennersclub Pedaalridders Lansingerland in termijnen aan u worden overgemaakt, de eerste termijn is reeds overgemaakt.

Alle materialen, waaronder vervoersmiddelen trainingsmaterialen etc., die eigendom zijn van de Stichting (…), behoud u het gebruiksrecht om ingezet te worden voor trainingsdoeleinden klassiekers etc.

Het onderhoud en overige kosten van de materialen komt voor rekening van de Rennersclub Pedaalridders Lansingerland. (…)”

2.8

Bij ongedateerde brief (van waarschijnlijk 8 september 2016) schreef [belanghebbende 2] aan de Stichting / [appellant]:
“We zijn al lange tijd bezig om tot afspraak te komen. Om diverse redenen komt het er maar niet van, om die reden schrijf ik je deze brief.

Zoals je weet, bestaat er binnen De Pedaalridders bij een groot aantal mensen al langer onvrede over het uitblijven van openheid van zaken, ook wel transparantie genoemd, over ondermeer de contracten die de stichting heeft gesloten en de materialen die zijn verkregen. De afgelopen jaren is dit meerdere keren besproken, maar dit heeft geen resultaat opgeleverd. Dit is waar deze brief zich vooral op richt.

Ik hecht eraan te benadrukken dat men jouw inzet voor De Pedaalridders altijd zeer heeft gewaardeerd. Jij betekent zeer veel voor De Pedaalridders. Nu zijn er wat onduidelijkheden over de toekomst. Voor veel mensen is niet duidelijk welke contracten er lopen, wat er met de (sponsor)gelden is gedaan en welke materialen er zijn. Men wil niet meer dan openheid van zaken en verder met de toekomst. Daar hebben zij ook belang bij en jou voor nodig.

In het gesprek had ik een aantal zaken met je willen bespreken en dat zijn:

1. Welke sponsorcontracten lopen er? Graag ontvang ik een overzicht over de afgelopen vijf jaar, met daarbij de contracten.
2. Over de materialen op de club is eveneens veel onduidelijkheid. Ik verzoek je aan de hand van stukken duidelijk te maken hoe zij betaald zijn.
3. De huur van het pand staat op naam van de stichting. Graag ontvang ik de huurovereenkomst.
4. Er is een financiële afrekening gekomen van de stichting, maar wij hebben geen idee hoe deze tot stand is gekomen. Wij ontvangen graag de financiële administratie over de achterliggende vijf jaar. Hierbij breng ik in herinnering dat de stichting indertijd is opgezet op de vereniging “De Pedaalridders” financieel te vrijwaren voor als de vereniging een samenwerkingsverband zou aangaan met een andere wielervereniging. De financiële kant van onze vereniging is feitelijk ondergebracht in de stichting. De gedachte is altijd geweest dat dit op enig moment weer teruggedraaid zou worden. Om die reden wil de vereniging inzicht hebben over de financiële afhandeling en de beschikking krijgen over de volledige boekhouding, nu jij ermee wilt stoppen.

Vriendelijk verzoek ik je deze stukken binnen twee weken aan te leveren. Bedankt alvast.

Tot slot merk ik voor de goede orde op dat wij er vanuit gaan dat jij nog steeds de stichting wilt behouden en dat een overdracht van alle zaken dus gewenst is. Mocht jij alsnog de stichting willen overdragen dan verneem ik dat ook graag. (…)”

2.9

Bij inleidend verzoekschrift van 29 december 2016 heeft de Vereniging – voor zover thans nog van belang – verzocht [appellant] te ontslaan als bestuurder van de Stichting, met benoeming van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] als bestuurders, met veroordeling van [appellant] en/of de Stichting in de kosten van het geding.
2.10

Op 6 maart 2017 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. [appellant] heeft laten weten daarbij om gezondheidsredenen niet aanwezig te zijn.
2.11

In de notulen van de bestuursvergadering van de Stichting van 20 maart 2017 is onder meer het volgende vermeld:
“1.1 (…) [appellant] is inmiddels 77 jaar en wil een aantal van zijn taken in de Stichting delen en overdragen omdat het geschil met de Pedaalridders hem mentaal en fysiek zwaar hebben aangegrepen. Bovendien wil hij de verantwoording voor de Stichting niet meer alleen dragen en wil het bestuur uitbreiden en daarmee zijn erfgoed waarborgen voor de toekomst. Op grond van artikel 4 eerste lid van de statuten kan het bestuur het aantal leden bepalen.

(…)

3.1

De heer [belanghebbende 3] geeft te kennen toe te willen treden tot het bestuur van de stichting in de functie van secretaris en het wenselijk acht dit met nog maximaal drie leden uit te breiden. Zodat het aantal bestuursleden uit maximaal vijf bestuursleden zal bestaan drie leden dagelijks bestuur en twee leden.
3.2

Ton stelt dat uit de statuten valt af te leiden dat de Stichting een brede doelstelling heeft en dat maakt dat bestuursleden geen belangen dienen te hebben met eventuele organisaties en/of verenigingen die bij Stichting ondersteuning vragen. [appellant] geeft aan dat het doel van de stichting is dat nieuwe bestuursleden onafhankelijk dienen te zijn van welke vereniging dan ook.
3.3

Op korte termijn zullen drie andere kandidaten benadert worden of zij interesse hebben om zitting te nemen in het bestuur van de Stichting. Daarbij zal [belanghebbende 5] [appellant], [belanghebbende 6] en [belanghebbende 4] gevraagd worden toe te treden tot het stichtingsbestuur.
(…)

5.1

De onderhavige notulen worden ter vergadering opgemaakt, [belanghebbende 3] benoemd tot secretaris van de Stichting en vastgesteld, ten blijke waarvan deze notulen door de voorzitter worden ondertekend. (…)”
2.12

In de notulen van de bestuursvergadering van de Stichting van 31 maart 2017 is onder meer te lezen:
“3.1 [belanghebbende 5], [belanghebbende 2] en [belanghebbende 6] geven te kennen toe te willen treden tot het bestuur van de stichting als lid. Zodat het aantal bestuursleden uit maximaal vijf bestuursleden zal bestaan twee leden dagelijks bestuur en twee leden. De vergadering gaat hiermee akkoord.

(…)

5.1

De onderhavige notulen worden ter vergadering opgemaakt, vastgesteld . [belanghebbende 5] [appellant], [belanghebbende 4] en [belanghebbende 6] benoemd tot bestuurder in de Stichting, ten blijke waarvan deze notulen door de voorzitter en secretaris worden ondertekend. (…)”
2.13

Bij de thans bestreden beschikking van 1 mei 2017 heeft de rechtbank [appellant] ontslagen als bestuurder van de Stichting en [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] als bestuurders benoemd.
2.14

In de notulen van de algemene ledenvergadering van de Vereniging van 29 mei 2017 staat voor zover van belang het volgende:

“Bekrachtiging bestuur door de leden

In januari van dit jaar hebben we in een ledenavond al gevraagd of het goed was dat [belanghebbende 2], [A] en [B] de Pedaalridders vertegenwoordigen als bestuur in de procedure tegen [appellant] en voor het voeren van de procedure zelf.

[appellant] stelt nu dat wij nooit correct zijn benoemd. Daar zijn wij het niet mee eens. Wij hadden weldegelijk de steun van de leden en zijn benoemd. [appellant] heeft met deze gang van zaken altijd ingestemd. [A] is nota bene door [appellant] gevraagd. [belanghebbende 2] is al heel lang bestuurder. Wij beschikken echter niet over alle stukken uit de desbetreffende periode. Die heeft [appellant] deels achtergehouden.

Om iedere discussie te voorkomen is er gestemd en zijn voor het geval dat nodig mocht zijn, [belanghebbende 2], [A] en [B] ieder voor zich nogmaals benoemd, conform de statuten, als bestuurder. Deze voorstellen zijn met algemene stemmen aangenomen.

Verder hebben de leden, zoals ook al in januari van dit jaar gedaan, nogmaals ingestemd met het ondernemen van alle mogelijke acties richting [appellant] en zijn vennootschappen en zijn alle eerdere acties en besluiten van ons bekrachtigd. (…)”

3.1

In het principaal hoger beroep verzoekt [appellant] – zakelijk weergegeven – de bestreden beschikking te vernietigen en de inleidende verzoeken alsnog af te wijzen, met veroordeling van de Vereniging tot terugbetaling van al hetgeen zij ter uitvoering van de bestreden beschikking heeft ontvangen, en met veroordeling van de Vereniging in de kosten van beide instanties
3.2

De grieven van [appellant] zijn gericht tegen de feitenvaststelling (grief I, zie hiervoor onder 1), tegen het feit dat de rechtbank de Vereniging ontvankelijk heeft verklaard in haar verzoek, nu niet gebleken is van een rechtsgeldig besluit van de Vereniging tot het voeren van de onderhavige procedure, en [belanghebbende 2], [belanghebbende 1] en [C] niet kunnen gelden als conform de statuten van de vereniging benoemde bestuurders (grief II), tegen het oordeel van de rechtbank dat de Vereniging in haar belang kan worden getroffen door de uitkomst van deze procedure (grief III), tegen de overwegingen die de rechtbank hebben gebracht tot het oordeel dat sprake was van een situatie als bedoeld in artikel 2:298 BW die het ontslag van [appellant] rechtvaardigt (grief IV tot en met VIII); tegen de overweging dat de Stichting met het ontslag van [appellant] zonder bestuur is, zodat de rechtbank aan het verzoek om ingevolge artikel 2:299 BW te voorzien in de vervulling van ledige plaatsen van het bestuur, kan toekomen (grief IX), tegen de benoeming van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] als bestuurders van de Stichting (grief X en XI) en tegen de proceskostenveroordeling (grief XII).
3.3

De Vereniging verzoekt in het incidenteel appel – opnieuw zakelijk en verkort weergegeven – bij wijze van voorlopige voorziening ex artikel 2:298 BW de door [appellant] benoemde bestuursleden op de kortst mogelijke termijn te schorsen. Daarnaast verzoekt de Vereniging, bij wijze van eisvermeerdering, het ontslag van de door [appellant] benoemde bestuursleden. Voorts verzoekt de Vereniging in het dictum een proceskostenveroordeling in eerste instantie uit te spreken, daar de rechtbank heeft verzuimd deze in het dictum op te nemen.
3.4

Het hof zal de grieven en verzoeken per onderwerp behandelen, waarbij het hof er veronderstellenderwijze – [appellant] en de Stichting hebben dit immers gemotiveerd bestreden – vanuit gaat dat het besluit van de Vereniging de onderhavige procedure te voeren bevoegdelijk is genomen en dat de Vereniging in rechte bevoegdelijk wordt vertegenwoordigd door [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1].
Is de Vereniging belanghebbende in de zin van artikel 2:298 BW?

4.1

In artikel 2:298 BW is de mogelijkheid opgenomen dat een belanghebbende de rechtbank verzoekt een bestuurder van een stichting te ontslaan. De eerste vraag die beantwoording behoeft is of de Vereniging in deze procedure als een belanghebbende is aan te merken. Deze vraag moet worden beantwoord aan de hand van de zogenoemde tweekringenleer. Deze leer veronderstelt dat er twee categorieën van belanghebbenden bestaan, namelijk i) degenen die bij de uitkomst van de procedure een eigen belang hebben en ii) degenen die op een andere wijze zo nauw zijn betrokken bij het onderwerp van de procedure dat zij op grond van die betrokkenheid een belang hebben om in de procedure te verschijnen. Ook stichtingen en verenigingen die een bepaald collectief belang behartigen kunnen als belanghebbende worden aangemerkt.
4.2

Het hof overweegt dat hoewel uit de statutaire doelomschrijving van de Stichting bij een objectieve uitleg niet zonder meer blijkt dat de Vereniging een belanghebbende is in de hiervoor beschreven zin (zie hiervoor onder 2.3), er niet aan voorbij kan worden gegaan dat er feitelijk steeds sprake is geweest van een duidelijke verwevenheid, blijkend uit de overeenkomstige naamgeving “Pedaalridders”, de personele unie ([appellant] was in aanvang zowel bestuurslid van de Stichting als van de Vereniging) en de omstandigheid dat de Vereniging en de Stichting bij het verwerven van sponsorcontracten zodanig samen optrokken, dat het voor de sponsors niet altijd meteen duidelijk zal zijn geweest of zij nu aan de Stichting of aan de Vereniging een toezegging hadden gedaan, en dat daardoor feitelijk een financiële verwevenheid is ontstaan tussen Vereniging en Stichting. Ook uit de aanleiding voor het oprichten van de Stichting (die samenhing met een mogelijke fusie van de Vereniging met een andere wielervereniging) blijkt dat beide niet geheel los van elkaar kunnen worden gezien. Het hof is dan ook van oordeel dat de Vereniging behoort tot de tweede kring en kan worden aangemerkt als belanghebbende in de zin van artikel 2:298 BW.
Handelen ism wet of statuten / wanbeheer door [appellant]?

5.1

De mogelijkheid van ontslag van een bestuurder is bij de rechter neergelegd bij gebreke van een toezichtmogelijkheid op het bestuur door leden of aandeelhouders. De rechter mag alleen tot ontslag besluiten, wanneer sprake is van een in artikel 2:298 lid 1 onder a of b BW genoemde reden. In deze procedure gaat het om de vraag of [appellant] heeft gehandeld in strijd met de bepalingen van de wet of van de statuten, dan wel zich heeft schuldig gemaakt aan wanbeheer (de a-grond). Uit HR 3 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD4123, NJ 1975/222 blijkt, dat het bij handelen of nalaten in strijd met de bepalingen van de wet moet gaan om uitgesproken onrechtmatigheid van handelen of nalaten. Hiervan is sprake indien redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid mogelijk is (HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324). Hetzelfde geldt wanneer een bestuurder iets doet of nalaat in strijd met de statuten. Het is niet de bedoeling dat de rechter het beleid controleert, maar (slechts) de rechtmatigheid daarvan. Van wanbeheer is sprake bij tekortkomingen ten aanzien van het beheer over het vermogen of de zorg voor het verkrijgen van de inkomsten van de stichting (HR 3 januari 1975, ECLI:NL:HR:1975:AD4123).
5.2

De Vereniging heeft haar inleidend verzoek onderbouwd met de stelling dat er door [appellant] geen deugdelijke administratie van de financiën van de Stichting is bijgehouden en dat [appellant] er niet voor heeft gezorgd dat binnen zes maanden na afloop van ieder boekjaar een balans en een staat van baten en lasten is opgemaakt. Ook worden er door de Stichting geen vergaderingen gehouden zodat moet worden geoordeeld dat [appellant] artikel 6 en 8 van de Statuten heeft geschonden. Dit is onrechtmatig omdat [appellant] af wil van de financiële verwevenheid tussen Vereniging en Stichting, maar de Vereniging geen openheid van zaken wenst te geven, aldus de Vereniging.
5.3

Volgens [appellant] en de Stichting is er van wanbeheer of onrechtmatig handelen dan wel nalaten geen sprake: er is sprake van een geschil over de eigendom van het materieel c.a. dat bij de Vereniging in gebruik is en een vermeende aanspraak op sponsorgelden, maar dat rechtvaardigt niet de onderhavige procedure. Er is sprake van een zakelijk conflict tussen de Vereniging en de Stichting, waarbij de Vereniging – als zij meent dat de Stichting op enige juridische grond gehouden is openheid van zaken te geven – andere middelen ten dienste staan dan het ontslag van [appellant].
5.4

Het hof overweegt als volgt.
Duidelijk is dat [appellant] met de Stichting een andere koers wenst te gaan varen dan voorheen, waarbij aan de nauwe banden tussen de Vereniging en de Stichting een einde komt. [appellant] handelt daarmee niet in strijd met de Statuten. De doelomschrijving in de Statuten geeft er immers geen blijk van dat de Stichting (mede) is opgericht ten behoeve van de Vereniging. De onder 4.2 beschreven omstandigheden maken dat niet anders, omdat de uitleg van statuten in beginsel plaats dient te vinden aan de hand van de (objectieve) CAO-norm. De Vereniging verzet zich niet tegen het verbreken van de feitelijke band tussen Vereniging en Stichting als zodanig (deze is voor haar bespreekbaar), maar meent dat de Stichting dan wel rekening en verantwoording dient af te leggen over het door haar gevoerde financiële beheer over de (in ieder geval deels) aan de Vereniging toekomende sponsorgelden. Dit een en ander betekent dat de wens van [appellant] om de feitelijke (financiële) band tussen de Stichting en de Vereniging te verbreken, geen grond kan vormen voor een ontslag als bedoeld in artikel 2:298 BW. De omstandigheid dat [appellant] heeft geweigerd jegens de Vereniging rekening en verantwoording af te leggen als hiervoor bedoeld, maakt dat – nu de statuten daartoe niet verplichten – niet anders. Dit betekent overigens niet dat het hof van oordeel is dat de Vereniging niet van de Stichting kan verlangen dat zij rekening en verantwoording aflegt over het door haar gevoerde financiële beheer over de (in ieder geval deels) aan de Vereniging toekomende sponsorgelden, maar slechts dat het niet afleggen van genoemde rekening en verantwoording door de Stichting, het ontslag van [appellant] niet rechtvaardigt.

5.5

Ter zitting in hoger beroep heeft [belanghebbende 6] onweersproken verklaard dat de nieuwe bestuursleden van de Stichting na hun aantreden minutieus bijgehouden stukken (grootboek en het Excel-bestanden) hebben aangetroffen, aan de hand waarvan recent door een onafhankelijke partij de jaarrekeningen zijn opgesteld. Het hof leidt hieruit af dat [appellant] niet tijdig heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 8, lid 3 van de statuten om binnen zes maanden na afloop van het boekjaar een staat van baten en lasten vast te stellen, maar dat wel is voldaan aan de verplichting als weergegeven in artikel 8, lid 2 (het zodanig bijhouden van een administratie dat daaruit de financiële rechten en verplichtingen van de stichting blijken) en artikel 4 (de verplichting de administratie gedurende zekere tijd te bewaren) van de statuten.
5.6

Mr. Van Schaik heeft ter zitting verklaard dat het wel het vaker voorkomt dat een enig bestuurder (die dus met zichzelf moet vergaderen), zijn besluiten niet in notulen vastlegt, maar dat het enkele ontbreken van notulen niet kan leiden tot de conclusie dat er sprake is van wanbeleid. Het hof leidt hieruit af, dat [appellant] niet ontkent dat hij (ook) artikel 6 van de statuten heeft geschonden.
5.7

Voornoemde schendingen van de statuten zijn echter – ook tezamen – niet zodanig ernstig dat redelijkerwijs geen verschil van mening over de onrechtmatigheid mogelijk is. Gesteld noch gebleken is immers dat de Stichting of de doelen van de Stichting hierdoor enig nadeel hebben ondervonden. Dat betekent dat het bestreden vonnis voor zover [appellant] daarin is ontslagen, niet in stand kan blijven. Hieraan kan niet afdoen dat [appellant] mogelijk wel jegens de Vereniging onrechtmatig heeft gehandeld / toerekenbaar tekort is geschoten door geen openheid van zaken te geven over het door hem gevoerde financiële beleid over de (in ieder geval deels) aan de Vereniging toekomende sponsorgelden, waardoor de Vereniging nadeel heeft ondervonden. Een grond voor ontslag als bestuurder van de Stichting vormt een dergelijk handelen zoals eerder overwogen echter niet.
5.8

De omstandigheid dat de Vereniging niet bekend is met een rekening-courantverhouding tussen [appellant] en de Stichting, is onvoldoende om de conclusie te kunnen dragen dat [appellant] is gaan bankieren met de gelden van de Stichting en dat dus sprake is van wanbeheer.
5.9

Nu niet gebleken is van een ontslaggrond als bedoeld in artikel 2:298 BW, kan het ontslag van [appellant] niet in stand blijven. De bestreden beschikking zal in zoverre worden vernietigd.
Benoeming van [belanghebbende 3], [belanghebbende 4], [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6]

6.1

De Vereniging stelt zich op het standpunt dat de benoeming van [belanghebbende 3], [belanghebbende 4], [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6] niet in stand kan blijven, wegens strijd met artikel 21 Rv. [appellant] heeft door de benoeming van genoemde familieleden en vrienden grip proberen te houden op de Stichting. Hij heeft tegenover de rechtbank niet over deze (voorgenomen) benoemingen gerept, hoewel hij daartoe op grond van artikel 21 Rv verplicht was. Uit dit artikel volgt immers dat [appellant] verplicht is de voor de beslissing door de rechtbank van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Sterker nog, [appellant] heeft bij de rechtbank betoogd dat de Stichting – gelet op de slotbepaling in de statuten – slechts één bestuurder kan hebben. De benoemingen zijn daarom strijdig met de wet / redelijkheid en billijkheid en dus op grond van artikel 2:14 en/of 3:40 BW nietig dan wel op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar, aldus de Vereniging.
6.2

Het hof overweegt dat de omstandigheid dat [appellant] in strijd met zijn uit artikel 21 Rv voortvloeiende verplichting noch de rechtbank noch zijn wederpartij op de hoogte heeft gesteld van de voorgenomen benoemingen (welke informatie immers van belang was voor de beslissing door de rechtbank) niet tot de gevolgtrekking leidt dat de benoemingen nietig of vernietigbaar zijn. Niet valt in te zien dat de benoemingen zelf in strijd zijn met de wet of de statuten ([appellant] kon als bestuurder het aantal leden van het bestuur bepalen). Mogelijk waren de benoemingen wel in strijd met de redelijkheid die jegens derden in acht zou moeten worden genomen (nu deze in hoofdzaak ingegeven lijken te zijn om de benoeming van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] te belemmeren). Nu echter thans moet worden vastgesteld dat het ontslag van [appellant] geen stand houdt en er zich dus ook geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 2:299 BW dat de rechter in de vervulling van de lege plaats(en) kan voorzien, leidt dit niet tot nietigverklaring of vernietiging van de benoemingsbesluiten. Het incidentele verzoek zal in zoverre worden afgewezen.
6.3

Daar in deze uitspraak wordt beslist in de hoofdzaak, heeft de Vereniging geen belang meer bij een beoordeling van de gevraagde voorlopige voorziening. Dit betekent dat ook dit verzoek niet kan worden toegewezen.
Benoeming van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1]

7. Nu het ontslag van [appellant] zoals hiervoor overwogen geen stand houdt en [belanghebbende 3], [belanghebbende 4], [belanghebbende 5] en [belanghebbende 6] rechtsgeldig zijn benoemd als bestuurslid van de Stichting, betekent dit dat zich geen situatie voordoet als bedoeld in artikel 2:299 BW dat de rechter in de vervulling van de lege plaats(en) kan voorzien. Dit betekent dat ook de benoeming van [belanghebbende 2] en [belanghebbende 1] dient te worden vernietigd.

Tot slot / proceskostenveroordeling

8.1

Een en ander leidt tot de slotsom dat het principaal hoger beroep slaagt en het incidenteel hoger beroep faalt. De bestreden beschikking kan niet in stand blijven. De Vereniging zal worden veroordeeld tot terugbetaling van al hetgeen dat op grond van de bestreden beschikking aan haar mocht zijn betaald. Bij deze uitkomst past dat de Vereniging wordt veroordeeld in de kosten van zowel de eerste aanleg als van het (principaal en incidenteel) hoger beroep.
8.2

Bij deze stand van zaken hebben partijen geen belang bij bespreking van de overige stellingen en verweren.
8.3

Bij gebreke van stellingen die indien bewezen tot een ander oordeel zouden leiden, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.

Verplicht lidmaatschap (NBA)

Gerechtshof Den Haag 3 april 2018
ECLI:NL:GHDHA:2018:632

In deze zaak heeft een vereniging van accountants een rechtszaak aangespannen over de Staat omdat het verplichte lidmaatschap van accountants van de Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) in strijd zou zijn met de mensenrechten (met name het EVRM). De rechter wijst dat af. Verplicht lidmaatschap is acceptabel. De NBA is namelijk geen privaatrechtelijke vereniging waarop artikel 11 EVRM ziet. Dit heeft ook de Hoge Raad al eerder uitgemaakt in ECLI: NL:HR:2016:2910. Ook het betoog dat het lidmaatschap van de NBA in strijd zou zijn met de vrijheid van meningsuiting en de bescherming van eigendom in artikel 1 EP EVRM wordt afgewezen.

Arrest van 3 april 2018

in de zaak met bovenvermeld zaaknummer van:
vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Orde van Registeradviseurs Nederland,

appellante,
nader te noemen: OvRAN,

tegen:

de Staat der Nederlanden (Ministerie van Financiën),

De feiten

De door de rechtbank in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.5) van het bestreden vonnis vastgestelde feiten staan niet ter discussie, zodat ook het hof (met een enkele correctie van verschrijvingen) daarvan uitgaat. Hierna zullen deze feiten worden herhaald, hier en daar voorzien van een enkele toevoeging.

(1.1) OvRAN is een door accountants opgerichte beroepsvereniging. Zij houdt zich blijkens haar statuten bezig met het bevorderen van een goede beroepsuitoefening door adviseurs en/of accountants en daarnaast beoogt zij een platform te vormen voor specialisten in een bepaald advies- en/of accountancyvakgebied. OvRAN vertegenwoordigt accountants, administratieconsulenten bij kleinere organisaties en (financieel) adviseurs, werkzaam in het bedrijfsleven of de overheid. OvRAN is voortgekomen uit een fusie tussen haar voorlopers de Stichting Wakkere Accountant en de Werkgroep Minnelijk Overleg. 

(1.2) De Nederlandse Beroepsorganisatie van Accountants (NBA) is een bij Wet op het accountantsberoep (Wab) ingestelde beroepsvereniging en is een openbaar lichaam in de zin van artikel 134 Grondwet. De NBA is belast met het bevorderen van de goede beroepsuitoefening van haar leden, de behartiging van de gemeenschappelijke belangen van accountants, het zorgdragen voor de eer van de stand van de accountants en het zorgdragen voor de praktijkopleiding van accountants. Blijkens artikel 19 lid 2, aanhef en onder a van de Wab moet de ledenvergadering van de NBA een verordening vaststellen met betrekking tot gedrags- en beroepsregels ten behoeve van de goede uitoefening van de werkzaamheden van accountants. De Verordening gedrags- en beroepsregels accountants (VGA) geeft hier invulling aan. De NBA is op 1 januari 2013 ontstaan uit een fusie tussen het Nederlands Instituut voor Registeraccountants (NIVRA, de bij wet ingestelde beroepsvereniging voor registeraccountants) en de Nederlandse Orde van Accountants-Administratieconsulenten (NOVAA, de bij wet ingestelde beroepsvereniging voor accountants-administratieconsulenten).

(1.3) In de Wab is het lidmaatschap van de NBA verplicht gesteld voor diegenen die zich in het accountantsregister willen inschrijven. Zonder de inschrijving in het accountantsregister mag de accountantstitel Registeraccountant (RA) of Accountant-Administratieconsulent (AA), dan wel de benaming accountant, niet worden gevoerd. 

(1.4) OvRAN en haar voorlopers zijn opgericht wegens bij een aantal leden van de NBA (en haar voorlopers) heersende onvrede over – kort gezegd – de gang van zaken met betrekking tot de totstandkoming van regelgeving binnen de (voorlopers van de) NBA. Vanaf 2006 hebben OvRAN en haar voorlopers zowel bij de bestuursrechter als de (civiele) voorzieningenrechter geprocedeerd tegen het NIVRA in verband met deze onvrede. In die procedures is onder meer aangevoerd dat het verplichte lidmaatschap van de beroepsvereniging in strijd is met artikel 11 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Dat standpunt is in die procedures niet gevolgd.

(1.5) Bij arrest van 20 december 2016 (ECLI:NL:HR:2016:2910) heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de NBA geen vereniging is als bedoeld in artikel 11 EVRM en dat het bij wet verplicht gestelde lidmaatschap van de NBA voor accountants die in het accountantsregister zijn ingeschreven niet in strijd is met artikel 11 EVRM.
[…]

Verdere beoordeling in hoger beroep

Achtergrond geschil

14. Achtergrond
van dit geschil is de bij OvRAN levende onvrede over het optreden van de NBA.
Volgens OvRAN bevoordeelt de NBA de ‘grote kantoren’, meer in het bijzonder de
zogenaamde OOB-kantoren (accountantskantoren met een AFM-vergunning voor
controle van organisaties van openbaar belang – oob’s –), ten nadele van de
kleinere (MKB-)kantoren (die haar achterban vormen). Haar leden kunnen zich
echter niet aan de NBA onttrekken als gevolg van het verplichte lidmaatschap en
de daarmee samenhangende wettelijke titelbescherming.
Dit acht
OvRAN onterecht.

15. Het hof stelt voorop dat de NBA geen partij is in deze procedure. Voor
zover onvrede bestaat over het optreden van de NBA, dient OvRAN en/of dienen
haar leden de geëigende democratische middelen jegens de NBA te benutten om (te
proberen) hier verandering in te brengen. In ieder geval zijn in de stellingen
van OvRAN geen toereikende aanwijzingen te vinden dat de Staat verantwoordelijk
zou zijn voor de (door OvRAN als onheus beoordeelde) feitelijke gang van zaken
en de regelgeving binnen de NBA.
Het hof zal hier later nog nader
op ingaan.
16. Daarnaast wijst het hof erop dat de regelgeving omtrent (de uitoefening
van) het accountantsberoep in de Wab erop is gericht de kwaliteit van de
beroepsgroep te bevorderen en te beschermen. Voor een goed functioneren van de
financiële markten en het bedrijfsleven dienen verklaringen van accountants
over de financiële gegevens van entiteiten betrouwbaar te zijn.
OvRAN is
het met het voorgaande eens.
17. Volgens
de wetgever is een verplicht lidmaatschap van de beroepsvereniging (NBA)
aangewezen ter bewaking en bevordering van de kwaliteit van de beroepsgroep,
met uniforme eisen (afhankelijk van de aard van de werkzaamheden). Het gaat
hierbij met name om de wettelijke bescherming van de accountantstitel, het in
artikel 3 Wab genoemde takenpakket van de NBA en de tuchtrechtspraak waaraan de
accountant krachtens artikel 42 Wab is onderworpen.
18. OvRAN
vindt dat deze (in rechtsoverweging 16 kort omschreven) doelstellingen ook op
andere manieren kunnen worden bereikt. OvRAN betoogt voorts dat voormelde
regelgeving strijdig is met het Europees verdragsrecht en met artikel 6 Mw,
zodat de Staat jegens haar (leden) onrechtmatig handelt.


Schending van
artikel 11 EVRM (vrijheid van vereniging)? De grieven 1 tot en met 6
19. De
klachten over schending van artikel 11 EVRM zijn ongegrond. Het hof deelt het
oordeel van de rechtbank zoals weergegeven in rechtsoverwegingen 4.11 en 4.12
van het bestreden vonnis en neemt dat oordeel over. De NBA is geen
privaatrechtelijke vereniging waarop artikel 11 EVRM ziet. Dit heeft ook de HR
uitgemaakt in zijn arrest van 20 december 2016 (ECLI: NL:HR:2016:2910), waarbij
in lijn met de jurisprudentie van het EHRM is beslist (zie onder meer EHRM 23
juni 1981, Le
Compte, Van Leuven en De Meyere v. België
, nr. 6878/75, EHRM
29 april 1999, Chassagnou
v. Frankrijk
, nr. 25088/94, EHRM 20 januari 2011, Hermann v. Duitsland,
nr. 9300/07 en het recente arrest EHRM 03 december 2015, 29389/11 Mytilinaios en Kostakis
v. Griekenland
, 29389/11, waarbij de toepasselijke criteria
zijn herhaald).
20. Zoals
ook voortvloeit uit de hiervoor weergegeven feiten, is de NBA (i) een
organisatie die is ingebed in de structuren van de Staat, te weten een openbaar
lichaam in de zin van artikel 134 Gw, dat onder toezicht staat van het
Ministerie van Financiën, en waarbij voor de vaststelling van een groot aantal
verordeningen van de NBA goedkeuring van de minister is vereist en
verordeningen en andere besluiten bij koninklijk besluit kunnen worden
vernietigd (ii) een organisatie die administratieve, regulerende en
tuchtrechtelijke taken heeft buiten de sfeer van het gewone recht, en (iii) een
organisatie die niet alleen het belang van haar leden dient, maar ook het
algemeen belang. Aldus is voldaan aan de toepasselijke ‘integratiecriteria’,
zoals deze door het EHRM zijn ontwikkeld en ook zijn getoetst door de rechtbank
in het thans bestreden vonnis, met verwijzing naar eerdergenoemd arrest van de
HR. In dit verband merkt het hof op dat blijkens het arrest van de HR van 20
december 2016, rechtsoverweging 2.4.2, inhoudelijk gezien wel degelijk aan de
‘integratiecriteria’ is getoetst. Voor deze toetsing hoeft de HR het
betreffende woord niet te gebruiken.
21. Het
voorgaande betekent dat artikel 11 EVRM niet van toepassing is op de
verplichting om lid te zijn van de NBA. Het hof komt niet toe aan de stelling
van OvRAN dat er sprake zou zijn van indirecte verenigingsdwang, wat hier ook
van zij, reeds omdat de NBA geen privaatrechtelijke vereniging is in de zin van
artikel 11 EVRM. Het beroep dat OvRAN nog heeft gedaan op het zogenaamde
‘hindercriterium’ wordt verworpen. Het staat de leden van de NBA immers vrij om
elders een vereniging te vormen en/of daarvan lid te zijn. De door OvRAN
genoemde merkenrechtprocedures doen daar niet aan af.
22. Het
verwijt dat de rechtbank het zogenaamde ‘noodzaakcriterium’ van artikel 11 lid
2 EVRM niet heeft onderzocht, is ongegrond. Nu artikel 11 EVRM niet van
toepassing is, wordt aan toetsing van het tweede lid ervan niet toegekomen. Het
hof onderschrijft rechtsoverweging 4.13 van het bestreden vonnis en neemt dit
over.
23. De grieven 1 tot en met 6 zijn ongegrond. 


Schending van de
artikelen 9 (vrijheid van gedachte en geweten) en 10 EVRM (vrijheid van
meningsuiting)?
Grief 7
24. Volgens
OvRAN is er ten gevolge van het verplichte lidmaatschap van de NBA sprake van
schending van artikelen 9 en 10 EVRM. OvRAN stelt daartoe dat veel NBA-leden
gedwongen worden lid van de NBA te blijven, waar de grote kantoren de dienst
uitmaken die concurrentie feitelijk onmogelijk maken.
25. Grief 7 wordt eveneens verworpen. Los van de vraag of de feitelijke
stellingen van OvRAN juist zijn, valt niet in te zien waarom de artikelen 9 en
10 EVRM hierdoor worden geschonden. De Staat heeft terecht aangevoerd dat niet
alle meningen of overtuigingen binnen de reikwijdte van artikel 9 EVRM vallen
en dat sprake moet zijn van een zekere mate van begrijpelijkheid, serieusheid,
samenhang en importantie van de levensovertuiging. OvRAN heeft niet onderbouwd
dat zij een zodanige levensovertuiging aanhangt. Haar bezwaren lijken met name
te zien op vermeende concurrentienadelen. Wat betreft de gestelde schending van
artikel 10 EVRM heeft de Staat er terecht op gewezen dat OvRAN niet heeft
onderbouwd dat het haar leden niet zou zijn toegestaan hun meningen binnen de
ledenvergadering van de NBA of daarbuiten te uiten. Voor zover al sprake zou
zijn van een inbreuk op de in deze artikelen bedoelde vrijheden, wordt deze
inbreuk bovendien gerechtvaardigd door het nagestreefde algemeen belang, zoals
hierboven (onder 16 en 20) overwogen. Voor het overige verwijst het hof naar
hetgeen hij hierover in rechtsoverweging 15 heeft overwogen.


Schending van artikel 1 EP
EVRM? Grief 8
26. OvRAN
klaagt met deze grief over de verwerping van haar beroep op artikel 1 EP EVRM.
Deze grief faalt. Het hof is het eens met de rechtbank in rechtsoverwegingen
4.16 tot en met 4.21 en 4.23 van het vonnis en neemt deze overwegingen over. Zo
het voeren van de titels RA en AA al als eigendom valt aan te merken, is er in
dit geval sprake van regulering ervan
overeenkomstig de vereisten van dit artikel en niet van ontneming. Het door
OvRAN aangehaalde arrest Marle
e.a. v. Nederland
 (EHRM 26 juni 1988, nrs 85437/79,
8674/79, 8685/79) doet daaraan niet af. Uit dat arrest kan niet worden afgeleid
dat het recht op het voeren van de titel AA of RA een eigendomsrecht is dat al
bestaat vóór inschrijving in het register. De Staat heeft er daarnaast terecht
op gewezen dat het voor iedere aanstaande accountant voorzienbaar is dat
inschrijving in het accountantsregister vereist is om de titel te mogen voeren;
OvRAN heeft het tegendeel ook niet gesteld, laat staan onderbouwd.
27. OvRAN heeft in de memorie van grieven (onder 51) nog gesteld dat de Wab een
ruime meerderheid van de leden van de NBA, die helemaal geen openbaar
accountant zijn, dwingt lid te blijven van de NBA via titeldwang en hen
bovendien onderwerpt aan regelgeving waarvan grote kantoren zich kunnen
vrijstellen. Volgens OvRAN, zo begrijpt het hof althans, betekent dit dat niet
voldaan is aan de vereisten van een ‘legitiem doel’ respectievelijk van een
‘fair balance’. Het hof gaat aan dit betoog voorbij. Evenals het CBb (27 maart
2012, ECLI:NL:CBB:2012: BW0823) is het hof van oordeel dat het verplichte
lidmaatschap een gerechtvaardigd algemeen belang dient en proportioneel is (zie
ook overwegingen 16 en 20 hierboven). Het hof herhaalt voorts dat de OvRAN zich
met haar kritiek op de regelgeving van de NBA tot de NBA moet wenden (zie
overweging 15 hierboven). Ten overvloede zij tot slot verwezen naar de niet,
althans onvoldoende (gemotiveerd) betwiste stelling van de Staat dat de
regelgeving is afgestemd op de aard en strekking van de betreffende
accountantsopdracht en dat dus niet voor elke opdracht even zware eisen gelden
als voor bijvoorbeeld de wettelijke controle


Schending van
artikel 14 EVRM?
Grief 9
28. OvRAN klaagt met deze grief over de verwerping door de rechtbank van het
beroep op dit artikel. Deze grief faalt eveneens. Het hof onderschrijft het
oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.24 van het vonnis en neemt dit
over.

Schending artikel 12 EVRM?
29. Bij voormelde akte precisering van eis heeft OvRAN nog artikel 12 EVRM
aangehaald. Nu dit artikel het recht om te huwen en een gezin te stichten
betreft en nu het verder niet is toegelicht, neemt het hof aan dat het hierbij
om een vergissing gaat. 

Schending artikel 6 Mw?
Grieven 10 en 11
30. De
rechtbank heeft in dit verband overwogen dat het in deze procedure niet gaat om
de vraag of de Staat als onderneming op de markt onrechtmatig handelt, zodat
reeds daarom geen sprake kan zijn van schending van artikel 6 Mw. Voor zover
(leden van) de NBA deze organisatie zouden misbruiken om de mededinging te
verstoren – hetgeen onvoldoende is onderbouwd – kan dit niet aan de Staat
worden toegerekend.
31. OvRAN
erkent dat de Staat in dit verband niet als onderneming op de markt handelt.
Volgens OvRAN heeft de Staat echter wel een ondernemingsvereniging (de NBA) in
het leven geroepen, welke vereniging concurrentievervalsende regelgeving (in de
zin van artikel 101, lid 1, VWEU) tot stand heeft gebracht. Deze regelgeving is
door de Staat goedgekeurd, althans niet vernietigd. Aldus faciliteert de Staat
concurrentievervalsing ten gunste van de grote kantoren en ten nadele van de
andere leden, hetgeen onrechtmatig is.
32. Het hof oordeelt hierover als volgt. Nu de Staat in dit verband niet als
onderneming handelt, kan zij de kartelregels van artikel 6 Mw niet
overschrijden. Het hof onderschrijft in dit verband rechtsoverweging 4.27 in
het bestreden vonnis. OvRAN moet met haar klachten in de eerste plaats bij de
NBA zijn. Hierop reeds strandt de klacht van OvRAN. Het verwijt aan de Staat
omtrent het faciliteren van concurrentievervalsing, waarbij OvRAN kennelijk het
oog heeft op artikel 6:162 BW, is ook in hoger beroep niet met de vereiste mate
van precisie toegelicht. OvRAN heeft niet onderbouwd waardoor de NBA de
mededinging beperkt en/of vervalst, terwijl zij evenmin een rechtens relevant
verband heeft gelegd tussen het handelen van de NBA en het aan de Staat
verweten onrechtmatig handelen. Verwijzing naar gedragsregels en verordeningen,
zonder toelichting om welke concurrentievervalsende regelgeving het concreet
gaat, vormt een ontoereikende onderbouwing, nog los van de vraag of de Staat
hiervan een verwijt zou zijn te maken. Er is kortom geen aanwijzing dat de
Staat direct of indirect handelt in strijd met het mededingingsrecht, zodat
hierop niet een onrechtmatige daad kan worden gebaseerd. Ook hierom worden deze
grieven verworpen. 


Noodzaak tot het
stellen van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie EU (HvJ)?
Grief 12
33. Het hof ziet geen noodzaak of aanleiding tot het stellen van prejudiciële
vragen.
Ook deze grief faalt.


Slotsom
34. Uit
het voorgaande vloeit voort dat het bestreden vonnis bekrachtigd moet worden.
Van schending van genoemde verdragsregels door de Staat is geen sprake, terwijl
evenmin anderszins tot onrechtmatig handelen van de Staat jegens (de achterban
van) OvRAN geconcludeerd kan worden. Voor zover OvRAN in hoger beroep meer of
anders heeft gevorderd, zal deze vordering worden afgewezen. OvRAN zal als de
in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger
beroep, de nakosten daaronder begrepen.

Beslissing

Het hof:

  • bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis;
  • wijst af het in hoger beroep meer of anders gevorderde;

Kafka in een vereniging. Royement ongeldig.

Rb. Den Haag 4 april 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:3682

Kafka in een vereniging: een lid wordt geroyeerd (ontzet), zonder dat wordt gezegd waarom, met een niet-ondertekende brief. Het lid vraagt of de brief echt is, krijgt geen antwoord. Tegen het einde van de beroepstermijn stelt hij beroep in  bij de ALV. Het bestuur weigert een ALV bijeen te roepen. Het lid gaat naar de rechter, maar er is een uitspraak van de Hoge Raad uit 1965 waarin is bepaald dat een lid niet bij de civiele rechter kan aankloppen zolang de beroepsprocedure bij de ALV nog loopt.

De rechter besluit echter om af te wijken van die uitspraak van de HR. ” Nu het bestuur van de vereniging categorisch weigert de ALV bijeen te roepen, moet een uitzondering worden aanvaard op de regel die in het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1965 is geformuleerd. Het lid kan zich in een dergelijke situatie wel dadelijk tot de civiele rechter wenden en zijn bezwaren tegen het besluit van het bestuur aan de rechter ter beoordeling voorleggen. Een beroep van de vereniging op het verzuim het oordeel van de ALV af te wachten zal onaanvaardbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:8 lid 2 BW. “

De rechter oordeelt ook dat het royement vernietigbaar is. ” Het ontzettingsbesluit is voor [de heer A] uit de lucht komen vallen. Er is van de zijde van de vereniging op geen enkele wijze zelfs maar een begin van een serieuze motivering van het besluit ter kennis van [de heer A] gebracht. Ook ter comparitie is, op vragen van de rechtbank, niet veel meer naar voren gekomen dan dat er “onrust” was in de vereniging. [] Het is dan ook in nevelen gehuld gebleven waarom [de heer A] het veld moest ruimen.”

Het bestuur is zo “slim” geweest om het lid A niet alleen te royeren, maar om ook het lidmaatschap op te zeggen (op zich is dat een verstandige keuze). In dit geval heeft het bestuur ook nog een ledenraadpleging gehouden, met de vraag of leden het lid A nog in hun midden houden. Ook daarbij heeft lid A geen enkele gelegenheid gehad zijn kant van het verhaal te doen.

” Het opzeggingsbesluit treft hetzelfde lot. Dit besluit is, naar de rechtbank begrijpt, de resultante van een raadpleging van de leden – nadat [de heer A] in rechte was opgenomen tegen zijn royement – aan wie een keuzemenu is voorgeschoteld[]n. De uitkomst daarvan zou zijn dat de leden [de heer A] niet langer in hun midden accepteren. Los van het feit dat ook hier [de heer A] op geen enkele wijze is betrokken in de besluitvorming, geldt dat het onduidelijk is wat [de heer A] nu precies wordt nagedragen. [de heer A] moet er naar gissen, zelfs een tipje van de sluier licht de vereniging (het bestuur) niet op.” 


 

Vonnis van 4 april 2018

I n de zaak van De heer A, lid, [B] en [de VOF] tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

RIJSCHOOLVERENIGING “ ATTENT ”,

Eisers zullen hierna afzonderlijk ook ‘de VOF, ‘ [de heer A] ’ en ‘ [mevrouw B] ’ genoemd worden. Gedaagde zal ‘de vereniging’ genoemd worden.

2De feiten

2.1.

[de heer A] en [mevrouw B] zijn vennoten van de VOF, waarin een rijschool wordt geëxploiteerd. [de heer A] is bij de rijschool werkzaam als gecertificeerd rijinstructeur. [mevrouw B] houdt zich voornamelijk bezig met de afhandeling van administratieve en financiële zaken.
2.2.

De vereniging is een vereniging van rijschoolhouders. Zij is opgericht in 1984 en heeft als doel het behartigen en bundelen van de belangen van beroeps-autorijschoolhouders, alsmede het bevorderen van een juiste uitoefening van hun werkzaamheden, een en ander in de ruimste zin des woords.
2.3.

Sinds 2007 is [de heer A] in zijn hoedanigheid van gecertificeerd rijinstructeur lid van de vereniging.

2.4.

In de statuten van de vereniging (‘de Statuten’), is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen.

Artikel 5. Einde van het lidmaatschap.Het lidmaatschap eindigt:
1. […].
c. door opzegging namens de vereniging. Deze kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten gesteld te voldoen, wanneer een lid zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
d. door ontzetting. Deze kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeeld.
2. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur.
3. Opzegging van het lidmaatschap door het lid of door de vereniging kan slechts geschieden tegen het einde van een verenigingsjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden. Echter kan het lidmaatschap onmiddellijk worden beëindigd indien van de vereniging of van het lid redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
4. Een opzegging in strijd met het bepaalde in het vorige lid, doet het lidmaatschap eindigen op het vroegst toegelaten tijdstip volgend op de datum waartegen was opgezegd.
5. […].
6. Ontzetting uit het lidmaatschap geschiedt door het bestuur.
7. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap door de vereniging op grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, en van een besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit beroep open op de algemene vergadering. Hij wordt daartoe ten spoedigste schriftelijk van het besluit met opgave van redenen in kennis gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.
8. Wanneer het lidmaatschap in de loop van een verenigingsjaar eindigt, blijft desalniettemin de jaarlijkse bijdrage voor het geheel verschuldigd. […].

2.5.

Tevens is een Huishoudelijk Reglement van kracht. Voor zover hier relevant, is daarin het volgende opgenomen.

Artikel 6. Rechten en verplichtingen.Een lid der vereniging heeft het recht zijn stem uit te brengen tijdens de in artikel 12 en 13 der statuten genoemde vergaderingen; inzage te verkrijgen van alle door het bestuur genomen besluiten.
Artikel 7. Een lid der vereniging is verplicht.De statuten, reglementen en bestuursbesluiten strikt na te leven. Zich te onthouden van handelingen die schadelijk zijn of kunnen zijn voor de belangen van het verkeersonderricht in het algemeen en voor de vereniging in het bijzonder. Zorg te dragen voor een goede bedrijfsvoering. Zijn financiële verplichtingen ten aanzien van de vereniging stipt na te komen, bij niet-naleving waarvan geen aanspraak kan worden gemaakt op de in artikel 6 van dit reglement genoemde rechten. […].
Artikel 8. Einde van het lidmaatschap.De opzegging van het lidmaatschap, als vermeld in artikel 5 der statuten, geschiedt door schriftelijke melding aan het verenigingssecretariaat.
Ontzettinga. Het bepaalde in artikel 5 lid d der statuten is ondermeer van toepassing op het niet nakomen van de verplichtingen als genoemd in artikel 6 en 7 van dit reglement .
b. Een bestuursbesluit tot ontzetting kan eerst dan worden genomen nadat een gedegen onderzoek is ingesteld naar de wijze en mate van de tot die beslissing leidende overtreding(en). Alvorens tot ontzetting wordt besloten dient het betrokken lid te worden gehoord.
c. In geval van ontzetting verliest het deelnemingsbewijs (bewijs van lidmaatschap) en eventuele personeelspassen, met inbegrip van alle daaruit voortvloeiende rechten, direct na uitspraak van de ontzetting door het bestuur zijn geldigheid en dient onverwijld te worden ingeleverd bij het secretariaat. Het vorenstaande is eveneens van toepassing op alle door of namens de vereniging uitgereikte legitimaties.
d. Indien binnen de in de statuten gestelde termijn beroep wordt aangetekend op de algemene vergadering, wordt de werking van het deelnemingsbewijs (bewijs van lidmaatschap) en alle daaruit voortvloeiende rechten opgeschort totdat over het tegen de ontzetting ingestelde beroep door de algemene vergadering is beslist.
e. Bij nietigverklaring van het bestuursbesluit tot ontzetting door de algemene vergadering kan het betrokken lid geen aanspraken doen gelden op vergoeding van schade, van welke aard ook, die door de herroepen ontzetting is geleden, tenzij grove nalatigheid kan worden aangetoond.

2.6.

Bij brief van 3 maart 2017 heeft het bestuur van de vereniging (‘het bestuur’) de rijschool geïnformeerd als volgt:
Gelet op artikel 2 en art 5,1,d van de Statuten van rijschoolvereniging Attent en art. 7 van het Huishoudelijk reglement van voornoemde vereniging ziet het Bestuur zich genoodzaakt u uit de vereniging te ontzetten. Gezien de aard van de situatie ziet het Bestuur af van een procedure ‘einde lidmaatschap’. Geheel buiten de Statuten en het Huishoudelijk Reglement om is het bestuur bereid één en ander in een persoonlijk gesprek nader toe te lichten. Voor een afspraak kunt u zich wenden tot één van de bestuursleden.

2.7.

Bij e-mail van 12 maart 2017 heeft [de heer A] daarop gereageerd als volgt:
[…], 3 maart jl. hebben wij als rijschool een aangetekende brief ontvangen van de Attent rijschoolvereniging waarin werd medegedeeld dat het bestuur zich genoodzaakt ziet om per direct onze rijschool uit de vereniging te zetten. Of deze brief ook echt via het bestuur van de vereniging komt is niet duidelijk, er is ondertekend als bestuur rijschoolvereniging Attent , maar deze is niet ondertekend met naam of handtekening. Verder wordt er verwezen naar een tweetal artikelen, maar er wordt nergens duidelijk gemaakt op weke manier er door onze rijschool tegen deze artikelen is ingegaan. Er is nooit een aanwijzing geweest dat wij ons in strijd met deze artikelen gedragen zouden hebben. Na het inwinnen van juridisch advies heb ik besloten om tegen deze beslissing in te gaan en daarom heb ik voor elk lid van het bestuur afzonderlijk de volgende vragen:

– Is deze brief inderdaad afkomstig van het Attent bestuur?
– Op welke gronden is deze beslissing genomen? Als het bestuur inderdaad vindt dat er tegen deze artikelen in iets gebeurd is, graag een schriftelijke onderbouwing met bewijzen en data?
– Waarom is er nooit een bericht geweest gericht aan onze rijschool dat er in strijd met deze artikelen gehandeld werd?
– Moet een eventuele beslissing om een lid uit de vereniging te zetten niet besproken worden met de leden?

Ik heb sterk de indruk dat er op persoonlijke redenen gezocht wordt om onze rijschool zwart te maken en om mij persoonlijk aan te vallen. Hierbij vraag ik aan het bestuur om per omgaande de beslissing om onze rijschool als lid te weigeren ongedaan te maken en deze beslissing aan de Attent leden schriftelijk mede te delen. […].

2.8.

Een reactie bleef uit en de advocaat van [de heer A] heeft het bestuur bij brief van 31 maart 2017 het volgende geschreven, voor zover hier relevant:
[…]. Cliënt overhandigde mij uw brief van 3 maart jl. waarin u ontzetting van het lidmaatschap van uw vereniging aanzegt. […]. Omdat sindsdien uw reactie is uitgebleven, zeg ik u namens cliënt aan dat hij hierbij gebruik wil maken van de mogelijkheid in beroep bij de ALV te gaan tegen uw besluit tot ontzetting van het lidmaatschap. Ik verzoek u binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief kenbaar te maken meer informatie te verschaffen over de verdere gang van zaken. Totdat u dat gedaan heeft behoud ik in ieder geval uitdrukkelijk het recht voor andere beroepsgronden aan te voeren. […].

2.9.

Bij brief van 10 april 2017 heeft het bestuur gereageerd, voor zover hier relevant:
Op 8 april 2017 ontving ik uw brief […]. Helaas moet ik u mededelen dat ik het beroep niet in behandeling kan nemen aangezien u het beroep te laat ingesteld heeft. Ik zal het een en ander hieronder toelichten. Met mijn brief van 3 maart 2017 heb ik aan uw cliënt kenbaar gemaakt dat Rijschoolvereniging Attent hem ontzet uit het lidmaatschap op grond van artikel 5, eerste lid, onder d van onze Statuten en artikel 7 van het Huishoudelijk Reglement. Tegen mijn besluit van 3 maart 2017 stond op grond van artikel 5 van onze Statuten beroep open, waarbij de beroepstermijn één maand was. Dit houdt in dat uw cliënt tot en met 2 april 2017 de tijd had om in beroep te gaan tegen mijn besluit. Uit de handgeschreven toevoegingen op de bijlagen van uw brief maak ik op dat uw cliënt op de hoogte was van deze termijn. Pas op 8 april 2017 ontving ik uw aangetekende brief. Gelet op het feit dat ik uw brief buiten de gestelde termijn ontving neem ik het beroep niet in behandeling.

2.10.

Bij brief van 2 mei 2017 heeft de advocaat van [de heer A] het bestuur geschreven, voor zover hier relevant:
[…]. Allereerst geldt dat uw statuten in artikel 5 lid 7 voorschrijven dat tegen een besluit tot ontzetting gedurende één maand de mogelijkheid bestaat beroep in te stellen tegenover de algemene vergadering. Als er al sprake zou zijn van een rechtsgeldig genomen besluit tot ontzetting van het lidmaatschap, dan is het aan de algemene ledenvergadering om over het beroep te oordelen. Nergens is voorgeschreven dat het bestuur van de vereniging beslist over de ontvankelijkheid van een dergelijk ingesteld beroep. Reeds door dit beroep niet voor te leggen aan de algemene ledenvergadering handelt u dan ook in strijd met artikel 5 lid 7 van de statuten.

Uw beoordeling dat het beroep te laat zou zijn ingesteld, is voorts feitelijk onjuist. Zoals u in de bijlage kunt zien, heb ik het beroep per e-mail van 31 maart ingediend bij de vereniging. De brief is destijds tevens per aangetekende post verzonden. Voor de zekerheid heb ik dit beroep tevens aan alle individuele bestuursleden per e-mail toegestuurd. Hiermee staat onherroepelijk vast dat het beroep op 31 maart jl. is ingediend. Dat u de brief pas op 8 april jl. zou hebben gelezen, doet daar niets aan af. Evenmin schrijven de statuten of het huishoudelijk reglement voor dat het beroep per (aangetekende) post moet worden ingediend, laat staan dat het voor ontvankelijkheid beslissend is dat het bestuur of een bestuurslid kennis heeft genomen van het beroep. Het tegendeel is het geval, aangezien het bestuur zich geheel dient te onthouden van een oordeel over de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep.

Het voorgaande is overigens enkel relevant voor zover al sprake zou zijn van een rechtsgeldig genomen besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap. Daarvan is in dit geval geen sprake. Op grond van artikel 5 lid 1 sub d geldt dat een lid kan worden ontzet wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Verder blijkt uit artikel 8 lid b dat voorafgaand aan dit besluit een gedegen onderzoek moet worden ingesteld. In uw brief d.d. 3 maart 2017 geeft u op geen enkele manier weer op grond van welke gedragingen zijdens mijn cliënt u tot uw besluit tot ontzetting bent gekomen. Evenmin laat u na met stukken te onderbouwen vanwaar uw besluit tot ontzetting gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

Als kers op de taart voegt u daar in uw besluit van 3 maart jl. aan toe dat u afziet van een procedure einde lidmaatschap. Ook deze beslissing is op geen enkele manier onderbouwd. Hoe dan ook geldt dat de feiten noch de omstandigheden, statuten, het huishoudelijk reglement noch de wet de ruimte biedt af te zien van een dergelijke procedure. Hoe dan ook geldt dat u op geen enkele wijze in redelijkheid tot ontzetting van het lidmaatschap hebt kunnen komen. […].

2.11.

Op 13 juli 2017 heeft [de heer A] de dagvaarding waarmee onderhavige zaak aanhangig is gemaakt aan de vereniging laten uitbrengen.
2.12.

Op 26 augustus 2017 heeft de vereniging haar leden een ‘Verklaring inzake lidmaatschap [A] ’ gestuurd, met het verzoek daarop aan te geven welke verklaring op hen van toepassing was. De leden konden kiezen uit drie opties:
Mocht [A] via rechtswege weer lid worden van rijschoolvereniging Attent zeg ik per direct mijn lidmaatschap op;
Mocht [A] via rechtswege weer lid worden van rijschoolvereniging Attent zal ik in de eerstvolgende ledenvergadering tegen dit lidmaatschap stemmen;
In deze zaak doe ik helemaal niets.”

2.13.

Bij brief van 5 oktober 2017 heeft het bestuur het lidmaatschap van [de heer A] opgezegd en hem geïnformeerd als volgt, voor zover relevant:
Als bestuur van Rijschoolvereniging delen we je mede dat Attent na consultatie van haar leden over informatie beschikt die maakt dat het redelijkerwijs niet van Attent gevergd kan worden het lidmaatschap van jou langer te laten voortduren. Aan de leden was verzocht om een verklaring over jouw lidmaatschap van Attent . De uitkomst veronderstellen we bij jou bekend […]. De uitkomst gaf aan ons als bestuur eens te meer een zeer duidelijk signaal af over de zeer nadelige gevolgen voor Attent door jouw lidmaatschap.

Attent zegt thans met onmiddellijke ingang het lidmaatschap op van jou als enige lid van rijschool [de VOF] , voor zover nodig gezien het ontzettingsbesluit d.d. 3 maart jl. […].

Attent verzoekt je in te doen zien dat je lidmaatschap ook en in elk geval rechtmatig is geëindigd met deze opzeggingsbrief. Conform artikel 5 lid 7 van de statuten staat je binnen een maand na ontvangst van deze brief een beroep open bij de algemene ledenvergadering. Die bevoegdheid heb je, ondanks dat we als bestuur in overweging konden nemen de consultatie van de leden reeds te beschouwen als een eenstemmig besluit van de leden ex artikel 2:40 lid 2 BW, aangezien geen van de leden voor behoud van jou als lid heeft gestemd. De leden die zich van uiting onthielden, konden we beschouwen als blanco stemmen en dus als niet uitgebracht ex artikel 15 lid 4 van de statuten. Zij voorkwamen dus niet de vereiste eenstemmigheid. Desalniettemin kun je aangeven een dergelijke procedure binnen een maand in te willen doen stellen. Gezien de korte termijn vergt dat alsdan per omgaande (uiterlijk vrijdag 13 oktober) actie van jou. […].

3Het geschil

3.1.

Eisers vorderen na eisvermeerdering, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
  1. een verklaring voor recht dat het besluit van 3 maart 2017 tot ontzetting uit het lidmaatschap nietig is dan wel dit besluit te vernietigen;
  2. vernietiging van het besluit van 5 oktober 2017 tot opzegging van het lidmaatschap;
  3. de vereniging te verplichten eisers met ingang van vonnisdatum als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding;
  4. met veroordeling van de vereniging tot voldoening van de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
3.2.

Eisers leggen hieraan ten grondslag dat het ontzettingsbesluit van 3 maart 2017 (hierna: ‘het ontzettingsbesluit’) vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub c BW, omdat eisers gehoord hadden moeten worden op grond van artikel 8 sub b van het Huishoudelijk Reglement. Verder stellen eisers dat het ontzettingsbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 juncto artikel 2:35 lid 4 omdat het besluit geen gronden voor de ontzetting bevat. Het ontzettingsbesluit is verder nietig althans vernietigbaar (op grond van artikel 2:14 lid 1 jo. artikel 2:15 lid 1 sub a juncto artikel 2:35 lid 4 BW) omdat, ondanks dat tijdig beroep op de algemene ledenvergadering (‘ALV’) is ingesteld, dit beroep door het bestuur is genegeerd.
Het besluit van 5 oktober 2017 (‘het opzeggingsbesluit’), waartegen op grond van de statuten ook beroep op de ALV open staat en waartegen ook beroep is ingesteld, is op (grotendeels) dezelfde gronden vernietigbaar.
3.3.

De vereniging voert verweer.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De vereniging heeft zich niet verzet tegen de eisvermeerdering bij akte. Nu de rechtbank ook ambtshalve geen redenen ziet om die buiten beschouwing te laten, zal zij beslissen op de vorderingen zoals deze luiden na de eiswijziging.
Ontvankelijkheid

4.2.

De vereniging heeft voor alle weren de ontvankelijkheid van de VOF en [mevrouw B] in hun vorderingen betwist, omdat zij geen lid zijn van de vereniging. Ter comparitie verklaarden eisers dat er zekerheidshalve is gedagvaard door de VOF en de beide vennoten omdat niet geheel duidelijk was wie formeel als lid heeft of hebben te gelden. De uitkomst van het debat ter comparitie was dat [de heer A] als lid moet worden aangemerkt en dat de vorderingen van de VOF en [mevrouw B] buiten beschouwing kunnen blijven; zij zullen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.
Waar hierna ‘ [A] ’ wordt genoemd, wordt gedoeld op [de heer A] .
Terugvragen contributie 
4.3.

De vereniging wijst er op dat [de heer A] kort na de ontvangst van het bericht van het bestuur dat tot ontzetting was besloten, zijn contributie heeft “teruggevraagd”. De contributie (naar de rechtbank begrijpt: het deel dat betrekking heeft op het resterende deel van het lopende lidmaatschapsjaar) is daarop teruggestort. In de visie van de vereniging komt [de heer A] sindsdien de op hem als lid rustende verplichting tot contributiebetaling niet na en – zo begrijpt de rechtbank het standpunt van de vereniging – kan hij zich niet meer verzetten tegen de beëindiging van het lidmaatschap.
4.4.

Het moet voor de vereniging duidelijk zijn geweest dat [de heer A] zeer verbaasd was over het hem medegedeelde royementsbesluit. De brief waarin [de heer A] over het besluit werd geïnformeerd bevatte geen enkele motivering van het besluit en onweersproken is dat een verzoek van [de heer A] om een schriftelijke motivering niet door de vereniging is gehonoreerd. Daarop heeft [de heer A] , die stelt dat hij geëmotioneerd was door het besluit dat voor hem uit de lucht kwam vallen, zijn contributie teruggevraagd. Dat [de heer A] geëmotioneerd was, erkent de vereniging, gezien haar beschrijving van het telefoongesprek dat heeft plaatsgevonden daags na de ontvangst van de ontzettingsbrief. Ondanks dit restitutieverzoek heeft [de heer A] kort nadien, door tussenkomst van zijn raadsman, de vereniging gemeld tegen het besluit beroep op de ALV in te stellen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vereniging uit deze gang van zaken niet kunnen opmaken dat [de heer A] niet langer aanspraak maakte op het lidmaatschap van de vereniging en afstand heeft gedaan van zijn (na het ontzettingsbesluit) bestaande recht op het instellen van beroep op de ALV. Ter zitting heeft [de heer A] medegedeeld bereid te zijn op eerste verzoek van de vereniging zijn contributieverplichtingen na te komen. Een beroep op artikel 7 van het Huishoudelijk Reglement – toegespitst op dit geval: bij niet betaling van contributie kan een lid geen aanspraak maken op het uitoefenen van zijn rechten als lid – gaat daardoor niet op.
Beroep op de ALV 
4.5.

[de heer A] heeft tegen het ontzettingsbesluit en tegen het opzeggingsbesluit beroep op de ALV ingesteld op de voet van het bepaalde in artikel 5 lid 7 van de statuten van de vereniging. Dat ook tegen het opzeggingsbesluit op grond van de statuten beroep openstaat, is niet in geschil.
4.6.

Anders dan de vereniging meent, heeft [de heer A] zijn beroep tegen het ontzettingsbesluit tijdig ingesteld. Dat is immers gebeurd door zijn raadsman die dat op 31 maart 2017 – en dat is binnen een maand nadat [de heer A] op de hoogte werd gesteld van het royementsbesluit – heeft gedaan door middel van een e-mail gericht aan het secretariaat van de vereniging. Ter comparitie is de ontvangst door het secretariaat van die e-mail bevestigd.
4.7.

Dat het beroep op de ALV tegen het opzeggingsbesluit tijdig is ingesteld, is niet in geschil.
4.8.

De vereniging neemt het standpunt in dat het bijeenroepen van de ALV een taak is van het lid dat beroep instelt, niet een taak van het bestuur. [de heer A] heeft echter, aldus de vereniging, verzuimd voor bijeenroeping zorg te dragen. De vereniging wijst op de mogelijkheid voor leden zelf een ALV bijeen te roepen, artikel 2:41 lid 2 BW. Die weg heeft [de heer A] ten onrechte niet gevolgd, aldus de vereniging.
4.9.

Dit verweer treft geen doel. Als een lid opkomt tegen een ontzettingsbesluit (en, zoals in dit geval, een opzeggingsbesluit waartegen beroep open staat) dient het bestuur ervoor te zorgen dat de ALV, het orgaan dat in beroep oordeelt, wordt bijeengeroepen. Het is dus niet zo dat het geroyeerde lid daar zelf voor moet zorgen, ook niet als het bestuur niet dadelijk van zins is tot bijeenroeping over te gaan. De verwijzing van de vereniging naar het bepaalde in artikel 2:41 lid 2 en lid 3 BW (ook opgenomen in de statuten van de vereniging, artikel 12 lid 4) is dan ook niet relevant. Alleen al het vereiste de in dat artikel genoemde drempel (1/10e gedeelte van de stemmen) te bereiken, maakt de zienswijze van de vereniging onacceptabel, omdat het beroepsrecht van het geroyeerde lid daardoor gefrustreerd zou kunnen worden.
4.10.

Bijeenroeping van de ALV door het bestuur, teneinde dit orgaan in de gelegenheid te stellen in beroep te oordelen, zal binnen bekwame tijd moeten plaatsvinden. Verder geldt dat het bestuur er zorg voor moet dragen dat die ALV op een redelijke termijn plaats vindt. Uiteraard zal het bestuur daarbij de wettelijke en statutaire regels in acht moeten nemen. Het bestuur zal de mate van voortvarendheid van de bijeenroeping moeten laten afhangen van het belang dat het lid heeft: in gevallen waarin het lid een groot belang heeft bij een spoedige beoordeling door de ALV zal het bestuur ervoor moeten zorgen dat de ALV op zo kort mogelijke termijn bijeenkomt. Daarbij verdient aantekening dat royement doorgaans een diffamerend karakter heeft zodat behandeling van het beroep op korte termijn in de regel aangewezen zal zijn. Het bestuur zal zich daarbij vanzelfsprekend moeten laten leiden door de normen van redelijkheid en billijkheid, artikel 2:8 BW.
4.11.

Het bestuur van de vereniging heeft geweigerd en weigert de ALV bijeen te roepen. Dat brengt [de heer A] in de problemen. Uitgaande van de benadering van de Hoge Raad in zijn arrest HR 14 mei 1965, ECLI:NL:HR:1965:AD8077 Amsterdams Speeltuinverbond – niets wijst erop dat deze benadering verlaten is of zou moeten worden – kan [de heer A] niet bij de civiele rechter aankloppen, in ieder geval niet met een vordering gegrond op de vernietigbaarheid van het besluit van het bestuur zolang de ALV niet in beroep heeft geoordeeld. Denkbaar is dat de civiele rechter in een geval als dit een vereniging, als het geroyeerde lid dat vordert, opdraagt alsnog een ALV bijeen te roepen (zie aldus Rechtbank Overijssel 8 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:386). Maar dat is wel een omslachtige route. [de heer A] heeft een dergelijke vordering niet (ook niet subsidiair) ingesteld.
4.12.

Nu het bestuur van de vereniging categorisch weigert de ALV bijeen te roepen, moet een uitzondering worden aanvaard op de regel die in het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1965 is geformuleerd. Het lid kan zich in een dergelijke situatie wel dadelijk tot de civiele rechter wenden en zijn bezwaren tegen het besluit van het bestuur aan de rechter ter beoordeling voorleggen. Een beroep van de vereniging op het verzuim het oordeel van de ALV af te wachten zal onaanvaardbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:8 lid 2 BW. De rechter zal het aangevallen besluit moeten beoordelen alsof het in hoogste instantie is genomen.
Zijn het royementsbesluit en het opzeggingsbesluit aantastbaar?

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide besluiten vernietigbaar. Dat motiveert de rechtbank als volgt.
4.14.

Het ontzettingsbesluit is voor [de heer A] uit de lucht komen vallen. Er is van de zijde van de vereniging op geen enkele wijze zelfs maar een begin van een serieuze motivering van het besluit ter kennis van [de heer A] gebracht. Ook ter comparitie is, op vragen van de rechtbank, niet veel meer naar voren gekomen dan dat er “onrust” was in de vereniging. Dat [de heer A] informatie zou hebben gelekt naar een functionaris van het CBR, is wel vaag gesuggereerd, maar is op geen enkele wijze onderbouwd, nog geheel daargelaten of dat grond zou kunnen zijn vormen voor ontzetting uit het lidmaatschap. Het is dan ook in nevelen gehuld gebleven waarom [de heer A] het veld moest ruimen.
De wijze waarop het bestuur tot het royement heeft besloten staat op gespannen voet met het bepaalde in artikel 8 van het Huishoudelijk Reglement – hiervoor, onder 2.5, geciteerd – waarin van een “gedegen onderzoek” wordt gerept, en van het horen van het betrokken lid voorafgaand aan het nemen van een royementsbesluit. Die zorgvuldigheid, die ook van (het bestuur van) een vereniging verlangd mag worden als daarover niets zou zijn bepaald in de statuten of in een huishoudelijk reglement, heeft de vereniging evident niet in acht genomen.
4.15.

Het ontzettingsbesluit is daarom alleen al voor wat betreft wijze van totstandkoming gebrekkig. Maar uit het voortgaande vloeit voort dat het besluit tot ontzetting bovendien is genomen zonder dat [de heer A] enig verwijt wordt gemaakt, althans kenbaar is gemaakt. Dat maakt dat het bestuur niet in redelijkheid op één van de in de wet genoemde gronden tot royement van [de heer A] heeft kunnen besluiten. Het gevolg daarvan is dat het besluit van het bestuur, ook met inachtneming van de terughoudendheid waarmee de rechter besluiten als deze op hun inhoud behoort te toetsen (zie HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145 VEB/KLM), op grond van het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 aanhef en sub b BW vernietigbaar is.
Anders dan [de heer A] bepleit is nietigheid niet aan de orde. Op zichzelf heeft het bestuur zijn ontzettingsbesluit namelijk wel gebaseerd op de juiste wettelijke gronden, genoemd in artikel 2:35 lid 3 BW, maar aan de wijze van totstandkoming van het ontzettingsbesluit en de wijze waarop aan die gronden invulling is gegeven, schort het. Dat voert tot de conclusie dat het aangevallen besluit genomen is in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.
4.16.

Het opzeggingsbesluit treft hetzelfde lot. Dit besluit is, naar de rechtbank begrijpt, de resultante van een raadpleging van de leden – nadat [de heer A] in rechte was opgenomen tegen zijn royement – aan wie een keuzemenu is voorgeschoteld, hiervoor in 2.12 weergegeven. De uitkomst daarvan zou zijn dat de leden [de heer A] niet langer in hun midden accepteren. Los van het feit dat ook hier [de heer A] op geen enkele wijze is betrokken in de besluitvorming, geldt dat het onduidelijk is wat [de heer A] nu precies wordt nagedragen. [de heer A] moet er naar gissen, zelfs een tipje van de sluier licht de vereniging (het bestuur) niet op. Dat [de heer A] zich tijdens een telefoongesprek met een bestuurslid na de ontvangst van de royementsmededeling onder invloed van zijn verbazing en boosheid over dat besluit wellicht met wat minder gepolijst taalgebruik heeft uitgelaten, kan niet als serieuze motivering gelden.
Ook tot het opzeggingsbesluit heeft het bestuur daarom in redelijkheid niet kunnen komen; het besluit is, op dezelfde gronden als zojuist ten aanzien van het ontzettingsbesluit vermeld, vernietigbaar. De omstandigheid dat, zoals de vereniging verdedigt, de leden [de heer A] niet meer in hun midden dulden, maakt niet dat hem een gang naar de ALV kan worden onthouden, noch dat [de heer A] geen redelijk belang zou hebben bij zijn vorderingen. Het valt immers nog maar te bezien hoe een beraadslaging in de ALV, waarin [de heer A] spreekrecht heeft, uitpakt (HR 15 juli 1965, ECLI:NL:HR:1968:AC4232, NJ 1961/101 Wijsmuller).
Slotsom 
4.17.

De consequentie van het voorgaande is dat de rechtbank het ontzettingsbesluit en het opzeggingsbesluit van het bestuur zal vernietigen. De vordering tot veroordeling van de vereniging om [de heer A] als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, is evenzeer voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal aan de veroordeling een dwangsom verbinden, tot een in het dictum op te nemen maximum. Daarbij tekent de rechtbank voor de duidelijkheid aan dat met de vernietiging van de besluiten van het bestuur de in artikel 2:35 lid 4 laatste volzin BW bedoelde schorsing eindigt.

[]



4.21.

De rechtbank zal haar vonnis, met inbegrip van de vernietiging van de besluiten, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd.

5De beslissing

De rechtbank:
5.1.

verklaart de VOF en [mevrouw B] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
5.2.

vernietigt het besluit van 3 maart 2017 tot ontzetting van [de heer A] uit het lidmaatschap van de vereniging;
5.3.

vernietigt het besluit van 5 oktober 2017 tot opzegging van het lidmaatschap van de vereniging;
5.4.

verplicht de vereniging [de heer A] met ingang van de datum van dit vonnis als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding, zulks tot een maximum van € 10.000,–;

Onderhoud tuin op kosten van een lid?

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 3 april 2018
ECLI:NL:GHSHE:2018:1416




Een bugalowparkvereniging laat een verwaarloosde tuin van een bungalow van een lid opknappen door een hovenier, zonder instemming van het lid. De vereniging probeert de kosten te verhalen op het lid. Dat lukt niet. De statuten geven de vereniging namelijk niet de bevoegdheid om zelf tot onderhoud van de tuin over te gaan (of dit te latend doen). Dat niet het alleen het bestuur, maar ook de ALV optreden wenselijk achtte, is daarbij niet relevant, omdat ” aangezien aan de Algemene Ledenvergadering in dit opzicht geen bijzondere bevoegdheden toekomen” .

4.8 […] Uit de foto’s die in de procedure zijn overgelegd blijkt naar het oordeel van het hof duidelijk dat de tuin van [het lid] niet voldoet aan de eisen die daaraan op grond van het parkreglement redelijkerwijze gesteld kunnen worden. 
Het hof neemt hierbij in aanmerking dat ook blijkens de offerte van [de vennootschap 2] van 25 juli 2014 de tuin van [het lid] als de bron van hinderlijk en moeilijk te bestrijden onkruid (Heermoes) is te beschouwen. 
De toestand van de tuin is niet in overeenstemming met artikel 18 van het parkreglement, []. Door de tuin in deze toestand te brengen en na aanmaning door [de vereniging] niet tot redelijkerwijze van haar te verlangen onderhoud over te gaan handelt [het lid] in strijd met haar verplichtingen jegens [de vereniging] .

4.9

Deze constatering leidt evenwel niet tot toewijzing van de vorderingen die [de vereniging] in dit verband heeft ingesteld. De statuten en het parkreglement verlenen [de vereniging] niet de bevoegdheid om in een dergelijke situatie zelfstandig tot onderhoud van de desbetreffende tuin over te gaan, terwijl ook overigens nergens uit blijkt dat zij die bevoegdheid heeft verkregen. De omstandigheid dat niet alleen het bestuur van [de vereniging] , maar ook de Algemene Ledenvergadering op 9 maart 2013 optreden wenselijk achtte (voor zover dit al uit het verslag daarvan kan worden afgeleid), maakt dit niet anders aangezien aan de Algemene Ledenvergadering in dit opzicht geen bijzondere bevoegdheden toekomen. 
De primair en subsidiair door [appellante] aangevoerde grondslagen kunnen haar vorderingen daarom niet dragen.

Royement bij schietvereniging (SSV Prins Hendrik)

Rb. Rotterdam 21 februari 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:1613

In deze uitspraak maakt een lid van een schietvereniging -in aanwezigheid van leden en bestuursleden- de opmerking dat hij “zich liever door het hoofd schiet dan aan de gestelde [contributie]verplichtingen te voldoen”. Het bestuur royeert hierop het lid, op grond van dat incident en andere incidenten en omdat het lid de contributie niet (tijdig) betaalt.  De rechter laat het royement in stand. 

Vonnis van 21 februari 2018

in de zaak van 
[eiser] ,
tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
SCHIETSPORTVERENIGING PRINS HENDRIK,
h.o.d.n. SSV Prins Hendrik,
Partijen zullen hierna [eiser] en Schietsportvereniging Prins Hendrik genoemd worden.

1De procedure

1.1.

2De verdere beoordeling

2.1.

[eiser] is sinds 1981 lid van Schietsportvereniging Prins Hendrik geweest. Op 11 mei 2015 heeft zich in het clubgebouw van Schietsportvereniging Prins Hendrik een incident voorgedaan, waarbij sprake is geweest van een emotionele uitbarsting en – kort gezegd – (verbaal) wangedrag van [eiser] .
2.2.

Naar aanleiding van dit incident heeft het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik het besluit genomen tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van Schietsportvereniging Prins Hendrik. In de brief van 19 april 2016, waarbij [eiser] in kennis is gesteld van deze beslissing, staat – voor zover van belang – het volgende:
“Het bestuur van SSV Prins Hendrik te Hardinxveld-Giessendam heeft op grond van artikel 8 (…) van de statuten besloten om u met ingang van 11 mei 2015 als lid van SSV Prins Hendrik te royeren. (…)

Op maandagavond 11 mei 2015 heeft u één van de bestuursleden aangesproken over een brief van de vereniging over uw betalingsverplichting. Hierop heeft u aangegeven niet inhoudelijk te willen reageren op het betalingsvoorstel in de brief. U plaatste hierbij -in aanwezigheid van leden en bestuursleden- de opmerking dat u zich liever door het hoofd schiet dan aan de gestelde verplichtingen te voldoen.
Deze opmerking, in combinatie [met] uw emotionele uitbarsting en de problemen waar u naar eigen zeggen mee kampte is reden tot grote zorg van de vereniging. Als vereniging hebben wij een verantwoordelijkheid naar al onze leden dat de omgeving waarin zij hun sport beoefenen veilig is. Uw acties en uitspraken ten overstaan van de aanwezigen passen absoluut niet binnen de regels van de vereniging en binnen de regels van de schietsport.
Uw gedrag is voor de aanwezige bestuursleden zelfs reden geweest om advies in te winnen bij de politie. Deze hebben vervolgens besloten om u bij onze vereniging op te halen. U heeft hiermee de vereniging en haar leden geschaad.

Daarnaast wordt u het lidmaatschap ontzegt omdat u heeft nagelaten uw contributie tijdig en op de geldende en afgesproken wijze te voldoen. Ondanks herhaalde verzoeken en betalingsvoorstellen onzerzijds is de door u verschuldigde contributie niet voldaan. Wij hebben u meerdere kansen en mogelijkheden geboden om tot een goede afspraak te komen waar u niet inhoudelijk op hebt gereageerd.”

2.3.

[eiser] is tegen deze beslissing in beroep gegaan bij de beroepscommissie van Schietsportvereniging Prins Hendrik. De beroepscommissie heeft besloten het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik in het gelijk te stellen en het royement van [eiser] te handhaven. In de brief van 27 oktober 2016, waarbij [eiser] in kennis is gesteld van deze beslissing, staat – voor zover van belang – het volgende:
“Kan geen andere conclusie trekken dan dat het bestuur S.S.V. Prins Hendrik op juiste gronden en zorgvuldige overwegingen, het besluit heeft genomen, de heer [eiser] te royeren en wel op de volgende gronden:

  1. Financiële problemen met het bestuur dienen via de penningmeester te lopen. Eenzijdige wijzigen kunnen ten ene male niet worden toegepast, dan alleen na overleg met het dagelijks bestuur, waar ook de penningmeester deel van uit maakt. Daar dit bestuur schriftelijk, met maximale eind datum heeft aangegeven, dat niet op tijd betaling zal leiden tot royement, leidt dat tot royement.
  2. Verbaal geweld en zeker bedreigende geluiden dat er “Door de kop geschoten gaat worden” is ten ene maal NOT DONE. Zeker niet op een schietvereniging en zeker niet op een vereniging, waar door wapen geweld, in het verleden al twee leden uit het leven zijn gestapt. Dit is voor ons de hoofd reden om het royement gegrond te verklaren.”
2.4.

[eiser] vordert -in essentie- vernietiging van het besluit van de beroepscommissie van Schietsportvereniging Prins Hendrik van 27 oktober 2016, alsmede van het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik, zulks op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW (strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist). In dit kader is artikel 8 van de statuten van Schietsportvereniging Prins Hendrik van belang, dat – voor zover hier aan de orde – luidt als volgt:
“ARTIKEL VIII: Beeindiging van het lidmaatschap
(…)
* Ontzetting vanwege de vereniging.
IV. Vanwege de vereniging kan het bestuur een lid uit het lidmaatschap ontzetten indien,
  1. het in strijd met de statuten, regelementen of besluiten van de vereniging handelt.
  2. het de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.”
2.5.

[eiser] voert, kort en zakelijk weergegeven, aan dat er geen grond was om hem uit het lidmaatschap te ontzetten, althans dat er geen sprake is van ongewenst en onacceptabel gedrag. Indien sprake is van ongewenst en onacceptabel gedrag dient in ogenschouw te worden genomen dat het slechts gaat om een op zich zelf staand incident; er is geen sprake van een verleden van gelijkwaardige klachten omtrent het gedrag van [eiser] . Het incident op 11 mei 2015 is zeker reden voor een goed gesprek en wellicht zelfs voor een waarschuwing, mogelijk een schorsing, maar biedt onvoldoende grondslag voor een besluit tot ontzetting. Daarbij heeft het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap van Schietsportvereniging Prins Hendrik verstrekkende gevolgen voor [eiser] . Immers, als gevolg van de melding van Schietsportvereniging Prins Hendrik aan de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie (KNSA) kan [eiser] (ook) geen lid meer worden bij een andere schietsportvereniging. [eiser] wordt hierdoor dus feitelijk belemmerd in de uitoefening van de schietsport.
2.6.

Voor de vraag of het besluit van de beroepscommissie van Schietsportvereniging Prins Hendrik van 27 oktober 2016, waarbij het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik is bekrachtigd, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, dient bekeken te worden of de beroepscommissie/het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van Schietsportvereniging Prins Hendrik en degenen die krachtens de wet en de statuten bij Schietsportvereniging Prins Hendrik zijn betrokken, in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de beroepscommissie/het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik in redelijkheid kunnen komen tot het besluit tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van Schietsportvereniging Prins Hendrik.
2.7.

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat er van de zijde van [eiser] op 11 mei 2015 ongewenst en onacceptabel gedrag jegens (bestuurs)leden van Schietsportvereniging Prins Hendrik heeft plaatsgevonden ( [eiser] heeft gedreigd met suïcide met een schietwapen), welk gedrag onmiddellijk handelen (van het bestuur van de vereniging) vereiste. Door dit gedrag wordt Schietsportvereniging Prins Hendrik op onredelijke wijze benadeeld. Ook indien wordt meegenomen dat [eiser] door dit besluit tot ontzetting feitelijk wordt belemmerd in de uitoefening van de (hem zo geliefde) schietsport, is de rechtbank van oordeel dat de Schietsportvereniging Prins Hendrik, gehoord de bezwaren van de zijde van [eiser] tegen het besluit, in redelijkheid de belangen van Schietsportvereniging Prins Hendrik bij ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap (het waarborgen van de veiligheid van haar leden en de omgeving van [eiser] ) zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [eiser] bij voortduring van het lidmaatschap. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast staat dat het gaat om meerdere incidenten, dat er diverse malen (schriftelijk) is gewaarschuwd en dat er gewezen is op de mogelijke consequenties van het gedrag, doch dat dit niet heeft geleid tot een andere houding en toon van [eiser] . Een lang lidmaatschap en inzet voor de vereniging maken dit niet anders. Daarbij komt dat vast staat dat [eiser] de avond na de comparitie van 23 augustus 2016 met te veel alcohol op achter het stuur heeft gezeten en tegen een paaltje is aangereden. Daarin wordt een aanwijzing gezien voor een gebrek aan zelfbeheersing aan de zijde van [eiser] , welk in combinatie met de toegang tot een wapen bijzonder gevaarlijk kan zijn, althans een groot maatschappelijk risico oplevert.
2.8.

Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid. De vordering van [eiser] het besluit van de beroepscommissie van Schietsportvereniging Prins Hendrik van 27 oktober 2016, alsmede van het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik, te vernietigen, zal dan ook worden afgewezen. De nevenvorderingen delen in het lot van deze afwijzing.