Ontzetting gewestbestuursleden (ANBO)

Rechtbank Midden-Nederland 18 december 2013 (Eisers / ANBO)
ECLI:NL:RBMNE:2013:6226

Ontzetting van gewestbestuursleden. Uitspraak geschillencommissie in beroep op grond van art. 2:35 lid 4 BW. Aanmerking uitspraak als vaststelling o.g.v art. 7:906 BW en overeenkomstige toepassing van de regeling van de vaststellingsovereenkomst (art. 7:900 – 7:905), op grond een opmerking in de MvT bij de Invoeringswet voor art. 2:35 lid 3 BW. In zoverre wijkt de uitspraak af van de heersende leer, die het besluit in beroep ziet als een besluit van een orgaan van de vereniging. (zie Kollen, p. 212). 

Door geschillencommissie aan te leggen maatstaf: “Ontzetting is een zware maatregel en kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt (artikel 2:35 lid 3 BW). De geschillencommissie moest beoordelen of het landelijk bestuur in redelijkheid op één of meer van deze gronden het besluit tot ontzetting heeft kunnen nemen en of de besluitvorming in overeenstemming met de regels tot stand is gekomen. In een uitspraak van een beroepsinstantie waarin het beroep ongegrond wordt verklaard moet inzichtelijk worden gemaakt hoe tot het oordeel is gekomen dat aan deze maatstaf is voldaan.”

Beslissing Geschillencommissie wordt vernietigd. Rechtbank toets besluit tot ontzetting alsnog aan art. 2:35 lid 3 (7:904 lid 2 BW). Gewestbestuursleden hebben gehandeld in strijd met statuten. Weging of dit ontzetting rechtvaardigt, een factor is dat het landelijk bestuur de gewestbestuursleden heeft geschorst zonder daartoe bevoegd te zijn en voorbij is gegaan aan de verplichte bemiddeling door Commissie van Goede Diensten in geval van een conflict met een gewestbestuur. Ontzetting disproportioneel en moet de conclusie luiden dat het landelijk bestuur in redelijkheid niet het besluit tot ontzetting heeft kunnen nemen. De rechtbank zal dat besluit dan ook vernietigen.
Geen conversie naar opzegging (vermoedelijk in het licht van 7:906 lid 3). 
Zie ook ECLI:NL:RBZLY:2012:BY7048 over een conflict tussen ANBO en de naar ik begrijp door de betrokken gewestbestuursleden onderstussen opgerichte Nieuwe Bond voor Ouderen Nederland.
Vonnis van 18 december 2013
in de zaak van
1 [eiser sub 1],
2. [eiser sub 2],
3. [eiser sub 3],
eisers, tegen
de vereniging ANBO, gevestigd te Woerden, gedaagde,

Partijen zullen hierna [eisers c.s.] en ANBO genoemd worden.

1 De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 8 mei 2013
– het proces-verbaal van comparitie van 26 september 2013
– de akte na comparitie van ANBO

1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2 De feiten

2.1. ANBO is een vereniging die de belangen behartigt van 50-plussers. Tot medio 2012 bestond ANBO uit een verenigingsraad (het hoogste orgaan), een landelijk bestuur, een landelijk bureau (hierna: het landelijk bureau), gewesten met bijbehorende gewestbesturen en afdelingen met bijbehorende afdelingsbesturen. De voorzitter van het landelijk bestuur was de heer [A] (hierna: [A]). De penningmeester van het landelijk bestuur was de heer [B] (hierna: [B]). De directeur van het landelijk bureau was mevrouw [C] (hierna: [C]).

2.2. [eiser sub 1], lid van ANBO sinds 2004, was sinds 2005 lid van het bestuur van het gewest Overijssel van ANBO (hierna: het gewestbestuur) in de functie van penningmeester. [eiser sub 2], lid sinds 2007, was vanaf eind 2007 lid van het gewestbestuur in de functie van secretaris. [eiser sub 3], lid vanaf 1997, was sinds mei 2009 lid van het gewestbestuur. De gewestbestuurders verrichtten hun bestuurswerkzaamheden als onbezoldigde vrijwilligers. Kosten werden wel vergoed.

2.3. Sinds medio 2012 heeft ANBO geen gewesten en gewestbesturen meer. ANBO bestaat sindsdien uit een ledenraad (het hoogste orgaan), een raad van toezicht (met [A] als voorzitter), een directeur ([C]), regiocoördinatoren, regioadministrateurs en netwerkgroepen.

2.4. In 2011 was mevrouw [D] waarnemend voorzitter van het gewestbestuur (hierna: [D]). In de loop van 2012 is zij opgevolgd door de heer [E] (hierna: [E]).

2.5. In 1989 heeft ANBO samen met de Katholieke Bond van Ouderen Overijssel (KBO) en de Protestants Christelijke Ouderenbond (PCOB) de Stichting Steunfunctie Ouderenbonden Overijssel opgericht, die ten doel had de financiële en administratieve ondersteuning van de op provinciale schaal werkende gewestelijke ouderenbonden en afdelingen van ouderenbonden. In 2001 ontstond bij ANBO, KBO en PCOB de wens om te komen tot een versterkte vorm van samenwerking met als doel de belangenbehartiging van de ouderen in Overijssel op maatschappelijk terrein. In verband daarmee zijn per 1 januari 2002 de statuten van de hiervoor genoemde stichting gewijzigd en is de naam van die stichting veranderd in SENtrum/Stichting Seniorenorganisaties Overijssel (hierna: SENtrum). De participanten van SENtrum waren het gewest Overijssel, KBO Overijssel en het gewest Overijssel van PCOB.

2.6. Sinds 1 november 2002 was mevrouw [F] (hierna [F]) in dienst bij het landelijk bureau. Feitelijk verrichtte zij op detacheringsbasis werkzaamheden voor het gewest Overijssel en voor SENtrum. Het salaris dat ANBO aan [F] betaalde werd doorbelast aan het gewest Overijssel, dat deze kosten doorbelastte aan SENtrum, die op haar beurt deze kosten voldeed uit subsidie van de provincie Overijssel.

2.7. Gedurende 14 jaar heeft mevrouw [G] secretariële werkzaamheden verricht voor het gewest Overijssel (hierna: [G]). Zij deed dit als zelfstandige zonder personeel (ZZP-er).

2.8. In een brief van 26 februari 2008 van [C] aan de toenmalige voorzitter van het gewestbestuur staat het volgende:

“[…] Onlangs bereikte mij signalen dat enkele gewesten gebruik maken van freelancers die structureel werkzaamheden voor ANBO verrichten. Hiermee loopt ANBO een behoorlijk risico doordat de belastingdienst naheffingen kan opleggen en de contractant een dienstverband zou kunnen claimen.

Kortom het inhuren van freelancers is aan strenge regels gebonden. Zowel belastingtechnisch als arbeidsrechtelijke moeten de contracten en verplichtingen van de freelancers duidelijk en correct worden gehanteerd. Dit geldt in principe ook voor stagiaires. Daarom verzoek ik u om de volgende gegevens voor uw gewest te inventariseren:
[…]
Wie zijn er freelancers (graag ook aangeven wat de onderliggende documenten/contracten zijn, zoals een kopie van de VAR of een IB-47 formulier) […]”

2.9. Op 8 december 2008 hebben SENtrum, de Stichting Zorgbelang Overijssel en de vereniging Platform Mantelzorg Overijssel een intentieovereenkomst ondertekend waarin is vastgelegd dat zij de organisatie en uitvoering van projecten gingen vormgeven door middel van een gezamenlijk op te richten rechtspersoon. Dit heeft ertoe geleid dat op

1 december 2009 is opgericht de stichting Maatschappelijke Belangenorganisaties Overijssel, door partijen aangeduid als BOO of BO.

2.10. In 2009 is ANBO onder de naam ANBO Anders gestart met een omvangrijk traject tot verandering van de vereniging. In verband daarmee is een gelijknamige werkgroep opgericht waarin onder andere [E] zitting had. ANBO Anders bestond uit drie pijlers: cultuur en omgangsvormen, besturing van de vereniging en verenigingsdemocratie. Op enig moment is [E] ambassadeur van ANBO Anders geworden, wat betekende dat hij het project ANBO Anders binnen de vereniging ging toelichten en promoten.

2.11. In een verslag van een bijeenkomst op 6 maart 2011 tussen het gewestbestuur en [F] enerzijds en [C], [B] en de heer [H], adjunct-directeur van het landelijk bureau anderzijds, staat het volgende:

“[…] Na welkom van mevrouw [D] en een korte inleiding geeft mevrouw [C] een inleiding op ANBO Anders, het versterkingtraject van ANBO. Zij geeft aan dat vanuit die positie het landelijk bestuur en de directie graag met het gewest Overijssel willen praten. Het gevoel bestaat dat er geen eenheid in het gewestbestuur is en dat er daarnaast een enorme weerstand/antipathie wordt gevoeld vanuit het gewestbestuur naar de landelijke organisatie toe.

[…]

Besloten wordt drie agendapunten te behandelen.
1. […]
2. […]
3. Houding gewestbestuur ten opzichte van de landelijke organisatie en het volgen van landelijk beleid.
[…]

3. Houding bestuur gewest Overijssel t.o.v. de landelijke organisatie

Het landelijk bestuur legt een aantal bevindingen voor en vraagt om commentaar:

a. Er is geen detacheringsovereenkomst tussen ANBO en SENtrum (of de beheersorganisatie daarvan, BO), waar mw. [F] voor 17 uur p/w werkzaamheden verricht.

b. ANBO Overijssel heeft een samenwerkingsovereenkomst betreffende SENtrum en de werkmaatschappij BO ondertekend. Dit gaat in tegen het eerder genomen bestuursbesluit, bekrachtigd in de Verenigingsraad, dat ANBO niet meer deelneemt in geïnstitutionaliseerde samenwerkingsvormen. Dit is in een overleg tussen landelijk bestuur en Gewestbestuur Overijssel duidelijk ter kennis gebracht van het Gewestbestuur. Daarna is kennelijk toch tot ondertekening overgaan.

c. De begroting en de balans van ANBO gewest Overijssel geven geen inzicht in de kosten en de financiering van het salaris van gewestmedewerker mw. [F], noch in de inkomsten, kosten of risico’s die samenhangen met de deelneming in SENtrum of beheersorganisatie BO.

d. Er is informatie dat de beheersfirma van SENtrum, BO, een negatief vermogen heeft van meer dan € 35.000,-.

e. Er bestaat gerede twijfel over de continuïteit van de provinciale financiering van SENtrum-projecten. Indien deze financiering in gevaar komt zal dit moeten leiden tot (gedeeltelijk) ontslag van mw. [F]. Er zijn bij SENtrum (of BO) of ANBO gewest Overijssel geen middelen gereserveerd voor eventuele afvloeiingskosten.

De heer [B] geeft aan dat het Gewestbestuur buiten haar mandaat treedt bij het ondertekenen van overeenkomsten met financiële consequenties buiten medeweten van het Landelijk Bestuur en in het bijzonder door tegen de besluiten van het Landelijk Bestuur in te handelen. Het Gewestbestuur is geen zelfstandige rechtspersoon en derhalve niet bevoegd welke juridische overeenkomst dan ook te ondertekenen. Daarnaast is er sprake van een geconsolideerde financiële positie voor alle ANBO onderdelen. Financiële risico’s die voortvloeien uit overeenkomsten van het Gewestbestuur komen uiteindelijk ten laste van de gehele ANBO, c.q. het Landelijk Bestuur.

Enkele bestuursleden reageren verbaasd en geven aan onbekend te zijn met deze informatie. De heren [eiser sub 2] en [eiser sub 1] zijn van mening dat verschillende elementen die genoemd zijn multi-interpretabel zijn. Dhr. [B] geeft aan dat dit onmogelijk het geval kan zijn. Het gaat om heldere besluiten van Verenigingsraad, van bestuur en directieven die in bijzijn van betrokkenen door of namens het ANBO bestuur zijn afgegeven. De heer [eiser sub 1] en de heer [eiser sub 2] geven aan dat als zij “aan het lijntje van de landelijke organisatie ” moeten lopen zij hun portefeuille zullen neerleggen. De heer [B] en mevrouw [C] geven daarbij aan dat de besluitvorming van de VR, ons hoogste orgaan, uitgevoerd dient te worden. Een gewest van ANBO maakt geen “eigen” beleid maar voert het landelijke beleid uit.

[…]”

2.12.

In een brief van [A] aan het gewestbestuur van 12 april 2011 staat het volgende:

“[…] Naar aanleiding van de recente ontwikkelingen zoals die zich hebben voorgedaan maken we ons als landelijk bestuur ernstig zorgen over het functioneren van het gewest Overijssel. Onze zorgen hebben zowel betrekking op het intern functioneren, de ter decharge aan de gewestvergadering overgelegde jaarstukken, het vervullen van de voorzitterspositie, het omgaan met elkaar, het uitvallen van de medewerkster [rechtbank: bedoeld is [F]], als op de positionering van ANBO als ledenorganisatie in de provincie Overijssel.

Daarover willen wij op korte termijn met u een gesprek.

Om u de gelegenheid te geven zich voor te bereiden geven we onderstaand kort en zakelijk samengevat de elementen aan die voor ons onderwerp van gesprek zullen zijn.

1)Inzet van medewerkers.

In de arbeidsovereenkomst tussen ANBO en mevrouw [F] is als bijzondere bepaling opgenomen dat de medewerker door het gewestbestuur gevraagd kan worden voor een aantal uren werkzaamheden te verrichten voor de Stichting SENtrum. Uit de brief d.d. 23 maart jl. van SENtrum aan ANBO begrijpen wij dat u als gewestbestuur de medewerker wekelijks voor meer dan de helft van de omvang van het dienstverband werkzaamheden voor SENtrum heeft doen verrichten. Een dergelijke zeer ruime invulling van die bijzondere bepaling kan niet zonder een deugdelijke detacheringovereenkomst waarin de onderlinge taken, verantwoordelijkheden en aansprakelijkheden helder zijn neergelegd.

Door dit niet actief aan de orde te stellen heeft u zich in de positie gemanoeuvreerd dat SENtrum u wellicht minder gaat betalen, terwijl uw betalingsverplichting jegens ANBO landelijk blijft bestaan.

[…]

We hebben tevens begrepen dat u voor uitvoerende werkzaamheden gebruik maakt van mevrouw [G] in de hoedanigheid van ZZP-er. Teneinde niet beoogde aansprakelijkheden te voorkomen is het zaak periodiek na te gaan of nog voldaan wordt aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de VAR verklaring.

Wij willen dit in het kader van de risicoanalyse nagaan.

2) Binnen ANBO is belangrijk om over de inzet van de financiële middelen helder en transparant te zijn. Dat is een van de meest essentiële punten waarop onze achterban ons afrekent. Over de noodzaak tot transparantie en ook over de salariskosten is al vaker met u gesproken.

In de door u aan de gewestvergadering overgelegde stukken over het jaar 2010 ontbreken de personele kosten, alsmede de subsidie-inkomsten. Dat is een ernstige omissie die niet alleen gevolgen heeft voor de inhoud van de door de vergadering verleende decharge, maar die ook een reële risico-inschatting onmogelijk maakt. Materieel zet u als bestuur de gewestvergadering willens en wetens volstrekt op het verkeerde been ten aanzien van de financiële positie van het gewest en de onderlinge verhouding van de kostenposten. Wij achten dat misleidend en bestuurlijk onacceptabel handelen.

3) De landelijke penningmeester heeft daarover klaarheid willen scheppen, doch kreeg ter vergadering geen gelegenheid om op neutrale en zakelijke wijze zijn zienswijze te geven. Kort nadien is er met medeweten en medewerking van u als bestuur een brief van de Afdeling Haaksbergen naar alle afdelingen in het gewest gezonden. Nog afgezien van eventueel bestaande vriendschap- of familieverbanden geeft dit aan dat binnen het gewest zakelijke kritiek blijkbaar niet mogelijk is. Dat geeft ernstig te denken over de bestuurscultuur.

Een ander voorbeeld daarvan geeft de invulling van de positie van voorzitter van het gewest. Natuurlijk kunnen er altijd meerdere kandidaten zijn voor een bestuurspositie. Dan behoort er een open race van kandidaten te zijn. Kijkend naar de verwikkelingen in Overijssel is dat een onverkwikkelijke trek-en duwpartij geworden. Het is uiterst ongebruikelijk en strijdig met de statuten en reglementen om dit vanuit het bestuur zelf aangereikte agendapunt ‘verkiezing voorzitter’ van de agenda af te voeren. De mededeling waarin aan de afdelingen bericht werd over het terugtreden van de waarnemend voorzitter van het gewest [rechtbank: hiermee wordt [D] bedoeld] is onnodig grievend geformuleerd. Dat staat haaks op de cultuur die wij wensen. Het is ook in strijd met het vrijwilligersbeleid dat wij willen voeren en uitgevoerd willen zien.

[…]

Binnenkort wordt u benaderd voor het maken van een gespreksafspraak. […]”

2.13.

Namens het gewestbestuur heeft [eiser sub 2] in een brief van 18 april 2011 aan het landelijk bestuur het volgende geschreven:

“[…] Het zal u niet zijn ontgaan dat er tussen uw directeur enerzijds en het gewestbestuur van Overijssel anderzijds strubbelingen zijn ontstaan die het goed functioneren van ons als gewestbestuur ernstig dreigen te verstoren. Daarom willen wij deze kwestie aan u voorleggen.

Sinds 1986 werken de drie ouderenbonden in Overijssel samen aan de belangenbehartiging van ouderen in Overijssel. In 2002 werd deze samenwerking vastgelegd in de Stichting Seniorenorganisaties Overijssel (SENtrum). Een en ander geschiedde met volledige goedkeuring van het toenmalige landelijk bestuur. SENtrum heeft zich inmiddels een goede naam verworven en trekt daardoor veel subsidiegelden aan, vooral van de provincie Overijssel. Daarbij is het volstrekt duidelijk dat SENtrum een samenwerkingsverband is van drie zelfstandige ouderenbonden.

Eén van de dragende projecten, bekostigd door de provincie, is “Ondersteuning vrijwilligers ouderenbonden”. Uit de financiële vergoeding die SENtrum hiervoor ontvangt wordt onze beleidsmedewerkster, mevr. [F], bekostigd.

[…]

De laatste jaren echter zijn er fricties ontstaan in de benadering van mevr. [F], vanuit het verenigingsbureau ogenschijnlijk het gevolg van de inderdaad wat tweeslachtige situatie, een dienstverband met ANBO Nederland, maar werkzaam onder aansturing van een gewestbestuur. In december 2008 vond een functioneringsgesprek plaats waarbij naast mevr. [F], […] (personeelsadviseur) […] en voorzitter en secretaris van het gewest aanwezig waren. In dit functioneringsgesprek kwam ook de moeizame relatie met het verenigingbureau en de directeur ter sprake, maar het gesprek verliep verder buitengewoon positief. Van beide kanten werd tevredenheid geuit over het functioneren van mevr. [F].

Tot onze grote verbazing ontving mevr. [F] in december 2010 van de directeur de opdracht om naar Utrecht te komen voor een onderhoud omdat er klachten waren binnengekomen vanuit het gewestbestuur, vanuit afdelingen en vanuit de eigen Utrechtse organisatie. Pogingen onzerzijds om eerst een toelichting op deze, voor ons onbekende, klachten te krijgen liepen op niets uit. Ons verzoek aan de waarnemend gewestvoorzitter, mevr. [D], om dit aan te kaarten bij de directeur werd kennelijk niet gehonoreerd. Aangezien wij, als voltallig gewestbestuur, bezwaren hadden tegen de procedure, werd besloten dat de heer [eiser sub 1], gewestpenningmeester, namens het gewestbestuur het bedoelde gesprek zou bijwonen. Dit gesprek vond plaats op 16 dec. 2010.

Om te verifiëren of, en zo ja, welk klachten er dan wel waren geventileerd naar de directeur, besprak het gewestbestuur de situatie tijdens de bestuursvergadering van januari 2011. Daar bleek dat geen enkel bestuurslid klachten had over het functioneren van mevr. [F], laat staan daarover naar Utrecht zou hebben gecommuniceerd. Evenmin had niemand negatieve geluiden vernomen vanuit de afdelingen, integendeel zelfs.

Uit het verslag van het onderhoud dat we vervolgens ontvingen van de directie, moesten we opmaken dat de irritaties over en weer eerder waren toegenomen dan afgenomen. Het gewestbestuur moest constateren dat er m.n. bij de directeur onjuiste en onterechte beeldvorming t.a.v. onze medewerkster en het gewestbestuur was ontstaan die, helaas, door het gevoerde gesprek niet veranderd bleek. Besloten werd om e.e.a. op 7 maart met elkaar door te spreken.

Tijdens het gesprek van 7 maart, waarbij naast de directeur, mevr. [C], de heer [H] en de heer [B] aanwezig waren, werd onzerzijds aangegeven onaangenaam verrast te zijn door de negatieve benadering door mevr. [C] m.n. omdat er onzerzijds geen klachten waren geventileerd. Buitengewoon onaangenaam verrast waren we vervolgens toen de waarnemend voorzitter, mevr. [D], plotseling aangaf wel degelijk klachten te hebben over het functioneren van mevr. [F]. Dat zij dit vooraf niet had voorgelegd aan het gewestbestuur kwam toen niet meer aan de orde. Vanzelfsprekend greep mevr. [C] deze uitspraak aan om haar gelijk te halen: “De situatie rondom mevr. [F] is problematisch, er is tweespalt in het gewestbestuur en de houding van het gewestbestuur naar de landelijke organisatie deugt niet”. Zo werd het verwoord in het verslag dat we later ontvingen van mevr. [C].

Het zal u duidelijk zijn dat we buitengewoon ontstemd zijn over deze handelwijze. Daarbij tekenen wij aan dat het niet de directeur is die het gewestbestuur kapittelt maar dat dit, indien nodig, is voorbehouden aan het landelijk bestuur. De leden van het gewestbestuur zijn gekozen door de afdelingen en die bepalen ook het succes of falen van het gewestbestuur. Een ander heeft er intussen toe geleid dat het gewestbestuur het vertrouwen in de waarnemend voorzitter, mevr. [D], heeft opgezegd waarna deze besloot het bestuurslidmaatschap met onmiddellijke ingang te beëindigen.

Tot zover ons ongenoegen t.a.v. de wijze waarop over het functioneren van mevr. [F] en het gewestbestuur is gehandeld door uw directeur.

Vervolgens willen wij hierbij in gaan op enkele elementen die, hoewel slechts zijdelings besproken tijdens het overleg van 7 maart jl, met nadruk zijn opgenomen in het verslag van deze bespreking dat we ontvingen van mevr. [C]. Allereerst het ontbreken van een detacheringsovereenkomst betreffende mevr. [F]. Aangezien in de arbeidsovereenkomst is opgenomen dat het gewestbestuur bepaalt hoeveel tijd zij besteedt aan SENtrum en SENtrum de volledige kosten draagt, is er nooit een detacheringsovereenkomst gemaakt simpelweg omdat niemand het nodig achtte, dus ook de directeur van het verenigingbureau niet.

ANBO zou, tegen een besluit van de verenigingsraad in een overeenkomst hebben gesloten betreffende SENtrum en een werkmaatschappij. De samenwerkingsovereenkomst met de andere twee bonden bestaat al sedert 1986 en is in 2002 opnieuw bevestigd, met instemming van de toenmalige landelijk bestuur. Ontbinden van zo’n overeenkomst zal veel geld kosten en wordt door het gewestbestuur niet overwogen. Overigens wijzen we erop dat het DB van het gewest door u wel degelijk is gemandateerd om o.a. overeenkomsten met derden aan te gaan, maar dit is thans niet aan de orde. Met de werkmaatschappij in oprichting heeft ANBO, in tegenstelling tot wat mevr. [C] veronderstelt, geen enkele overeenkomst getekend; dat is louter een zaak van SENtrum. We zouden het op prijs stellen als deze passage door de directeur uit het verslag van de bespreking van 7 maart wordt verwijderd, het klopt namelijk totaal niet.

De onterechte schofferende behandeling die mevr. [F] heeft moet ondergaan is o.i. strijdig met goed personeelsbeleid en t.a.v. de communicatie met het gewestbestuur moeten we constateren dat die bepaald niet aansluit bij de richting die het onderzoek van Berenschot aangeeft. Overigens heeft e.e.a. ertoe geleid dat mevr. [F] momenteel ziek thuis zit.

Tot slot tekenen we ernstig protest aan tegen de handelwijze van de heer [B] tijdens onze gewestvergadering. Hij verwaardigde zich om ten overstaan van de gewestvergadering bezwaar te maken tegen onze jaarrekening terwijl die door de financiële commissie was goedgekeurd. Als de landelijk penningmeester bezwaar had tegen de jaarrekening van ons gewest had hij dat buiten de vergadering om moeten bespreken. Gelukkig waren er uit de zaal veel adhesiebetuigingen in de richting van de gewestpenningmeester waardoor kon worden voorkomen dat deze ter plekke zijn functie ter beschikking stelde. Het zal u duidelijk zijn dat onzerzijds het vertrouwen in de integriteit van de heer [B] ernstig is ondermijnd.

Samenvattend, het gewestbestuur is buitengewoon verontwaardigd door het optreden van de directeur, mevr. [C], en uw bestuursvertegenwoordiger, de heer [B]. Deze handelwijze heeft ons vertrouwen in het landelijk bestuur en het verenigingsbureau ernstig geschaad. Gelukkig ontvangen wij veel adhesiebetuigingen vanuit onze afdelingen en dat geeft ons de moed om ons werk voor de ANBO en de ouderen in onze provincie voort te zetten. […]”

2.14.

In een brief van 28 april 2011 aan het gewestbestuur heeft [A] namens het landelijk bestuur het volgende geschreven:

“[…] Uw brief van 18 april hebben we inmiddels ontvangen en wij constateren:

· –

dat u slechts ten dele ingaat op de problematiek,

· –

dat u “zware” woorden als “ integriteit” gebruikt,

· –

en dat u aangeeft een afschrift aan de Verenigingsraad te sturen.

De inhoud en toonzetting van de brief bij elkaar genomen maakt een gesprek op korte termijn noodzakelijk. Bij deze nodigen wij u uit voor een gesprek op donderdag 12 mei aanstaande, om 11.00 uur op het verenigingsbureau Utrecht.

Wij vertrouwen erop dat u aan deze uitnodiging gevolg zult geven, maar wijzen u er ter vermijding van misverstanden op dat niet verschijnen niet zonder consequenties kan blijven. […]”

2.15.

In een brief van 9 juni 2011 aan waarnemend voorzitter van het gewestbestuur [E] heeft [A] namens het landelijk bestuur het volgende geschreven:

“[…] Naar aanleiding van de recente ontwikkelingen zoals die zich hebben voorgedaan hebben wij op 12 mei een indringend gesprek met een delegatie van uw bestuur gevoerd.

Een van de onderdelen van het gesprek had betrekking op de door het bestuur gedane negatieve uitingen tijdens de contactdagen met uw afdelingen in combinatie met de brief van 18 april jl, waarin het gewestbestuur het landelijk bestuur, de penningmeester en directeur in het bijzonder, alsmede het verenigingsbureau op de korrel neemt.

We spraken 12 mei af dat u dit zult rechtzetten.

Het mailbericht aan de afdelingen in Overijssel van 18 mei jl is een wel erg magere poging om die toezegging gestand te doen.

Er wordt niet gesproken over het feit dat er ook met de directeur is gesproken en dat ook in die relatie wat u betreft het vertrouwen is hersteld. Daarnaast heeft het gewest het blijkbaar nodig geacht om, in strijd met de feitelijke situatie, het Verenigingsbureau te betichten van het niet dan wel te laten doorzenden van stukken. Op basis van de informatie waarover ik beschik ligt de fout niet bij het verenigingsbureau.

In het voorzittersoverleg van juni heeft u wel met uw afdelingsvoorzitters over het gevoerde gesprek gesproken, zo maak ik uit het verslag op. Dat was een goede gelegenheid om alles recht te zetten. Binnen onze ANBO zijn directeur en bureau belangrijke elementen die we hard nodig hebben. Daarom zie ik dan ook dat onderdeel van de gemaakte afspraken, om de lucht te klaren, gaarne alsnog gecommuniceerd met de afdelingen. […]”

2.16.

In 2011 heeft ANBO in het kader van ANBO Anders het extern adviesbureau [adviesbureau] ingeschakeld om ANBO te adviseren over mogelijke bestuursvormen voor ANBO. In februari 2012 heeft [adviesbureau] een advies uitgebracht over de mogelijke bestuursmodellen voor ANBO. Het landelijk bestuur heeft vervolgens aan de verenigingsraad het advies gegeven om op de vergadering van de verenigingsraad van 22 maart 2012 te kiezen voor het besturingsmodel dat later dat jaar is ingevoerd (zie 2.3). Het gewest Overijssel had hier bezwaar tegen en heeft in verband daarmee op 7 maart 2012 een schriftelijke motie van orde voorgelegd aan het landelijk bestuur. Deze motie, ondertekend door [E] als waarnemend gewestvoorzitter, hield in dat er pas gekozen kon worden voor een besturingsmodel als er tegelijkertijd werd gesproken over de verenigingsdemocratie en de waarborging daarvan.

2.17.

In een e-mail aan [E] heeft [C] op 8 maart 2012 geschreven:

“[…] Gisteren heb ik de motie van Overijssel ontvangen. We hebben daar vandaag in het landelijk bestuur even over gesproken en zullen de motie bij het betreffende agendapunt agenderen op 22 maart.

Uiteraard mag een gewest een eigen mening met daarbij behorende argumenten hebben om het ergens wel of niet mee eens te zijn. Maar als lid van het gremium gewestvoorzitters, lid van de werkgroep ANBO Anders en gezien het feit dat je hebt opgegeven als ANBO Anders Ambassadeur verbaasd mij het feit wel dat je deze motie onderschrijft. Het lijkt mij in dat geval dan beter om je verder niet in te zetten als Ambassadeur. De ANBO Anders Ambassadeur gaat zich inzetten om informatie te geven over het hele traject, inclusief besturingsmodel. Dat kan natuurlijk niet als je dit niet onderschrijft.

Ik wil je dan ook danken voor je inzet in de werkgroep en zie je op 22 maart. […]”

2.18.

In een brief van 14 maart 2012 aan het landelijk bestuur heeft [eiser sub 2] namens het gewestbestuur en de afdelingsbesturen in Overijssel geschreven:

“[…] Unaniem gesteund door de afdelingsbesturen van de ANBO in de provincie Overijssel tekenen wij hierbij verontwaardigd protest aan tegen de handelwijze van de directeur van de ANBO t.o.v. onze gewestvoorzitter. Na kennis te hebben genomen van het standpunt van de afdelingsbesturen van het gewest Overijssel ten aanzien van uw keuze voor een nieuw besturingsmodel voor de ANBO, meende mevrouw [C] onze voorzitter te moeten meedelen dat hij niet meer welkom was als ambassadeur van ANBO Anders. Zij veronderstelde dat hij niet als zodanig zal kunnen functioneren als hij het besturingsmodel niet onderschrijft. Afgezien van het feit dat dit laatste totaal niet aan de orde is, kan het niet zo zijn dat de directeur op eigen houtje dit soort besluiten neemt omdat iemand het niet met haar eens is.

Graag wijzen wij u erop dat we bezig zijn met het ontwikkelen van een nieuwe bestuursvorm voor de ANBO, gecombineerd met een nieuwe organisatie van de verenigingsdemocratie. Onze VR-vertegenwoordigers hebben in de VR met regelmaat gewezen op de onlosmakelijke verbondenheid van beide elementen. Het lijkt ons vanzelfsprekend dat argumenten worden uitgewisseld en dat afdelingen en gewesten op basis van hun eigen afweging kunnen komen tot andere conclusies. Zo hoort dat in een vereniging! Let wel, uw voorstel wordt door het gewest Overijssel niet op voorhand afgewezen maar er wordt bij motie verzocht om het bestuursmodel en de vormgeving van de verenigingsdemocratie als één geheel te behandelen en daar, mede gezien de ontwikkelingen in de FNV, de tijd voor te nemen!

Het is dan ook buitengewoon pijnlijk te moeten constateren dat onze directeur blijk geeft zich niets aan te trekken van argumenten van afdeling- en gewestbesturen, noch van de mening van VR- afgevaardigden. Zij verwaardigt zich zelfs om gewaardeerde bestuursleden te dreigen met uitsluiting van activiteiten als ze haar opvattingen niet onderschrijven. We beschouwen deze handelwijze als uitermate ondemocratisch en dictatoriaal, hetgeen ons eens te meer doet aarzelen om de door u voorgestelde bestuursvorm te accepteren.

De handelwijze van mevr. [C] is bij het gewest Overijssel dermate slecht gevallen dat wij hebben besloten alle activiteiten op te schorten totdat we een en ander met u als Landelijk Bestuur en eindverantwoordelijke hebben kunnen bespreken. […]”

2.19. In een brief van [A] aan [eiser sub 2] van 15 maart 2012 staat het volgende:

“[…] Met verbazing hebben wij kennis genomen van de brief namens uw gewestbestuur van 14 maart jl. […] waarin u aangeeft besloten te hebben alle activiteiten op te schorten.

Het Landelijk Bestuur is onaangenaam getroffen door de toonzetting van de brief. Wij vinden deze opstelling ANBO onwaardig en onacceptabel. Met elkaar zijn wij al een aantal jaren bezig met het ANBO Anders-traject dat gedragen wordt door onze voltallige Verenigingsraad. De besluitvorming daarover komt nu in een afrondende fase. Voorstellen daarover aan de Verenigingsraad worden gedaan door het Landelijk Bestuur. Uw suggestie alsof dit een solo-actie van onze algemeen directeur is werpen wij ver van ons. Meermalen is gebleken dat het gewestbestuur Overijssel haar verantwoordelijkheid voor het ANBO Anders-traject niet kan of wil nemen. Zij wijkt hiermee willens en wetens af van democratisch vastgesteld ANBO-beleid en handelt in strijd met artikel 311 van onze reglementen. Uitnodigingen om hierover met u in gesprek te gaan zijn door u afgewezen.

De voorzitter van het gewestbestuur heeft aangegeven dat het gewest Overijssel er financieel niet goed voor staat. Mede daardoor maakt het landelijk bestuur zich grote zorgen over de door het gewestbestuur gemaakte financiële afspraken met SENtrum rondom de inzet van medewerkers waarvan u ons inhoudelijk niet op de hoogte heeft gesteld. Dit kan grote nadelige consequenties hebben voor de landelijke organisatie. Wij hebben ons daarom genoodzaakt gezien om de bankrekeningen van ANBO gewest Overijssel met onmiddellijke ingang te blokkeren.

Dit alles heeft ons er vanuit het ANBO belang toe geleid te besluiten u allen te schorsen als bestuurder van het gewest. (cf art. 315, lid 3) Uw schorsing houdt in dat u de taken van gewestbestuur en eventuele vertegenwoordigingen vanuit het gewest geen invulling meer kan en mag geven. Wij zullen vanuit het landelijk bestuur voor – tijdelijke -waarneming zorgen en binnen korte tijd een bijzondere gewestvergadering bijeen roepen en daarin op hoofdlijnen openheid van zaken geven. Samen met de gewestvergadering willen wij stappen zetten om weer tot een functionerend en gedragen nieuw bestuur te komen.

Ik doe een dringend beroep op uw ANBO hart om deze situatie niet onnodig te laten escaleren, maar wil u voor de volledigheid wel wijzen op de mogelijkheid om binnen een maand beroep in te stellen bij de geschillencommissie. (art. 219 lid 1). […]”

2.20. In een brief van het gewestbestuur en de afdelingen in Overijssel aan alle verenigingsraadsleden van ANBO van 19 maart 2012 staat het volgende:

“[…] Tot onze verbazing wordt eerst onze voorzitter meegedeeld dat hij niet langer mag optreden als ANBO-anders-Ambassadeur en als dat leidt tot een boos briefje onzerzijds, wordt het gehele gewestbestuur geschorst en worden onze financiën geblokkeerd door het hoofdbestuur. Dit gebeurde op grond van art. 315, (welk artikel deze mogelijkheid niet biedt!), en met als argument dat het financieel een rommeltje zou zijn en dat het gewestbestuur geen draagvlak vindt in het gewest. Financieel zijn we echter volledig op orde, blijkend uit de vastgestelde jaarrekening 2011 en de verklaring van de kascie en het feit dat we het jaar met een positief financieel resultaat hebben afgesloten en een ruim eigen vermogen hebben. En zoals uit bovenstaande blijkt, heeft het gewestbestuur gehandeld volgens de unanieme opdracht van alle afdelingen, en heeft dus onze volledige steun. Wij hebben vandaag een spoedvergadering van het gewest gehouden, waarbij vrijwel alle afdelingen aanwezig waren en hebben daar dan ook unaniem! besloten volgens artikel 315 lid 3 (…totdat de gewestvergadering over het voorstel heeft beslist…) van het reglement de schorsing ongedaan te maken en het bestuur in ere te herstellen. […]”

2.21.
In een brief van 20 maart 2012 van [A] aan de geschorste gewestbestuurders staat het volgende:

“[…] Met belangstelling hebben wij kennis genomen van de brief namens het gewestbestuur Overijssel aan de Verenigingsraadsleden van de ANBO van 19 maart jl.

[…] U schrijft dat u op 19 maart een spoedvergadering van het gewest gehouden heeft alwaar besloten is de schorsing ongedaan te maken en het bestuur in ere te herstellen. Dit besluit ontbeert elke juridische grond. Nog afgezien van het feit dat de statutair voorgeschreven termijnen niet gevolgd kunnen zijn voor het bijeen roepen van deze vergadering, zijn de geschorste leden van het gewestbestuur niet bevoegd een dergelijke vergadering uit te schrijven. Door de schorsing komen de bestuurlijke bevoegdheden voor het gewest Overijssel toe aan het landelijk bestuur. Zij is derhalve het statutair bevoegde orgaan om een dergelijke gewestvergadering bijeen te roepen.

Conform artikel 5 lid 2 van onze Statuten zijn alle leden gebonden aan de statuten, reglementen en de besluiten van de bevoegde organen van de ANBO. Gebleken is dat u zich hier niet aan gehouden heeft. Daarom heeft het Landelijk Bestuur besloten om uit het lidmaatschap te ontzetten. Voor de volledigheid wijs ik u erop dat u binnen een maand beroep tegen deze beslissing kunt instellen bij de Geschillencommissie. […]”

2.22.

In een brief van 29 maart 2012 van interimmanager financiën [I] aan de directie van ANBO staat het volgende:

“[…] Tijdens het samenstellen van de jaarrekening heb ik de kolommenbalans van gewest Overijssel bekeken en tevens de details in de Twinfield administratie.

Een aantal zaken vallen op en vragen aandacht.

In de boekhouding worden de ontvangen subsidie en de salarisbetalingen [rechtbank: aan [F]] gesaldeerd geboekt waardoor beide posten niet in de exploitatierekening te zien zijn. Hierdoor wordt een bedrag van ruim

€ 50.000 buiten de jaarrekening gelaten. Deze post is op zich een risico omdat de afspraken qua kosten niet parallel hoeven te lopen met de opbrengst subsidie. Deze post buiten de jaarrekening laten is onjuist en onzorgvuldig te noemen. Voor de samengestelde jaarrekening hebben we deze post gecorrigeerd.

Voorts zijn de kantoorkosten hoog, namelijk ruim € 30.000. Het betreffen maandelijkse bedragen. Uit de boekhouding blijkt niet waaraan deze posten worden uitgegeven. Bij navraag is gebleken dat deze posten worden betaald aan een freelance medewerker [rechtbank: [G]]. Wij wijzen er op dat deze kosten moeten worden verantwoord als personele kosten en dat betalingen aan zelfstandigen aan bepaalde voorwaarden zijn gebonden. Bij het onzorgvuldig omgaan met deze betalingen bestaat het gevaar dat alsnog een dienstverband wordt verondersteld met risico voor nabetaling van premies en tevens het ontslagrecht van toepassing kan zijn. […]”

2.23. In een verslag van de bijeenkomst van ANBO-afdelingen in Overijssel op 5 april 2012 staat het volgende:

“[…] [J], voorzitter afdeling Steenwijk/Eesveen, opent de bijeenkomst en heet een ieder van harte welkom. De bedoeling van de bijeenkomst is de afdelingen zoveel mogelijk te informeren en met elkaar proberen een koers te bepalen voor de komende tijd.

Naast voorzitter van de afdeling is [J] lid van de VR en lid van de commissie, die deze bijeenkomst heeft voorbereid. [K] is mede lid van de commissie, wethouder in Raalte sinds vorige week en voorzitter van de ANBO afdeling Deventer.

Stand van zaken. Naast dat het Gewestbestuur is geschorst zijn de bestuursleden ook allen uit het lidmaatschap van de ANBO gezet.

[…] De Gewestbestuursleden hebben ieder € 200 bijgedragen om een advocaat in te kunnen schakelen. Aan de advocaat is gevraagd advies te geven over de volgende zaken. Is de schorsing terecht? Is het royement terecht?

[…] Gelijk hebben is nog niet hetzelfde als gelijk krijgen. Belangrijk is hierbij dat er volgens de statuten gehandeld wordt.

In de artikelen 105,106 en 107 staat hoe er gehandeld moet worden. Eerst het Landelijk bestuur, die moet persoon (personen) horen, daarna besluiten. Na besluit kun je naar de geschillen commissie. Hier zitten maanden tussen.

[…] M.a.w. binnen een maand na 20 maart zou men naar de geschillen commissie kunnen gaan en daarna kan men naar de rechter.

[…] Er is nog een lange weg te gaan, maar als je nu naar de rechter stapt krijg je terug dat je de procedure niet goed gevolgd hebt (overleg met advocaat).

[…]

De rekening van het Gewest is geblokkeerd en er zijn wel financiële aspecten aan deze procedure.

Voorstel van de commissie aan de afdelingen: maak 30 eurocent per lid over op rekening […] t.n.v. [eiser sub 1]te Markelo.

Bij een juridische procedure zullen ook de kosten op het LB worden verhaald. De gestorte bedragen zullen zo mogelijk t.z.t. terug worden gestort uit de gewest kas. Iedere afdeling moet voor zichzelf afwegen of zij een bijdrage kunnen doen. […]”

2.24. Bij brief van 6 april 2012 hebben de geschorste leden van het gewestbestuur beroep aangetekend tegen het in de brief van 20 maart 2012 vermelde besluit tot ontzetting.

2.25. Het landelijk bestuur, dat zich na het verzenden van zijn brief van 20 maart 2012 heeft gerealiseerd dat op grond van de statuten aan een ontzetting vooraf behoort te gaan dat aan het desbetreffende lid schriftelijk een voornemen tot ontzetting bekend moet worden gemaakt met de mogelijkheid van bezwaar, heeft zijn brief van 20 maart 2012 beschouwd als de bekendmaking van het voornemen tot ontzetting en de brief van 6 april 2012 behandeld als een bezwaarschrift. Op 2 mei 2012 heeft in het kader van die bezwaarprocedure een hoorzitting plaatsgevonden.

2.26. Door middel van een brief van 25 april 2012, verstuurd namens de afdelingen van het gewest Overijssel en het gewestbestuur, heeft[K] het landelijk bestuur verzocht om conform artikel 215 van het ANBO reglement een commissie van goede diensten in te stellen die zou moeten bemiddelen tussen landelijk bestuur en het gewestbestuur. Bij brief van 14 mei 2012 heeft het landelijk bestuur geantwoord dat is besloten om geen medewerking te verlenen aan de instelling van een dergelijke commissie omdat het gewestbestuur stelselmatig verzoeken voor een gesprek over de situatie in het gewest Overijssel van de hand heeft gewezen.

2.27. Per brief van 31 mei 2012 heeft het Landelijk Bestuur de geschorste gewestbestuurders, onder wie [eisers c.s.] en hun medebestuurslid [L] (hierna: [L]) op de hoogte gesteld van het besluit hen te ontzetten uit het lidmaatschap. Ter toelichting op het besluit staat in de brief het volgende:

“[…] Aan het besluit van het landelijk bestuur liggen – onder meer – de navolgende overwegingen ten grondslag:

Overwegingen

ANBO is één, ondeelbare, landelijke vereniging. Gewesten en afdelingen zijn organisatorische onderdelen van ANBO (art. 12 Statuten). Het gewestbestuur dient te handelen met inachtneming van de Statuten, reglementen, besluiten van de Verenigingsraad, besluiten van de Gewestvergadering en richtlijnen en instructies van het landelijk bestuur (art. 5 lid 2 Statuten en art. 310 Reglement Gewesten). Het handelen van het Gewestbestuur Overijssel is regelmatig in strijd gebleken met de Statuten en landelijke reglementen en richtlijnen. Het Landelijk Bestuur licht dit toe.

1. Samenwerkingsverband met SENtrum

Het Gewestbestuur heeft een samenwerkingsovereenkomst betreffende SENtrum en de werkmaatschappij BOO ondertekend op 8 december 2008. Deze handelswijze is in strijd met het op 10 oktober 2008 genomen bestuursbesluit van het Landelijk Bestuur (bekrachtigd door de Verenigingsraad), inhoudende dat ANBO niet meer deelneemt in geïnstitutionaliseerde samenwerkingsvormen.

Voornoemd besluit is meerdere malen – onder meer tijdens het overleg tussen het Landelijk Bestuur, de directeur en het Gewestbestuur Overijssel van 7 maart 2011 – uitdrukkelijk ter kennis gebracht van het Gewestbestuur. Het aangaan van de samenwerking met SENtrum door het Gewestbestuur levert derhalve strijd op met art. 310 lid 4 en 311 lid 2 van het Reglement Centrale Organisatie en artikel 5 lid 2 van de Statuten. Het landelijk bestuur heeft het gewestbestuur hierop gewezen en verzocht om zich alsnog terug te trekken uit het samenwerkingsverband. Het gewestbestuur heeft geen gehoor gegeven aan dit verzoek.

2. Ontoereikende financiële verslaglegging

De financiële verslaglegging van het gewest Overijssel is niet transparant en voldoet in zijn algemeenheid niet aan de wettelijke (art. 2:10 BW) en statutaire (art. 25 lid 3) vereisten. Meer specifiek is het financieel beleid van het Gewestbestuur in strijd met art. 317 lid 1 van het Reglement Centrale Organisatie. Het landelijk bestuur heeft in dit verband onder meer de volgende omissies geconstateerd:

· –

Het gewest Overijssel heeft met haar beide medewerksters, mevrouw [G] en mevrouw [F] jarenlang jaarlijks rond de EUR 100.000,- aan salariskosten als kostenpost gehad. Deze kostenpost is niet zichtbaar gemaakt in de jaarcijfers. De salariskosten staan ten onrechte als kantoorkosten te boek, met alle mogelijke (fiscale) consequenties van dien.

· –

De inkomstenbron “Subsidie” is niet vermeld in de financiële cijfers, zo constateerde de accountant. De begroting en de balans van ANBO gewest Overijssel geven geen inzicht in de inkomsten, kosten of risico’s die samenhangen met de deelneming in het SENtrum of beheersorganisatie BOO, waar onder huurkosten.

De hiervoor omschreven gang van zaken kan niet alleen fiscaal laakbaar zijn, maar op deze wijze is bovendien niet inzichtelijk welke inkomsten en uitgaven er zijn en worden ook uit de cijfers de financiële risico’s niet zichtbaar. Met alle mogelijke gevolgen van dien. Het Landelijk Bestuur acht dit niet acceptabel.

3. Onduidelijke afspraken met medewerkers

Het Landelijk Bestuur is voorts gebleken dat er geen heldere afspraken zijn gemaakt met beide, hiervoor genoemde medewerkers van het Gewestbestuur. Beide medewerkers verrichten al lange zeer lange tijd werkzaamheden voor ANBO.

Hoewel het destijds de bedoeling was dat mevrouw [G] haar werkzaamheden zou verrichten als ZZP’er, is de samenwerking niet vastgelegd in een overeenkomst. Ook heeft het gewestbestuur in de 14 jaar dat zij werkzaamheden verrichte, slechts tweemaal om een VAR-verklaring verzocht. Hierdoor bestaat een groot risico dat – in weerwil van hetgeen door het landelijk bestuur beoogd – de samenwerking met mevrouw [G] met terugwerkende kracht zou kunnen worden aangemerkt als arbeidsovereenkomst. Ook fiscaal is deze gang van zaken zeer risicovol, aangezien er loonbelasting had moeten worden afgedragen indien de relatie met mevrouw [G] in fiscaal opzicht als arbeidsovereenkomst kan worden bestempeld.

Ook de relatie met mevrouw [F] is niet voldoende vastgelegd. ANBO heeft de arbeidsovereenkomst van mevrouw [F] opgezegd op 19 oktober 2011. Op grond van de CAO maakte mevrouw [F] aanspraak op een eenmalige beëindigingsvergoeding. ANBO heeft die vergoeding aan haar uitgekeerd. Op 20 december 2011 informeerde mevrouw [F] ANBO dat de Stichting dienstverlening maatschappelijke belangenorganisaties Overijssel (‘BOO’) haar intussen een dienstverband had aangeboden. Hoewel dit gegeven voor ANBO van groot belang was (onder meer met het oog op de uitbetaalde beëindigingsvergoeding), heeft het Gewestbestuur nagelaten om het Landelijk Bestuur hiervan op de hoogte te stellen.

De hiervoor omschreven gang van zaken heeft de nodige schade opgeleverd. Door de ontstane onduidelijkheid en het risico dat de arbeidsrelaties als arbeidsovereenkomst zou worden gekwalificeerd, heeft ANBO uiteindelijk toezeggingen moeten doen met betrekking tot betaling van loon en een beëindigingsvergoeding. ANBO heeft reeds door deze gang van zaken schade geleden.

De hiervoor omschreven schade wordt mogelijkerwijs nog vergroot, doordat het Gewestbestuur Overijssel de gemaakte afspraken met betrekking tot de betaling van loon en de beëindigingsvergoeding niet is nagekomen. Mogelijkerwijs zullen deze kosten uiteindelijk ten laste komen van de landelijke vereniging.

Meermalen is het gewestbestuur verzocht om inzicht te geven in aangegane financiële verplichtingen en mogelijke risico’s die daaraan verbonden zijn. Het gewestbestuur heeft aan die – alleszins redelijke – verzoeken niet voldaan, hetgeen strijd oplevert met art. 310 lid 4 en art. 311 lid 2 van het Algemeen Reglement.

Tijdens onderhavige ontzettingprocedure is ten slotte gebleken dat het Gewestbestuur aan diverse afdelingen binnen het gewest Overijssel het voorstel heeft gedaan om gelden die toebehoren aan ANBO over te maken naar de privérekening van bestuurder [eiser sub 1]. Inmiddels heeft het Landelijk Bestuur vernomen dat verschillende afdelingen daadwerkelijk gelden hebben overgemaakt op de privérekening van de heer [eiser sub 1]. Voornoemd voorstel (“besluit” in de zin van artikel 2:14 BW), druist in tegen artikel 25 lid 2 van de statuten. Dit voorstel wordt door het Landelijk Bestuur hoogst verwijtbaar en bezwaarlijk geacht.

Besluit

Uit het voorgaande, zowel los van elkaar als in hun onderlinge samenhang bekeken, volgt onomstotelijk dat het Gewestbestuur in strijd heeft gehandeld met de wet, de Statuten, de reglementen, de doelstellingen van ANBO en met bindende besluiten van het Landelijk Bestuur. Niet alleen heeft het Gewestbestuur de vereniging ANBO hiermee benadeeld en schade berokkend (waarbij onder meer zij verwezen naar punten hierboven); ook heeft hij de bestuursleden van het Landelijk Bestuur hiermee willens en wetens blootgesteld aan het risico van persoonlijke aansprakelijkheid. Dit is onaanvaardbaar, en voor het Landelijk Bestuur voldoende reden om de bestuursleden van het Gewestbestuur op grond van art. 10 Statuten uit het lidmaatschap te ontzetten. […]”

2.28. [eisers c.s.] en [L] hebben bij de geschillencommissie van ANBO beroep ingesteld tegen het besluit van 31 mei 2012. Op 13 augustus 2012 zijn zij door de geschillencommissie gehoord. Bij brief van 30 augustus 2012 heeft ANBO een verweerschrift bij de geschillencommissie ingediend. Op 4 september 2012 is het landelijk bestuur door de geschillencommissie gehoord. Bij brief van 5 september 2012 hebben [eiser sub 1] en [eiser sub 2] de geschillencommissie primair verzocht het verweerschrift buiten behandeling te laten aangezien dat was ingediend nadat [eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3] waren gehoord. Subsidiair hebben zij verzocht op het verweerschrift te mogen reageren. Vervolgens heeft de geschillencommissie [eiser sub 1] en [eiser sub 2] toegestaan om op het verweerschrift te reageren. Nadat [eiser sub 1] en [eiser sub 2] een schriftelijke reactie op het verweerschrift hebben ingediend is namens ANBO bij brief van 26 oktober 2012 een dupliek ingediend. Hierna heeft de geschillencommissie [eiser sub 1] en [eiser sub 2] nog in de gelegenheid gesteld een ‘laatste woord’ te geven, waarna zij elk in een brief hun visie op de situatie hebben gegeven.

2.29. Bij uitspraak van 26 november 2012 heeft de geschillencommissie (…het)  beroep van [eisers c.s.] is ongegrond verklaard. In de uitspraken van de geschillencommissie met betrekking tot [eisers c.s.] is dit als volgt gemotiveerd (de rechtbank citeert uit de uitspraak in het beroep van [eiser sub 1] maar de motivering met betrekking tot [eiser sub 2] en [eiser sub 3] is gelijkluidend):

“[…] De Commissie is van oordeel dat de overtreding van statuten, reglementen, besluiten of benadeling van ANBO door het Landelijk Bestuur voldoende is geconcretiseerd met het benoemen van de overwegingen die aan het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap ten grondslag hebben gelegen. Daarbij merkt de commissie op dat uit de stukken en verklaringen blijkt dat aan de woorden “ onder meer” uit de zinsnede “Aan het besluit van het Landelijk Bestuur liggen – onder meer – de navolgende overwegingen ten grondslag:” door het Landelijk Bestuur concrete invulling is gegeven door een verwijzing naar een al langer bestaande conflictsituatie tussen de leden van het bestuur van het gewest Overijssel en het Landelijk Bestuur.

[…] De Commissie is voorts van oordeel dat [eiser sub 1] er niet in is geslaagd aan te tonen dat de door het Landelijk Bestuur aangevoerde feiten en omstandigheden die aan het besluiten grondslag liggen onjuist zijn en/of het besluit niet kunnen dragen. De heer [eiser sub 1] heeft erkend dat er sprake is van een conflictsituatie met het Landelijk Bestuur vanaf in elk geval 22 maart 2012. Anders dan de heer [eiser sub 1] stelt, is de Commissie van oordeel dat het conflict niet volledig is te wijten aan het Landelijk Bestuur, maar dat de leden van het bestuur van het gewest Overijssel ook een wezenlijk aandeel in dit conflict hebben. Hoewel er naar het oordeel van de commissie sprake is van grote tegenstrijdigheden in de verklaringen is het de Commissie duidelijk geworden dat het conflict al langer dan 2012 speelt en dat dit door het besluit tot schorsing is geëscaleerd. Gelet op de acties en verklaringen van de heer [eiser sub 1] mag redelijkerwijs niet verwacht worden dat partijen in de toekomst nog gezamenlijk het ANBO belang kunnen dienen.

Gelet op het vooraanstaande is de Commissie van oordeel dat de feiten en omstandigheden het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap van de heer [eiser sub 1] kunnen dragen. Voor zover van belang stelt de Commissie dat niet is komen vast te staan dat de beslissing gelet op alle aanwezige omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. […]”

2.30. In een e-mail van 27 november 2012 van [C] aan alle gewestbesturen en afdelingsbesturen van ANBO staat het volgende:

“[…] Beste gewestbesturen en afdelingsbesturen,

De geschillencommissie van ANBO heeft gisteren uitspraak gedaan inzake het royement van enkele leden van het oud-gewestbestuur van Overijssel. Het beroep dat drie van de vier oud-gewestbestuurders ([eiser sub 1], [eiser sub 2] en [eiser sub 3]) aanspanden tegen hun royement is door de geschillencommissie ongegrond verklaard. Het Landelijk Bestuur en de Directie hebben correct gehandeld toen zij beslisten tot ontzetting uit het lidmaatschap.

De oud-gewestbestuurders is door het Landelijk Bestuur verweten dat zij handelden in strijd met de statuten. Ook was er in het gewest Overijssel sprake ontoereikende financiële verslaglegging en maakten zij onduidelijke afspraken met medewerkers, met financiële schade voor ANBO als gevolg. Een vierde verwijt is dat de oud-gewestbestuurders het toegestaan hebben om ANBO-afdelingen te vragen ANBO-geld over te maken naar een privérekening van een gewestbestuurder. Hiermee hebben de oud-bestuurders onaanvaardbare risico’s genomen, en ANBO financieel benadeeld. Ten slotte is het conflict geëscaleerd door veelvuldig de media op te zoeken, waardoor ANBO imagoschade heeft opgelopen. […]”

2.31. De statuten van ANBO bevatten, voor zover in deze procedure relevant, de volgende bepalingen:

“[…] Artikel 5 […]
2. De leden zijn gebonden aan de statuten, de reglementen en de besluiten van de bevoegde organen van de ANBO. […]

Artikel 25 […]
2. Alle geldmiddelen en eigendommen van de ANBO, met inbegrip van die, welke in de praktijk worden beheerd door afdelingen of gewesten, horen toe aan de ANBO en worden beheerd door of namens het Landelijk Bestuur.
3. Nadere regels over het beheer van en controle op de geldmiddelen en eigendommen van de ANBO worden gegeven in de reglementen. […]

Artikel 28
1. De ANBO heeft een Geschillencommissie. Deze heeft tot taak te beslissen in alle gevallen waarin op grond van de statuten en reglementen beroep bij de commissie wordt ingesteld. […]
3. Nadere regels zijn opgenomen in het Reglement Centrale Organisatie. […]”

2.32.
Het Algemeen Reglement van ANBO bevat, voor zover in deze procedure relevant, de volgende bepalingen:

“[…] Artikel 105
1. Tot ontzetting uit het lidmaatschap kan slechts worden besloten door het Landelijk Bestuur. […]
4. Het Landelijk Bestuur kan op eigen initiatieven ontzetting uit het lidmaatschap procedure in gang zetten. Het betrokken lid wordt daarvan per brief met ontvangstbevestiging in kennis gesteld.

Artikel 106

1. Met ingang van de dag waarop het lid de in artikel 105 lid 3 of lid 4 bedoelde brief door het lid is ontvangen, is hij als lid geschorst.
2. Schorsing betekent onmiddellijke opschorting van alle rechten en plichten binnen de ANBO.
3. Bestuursfuncties, commissielidmaatschappen en ANBO-vertegenwoordigingen worden voor de duur van de schorsing door anderen waargenomen.
4. De schorsing eindigt wanneer over het voorstel of het voornemen tot ontzetting uit het lidmaatschap onherroepelijk is beslist, alsmede wanneer de termijn genoemd in artikel 107 lid 2 of lid 3 is overschreden.

Artikel 107
1. Het geschorste lid kan tot één maand na ontvangst van boven bedoelde brief schriftelijk bezwaren inbrengen tegen het voorstel of het voornemen tot ontzetting uit het lidmaatschap. Indien hij dit niet binnen deze termijn doet, kan het Landelijk Bestuur tot ontzetting uit het lidmaatschap besluiten.
2. Indien hij binnen de gestelde termijn wel bezwaar maakt, stelt het Landelijk Bestuur binnen een maand hem en de besturen van de afdeling en van het gewest in de gelegenheid door drie Landelijk Bestuursleden te worden gehoord.
3. Het Landelijk Bestuur beslist binnen een maand nadat de hoorzitting heeft plaatsgevonden, over de ontzetting uit het lidmaatschap. Het brengt zijn beslissing schriftelijk en gemotiveerd per brief met ontvangstbevestiging ter kennis van alle betrokkenen.
4. Gedurende een maand na ontvangst van die beslissing kan daartegen beroep bij de Geschillencommissie worden ingesteld. […]”

2.33.
Het Reglement Centrale Organisatie van ANBO bevat, voor zover in deze procedure relevant, de volgende bepalingen:

“[…] Artikel 210
Het Landelijk Bestuur is belast met de algemene leiding van de ANBO en met het behartigen van de belangen van ouderen op landelijk niveau. Daartoe hoort het onderhouden van contacten met externe betrekkingen op landelijk niveau, het verlenen van steun aan gewesten, het voorbereiden van de bijeenkomsten van de Verenigingsraad, het vaststellen van instructies en richtlijnen, het toezien op de naleving van de statuten, reglementen en instructies alsmede het beheer van de financiële en andere middelen. […]

Artikel 215
1. In een geschil binnen het Landelijk Bestuur of tussen het landelijk bestuur en het gewest wordt bemiddeld door een daarvoor in te stellen commissie van Goede Diensten bestaande uit drie personen.
2. Ter samenstelling van de commissie benoemt elk der partijen een commissielid en deze commissieleden benoemen gezamenlijk het derde lid.
3. Mocht de bemiddeling geen oplossing bieden dan doet de commissie een bindende uitspraak. […]

GESCHILLENCOMMISSIE

[…]

Artikel 221

1. Indien de commissie de klacht wel ontvankelijk acht, hoort zij, binnen twee maanden na ontvangst ervan, alle bij het geschil betrokken personen en organen. Deze kunnen zich daarbij, op eigen kosten, door een raadsman laten bijstaan.
2. De commissie kan getuigen oproepen en is daartoe verplicht indien een bij het geschil betrokken persoon of orgaan dat verzoekt. […]

Artikel 222
1. De commissie beslist binnen twee weken na de laatste hoorzitting.
2. Binnen twee weken daarna maakt zij haar beslissing bekend aan alle bij het geschil betrokken personen en organen. Dit dient te geschieden per brief met ontvangstbevestiging.
3. De beslissing van de commissie is bindend. […]”

2.34.
Het Reglement Gewesten van ANBO bevat, voor zover in deze procedure relevant, de volgende bepalingen:
“[…] Artikel 310 […]
4. Het gewestbestuur handelt met inachtneming van statuten, reglementen, besluiten van de Verenigingsraad, besluiten van de gewestvergadering en richtlijnen en instructies van het Landelijk Bestuur.

Artikel 311 […]
2. Het gewestbestuur verstrekt de inlichtingen en verricht de werkzaamheden die het Landelijk Bestuur in het belang van de ANBO noodzakelijk acht. […]

Artikel 315
1. De gewestvergadering kan een lid van het gewestbestuur ontslaan, hetzij op voorstel van het landelijk bestuur, van het gewestbestuur of van een afdelingsvergadering, hetzij op eigen initiatief. Het ontslagen bestuurslid legt onmiddellijk zijn functie neer.

2. Een voorstel tot ontslag dient, schriftelijk en met redenen omkleed, uiterlijk één maand voor de bijeenkomst van de gewestvergadering waarin daarover moet worden beslist, in het bezit te zijn van het secretariaat van het gewestbestuur. Dit zendt een afschrift van het voorstel terstond, per brief met ontvangstbevestiging, aan het betrokken bestuurslid toe.

3. Het landelijk bestuur of het gewestbestuur kan, gelet op een voorstel tot ontslag, het betrokken bestuurslid als zodanig schorsen totdat de gewestvergadering over het voorstel heeft beslist. […]

Artikel 317
1. Het gewestbestuur voert een dusdanige administratie en boekhouding, dat daaruit te allen tijde de vermogenspositie, de vorderingen en de schulden blijken. […]”

3 Het geschil

3.1. [eisers c.s.] vorderen na eiswijziging – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I · – primair: het besluit van het bestuur van ANBO van 31 mei 2012 tot ontzetting van [eisers c.s.] vernietigt
· – subsidiair: het besluit van de geschillencommissie van 26 november 2012 vernietigt
II ANBO beveelt om binnen één dag na betekening van het in deze te wijzen vonnis alle leden van ANBO door middel van een schriftelijke en ondertekende mededeling te berichten over de vernietiging van de besluiten tot ontzetting uit het lidmaatschap en over de onterechte schorsing van [eisers c.s.] als gewestbestuurders van het gewest Overijssel, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor elke dag of gedeelte van een dag, dat ANBO na betekening van het in deze te wijzen vonnis in de nakoming van dit bevel in gebreke is
III ANBO veroordeelt in de kosten van dit geding en daarbij het nasalaris begroot op
€ 131,- zonder betekening en € 205,- met betekening van het ten deze te wijzen vonnis, vermeerderd met de wettelijke rente hierover vanaf 14 dagen na het wijzen van het vonnis.

3.2. Aan deze vorderingen leggen [eisers c.s.] ten grondslag dat het besluit van het bestuur van ANBO van 31 mei 2012 vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid in de zin van artikel 2:15 BW in verbinding met artikel 2:8 BW.

3.3. ANBO voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring van [eisers c.s.] in hun vorderingen, althans tot ontzegging daarvan, met veroordeling in de kosten van deze procedure (uitvoerbaar bij voorraad), met de bepaling dat [eisers c.s.] de nakosten en de wettelijke rente over de proceskosten verschuldigd zullen zijn indien zij deze niet binnen 14 dagen na het wijzen van het vonnis hebben betaald.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling

Beslissing van de geschillencommissie

4.1. Op grond van artikel 35 lid 4 BW staat tegen een bestuursbesluit tot ontzetting beroep open op een bij de statuten aangewezen orgaan of een derde. In verband hiermee heeft ANBO in artikel 28 van haar statuten de geschillencommissie in het leven geroepen (zie 2.31). Op grond van artikel 107 lid 4 van het Algemeen Reglement hebben [eisers c.s.] beroep ingesteld tegen het besluit tot ontzetting van het landelijk bestuur van 31 mei 2012 (zie 2.32).

4.2. Aanvankelijk bepaalde artikel 2:35 lid 2 (oud), thans lid 4, voor ontzetting dat de uitspraak van de beroepsinstantie voor partijen de kracht heeft van een vaststelling door een vaststellingsovereenkomst. De term vaststellingsovereenkomst verwijst naar titel 15 van boek 7, waarbij in artikel 7.15.7 voor de bindende kracht en de mogelijkheden om de vaststelling aan te tasten bij de rechtspraak over het bindend advies is aangesloten. Omdat dat onderdeel van boek 7 BW nog geen wet was, is door middel van de Invoeringswet boek 2 de bepaling over de rechtskracht van de uitspraak in intern beroep tegen de ontzetting tijdelijk geschrapt. Blijkens de memorie van toelichting op het wetsvoorstel Invoeringswet boek 3, 5 en 6 (zesde gedeelte) [noot: Kst. 17725, 3, p. 72] was herstel, juist gelet op artikel 7.15.7 lid 1, niet nodig. Gelet hierop gaat de rechtbank er vanuit dat op de beslissing van de geschillencommissie de wettelijke regeling voor de vaststellingsovereenkomst van toepassing is. 


4.3. Artikel 7.15.7 lid 1 is thans vervat in artikel 7:906 lid 1 BW. Laatstgenoemd artikel houdt in dat de bepalingen van titel 7.15 betreffende de vaststellingsovereenkomst overeenkomstige toepassing vinden wanneer een vaststelling haar rechtsgrond elders dan in een overeenkomst vindt. Ingevolge artikel 7:906 lid 1 BW in verbinding met artikel 7:904 lid 1 BW is de beslissing van een derde (zoals de geschillencommissie) vernietigbaar indien gebondenheid hieraan in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Aangezien op het besluit van het landelijk bestuur hoger beroep bij de geschillencommissie is gevolgd en op de beslissing van de geschillencommissie artikel 7:906 lid 1 BW van toepassing is zal de rechtbank hierna die beslissing beoordelen aan de hand van de hiervoor in artikel 7:904 lid 1 BW weergegeven toetsingsmaatstaf.

4.4. Ten aanzien van de wijze van totstandkoming van de beslissing van de geschillencommissie geldt dat de fundamentele beginselen van procesrecht in beginsel moeten worden gehonoreerd. Dit brengt onder meer mee dat de beslissing voldoende moet worden gemotiveerd. De geschillencommissie heeft haar beslissing tot ongegrondverklaring van het beroep gemotiveerd door – samengevat – te overwegen dat (zie 2.29):

a. het landelijk bestuur de door haar gestelde overtreding door [eisers c.s.] van de statuten, reglementen, besluiten of benadeling van ANBO voldoende heeft geconcretiseerd met het benoemen van de overwegingen die aan het besluit tot ontzetting ten grondslag hebben gelegen

b. [eisers c.s.] er niet in zijn geslaagd aan te tonen dat de door het landelijk bestuur aangevoerde feiten en omstandigheden die aan het besluit ten grondslag liggen onjuist zijn en/of het besluit niet kunnen dragen

c. sprake was van een al langer durend conflict tussen landelijk bestuur en [eisers c.s.], in welk conflict [eisers c.s.] ook een wezenlijk aandeel hadden, en gelet op de acties en verklaringen van [eisers c.s.] redelijkerwijs niet verwacht mag worden dat partijen in de toekomst nog gezamenlijk het ANBO belang kunnen dienen.

4.5. Hiermee voldoet de beslissing van de geschillencommissie niet aan het vereiste van voldoende motivering. Dit wordt als volgt toegelicht.

4.6. Ontzetting is een zware maatregel en kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt (artikel 2:35 lid 3 BW). De geschillencommissie moest beoordelen of het landelijk bestuur in redelijkheid op één of meer van deze gronden het besluit tot ontzetting heeft kunnen nemen en of de besluitvorming in overeenstemming met de regels tot stand is gekomen. In een uitspraak van een beroepsinstantie waarin het beroep ongegrond wordt verklaard moet inzichtelijk worden gemaakt hoe tot het oordeel is gekomen dat aan deze maatstaf is voldaan. 

Het uitgangspunt voor de beoordeling door de geschillencommissie is de motivering in de brief van 31 mei 2012 van het landelijk bestuur van de gronden die aan het besluit tot ontzetting ten grondslag hebben gelegen. [eisers c.s.] zijn in hun beroepschrift uitvoerig ingegaan op die gronden en hebben betoogd dat die gronden onjuist zijn en ANBO heeft daarop vervolgens schriftelijk gereageerd.

4.7. Het voorgaande brengt mee dat de geschillencommissie met betrekking tot de beoordeling van de vraag of het landelijk bestuur in redelijkheid het besluit tot ontzetting heeft kunnen nemen in haar uitspraak inhoudelijk had moeten ingaan op de gronden voor ontzetting en de toelichting daarop van het landelijk bestuur, alsmede op de reactie van [eisers c.s.]. De geschillencommissie heeft dat echter nagelaten. Gelet op de toepasselijke toetsingsmaatstaf is de geschillencommissie er voorts ten onrechte van uitgegaan dat [eisers c.s.] moesten aantonen dat de door het landelijk bestuur aangevoerde feiten en omstandigheden die aan het besluit tot ontzetting ten grondslag liggen onjuist zijn en/of het besluit niet kunnen dragen.

4.8. De uitspraak van de geschillencommissie suggereert dat de conflictsituatie tussen het landelijk bestuur en gewestbestuur doorslaggevend is geweest bij haar oordeelsvorming. Hoewel dat conflict mee kan wegen bij de beoordeling van de vraag of het landelijk bestuurd in redelijkheid het besluit tot ontzetting heeft kunnen nemen levert een dergelijk conflict op zichzelf echter geen grond voor ontzetting op. De reglementen van ANBO bevatten voor die situatie andere, minder verstrekkende mogelijkheden, zoals het instellen ven een commissie van Goede Diensten en een voorstel van het landelijk bestuur aan de gewestvergadering tot ontslag van de gewestbestuurders. Voor zover de geschillencommissie heeft bedoeld dat [eisers c.s.] met hun ‘acties en verklaringen’ de vereniging op onredelijke wijze hebben benadeeld valt dit niet te lezen in de motivering van de geschillencommissie. Bovendien had het dan op de weg gelegen van de geschillencommissie om te verduidelijken op welke acties en verklaringen zij het oog had.

4.9. De hierboven besproken gebreken in de motivering van de uitspraak van de geschillencommissie zijn dermate fundamenteel, dat gebondenheid aan de beslissing van de geschillencommissie in verband met de wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De rechtbank zal die uitspraak dan ook vernietigen.

Besluit tot onzetting

4.10. In het tweede lid van artikel 7:904 BW is bepaald dat indien de beslissing van een derde, zoals de geschillencommissie, vernietigd wordt, de rechter een beslissing kan geven, tenzij uit de overeenkomst of de aard van de beslissing voortvloeit dat zij op andere wijze moet worden vervangen. Aangezien niet gesteld of gebleken is dat de uitspraak van de geschillencommissie in het geval van vernietiging op een andere wijze moet worden vervangen, zal de rechtbank zelf een beslissing geven. Om tot een beslissing te komen zal de rechtbank, net als de geschillencommissie, met inachtneming van artikel 2:35 lid 3 BW moeten beoordelen of het landelijk bestuur in redelijkheid het besluit tot ontzetting heeft kunnen nemen. Daarbij zal de rechtbank tevens betrekken hetgeen door partijen is aangevoerd in de op de beroepsprocedure bij de geschillencommissie betrekking hebbende stukken, voor zover die stukken aan de rechtbank zijn overgelegd.

Samenwerkingsverband SENtrum-BOO

4.11. Sinds 1989 werkte ANBO in het gewest Overijssel samen met twee andere ouderenbonden door middel van een stichting. In 2002 is deze samenwerking met goedkeuring van het landelijk bestuur geïntensiveerd. De naam van de stichting is toen gewijzigd in SENtrum. Op 10 oktober 2008 heeft het landelijk bestuur het, door de verenigingsraad bekrachtigde, besluit genomen dat ANBO niet meer zou deelnemen in geïnstitutionaliseerde samenwerkingsvormen (dit blijkt uit de brief van het landelijk bestuur van 31 mei 2012, grond 1 voor ontzetting, zie 2.27). Uit het verslag van de bespreking tussen partijen van 6 maart 2011 blijkt dat dit besluit destijds ter kennis is gebracht van het gewestbestuur (zie 2.11). Op 8 december 2008 heeft SENtrum met twee andere belangenbehartigers een intentieovereenkomst ondertekend die heeft geleid tot de oprichting van BOO.

4.12. Als grond voor ontzetting heeft het landelijk bestuur aangevoerd dat het gewestbestuur in strijd met voornoemd besluit van 10 oktober 2008 op 8 december 2008 een samenwerkingsovereenkomst betreffende SENtrum en BOO heeft ondertekend. De rechtbank gaat er van uit dat met deze samenwerkingsovereenkomst de intentieovereenkomst van 8 december 2008 wordt bedoeld. Terecht hebben [eisers c.s.] aangevoerd dat het gewestbestuur die intentieovereenkomst niet heeft ondertekend. De ondertekenaars waren [M], de toenmalige voorzitter van SENtrum, namens SENtrum en twee andere personen namens de Stichting Zorgbelang Overijssel respectievelijk de vereniging Platform Mantelzorg Overijssel. Vast staat echter dat ANBO, vertegenwoordigd door het gewest Overijssel, een van de drie participanten was van SENtrum. Gelet op het besluit van het landelijk bestuur van 10 oktober 2008, waaruit het gewestbestuur had kunnen afleiden dat het landelijk bestuur de samenwerking met derden in het gewest Overijssel in ieder geval niet verder wilde uitbreiden, had het gewestbestuur zich moeten inspannen om het sluiten van de intentieovereenkomst van 8 december 2008 te voorkomen. Door dat niet te doen heeft het gewestbestuur gehandeld in strijd met artikel 5 lid 2 van de statuten (zie 2.31).

4.13. In de brief van 31 mei 2012 verwijt het landelijk bestuur het gewestbestuur ook dat het gewestbestuur is verzocht zich alsnog terug te trekken uit het samenwerkingsverband met BOO. Bij dagvaarding stellen [eisers c.s.] dat het landelijk bestuur tijdens een bespreking op 10 augustus 2011 kenbaar heeft gemaakt dat zij de samenwerking accepteert. Aangezien ANBO dit niet heeft weersproken gaat de rechtbank uit van de juistheid van die stelling, zodat voornoemd verwijt ten onrechte aan het gewestbestuur is gemaakt.

Financiële verslaglegging

4.14. Ter onderbouwing van de grond voor ontzetting dat het gewestbestuur in strijd heeft gehandeld met artikel 25 lid 3 van de statuten (zie 2.31) en artikel 317 lid 1 van het Reglement Centrale Organisatie (zie 2.34) heeft ANBO de brief van haar interimmanager financiën [I] van 29 maart 2012 overgelegd (zie 2.22. Hieruit blijkt dat de ontvangen subsidie en de salarisbetalingen aan [F] gesaldeerd zijn geboekt waardoor beide posten niet in de exploitatierekening te zien waren, als gevolg waarvan ruim € 50.000,- buiten de jaarrekening zou worden gelaten. Volgens [I] is dit onzorgvuldig. Voorts blijkt uit die brief dat de betalingen die werden verricht aan [G] voor haar werkzaamheden als ZZP-er ten onrechte zijn verantwoord als kantoorkosten.

4.15. Met betrekking tot de subsidie en het salaris van [F] voeren [eisers c.s.] aan dat de door de provincie verstrekte gelden geen subsidie meer waren maar betalingen voor projectvoorstellen, en dat [F] in het goedgekeurde jaarverslag over 2011 wel vermeld is. Naar aanleiding hiervan overweegt de rechtbank dat, ook indien de door de provincie verstrekte gelden niet meer kwalificeren als subsidies, [I] wel de van de provincie Overijssel ontvangen gelden moet hebben bedoeld, terwijl [eisers c.s.] de door hem geconstateerde gesaldeerde boeking niet hebben weersproken.

4.16. Ten aanzien van [G] voeren [eisers c.s.] aan dat de aan haar verrichte betalingen zijn verwerkt als administratiekosten. Onder verwijzing naar het door hen als productie 30 overgelegde jaarverslag 2011 van ANBO stellen zij dat bij de administratiekosten duidelijk vermeld is dat het om het salaris van [G] gaat. In dat jaarverslag is echter geen verwijzing naar [G] te vinden.

4.17. Uit het voorgaande volgt dat de administratie van het gewest Overijssel in het jaar 2011 op twee niet onbelangrijke onderdelen gebreken vertoonde. Daarmee staat vast dat [eisers c.s.] artikel 317 lid 1 van het Reglement Gewesten hebben geschonden.

Afspraken met medewerkers

[G]

4.18. In de brief van 31 mei 2012 heeft het landelijk bestuur als grond voor ontzetting aangevoerd dat de samenwerking met [G] niet is vastgelegd in een overeenkomst en dat het gewestbestuur in de 14 jaar dat [G] werkzaamheden verrichtte slechts tweemaal om een VAR-verklaring heeft verzocht. Dit is een Verklaring Arbeidsrelatie die de belastingdienst op verzoek van een belastingplichtige verstrekt, waarin de belastingdienst aangeeft of zij inkomsten van die belastingplichtige beoordeelt als winst uit onderneming, als inkomsten uit dienstverband of als resultaat uit overige werkzaamheden. Door de samenwerking met [G] niet vast te leggen in een overeenkomst en doordat het gewestbestuur slechts tweemaal aan [G] heeft gevraagd een VAR-verklaring over te leggen bestaat volgens het landelijk bestuur het risico dat de samenwerking met [G] met terugwerkende kracht zou kunnen worden aangemerkt als een arbeidsovereenkomst. Hierdoor heeft het gewestbestuur volgens het landelijk bestuur de vereniging ANBO benadeeld en schade berokkend en de bestuursleden van het landelijk bestuur willens en wetens blootgesteld aan het risico van persoonlijke aansprakelijkheid.

4.19. Volgens [eisers c.s.] zijn VAR-verklaringen niet verplicht, had het gewestbestuur met betrekking tot die verklaringen geen formele rol omdat niet zij, maar het landelijk bestuur een overeenkomst van opdracht met [G] is aangegaan en hebben zij op verzoek van het landelijk bestuur VAR-verklaringen overgelegd aan het verenigingsbureau. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

4.20. Aan het eind van de jaren 90 van de vorige eeuw heeft het toenmalige gewestbestuur (waarvan [eisers c.s.] geen deel uitmaakten) [G] als ZZP-er ingeschakeld voor het verrichten van werkzaamheden. Die samenwerking is toen niet schriftelijk vastgelegd. [C] heeft begin 2008 een inventarisatie laten maken van alle freelancers waarvan door de gewesten gebruik werd gemaakt en heeft het gewestbestuur toen gewezen op de fiscale en arbeidsrechtelijke risico’s voor de vereniging die verbonden zijn aan het inschakelen van freelancers (zie 2.8). In die brief heeft zij gevraagd om VAR-verklaringen van eventuele freelancers die voor het gewest Overijssel werkzaam waren aan haar te verstrekken. De rechtbank gaat er van uit dat het landelijk bureau (mogelijk eerder maar in ieder geval) naar aanleiding van die inventarisatie door het toenmalige gewestbestuur op de hoogte is gesteld van het feit dat het gewest Overijssel gebruik maakte van de diensten [G] en van het ontbreken van een schriftelijke overeenkomst met [G]. Uit de brief van [A] van 12 april 2011 blijkt immers dat het landelijk bestuur op de hoogte was van de samenwerking met [G]. Niet gesteld of gebleken is dat [C] of de afdeling personeelszaken van het verenigingsbureau er vervolgens op heeft aangedrongen dat alsnog een schriftelijk contract met [G] werd opgesteld, zodat dit verwijt aan het gewestbestuur geen hout snijdt.

4.21. In de brief van [A] aan het gewestbestuur van 12 april 2011 staat met betrekking tot [G] dat het, teneinde niet beoogde aansprakelijkheden te voorkomen, zaak is periodiek na te gaan of nog voldaan wordt aan de voorwaarden die verbonden zijn aan de VAR-verklaring en dat het landelijk bestuur dit in het kader van een risicoanalyse wilde nagaan (zie 2.12). Uit deze brief en de eerder genoemde brief van [C] blijkt dat [A] en [C] de gewesten niet hebben verboden gebruik te maken van ZZP-ers en zich hebben gerealiseerd dat het landelijk bestuur en het landelijk Bureau de hoofdverantwoordelijken waren voor het voorkomen van belastingaanslagen en arbeidsrechtelijke vorderingen ter zake van het gebruik door de gewesten van ZZP-ers. Indien zou komen vast te staan dat het gewestbestuur [G] slechts tweemaal heeft gevraagd een VAR-verklaring over te leggen ([eisers c.s.] betwisten dit) valt dan ook niet in te zien hoe [eisers c.s.] de vereniging daarmee op onredelijke wijze hebben benadeeld. Niet gesteld of gebleken is immers dat het niet mogelijk was voor het landelijk bureau om, indien het landelijk bestuur of [C] dat nodig vond, rechtstreeks bij [G] aan te dringen op het periodiek overleggen van een VAR-verklaring.

4.22. In de brief van 31 mei 2012 verwijt het landelijk bestuur het gewestbestuur voorts dat het in strijd heeft gehandeld met de artikelen 310 lid 4 en 311 lid 2 van het Algemeen Reglement (bedoeld zal zijn het Reglement Gewesten). Volgens het landelijk bestuur is het gewestbestuur meermalen verzocht om inzicht te geven in aangegane financiële verplichtingen en mogelijke risico’s en heeft het gewestbestuur aan die verzoeken niet voldaan. Niet duidelijk is welk verwijt hiermee aan [eisers c.s.] werd gemaakt. In de aan de rechtbank overgelegde stukken terzake van de beroepsprocedure bij de geschillencommissie is dit punt niet ter sprake gekomen. In de processtukken en ter comparitie evenmin, zodat de rechtbank dit verwijt buiten beschouwing laat.

[F]

4.23. ANBO heeft door middel van een brief van 29 oktober 2011 de arbeidsovereenkomst met [F] opgezegd met ingang van 1 januari 2012. Op grond van de toepasselijke cao heeft ANBO [F] een bruto beëindigingsvergoeding van € 5.823,29 betaald. In december 2011 is ANBO er door een aan haar gestuurde e-mail van [F] van op de hoogte geraakt dat [F] per 1 januari 2012 in dienst trad bij BOO. Volgens [eisers c.s.] was het aanvankelijk al de bedoeling dat [F] per 1 januari 2011 in dienst zou treden bij BOO, deelden zij de vrees van [C] dat de provincie Overijssel zou kunnen overgaan tot beëindiging van het verstrekken van subsidies voor projecten en heeft het gewestbestuur zich er daarom voor ingespannen dat [F] met ingang van 1 januari 2012 daar aan de slag kon gaan. ANBO betoogt dat [eisers c.s.] haar voor 29 oktober 2011 op de hoogte hadden moeten stellen van het feit dat [F] op 1 januari 2012 bij BOO in dienst zou treden omdat ANBO, als zij dat had geweten, de arbeidsovereenkomst niet had hoeven te beëindigen en geen beëindigingsvergoeding verschuldigd was geweest. Dit is een terecht verwijt. Volgens [eisers c.s.] hebben zij door hun inspanningen om [F] onder te brengen bij BOO financiële risico’s voor ANBO weggenomen, maar zij hebben dit op geen enkele wijze onderbouwd. Voorts is niet gesteld of gebleken dat [eisers c.s.] er niet van op de hoogte waren dat het landelijk Bureau van plan was de arbeidsovereenkomst op te zeggen en ANBO in verband daarmee een beëindigingsvergoeding verschuldigd zou worden. Door het landelijk bureau niet van het nieuwe dienstverband van [F] op de hoogte te stellen hebben [eisers c.s.] ANBO dan ook benadeeld voor € 5.823,29.

Afdelingsgeld op privérekening van [eiser sub 1]

4.24. Als laatste grond voor ontzetting heeft het landelijk bestuur in de brief van 31 mei 2012 aangevoerd dat tijdens de ontzettingsprocedure is gebleken dat het gewestbestuur aan diverse afdelingen van het gewest Overijssel het voorstel had gedaan om gelden die toebehoren aan ANBO over te maken naar de privérekening van [eiser sub 1]. Voorts staat in die brief dat het landelijk bestuur inmiddels had vernomen dat verschillende afdelingen daadwerkelijk gelden naar die rekening hadden overgemaakt. Door dit voorstel te doen hebben [eisers c.s.] artikel 25 lid 2 van de statuten geschonden, aldus ANBO.

4.25. In het door ANBO overgelegde verslag van de bijeenkomst van de ANBO-afdelingen in Overijssel van 5 april 2012 staat dat de commissie die deze bijeenkomst heeft voorbereid aan de afdelingen het voorstel heeft gedaan om € 0,30 per lid over te maken naar de rekening van [eiser sub 1]. Dat dit voorstel afkomstig was van het gewestbestuur volgt hieruit niet en is ook overigens niet gebleken. Uit artikel 25 lid 2 van de statuten volgt dat (ook) afdelingen geld van ANBO beheerden. Uit voornoemd verslag blijkt dat een commissie van de afdelingen in het gewest Overijssel hun gewestbestuur financieel wilde ondersteunen om hen in staat te stellen het besluit tot ontzetting aan te vechten. Omdat het landelijk bestuur de bankrekening van het gewestbestuur in het kader van de schorsing van de gewestbestuurders had geblokkeerd heeft de commissie daarbij tevens het voorstel gedaan om die middelen over te maken naar een privérekening van [eiser sub 1]. Vervolgens hebben diverse afdelingen daadwerkelijk geld overgemaakt naar die rekening. Dat [eisers c.s.], door aan deze vorm van beheer van afdelingsgelden hun medewerking te verlenen, in strijd hebben gehandeld met artikel 25 lid 2 van de statuten, kan de rechtbank niet inzien.

Negatieve uitlatingen

4.26. In haar conclusie van antwoord voert ANBO als nieuwe grond voor ontzetting aan dat de gewestbestuurders ANBO hebben benadeeld doordat zij met diverse uitlatingen de vereniging op ernstige wijze in diskrediet hebben gebracht. In verband daarmee heeft zij krantenartikelen overgelegd van 5 juni 2012, 26 oktober 2012 en 14 november 2012 en een e-mailbericht van [E] aan de leden van ANBO in Overijssel van 6 juni 2012, zonder te specificeren welke uitlatingen daarin de vereniging volgens haar onredelijk hebben benadeeld. Deze krantenartikelen en het e-mailbericht dateren van ná 31 mei 2012, zodat zij niet aan het besluit tot ontzetting ten grondslag kunnen hebben gelegen. Reeds hierom moeten de daarin beschreven uitlatingen bij de beantwoording van de vraag of het landelijk bestuur in redelijkheid het besluit tot ontzetting heeft kunnen nemen buiten beschouwing blijven. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de in het krantenartikel van 5 juni 2012 geciteerde uitlatingen niet zijn gedaan door een lid van het gewestbestuur, zodat [eisers c.s.] daarvoor niet verantwoordelijk kunnen worden gehouden.

4.27. Voorts voert ANBO aan dat het gewestbestuur negatieve uitingen heeft gedaan tijdens contactdagen met afdelingen, zoals verwoord in een brief van het landelijk bestuur van 9 juni 2011 (zie 2.15). Ter zitting heeft [C] verklaard dat het gewestbestuur tijdens die vergaderingen over het landelijk bestuur en [C] heeft gezegd dat zij niet integer en dictatoriaal waren en dat [C] allerlei soloacties uitvoerde. De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat het landelijk bestuur in 2011 in deze uitlatingen geen aanleiding heeft gezien [eisers c.s.] te ontzetten. Uit de brief van 9 juni 2011 blijkt voorts dat het landelijk bestuur op 12 mei 2011 met het gewestbestuur heeft afgesproken dat het gewestbestuur deze negatieve uitingen zou rechtzetten, onder meer door tegenover de afdelingen van het gewest Overijssel uit te spreken dat het vertrouwen in [C] was hersteld. Ook blijkt uit die brief dat het landelijk bestuur, toen haar in juni 2011 was gebleken dat het gewestbestuur dit deel van de afspraak nog niet was nagekomen, het gewestbestuur heeft verzocht dat alsnog te doen. Niet gesteld of gebleken is dat het gewestbestuur dat verzoek vervolgens niet heeft ingewilligd. Voorts staat vast dat de hier aan de orde zijnde uitlatingen van het gewestbestuur in de brief van 31 mei 2012 niet zijn aangevoerd als grond voor ontzetting. Uit het voorgaande leidt de rechtbank af dat landelijk bestuur op 31 mei 2012 niet van mening was dat het gewestbestuur met die uitlatingen de vereniging ANBO onredelijk had benadeeld.

Samenvatting van de schendingen van statuten en reglementen respectievelijk benadelingen

4.28. Uit het bovenstaande volgt dat ANBO op 31 mei 2012 heeft kunnen concluderen dat [eisers c.s.] in hun hoedanigheid van gewestbestuurders in strijd hebben gehandeld met de statuten en reglementen wat betreft de oprichting van BOO en de financiële verslaglegging in 2011, en de vereniging ANBO hebben benadeeld door het niet op de hoogte stellen van het landelijk bureau van het nieuwe dienstverband van [F].

Beoordeling van het gewicht van de schendingen en de benadeling

4.29. In het kader van haar besluitvorming over eventueel jegens het gewestbestuur te nemen stappen naar aanleiding van deze schendingen van de statuten en reglementen respectievelijk benadeling van de vereniging diende het landelijk bestuur deze echter te beschouwen in het licht van de volgende omstandigheden. Wat betreft de oprichting van BOO staat – als gesteld door [eisers c.s.] en niet door ANBO weersproken – vast dat deze een gevolg is van het feit dat de provincie Overijssel (waarvan SENtrum subsidie ontving) erop had aandrongen de uitvoering van projecten te harmoniseren en onder te brengen in één uitvoeringsorganisatie. In het licht hiervan kon het landelijk bestuur het handelen van het gewestbestuur in het kader van de intentievereenkomst die heeft geleid tot de oprichting van BOO (waardoor artikel 5 lid 2 van de statuten is geschonden) niet zwaar aanrekenen. Met betrekking tot de financiële verslaglegging geldt dat niet is gesteld of gebleken dat sprake is geweest van fraude en dat de accountant van ANBO de jaarverslagen van het gewest Overijssel altijd heeft goedgekeurd, ook die over 2011. Van een grove schending van artikel 317 lid 1 van het Reglement Gewesten is dan ook geen sprake. Wat betreft het nadeel voor ANBO als gevolg van het niet melden van het nieuwe dienstverband van [F] is niet gesteld of gebleken dat sprake is geweest van opzet, terwijl het bedrag dat ANBO aan [F] heeft moeten betalen (€ 5.823,29) relatief gering is. Het landelijk bestuur kon het gewestbestuur zijn handelen op dit punt dan ook evenmin zwaar aanrekenen.

4.30. Het gewicht van de schendingen van de statuten en reglementen respectievelijk de benadeling voor een bedrag van € 5.823,29 moet bovendien worden beoordeeld tegen de achtergrond van alle overige omstandigheden van het geval. In verband daarmee overweegt de rechtbank als volgt.

4.31. Uit het verslag van de bijeenkomst van 6 maart 2011 en de daarop volgende correspondentie tussen partijen in 2011 (zie 2.11-2.15) blijkt dat in 2011 sprake is geweest van een conflict tussen het gewestbestuur enerzijds en het landelijk bestuur en de directeur ([C]) anderzijds, dat enige tijd heeft voortgeduurd. Begin maart 2012 werd [E] naar aanleiding van de motie die het gewest Overijssel wilde indienen tijdens de vergadering van de verenigingsraad van 22 maart 2012 afgezet als ambassadeur van ANBO Anders. [eisers c.s.] vonden dit onbegrijpelijk en hebben hun ongenoegen daarover schriftelijk aan het landelijk bestuur geuit (zie 2.18). In het kader van het project ANBO Anders heeft [adviesbureau] verschillende bestuurmodellen beschreven. Niet gesteld of gebleken is dat iemand die ambassadeur van ANBO Anders wilde worden vooraf is meegedeeld dat hij bereid moest zijn zich onvoorwaardelijk te scharen achter het bestuursmodel dat het landelijk bestuur zou kiezen. In het kader van een project waarmee ANBO onder meer de democratisering van de vereniging wilde verbeteren is het dan ook begrijpelijk dat [E] en zijn medebestuursleden onaangenaam verrast waren door de afzetting van [E]. Weliswaar hebben zij daarop sterk gereageerd door onder meer aan te kondigen dat zij alle activiteiten hadden opgeschort totdat een gesprek met het landelijk bestuur zou hebben plaatsgevonden, maar niet gesteld of gebleken is dat de belangen van de ANBO leden in het gewest Overijssel door deze opschorting ernstig werden geschaad. Niet gesteld of gebleken is voorts dat het onmogelijk was een gesprek op korte termijn te laten plaatsvinden. Tot een dergelijk gesprek was het landelijk bestuur niet bereid. In plaats daarvan besloot het landelijk bestuur onmiddellijk de sanctie van schorsing op te leggen.

4.32. Volgens ANBO ontleende zij de bevoegdheid tot schorsing aan artikel 210 van het Reglement Centrale Organisatie, voor zover daarin is bepaald dat het landelijk bestuur bevoegd is tot het vaststellen van instructies en richtlijnen en toeziet op de naleving van de statuten, reglementen en instructies (zie 2.33). ANBO stelt dat deze bepaling ruim moet worden uitgelegd en dat het landelijk bestuur gehouden is op te treden – in dit geval: over te gaan tot schorsing van het gewestbestuur – indien zij constateert dat, vanwege een schending van de statuten of reglementen, belangen van ANBO-leden worden veronachtzaamd. Een dergelijke ruime uitleg is echter niet verdedigbaar, gelet op de tekst van de bepaling en op de omstandigheid dat de reglementen juist voorzien in andere maatregelen waarop het landelijk bestuur een beroep had kunnen doen (zie hierna).

4.33. Op 19 maart 2012 is het gewest in een spoedvergadering bijeengekomen. De volgende dag heeft het landelijk bestuur besloten [eisers c.s.] te ontzetten. Dit blijkt uit de brief van het landelijk bestuur van 20 maart 2012 (zie 2.21). Deze brief, die later is beschouwd als de aankondiging van het voornemen tot ontzetting, maakt duidelijk dat het – volgens het landelijk bestuur – onbevoegd bijeenroepen van die vergadering de voornaamste reden voor ontzetting was. De samenwerking met BOO, de situatie rond [F] en [G], de financiële verslaglegging en de negatieve uitlatingen tijdens de contactdagen in 2011 zijn in die brief immers niet vermeld.

4.34. Volgens ANBO heeft het gewestbestuur de vergadering van 19 maart 2012 bijeen geroepen. [eisers c.s.] voeren aan dat de afdelingsbesturen van het gewest dit hebben gedaan. De vraag of het geschorste gewestbestuur die vergadering inderdaad bijeen hebben geroepen hoeft echter niet te worden beantwoord. Ook indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat het gewestbestuur die vergadering bijeen heeft geroepen was het daartoe bevoegd, aangezien de schorsing niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. Het landelijk bestuur lijkt zich dit achteraf ook te hebben gerealiseerd, aangezien het bijeen roepen van die vergadering in de brief van 31 mei 2012 niet meer is aangevoerd als grond voor ontzetting.

4.35. Artikel 215 van het Reglement Centrale Organisatie schrijft voor dat in het geval van een geschil tussen landelijk bestuur en gewestbestuur een commissie van Goede Diensten wordt ingesteld die bemiddelt en, mocht de bemiddeling geen oplossing bieden, een bindende uitspraak doet (zie 2.33). Ter zitting heeft [C] verklaard dat het instellen van commissie van Goede Diensten gelet op de houding van het gewestbestuur geen zin had, omdat het gewestbestuur tijdens verschillende gesprekken had laten blijken dat het niet gehouden was om besluiten van het landelijk bestuur uit te voeren. De rechtbank kan deze redenering niet volgen. Het reglement lijkt het instellen van een commissie van Goede Diensten dwingend voor te schrijven wanneer zich een conflict voordoet tussen landelijk bestuur en gewestbestuur. Bovendien behoort het tot de taak van het landelijk bestuur en de directeur om conflicten zo min mogelijk te laten escaleren, waartoe het instellen van een dergelijke commissie had kunnen dienen, terwijl het instellen van een dergelijke commissie de minst verstrekkende mogelijkheid is die de statuten bieden in het geval van een conflict tussen landelijk bestuur en gewestbestuur. 


Het landelijk bestuur heeft voorts geen verklaring gegeven voor het feit dat zij niet eerst de – in vergelijking met ontzetting eveneens – minder verstrekkende weg heeft bewandeld van een voorstel tot ontslag van [eisers c.s.] als gewestbestuurders met behoud van hun lidmaatschap.
4.36. Onder de hiervoor beschreven omstandigheden was ontzetting disproportioneel en moet de conclusie luiden dat het landelijk bestuur in redelijkheid niet het besluit tot ontzetting heeft kunnen nemen. De rechtbank zal dat besluit dan ook vernietigen.

Vordering tot verzenden mededeling vernietiging aan de leden

4.37. [eisers c.s.] vorderen dat ANBO wordt bevolen alle leden van ANBO door middel van een schriftelijke en ondertekende mededeling te berichten over de vernietigingen van de besluiten tot ontzetting (waarmee kennelijk ook wordt bedoeld de beslissing van de geschillencommissie tot ongegrondverklaring van het beroep) en over het oordeel van de rechtbank dat de schorsing als gewestbestuurders van het gewest Overijssel onterecht is geweest, met aanbieding van excuses.

4.38. ANBO stelt zich op het standpunt dat zij niet tot het doen van een dergelijke mededeling of kan worden gehouden. In verband hiermee betoogt zij dat een voorwaarde voor rectificatie is dat er sprake is van een onrechtmatige daad in de zin van artikel 6:162 BW, terwijl een onrechtmatige daad niet gesteld of gebleken is. Voorts voert zij aan dat voor het geval wel wordt geoordeeld dat sprake is van een onrechtmatige daad, zij niet kan worden veroordeeld om publiekelijk haar excuses te maken.

4.39. Ter onderbouwing van hun vordering hebben [eisers c.s.] de e-mail van 27 november 2012 overgelegd van [C], gericht aan alle gewestbesturen en afdelingsbesturen van ANBO, naar aanleiding van de beslissing van de geschillencommissie (zie 2.30). Aannemelijk is dat hierdoor een groot deel van de leden van ANBO op de hoogte is geraakt van de ontzetting uit het lidmaatschap van [eisers c.s.] Gelet op het oordeel van de rechtbank over de ontzetting brengen de redelijkheid en billijkheid (artikel 2:8 BW) mee dat ANBO op vergelijkbare wijze aan haar leden bekendmaakt dat de rechtbank in dit vonnis de beslissing van de geschillencommissie heeft vernietigd en ter vervanging van die beslissing ook het besluit tot ontzetting van [eisers c.s.] heeft vernietigd, alsmede dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit tot schorsing van [eisers c.s.] als gewestbestuurders niet rechtsgeldig is genomen. ANBO kan echter niet worden verplicht daarbij haar excuses aan te bieden. Excuses behoren immers uiting te geven aan een bepaalde gemoedstoestand en kunnen daarom niet bij vonnis worden afgedwongen (zie ook de rechtbank Amsterdam, 24 april 1997, LJN AH7189).

4.40. ANBO heeft niet gesteld dat het, bijvoorbeeld uit oogpunt van kostenbesparing, onredelijk bezwarend voor haar is om al haar leden een schriftelijke mededeling te sturen. De vordering zal daarom worden toegewezen, maar de rechtbank geeft partijen in overweging om met elkaar in overleg te treden over een passende wijze van bekendmaking, bijvoorbeeld via de website van ANBO. De gevorderde termijn voor bekendmaking wordt gesteld op 7 dagen na betekening van het vonnis en de gevorderde dwangsom wordt bepaald op € 50,- per dag, met een maximum van € 5.000,-.

Proceskosten

5 De beslissing

De rechtbank

5.1. vernietigt de beslissing van 26 november 2012 van de geschillencommissie tot ongegrondverklaring van het beroep van [eisers c.s.],

5.2. vernietigt het besluit van 31 mei 2012 van het landelijk bestuur van ANBO tot ontzetting van [eisers c.s.],

5.3. beveelt ANBO om uiterlijk binnen 7 dagen na betekening van dit vonnis haar leden door middel van een schriftelijke en ondertekende mededeling te berichten dat de rechtbank de beslissing van de geschillencommissie heeft vernietigd en ter vervanging van die beslissing ook het besluit tot ontzetting van [eisers c.s.] heeft vernietigd, alsmede dat de rechtbank heeft geoordeeld dat het besluit tot schorsing van [eisers c.s.] als gewestbestuurders niet rechtsgeldig is genomen,

….

Dit vonnis is gewezen door mr. J.K.J. van den Boom en in het openbaar uitgesproken op 18 december 2013.

Onjuiste aanduiding royement onrechtmatig (Kring Vrienden)

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 16 juli 2013
ECLI:NL:GHSHE:2013:3040

Einduitspraak (?) in de zaak Kring Vrienden. Vernietiging royement. Schadevergoeding voor leden wegens defamerende uitlatingen van voorzitter vereniging op ALV. Vereniging en voorzitter hoofdelijk aansprakelijk. Conversie in opzegging. 

Eerste aanleg: ECLI:NL:RBSHE:2012:BX2731
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2012:4158

arrest van 16 juli 2013

in de zaak van
1[Appellant sub 1.],
2 [Appellant sub 2.] zich [Appellant sub 2a.] noemende in het maatschappelijk verkeer,
3. [Appellant sub 3.] ,
4. [Appellant sub 4.] ,
appellanten in principaal appel,
geïntimeerden in incidenteel appel,

tegen 1 de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
Kring Vrienden van ‘s-Hertogenbosch ,
2. [Geintimeerde sub 2.] ,

geïntimeerden in principaal appel,

appellanten in incidenteel appel,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest in het incident van 18 september 2012 in het hoger beroep van het door de rechtbank ‘s-Hertogenbosch onder nummer 220902/HA ZA 10-2538 gewezen vonnis van 7 december 2011.

5 Het arrest in het incident van 18 september 2012

Bij genoemd arrest is de vordering van de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] in het incident, er kort gezegd toe strekkende dat het hof de omvang van het geding in hoger beroep in principaal appel afbakent, afgewezen en is iedere verdere beslissing aangehouden.

6 Het verdere verloop van de procedure

Partijen hebben vervolgens arrest gevraagd. Het hof doet recht op de in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.4 van het arrest in het incident genoemde en bovenvermelde stukken, alsmede op de stukken van de eerste aanleg.

7 De gronden van het hoger beroep
Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memories van grieven in principaal en incidenteel appel.

8 De beoordeling
in principaal en incidenteel appel
8.1. In de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.8 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. Voor zover tegen die vaststelling geen grieven zijn gericht of anderszins bezwaar is gemaakt, vormen deze feiten ook in hoger beroep het uitgangspunt. Voorts acht het hof nog enkele andere, hierna eveneens te vermelden feiten van belang voor de beoordeling van de geschillen tussen partijen. Het gaat in deze zaak om het volgende.
8.1.1. De Vereniging stelt zich ten doel, zakelijk weergegeven, de historische en culturele waarden van ‘s-Hertogenbosch te bewaken en te bevorderen alsmede de heemkunde te beoefenen. [Appellant sub 1.] c.s. waren tot hun royement op 25 juni 2010 lid van de Vereniging. Ten tijde van het royement was [Geintimeerde sub 2.] voorzitter van de Vereniging.
8.1.2. In 2004 tot en met 2006 heeft het bestuur van de Vereniging aan [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] een aantal volmachten/machtigingen verleend om namens de Vereniging te spreken en te handelen inzake specifieke aangelegenheden. In 2007 zijn de volmachten/machtigingen ingetrokken.
8.1.3. Aan de Vereniging is de Stichting Binnendieze (hierna: de Stichting) gelieerd, in die zin dat de meerderheid van de bestuursleden van de Stichting, waaronder de voorzitter, uit en door het bestuur van de Vereniging wordt benoemd. De Stichting verzorgt boottochten over de Binnendieze. Op enig moment is besloten de activa en zakelijke activiteiten van de Vereniging onder te brengen in de Stichting.

In de loop van 2008 ontstond bij een aantal leden van de Vereniging onvrede over het gebrek aan inzicht in het financiële reilen en zeilen van de Stichting en ontstond verontrusting over de bestemming van de in de Stichting gegenereerde gelden.
8.1.4. In oktober 2008 heeft een 15-tal leden van de Vereniging [Appellant sub 2.] voorgedragen als kandidaat-voorzitter van de Vereniging en van de Stichting. [Geintimeerde sub 2.] heeft met de kandidaatstellende leden gesproken.

Bij brief van 26 mei 2009 hebben de leden die [Appellant sub 2.] kandidaat hadden gesteld die kandidaatstelling ingetrokken (productie bij 4 inleidende dagvaarding).

Tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) op 2 juni 2009 is [Geintimeerde sub 2.] herkozen als voorzitter.
8.1.5. Voor 2 juni 2010 was opnieuw een ALV uitgeschreven. Bij fax van 1 juni 2010 hebben onder anderen [Appellant sub 3.] en [Appellant sub 1.] aan het bestuur van de Vereniging medegedeeld dat de vergadering te laat is opgeroepen en dat er op 2 juni 2010 daarom geen rechtsgeldige besluiten zouden kunnen worden genomen. Dit heeft ertoe geleid dat het bestuur die vergadering niet door heeft laten gaan en een nieuwe ALV heeft uitgeschreven die op 25 juni 2010 gehouden is.


8.1.6. Tijdens de ALV op 25 juni 2010 is door het bestuur aan de aanwezige leden de ontzetting van [Appellant sub 1.] c.s. uit hun lidmaatschap aangezegd, zulks na raadpleging van de aanwezige leden van wie blijkens het van de vergadering opgemaakte transcript (productie 26 bij inleidende dagvaarding, blz. 20) meer dan driekwart zich door middel van handopsteking vóór ontzetting van [Appellant sub 1.] c.s. uit het lidmaatschap (royement) heeft verklaard. De twee aanwezige appellanten in principaal appel, [Appellant sub 4.] en [Appellant sub 1.], zijn terstond uit de vergadering verwijderd.
8.1.7. De ontzetting uit het lidmaatschap is bij brieven van 30 juni 2010 (productie 21 bij inleidende dagvaarding) aan [Appellant sub 1.] c.s. schriftelijk medegedeeld en (summierlijk) toegelicht. In december 2010 heeft de Vereniging het besluit nader schriftelijk toegelicht (productie 57 bij conclusie van antwoord van de Vereniging). In die toelichting vermeldt de Vereniging onder het kopje “De gronden voor de royementen” onder meer:

“Vanaf oktober 2008 suggereren [Appellant sub 3.] c.s. dat (het bestuur van) de Kring in verband is te brengen met fraude en smeergeld. Het bestuur wordt intimidatie en manipulatie verweten. Verwezen wordt naar wat hierna onder de punten 9 en 10 in de brief en memo van [Appellant sub 3.] c.s. van 15 maart 2009 (pag. 4 en 5) is vermeld. Daarin suggereren zij onder meer het rond gaan van couverts en het verlenen van gunsten aan leden en instanties. In het overleg met de Adviseurs op 13 mei 2009 is namens het bestuur daarvan uitdrukkelijk afstand genomen onder aantekening dat er geen sprake is van vreemde geldstromen, couverts e.d. en dat er geen enkel bewijs voor deze ernstige verdachtmakingen is aangevoerd. Verzocht is om deze beweringen en verdachtmakingen terug te nemen. Dat is niet gebeurd. (…)

Met deze suggesties, mededelingen en vragen zijn [Appellant sub 3.] c.s. in de beleving van het bestuurvan de Kring zonder meer uit op het willens en wetens beschadigen van de Kring en daarvan deel uitmakende personen, in het bijzonder door dit in de pers te doen publiceren. Bovendien is de heer [Adviseur van de Kring], Adviseur van de Kring door [Appellant sub 3.] c.s. ernstig beledigd en van grove onwaarheden beticht. (…)”
8.1.8. Artikel 8 van de statuten van de Vereniging (productie bij 24 inleidende dagvaarding) luidde ten tijde van het royement van [Appellant sub 1.] c.s. (voor zover thans van belang):

“1. Het lidmaatschap eindigt: (…)
c. door schriftelijke opzegging door het bestuur namens de vereniging;
d. door ontzetting door het bestuur namens de vereniging. (…)
3. (…) 3. (…) Opzegging van het lidmaatschap door de vereniging kan plaats vinden (…) wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
3. (…) 4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken indien een lid in strijd met de statuten, de reglementen of de besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
Het bestuur stelt het lid binnen één week na het besluit schriftelijk met opgave van redenen van het besluit in kennis.
De betrokkene is bevoegd binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering. (…)”
8.1.9. [Appellant sub 1.] c.s. zijn van de ontzetting uit hun lidmaatschap in beroep gegaan bij de ALV. In haar vergadering van 26 januari 2011 heeft de ALV het beroep ongegrond verklaard. Blijkens het van de vergadering opgemaakte proces-verbaal (productie 60 bij conclusie van antwoord van de Vereniging, blz. 17 en 18) heeft de ALV het royement met ongeveer 80% van de geldig uitgebrachte, niet-blanco, stemmen bekrachtigd.
8.2.1. In eerste aanleg hebben [Appellant sub 1.] c.s. na wijziging/vermeerdering van eis bij akte van 6 april 2011 gevorderd (verkort weergegeven):

8.2.2. [Appellant sub 1.] c.s. hebben aan hun vorderingen ten grondslag gelegd, beknopt weergegeven, dat het besluit van het bestuur van de Vereniging hen uit hun lidmaatschap te ontzetten nietig dan wel jegens hen onrechtmatig is, omdat het besluit op ondeugdelijke gronden en in strijd met het beginsel van hoor en wederhoor en met het verbod op willekeur is genomen. De opzettelijk onjuiste uitlatingen van voorzitter [Geintimeerde sub 2.] jegens [Appellant sub 1.] c.s. tijdens de ALV op 25 juni 2010 (met name de in artikel 23 van de inleidende dagvaarding genoemde uitlatingen), waarvan [Geintimeerde sub 2.] ook persoonlijk een verwijt kan worden gemaakt, hebben geleid tot de onterechte ontzetting van [Appellant sub 1.] c.s. uit hun lidmaatschap en zijn jegens hen onrechtmatig. [Appellant sub 1.] c.s. lijden als gevolg daarvan, zo voeren zij aan, ernstige reputatieschade.
8.2.3. De Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] hebben gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen.

8.2.4. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat vier van de door[Geintimeerde sub 2.] tijdens de ALV op 25 juni 2010 gedane uitlatingen jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig zijn omdat daarmee aan de leden een vals beeld is gegeven van de wijze waarop [Appellant sub 1.] c.s. hun zorgen naar voren hebben gebracht en [Geintimeerde sub 2.] daarmee opzettelijk heeft willen bewerkstelligen dat de ALV zou instemmen met het voornemen tot royement van [Appellant sub 1.] c.s. Het betreft de volgende uitlatingen (verkort weergegeven):
dat de bezorgde leden onder wie ook [Appellant sub 1.] c.s. in een brief aan het bestuur hebben geschreven dat het bestuur bestond uit zakkenvullers en oplichters;
dat die bezorgde leden in een brief aan het bestuur de volgende zin hebben geschreven: “Het bestuur hanteert een Gestapoachtige wijze ten opzichte van [X.]” ;
dat [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] misbruik hebben gemaakt van een door de Vereniging aan hen verleende machtiging in een zaak tegen de roeivereniging;
dat in een brief aan het college van burgemeester en wethouders is geschreven: “Als de heer[Geintimeerde sub 2.] komt te overlijden, wat gebeurt er dan met de Kring en het Laatste Oordeelspel?” .
De opzettelijke misleiding van de leden in nodeloos grievende bewoordingen die in deze uitlatingen besloten ligt kan, aldus de rechtbank, zowel [Geintimeerde sub 2.] in persoon als de Vereniging worden aangerekend.
8.2.5. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat het besluit tot ontzetting van [Appellant sub 1.] c.s. uit hun lidmaatschap weliswaar lijdt aan gebreken omdat een duidelijke omschrijving van de feiten waarop het besluit is gegrond ontbreekt (a), tijdens de ALV op 25 juni 2010 naar voren gebrachte gronden onwaar en misleidend zijn gebleken (b) en het bestuur [Appellant sub 1.] c.s. niet heeft gehoord op zijn voornemen tot ontzetting (c), maar dat die gebreken zijn geheeld in het beroep bij de ALV. Bij de oproeping door het bestuur voor de ALV van 26 januari 2011 is immers een uitvoerige toelichting gevoegd waarin de concrete gronden voor de ontzetting alsnog zijn vermeld (hiervoor in rechtsoverweging 8.1.7 gedeeltelijk geciteerd), [Appellant sub 1.] c.s. hebben daarop geantwoord en zij zijn toegelaten tot de vergadering waar zij het woord hebben kunnen voeren. De klacht inzake hoor en wederhoor gaat daarom niet (meer) op, aldus de rechtbank.
8.2.6. Voorts is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat de door het bestuur aangevoerde gronden het besluit tot ontzetting niet kunnen dragen en dat de ALV in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen dat [Appellant sub 1.] c.s. uit hun lidmaatschap ontzet behoorden te worden. Het besluit is daarom in strijd met de voor royement geldende wettelijke en statutaire bepalingen. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat [Appellant sub 1.] c.s. weliswaar uiterst kritisch en wellicht misplaatst achterdochtig zijn geweest, maar dat zij niet de suggestie hebben gedaan dat het bestuur zich schuldig zou hebben gemaakt aan fraude en het betalen van smeergeld, dat niet is gebleken dat [Appellant sub 1.] c.s. hun zorgen over het functioneren van het bestuur en het reilen en zeilen van de Stichting op nodeloos grievende wijze bij de pers naar voren hebben gebracht en dat [Appellant sub 1.] c.s. bezwaarlijk het verwijt kan worden gemaakt dat zij hebben aangedrongen op oproeping van de ALV in overeenstemming met de statutaire bepalingen, ook als dat zou zijn geschied om het hun onwelgevallige bestuur dwars te zitten. Volgens de rechtbank is niet gebleken dat [Appellant sub 1.] c.s. hun kritiek op het functioneren van hetbestuur, die ook als die onaangenaam is voor het bestuur geuit moet kunnen worden zonder vrees voor strafmaatregelen, op onbehoorlijke en respectloze wijze hebben gepresenteerd.
8.2.7. De rechtbank heeft evenwel vastgesteld dat tussen enerzijds [Appellant sub 1.] c.s. en anderzijds een overgrote meerderheid van de ter vergadering van 26 januari 2011 aanwezige leden onoverbrugbare verschillen van inzicht zijn gegroeid over de juiste wijze waarop deVereniging bestuurd moet worden, dat de wens tot samenwerking voor een gezamenlijk doel klaarblijkelijk tussen beide groepen is weggevallen en dat daarmee het punt is bereikt waarop van de Vereniging (lees: de grote meerderheid van haar leden) redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap van [Appellant sub 1.] c.s. te laten voortduren. Een en ander vormt volgens de rechtbank een grond voor opzegging van het lidmaatschap. Daarvan uitgaande heeft de rechtbank met toepassing van artikel 3:42 BW aan het volgens haar wegens strijd met wettelijke en statutaire bepalingen nietige royementsbesluit de werking toegekend van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap van [Appellant sub 1.] c.s. op de voet van artikel 8 lid 3 van de statuten (2:35 lid 2 BW).
8.2.8.

Op grond van het voorgaande heeft de rechtbank (verkort weergegeven):
. het besluit van 25 juni 2010 tot ontzetting van [Appellant sub 1.] c.s. uit het lidmaatschap, bekrachtigd in beroep door de ALV op 26 januari 2011, nietig verklaard en aan dat nietige besluit de werking toegekend van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap van [Appellant sub 1.] c.s. per 1 januari 2011;
– voor recht verklaard dat de tijdens de ALV van 25 juni 2010 gedane uitlatingen van[Geintimeerde sub 2.] als hiervoor bedoeld in rechtsoverweging 8.2.4 onder 1 tot en met 4 jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig zijn;
– de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] verboden om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van [Appellant sub 1.] c.s. aantasten, op straffe van verbeurte van een dwangsom € 5.000 per overtreding;
– de Vereniging op straffe van verbeurte van een dwangsom veroordeeld om de volgende rectificatie te verspreiden door plaatsing van dat bericht op de website www.kringvrienden.nl, in een aan alle leden te versturen circulaire en in het eerstvolgende nummer van het verenigingsblad KringNieuws:

“MEDEDELING AAN ALLE LEDEN

In de algemene ledenvergadering van 25 juni 2010 heeft de toenmalig voorzitter, [Geintimeerde sub 2.], de leden [Appellant sub 1.], [Appellant sub 2a.], [Appellant sub 3.] en [Appellant sub 4.] er van beticht: (a) dat zij het bestuur hadden uitgemaakt voor zakkenvullers, oplichters en van het gebruik van Gestapo-methoden, (b) dat zij misbruik hebben gemaakt van een mandaat en (c) dat zij op onsmakelijke wijze de mogelijkheid dat [Geintimeerde sub 2.] niet ten eeuwigen dage het Laatste Oordeelspel zou kunnen inspireren, bij het gemeentebestuur ter sprake hebben gebracht .

De rechtbank te ’s-Hertogenbosch heeft in haar vonnis van 7 december 2011 vastgesteld:

1. Voorzitter [Geintimeerde sub 2.] heeft toen onwaarheid gesproken, ook al door zijn onwaarheden te presenteren als citaten, wat zij niet waren. Genoemde vier leden hadden wel zorgen geuit over de kwaliteit van het bestuur maar zij zijn daarbij nooit over de schreef gegaan door het bestuur van dergelijke kwalijkheden te betichten.

2. Er waren daarom ook geen gronden om de vier leden uit hun lidmaatschap te ontzetten en hen in het KringNieuws van maart 2011 aan te duiden als personen die het belang van de Vereniging ernstig hadden geschaad en daarom uit de Vereniging verwijderd zijn. De rechtbank heeft het royement nietig verklaard.

3. De gehele wijze waarop het bestuur en de Vereniging deze vier leden hebben behandeld was onrechtmatig en heeft hen in hun eer en goede naam aangetast. Zij hebben recht op schadevergoeding, eerstens door middel van deze rectificatie en verder middels een schadevergoeding van € 1.500,00 voor ieder van hen.

Uitsluitend omdat de rechtbank onoverbrugbare verschillen van inzicht tussen genoemde vier leden en een meerderheid van de overige leden constateerde, achtte de rechtbank herstel van de vier in hun lidmaatschapsrechten, waartoe zij in beginsel gerechtigd zouden zijn, uit praktische overwegingen onverstandig.

Het bestuur van de vereniging Kring Vrienden ’s-Hertogenbosch”

e. de Vereniging en[Geintimeerde sub 2.] hoofdelijk veroordeeld om aan ieder van [Appellant sub 1.] c.s. te betalen een bedrag van € 1.500,- ter zake van schadevergoeding, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag waarop de inleidende dagvaarding is uitgebracht tot de dag van voldoening.

De vorderingen van [Appellant sub 1.] c.s. zijn voor het overige afgewezen. De Verenigingen[Geintimeerde sub 2.] zijn als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de proceskosten veroordeeld.
8.3.

Het hof zal in het hiernavolgende de grieven in principaal en incidenteel appel (85 in totaal) zoveel mogelijk gezamenlijk behandelen.
8.4. [Appellant sub 1.] c.s. vorderen na wijziging van eis bij memorie van grieven (verkort weergegeven):

voor recht te verklaren dat er op 25 juni 2010 tijdens de ALV ten aanzien van [Appellant sub 1.] c.s. geen royementsbesluit is genomen, met vernietiging van het besluit van de ALV van 26 januari 2011 tot bekrachtiging van het royement en met veroordeling van de Vereniging om [Appellant sub 1.] c.s. in al hun rechten als lid te herstellen en om de gebruikelijke faciliteiten weer aan hen ter beschikking te stellen en dat schriftelijk aan [Appellant sub 1.] c.s. te bevestigen;

voor het geval geoordeeld wordt dat er wel een besluit tot royement is genomen: veroordeling van de Vereniging, gelet op de vernietiging van het royementsbesluit door de rechtbank, om [Appellant sub 1.] c.s. in hun al hun rechten als lid te herstellen en om de gebruikelijke faciliteiten weer aan hen ter beschikking te stellen en dat schriftelijk aan [Appellant sub 1.] c.s. te bevestigen:

veroordeling van de Vereniging om het herstel van [Appellant sub 1.] c.s. in hun lidmaatschapsrechten aan al haar leden bekend te maken door mededeling in de eerstvolgende KringNieuws en tijdens de algemene ledenvergadering;

voor recht te verklaren dat het bestuur van de Vereniging door voorafgaand aan het besluit tot ontzetting het beginsel van hoor en wederhoor niet toe te passen onrechtmatig jegens [Appellant sub 1.] c.s. heeft gehandeld;

voor recht te verklaren dat het bestuur van de Vereniging onrechtmatig jegens [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] heeft gehandeld door aan het gemeentebestuur te melden dat zij zonder mandaat namens de Vereniging hebben gehandeld (blijkend uit B&W-voorstel 07.0734, productie 24 bij inleidende dagvaarding);

voor recht te verklaren dat[Geintimeerde sub 2.] onrechtmatig jegens [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] heeft gehandeld door aan het gemeentebestuur te melden dat zij zonder mandaat namens de Vereniging hebben gehandeld (blijkend uit B&W-voorstel 07.0734, productie 24 bij inleidende dagvaarding);

veroordeling van de Vereniging om de beschuldiging dat [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] zonder mandaat van de Vereniging hebben gehandeld te rectificeren, op de wijze als genoemd in punt 7 op bladzijde 135 van de memorie van grieven;

voor recht te verklaren dat de door het bestuur van de Vereniging geuite beschuldigingen/verdachtmakingen, vermeld in de aan alle leden toegezonden schriftelijke toelichting op het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap en verwoord tijdens de ALV op 26 januari 2011, jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig zijn;

voor recht te verklaren dat de door het bestuur van de Vereniging geuite beschuldigingen/verdachtmakingen, verwoord tijdens de ALV op 26 januari 2011, jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig zijn;

veroordeling van de Vereniging om de beschuldigingen/verdachtmakingen jegens [Appellant sub 1.] c.s., zoals omschreven in de grieven V, VI en XXXVI te rectificeren op de wijze als genoemd in punt 10 op bladzijde 136 van de memorie van grieven;

voor recht te verklaren dat het besluit van het bestuur van de Vereniging tot ontzetting uit het lidmaatschap, dan wel het besluit tot bekrachtiging van dat besluit door de ALV, jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig is;

voor recht te verklaren dat de uitlating van het bestuur van de Vereniging in het verenigingsblad KringNieuws van maart 2011: “Een royement van leden is niet eerder in het bestaan van de Kring voorgekomen. Het is in de ogen van het bestuur een allerlaatste middel om personen die het belang van de vereniging ernstig schaden uit de vereniging te verwijderen.” onrechtmatig is jegens [Appellant sub 1.] c.s.;

veroordeling van de Vereniging om de geciteerde uitlating te rectificeren door middel van publicatie in het verenigingsblad KringNieuws;

voor recht te verklaren dat de volgende beschuldigingen/verdachtmakingen van de Verenigingen [Geintimeerde sub 2.] tijdens de ALV op 25 juni 2010 jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig zijn:

a. dat er door [Appellant sub 1.] c.s. aanvallen zijn gedaan op (leden van) het bestuur die in hoge mate schadelijk zijn voor de Vereniging,

b. dat [Appellant sub 1.] c.s. het bestuur van de Vereniging hebben uitgemaakt voor grabbelaars en geldverkwisters,

c. dat [Appellant sub 1.] c.s. een fax naar het Brabants Dagblad hebben gestuurd met de mededeling dat er juridische gebreken kleefden aan de oproeping van de ALV voor 2 juni 2010,

d. dat één van [Appellant sub 1.] c.s. zich in een telefoongesprek met de drukker van de convocaties voor de ALV heeft uitgegeven als lid van het bestuur,

en veroordeling van de Vereniging om die beschuldigingen/verdachtmakingen te rectificeren, op de wijze als genoemd in punt 14 op bladzijde 137 van de memorie van grieven;

hoofdelijke veroordeling van de Vereniging en[Geintimeerde sub 2.] tot betaling van € 7.500,- aan ieder van [Appellant sub 1.] c.s. ter zake van vergoeding van de immateriële schade (reputatieschade) die het gevolg is van het handelen van de Vereniging en[Geintimeerde sub 2.] tijdens de ALV op 25 juni 2010;

veroordeling van de Vereniging tot betaling van € 12.500,- aan ieder van [Appellant sub 1.] c.s. ter zake van vergoeding van de immateriële schade (reputatieschade) die het gevolg is van de inhoud van de aan alle leden toegezonden toelichting op het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap, het handelen van de Vereniging tijdens de ALV op 26 januari 2011 en de publicatie in het KringNieuws van maart 2011;

veroordeling van de Vereniging om de hiervoor in punt 12 bedoelde uitlating van de website www.kringvrienden.nl te verwijderen;

veroordeling van de Vereniging en[Geintimeerde sub 2.] in de proceskosten van beide instanties, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf tien dagen na de datum van de uitspraak van dit arrest;

de veroordelingen onder 1, 2, 3, 7, 10, 13, 14 en 17 op straffe van verbeurte van een dwangsom.

Onrechtmatige uitlatingen van de Vereniging en/of [Geintimeerde sub 2.]
8.5.1. Bij de beantwoording van de vraag of er van de zijde van de Vereniging en/of [Geintimeerde sub 2.] uitlatingen zijn gedaan die jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig zijn, is een botsing van twee fundamentele rechten aan de orde, namelijk aan de zijde van de Verenigingen/of [Geintimeerde sub 2.] hun recht op vrije meningsuiting en aan de zijde van [Appellant sub 1.] c.s. het recht op bescherming van hun eer en goede naam. Het antwoord op de vraag welk van beide rechten zwaarder weegt moet worden gevonden door een afweging van alle ter zake dienende omstandigheden van het geval. Tot deze omstandigheden behoren onder meer enerzijds de wijze waarop de mededelingen zijn openbaar gemaakt en de ernst van de te verwachten gevolgen hiervan voor [Appellant sub 1.] c.s. en anderzijds het belang van de Vereniging en/of [Geintimeerde sub 2.] bij het doen van hun mededelingen, de mate waarin de mededelingen steun vinden in het feitenmateriaal, de inkleding van de feiten en de zorgvuldigheid die van de Vereniging dan wel [Geintimeerde sub 2.] bij het doen van haar mededelingen mocht worden verwacht.
8.5.2. Het hof acht de overwegingen van de rechtbank met betrekking tot de hiervoor in rechtsoverweging 8.2.4 van dit arrest bedoelde, door [Geintimeerde sub 2.] tijdens de ALV op 25 juni 2010 gedane uitlatingen (rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis) terecht en maakt die overwegingen tot de zijne. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat met name de verwijten van de Vereniging dan wel [Geintimeerde sub 2.] dat [Appellant sub 1.] c.s. (i) de bestuursleden zouden hebben getypeerd als zakkenvullers en oplichters – dergelijke diffamerende woorden zijn door [Appellant sub 1.] c.s. nooit gebezigd – en (ii) dat [Appellant sub 1.] c.s. [Geintimeerde sub 2.] zouden hebben beticht van een Gestapoachtige handelwijze – welke bewoordingen door [Appellant sub 1.] c.s. evenmin zijn gehanteerd – feitelijk onjuist zijn dan wel in jegens [Appellant sub 1.] c.s. nodeloos grievende bewoordingen zijn gedaan. 

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de beschuldigingen zijn gedaan tijdens een druk bezochte algemene ledenvergadering, waar de impact van de uitlatingen groot was en de mogelijkheden voor [Appellant sub 1.] c.s. om die beschuldigingen te weerleggen – nog afgezien van de omstandigheid dat slechts twee van hen ter vergadering aanwezig waren – gering waren. In plaats van daarom behoedzaamheid te betrachten in de keuze van onderwerpen en bewoordingen, heeft de Vereniging bij monde van [Geintimeerde sub 2.] olie op het vuur gegooid en een sfeer geschapen waarin royement van [Appellant sub 1.] c.s. door de aanwezige leden zou worden gedragen. Tekenend hiervoor is (bijvoorbeeld) dat [Geintimeerde sub 2.] de in 2007 reeds afgedane kwestie omtrent de aan [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] verleende mandaten heeft opgerakeld en in dat verband de term misbruik heeft gehanteerd. 

[Geintimeerde sub 2.], en daarmee de Vereniging, hadden zich behoren te realiseren dat door hun onderwerp- en woordkeuze de reputatie van [Appellant sub 1.] c.s. zou worden geschaad en dat daarmee op onzorgvuldige wijze voeding zou worden gegeven aan het kennelijk reeds bij een deel van de leden aanwezige, tijdens een eerdere vergadering al aan de orde gekomen gevoelen dat [Appellant sub 1.] c.s. uit hun lidmaatschap zouden moeten worden ontzet. De uitlatingen zijn daarmee ook naar het oordeel van het hof jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig. Dat [Appellant sub 1.] c.s. zich tegenover het bestuur uitermate kritisch hebben opgesteld kan daaraan, zelfs als [Appellant sub 1.] c.s. daarbij zoals de rechtbank heeft overwogen misplaatst achterdochtig zijn geweest, niet afdoen. Nog afgezien van de omstandigheid dat [Appellant sub 2.] heeft aangevoerd dat hij geen van de aan het bestuur gezonden brieven heeft ondertekend en dat hij zich nooit in discussies met het bestuur heeft gemengd – waarover in het hiernavolgende meer – is het hof met de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat [Appellant sub 1.] c.s. hun kritiek ooit op onbehoorlijke of respectloze wijze hebben gepresenteerd.
8.5.3. Het verweer in hoger beroep dat [Geintimeerde sub 2.] [Appellant sub 1.] c.s. slechts heeft willen parafraseren en dat daarom niet al te precies naar de door[Geintimeerde sub 2.] in het vuur van het debat gebezigde bewoordingen – een emotionele vertaling, waarbij [Geintimeerde sub 2.] geput heeft uit zijn geheugen – moet worden gekeken, gaat niet op. Door de door [Appellant sub 1.] c.s. uitgesproken zorg over het doelmatig uitgeven van geld en het gesignaleerde bekostigen van “couverts” te vertalen met de betichting van zakkenvullerij en oplichterij, zijn naar het oordeel van het hof op jegens [Appellant sub 1.] c.s. onzorgvuldige wijze bewoordingen gebruikt die geen steun vinden in het overgelegde feitenmateriaal, die een onterecht grievend beeld geven van de intenties van [Appellant sub 1.] c.s. en waarvan voor hen reputatieschade te verwachten was. Hetzelfde geldt voor het gebruik van het woord Gestapo door [Geintimeerde sub 2.], waar [Appellant sub 1.] c.s. het bestuur ervan hadden beticht zich te bedienen van ontoelaatbare methodes zoals bij een geheime dienst het geval is (wat daar ook van zij).
8.5.4. [Appellant sub 1.] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank ten onrechte een aantal door [Geintimeerde sub 2.] tijdens de ALV op 25 juni 2010 gedane uitlatingen niet op hun onrechtmatigheid heeft beoordeeld. Het betreft de uitlatingen waarop – zo begrijpt het hof – de in rechtsoverweging 8.4 onder 14 (a tot en met d) weergegeven vordering betrekking heeft (grief V in principaal appel, waarin wordt verwezen naar punt 24 van de inleidende dagvaarding).

Daarnaast hebben de Vereniging en/of[Geintimeerde sub 2.] in hun schriftelijke toelichting op het royement en tijdens de ALV op 26 januari 2011 uitlatingen gedaan die eveneens jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig zijn, zo voeren laatstgenoemden aan (punt 68 tot en met 101 en 102 tot en met 108 van de memorie van grieven in principaal appel). Volgens [Appellant sub 1.] c.s. heeft de rechtbank ook deze uitlatingen ten onrechte niet behandeld (grief VI).

Hetzelfde geldt voor 36 (andere) uitlatingen die volgens [Appellant sub 1.] c.s. van de zijde van deVereniging zijn gedaan in laatstbedoelde schriftelijke toelichting (grief XXXVI in principaal appel).

8.5.5. Het hof constateert in de eerste plaats dat uit de stukken van [Appellant sub 1.] c.s. in eerste aanleg (met name punt 23 en 24 van de inleidende dagvaarding, de formulering van de vorderingen en de akte van 6 april 2011 waarbij [Appellant sub 1.] c.s. hun vorderingen hebben gewijzigd en de gronden daarvoor hebben aangevuld) niet valt op te maken dat zij ten aanzien van al de hiervoor bedoelde specifieke uitlatingen een (expliciete) uitspraak van de rechtbank wensten omtrent de (on)rechtmatigheid daarvan. Voor zover [Appellant sub 1.] c.s. met hun grieven V, VI en XXXVI betogen dat de rechtbank ten onrechte die uitlatingen onbehandeld heeft gelaten falen die grieven dan ook in zoverre.
8.5.6. Voor zover de grieven V, VI en XXXVI ertoe strekken in hoger beroep alsnog een uitspraak te verkrijgen over de in die grieven aan de orde gestelde uitlatingen overweegt het hof als volgt.

Met betrekking tot de in rechtsoverweging 8.4 onder 14, c en d, bedoelde uitlatingen, die betrekking hebben op de signalering dat de oproepen (convocaties) voor de op 2 juni 2010 geplande ALV te laat waren verzonden (fax van onder anderen [Appellant sub 1.], [Appellant sub 3.] en [Appellant sub 4.] van 1 juni 2010, productie 43 bij conclusie van antwoord van deVereniging), overweegt het hof dat vaststaat dat [Appellant sub 1.] – kennelijk na een eerder telefoongesprek ( “Zoals besproken” ) – op 26 mei 2010 een e-mail naar de drukker heeft gestuurd (productie 6 bij conclusie van antwoord van[Geintimeerde sub 2.]) waarin hij de drukker vraagt: “Graag zouden wij willen weten wanneer deze uitgave aan TNT-post is aangeboden.” Als gewoon lid ging deze opdracht van het bestuur aan de drukker [Appellant sub 1.] niet aan. Mede gelet op het woordje “wij” ligt daarom de conclusie voor de hand dat [Appellant sub 1.] het heeft doen voorkomen althans dat de drukker dat zo heeft kunnen opvatten – alsof hij de vraag aan de drukker namens het bestuur, de opdrachtgever, heeft gesteld. De secretaris van de Vereniging, [secretaris van de Vereniging], heeft blijkens het van de ALV van 26 januari 2011 opgemaakte proces-verbaal (productie 105 bij memorie van grieven in principaal appel, blz. 9) tijdens de vergadering ook verklaard dat de drukker hem heeft gezegd dat hij eerder door een ander bestuurslid was gebeld. In dit licht bezien is de uitlating onder d naar het oordeel van het hof niet onrechtmatig. De uitlating onder c is – ook indien de desbetreffende vaststelling dat één persoon van [Appellant sub 1.] c.s. de krant heeft aangezocht feitelijk onjuist zou zijn – als zodanig evenmin onrechtmatig.

De uitlating bedoeld in rechtsoverweging 8.4 onder 14 sub a betreft een min of meer feitelijke vaststelling, zij het dat er de mening van de Vereniging en[Geintimeerde sub 2.] in doorklinkt die [Appellant sub 1.] c.s. niet tot lof strekt. Dat maakt de uitlating evenwel niet zonder meer onrechtmatig. Niet kan worden gezegd dat de uitlating in het licht van de omstandigheden in nodeloos grievende bewoordingen is gedaan.

Vastgesteld is reeds dat de uitlating van[Geintimeerde sub 2.] ter vergadering van 25 juni 2010 dat [Appellant sub 1.] c.s. het bestuur heeft neergezet als zakkenvullers en oplichters, jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig is. Bij de vaststelling in rechte dat[Geintimeerde sub 2.] tijdens die vergaderring ook nog (op onrechtmatige wijze) heeft gezegd dat [Appellant sub 1.] c.s. hetbestuur heeft neergezet als grabbelaars en geldverkwisters (de in rechtsoverweging 8.4, onder 14 sub b bedoelde uitlating), waarmee ongeveer hetzelfde zal zijn bedoeld, hebben [Appellant sub 1.] c.s. onvoldoende belang, althans dat is gesteld noch gebleken.

Gezien het voorgaande is de in rechtsoverweging 8.4 onder 14 bedoelde vordering niet toewijsbaar.
8.5.7. In het KringNieuws van maart 2011 stond vermeld: “Een royement van leden is niet eerder in het bestaan van de Kring voorgekomen. Het is in de ogen van het bestuur een allerlaatste middel om personen die het belang van de vereniging ernstig schaden uit de vereniging te verwijderen”.

Naar het oordeel van het hof is het gebruik van de woorden “uit de vereniging te verwijderen” , waar gedoeld wordt op het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap, suggestief en voor wat betreft de toonzetting onnodig grievend. Daarbij komt dat het via de website van de Vereniging beschikbare KringNieuws voor een ieder is in te zien. Weliswaar worden de namen van [Appellant sub 1.] c.s. niet expliciet genoemd, maar voor een ieder met betrokkenheid bij de Vereniging moet duidelijk zijn geweest welke leden in de desbetreffende passage werden bedoeld. Bovendien zal in het hiernavolgende blijken dat er geen deugdelijke gronden waren om tot royement over te gaan. Gelet daarop zijn de in rechtsoverweging 8.4 onder 12 en 17 bedoelde vorderingen, strekkende tot een verklaring voor recht dat de geciteerde uitlating jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig is en tot veroordeling van de Vereniging om de uitlating van de website www.kringvrienden.nl te verwijderen (de vorderingen genoemd in rechtsoverweging 8.4 onder 12 en 17), toewijsbaar. Voor verwijdering van de gehele tekst waarin de passage is opgenomen, zoals gevorderd, bestaat naar het oordeel van het hof onvoldoende grond. Het hof ziet aanleiding de dwangsom te matigen als hierna vermeld.

In de door de rechtbank bevolen rectificatie – welke veroordeling door het hof in stand zal worden gelaten – is reeds opgenomen dat er geen gronden waren om [Appellant sub 1.] c.s. uit hun lidmaatschap te ontzetten en hen in het KringNieuws van maart 2011 aan te duiden als personen die het belang van de Vereniging ernstig hebben geschaad. Daarmee is ten aanzien van bedoelde uitlating reeds in voldoende mate aan de gevorderde rectificatie (rechtsoverweging 8.4 onder 13) voldaan.
8.5.8.

Met betrekking tot de vele overige uitlatingen waarop de grieven V, VI en XXXVI in principaal appel betrekking hebben, hebben de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] in hun respectieve memories van antwoord ten verwere aangevoerd dat [Appellant sub 1.] c.s. niet hebben aangetoond dat de diverse uitlatingen daadwerkelijk (alle) zijn gedaan, noch dat de uitlatingen feitelijk onjuist of nodeloos grievend en daarom jegens hen onrechtmatig zijn.

Dit verweer slaagt. [Appellant sub 1.] c.s. hebben slechts een opsomming gegeven van de volgens hen onrechtmatige uitlatingen, zonder daarbij voldoende concreet onderbouwd uiteen te zetten waarom die respectieve uitlatingen feitelijk onjuist, nodeloos grievend en/of (anderszins) jegens hen onrechtmatig zijn en/of zich voor rectificatie zouden lenen. Voor zover de vorderingen van [Appellant sub 1.] c.s. (na wijziging van eis bij memorie van grieven) zien op die uitlatingen, zijn die vorderingen reeds hierom niet toewijsbaar.

Ter adstructie van het voorgaande wijst het hof op, bijvoorbeeld, de volgende uitlating die volgens [Appellant sub 1.] c.s. door[Geintimeerde sub 2.] tijdens de ALV op 26 januari 2011 is gedaan: “U ook dank u wel voor uw toelichting. Ik vraag de leden een hartelijk bedankje voor hun bereidwilligheid dit te hebben aangehoord”. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien op grond waarvan deze uitlating jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig zou moeten worden geoordeeld en/of zich voor rectificatie zou lenen. De Vereniging en[Geintimeerde sub 2.] hebben in dit verband terecht aangevoerd dat het voor hen onduidelijk is op welke wijze zij zich tegen een en ander moeten verweren.

Het hof overweegt voorts dat het door de Vereniging in een aantal van de verweten uitlatingen verwoorde standpunt dat [Appellant sub 1.] c.s. door hun wijze van optreden in woord (tijdens vergaderingen) en geschrift (met name de toelichting op het royement) de belangen van de Vereniging hebben geschaad, niet zonder meer jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig is. Gelet op het aan het bestuur van de Vereniging toekomende recht van vrije meningsuiting stond het hem in beginsel vrij die mening te uiten, ook indien die mening in stevige bewoordingen is geponeerd. [Appellant sub 1.] c.s. hebben niet gesteld – en dat is het hof ook niet gebleken – dat die mening in onnodig grievende bewoordingen is gegeven.

Hetzelfde geldt voor de (feitelijke) constateringen van het bestuur dat [Appellant sub 1.] c.s. naar de pers toe uitlatingen hebben gedaan die – in de visie van de Vereniging – voor de Vereniging schadelijk zijn. Tot onrechtmatigheid zou eerst kunnen worden geconcludeerd indien sprake is van bijkomende omstandigheden, bijvoorbeeld indien de Vereniging bij het verwoorden van haar standpunt opzettelijk feitelijke onjuistheden zou hebben gedebiteerd met als doel het schaden van [Appellant sub 1.] c.s. of zich zou hebben bediend van voor [Appellant sub 1.] c.s. onnodig grievende bewoordingen. Dat ter zake van bedoelde uitlatingen van dergelijk omstandigheden sprake is geweest is door [Appellant sub 1.] c.s. niet, althans onvoldoende specifiek uiteengezet.

Ook voor zover [Appellant sub 1.] c.s. stellen dat[Geintimeerde sub 2.] en de Vereniging in de diverse uitlatingen onwaarheden hebben verkondigd, is daarmee nog niet zonder meer gegeven dat als gevolg van die uitlatingen de eer en goede naam van [Appellant sub 1.] c.s. zijn geschaad en/of dat daardoor (anderszins) jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig is gehandeld. [Appellant sub 1.] c.s. hebben nagelaten feiten en omstandigheden te stellen op grond waarvan de onrechtmatigheid en/of de noodzaak tot rectificatie van die – in hun visie – onware uitlatingen kan worden geconcludeerd.

Gelet op het hiervoor overwogene zijn de in rechtsoverweging 8.4 onder 8, 9 en 10 bedoelde vorderingen – voor zover niet door de rechtbank toegewezen – niet toewijsbaar.

8.5.9. Blijkens het van de ALV van 25 juni 2010 opgemaakte proces-verbaal (productie 53 bij memorie van grieven in principaal appel, blz. 7) heeft [Geintimeerde sub 2.] tijdens die vergadering het volgende gezegd: “In 2007 hebben wij de heer [Appellant sub 2.] (…) samen met [Appellant sub 3.] van het project gehaald vanwege misbruik van een machtiging die gehanteerd werd binnen de werkgroep waarbinnen zij actief waren. Dat is de reden. Zij hebben misbruik gemaakt van een machtiging die door het Kringbestuur is afgegeven in een zaak tegen de roeivereniging (…)”.

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.2.5 van het bestreden vonnis overwogen dat de vraag of de verstrekte volmacht en mandaat daadwerkelijk zijn overschreden, een rechtsvraag is die niet hier feitelijk behoort te worden besproken. [Appellant sub 1.] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld (grief VIII in principaal appel) dat de rechtbank deze kwestie wel degelijk had moeten beoordelen.

Het hof verwerpt dit standpunt. In rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank overwogen dat het gebruik van de term misbruik door [Geintimeerde sub 2.] geen steun vindt in de feiten en een nodeloos grievende en aggraverende beschrijving van het desbetreffende geschilpunt is. De rechtbank heeft vervolgens voor recht verklaard dat de desbetreffende uitlating onrechtmatig was. Een verdergaande, inhoudelijke beoordeling van het gestelde misbruik was daarvoor niet vereist. Nu de Vereniging en/of [Geintimeerde sub 2.] ook in hoger beroep niet feitelijk hebben onderbouwd dat het gebruik van de term misbruik terecht is geweest, moet ervan worden uitgegaan, zoals de rechtbank heeft overwogen en beslist, dat het gebruik van die term jegens [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] feitelijk onjuist, voor hen nodeloos belastend en daarmee onrechtmatig is geweest.

Het verweer in hoger beroep dat het in de herinnering van[Geintimeerde sub 2.] wel zo is geweest dat [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] misbruik van hun volmacht hebben gemaakt en dat niet kan worden uitgesloten dat sprake is geweest van misbruik, wordt verworpen. De zorgvuldigheid eist dat een dergelijk zware beschuldiging eerst – publiekelijk – wordt geuit indien de beschuldiging terecht is en met feiten kan worden onderbouwd. Nu daarvan niet is gebleken wordt de desbetreffende uitlating ook door het hof als onzorgvuldig en jegens [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] onrechtmatig geoordeeld.
8.5.10.

Voor zover gevorderd wordt voor recht te verklaren dat het bestuur van de Verenigingen[Geintimeerde sub 2.] onrechtmatig jegens [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] hebben gehandeld door aan het gemeentebestuur te melden dat zij zonder mandaat namens deVereniging hebben gehandeld (rechtsoverweging 8.4 onder 5 en 6) worden die vorderingen afgewezen. De onderhavige mandaatkwestie heeft zich voorgedaan in 2007. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien welk belang [Appellant sub 2.] en [Appellant sub 3.] thans nog bij hun desbetreffende vorderingen hebben. Bovendien is niet gebleken, zoals de rechtbank in rechtsoverweging 4.18 van het bestreden vonnis heeft overwogen, dat de Vereniging de melding aan het gemeentebestuur dat zij het mandaat had ingetrokken omdat zij meende dat het was overschreden, in onnodig grievende bewoordingen heeft gedaan. De in rechtsoverweging 8.4 onder 5 en 6 genoemde vorderingen zijn niet toewijsbaar.

Het verbod om in de toekomst onrechtmatige uitlatingen te doen
8.6. Bij het bestreden vonnis (punt 5.4 van het dictum) is het de Vereniging en[Geintimeerde sub 2.] verboden om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van [Appellant sub 1.] c.s. aantasten, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- voor elke overtreding van dat verbod. Hiertegen is grief 16 van [Geintimeerde sub 2.] in incidenteel appel gericht.

Deze grief slaagt. Met [Geintimeerde sub 2.] is het hof van oordeel dat het gevorderde verbod te ruim en te onbepaald is en dat daarom bij toewijzing van het verbod onduidelijk zou zijn welke uitlatingen toelaatbaar zijn en welke niet. Het hof zal het bestreden vonnis op dit punt vernietigen en de desbetreffende vordering alsnog afwijzen.

De positie van [Geintimeerde sub 2.]
8.7.1.

De rechtbank heeft het verweer verworpen dat[Geintimeerde sub 2.] de verweten uitlatingen in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Vereniging heeft gedaan en daarvoor niet persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. Volgens de rechtbank betreft het uitlatingen die hij persoonlijk heeft gedaan en is hij daarvoor zelf verantwoordelijk en aansprakelijk, afgezien van de aansprakelijkheid van de Vereniging. Hiertegen is grief 12 van[Geintimeerde sub 2.] in incidenteel appel gericht.
8.7.2.

Als uitgangspunt heeft te gelden dat het handelen van een bestuurder van een vereniging aan de vereniging kan worden toegerekend en dat de gevolgen van een onrechtmatige daad begaan door een bestuurslid daarom in beginsel aan de vereniging kunnen worden toegerekend.

Daarnaast kan een bestuurslid onder omstandigheden, namelijk indien een door hem als bestuurslid begane onrechtmatige daad tevens een hem persoonlijk aan te rekenen onrechtmatige daad oplevert, persoonlijk aansprakelijk zijn. Dit zou, indien het onrechtmatig handelen bestaat uit het doen van beledigende en/of onnodig grievende uitlatingen, slechts uitzondering kunnen lijden in het geval dat de persoon die de uitlatingen heeft gedaan slechts fungeerde als spreekbuis van de vereniging, waarbij hem geen enkele vrijheid is gelaten zijn eigen bewoordingen te kiezen.
8.7.3.

Gelet op deze maatstaf verwerpt ook het hof het verweer van [Geintimeerde sub 2.] dat hij de hem verweten uitlatingen heeft gedaan in zijn hoedanigheid van bestuurder van de Vereniging en dat hij slechts als spreekbuis moet worden beschouwd van de Vereniging. Niet in geschil is dat [Geintimeerde sub 2.] als voorzitter van de Vereniging een niet geringe inbreng had op de wijze waarop de Vereniging zich (onder meer) tijdens de vergadering van 25 juni 2010 presenteerde en dat het hem in beginsel vrijstond de bewoordingen te kiezen die hem nodig of wenselijk voorkwamen. Ervan uitgaande, zoals de rechtbank heeft beslist en waarmee het hof het eens is, dat het doen van de hiervoor bedoelde uitlatingen jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig is geweest, moet ervan worden uitgegaan dat het [Geintimeerde sub 2.] zelf is geweest die de – feitelijk onjuist dan wel onnodig grievend geoordeelde – bewoordingen willens en wetens heeft gekozen zodat hem daarvan persoonlijk een verwijt worden gemaakt. De desbetreffende grief faalt.

De wijze van totstandkoming van het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap
8.8.1.
In de eerste plaats verwerpt het hof het standpunt van [Appellant sub 1.] c.s. dat het bestuur tijdens de ALV, of kort ervoor of kort erna, geen besluit heeft genomen omdat, aldus [Appellant sub 1.] c.s., uit het verslag van de vergadering niet blijkt van een bestuursbesluit tot royement en ook voorafgaand aan die vergadering geen daartoe strekkend bestuursbesluit is genomen. Voor zover al niet gezegd kan worden dat [Geintimeerde sub 2.] bij de aanzegging van de ontzetting uit het lidmaatschap tijdens de ALV ook namens de overige – aanwezige – bestuursleden heeft gesproken (waarmee het bestuursbesluit moet worden geacht te zijn genomen), heeft het bestuur het besluit tot ontzetting in ieder geval bekrachtigd door middel van de namens het bestuur aan [Appellant sub 1.] c.s. verzonden brieven van 30 juni 2010.

De omstandigheid dat het royement tijdens de ALV is aangezegd doet er niet aan af dat het desbetreffende besluit heeft te gelden als een door het bestuur genomen besluit. Dat het royementsbesluit niet voor de ALV was geagendeerd en ad hoc tijdens de ALV is genomen kan [Appellant sub 1.] c.s., anders dan zij hebben aangevoerd, niet baten.

Nu de stelling van [Appellant sub 1.] c.s. dat er in het geheel geen besluit tot ontzetting is genomen gezien het voorgaande niet opgaat, is de in rechtsoverweging 8.4 onder 1 vermelde vordering niet toewijsbaar.
8.8.2.

Het standpunt van [Appellant sub 1.] c.s. dat het bestuur van de Vereniging het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden en dat het besluit tot ontzetting daarom nietig dan wel jegens hen onrechtmatig is, wordt eveneens verworpen. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat (alsnog) in voldoende mate aan het beginsel van hoor en wederhoor is voldaan nu [Appellant sub 1.] c.s. conform de wettelijke en statutaire bepalingen de beroepsgang hebben gevolgd, die tot doel heeft hoor en wederhoor te borgen, en in de gelegenheid zijn gesteld een beroepschrift in te dienen en het woord te voeren tijdens de op 26 januari 2011 gehouden ALV. Voor zover de brieven van 30 juni 2010 niet al genoegzaam de gronden van het royement vermeldden, zijn die gronden in ieder geval in de toelichting opgenomen die het bestuur bij de oproeping voor de ALV van 26 januari 2011 heeft gevoegd (productie 57 bij conclusie van antwoord van de Vereniging).

Gezien het voorgaande is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap voor wat betreft de totstandkoming niet lijdt aan een gebrek dat op grond van wet (artikel 2:14 BW) of statuten de nietigheid van dat besluit met zich meebrengt, althans dat gebrek is geheeld.

De in rechtsoverweging 8.4 onder 4 vermelde vordering, strekkende tot een verklaring voor recht dat het bestuur van de Vereniging onrechtmatig jegens [Appellant sub 1.] c.s. heeft gehandeld door geen hoor en wederhoor toe te passen, is niet toewijsbaar.

De inhoud van het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap
8.9.1 Een besluit van een vereniging kan op vordering van een belanghebbende worden vernietigd indien (onder meer) het besluit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is (artikel 2:15 BW). Bij de vaststelling van wat de redelijkheid en billijkheid eisen moet rekening worden gehouden met de algemeen erkende rechtsbeginselen, met de in Nederland levende rechtsovertuigingen en met de maatschappelijke en persoonlijke belangen die bij het gegeven geval betrokken zijn (artikel 3:12 BW). Bij de – marginale – toetsing van een besluit moeten alle bij het besluit betrokken belangen van de desbetreffende personen en van de vereniging worden betrokken en moet worden nagegaan of die belangen op een aanvaardbare wijze tegenover elkaar zijn afgewogen, daarbij tevens rekening houdend met de gevolgen die het besluit voor de betrokkenen en voor de vereniging heeft.

Op grond van artikel 8 lid 4 van de statuten, welk artikel gelijkluidend is aan artikel 2:35 lid 3 BW, kan een lid slechts uit het lidmaatschap worden ontzet indien het lid in strijd met de statuten, de reglementen of de besluiten van de vereniging heeft gehandeld of de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld. Een besluit tot ontzetting geldt als een maatregel van tuchtrechtelijke aard en dient slechts als uiterste middel te worden toegepast. Daarbij moet gedacht worden, indien het royementsbesluit is gegrond op onredelijke benadeling van de vereniging, aan het door handelwijze of uitlatingen in ernstig diskrediet brengen van de vereniging, aan het scheppen van een zodanig verkeerd beeld van de vereniging dat daardoor het aanzien van de vereniging ernstig wordt geschaad of aan herhaald wangedrag.
8.9.2.

Zoals blijkt uit de schriftelijke toelichting van december 2010 (hiervoor in rechtsoverweging 8.1.7 gedeeltelijk geciteerd), heeft de Vereniging aan het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap wegens onredelijke benadeling van de Vereniging ten grondslag gelegd, samengevat, dat [Appellant sub 1.] c.s. het bestuur in verband hebben gebracht met fraude en smeergeld, dat het bestuur door [Appellant sub 1.] c.s. ten onrechte intimidatie en manipulatie is verweten en dat [Appellant sub 1.] c.s. telkens onvolledig en suggestief de pers hebben geïnformeerd waardoor de Vereniging imagoschade heeft geleden. Ter onderbouwing van deze verwijten heeft de Vereniging verwezen naar de als productie 20 bij conclusie van antwoord van de Vereniging in het geding gebrachte brief van [Appellant sub 3.] van 15 maart 2009 (met name de punten 9 en 10) en het daarbij gevoegde memo van 3 maart 2009 (met name de bladzijden 4 en 5). Ook hebben [Appellant sub 1.] c.s. de Vereniging op kosten gejaagd door kort vóór de op 2 juni 2010 geplande ALV aan de orde te stellen dat de oproeping voor die vergadering te laat was verzonden en dat tijdens de geplande ALV daarom geen rechtsgeldige besluiten met betrekking tot de statuten zouden kunnen worden genomen, aldus de Vereniging.
8.9.3.

In bedoeld memo uit een veertiental leden, onder wie in ieder geval [Appellant sub 1.], [Appellant sub 4.] en [Appellant sub 3.], hun bezorgdheid met betrekking tot een aantal zaken aangaande de Vereniging, zoals het verloop van de ALV op 25 november 2008, de verantwoording over financiële zaken, onder meer met betrekking tot de Vereniging en de Stichting, en de kandidaatstelling van [Appellant sub 2.] als voorzitter van de Vereniging. Het bestuur wordt opgeroepen om met de desbetreffende verontruste leden in dialoog te gaan en gevraagd om te reageren op de uit de memo blijkende vragen. In het memo wordt onder meer vermeld: “De onafhankelijkheid van het bestuur is in het geding. Een groeiende wederzijdse afhankelijkheid vanuit de leden komt voort uit verhalen over couverts en gunsten aan leden en instanties. Vandaar dat wij het bestuur ook om openheid over dit aspect vragen”.

Naar het oordeel van het hof valt op grond van de brief en het memo, die voor wat betreft de gebruikte bewoordingen op correcte wijze zijn opgesteld en jegens het bestuur niet beledigend zijn, geenszins te concluderen dat [Appellant sub 1.] c.s. het bestuur betichten van fraude, smeergeld, intimidatie en/of manipulatie. Ook uit de overige stukken die in het geding zijn gebracht valt zulks niet op te maken. Met name ook de passage in bijlage 1 bij de fax van [Appellant sub 3.] namens de verontruste leden van 2 juni 2009, productie 30 bij conclusie van antwoord van de Vereniging: “Desgevraagd hebben wij ter vergadering bevestigd dat meerdere mensen aanwezig bij de bijeenkomst van 13 mei 2009 bekend zijn met een verhaal uit eerste hand omtrent een omvangrijke gift. (…) Wij hebben slechts een vraag gesteld omdat wij zorgen hebben”, kan naar het oordeel van het hof, anders dan de Vereniging heeft aangevoerd, redelijkerwijs niet aldus worden uitgelegd dat [Appellant sub 1.] c.s. het bestuur van de Vereniging op onbehoorlijke wijze fraude, intimidatie en manipulatie verwijten. Dat uit de passages voor het bestuuronaangename kritiek en achterdocht spreken is daartoe onvoldoende.

Mede gezien het voorgaande is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat [Appellant sub 1.] c.s. hun kritiek die zij op het bestuur hadden en mochten hebben op onbehoorlijke of respectloze wijze hebben gepresenteerd, zoals hiervoor reeds is overwogen in rechtsoverweging 8.5.2.
8.9.4.

[Appellant sub 1.] c.s. hebben betwist dat zij steeds de pers hebben gezocht teneinde (negatieve) belangstelling voor het bestuur van de Vereniging te genereren. Wel hebben zij meegewerkt – volgens [Appellant sub 1.] c.s. op zakelijk wijze – aan perspublicaties en vragen van journalisten beantwoord (punt 84a e.v. memorie van antwoord in incidenteel appel). Dat stond hun in beginsel vrij. Niet is gebleken dat [Appellant sub 1.] c.s. hun zorgen over het functioneren van de Vereniging en de Stichting op nodeloos grievende wijze bij de pers naar voren hebben gebracht en/of dat zij daarbij een zodanig verkeerd beeld van de Vereniging hebben geschapen dat daardoor het aanzien van de Vereniging in ernstige mate is geschaad.
8.9.5.

Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de Vereniging [Appellant sub 1.] c.s. bezwaarlijk kan verwijten dat zij er op stonden dat de ALV conform de statuten werd opgeroepen, ook indien dat voor de Vereniging tot kosten heeft geleid.
8.9.6.

Op grond van het hiervoor overwogene is het hof van oordeel dat de gronden die de Verenigingaan het besluit tot ontzetting van [Appellant sub 1.] c.s. uit het lidmaatschap ten grondslag heeft gelegd dat besluit geenszins kunnen dragen. Het royementsbesluit is daarom naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, zodat de rechtbank het besluit terecht en op goede gronden heeft vernietigd.

Conversie van het royementsbesluit
8.10.1. De stelling van [Appellant sub 1.] c.s. (punt 179 memorie van grieven in principaal appel) dat artikel 3:42 BW alleen kan worden toegepast ingeval sprake is van een (absoluut) nietig besluit en niet bij een vernietigbaar besluit zoals het onderhavige besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap, gaat niet op. Artikel 3:42 BW is niet alleen toepasbaar in gevallen van rechtshandelingen die van rechtswege nietig zijn, maar ook in gevallen van vernietigbare (en daadwerkelijk vernietigde) rechtshandelingen (T.M. Parl. Gesch., p. 194, en MvA II, Parl. Gesch., p. 200).
8.10.2. Tekst en strekking van artikel 3:42 BW brengen mee dat voor toepassing van die bepaling, waartoe de rechter ambtshalve bevoegd is, voldoende is dat aangenomen moet worden, objectief gezien, dat de strekking van de (ver)nietig(d)e rechtshandeling in voldoende mate beantwoordt aan die van een andere, vervangende rechtshandeling. Omdat het in strijd is met dat artikel om een (ver)nietig(d)e rechtshandeling om te zetten in een rechtshandeling die, indien van eerstgenoemde wegens haar ongeldigheid was afgezien, niet zou zijn verricht, verdient het in het algemeen aanbeveling dat de rechter niet van zijn ambtshalve bevoegdheid gebruik maakt alvorens partijen in de gelegenheid te hebben gesteld zich daarover uit te laten, zo volgt uit de uitspraak van de Hoge Raad van 22 november 2002, NJ 2003/34.

In het onderhavige geval is er naar het oordeel van het hof evenwel redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk dat, indien de Vereniging zich bewust was geweest van de vernietigbaarheid van het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap (artikel 8 lid 4 van de statuten), zij zou zijn overgegaan tot opzegging van het lidmaatschap van [Appellant sub 1.] c.s. (artikel 8 lid 3 van de statuten). Het standpunt van [Appellant sub 1.] c.s. (grief XXIII in principaal appel) dat de rechtbank, nu zij ten aanzien van de conversie geen hoor en wederhoor heeft toepast, het royement niet had mogen converteren in een opzegging van het lidmaatschap, wordt derhalve verworpen. Bovendien hebben partijen zich in ieder geval in hoger beroep over de conversie kunnen uitlaten. [Appellant sub 1.] c.s. hebben in hoger beroep niet bestreden dat de Vereniging, indien wegens de ongeldigheid van het royementsbesluit daarvan was afgezien, zou zijn overgegaan tot opzegging van het lidmaatschap.

Gronden voor opzegging
8.11.1. Een vereniging kan het lidmaatschap van een lid opzeggen indien (onder meer) redelijkerwijs van haar niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren (artikel 8 lid 3 van de statuten en artikel 2:35 lid 2 BW). Bij het nemen van een dergelijk besluit komt de vereniging een vrijheid toe die meebrengt dat een besluit tot opzegging slechts jegens het betrokken lid ontoelaatbaar is indien de vereniging in de gegeven omstandigheden, waaronder de door haar behartigde belangen, jegens het betrokken lid in redelijkheid niet tot een zodanige maatregel had kunnen komen.
8.11.2. Ook het hof is van oordeel dat, als gevolg van de geschillen tussen enerzijds [Appellant sub 1.] c.s. en anderzijds de Vereniging en een groot deel van haar leden, inmiddels een situatie is ontstaan waarin de samenwerking die nodig is voor de behartiging van de belangen waarvoor de Vereniging staat zeer moeizaam is geworden. Zoals de rechtbank heeft overwogen is er tussen beide groepen een onverenigbaarheid van karakters ontstaan die al veel conflicten heeft opgeleverd en naar het zich laat aanzien nog vele conflicten zal kunnen opleveren. Daarmee is een punt bereikt waarop van de Vereniging niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren en bestaat voldoende grond voor opzegging van het lidmaatschap. De omstandigheid dat het ontstaan van die conflicten, naar [Appellant sub 1.] c.s. hebben betoogd (grief XXXIII in principaal appel) aan het bestuur van de Vereniging zou zijn te wijten, doet daaraan niet af. Vaststaat dat het bestuur zich (formeel) gesteund weet door de ALV.
8.11.3. De stelling dat [Appellant sub 2.] zich nooit in discussies tussen de verontruste leden en het bestuur heeft gemengd, verwerpt het hof. In haar toelichting … heeft de Vereniging aangevoerd  …dat [Appellant sub 2.] aanwezig was tijdens een tussen het bestuur, adviseurs en een delegatie van verontruste leden gevoerd vervolggesprek op 25 mei 2009. Afgezien van de vraag of de stelling van de Vereniging dat [Appellant sub 2.] het gesprek naar zich toe trok, zeer nadrukkelijk stelling nam, steeds onaangenamer werd en bemiddelingspogingen frustreerde, juist is, moet de conclusie zijn dat [Appellant sub 2.] betrokkenheid had bij de verontruste leden en de door hen opgeworpen kwesties en dat die betrokkenheid rechtvaardigt dat bij de onderhavige maatregel geen onderscheid wordt gemaakt tussen enerzijds [Appellant sub 1.], [Appellant sub 3.] en [Appellant sub 4.] en anderzijds [Appellant sub 2.]. Het standpunt van [Appellant sub 1.] c.s. dat er geen enkele grond was voor opzegging van het lidmaatschap van [Appellant sub 2.], verwerpt het hof dan ook. Ook anderszins is er naar het oordeel van het hof geen aanleiding om bij de beoordeling van de geschillen tussen partijen onderscheid te maken tussen enerzijds [Appellant sub 1.], [Appellant sub 3.] en [Appellant sub 4.] en anderzijds [Appellant sub 2.].
8.11.4.

Op grond van het voorgaande kan naar het oordeel van het hof niet worden gezegd dat deVereniging in de gegeven omstandigheden, mede gelet op de door haar behartigde belangen, jegens [Appellant sub 1.], [Appellant sub 2.], [Appellant sub 3.] en/of [Appellant sub 4.] in redelijkheid niet tot opzegging van het lidmaatschap had kunnen komen. De in rechtsoverweging 8.4 onder 2 en 3 vermelde vorderingen zijn derhalve niet toewijsbaar.

Rectificatie
8.12.

Naar het oordeel van het hof is met de door de rechtbank bevolen rectificatie, gelet op de voorgeschreven tekst (hiervoor geciteerd in rechtsoverweging 8.2.8) en wijze van publicatie (door middel van een mededeling op www.kringvrienden.nl, in een aan alle leden te versturen circulaire en door plaatsing van de rectificatie in het verenigingsblad KringNieuws), in voldoende mate tegemoetgekomen aan het belang van [Appellant sub 1.] c.s. om tegenover (in ieder geval) de leden van de Vereniging in hun eer en goede naam te worden hersteld. Daartoe is niet ook nog vereist, anders dan [Appellant sub 1.] c.s. hebben aangevoerd, dat de rectificatie tijdens de eerstvolgende ALV wordt voorgelezen. Naar het oordeel van het hof kan worden aangenomen dat de leden van deVereniging reeds genoegzaam kennis hebben genomen van de door de rechtbank uitgesproken veroordeling door middel van de website, het verenigingsblad en met name de toezending van de circulaire aan alle leden van de Vereniging.

Mede in aanmerking genomen hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 8.5.8 is overwogen met betrekking tot de daar bedoelde, gevorderde verklaringen voor recht, is het hof van oordeel dat de door de rechtbank bevolen rectificatietekst in voldoende mate en op juiste wijze recht doet aan het belang van [Appellant sub 1.] c.s. om zoveel mogelijk in hun goede naam te worden hersteld.

Schadevergoeding
8.13.

Rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, zoals die uit het bovenstaande blijken, acht het hof toekenning naar billijkheid van een bedrag van € 2.500,- aan schadevergoeding aan ieder van [Appellant sub 1.] c.s. passend. Grief XIII in principaal appel slaagt in zoverre.

Proceskosten van de eerste aanleg
8.14.

De rechtbank heeft de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten veroordeeld. De grief die zij tegen deze proceskostenveroordeling hebben gericht faalt. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat de toegewezen vorderingen (vernietiging van het royementsbesluit, een verklaring voor recht dat uitlatingen van [Geintimeerde sub 2.] onrechtmatig waren, het bevel tot rectificatie en toekenning van schadevergoeding) die beslissing rechtvaardigen.

Tot slot
8.15.1.

Gezien het voorgaande slagen de grieven in principaal appel voor zover die betrekking hebben op de vermelding in het KringNieuws van maart 2011 en op de hoogte van de toegekende vergoeding van immateriële schadevergoeding. Het hof zal het bestreden vonnis in zoverre vernietigen en nieuwe beslissingen geven. De overige grieven in principaal appel falen. Het hof ziet daarin aanleiding de proceskosten van het principaal appel (in de hoofdzaak) tussen partijen te compenseren.

De kosten van het incident, dat strekte tot beperking van de omvang van het principaal appel en waarbij de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] in het ongelijk zijn gesteld, dienen voor rekening van laatstgenoemden te komen.
8.15.2

In incidenteel appel slaagt grief 16 van [Geintimeerde sub 2.]. Het bestreden vonnis zal derhalve worden vernietigd voor zover daarbij het verbod is gegeven om in de toekomst onrechtmatige uitlatingen te doen. Voor het overige falen de grieven van de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] in incidenteel appel. Het hof ziet daarin aanleiding de proceskosten van het incidenteel appel tussen partijen te compenseren,

9 De uitspraak

Het hof:
in principaal appel
vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij:

(i) de vorderingen van [Appellant sub 1.] c.s. strekkende tot een verklaring voor recht dat de hiervoor in rechtsoverweging 8.5.7 geciteerde uitlating in het verenigingsblad KringNieuws van maart 2011 jegens [Appellant sub 1.] c.s. onrechtmatig is en tot veroordeling van de Vereniging om die uitlating van de website www.kringvrienden.nl te verwijderen, zijn afgewezen;

(ii) de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] hoofdelijk zijn veroordeeld om aan ieder van [Appellant sub 1.] c.s. een schadevergoeding te betalen van € 1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, zijnde 19 oktober 2010, tot aan die van voldoening (punt 5.6 van het dictum);

in zoverre opnieuw rechtdoende:
verklaart voor recht dat de uitlating van het bestuur van de Vereniging in het verenigingsblad KringNieuws van maart 2011: “Een royement van leden is niet eerder in het bestaan van de Kring voorgekomen. Het is in de ogen van het bestuur een allerlaatste middel om personen die het belang van de vereniging ernstig schaden uit de vereniging te verwijderen.” onrechtmatig is jegens [Appellant sub 1.] c.s.;

veroordeelt de Vereniging om die uitlating binnen een week na betekening van dit arrest van de website www.kringvrienden.nl te verwijderen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag met een maximum van € 10.000,-;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan ieder van [Appellant sub 1.] c.s. een schadevergoeding te betalen van € 2.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 19 oktober 2010 tot de dag van voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in principaal appel voor wat betreft de hoofdzaak, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

veroordeelt de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] in de proceskosten van het incident, welke kosten tot op heden aan de zijde van [Appellant sub 1.] c.s. worden begroot op € 894,- aan salaris advocaat;

verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

in incidenteel appel
vernietigt het bestreden vonnis voor zover daarbij het de Vereniging en [Geintimeerde sub 2.] is verboden om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van [Appellant sub 1.] c.s. aantasten en de Vereniging onderscheidenlijk [Geintimeerde sub 2.] zijn veroordeeld om aan elk van diegenen van [Appellant sub 1.] c.s. jegens wie de Vereniging of [Geintimeerde sub 2.] in strijd met dat verbod handelen, een dwangsom te betalen van € 5.000 voor elke overtreding (punt 5.4 van het dictum);
compenseert de proceskosten in incidenteel appel, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in principaal en incidenteel appel

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Verklaring voor recht over voorgenomen royement (Golf Federatie)

Rechtbank Midden-Nederland 27 maart 2013 LJN BZ5780 (Golf Federatie)

Conflict tussen Golf Federatie (vereniging) en golfclub (stichting) welke lid is van de federatie. In conventie stelt de stichting dat de federatie misbruik maakt van economische machtspositie door een andere stichting, opgericht door de federatie voor te trekken. In reconventie opvallende vordering “te verklaren voor recht dat het bestuur van [de federatie] rechtmatig kan besluiten tot ontzetting van [de stichting]”, dus vooraf. Verklaring voor recht wordt overigens afgewezen, te late betaling contributie is niet voldoende.

Vonnis van 27 maart 2013 in de zaak van
1. de stichting STICHTING VOOR ONAFHANKELIJK CLUBGOLF,
2. de stichting STICHTING NEDERLANDSE ORGANISATIE VOOR VRIJE GOLFERS (NOVVG),
tegen
1. de vereniging NEDERLANDSE GOLF FEDERATIE,
2. de stichting STICHTING TOT BEVORDERING VAN DE GOLFSPORT,

Partijen zullen hierna worden genoemd:
VOC c.s. (eiseressen in conventie / verweersters in reconventie),
VOC (eiseres sub 1 in conventie / verweerster sub 1 in reconventie),
NOVVG (eiseres sub 2 in conventie / verweerster sub 2 in reconventie),
NGF c.s. (gedaagden in conventie / eiseressen in reconventie),
NGF (gedaagde sub 1 in conventie / eiseres sub 1 in reconventie)
SBG (gedaagde sub 2 in conventie / eiseres sub 2 in reconventie).

1. De procedure
1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 17 oktober 2012
– het proces-verbaal van comparitie van 7 februari 2013.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten
2.1. NGF is de overkoepelende organisatie van golfclubs in Nederland, waarvan golfclubs lid kunnen worden. De statutaire doelen van NGF zijn het bevorderen van de golfsport en het behartigen van de belangen van haar leden (hierna: de golfclubs).

2.2. De golfclubs leiden golfers op voor het golfvaardigheidsbewijs (het zogeheten Clubhandicap 54; hierna het GVB). Een golfer kan lid worden van een golfclub door zijn GVB bij die golfclub te laten registreren. Elke golfclub dient ieder jaar een bedrag van € 16,00 aan NGF af te dragen voor elk GVB dat op de peildatum van 1 juli bij de golfclub staat geregistreerd.

2.3. De golfclubs zijn onder te verdelen in golfclubs met een golfbaan, de A-, B- en C clubs, en in golfclubs zonder golfbaan, de D-clubs. VOC en NOVVG zijn D-clubs. Naast het opleiden van golfers voor het GVB bieden D-clubs andere diensten aan, zoals golfwedstrijden, golfclinics en golfreizen.

2.4. NGF heeft in het jaar 2000 SBG opgericht met als doel inactieve golfers te binden en te motiveren in de toekomst weer lid te worden van een golfclub. SBG biedt in dat kader uitsluitend het registreren van GVB’s en handicaps aan. Het registreren van een GVB kost bij SBG € 20,00 en het registreren van een handicap € 60,00. SBG neemt vanaf 1 april 2013 geen nieuwe leden meer aan.

3. Het geschil
in conventie
3.1. VOC c.s. vordert, uitvoerbaar bij voorraad:

primair

1) te verklaren voor recht dat NGF heeft gehandeld in strijd met artikel 24 en/of artikel 6 van de Mededingingswet (Mw) en aldus onrechtmatig jegens VOC c.s. heeft gehandeld,

3.2. NGF c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie
3.3. NGF vordert, uitvoerbaar bij voorraad:
1) te verklaren voor recht dat het bestuur van NGF rechtmatig kan besluiten tot ontzetting van VOC als D-club,
2) VOC te veroordelen tot betaling van € 35.840,00, vermeerderd met rente,
3) VOC c.s. te veroordelen in de proceskosten.

3.4. VOC voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
in conventie
4.1. VOC c.s. betoogt dat NGF in strijd met artikel 6 Mw handelt. …
4.4. … Het betoog van VOC c.s. dat NGF in strijd handelt met artikel 6 Mw volgt de rechtbank reeds hierom niet.

4.5. VOC c.s. betoogt dat NGF in strijd met artikel 24 Mw handelt. … NGF maakt misbruik van haar machtspositie door SBG allerlei voordelen te bieden die leiden tot een aanmerkelijk zwakkere concurrentiepositie van andere D-clubs, …


4.7. Tussen partijen is niet in geschil dat NGF een onderneming in de zin van artikel 24 Mw is. Aan het eerste element is dus voldaan. Het tweede element is uitdrukkelijk in geschil tussen partijen. De vraag welke markt de relevante markt in dit kader is en de vervolgvraag of NGF een machtspositie op die markt heeft, kunnen echter onbeantwoord blijven, omdat, zoals hierna zal blijken, in ieder geval niet is gebleken dat aan het derde element is voldaan, namelijk dat NGF misbruik maakt van een machtspositie. …

4.11. Uit het voorgaande volgt dat onderdeel 1 van de (primaire) vordering niet toewijsbaar is. Niet is gebleken dat NGF onrechtmatig handelt door inbreuk te maken op het verbod van artikel 6 Mw of het verbod van artikel 24 Mw. …

in reconventie
4.13. Ter comparitie is gebleken dat VOC het gevorderde bedrag van € 35.840,00 heeft betaald. Onderdeel 2 van de vordering is dan ook, met uitzondering van de gevorderde rente, niet toewijsbaar.

4.14. Onderdeel 1 van de vordering ziet op een verklaring voor recht dat het bestuur van NGF rechtmatig kan besluiten tot ontzetting van VOC als D-club. NGF stelt in dat kader dat VOC zich moedwillig aan een deel van haar betalingverplichting jegens NGF heeft onttrokken door de ledenaantallen op de peildatum van 1 juli 2011 te manipuleren en dat zij op die wijze NGF op onredelijke wijze heeft benadeeld.

4.15. Een lidmaatschap van een vereniging kan eindigen door ontzetting van het lid als dat lid de vereniging op onredelijke wijze heeft benadeeld (artikel 2:35 lid 1 onder d juncto lid 3 BW). In dit geval is van benadeling in de hiervoor bedoelde zin geen sprake. VOC heeft weliswaar in verband met de afdracht van registratiegelden naar de peildatum van 1 juli 2011 in eerste instantie € 35.840,00 te weinig aan NGF betaald, maar niet is gebleken dat VOC NGF daardoor op onredelijke wijze heeft benadeeld. Dit zou anders kunnen zijn indien VOC, zoals NGF stelt, moedwillig de ledenaantallen heeft gemanipuleerd om minder aan NGF te hoeven af te dragen. VOC heeft ter comparitie echter verklaard dat de te lage ledenaantallen op de peildatum waren veroorzaakt door een softwareprobleem. NGF heeft in het licht van deze verklaring haar stelling dat VOC de ledenaantallen heeft gemanipuleerd, onvoldoende (nader) onderbouwd.

4.16. De proceskosten worden gecompenseerd, omdat partijen over en weer als de in het (on)gelijk gestelde partij moeten worden beschouwd. Hoewel beide onderdelen van de vordering (op enige rente na) niet toewijsbaar zijn, had NGF belang bij onderdeel 2 van de vordering; het gevorderde bedrag van € 35.840,00 is immers eerst na het instellen van de eis in reconventie betaald.

5. De beslissing

Dwangsommen onjuist gebruik “geroyeerden”

Hof ‘s-Hertogenbosch 12 maart 2013 LJN BZ4043 (Kring Vrienden)
en Voorzieningenrechter Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 23 juli 2012, LJN BX2731

Royement van leden is in eerder vonnis vernietigd, toen is verbod onder dwangsom  opgelegd aan vereniging om uitlatingen te doen die eer en goede naam van de oud-leden aantasten. Vereniging noemt oud-leden “geroyeerden” in jaarverslag en nieuwsbericht. Dit is onjuist, onnodig en heeft een negatieve lading, echter toch geen dwangsommen verbeurd volgens Hof, wel eerder volgens rechtbank (E 40.000,- aan dwangsommen).


arrest van 12 maart 2013
in de zaak van
de vereniging Kring Vrienden van [vestigingsplaats],
tegen:
1. [Geintimeerde sub 1.] c.s. ,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 augustus 2012 ingeleide hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank ‘s-Hertogenbosch gewezen vonnis van 23 juli 2012 tussen appellante – de Vereniging – als eiseres en geïntimeerden – gezamenlijk: [geintimeerde sub 1.] c.s. – als gedaagden.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknr. 248481/KG ZA 12-395)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Bij memorie van grieven heeft de Vereniging tien grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en, kort gezegd, tot toewijzing alsnog van haar vordering met hoofdelijke veroordeling van [geintimeerde sub 1.] c.s. om aan de Vereniging terug te betalen het krachtens het vonnis aan [geintimeerde sub 1.] c.s. betaalde bedrag van € 41.083,– met rente.

2.2. Bij memorie van antwoord hebben [geintimeerde sub 1.] c.s. onder overlegging van een productie de grieven bestreden.

2.3. De Vereniging heeft een akte genomen.

2.4. [geintimeerde sub 1.] c.s. hebben een antwoordakte met productie genomen.

2.5. Partijen hebben daarna de gedingstukken overgelegd en uitspraak gevraagd.

3. De gronden van het hoger beroep

Voor de tekst van de grieven wordt verwezen naar de memorie van grieven.

4. De beoordeling

4.1 Geen grieven zijn gericht tegen de feiten, zoals weergegeven in onderdeel 2 van het beroepen vonnis. Het hof zal daar derhalve vanuit gaan. Voor de leesbaarheid van dit arrest zal het hof hierna de relevante feiten kort weergeven.

a. [geintimeerde sub 1.] c.s. zijn lid geweest van de Vereniging. Zij zijn op 25 juni 2010 tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) van de Vereniging geroyeerd. [geintimeerde sub 1.] c.s. zijn tegen dit besluit in beroep gekomen bij de ALV. De ALV heeft op 26 januari 2011 het beroep van [geintimeerde sub 1.] c.s. ongegrond verklaard.

b. [geintimeerde sub 1.] c.s. hebben vervolgens de Vereniging en haar toenmalige voorzitter [oud-voorzitter van de Vereniging] (hierna: [oud-voorzitter van de Vereniging]) gedagvaard voor de rechtbank ’s-Hertogenbosch en hebben voor zover thans van belang kort weergegeven gevorderd voor recht te verklaren dat het royementsbesluit nietig is en dat bepaalde uitlatingen van de voormalige voorzitter op de ALV van 25 juni 2010 onrechtmatig zijn geweest. Voorts hebben zij een verbod gevorderd tot het doen van uitlatingen die [geintimeerde sub 1.] c.s. in hun eer en goede naam aantasten en gevorderd dat [geintimeerde sub 1.] c.s. hersteld worden in hun lidmaatschapsrechten.

c. De rechtbank heeft bij vonnis van 7 december 2011 (zaaknr. 220902/HA ZA 10-2538, prod. 1 inl. dagv.) onder meer beslist:

“5.1. verklaart nietig het besluit van de Vereniging, genomen op of omstreeks 25 juni 2010 door haar bestuur en bekrachtigd in beroep op 26 januari 2011 door haar algemene ledenvergadering, bij welk besluit eisers als lid werden ontzet uit hun lidmaatschap;

5.2. kent aan dit nietige besluit de werking toe van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap aan eisers per januari 2011;

5.3. verklaart voor recht dat de op de algemene ledenvergadering van de Vereniging van 25 juni 2010 gedane uitlatingen van [oud-voorzitter van de Vereniging] van de strekking:
(1) dat eisers het bestuur van de Vereniging hadden beticht van (1a) zakkenvullers en oplichters te zijn en (1b) zich van Gestapo-methoden bediend te hebben;
(2) dat eisers misbruik van een mandaat te hebben gemaakt;
3) dat eisers in een brief aan de gemeente op onsmakelijke wijze de mogelijkheid van het overlijden van [oud-voorzitter van de Vereniging] ter sprake hebben gebracht, terwijl eisers in genen dele dergelijke betichtingen hebben geuit, dergelijk misbruik hebben gemaakt of dergelijke onsmakelijkheden hebben geuit, onrechtmatig zijn;

5.4. verbiedt de Vereniging en [oud-voorzitter van de Vereniging] om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eisers aantasten, en veroordeelt de Vereniging onderscheidenlijk [oud-voorzitter van de Vereniging] om aan elk van diegenen van eisers jegens wie de Vereniging of [oud-voorzitter van de Vereniging] in strijd met dit verbod handelen, een dwangsom te betalen van € 5.000 voor elke overtreding van dit verbod;
(…)

5.8. verklaart dit vonnis voor de in dit dictum 5.4. tot en met 5.7. uitgesproken verboden en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad”.

d. Het vonnis is op 15 december 2011 aan de Vereniging betekend. Zowel [geintimeerde sub 1.] c.s. als de Vereniging hebben hoger beroep ingesteld van dit vonnis. Het is het hof ambtshalve bekend dat nog geen arrest is gewezen.

e. In mei 2012 heeft de Vereniging het Kring Nieuws, een periodieke uitgave van de Vereniging, onder al haar leden verspreid. In dat Kring Nieuws is als bijlage gevoegd de agenda voor de ALV van 26 juni 2012 en het jaarverslag Kring 2011. Op de voor een ieder toegankelijke website van de Vereniging staat eveneens een exemplaar van deze uitgave van het Kring Nieuws.

f. In het jaarverslag Kring 2011 is onder meer het volgende opgenomen (prod. 3 pleitnotities [geintimeerde sub 1.] c.s.):

“4.5. Royementen
Vanaf het einde van 2008 tot medio 2011 heeft de Kring te maken gehad met zeer veel publiciteit. Die publiciteit is helaas niet steeds positief geweest. De ALV van einde 2008 en van 2009 waren daar het bewijs van. De reguliere jaarlijkse ALV in 2010 heeft zelfs op een later tijdstip plaatsgehad, nadat bleek dat deze op de aanvankelijk vastgestelde datum niet kon doorgaan.
In de ALV van 25 juni 2010 heeft het bestuur het royement uitgesproken van een viertal ledenvan de Kring. Deze geroyeerde leden hebben gebruik gemaakt van het recht dat zij hebben om tegen hun royement beroep in te stellen bij de ALV. Dit beroep is behandeld in een extra ALV op 26 januari 2011. De ALV heeft met een ruime meerderheid dit beroep afgewezen en hetroyement in stand gelaten.
De desbetreffende leden hebben mede naar aanleiding hiervan de Kring en de oud-voorzitter, de heer [oud-voorzitter van de Vereniging], bij de rechter gedaagd. Het beroep bij de rechtbank is op 11 november 2011 bij de rechtbank behandeld, waarna de rechtbank op 7 december 2011 uitspraak heeft gedaan.
De rechtbank kwam tot de conclusie dat de Kring deze vier leden niet had mogen royeren, maar dat door de ontstane situatie er onoverbrugbare verschillen van mening waren waardoor van de Kring niet gevergd kon worden het lidmaatschap van de Kring van deze vier leden te laten voortduren. De rechtbank heeft op die grond het royement omgezet in een opzegging van het lidmaatschap van de Kring. De rechtbank heeft verder uitgesproken dat bepaalde uitlatingen van de heer [oud-voorzitter van de Vereniging] tijdens de ALV van 25 juni 2010 onrechtmatig waren en dat hierom de Kring en de heer [oud-voorzitter van de Vereniging] deze uitlatingen op straffe van een dwangsom niet meer mogen doen. Daarnaast heeft de rechtbank de Kring veroordeeld om een rectificatie te sturen en te plaatsen en zijn de Kring en de heer [oud-voorzitter van de Vereniging] veroordeeld om aan ieder van de geroyeerde leden een schadevergoeding te betalen van € 1.500,-. De Kring heeft aan alle verplichtingen van het vonnis voldaan.
Tegen dit vonnis stond tot 7 maart 2012 hoger beroep open bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Het bestuur was na afweging van alle aan deze zaak verbonden aspecten van oordeel dat het voor het functioneren van de vereniging beter zou zijn deze kwestie af te sluiten en om die reden tegen het vonnis van de rechtbank geen hoger beroep in te stellen. Op 6 maart 2012 hebben vier voormalige leden echter wel hoger beroep ingesteld.
Het bestuur zal zich namens de Kring hiertegen verweren. Het zal duidelijk zijn dat dit in allerlei opzichten een fors beslag legt op het bestuur.”

g. In het Kring Nieuws van mei 2012 is in de rubriek “Paradepaardjes” de volgende tekst opgenomen (prod. 2 pleitnotities [geintimeerde sub 1.] c.s.):

“Royementen
De kring heeft in 2010 een viertal leden geroyeerd. De ALV heeft in januari 2011 met deze royementen ingestemd. De geroyeerde leden hebben hiertegen beroep ingesteld en de Kring en haar oud-voorzitter, de heer [oud-voorzitter van de Vereniging], bij de rechtbank in ’s-Hertogenbosch gedagvaard. De rechtbank heeft op 7 december 2011 uitspraak gedaan. De rechter vond royementen te ver gaan, maar heeft deze – van de Kring kon naar de mening van de rechtbank vanwege de onoverbrugbare verschillen van mening niet worden gevergd dat het lidmaatschap bleef bestaan – omgezet in een opzegging van het lidmaatschap. Ook heeft de rechtbank uitgesproken dat bepaalde uitlatingen van de heer [oud-voorzitter van de Vereniging] onrechtmatig waren. De Kring is veroordeeld tot een rectificatie en het betalen van een schadevergoeding van € 1500,00 voor elk van de geroyeerden. De Kring heeft aan dit vonnis voldaan. Tegen deze uitspraak van de rechtbank stond tot 7 maart 2012 beroep open bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Het bestuur was na afweging van alle aan deze zaak verbonden aspecten tot de conclusie gekomen dat het voor de Kring beter was deze kwestie af te sluiten en geen hoger beroep in te stellen.
De geroyeerden hebben echter op 6 maart 2012 wel hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep komt – kort gezegd – er op neer dat zij meer rectificatie, meer schadevergoeding en herstel in het lidmaatschap van de Kring willen. Het bestuur zal zich namens de Kring op gepaste wijze tegen dit hoger beroep verweren.”

h. Bij brief van 24 mei 2012 (prod. 5 inl. dagv.) aan de raadsman van de Vereniging hebben [geintimeerde sub 1.] c.s. zich op het standpunt gesteld dat de Vereniging zowel in voormelde tekst van het jaarverslag als in voormelde tekst van het Kring Nieuws [geintimeerde sub 1.] c.s. telkens heeft aangeduid als “de geroyeerden” en dat dit niet alleen een onjuiste maar ook een diffamerende aanduiding is en dat hiermee telkens – derhalve twee maal – het in 4.5. van het vonnis van 7 december 2011 genoemde verbod (hierna: het Verbod) is overtreden jegens [geintimeerde sub 1.] c.s. en dat de Vereniging derhalve in totaal € 40.000,– aan dwangsommen heeft verbeurd, waarvan bij gebreke van betaling de executie is aangezegd.

4.2.1 In het onderhavige kort geding vordert de Vereniging kort weergegeven dat het [geintimeerde sub 1.] c.s. verboden wordt de door hen aangekondigde executie van dwangsommen uit het vonnis van 7 december 2011 ten uitvoer te leggen, een en ander op straffe van een dwangsom van € 20.000,– voor ieder van gedaagden.

4.2.2 [geintimeerde sub 1.] c.s. hebben als verweer aangevoerd dat de Vereniging twee maal het in onderdeel 5.4. van het vonnis van 7 december 2011 gegeven verbod heeft overtreden door – kort weergegeven – zowel in het Kring Nieuws als in het jaarverslag, los van de selectieve en op onderdelen incorrecte en soms eufemistische samenvatting van het vonnis, [geintimeerde sub 1.] c.s. telkens aan te duiden als “de geroyeerden” of met woorden met een dergelijke strekking.

4.2.3 De voorzieningenrechter heeft in het beroepen vonnis onder meer geoordeeld dat de Vereniging door het gebruik van de termen “geroyeerden” en “geroyeerde leden” in het Kring Nieuws en in het jaarverslag de eer en goede naam van [geintimeerde sub 1.] c.s. heeft aangetast en daarmee twee maal ten aanzien van [geintimeerde sub 1.] c.s. het Verbod heeft overtreden.
De voorzieningenrechter heeft in verband daarmee de vordering van de Vereniging afgewezen.

4.3 De grieven richten zich tegen voormeld – zie hiervoor 4.2.3 – oordeel van de voorzieningenrechter en tegen een groot aantal overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid alsmede tegen het oordeel van de rechtbank dat er geen reden is tot matiging van de dwangsommen. Gelet op de onderlinge samenhang van de grieven zal het hof hierna de grieven gezamenlijk beoordelen.

4.4 Uit de aard van de vordering – staking van de executie – blijkt naar het oordeel van het hof het spoedeisende belang van deze zaak.

4.5 Het hof stelt voorop dat de beantwoording van de vraag of dwangsommen zijn verbeurd in casu dient plaats te vinden door een toetsing van voornoemde schriftelijke uitlatingen van de Vereniging aan de inhoud van de veroordeling, zoals deze door uitleg moet worden vastgesteld. Daarbij dient het hof het doel en de strekking van de veroordeling tot richtsnoer te nemen in die zin, dat de veroordeling niet verder strekt dan tot het bereiken van het daarmee beoogde doel. Het onderhavige Verbod is in algemene termen omschreven. Anders dan de Vereniging aanvoert, brengt dit niet mee dat het Verbod onvoldoende duidelijk is. In veel gevallen, zoals ook het onderhavige, brengt de aard van het door een verbod te beschermen belang mee dat de omschrijving van het verbod, teneinde dit effectief te doen zijn, slechts kan geschieden in meer algemene termen. De draagwijdte van het verbod moet dan echter beperkt worden geacht tot die handelingen waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op het belang tegen aantasting waarvan het verbod is gegeven, inbreuken als door de rechter verboden, opleveren. Hiernaast geldt de algemene regel dat een in het dictum van een rechterlijk vonnis neergelegde veroordeling moet worden gelezen in verband met de overwegingen waarop zij steunt.

4.6 Met name gelet op het laatstgenoemde criterium voor de uitleg van een veroordeling verwerpt het hof voorshands de visie van de Vereniging, dat het Verbod slechts in samenhang gelezen kan worden met en in uitleg beperkt wordt tot de onrechtmatig geachte uitlatingen van [oud-voorzitter van de Vereniging], zoals weergegeven in 5.3. van het dictum van het vonnis van 7 december 2011. In rechtsoverweging 4.19 van het vonnis van 7 december 2011 overweegt de rechtbank immers dat het onderhavige Verbod toegewezen zal worden “om herhaling (bij voorbeeld bij debat over de juistheid van dit vonnis) te voorkomen”.

4.7 Met betrekking tot de hiervoor geciteerde uitlatingen van de Vereniging in het jaarverslag komt het hof voorshands tot het volgende oordeel.
De eerste drie alinea’s van het jaarverslag bevatten een zeer beknopte weergave van het besluit tot royement van [geintimeerde sub 1.] c.s. door het bestuur van de Vereniging, de bekrachtiging van dit besluit door de ALV en de vernietiging van het besluit door de rechter. Waar in de vierde alinea van het geciteerde stuk [geintimeerde sub 1.] c.s. aangeduid worden als “geroyeerde leden” is dit naar het oordeel van het hof niet alleen onjuist – het besluit tot royement is vernietigd – maar ook onnodig. Immers, [geintimeerde sub 1.] c.s. hadden vanaf in ieder geval de vierde alinea ook aangeduid kunnen worden als “de vier voormalige leden”, zoals in de vijfde alinea van dit stuk is geschied. Dit klemt temeer nu deze aanduiding naar het oordeel van het hof op zich zelf bezien een negatieve lading heeft. Het hof verwijst daarvoor naar artikel 8 lid 4 van de statuten van de Vereniging, waarin staat vermeld op welke gronden een lid van de Vereniging ontzet kan worden uit het lidmaatschap; een ander woord voor een dergelijke ontzetting is royement. Ook overigens heeft het geroyeerd worden als lid van een Vereniging naar het oordeel van het hof een meer of minder negatieve uitstraling.
De omstandigheid dat het woord “royement” in geheel ander verband – bij voorbeeld in het burgerlijk procesrecht – een neutrale betekenis heeft, doet hieraan niet af.

Door zich op deze wijze over [geintimeerde sub 1.] c.s. uit te laten, heeft de Vereniging naar het oordeel van het hof een groot risico op zich genomen dat zij het Verbod zou overtreden en dwangsommen zou verbeuren. Immers, het doel van het Verbod was dat de Vereniging in de toekomst zou nalaten uitlatingen te doen die de eer en goede naam van [geintimeerde sub 1.] c.s. aantasten.
Echter, naar het oordeel van het hof dient het hiervoor geciteerde stuk in het jaarverslag als één geheel te worden gelezen; het hof ziet voorshands niet in waarom dit niet de meest voor de hand liggende wijze van lezen van dit stuk is. Het gaat immers om een in omvang relatief beperkte tekst, waarvan de strekking kennelijk is om de leden op de hoogte te stellen van het vonnis en het door [geintimeerde sub 1.] c.s. daartegen ingestelde hoger beroep. Bij een dergelijke lezing kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet geconcludeerd worden dat in ernst niet kan worden betwijfeld dat dit gehele stuk, waarvan onderdeel uitmaken de hiervoor bedoelde passages “geroyeerde leden”, een inbreuk van het door de rechter gegeven Verbod oplevert. Dit oordeel wordt niet anders indien het hof daarbij in aanmerking neemt dat in het geciteerde stuk uit het jaarverslag de relevante beslissingen in het vonnis selectief en deels niet geheel juist worden weergegeven.
Naar het voorlopig oordeel van het hof heeft de Vereniging op deze grond derhalve geen dwangsom verbeurd.

4.8 Met betrekking tot het hiervoor geciteerde stuk uit het Kring Nieuws van mei 2012 geldt het volgende.
[geintimeerde sub 1.] c.s. betogen dat er in dit stuk sprake is van overtreding van het Verbod door de passage “de geroyeerden hebben echter op 6 maart 2012 wel hoger beroep ingesteld”.
Ook hier geldt hetgeen het hof reeds hiervoor in 4.7 heeft overwogen. Het gaat hier om een stuk met kennelijk dezelfde strekking: het informeren van de leden over het vonnis en het door [geintimeerde sub 1.] c.s. ingestelde hoger beroep. Ook hier geldt dat in de door [geintimeerde sub 1.] c.s. weergegeven passage de term “geroyeerden” onjuist en nodeloos is gebruikt en dat de term “geroyeerden” een negatieve betekenis heeft. Mede gelet op de zeer beknopte tekst en voornoemde strekking van het stuk kan naar het voorlopig oordeel van het hof niet geconcludeerd worden dat in ernst niet kan worden betwijfeld dat dit gehele stuk, waarvan onderdeel uitmaakt de hiervoor bedoelde woorden “de geroyeerden”, een inbreuk van het door de rechter gegeven Verbod oplevert. Dit oordeel wordt niet anders indien het hof daarbij in aanmerking neemt dat in het geciteerde stuk uit het jaarverslag de relevante beslissingen in het vonnis selectief en deels niet geheel juist worden weergegeven.
Ook op deze grond heeft de Vereniging naar het voorlopig oordeel van het hof geen dwangsom verbeurt.

4.9 Nu naar het voorlopig oordeel van het hof de Vereniging geen dwangsommen heeft verbeurd, behoeft het hof niet in te gaan op hetgeen de Vereniging overigens aanvoert. Het beroepen vonnis dient vernietigd te worden. Het hof zal opnieuw rechtdoende op de voet van art. 438 Rv de executie van de dwangsommen, aangekondigd in de brief van 24 mei 2012 van mr. Jessen, schorsen totdat in een bodemprocedure anders is beslist.
Nu [geintimeerde sub 1.] c.s. niet hebben weersproken dat de Vereniging uitvoering heeft gegeven aan het – thans vernietigde – beroepen vonnis van 23 juli 2012 door betaling van € 41.083,–zal het hof voorts de vordering van de Vereniging tot terugbetaling van het betaalde bedrag ad € 41.083,– met wettelijke rente, toewijzen.
[geintimeerde sub 1.] c.s. dienen als de in eerste aanleg en in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij veroordeeld te worden in de kosten van de procedure.

5. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank ’s-Hertogenbosch in kort geding van 23 juli 2012 en opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat [geintimeerde sub 1.] c.s. de executie van de dwangsommen, zoals aangezegd bij brief van 24 mei 2012 van mr. Jessen, schorsen totdat in een bodemprocedure anders is beslist;

veroordeelt [geintimeerde sub 1.] c.s. tot terugbetaling aan de Vereniging van een bedrag van € 41.083,–, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag der betaling aan [geintimeerde sub 1.] c.s. tot aan de dag der algehele voldoening;

veroordeelt [geintimeerde sub 1.] c.s. in de kosten van de procedure, welke kosten het hof tot op heden aan de zijde van de Vereniging begroot
– voor de eerste aanleg op € 842,– voor verschotten en € 816,– voor salaris advocaat;
– voor het hoger beroep op € 1.905,64 voor verschotten en op € 1.737,– voor salaris advocaat;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. T. Rothuizen-van Dijk, C.N.M. Antens en J.C.J. van Craaikamp en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 12 maart 2013.



Vonnis rechtbank LJN: BX2731
vonnis
RECHTBANK ‘S-HERTOGENBOSCH

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 248481 / KG ZA 12-395

Vonnis in kort geding van 23 juli 2012

in de zaak van

de vereniging
KRING VRIENDEN VAN ‘S-HERTOGENBOSCH,
gevestigd te ’s-Hertogenbosch,
eiseres,
advocaat mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven,

tegen

1. [gedaagde 1],
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],
4. [gedaagde 4],
allen wonende te [woonplaats],
gedaagden,
advocaat mr. F.C.J.J. Jessen te ’s-Hertogenbosch.

Eiseres zal als de Vereniging en gedaagden zullen als [X] c.s. worden aangeduid.

1. De procedure

1.1. De procedure blijkt uit:
– de dagvaarding van 18 juni 2012, met 5 producties,
– de brief van mr. Jessen van 22 juni 2012, met 3 producties,
– het faxbericht van mr. Nieuwenhuizen van 3 juli 2012 met twee aanvullende producties,
– de mondelinge behandeling op 12 juli 2012,
– de pleitnota van de Vereniging,
– de pleitnota van [X] c.s.

1.2. Een minnelijke regeling is ter zitting niet haalbaar gebleken. Vervolgens is vonnis bepaald. Het vonnis was eerder gereed dan voorzien, zodat de uitspraak kon worden vervroegd.

2. De feiten

2.1. De Vereniging stelt zich ten doel de historische en culturele waarden van
’s-Hertogenbosch te bewaken en te bevorderen, alsmede de heemkunde met betrekking tot het Bossche te beoefenen. D[Y] (verder: [Y]) was tot in juni 2011 voorzitter van de Vereniging.

2.2. [X] c.s. zijn lid van de Vereniging geweest. Zij zijn op 25 juni 2010 tijdens de algemene ledenvergadering (ALV) van de Vereniging geroyeerd. [X] c.s. konden zich met het royementsbesluit niet verenigen en zijn daartegen tijdig in beroep gekomen bij de ALV. In haar vergadering van 26 januari 2011 heeft de ALV het beroep ongegrond verklaard.

2.3. [X] c.s. zijn tegen de Vereniging en [Y] een bodemprocedure begonnen bij deze rechtbank. Zij hebben, voorzover hier van belang, gevorderd voor recht te verklaren dat er geen sprake is van een royementsbesluit, althans dat dit besluit nietig is, herstel in hun lidmaatschapsrechten, verklaring voor recht dat bepaalde uitlatingen van [Y] op de ALV van 25 juni 2010 onrechtmatig zijn geweest en een verbod tot het doen van uitlatingen die [X] c.s. in hun eer en goede naam aantasten.

2.4. De rechtbank heeft op 7 december 2011 vonnis gewezen (zaak- en rolnummer 220902 / HA ZA 10-2538). In dit vonnis is voor zover relevant het volgende beslist:

“5.1. verklaart nietig het besluit van de Vereniging, genomen op of omstreeks 25 juni 2010 door haar bestuur en bekrachtigd in beroep op 26 januari 2011 door haar algemene ledenvergadering, bij welk besluit eisers als lid werden ontzet uit hun lidmaatschap;

5.2. kent aan dit nietige besluit de werking toe van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap aan eisers per januari 2011;

5.3. verklaart voor recht dat de op de algemene ledenvergadering van de Vereniging van 25 juni 2010 gedane uitlatingen van [Y] van de strekking:
(1) dat eisers het bestuur van de Vereniging hadden beticht van (1a) zakkenvullers en op-
lichters te zijn en (1b) zich van Gestapo-methoden bediend te hebben;
(2) dat eisers misbruik van een mandaat te hebben gemaakt;
(3) dat eisers in een brief aan de gemeente op onsmakelijke wijze de mogelijkheid van
het overlijden van [Y] ter sprake hebben gebracht,
terwijl eisers in genen dele dergelijke betichtingen hebben geuit, degelijk [lees: dergelijk, vzr.] misbruik hebben gemaakt of een dergelijke onsmakelijkheid hebben geuit, onrechtmatig zijn;

5.4. verbiedt de Vereniging en [Y] om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eisers aantasten, en veroordeelt de Vereniging onderscheidenlijk [Y] om aan elk van diegenen van eisers jegens wie de Vereniging of [Y] in strijd met dit verbod handelen, een dwangsom te betalen van € 5.000 voor elke overtreding van dit verbod;

(…)
5.8. verklaart dit vonnis voor de in het dictum 5.4. (…) uitgesproken verboden en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad”
.
2.5. Het vonnis is op 15 december 2011 aan de Vereniging betekend. [X] c.s. hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch. Ter zitting is gebleken dat inmiddels ook de Vereniging incidenteel heeft geappelleerd.

2.6. In mei 2012 heeft de Vereniging het Kring Nieuws, een periodieke uitgave van de Vereniging (Jaargang 38, nummer 3, mei 2012) aan al haar leden verspreid. In dat Kring Nieuws is als bijlage bijgevoegd de agenda voor de ALV van 26 juni 2012 en het jaarverslag Kring 2011.

2.7. In het jaarverslag Kring 2011 is onder meer het volgende opgenomen:

“4.5 Royementen
Vanaf het einde van 2008 tot medio 2011 heeft de Kring te maken gehad met zeer veel publiciteit. Die publiciteit is helaas niet steeds positief geweest. De ALV van einde 2008 en van 2009 waren daar het bewijs van. De reguliere jaarlijkse ALV in 2010 heeft zelfs op een later tijdstip plaats gehad, nadat bleek dat deze op de aanvankelijk vastgestelde datum niet kon doorgaan.
In de ALV van 25 juni 2010 heeft het bestuur het royement uitgesproken van een viertal leden van de Kring. Deze geroyeerde leden hebben gebruik gemaakt van het recht dat zij hebben om tegen hun royement beroep in te stellen bij de ALV. Dit beroep is behandeld in een extra ALV op 26 januari 2011. De ALV heeft met een ruime meerderheid dit beroep afgewezen en het royement in stand gelaten.
De desbetreffende leden hebben mede naar aanleiding hiervan de Kring en de oud-voorzitter, de heer J. [Y], bij de rechter gedaagd. Het beroep bij de rechtbank is op 11 november 2011 bij de rechtbank behandeld, waarna de rechtbank op 7 december 2011 uitspraak heeft gedaan.
De rechtbank kwam tot de conclusie dat de Kring deze vier leden niet had mogen royeren, maar dat door de ontstane situatie er onoverbrugbare verschillen van mening waren waardoor van de Kring niet gevergd kon worden het lidmaatschap van de Kring van deze vier leden te laten voortduren. De rechtbank heeft op die grond het royement omgezet in een opzegging van het lidmaatschap van de Kring. De rechtbank heeft verder uitgesproken dat bepaalde uitlatingen van de heer [Y] tijdens de ALV van 25 juni 2010 onrechtmatig waren en dat hierom de Kring en de heer [Y] deze uitlatingen op straffe van een dwangsom niet meer mogen doen. Daarnaast heeft de rechtbank de Kring veroordeeld om een rectificatie te sturen en te plaatsen en zijn de Kring en de heer [Y] veroordeeld om aan ieder van de geroyeerde leden een schadevergoeding te betalen van € 1.500,-. De Kring heeft aan alle verplichtingen van het vonnis voldaan.
Tegen dit vonnis stond tot 7 maart 2012 hoger beroep open bij het gerechtshof in ’s-Hertogenbosch. Het bestuur was na afweging van alle aan deze zaak verbonden aspecten van oordeel dat het voor het functioneren van de vereniging beter zou zijn deze kwestie af te sluiten en om die reden tegen het vonnis van de rechtbank geen hoger beroep in te stellen. Op 6 maart 2012 hebben vier voormalige leden echter wel hoger beroep ingesteld. Het bestuur zal zich namens de Kring hiertegen verweren.
Het zal duidelijk zijn dat dit in allerlei opzichten een fors beslag legt op het bestuur. ”.

2.8. In het Kring Nieuws is in de rubriek “Paradepaardjes”, een vergelijkbare tekst opgenomen, die luidt als volgt:

“Royementen
De Kring heeft in 2010 een viertal leden geroyeerd. De ALV heeft in januari 2011 met deze royementen ingestemd. De geroyeerden hebben hiertegen beroep ingesteld en de Kring en haar oud-voorzitter, de heer J. [Y], bij de rechtbank in ’s-Hertogenbosch gedagvaard. De rechtbank heeft op 7 december 2011 uitspraak gedaan. De rechter vond royementen te ver gaan, maar heeft deze – van de Kring kon naar de mening van de rechtbank vanwege de onoverbrugbare verschillen van mening niet worden gevergd dat het lidmaatschap bleef bestaan – omgezet in een opzegging van het lidmaatschap. Ook heeft de rechtbank uitgesproken dat bepaalde uitlatingen van de heer [Y] onrechtmatig waren. De Kring is veroordeeld tot een rectificatie en het betalen van een schadevergoeding van € 1500,00 voor elk van de geroyeerden. De Kring heeft aan dit vonnis voldaan.
Tegen deze uitspraak van de rechtbank stond tot 7 maart 2012 beroep open bij het gerechtshof in
’s-Hertogenbosch. Het bestuur was na afweging van alle aan deze zaak verbonden aspecten tot de conclusie gekomen dat het voor de Kring beter was deze kwestie af te sluiten en geen hoger beroep in te stellen.
De geroyeerden hebben echter op 6 maart 2012 wel hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep komt – kort gezegd – er op neer dat zij meer rectificatie, meer schadevergoeding en herstel in het lidmaatschap van de Kring willen. Het bestuur zal zich namens de Kring op gepaste wijze tegen dit hoger beroep verweren.”.

2.9. Bij brief van 24 mei 2012 hebben [X] c.s. zich op het standpunt gesteld dat door voormelde teksten het verbod in het vonnis wordt overtreden. Zij stellen dat zij in de teksten worden aangeduid als “geroyeerde leden” en “geroyeerden”, terwijl van royement nu juist geen sprake meer is. Zij kunnen hooguit worden aangeduid als oud-leden, nu het royementsbesluit door de Rechtbank is vernietigd en is omgezet in een opzegging van het lidmaatschap. Om die reden hebben [X] c.s. aanspraak gemaakt op dwangsommen van € 5.000,– per eiser, vermenigvuldigd met twee overtredingen, van in totaal € 40.000,–, bij gebreke van betaling waarvan de executie is aangezegd.

2.10. Het Kring Nieuws van mei 2012 is per post naar alle 2400 leden van de Vereniging gezonden. Op de voor een ieder toegankelijke website van de Vereniging staat eveneens een exemplaar van de betreffende uitgave van het Kring Nieuws.

3. Het geschil

3.1. De Vereniging vordert kort weergegeven – [X] c.s. bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, te verbieden de door hen aangekondigde executie van dwangsommen uit het vonnis van 7 december 2011 ten uitvoer te leggen vanwege hetgeen is opgenomen in het Kring Nieuws in de rubriek “Paradepaardjes” onder “Royementen” en het Jaarverslag Kring 2011 onder “Royementen”, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 20.000,– voor ieder der gedaagden die zich niet, of onvoldoende, gelegen laten liggen aan dit verbod, althans subsidiair zodanige voorziening te treffen als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren, alles met hoofdelijke veroordeling van [X] c.s. in de kosten van deze procedure.

3.2. De Vereniging legt aan haar vordering, kort weergegeven, het volgende ten grondslag.

3.2.1. De Vereniging heeft het vonnis op geen enkele wijze overtreden, niet naar de letter en ook niet naar de aard van de veroordeling, zodat zij geen dwangsommen heeft verbeurd. Nu slechts in het Jaarverslag en het Kring Nieuws de zakelijke term “geroyeerden” is gebruikt, en daarbij tevens in dezelfde tekst is aangegeven dat de rechtbank het met het royement niet eens is, is van een aantasting van [X] c.s. in hun eer en goede naam geen sprake. In beide door [X] c.s. genoemde artikelen worden geen namen genoemd van de betreffende personen. Reeds daarom kan van enige uitlating die de eer en goede naam aantast geen sprake zijn. Er is in het vonnis geen sprake van een verbod dat duidelijk en scherp is begrensd en geformuleerd. Een verbod “om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eisers aantasten” roept vragen op.

3.2.2. Mede gelet op de vrijheid van meningsuiting die aan een ieder, ook de Vereniging, toekomt is niet snel sprake van een aantasting in de eer en goede naam.

3.2.3. Het Kring Nieuws en het Jaarverslag Kring 2011 zijn in één pakket aan de leden verstuurd. Zo er al sprake is van een overtreding van het in het vonnis opgenomen verbod, dan is er slechts sprake van één overtreding en niet van twee overtredingen van dat verbod.

3.3. Het verweer van [X] c.s. komt, kort weergegeven, op het navolgende neer.

3.3.1. In het Kring Nieuws van mei 2012, dat in 2400-voud naar alle leden en relaties is gezonden en dat ook op de voor een ieder toegankelijke website van de Vereniging staat, heeft het bestuur van de Vereniging een artikel geschreven onder het kopje “Royementen”, met daarin passages die strijdig zijn met r.o. 5.4. van het vonnis van 7 december 2011.

3.3.2. Los van de selectieve, op onderdelen incorrecte en soms eufemistische (“de rechter vond de royementen te ver gaan”), samenvatting van het vonnis worden [X] c.s., ondanks het vonnis van de Bossche rechtbank, in het artikel nadrukkelijk meermalen aangeduid als de “geroyeerden”. Nu de rechtbank de royementsbesluiten als gebaseerd op een onrechtmatige daad nietig heeft verklaard, is er geen sprake meer van geroyeerden. Aan een nietig besluit worden de daarmee beoogde rechtsgevolgen van meet af aan onthouden. Omdat royement, anders dan opzegging, een disciplinair of tuchtrechtelijk karakter heeft en derhalve per definitie diffamerend is, heeft de Vereniging door [X] c.s. in de hier aan de orde zijnde teksten te blijven aanmerken als geroyeerden de eer en goede naam van ieder van gedaagden aangetast. Immers, ontzetting uit het lidmaatschap is enkel mogelijk wanneer een lid in strijd met de statuten, de reglementen of de besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Daarvan is in casu geen sprake. De Vereniging heeft hierdoor jegens ieder van gedaagden dwangsommen verbeurd voor een bedrag van in totaal € 40.000,– (2 x 4 x € 5.000,–).

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Ter beantwoording is de vraag of de Vereniging (tweemaal) in strijd heeft gehandeld met onderdeel 5.4. in het dictum van het vonnis van 7 december 2011 door de term “geroyeerden” dan wel “geroyeerde leden” te bezigen in het onder de leden van de Vereniging verspreide verenigingsblad “Kring Nieuws” en het “Jaarverslag Kring 2011en in het verlengde daarvan de vraag of de Vereniging dientengevolge dwangsommen heeft verbeurd. 

4.2. Maatstaf voor de vraag of de Vereniging aan het vonnis heeft voldaan is dat bij redelijke uitlegging van het verbod als het onderhavige de draagwijdte daarvan beperkt is te achten tot handelingen, waarvan in ernst niet kan worden betwijfeld dat zij, mede gelet op de gronden waarop het verbod werd gegeven, inbreuken, als door de rechter verboden, opleveren (HR 3 januari 1964, NJ 1964,445; Lexington).

4.3. Het verbod in het dictum onder 5.4. van het vonnis is, anders dan de Vereniging meent, voldoende duidelijk. Uitlatingen die de eer en goede naam van een ander aantasten kunnen zich in veel vormen voordoen. Deze zaak illustreert dat; het lelijks dat blijkens het hiervoor geciteerde dictum onder 5.3. van het vonnis van 7 december 2011 over [X] c.s. is uitgestort is divers. Daarmee is duidelijk dat het onderhavige verbod door de rechtbank alleen in algemene bewoordingen viel te formuleren. Meergenoemd vonnis geeft echter tevens zoveel feitelijke informatie over de verhouding van partijen en hoe de bodemrechter – aan wiens oordeel de kort geding rechter zich in beginsel behoort te conformeren – dat de interpretatie van het verbod in dit geval ook niet moeilijk is.

4.4. De rechtbank heeft in haar, ten aanzien van de relevante veroordeling uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, vonnis de door (het bestuur van) de Vereniging genomen royementsbesluiten jegens [X] c.s. nietig verklaard. Zij heeft aan die besluiten de werking toegekend van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap aan [X] c.s. per 1 januari 2011. Nu aan een nietig besluit de daarmee beoogde rechtsgevolgen van meet af aan worden onthouden, kunnen [X] c.s. door de Vereniging niet gekwalificeerd worden als geroyeerden. Dat geldt zeker vanaf medio december 2011 toen het vonnis was uitgesproken en alle betrokkenen konden weten hoe het zat. Vast staat dat de Vereniging daadwerkelijk kennis heeft genomen van het rechterlijk oordeel. Het vonnis is immers op 15 december 2012 aan de Vereniging betekend en later door de Vereniging zelf in de gewraakte teksten samengevat.

4.5. De voorzieningenrechter is, met [X] c.s., van oordeel dat in de termen “geroyeerden” en “geroyeerde leden”, anders dan de in het vonnis eveneens gebezigde term “opzegging”, een negatieve lading besloten ligt en diffamerend is. Leden van een vereniging die geroyeerd worden overkomt dat omdat zij iets binnen die vereniging hebben misdaan. Dat de rechtbank hier ook zo over denkt blijkt expliciet uit r.o. 4.13. van dat vonnis waarin wordt overwogen: “Ontzetting (royement) heeft, anders dan de opzegging, een disciplinair of tuchtrechtelijk karakter. Ontzet te worden is diffamerend en bijzonderlijk zo voor eisers, zoals hiervoor al werd overwogen (r.o. 4.5).” Als de Vereniging al niet had geweten wat een ieder met gemiddelde kennis en ervaring met de Nederlandse taal toch wel weet, dan had zij dat in ieder geval ook in het vonnis kunnen en moeten lezen.

4.6. De Vereniging heeft voorts betoogd, dat de term “geroyeerden” op zichzelf wellicht als diffamerend kan worden gekwalificeerd, maar in het onderhavige geval, waarin er in de desbetreffende artikelen in het “Kring Nieuws” en in het “Jaarverslag Kring 2011” tevens melding wordt gemaakt van het feit dat de rechtbank anders heeft geoordeeld met betrekking tot het royement, niet. De voorzieningenrechter deelt dit standpunt van de Vereniging niet. Het valt op zichzelf te billijken dat de Vereniging verslag deed van hetgeen in de Vereniging was voorgevallen. Het is ook acceptabel dat bij het vertellen van dat verhaal het aanvankelijke royement is gememoreerd. Anders zou het verhaal niet goed te vertellen zijn geweest. [X] c.s. hebben ter zitting aangegeven dat dit voor hen ook niet de grond is geweest om in het geweer te komen. Het is echter misgegaan doordat de Vereniging in het Kring Nieuws en in het jaarverslag Kring 2011 gebruik heeft gemaakt van de term “geroyeerden” en “geroyeerde leden” nádat in de betreffende artikelen was aangegeven dat de rechtbank de royementsbesluiten jegens [X] c.s. nietig had verklaard. Dat wekt op zijn minst de suggestie dat de Vereniging [X] c.s. nog steeds bij de leden van de Vereniging en anderen die van Kring Nieuws op papier of op de website kennis nemen heeft “weggezet” als leden die wegens wangedrag uit de Vereniging zijn verwijderd.

4.7. Het betoog van de Vereniging, dat de door [X] c.s. voorgestane uitleg van het vonnis met zich brengt dat de Vereniging nooit meer de term “geroyeerden” zou mogen gebruiken, zelfs niet zonder concrete aanduiding van de naam van degenen op wie dat ziet, kan haar evenmin baten. Ter beoordeling van de voorzieningenrechter staan alleen de concrete publicaties die hiervoor onder de feiten zijn geciteerd. De termen “geroyeerden” en “geroyeerde leden” worden daar in een zodanig verband gebezigd dat zonneklaar is dat de Vereniging daarmee [X] c.s. heeft willen aanduiden. Heel Den Bosch weet wie er in deze kwestie rollebollend over straat zijn gegaan (en menigeen slaat het met plaatsvervangende schaamte gade). Bij lezing van de gewraakte teksten vallen de “poppetjes” voor de enigszins ingevoerde Bosschenaar wel in te vullen.

4.8. Bovendien is hier nu juist, zoals onder 4.5. reeds is opgemerkt, de terminologie in de artikelen gebruikt nadat daarin reeds melding was gemaakt van het feit dat de rechtbank het royementsbesluit jegens [X] c.s. als gebaseerd op een onrechtmatige daad nietig had verklaard. Uit dat vonnis blijkt dat de rechtbank het niet zo’n geringe onrechtmatige daad vond ook. Het gedrag van de Vereniging en haar oud-voorzitter wordt in het vonnis immers in duidelijke bewoordingen gelaakt om het zacht uit te drukken. De stelling van de Vereniging, dat de term “geroyeerden” in het licht van een zakelijke aanduiding van het geschil moet worden gezien, snijdt dan ook geen hout. Het heeft in dit geval toch echt meer van een echo van de stemmingmakerij tegen [X] c.s., die duidelijk door [X] als zodanig is ervaren, en dat is niet onbegrijpelijk. Als partijen verstandig zijn beperken zij het gebruik van de term “royement” en “geroyeerden” voorlopig uitsluitend tot het debat bij het gerechtshof. Daar moet het vonnis uiteraard vrijelijk ter discussie kunnen worden gesteld.

4.9. Van een inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van de Vereniging is in het onderhavige geval evenmin sprake. Het staat de Vereniging immers vrij om [X] c.s. aan te duiden met neutrale termen zoals met hun naam of als vier oud-leden, etc.. Stemmingmakerij, althans de echo daarvan, verdient geen rechterlijke bescherming. 

4.10. De door de Vereniging overgelegde verklaring van de secretaris van de Vereniging die de betreffende teksten heeft geschreven, doet aan het hiervoor overwogene niet af, te minder omdat uit die verklaring kan worden afgeleid dat de secretaris het concept jaarverslag 2011 vóór publicatie ervan heeft besproken met de (kandidaat)bestuursleden van de Vereniging en mede op basis van hun opmerkingen op een aantal punten heeft aangepast en dat de term “geroyeerden” bij de bespreking van het concept jaarverslag geen onderwerp van discussie is geweest. De bestuursleden hebben derhalve de mogelijkheid gehad om, met het oog op het onder 5.4. van het vonnis van 7 december 2011 opgenomen verbod, wijzigingen aan te brengen in het jaarverslag, hetgeen zij evenwel hebben nagelaten. Het ware al met al beter geweest als zij aan dit punt, gezien de gevoeligheden en de dreigende dwangsom, meer aandacht hadden besteed.

4.11. De onder 4.2. aangehaalde maatstaf brengt met zich dat voldoende aannemelijk is dat de Vereniging door het gebruik van de termen “geroyeerden” en “geroyeerde leden” in de litigieuze artikelen in het Kring Nieuws en het Jaarverslag Kring 2011 de eer en goede naam van ieder van gedaagden heeft aangetast. Dat er volgens de Vereniging geen enkele intentie is geweest aan de zijde van de Vereniging om iemand in eer of goede naam te beschadigen, doet hier niet aan af. De auctor intellectualis van de stukken, de onder 4.10 bedoelde secretaris, heeft in zijn schriftelijke verklaring alle kwalijke bedoelingen tegengesproken. Bedoelingen laten zich door de rechter lastig vaststellen, maar op grond van de teksten en de voorgeschiedenis zoals beschreven in het vonnis van 7 december 2011 hadden [X] c.s. zeker reden om de onderhavige teksten negatief op te vatten.

4.12. Reeds uit het vorenoverwogene volgt voorshands dat de Vereniging aan de veroordeling onder 5.4. van het vonnis niet heeft voldaan. Anders dan de Vereniging heeft betoogd is de voorzieningenrechter van oordeel dat zij niet éénmaal maar tweemaal het in 5.4. opgenomen verbod heeft overtreden, als gevolg waarvan de Vereniging het bedrag van € 40.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd (2 x 4 x € 5.000,–). 

4.13. De Vereniging heeft zich op het standpunt gesteld dat bij overtreding van het verbod slechts sprake kan zijn van één overtreding, nu het Kring Nieuws en het Jaarverslag als één pakket aan de leden van de Vereniging is verstuurd. Weliswaar valt in het Kring Nieuws op pagina 3 onder de rubriek “Paradepaardjes” te lezen dat het jaarverslag bij het Kring Nieuws is bijgevoegd, maar nu [X] c.s. onweersproken hebben gesteld dat het Kring Nieuws tevens op de website van de Vereniging wordt aangeboden (ook aan niet-leden), is voldoende duidelijk dat de Vereniging het verbod tweemaal heeft overtreden. De voorzieningenrechter realiseert zich dat het om veel geld gaat, maar dwangsommen zijn juist hoog omdat zij moeten dwingen. Bij overtredingen van veroordelingen waaraan een dwangsom is verbonden moet de soep zo heet worden gegeten als deze wordt opgediend.

4.14. De Vereniging heeft overigens geen feiten en/of omstandigheden naar voren gebracht, die aanleiding zouden kunnen geven om (voorlopig) tot een matiging van de verbeurde dwangsommen over te gaan en om die reden de executie – al dan niet gedeeltelijk – te schorsen.

4.15. Gezien het voorgaande is van enig misbruik van de executiebevoegdheid door [X] c.s. geen sprake en bestaat er thans geen grond de executie van het vonnis van 7 december 2011 te schorsen. De vordering van de Vereniging zal worden afgewezen.

4.16. De Vereniging zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [X] c.s. worden begroot op:
– dagvaarding € 0,00
– griffierecht € 267,00
– salaris advocaat € 816,00
Totaal € 1.083,00.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vordering af,veroordeelt de Vereniging in de proceskosten, aan de zijde van de wederpartij tot op heden begroot op € 1.083,00. 

Dit vonnis is gewezen door mr. A.H.L. Roosmale Nepveu en in het openbaar uitgesproken op 23 juli 2012.

Arubaans verenigingsrecht (SEPPA)

Gerecht E.A. Aruba 9 januar 2013 LJNBZ4289 (SEPPA)


Arubaanse zaak. Royement. Lid gaat intern in beroep tegen royement, beroep wordt afgewezen zonder dat lid wordt gehoord, in strijd met statutaire bepaling. Vernietiging besluit in  beroep, laat royementsbesluit in principe in stand. Rechter schorst royementsbesluit op grond van billijkheid. Afzonderlijke organen van vereniging kunnen niet worden gedagvaard.

VONNIS

in de zaak van:  [eiser], wonende in Aruba,
tegen:
1. DE VERENIGING [SEPPA], gevestigd te Aruba,
2. HET CONGRES VAN DE VERENIGING SEPPA,
3. HET BESTUUR VAN DE VERENIGING SEPPA,
4. HET UITVOEREND COMITE VAN DE VERENIGING SEPPA,
GEDAAGDEN, hierna verder te noemen respectievelijk: SEPPA, het Congres, het Bestuur en het Uitvoerend Comité,
gemachtigde: de advocaat mr. E. Duijneveld. 

1. DE PROCEDURE
Voor het verloop van de procedure wordt verwezen naar het tussenvonnis van 18 januari 2012, waarbij een comparitie van partijen is gelast welke heeft plaatsgevonden op 29 februari 2012. Namens [eiser] zijn daarbij een aantal bescheiden overgelegd welke reeds bij brieven van 16 en 27 februari 2012 werden toegezonden. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld hun standpunten nader toe te lichten en over en weer op elkaar te reageren. Het verdere verloop blijkt uit:
– een akte uitlating aan de zijde van [eiser];
– een contra akte (abusievelijk getiteld ‘conclusie van antwoord na enquête) aan de zijde van SEPPA, het Congres, het Bestuur en het Uitvoerend Comité.
Vervolgens is vonnis verzocht.

2. DE VASTSTAANDE FEITEN
Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend, dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd betwist, alsmede op grond van de inhoud van de overgelegde producties voorzover niet of onvoldoende bestreden, staat tussen partijen onder meer het volgende vast.

2.1 Artikel 7 van de statuten van SEPPA luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Het lidmaatschap eindigt door:
(…)
c. royement door het Uitvoerend comité op grond van handelingen van het lid die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen van de vereniging, betrokkene kan binnen 30 dagen, nadat hij van zijn royement op de hoogte is gebracht, in beroep gaan bij het Bestuur. Het Bestuur beslist in zijn eerstvolgende zitting, doch binnen 60 dagen en doet van zijn beslissing schriftelijk mededeling aan betrokkenen en aan het Uitvoerend comité; het Uitvoerend comité gaat akkoord met de beslissing van het Bestuur of wijst de beslissing af. Het lid kan in beroep gaan bij de rechter.
(…)’

2.2 Artikel 5 van het Huishoudelijk Reglement van SEPPA luidt als volgt:
‘a. Royeren van een lid geschiedt door het Uitvoerend Comite op grond van handelingen van het lid die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen of het doel van de vereniging.
b. Zodanig lid kan binnen een maand, nadat hij een met redenen omkleed schrijven het royement is medegedeeld beroep tekenen, die zo spoedig mogelijk in haar eerstvolgende zitting een beslissing neemt. [sic] Het geroyeerde lid heeft het recht persoonlijk zijn standpunt toe te lichten, waarna eenmaal gerepliceerd mag worden. Terstond lid kan door de voorzitter het woord ontnomen worden, indien hij/haar zijn/haar standpunt niet met gematigdheid uiteenzet.
c. Tot aan de dag waarop het Uitvoerend Comite zal hebben beslist, wordt geacht dat het royement van kracht is.
(…)’

2.3 SEPPA heeft [eiser] bij brief van 26 mei 2011 als volgt bericht:
‘Namens cliënte de vakvereniging S.E.P.P.A., informeer ik u als volgt.

U heeft op verschillende momenten handelingen verricht die opzettelijk gericht zijn tegen de belangen en het doel van de vereniging. U heeft keer op keer de media gezocht en getracht cliënte te beschadigen. Voorts heeft u zelfs een lid van het bestuur beschuldigd van banden met een terroristische organisatie.

Gezien het bovenstaande heeft het Uitvoerbaar Comité, hiermee mede uitvoering gevende aan het verzoek van het Congres van 8 december 2010, besloten u per direct te royeren.

U heeft 30 dagen na ontvangst van dit schrijven 30 dagen om van deze beslissing in beroep te gaan bij het bestuur.’

2.4 Bij brief van 30 mei 2011 heeft [eiser] een brief geschreven aan SEPPA met, voor zover hier van belang, de volgende adressering:

‘Aan het bestuur van SEPPA
(…)
t.a.v. Secretaris Generaal SEPPA
(…)’

In deze brief deelt [eiser] SEPPA kort gezegd mee het niet eens te zijn met het royementsbelsuit. Hij voert daartoe aan nooit iets tegen SEPPA te hebben gedaan en dat de aangevoerde argumenten uit de duim zijn gezogen. Hij verzoekt binnen 10 dagen te mogen vernemen dat de brief van SEPPA ‘zal worden beschouwd als niet verzonden’ omdat hij zich anders tot de rechter zal moeten wenden.

2.5 Bij brief van 10 juni 2011 heeft SEPPA [eiser], voor zover hier van belang, als volgt bericht:
‘Met betrekking tot de inhoud van uw schrijven stelt cliënte zich op het standpunt dat mijn schrijven namens haar aan uw cliënte duidelijk is en zij haar standpunt handhaaft. Het is aan uw cliënte om de geijkte weg te volgen als hij zich hier niet in kan vinden.’

3. DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1 [eiser] vordert dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de beslissing om hem te royeren ongegrond, dan wel nietig zal verklaren, dat het gerecht gerekestreerden een opdracht zal geven hem te herstellen als lid van SEPPA, althans een andere beslissing te nemen en SEPPA te veroordelen in de kosten van de procedure.

3.2 Het verweer strekt tot niet ontvankelijk-verklaring dan wel afwijzing van de vordering met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4. DE BEOORDELING
4.1 [eiser] is niet ontvankelijk in zijn vorderingen voor zover ingesteld jegens het Congres, het Bestuur en het Uitvoerend Comite, daar dit geen natuurlijke of rechtspersonen zijn en derhalve niet in rechte kunnen worden betrokken, naast de vereniging zelf.

4.2 SEPPA heeft aangevoerd dat [eiser] ook niet-ontvankelijk is jegens haar, aangezien hij geen beroep heeft ingesteld bij het Bestuur tegen het royementsbesluit van het Uitvoerend Comité. Dit verweer wordt gepasseerd. Bij brief van 26 mei 2011 heeft [eiser] een brief ontvangen van mr. Duijneveld die daarin meedeelt dat het Uitvoerend Comité heeft besloten hem te royeren. Bij brief van 30 mei 2011 heeft de raadsman van [eiser] een brief gestuurd die is geadresseerd aan het Bestuur. SEPPA heeft aangevoerd dat de brief is gericht aan de Secretaris Generaal en dat die geen deel uitmaakt van het Bestuur, zodat [eiser] niet in beroep is gegaan bij het Bestuur. Dit snijdt geen hout. De brief is expliciet gericht aan het Bestuur (zie 2.4), zodat van de Secretaris Generaal verwacht mag worden dat hij deze tijdig doorgeleidt aan het Bestuur. Kennelijk is dit ook gebeurd, want bij brief van 10 juni 2011 heeft mr. Duijneveld op deze brief gereageerd namens SEPPA. Uit de inhoud van de brief van [eiser] heeft (het Bestuur van) SEPPA kunnen en moeten begrijpen dat hij het niet eens is met hetroyementsbesluit en heeft het Bestuur deze brief daarmee moeten opvatten als een mededeling dat [eiser] in beroep wenste te komen tegen het royementsbesluit. Uit de brief van mr. Duijneveld van 10 juni 2011 blijkt bovendien dat SEPPA haar standpunt handhaaft. Gelet op artikel 7 van de Statuten kan het (geroyeerde) lid vervolgens in beroep gaan bij het gerecht. De Statuten bepalen hiervoor geen termijn. Nu het onderhavige verzoekschrift dateert van 27 juni 2011 (één week na de brief van SEPPA), wordt het beroep bij het Bestuur geacht tijdig te zijn ingediend. De slotsom van het voorgaande is dan ook dat [eiser] ontvankelijk is in zijn vorderingen jegens SEPPA.

4.3 Uit artikel 5 sub b van het Huishoudelijk Reglement van SEPPA blijkt dat het geroyeerde lid het recht heeft persoonlijk zijn standpunt toe te lichten. Ter comparitie heeft [eiser] aangevoerd niet te zijn gehoord door het Bestuur, zodat hij zijn bezwaren tegen het royementen zijn belang om lid te blijven van SEPPA niet heeft kunnen toelichten. SEPPA heeft aangevoerd hem hiertoe wel te hebben uitgenodigd, maar [eiser] heeft hierop gereageerd door te stellen dat iemand anders (de heer Chundru), die ook was geroyeerd, wèl is uitgenodigd om te worden gehoord, maar hijzelf niet. Hierop heeft SEPPA ter comparitie erkend niet over een oproepingsbrief te beschikken. Het verweer van SEPPA wordt daarom gepasseerd. Nu de brief van het Bestuur van 10 juni 2011 verder ook volkomen ongemotiveerd is, is het hoger beroep door het Bestuur niet afgehandeld conform het Huishoudelijk Reglement. Dat brengt mee dat de beslissing van het Bestuur op het hoger beroep niet zorgvuldig tot stand is gekomen. Het gerecht zal deze beslissing daarom vernietigen.

4.4 De vernietiging van de beslissing van het Bestuur laat het royementsbesluit van het Uitvoerend Comité onaangetast. Het gerecht zal het royementsbesluit daarom schorsen totdat het Bestuur opnieuw op het beroep heeft beslist, nu de billijkheid dit bepaaldelijk vordert. Dit alles brengt mee dat [eiser] nog lid is van SEPPA, zodat hij verder geen belang heeft bij de vordering hem als lid te herstellen.

4.5 Bij akte heeft [eiser] nog verzocht ‘de zaak’ en ‘SEPPA’s verzoek’ ongegrond te verklaren. Volkomen duister blijft echter wat [eiser] hiermee voorstaat, aangezien SEPPA geen verzoek heeft ingediend. Dit verzoek van [eiser] behoeft dan ook geen verdere bespreking.

4.6 SEPPA zal, als de hoofdzakelijk in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op:
– verschotten Afl. 184,00
– griffierecht Afl. 450,00
– salaris advocaat Afl. 1.800,00 (2 punten × tarief Afl. 900,00)
Totaal Afl. 2.434,00

5. DE UITSPRAAK
De rechter in dit gerecht, rechtdoende:

1. verklaart [eiser] niet ontvankelijk in zijn vorderingen tegen het Bestuur, het Congres en het Uitvoerend Comité;

2. vernietigt de beslissing van het Bestuur op het hoger beroep tegen het royementsbesluit;

3. schorst het royementsbesluit van het Uitvoerend Comité tot het moment dat opnieuw door het Bestuur op het hoger beroep is beslist;

4. veroordeelt SEPPA in de kosten van deze procedure, aan de zijde van [eiser] begroot op: Afl. 2.434,00;

5. verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

6. wijst af het meer of anders gevorderde.