Niet benoemde bestuursleden

Rechtbank Rotterdam 19 december 2012 LJN BY7782 (Bewust Verder)

Ruzie tussen (oud)-bestuurslid en bestuur. Nieuwe bestuursleden in functie zonder benoeming door ALV: “De in artikel 2:37 lid 2 BW genoemde regel is echter dat de benoeming van een bestuurder van een stichting (sic!) geschiedt door de algemene vergadering. Dit brengt met zich mee dat niet kan worden aanvaard dat degene die, ondanks het ontbreken van een dergelijk besluit, de werkzaamheden van een bestuurder is gaan uitoefenen zonder dat dit voor de leden verborgen is gebleven en zonder dat zij tegen de vervanging bezwaar hebben gemaakt als bestuurder van de stichting (sic!) moet worden aangemerkt.” Daarnaast ontslag bestuurslid, wat stand houdt. Uitleg 11 stemmen voor, 9 tegen en 2 onthoudingen (of 3, het vonnis is niet consistent) een meerderheid voor is, overigens met onjuiste “de helft + 1 regel”. Royement vernietigd, wegens strijd met de redelijkheid bij gebrek aan feitelijke onderbouwing.


Vonnis van 19 december 2012
zaak van [eiser], tegen
de vereniging VAKVERENIGING BEWUST VERDER 2002,

Partijen zullen hierna [eiser] en Bewust Verder 2002 genoemd worden.


2. De feiten
2.1. Bewust Verder 2002 is een op 1 september 2008 opgerichte vakbond. (Ontstaan in 2002 als lijst bij de verkiezingen voor een ondernemingsraad (onderdeelscommissie)).
2.2. De op 30 december 2008 opgestelde statuten van Bewust Verder 2002 (hierna: de statuten) luiden – voor zover relevant – als volgt:
Artikel 6 (…)
Het lidmaatschap eindigt: (…)
Door ontzetting (royement)(…)
Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen door het bestuur worden uitgesproken:
Wanneer een lid handelt in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de verenigingen/of
Wanneer een lid handelt de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.
Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging of ontzetting wordt het betrokken lid ten spoedigste schriftelijk, met opgave van redenen, in kennis gesteld. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur. Binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving van het besluit kan de betrokkene schriftelijk in beroep gaan bij de secretaris van de vereniging. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. (…)
Artikel 7
Het bestuur bestaat uit tenminste vijf personen, waaronder, voorzitter, tweede (2e) voorzitter secretaris en een penningmeester.
De bestuursleden worden benoemd voor een periode van vier jaar en zijn in geval van aftreden terstond herkiesbaar.
Het periodiek aftreden geschiedt volgens een door het bestuur vast te stellen rooster. In tussentijdse vacatures wordt in de eerstvolgende algemene vergadering na het ontstaan ervan voorzien. Een tussentijds gekozene treedt in de volgorde van aftreding in plaatse van degene die hij vervangt.
Een bestuurslid kan door de algemene vergadering te allen tijde worden geschorst of ontslagen. Een zodanig besluit kan slechts worden genomen in een vergadering waarin tenminste de helft van het aantal leden aanwezig is. Is het vereiste aantal leden niet aanwezig, dan wordt binnen vier weken, doch niet binnen zeven dagen, een tweede algemene vergadering gehouden, welke ongeacht het aantal aanwezige leden ter zake een rechtsgeldig besluit kan nemen. (…)
Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan die samen het dagelijks bestuur vormen.
Het algemeen bestuur kan slechts rechtsgeldige besluiten nemen, indien ter vergadering tenminste tweederde deel van het zittend aantal leden aanwezig is. (…)
Artikel 9
(…) Het bestuur is voorts bevoegd een algemene vergadering te beleggen wanneer het dit nodig acht. Het bestuur is tot de bijeenroeping van een algemene vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken verplicht, wanneer tenminste een/tiende deel der leden een daartoe strekkend schriftelijk verzoek bij het bestuur heeft ingediend. Wanneer het bestuur aan zulk een verzoek niet binnen veertien dagen gevolg heeft gegeven, zijn de verzoekers samen bevoegd tot het bijeenroepen van een algemene vergadering, die zo nodig zelf in haar leiding voorziet. (…)
Artikel 10
Voor zover in deze statuten niet anders wordt bepaald, worden alle besluiten genomen met volstrekte meerderheid van stemmen. Over zaken wordt mondeling, over personen wordt schriftelijk gestemd tenzij de algemene vergadering anders besluit. Blanco stemmen tellen niet mee. Ieder lid heeft één stem. (…)
Artikel 15
In afwijking van het gestelde in artikel 7 lid 1. bestaat het bestuur voor de eerste maal uit de volgende personen:
? als voorzitter (reeds ingeschreven bij de Kamer van Koophandel): de verschenen persoon sub 1 zijnde de heer [persoon[persoon 1];
? de tweede (2e) voorzitter (reeds ingeschreven bij de Kamer van Koophandel): de heer [persoon 2] (…);
? als secretaris: de verschenen persoon sub [eiser]iser]r [eiser]

2.3. De heren [persoon[persoon 1] (hierna: [persoon 1]) en [persoon 2] (hierna: [persoon 2]) waren per 1 september 2008 als bestuurders in het handelsregister vermeld. [eiser] is met ingang van 30 december 2008 als bestuurder in het handelsregister ingeschreven.

2.4. Op 10 mei 2011 is een ledenvergadering uitgeschreven. De opkomst bij deze ledenvergadering was laag. [persoon 1] was niet bij deze vergadering aanwezig.

2.5. Na de ledenvergadering, maar nog op 10 mei 2011 (om 19:01 uur) heeft [persoon 1] een e-mailbericht gestuurd aan de bestuursleden van het G3-overleg (de vakbonden ABVAKABO, VOR en Bewust Verder 2002) en aan de bestuursleden van Bewust Verder 2002. Dit e-mailbericht vermeldt:
“Hallo [persoon 3],
Vanmiddag is er door een ledenvergadering beslist dat wij niet mee zouden doen aan de actie van morgen, ik ben hierbij niet aanwezig geweest maar heb [persoon 2]persoon 2] begrepen dat er geen draagvlak was om deel te nemen aan deze actie.
In de bijlage een oproep aan de leden van ons op welke manier we zouden meedoen aan de actie, dit heef [persoon 2] vanmorgen besproken met [persoon 4] en hij is met de voorwaarde van ons akkoord gegaan zoals ik heb begrepen van [persoon 2], maar wat er nu precies is gebeurt op de ledenvergadering is mij echt een raadsel.
Ik ga ervan uit dat er bestuursleden van ons morgen tijdens de actie aanwezig zullen zijn om het een en ander toe te lichten, aan onze leden.
Groetjes,
[p[persoon 5]on 5[persoon 6].
[Persoon 6] (door partijen in die periode aangemerkt als bestuurslid van Bewust Verder 2002, hierna: [persoon 6]) heeft op 10 mei 2011 om 19:05 uur een e-mailbericht verstuurd aan [persoon 1]. Dit e-mailbericht heeft de volgende inhoud:
“Hallo [perso[persoon 5]]
In de ledenvergadering van vanmiddag is helemaal niets beslist over het wel of niet meedoen met de actie, dat was al beslist.
We hebben de vergadering afgelast en deze verplaatst naar 26 mei, dit in verband met een wel heel kleine opkomst van welgeteld 4 mensen, hier kan je niet echt een vergadering mee aanvangen.
We hopen dan ook dat de opkomst van 26 mei veel groter zal zijn en dat we dan een beslissing kunnen nemen over het wel of niet meedoen met de vervolg acties.
Hoop je hiermee iets verder te hebben geïnformeerd.
Daar zullen ook de punten die we hadden staan op de agenda, terugkeren.
Groetjes [persoon 6]”

2.7. Op 11 mei 2011 heeft een stakingsactie tegen de voorgenomen openbare aanbesteding en de kabinetbezuinigingen in het openbaar vervoer plaatsgevonden. Bewust Verder 2002 heeft daaraan niet deelgenomen.

2.8. [persoon 6] heeft zich per 12 mei 2011 teruggetrokken uit het bestuur van Bewust Verder 2002.

2.9. Op 16 mei 2011 heeft [eiser] een e-mailbericht gestuurd aan “de bestuursleden” van Bewust Verder 2002, met de volgende inhoud:
“Beste bestuursleden,
De afgelopen weken heeft zich zoals jullie weten het e.e.a. zich afgespeeld met als gevolg dat [persoon 6] zich terug getrokken heeft uit het bestuur.
Zelf heb ik naar aanleiding van de mail van [persoon 5] als voorzitter een reactie gegeven.
Ik heb van de overige bestuursleden geen reactie mogen zien op het hele gebeuren en ook geen reactie van [persoon 5] gehad op mijn mail.
Ik vraag me dan ook serieus af welke kant het op moet/gaat met de BV2002.
Wat zo mooi is begonnen, zie ik steeds meer afbrokkellen.
Ik ben van mening dat wanneer er geen heil meer in ziet dit kenbaar gemaakt word zodat er stappen ondernomen kunnen worden.
Welke kant het ook opgaat laten we het wel formeel houden want we zijn tenslotte een officiële instantie.
Ik wil wel meegeven dat de hele RET meekijkt maar vooral ook geniet want inmiddels is bekend dat [persoon 6] zich teruggetrokken heeft.
Ik wil graag weten of we er nog steeds voor gaan? Zo ja dan zullen we toch bij elkaar moeten komen met het voltallig bestuur.
Ik wil ook graag weten hoe verder met de Algemene vergadering i.v.m. het wel of niet uitschrijven hiervan.
Met vriendelijke gro[eiser]iser]”

2.10. [persoon 7] en [persoo[persoon 8] (beiden in deze periode aangemerkt als bestuursleden, in deze procedure staat hun hoedanigheid ter discussie, hierna: [persoon 7] en [persoon 8]) hebben beiden afzonderlijk bij e-mailbericht op 16 mei 2011 aan [eiser] bericht dat zij akkoord zijn met het plannen van een bestuursvergadering en een Algemene vergadering. [persoon 2] en [persoon 1] hebben op 17 en 18 mei 2011 een e-mailbericht aan [eiser] verstuurd waarin zij zich op het standpunt stellen dat geen specifieke vergadering gepland hoeft te worden, omdat er volgens hen reeds voldoende vergaderingen staan gepland.

2.11. Op 21 mei 2011 hebben [persoon 1] en [persoon 2] aan “de bestuursleden” van Bewust Verder 2002 (inclusief [eiser]) een e-mailbericht verstuurd met de navolgende inhoud, voor zover relevant:
“Beste Bestuursleden,
(…)
Naar aanleiding van wat zich de afgelopen weekend heeft afgespeeld zijn wij tot de conclusie gekomen dat er binnen het bestuur van Bewust Verder 2002 geen gezonde werksfeer meer is.
Dit is voor ons, na rijp beraad dan ook aanleiding geweest, hoe zeer wij dit besluit ook betreuren, het vertrouwen in de secretaris Dhr. G.R. [eiser] per direct op te zeggen.
Wij zijn dan ook van mening dat hij niet meer mag handelen namens Bewust Verder 2002, mocht hij dit wel doen en hieruit ontstaat schade voor Bewust Verder 2002 zullen wij deze dan ook op hem verhalen.
In de komende week zullen wij Dhr. G.R. [eiser] hiervan ook schriftelijk op de hoogte brengen.
Met vriendelijke groet,
[persoon 5] [persoon 1] Voorzitter Bewust Verder 2002
[persoon 2] 2e voorzitter Bewust Verder 2002″

2.12. [eiser] heeft op 21 mei 2011 een e-mailbericht verstuurd naar “de bestuursleden” van Bewust Verder 2002. Dit e-mailbericht vermeldt:
“Ik lig helemaal niet wakker van jullie jongen wat je ook schrijft.
Je kan verzinnen wat je wil, ik ben jullie nu spuugzat en ik ga nu de leden optrommelen voor een officiële leden vergadering en uit de doeken doen wat zich afspeelt.
De leden mogen beslissen hoe verder en wat betreft schade verhalen bij mij jongen dan moet je heel wat in je mars hebben en dat heb jij niet, kom maar op als je durft.”

2.13. [persoon 1] heeft op 26 mei 2012 een e-mailbericht verzonden aan “de bestuursleden” van Bewust Verder 2002 op [eiser] na. In het e-mailbericht heeft [persoon 1] aan deze bestuursleden verzocht om op 31 mei 2011 bij elkaar te komen. Het e-mailbericht vermeldt, voor zover relevant:
“1e het opzeggen van het vertrouwen in de secretaris
2e wat gaan wij doen met de komende staking op 9 juni
3e hoe ziet het bestuur mijn positie als voorzitter
4e het schenden van het “strikt vertrouwelijk” van de secretaris
5e het in mijn ogen niet functioneren van de secretariaat”
Ik wil met jullie allemaal om de tafel maar onder geen enkele voorwaarden met de secretaris, hoe het bestuur dit wil in kleden laat ik aan het bestuur over en hoor het wel dinsdag.

2.14. Op 31 mei 2011 verstuurt [persoon 1] namens het bestuur van Bewust Verder 2002 zowel per post als per email een brief aan [eiser]. De brief wordt tevens in kopie aan “de overige bestuursleden” van Bewust Verder 2002 verzonden. Deze brief heeft de volgende inhoud, voor zover relevant:
“Naar aanleiding van alles wat vooraf is gegaan en het eerder uitroepen van “opzeggen van vertrouwen” in jouw als secretaris door de voorzitter en 2e voorzitter, hebben wij als bestuur bij meerderheid van stemmen en in goed overleg, ook besloten dit standpunt te volgen,
Het besluit om jouw hier niet bij te betrekken is genomen, omdat zowel jij als de Hr. J. [persoon 1] niet meer met elkaar in gesprek willen treden.
Dit houd in, dat u per direct de funtcie als secretaris van de Bewust Verder 2002 dient neer te leggen en ook niet meer uitnaam van de Bewust Verder 2002 als zodanig op de voorgrond zal treden of handelen uitnaam van de Bewust Verder 2002.
Ik hoop je hiermee volledig en voldoende op de hoogte te hebben gebracht en hoop dat je de benodigde spullen die de Bewust Verder 2002 toe komen zo spoedig mogelijk bij een van de bestuursleden inleverd.”

2.15. Op dezelfde dag ontvangen de leden van Bewust Verder 2002 van [persoon 1] per email een brief met de volgende inhoud:
“Naar aanleiding van een aantal onenigheden binnen het bestuur van de BV2002, heeft het bestuur bij meerderheid van stemmen besloten het vertrouwen in de Hr. G.R. [eiser] per direct op te zeggen en zullen wij hem uit zijn functie als secretaris zetten.
Wij hopen op zeer korte termijn een goede invulling te kunnen geven aan de functie van secretaris.
2.16. (…)
Met vriendelijke groet en uit naam van het Bestuur BV2002
J. [persoon 1]
Voorzitter”

2.17. [eiser] heeft in de avond van 31 mei 2011 een e-mailbericht aan [persoon 9] (lid van Bewust Verder 2002) verstuurd, waarin de e-mailadressen van alle leden van Bewust Verder 2002 worden genoemd.
[persoon 9] heeft vervolgens op dezelfde dag een e-mailbericht aan alle leden van Bewust Verder 2002 verstuurd met de volgende inhoud:
“beste collega.s ik heb de mail van onze voorzitter dhr kop gelezen maar naar mijn mening kan dat niet zomaar dar het bestuur een vergadering inlast is zonder zonder dat wij als lid van bv 2002 dat weten. en ze zo maar een bestuurslid de laan uitsturen daar je de veraderingen voor, bovendien weten wij niet eens wat er allemaal afspeelt.Ik vind dat de heer [ei[eiser] zich mag verdedigen en dat het aan ons is of de heer [eiser] mag blijven of niet of dat we iemand anders de laan uit moeten sturen dat is ons recht… naar mijn mening kunnen we beter aangeven dat we een vergadering willen. als dit zo door gaat vrees ik zeker voor mijn baan bij de ret….. nogmaals wil ik weten wat er allemaal afspeelt en ik neem aan dat jullie dat ook willen gr aad schouten lid van bv 2002.”

2.18. Op 3 juni 2011 heeft [persoon 6] haar reactie op het e-mailbericht van [persoon 9] aan [eiser] gemaild. Haar e-mailbericht vermeldt:
“Hallo [eiser],
als lid wil ik toch graag het volgende kwijt.
Wat je nu aan het doen bent, is met modder gooien en ik vind dat dat niet kan.
Wees wijs en stop daarmee, heeft ook geen enkele toegevoegde waarde.
Dit zijn persoonlijke mailtjes en dit soort mailtjes mag je niet verspreiden.”

2.19. De advocaat van [eiser] heeft op 24 juni 2011 een brief aan het bestuur van Bewust Verder 2002 verstuurd, waarin hij heeft medegedeeld dat [eiser] zijn functie als secretaris van Bewust Verder 2002 niet neerlegt totdat een geldig besluit is genomen over het functioneren van [persoon 1], [persoon 2] en hemzelf en hij verzoekt om het bijeenroepen van een algemene vergadering.

2.20. Namens het bestuur stuurt [persoon 1] op 30 juni 2011 een brief terug aan de advocaat van [eiser]. Deze brief vermeldt, voor zover relevant:
“Naar aanleiding van uw brief d.d. 24 juni 2011, wil ik als voorzitter van Bewust Verder 2002 namens het volledige bestuur van Bewust Verder 2002 reageren. Voor alle duidelijkheid stelt het bestuur zich op het standpunt dat de besluiten die genomen zijn omtrent de heer [eiser] unaniem zijn.
In uw brief dd 24 juni 2011 wijst u op artikel 7 uit de statuten, maar dit is in deze zaak niet aan de orde, daar de heer [eiser] zich op zodanige wijze gedragen heeft dat er niet meer redelijkerwijs gevergd kan worden dat het lidmaatschap blijft bestaan. Het bestuur overweegt artikel 6 van de statuten toe te passen.
Dit is mede ingegeven door het volgende: de heren J. [persoon 1] en [persoon 2] hebben op 21 mei 2011 in een e-mailbericht aan de bestuursleden van Bewust Verder 2002, onder mededeling van strikt vertrouwelijk (artikel 10 van het huishoudelijk reglement), hun vertrouwen opgezegd in de heer [eiser].
De reactie van de heer [eiser] was het betreffende stuk van strikt vertrouwelijk, onrechtmatig met gebruik van het leden bestand en de hierbij behorende persoonsgegevens (eigendom van Bewust Verder 2002) voor alle bij hem bekende leden te publiceren en te versturen. Het schenden van de vertrouwelijkheid, het zonder toestemming van het bestuur gebruiken van bestanden die het eigendom zijn van Bewust Verder 2002 en het ontketenen van een hetze tegen in beginsel een aantal bestuursleden en later tegen alle bestuursleden.”

2.21. De advocaat van [eiser] stuurt op 7 juli een brief aan het bestuur van Bewust Verder 2002. Hij verzoekt het bestuur dringend een algemene vergadering te beleggen. Verder deelt hij mede dat, indien het bestuur blijft weigeren een algemene vergadering te plannen, meer dan een tiende van de leden het bestuur verzoekt een algemene vergadering te beleggen.

2.22. Op 18 juli verstuurt [eiser] aan de leden van Bewust Verder 2002 een uitnodiging voor aan algemene vergadering op 28 juli 2011.
Op deze vergadering verschenen tien leden. De notulen van deze vergadering luiden – voor zover relevant – als volgt:
“Op vragen van leden betreffende de lage opkomst en het verzoek van schriftelijke aanvragen zoals gemeld in de statuten (Art:9 regel 9) kwam de Hr. G. [eiser] met het antwoord dat die allemaal per mail bij hem een verzoek hadden gedaan, hierop werd gelijk aangegeven dat dit niet bij het overige bestuur is aangeleverd. (Art:9 regel 9)
Ook op de vraag wie er allemaal waren uitgenodigd, kon de heer Hr. H.[eiser] geen duidelijk antwoordt geven, deze vraag werd gesteld omdat het bestuur had vernomen dat er verschillende personen geen uitnodiging hadden gekregen.
Het is namelijk zo dat voor een algemene vergadering alle leden een uitnodiging dienen te ontvangen.
Op grond van het bovenstaand gegeven en andere feiten hebben verschillende leden aangegeven deze vergadering nietig te verklaren.
Volgens de Hr. G.[eiser] kan dit niet en blijf hij volharden in zijn standpunt dat het een rechtsgeldige ledenvergadering is. Dit is niet juist, alleen de voorzitter kan te allen tijden een algemene vergadering of bestuursvergadering uitschrijven (artikel 6 huishoudelijk reglement). (…)
Na het nietig verklaren heeft de [persoon [persoon 10] namens de voorzitter aangegeven dat er een algemene vergadering zal worden gehouden op 23 augustus 2011 ook rekening houdend met de statuten/huishoudelijk reglement.”

2.23. Op 23 augustus 2011 is een algemene vergadering gehouden, waar 23 leden aanwezig waren. Tijdens deze vergadering is gestemd over het ontslag van [persoon 1], [persoon 2] en [eiser]. Van de 23 aanwezige leden stemden elf leden voor het ontslag van [eiser] en negen tegen. Drie leden hebben blanco gestemd.
De notulen van deze vergadering vermelden – voor zover relevant:
“Dit betekent, dat er een besluit is genomen dat de Hr. G [eiser] door een meerderheid van stemmen uit zijn functie wordt gezet als Secretaris van de vakbond Bewust Verder 2002.”

2.24. [persoon 1] heeft op 24 augustus 2011 namens het bestuur van Bewust Verder 2002 een brief aan de leden van Bewust Verder 2002 gestuurd. Deze brief luidt – voor zover relevant – als volgt:
“Op dinsdagavond 23 augustus 2011 is er een algemene vergadering (ALV) geweest.
Op deze vergadering is er met een meerderheid van stemmen door de aanwezige leden een besluit genomen om afscheid te gaan nemen van de secretaris de heer G.R. [eiser].”

2.25. Op 7 september 2011 heeft [persoon 1] namens het bestuur van Bewust Verder 2002 een aangetekende brief aan [eiser] verstuurd met de volgende inhoud, voor zover relevant:
“Na zorgvuldig overleg kan het bestuur van Bewust Verder 2002 niet meer anders dan naar het zwaarste middel te grijpen en u te ontzetten/royeren, gelet op artikelen 6 en 7 van de Statuten.
De reden dat het bestuur heeft besloten om het zwaarste middel te moeten gaan inzetten is de volgende, wij tolereren uw gedrag niet langer, u weigert zich te houden aan het besluit dat democratisch is genomen, in de Algemene vergadering van 23 augustus 2011. In deze vergadering is besloten, dat u per direct uw functie als secretaris dient neer teleggen. Ondanks dit alles blijft u zich als secretaris profileren en post sturen.
Wij zijn van mening dat u leden benadeelt en schade berokkent door misbruik te maken van de e-mailbestanden van Bewust Verder 2002 en het openbaar maken en afstaan hiervan aan derden, wat overigens bij wet verboden is. Dit is u al meerdere malen bij woord en geschrift kenbaar gemaakt.”

2.26. [eiser] heeft bij brief van 4 oktober 2011 beroep aangetekend tegen het besluit waarin hij als lid is ontzet. Hij schrijft dat hij verwacht dat dit beroep – conform de statuten – door de algemene vergadering zal worden behandeld.

2.27. [persoon 1] heeft de leden van Bewust Verder 2002 op 10 oktober 2011 een brief gestuurd, waarin hij meedeelt dat afscheid is genomen van [eiser] als secretaris en hij tevens als lid zal worden geroyeerd/ontzet per 7 september 2011. Verder deelt [persoon 1] mede dat [persoon 6], [persoon 10] en [persoon 11] toetreden tot het bestuur van Bewust Verder 2002.

2.28. Op 14 november 2011 heeft Bewust Verder 2002 een algemene vergadering gehouden. De notulen van deze vergadering luiden – voor zover relevant – als volgt:
“Hierop heeft de heer J. [persoon 10] direct antwoord met de mededeling dat wat betreft het ontslag als secretaris dit een gepasseerd station is, dit is namelijk besloten in de Algemene Leden Vergadering van 23 augustus 2011, waar hij en zijn advocaat schriftelijk van op de hoogte zijn gebracht, op dit moment niet aan de orde is, hier wordt alleen maar gesproken over het ontzetten/royement, dit is ook duidelijk gemaakt in de uitnodiging voor deze vergadering aan de heer G.R. [eiser], en op wat voor gronden hij ontzet/geroyeerd, door het bestuur van Bewust Verder 2002. (…)
De heer J. [persoon 10] begint zijn uitleg met een opsomming van feiten en overtredingen waar de heer G.R. [eiser] zich volgens het bestuur van Bewust Verder 2002 zich aan schuldig heeft gemaakt en met sommige punten nog steeds mee bezig is, zoals het in diskrediet brengen van de vereniging.
De redenen van het ontzetten/royeren:
– Het verspreiden van onjuiste en opruiende mails
– Het schenden van artikel 10 van het huishoudelijk reglement door brieven te sturen waar “Vertrouwelijk” op rust.
– Het telkens negatieve uitlaten van reacties tegen over collega’s op de werkvloer. en het management.
– Het zich al meerdere malen uitspreken dat hij op persoonlijke titel verder gaat en geen binding meer heeft met de BV2002,
– Het misbruiken van e-mail adressen en het verstrekken aan dede van deze bestanden wat uit het oogpunt van privacy bij wet verboden is en tevens een strafbaar feit is.
– Het nog steeds illegaal gebruik maken van de spullen de toebehoren aan Bewust Verder 2002
– Het zich onttrekken aan de verantwoordelijkheden en taken als secretaris
(…)
De stelling luidt: zijn de leden het eens met het besluit van het bestuur om de heer G.R. [eiser] te ontzetten/royeren (…)
Hiermee is het besluit unaniem aangenomen.”

2.29. [persoon 6], [persoon 10], Jankipersadsing, [persoon 7] en [per[persoon 12] (hierna: [persoon 12]) zijn per 14 november 2011 als bestuurders van Bewust Verder 2002 ingeschreven in het handelsregister.

2.30. Op 15 november 2011 stuurt [persoon 1] namens het bestuur van Bewust Verder 2002 een brief aan [eiser], waarin hij meedeelt dat de vergadering unaniem heeft besloten achter het besluit van het bestuur te gaan staan om [eiser] te ontzetten/royeren als lid van Bewust Verder 2002.

3. Het geschil
in conventie
3.1. [eiser] vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
? het besluit inhoudende dat [eiser] als bestuurslid van Bewust Verder 2002 werd ontslagen te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW en Bewust Verder 2002 te veroordelen [eiser] in al zijn rechten als secretaris van Bewust Verder 2002 te herstellen en dit ook aan alle andere leden schriftelijk kenbaar te maken zulks binnen drie dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat Bewust Verder 2002 in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; en
? het besluit waarmee [eiser] uit het lidmaatschap van Bewust Verder 2002 werd ontzet te vernietigen wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW en Bewust Verder 2002 te veroordelen [eiser] in al zijn rechten als lid van Bewust Verder 2002 te herstellen en dit ook aan alle andere leden schriftelijk kenbaar te maken, zulks binnen drie dagen na de dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat Bewust Verder 2002 in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen, althans een in goede justitie te bepalen bedrag; en
? te verklaren voor recht dat de benoemingen door het bestuur van Bewust Verder 2002 van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13], [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] tot bestuurslid nietig zijn en dat deze personen derhalve geen deel uitmaken van het bestuur van Bewust Verder 2002; en
? Bewust Verder 2002 te veroordelen tot betaling aan [eiser] van:
a. de kosten van de algemene vergadering van 28 juli 2011 van € 68,70 inclusief BTW, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 12 september 2011 tot aan de dag der algehele voldoening; en
b. een bedrag van € 2.500,- ter vergoeding van de door Bewust Verder 2002 geleden c.q. nog te lijden schade, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente is verschuldigd; en
c. een vergoeding voor gemaakte buitengerechtelijke kosten van € 714,-, althans een in goede justitie te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening; en
d. een bedrag van € 131,- zonder betekening, verhoogd met een bedrag van € 68,- in geval van betekening, aan nakosten, als bedoeld in artikel 237 lid 4 Rv met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis wettelijke rente verschuldigd is; en
e. de kosten van deze procedure met bepaling dat, als deze kosten niet binnen zeven dagen na de dagtekening van het in dezen te wijzen vonnis worden voldaan, daarover vanaf de achtste dag na dagtekening van het vonnis, wettelijke rente is verschuldigd.

3.2. Bewust Verder 2002 voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

In reconventie

3.4. Bewust Verder 2002 vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te veroordelen tot betaling van € 77,80 als vergoeding voor de postzegels en enveloppen die [eiser] volgens haar in zijn bezit heeft en tot betaling van € 251,50 voor de kosten van twee ledenvergaderingen op 23 augustus 2011 en 14 november 2011, beide bedragen vermeerderd met de proceskosten.

3.5. [eiser] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling
in conventie
4.1. De vordering van [eiser] ziet op het besluit tot ontslag als bestuurslid, op het besluit tot ontzetting als lid van Bewust Verder 2002, op de benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] en op verschillende kosten- en schadeposten.
Het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder van Bewust Verder 2002

4.2. [eiser] betwist allereerst dat er een rechtsgeldig besluit is genomen waarmee hij is ontslagen als bestuurder van Bewust Verder 2002. Voor zover dit besluit wel rechtsgeldig zou zijn genomen, is het besluit volgens hem vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid.

4.3. Een besluit tot ontslag van een bestuurslid van een vereniging wordt op grond van artikel 2:37 lid 6 en 3 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) genomen door hetzelfde orgaan dat de bestuurslid heeft benoemd: de algemene vergadering. Hiervan kan bij statuten worden afgeweken.
Artikel 7 van de statuten van Bewust Verder 2002 bepaalt, als aanvulling op de wettelijke bepalingen, dat een bestuurder te allen tijde door de algemene vergadering kan worden ontslagen, waarbij vereist is dat ten minste de helft van de leden aanwezig is. Indien niet het vereiste aantal leden aanwezig is, wordt binnen vier weken een nieuwe vergadering gehouden. In deze vergadering kan, ongeacht het aantal aanwezige leden, een besluit worden genomen.
De algemene vergadering heeft op 23 augustus 2011 gestemd over het ontslag van [eiser] als bestuurder van Bewust Verder 2002. Van de 22 leden die hebben deelgenomen aan de stemming hebben elf leden vóór en negen leden tegen het ontslag van [eiser] gestemd. Twee leden hebben blanco gestemd; deze stemmen tellen – op grond van artikel 10 van de statuten – niet mee. De meerderheid van stemmen wordt gevormd door de helft vermeerderd met één. (Noot, dit is onjuist, bijv. bij 11 stemmen voor, 10 tegen, is er wel een meerderheid voor, maar niet de helft + 1) In dit geval waren er dus vereist tien (de helft van de twintig uitgebrachte stemmen) plus één, dus elf stemmen. Het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder is dan ook rechtsgeldig.

4.4. [eiser] stelt zich op het standpunt dat het besluit tot zijn ontslag op grond van artikel 2:15 BW vernietigbaar is, omdat er geen (concrete) redenen of goede gronden zijn die het ontslag kunnen rechtvaardigen. De rechtbank overweegt dat het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder blootstaat aan nietigverklaring wegens strijd met redelijkheid en billijkheid die bij de totstandkoming van het besluit in acht moeten worden genomen. De toetsing van het besluit aan de eisen van redelijkheid en billijkheid is een marginale. De rechtbank dient slechts te beoordelen of de algemene vergadering in de omstandigheden van het geval in redelijkheid tot het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder van Bewust Verder 2002 heeft kunnen komen. In het onderhavige geval heeft het bestuur van Bewust Verder 2002 op 31 mei 2011 aan alle leden medegedeeld dat het geen vertrouwen meer had in [eiser]. Verder staat vast dat [eiser] – kort nadat hij op 21 mei 2011 van de overige bestuursleden van Bewust Verder 2002 had vernomen dat het vertrouwen in hem werd opgezegd – alle e-mailadressen van de leden doorgestuurd aan [persoon 9]. Daarnaast is door beide partijen gesteld dat in de periode voorafgaand aan het ontslag tussen hen meningsverschillen zijn geweest. Hoewel deze volgens [eiser] zijn opgelost, kunnen deze er wel aan hebben bijgedragen dat het vertrouwen in hem afnam. Uit de e-mailwisselingen en uit het besprokene op de comparitie van partijen is gebleken dat de verhoudingen tussen [eiser] enerzijds en de andere bestuursleden anderzijds onwerkbaar waren geworden. Deze omstandigheden maken dat de algemene vergadering in redelijkheid heeft kunnen overgaan tot het ontslag van [eiser].
De rechtbank zal niet ingaan op de betwiste stelling van Bewust Verder 2002 dat [eiser] als secretaris slecht heeft gefunctioneerd. De algemene vergadering heeft immers reeds op basis van de hiervoor geschetste omstandigheden in redelijkheid en billijkheid tot het besluit tot ontslag van [eiser] als bestuurder van Bewust Verder 2002 kunnen komen.

Het besluit tot ontzetting van [eiser] als lid van Bewust Verder 2002

4.5. [eiser] is bij het besluit van het bestuur van 7 september 2011 als lid van Bewust Verder 2002 ontzet. Het beroep van [eiser] tegen dit besluit is behandeld tijdens de algemene vergadering op 14 november 2011. De algemene vergadering heeft unaniem het besluit van het bestuur bekrachtigd. In deze procedure stelt [eiser] dat het besluit van de algemene vergadering waarin hij is ontzet als lid van Bewust Verder 2002 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. Volgens [eiser] had het bestuur met concrete feiten en omstandigheden moeten komen die dermate zwaarwegend zijn dat zij het ontzettingsbesluit rechtvaardigen, had het bestuur moeten openstaan voor een inhoudelijke discussie over de valse beschuldigingen en had de algemene vergadering over zijn ontzetting als lid moeten stemmen waar hij bij was.

4.6. Artikel 3:37 (lees: 3:35) lid 3 BW bepaalt dat ontzetting van een lid alleen mag worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Hiervan kan niet worden afgeweken in de statuten.
Bewust Verder 2002 heeft ter onderbouwing van haar besluit aangevoerd dat [eiser] de e-mailadressen van leden op 31 mei 2011 heeft doorgezonden aan [persoon 9], terwijl dit vertrouwelijke informatie was. Verder heeft [eiser] onjuiste en opruiende e-mailberichten verstuurd aan de leden van Bewust Verder 2002 en derden.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen is gesteld en gebleken niet kan worden afgeleid dat door het openbaar maken aan een lid van Bewust Verder 2002 van de e-mailadressen van de leden, Bewust Verder 2002 op onredelijke wijze is benadeeld. Ook het stemgedrag van leden over het ontslag van [eiser] is er niet door beïnvloed. Over onjuiste en opruiende e-mailberichten die volgens Bewust Verder 2002 door [eiser] zouden zijn verstuurd aan leden en derden overweegt de rechtbank dat deze stelling door [eiser] is betwist, maar op geen enkele wijze is onderbouwd door Bewust Verder 2002. Het is daardoor voor de rechtbank niet bekend om welke e-mailberichten het gaat en welke schade Bewust Verder 2002 hierdoor heeft opgelopen. Deze stelling zal worden gepasseerd.
Bewust Verder 2002 voert verder aan dat [eiser] haar is blijven dwarszitten. Zij onderbouwt echter niet waaruit dit dwarszitten heeft bestaan. Voor zover Bewust Verder 2002 erop doelt dat [eiser] tegen de besluiten van het bestuur en de algemene vergadering van Bewust Verder 2002 in beroep is gekomen, kan dit hem niet worden verweten.
Gelet op het voorgaande heeft het bestuur op basis van de aangevoerde omstandigheden in redelijkheid niet kunnen komen tot het besluit [eiser] als lid te ontzetten. Deze omstandigheden kunnen de beslissing niet dragen en het besluit zal worden vernietigd.
De gevorderde dwangsom – op de vordering [eiser] binnen drie dagen na dit vonnis in zijn rechten als lid te herstellen en dit ook aan de andere leden kenbaar te maken – is niet door Bewust Verder 2002 betwist en zal worden toegewezen, zij het gemaximaliseerd tot € 5.000,-. Gelet op de korte termijn van drie dagen zal de hierna in het dictum te noemen termijn worden bepaald.

Het besluit tot benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6]

4.7. [eiser] vordert een verklaring voor recht dat de benoemingen van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] tot bestuurslid nietig zijn en dat deze personen derhalve geen deel uitmaken van het bestuur van Bewust Verder 2002. De besluiten waarmee zij tot bestuurders zijn benoemd zijn volgens hem nietig, omdat zij zijn genomen door het bestuur en niet door de algemene vergadering. Bewust Verder 2002 voert aan dat voornoemde personen wel door de algemene vergadering zijn benoemd, maar dat van die betreffende vergadering(en) door toedoen van [eiser] geen verslagen gemaakt zijn. Daarnaast blijkt uit het handelsregister dat zij bestuurders zijn, aldus Bewust Verder 2002.

4.8. In de statuten van Bewust Verder 2002 staat geen afwijking van de in artikel 3:37 lid 2 BW opgenomen hoofdregel dat de benoeming van haar bestuurders geschiedt door de algemene vergadering. [eiser] heeft – in tegenstelling tot hetgeen Bewust Verder 2002 heeft aangevoerd – belang bij deze verklaring voor recht, nu hij als lid van Bewust Verder 2002 aan de besluitvorming hierover moet kunnen deelnemen.
Hoewel Bewust Verder 2002 zich op het standpunt stelt dat de algemene vergadering wel degelijk een besluit heeft genomen over de benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6], zijn hiervoor onvoldoende aanknopingspunten terug te vinden in haar stellingen en de door haar overgelegde stukken. Zo heeft zij niet gesteld tijdens welke algemene vergadering deze besluiten zouden zijn genomen. Wel is in het handelsregister ingeschreven dat de desbetreffende bestuursleden per 14 november 2011 in functie zijn getreden. In de notulen van deze op deze datum gehouden algemene vergadering is hierover echter niets vermeld en inschrijving in het handelsregister schept geen recht. Bewust Verder 2002 heeft haar stelling dat door de algemene vergadering besluiten zijn genomen tot benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] daarmee onvoldoende onderbouwd. De rechtbank zal in haar verdere beoordeling als uitgangspunt nemen dat de algemene vergadering geen benoemingsbesluiten heeft genomen.
Zij verwerpt daarbij het verweer van Bewust Verder 2002 dat [eiser] de notulen niet goed heeft opgesteld. Zorgvuldige notulering van ter algemene vergadering genomen benoemings- en ontslagbesluiten van bestuurdersleden is een taak die het gehele bestuur aangaat en derhalve valt onder de collectieve verplichting van het bestuur.
Bewust Verder 2002 stelt dat [eiser] zelf de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] als “het bestuur” meerdere malen heeft aangeschreven. De in artikel 2:37 lid 2 BW genoemde regel is echter dat de benoeming van een bestuurder van een stichting (sic!) geschiedt door de algemene vergadering. Dit brengt met zich mee dat niet kan worden aanvaard dat degene die, ondanks het ontbreken van een dergelijk besluit, de werkzaamheden van een bestuurder is gaan uitoefenen zonder dat dit voor de leden verborgen is gebleven en zonder dat zij tegen de vervanging bezwaar hebben gemaakt als bestuurder van de stichting (sic!) moet worden aangemerkt.
De door Bewust Verder 2002 gestelde besluiten tot benoeming van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] als bestuurslid zijn in strijd met artikel 2:37 lid 2 BW genomen en daarmee nietig op grond van artikel 2:14 BW. De vordering van [eiser] zal worden toegewezen.

De kosten- en schadeposten

4.9. [eiser] vordert € 68,70 aan kosten die hij heeft gemaakt voor de algemene vergadering op 28 juli 2011. Deze vordering wordt door Bewust Verder 2002 betwist. Hoewel Bewust Verder 2002 in de conclusie van antwoord aanvoerde een gedeelte van dit bedrag (€ 60,-) te zullen voldoen, heeft zij dit tijdens de comparitie van antwoord aangevuld met de opmerking dat dit alleen zou gelden, als zij van [eiser] de postzegels en enveloppen (waarvoor in reconventie een vergoeding wordt gevorderd) zou terugkrijgen. Nu [eiser] deze niet aan Bewust Verder 2002 heeft overhandigd, betwist zij de gehele vordering van € 68,70.
De rechtbank overweegt over de kosten betrekking hebben op een door [eiser], volgens hem namens een/tiende deel van de leden, bijeengeroepen algemene vergadering op 28 juli 2011 als volgt. [eiser] stelt dat het bestuur van Bewust Verder 2002 verplicht was tot het bijeenroepen van een algemene vergadering binnen vier weken na het verzoek daartoe van zijn advocaat van 24 juni 2011 en het bestuur dit niet heeft gedaan. Hij was vervolgens namens een/tiende van de leden bevoegd een algemene vergadering te plannen. Deze kosten dienen door Bewust Verder 2002 te worden gedragen.
De statuten vermelden in artikel 9 dat het bestuur van Bewust Verder 2002 verplicht is een algemene vergadering bijeen te roepen op een termijn van niet langer dan vier werken, wanneer tenminste een/tiende deel der leden een daartoe strekkend verzoek bij het bestuur heeft ingediend. In de brief van 24 juni 2011 verzoekt de advocaat van [eiser] inderdaad om het plannen van een algemene vergadering, maar uit deze brief kan niet worden afgeleid dat dit verzoek namens tenminste een/tiende deel van de leden wordt gedaan. Pas bij zijn brief van 7 juli 2011 vermeldt de advocaat dat hij een verzoek namens een/tiende deel van de leden doet. Hoewel het bestuur vanaf dat moment twee weken de tijd had om daaraan gevolg te geven, heeft [eiser] al voor het aflopen van deze termijn een uitnodiging voor een algemene vergadering verzonden. [eiser] was op grond van de statuten op dat moment nog niet bevoegd een algemene vergadering bijeen te roepen, zodat de kosten door hem dienen te worden gedragen.
De vordering van € 68,70 zal worden afgewezen.

4.10. Verder vordert [eiser] € 2.500,- aan vergoeding van immateriële schade wegens schending van zijn naam en reputatie. Volgens hem komt dit bedrag hem toe, omdat het opzeggen van het vertrouwen door het bestuur en de bekendmaking daarvan beschadigend voor zijn goede naam zijn. Bewust Verder 2002 heeft deze vordering betwist.
De rechtbank overweegt dat voor het toewijzen van een schadevergoeding – kennelijk op grond van een onrechtmatige daad – in elk geval de schade voldoende moet worden onderbouwd. [eiser] heeft echter slechts gesteld dat de schade bestaat uit de negatieve gevolgen van de aantasting van zijn naam en reputatie voor (het in aanmerking komen voor en) de uitoefening van posities in de ondernemingsraad (en zijn commissies) en in de vakbondswereld. Hij heeft de schade op geen enkele wijze onderbouwd.
De vordering van € 2.500,- voor immateriële schadevergoeding zal daarom worden afgewezen.

4.11. [eiser] heeft vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten gevorderd voor een bedrag van € 714,-. De kosten waarvan [eiser] vergoeding vordert zijn brieven die zijn advocaat heeft geschreven aan het bestuur en de advocaat van Bewust Verder 2002 en de aanwezigheid van zijn advocaat bij de behandeling van het beroep tegen het ontzettingsbesluit. Dit zijn kosten die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten, te weten een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen op het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Verder overweegt de rechtbank dat de kosten in redelijkheid zijn gemaakt en de omvang daarvan redelijk is (doordat het in het Rapport Voor-Werk II gehanteerde forfaitaire tarief dat in zijn algemeenheid redelijk wordt geacht niet te boven gaat). Aan de betwisting van Bewust Verder 2002 gaat de rechtbank voorbij, nu deze op geen enkele manier is onderbouwd.
De wettelijke rente over deze buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal als onbetwist worden toegewezen.

4.12. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is, zal de rechtbank de proceskosten compenseren, zoals in het dictum vermeld.

in reconventie
4.13. Bewust Verder 2002 vordert € 77,80 als vergoeding voor de postzegels en enveloppen die [eiser] volgens haar in zijn bezit heeft. [eiser] betwist dat hij deze zaken in zijn bezit heeft.
De rechtbank overweegt dat in deze procedure niet is komen vast te staan dat [eiser] de postzegels en enveloppen in zijn bezit heeft. Het zijn van secretaris van een vereniging brengt dat niet automatisch met zich mee. Bewust Verder 2002 stelt wel dat [eiser] post verstuurde, maar zegt slechts dat [eiser] de postzegels en enveloppen in bezit zou hebben voor “eventueel” te verzenden post. Gelet op deze magere stelling en de betwisting door [eiser], had het op de weg van Bewust Verder 2002 gelegen haar vordering nader te onderbouwen. Door dit na te laten, heeft zij haar vordering onvoldoende onderbouwd. De vordering van € 77,80 zal dan ook worden afgewezen.

4.14. Bewust Verder 2002 vordert tevens € 251,50 voor de kosten van twee ledenvergaderingen op 23 augustus 2011 en 14 november 2011. Bewust Verder 2002 heeft door de volgens haar onrechtmatige gedragingen van [eiser] deze extra vergaderingen moeten inplannen en vordert de kosten van deze vergaderingen terug.
Deze vordering zal worden afgewezen. [eiser] heeft tijdens deze algemene vergaderingen de mogelijkheid gekregen om te protesteren tegen zijn ontslag als bestuurder en zijn ontzetting als lid. Van Bewust Verder 2002 mag worden verwacht dat zij [eiser] deze mogelijkheid biedt. De vergaderingen vallen onder de activiteiten van een vereniging en dienen dan ook door Bewust Verder 2002 te worden betaald.

4.15. Bewust Verder 2002 zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van [eiser] worden veroordeeld. De vorderingen in reconventie hangen dermate samen met de vorderingen in conventie, dat de proceskosten in reconventie van [eiser] op nihil worden begroot.

5. De beslissing
De rechtbank

in conventie
5.1. vernietigt het besluit inhoudende dat [eiser] uit zijn lidmaatschap van Bewust Verder 2002 is ontzet;

5.2. veroordeelt Bewust Verder 2002 om [eiser] in al zijn rechten als lid van Bewust Verder 2002 te herstellen en dit ook aan de andere leden kenbaar te maken, zulks binnen vijftien dagen na de dagtekening van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag dat Bewust Verder 2002 hiermee in gebreke blijft, met een maximum van € 5.000,-;

5.3. verklaart voor recht dat de besluiten tot benoeming door het bestuur van Bewust Verder 2002 van de heren [persoon 10], [persoon 7], [persoon 13] en [persoon 12] en van mevrouw [persoon 6] tot bestuurslid nietig zijn en dat deze personen derhalve geen deel uitmaken van het bestuur van Bewust Verder 2002;

5.4. veroordeelt Bewust Verder 2002 in het bedrag van € 714,- aan buitengerechtelijke incassokosten, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:120 lid 1 BW vanaf de dag van dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

5.5. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.6. verklaart dit vonnis in conventie uitvoerbaar bij voorraad;

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie
5.8. wijst de vorderingen af;

5.9. veroordeelt Bewust Verder 2002 in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op nihil. 

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Sarlemijn

Royement (Slagvast)

Hof Den Haag 14 febrauri 2012,  LJN BV5605 (Slagvast)


Lid wordt geroyeerd na 30 jaar lidmaatschap en 10 jaar bestuurslidmaatschap. Dat kan, maar de procedure duurt wel op de dag af 4 jaar. Gerechtelijke vernietiging van ALV besluit tot bevestiging van bestuursbesluit tot ontzetting tast het bestuursbesluit niet aan. 

Uitspraak
GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE
in de zaak van

[X.], appellante, tegen:

SPORTVERENIGING SLAGVAST-KAMPERLAND,
geïntimeerde, hierna te noemen: Slagvast,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 1 november 2011 in het hoger beroep van het door de rechtbank Middelburg onder nummer 71245 / HA ZA 10-12 gewezen vonnis van 30 juni 2010.

8 De verdere beoordeling

8.1.1 Slagvast is een tennisvereniging. [appellante] is vanaf ongeveer 1980 lid van Slagvast geweest.

8.1.2 Bij brief van 26 juli 2007 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] meegedeeld dat zij per direct wordt geschorst als lid van Slagvast naar aanleiding van een brief die zij aan één van de leden van Slagvast heeft gezonden en eerdere incidenten.

8.1.3 Bij brief van 2 augustus 2007 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] in kennis gesteld van haar definitieve besluit van 1 augustus 2007 om de opgelegde schorsing te handhaven tot en met de eerst komende Algemene Ledenvergadering. Het bestuur heeft tevens aangekondigd dat zij tijdens deze Algemene Ledenvergadering een voorstel tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap zal indienen.

8.1.4 Bij brief van 14 februari 2008 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] meegedeeld dat het heeft besloten haar uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten en haar gewezen op de mogelijkheid van schriftelijk bezwaar.

8.1.5 Bij brief van 29 februari 2008 aan de Algemene Ledenvergadering van Slagvast heeft de (toenmalige) advocaat van [appellante] meegedeeld bezwaar te maken tegen, respectievelijk in beroep te komen van, het besluit van het bestuur tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast.

8.1.6 Bij brief van 16 maart 2008 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] meegedeeld dat het bezwaar zou worden behandeld in de Algemene Ledenvergadering van 21 maart 2008 en dat [appellante] geen toegang had tot die vergadering.

8.1.7 Bij brief van 5 april 2008 heeft het bestuur van Slagvast [appellante] meegedeeld dat de Algemene Ledenvergadering op 21 maart 2008 heeft ingestemd met het besluit van het bestuur tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast. Van de 50 aanwezige seniorleden hebben 49 voor het besluit gestemd en 1 tegen.

8.1.8 Bij verstekvonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 is het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 21 maart 2008 vernietigd, voor zover dit ziet op de beslissing van het bestuur van Slagvast om [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten.

8.1.9 Op 8 mei 2009 heeft een nieuwe Algemene Ledenvergadering plaatsgevonden. [appellante] en haar (toenmalige) advocaat waren hierbij aanwezig. De Algemene Ledenvergadering heeft gestemd over het bestuursbesluit van 14 februari 2008 tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast. Met 38 stemmen voor, 2 stemmen tegen en 2 onthoudingen is het bestuursbesluit bekrachtigd.

8.1.10 Bij brief van 1 december 2009 aan de secretaris van Slagvast heeft [appellante] meegedeeld dat zij geen schriftelijke bevestiging heeft ontvangen van de mondelinge mededeling aan haar dat zij opnieuw was ontzet uit het lidmaatschap van Slagvast.

8.1.11 Bij brief van 3 december 2009 heeft de advocaat van het bestuur van Slagvast aan [appellante] bevestigd dat de Algemene Ledenvergadering van Slagvast op 8 mei 2009 een beslissing heeft genomen op het door haar ingediende bezwaarschrift, waarbij 38 van de 42 stemgerechtigde leden hebben ingestemd met haar royement als lid van Slagvast.

8.2.1 [appellante] vordert zowel in eerste aanleg als in hoger beroep vernietiging van het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009, voor zover dit ziet op de beslissing om [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten, primair op grond van artikel 2:15 lid 1 sub a BW en subsidiair op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW. Voorts vordert zij haar toe te laten tot de terreinen en gebouwen van Slagvast op verbeurte van een dwangsom van € 250,- per dag of gedeelte daarvan bij gebreke daarvan, met een maximum van € 10.000,- en Slagvast te veroordelen aan haar een bedrag van € 2.500,- te voldoen als vergoeding van door haar geleden immateriële schade. Tot slot vordert [appellante] Slagvast te veroordelen in de proceskosten.

8.2.2 Bij het vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de vorderingen van [appellante] afgewezen. De rechtbank was van oordeel dat het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 niet vernietigbaar was wegens strijd met een statutaire of wettelijke bepaling betreffende de totstandkoming van besluiten of strijd met de redelijkheid en billijkheid. [appellante] kan zich met dit vonnis niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

8.3 Het gaat in hoger beroep om de vraag of het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009, voor zover dit ziet op de beslissing om [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast te ontzetten, vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 BW wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen of wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist. In dit kader zijn artikel 2:35 lid 1, 3 en 4 BW en artikel 10 van de statuten van Slagvast van belang. Artikel 10 van de statuten van Slagvast luidt, voor zover hier aan de orde :

1. Het lidmaatschap van een lid van de vereniging eindigt door:
a. …
b. …
c. ontzetting.
2. Gronden voor ontzetting uit de vereniging zijn:
a. nalatigheid in het voldoen van de aan het lid door de vereniging opgelegde financiële verplichtingen;
b. handelen in strijd met de statuten, huishoudelijk reglement en/of andere door de Algemene Ledenvergadering vastgestelde reglementen of regelingen;
c. het bij voortduring schaden van de belangen van de vereniging.
3. De ontzetting wordt door het bestuur uitgesproken.
4. Een lid van het lidmaatschap ontzet op de gronden als genoemd in lid 2 van dit artikel wordt van deze ontzetting door het bestuur bij aangetekend schrijven mededeling gedaan.
5. Het lid bedoeld in het voorgaande lid kan tegen zijn ontzetting binnen een maand na ontvangst van het desbetreffende schrijven schriftelijk bezwaar indienen bij het bestuur.
6. Het bestuur brengt de inhoud van het bezwaarschrift ter kennis van de Algemene Ledenvergadering, welke vergadering op het bezwaarschrift bij schriftelijke stemming een definitieve beslissing neemt. Tot het tijdstip waarop het definitieve besluit van de Ledenvergadering is genomen, blijft het lid van het lidmaatschap ontzet.
7. …

8.4 De eerste drie grieven van [appellante] richten zich tegen het oordeel van de rechtbank dat geen sprake is van strijd met een statutaire of wettelijke bepaling betreffende de totstandkoming van besluiten. [appellante] voert in haar eerste grief aan dat na het vonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 een nieuw bestuursbesluit genomen had moeten worden en dat de Algemene Ledenvergadering een beslissing had moeten nemen over dit nieuwe bestuursbesluit in plaats van een nieuwe beslissing over het bestuursbesluit van 14 februari 2008. Volgens [appellante] is ook het bestuursbesluit van 14 februari 2008 door het vonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 vernietigd. Het besluit is destijds niet op de juiste wijze tot stand gekomen, noch op de juiste wijze aan [appellante] kenbaar gemaakt. Deze gebreken kunnen niet worden verholpen door een nieuwe beslissing van de Algemene Ledenvergadering.

8.5 Het hof stelt voorop dat indien een besluit van een bestuursorgaan (bedoeld zal zijn: orgaan, red.) in strijd is met een statutaire of wettelijke bepaling betreffende de totstandkoming van besluiten in de zin van artikel 2:15 lid 1 BW, dit besluit op grond van artikel 2:15 lid 3 BW alleen door de rechter vernietigd kan worden. De rechtbank Middelburg heeft in haar vonnis van 22 april 2009 het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 21 maart 2008 tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap vernietigd, niet het bestuursbesluit van 14 februari 2008. Vernietiging van een besluit van de Algemene Ledenvergadering over een bestuursbesluit leidt niet van rechtswege tot vernietiging van dat bestuursbesluit. Dit betekent dat het bestuur geen nieuw besluit tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast hoefde te nemen. Immers het bestuursbesluit van 14 februari 2008 is in stand gebleven. De Algemene Ledenvergadering diende naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank Middelburg van 22 april 2009 een nieuw besluit te nemen over het bestuursbesluit van 14 februari 2008. Gezien het voorgaande behoeft de stelling dat het bestuursbesluit niet op de juiste wijze tot stand is gekomen en kenbaar is gemaakt, geen bespreking en faalt de eerste grief.

8.6 [appellante] voert in haar tweede grief aan dat het bijeenroepen van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden, gezien het beperkte aantal leden dat aanwezig was. Volgens [appellante] is niet duidelijk of alle leden uitgenodigd waren en was de opkomst bij eerdere Algemene Ledenvergaderingen aanmerkelijk hoger. Slagvast heeft deze stellingen gemotiveerd betwist. Zij stelt onder meer dat op 15 april 2009 aan alle leden een uitnodiging voor de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 is verzonden onder meezending van de agenda. Voorts stelt Slagvast dat een opkomst van 42 stemgerechtigde leden (van de in totaal 180 leden, waaronder 20 jeugdleden) een gebruikelijke opkomst is bij de Algemene Ledenvergadering van Slagvast. Tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg heeft mevrouw [bestuurslid], bestuurslid van Slagvast, verklaard dat in de jaren vóór de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 dertig leden aanwezig waren.
Het hof is van oordeel dat [appellante], gelet op de gemotiveerde betwisting door Slagvast, onvoldoende nader heeft onderbouwd dat en in hoeverre het bijeenroepen van de Algemene Ledenvergadering niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden en dat de opkomst bij eerdere Algemene Ledenvergaderingen aanmerkelijk hoger was. Ook de tweede grief faalt derhalve.

8.7. [appellante] voert in haar derde grief aan dat op de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 haar bezwaarschrift voor de stemming onvoldoende inhoudelijk is behandeld. Pas na de stemming kreeg haar toenmalige raadsman het woord en konden de bezwaren verder uiteen gezet worden. Ook deze grief faalt. Uit het door Slagvast als productie 1 bij de conclusie van antwoord in eerste aanleg overgelegde (concept)verslag van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009, blijkt dat de raadsman van [appellante] voor de stemming aan het woord is geweest en de bezwaren van [appellante] uiteen heeft gezet. Voorts blijkt uit dit verslag dat de voorzitter aan [appellante] en haar raadsman heeft gevraagd of zij voldoende gelegenheid hebben gekregen om hun verhaal te doen en dat daarop bevestigend is geantwoord. [appellante] heeft niet dan wel onvoldoende onderbouwd gesteld dat de inhoud van het verslag van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 niet juist is.

8.8 De vierde grief van [appellante] richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 niet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid. [appellante] voert aan dat zij nooit een correcte uiteenzetting heeft gekregen over de achterliggende redenen waarom zij uit het lidmaatschap werd ontzet. Voorts voert zij aan dat er geen grond was om haar uit het lidmaatschap te ontzetten. Er was van haar zijde geen sprake van ongewenst en onacceptabel gedrag jegens andere (bestuurs)leden. Tevens voert [appellante] onder meer aan dat het in strijd met de redelijkheid en billijkheid is dat zij wel uit het lidmaatschap is ontzet, terwijl de gedragingen van andere (bestuurs)leden zijn gedoogd.
Voor de vraag of het besluit van de Algemene Ledenvergadering van 8 mei 2009 in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, dient bekeken te worden of de Algemene Ledenvergadering, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van Slagvast en degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van Slagvast zijn betrokken, in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Naar het oordeel van het hof heeft de Algemene Ledenvergadering in redelijkheid kunnen komen tot het besluit tot ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap van Slagvast.
Het hof is van oordeel dat uit de correspondentie tussen het bestuur en [appellante] de redenen voor de ontzetting voldoende duidelijk blijken, zodat de stelling van [appellante] dat zij daarover niet of onvoldoende is ingelicht geen doel treft. Bij brief van 26 juli 2007 wordt [appellante] door het bestuur geschorst vanwege de brief van 25 juli 2007 die zij aan de heer [Y.] heeft verzonden en vanwege eerdere incidenten. Uit de uitgebreide correspondentie tussen [appellante] en het bestuur voorafgaand aan 26 juli 2007, die in eerste aanleg bij de dagvaarding en de conclusie van antwoord is overgelegd, blijkt om welke incidenten het gaat en dat dit op 26 juli 2007 ook aan [appellante] duidelijk is geweest. Uit de brief van het bestuurvan 14 februari 2008 aan [appellante] blijkt dat deze incidenten, alsmede het feit dat zij tijdens de schorsing zich, ondanks een verbod daartoe, de toegang heeft verschaft tot het tenniscomplex, hebben geleid tot het besluit tot ontzetting. Het bestuur vermeldt tevens de statutaire gronden voor ontzetting, namelijk dat [appellante] door haar handelen voor en tijdens de schorsing voortdurend de belangen van Slagvast schaadt en dat zij tevens in strijd handelt met de statuten en het huishoudelijk reglement. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen moet uit bedoelde correspondentie, waarvan de inhoud door [appellante] niet, dan wel onvoldoende, is betwist, worden geconcludeerd dat er van de zijde van [appellante] ongewenst en onacceptabel gedrag jegens andere (bestuurs)leden heeft plaatsgevonden. Door dit gedrag wordt Slagvast op onredelijke wijze benadeeld. [appellante] stelt dat juist andere leden van Slagvast zich onbetamelijk gedroegen en dat zij die leden daarop heeft aangesproken. Wat hiervan zij, dit doet niets af aan de laakbare manier waarop [appellante] zelf zaken aan de orde heeft gesteld. Ook indien wordt meegenomen dat [appellante] reeds dertig jaar lid was van Slagvast en tien jaar bestuurslid is geweest, is het hof van oordeel dat de Algemene Ledenvergadering – gehoord de bezwaren van de zijde van [appellante] tegen het bestuursbesluit – in redelijkheid de belangen van Slagvast bij ontzetting van [appellante] uit het lidmaatschap zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [appellante] bij voortduring van het lidmaatschap. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het gaat om meerdere incidenten, verspreid over een aantal jaren, dat [appellante] diverse malen schriftelijk is gewaarschuwd en gewezen op de mogelijke consequenties van haar gedrag en dat dit niet heeft geleid tot een andere houding en andere toon van [appellante]. Dit betekent dat ook de vierde grief faalt.

8.9 Doordat de eerste vier grieven falen, faalt ook de vijfde grief. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

9 De uitspraak
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

Alsnog niet-toelaten lid niet mogelijk (Zwolse Ruiterclub)

Rechtbank Zwolle-Lelystad, 6 april 2012, LJN BW1156 (Zwolse Ruiterclub)


Eerdere omzetting vereniging in stichting (met vastgoed) en nieuwe vereniging. Stichting verkoopt vastgoed aan bestuurder en familie. Toelating lidmaatschap, aanbod en aanvaarding, ongeldig verklaring toelating niet mogelijk, hoor-en-wederhoor bij royement van actief lid. Zwolse manegestrijd. Vordering tegen voorzitter in persoon afgewezen.


Uit Rb. Zwolle, 1-3-2010, LJN BM1708
“2.1. De Ruitersportvereniging Ritsaert was een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid. Deze vereniging is omgezet in Stichting Ruitersport Zwolle Zuid (gedaagde). Door de leden van de omgezette (oude) Ruitersportvereniging Ritsaert is een nieuwe vereniging opgericht met de naam Zwolse Ruiterclub Ritsaert (eiseres).
2.2. De stichting is destijds opgericht om het vermogen (van de oude vereniging) in onder te brengen.Tot dat vermogen behoort onder meer een gebouwencomplex bestaande uit meerdere binnen- en buitenmaneges, stallen, een weide en een kantine (het hierna nader omschreven “Ruitersportcentrum Zwolle”) en paarden en pony’s.”



Het stichtingsbestuur schrapt nu de statutaire link met de Zwolse Ruiterclub en verkoopt het vastgoed aan de penningmeester van de stichting en een dochter van een bestuurslid van de stichting. Enkele personen worden lid van de Zwolse Ruiterclub en vragen om agendering van ontslag van het bestuur op de ALV. Het bestuur verklaart hun lidmaatschap ongeldig. Media spreken van jarenlang plan van bestuurders om manage voor zacht prijsje in handen te krijgen.








Vonnis in kort geding van 6 april 2012in de zaak van
[leden], eisers, tegen
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheidZWOLSE RUITERCLUB “RITSAERT”,gevestigd en kantoorhoudende te Zwolle,2. [gedaagde], in zijn hoedanigheid als voorzitter van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Zwolse Ruiterclub “Ritsaert”,
2. De feiten2.1. Ritsaert is een vereniging die – kort gezegd – als doelstelling heeft het (doen) beoefenen en bevorderen van de paarden- en/of ponysport. De activiteiten van Ritsaert vinden plaats op het Ruitersportcentrum Zwolle (verder: het ruitersportcentrum).
2.2. De statuten van Ritsaert van 26 april 2011 houden – voor zover van belang – het volgende in:
Artikel 4 lid 1 en 2:
“1. Leden van de vereniging zijn natuurlijke personen. (…). Een lid kan slechts tot het lidmaatschap worden toegelaten indien hij tevens als lid tot de KNHS wordt toegelaten, tenzij het lid reeds uit andere hoofde lid is van de KNHS.
2. De toelating tot de vereniging kan nader worden geregeld in een reglement.”
Artikel 6 lid 1, 3 en 5, eerste zinsnede:
“1. Het lidmaatschap van de vereniging eindigt door het overlijden van het lid, alsmede door opzegging of royement door de vereniging of opzegging door het verenigingslid.”
“3. Opzegging door de vereniging geschiedt door het bestuur. De vereniging kan het lidmaatschap opzeggen tegen het einde van zijn boekjaar. Opzegging door de vereniging kan geschieden wanneer:a. het lid zijn verplichtingen tegenover de vereniging niet of niet tijdig nakomt, waaronder begrepen het niet nakomen van financiële verplichtingen tegenover de vereniging;b. het lid de belangen van de vereniging of van de paardensport schaadt;c. het lid niet voldoet aan de vereisten die de statuten voor het lidmaatschap stellen;d. de KNHS het lid het lidmaatschap opzegt.Voorts kan de vereniging het lidmaatschap met onmiddellijke ingang door opzegging doen beëindigen indien redelijkerwijs van de vereniging niet kan worden verlangd het lidmaatschap te laten voortdurenen/of indien de KNHS het lid het lidmaatschap opzegt.”
“5. Het bestuur is bevoegd een lid te ontzetten uit diens lidmaatschap (royement) wanneer het lid in ernstige mate in strijd handelt met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.”
Artikel 15, lid 1, 3, 4 en 5
“1. De agenda van de algemene vergadering wordt ten minste drie weken voor de dag van de algemene vergadering ter kennis van de leden gebracht door publicatie in de officiële mededelingen of door toezending aan de leden.”
“3. Uiterlijk twee weken voor de dag van de vergadering van de algemene vergadering kunnen ten minste drie leden voorstellen aan de agenda toegevoegd worden.
4. Het bestuur is bevoegd later ingekomen voorstellen, alsmede eigen voorstellen alsnog op de agenda te plaatsen.
5. De algemene vergadering kan geen besluiten nemen over voorstellen die niet in de agenda zijn vermeld, tenzij de algemene vergadering bij meerderheid anders beslist.”
2.3. Het ruitersportcentrum bestaat uit een terrein met daarop een gebouwencomplex gelegen aan de Hollewandsweg 15-15c te Zwolle. De Stichting Ruitersport Zwolle-Zuid (verder: de stichting) heeft in 2001 – onder meer – het ruitersportcentrum in eigendom verkregen.
2.4. In de statuten van de stichting van 13 april 2001 is in artikel 2 het doel van de stichting vastgelegd. Artikel 2 lid 1 luidde – voor zover van belang – als volgt:
“De stichting heeft ten doel: de instandhouding en exploitatie van een binnen- en buitenmanege ter bevordering van de paardensport in Zwolle en omgeving, alsmede de verbetering van de kwaliteit daarvan, alles in de ruimste zin des woords. Zulks in het bijzonder ten gunste van de Zwolse Ruiterclub “Ritsaert” dan wel de leden van die vereniging. (…).” 
2.5. Op grond van artikel 4 van voornoemde statuten had Ritsaert een benoemingsrecht ten aanzien van ten minste twee en ten hoogste drie bestuursleden in het bestuur van de stichting. 
2.6. In april 2011 zijnde statuten van de stichting gewijzigd. In de nieuwe statuten is de zinsnede dat de stichting ten gunste van de vereniging opereert niet meer opgenomen.
2.7. In artikel 4 lid 2 van de statuten is – voor zover van belang – het volgende bepaald: 
“Het bestuur van de vereniging: Vereniging Zwolse Ruiterclub “Ritsaert”, gevestigd te Zwolle heeft een recht tot voordracht ten aanzien van ten minste twee en ten hoogste drie bestuursleden; (…).”
2.8. Op dit moment hebben drie bestuursleden van Ritsaert zitting in het bestuur van de stichting.
2.9. Eisers sub 1 en 5 tot en met 13 hebben zich begin maart 2012 als niet-rijdend leden van Ritsaert aangemeld. Bij brieven van 1 en 2 maart 2012 heeft [naam A] de lidmaatschappen van hen als niet-rijdende leden bevestigd. In deze brieven is het volgende opgenomen:
“Hierbij bevestig ik uw lidmaatschap als niet-rijdend lid van de Zwolse Ruiterclub Ritsaert en ik dank u voor het aanmelden.
Met vriendelijke groet,[naam A]Secretaris Zwolse Ruiterclub Ritsaert”
2.10. De stichting heeft alle activa, opstallen en andere (on)roerende goederen verkocht. Het erfpachtrecht van het perceel, plaatselijk bekend Hollewandsweg 15, 15A en 15C, te Zwolle, en de opstallen zijn op 15 maart 2012 voor € 250.000,– geleverd aan WIKA Holding B.V., die (middellijk) toebehoort aan [naam B] en [naam C]. [naam B] is bestuurslid van de stichting en [naam C] is dochter van [naam D], eveneens bestuurslid van de stichting. 
2.11. Het bestuur van Ritsaert heeft haar leden schriftelijk uitgenodigd voor een algemene ledenvergadering op 28 maart 2012 onder vermelding van de agendapunten.
2.12. [eiser A], [eiser B] en [eiser C] hebben bij e-mail en brief van 17 maart 2012 het bestuur van Ritsaert verzocht een viertal punten op de agenda van de algemene ledenvergadering te plaatsen. Het betreft de volgende punten:
“1. De aanpassing van de statuten van de stichting in april 20112. De voorgenomen verkoop van de stichting van alle activa, opstallen en andere(on)roerende zaken die destijds aan de vereniging toebehoorden aan een bestuurslid van de stichting en een dochter van een bestuurslid van de stichting.3. Ontslag/schorsing huidig bestuur4. Benoeming nieuw bestuur.” 
2.13. Bij brieven van 22 maart 2012 heeft Ritsaert de inschrijvingen van eisers sub 1 en 4 tot en met 13 als lid ongeldig verklaard. In de brieven staat het volgende vermeld:
“U heeft zich aangemeld als lid van de vereniging Zwolse Ruiterclub Ritsaert, en als zodanig bent u door onze secretaris ingeschreven.
Men kan echter alleen lid worden van onze vereniging indien men diensten afneemt van het Ruitersportcentrum Zwolle, dat wil zeggen indien men rijlessen volgt of een paard in pensionstalling heeft. 
Nu gebleken is dat u noch rijlessen volgt op het Ruitersportcentrum Zwolle, noch een paard in pensionstalling heeft, heeft de secretaris u ten onrechte als lid ingeschreven. 
Middels deze brief wordt uw inschrijving dan ook ongeldig verklaard.” 
2.14. [eiser C] is door Ritsaert bij besluit van 16 maart 2012 met onmiddellijke ingang geroyeerd als lid. Zij is daar enige dagen later bij ongedateerde brief van in kennis gesteld. In de brief is– voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“Dit royement is gebaseerd op de volgende overwegingen.1. Door uw acties om de verkoop van het Ruitersportcentrum Zwolle te voorkomen heeft u tevens de vereniging benadeeld. Hiertoe wordt opgemerkt dat de (mede) op uw initiatief verschenen publicaties in “De Stentor” en uw ingezonden brief in deze krant een negatieve uitstraling op de vereniging hebben.2. Daarnaast heeft u leden van de vereniging telefonisch en per mail benaderd om uw verhaal te vertellen met betrekking tot de verkoop van het Ruitersportcentrum Zwolle, waarbij u deze leden dringend verzocht heeft om naar de algemene ledenvergadering te komen om het huidige verenigingsbestuur af te zetten. Tevens heeft u oud leden benaderd om nog even lid van de vereniging te worden zodat ook zij toegang hebben tot de ledenvergadering en dat u bereid bent om de contributie voor hen te betalen.3. In dit kader heeft u gebruik gemaakt van gegevens die de leden van de vereniging in vertrouwen aan het bestuur van de vereniging gegeven hebben. Hiervan had u, alleen al uit privacy-overwegingen, geen gebruik mogen maken.”
2.15. Ritsaert heeft bij brief van 22 maar 2012, gericht aan [eiser B], het verzoek om de agenda van de algemene ledenvergadering aan te vullen met de voorgestelde onderwerpen afgewezen. In de brief is – voor zover van belang – het volgende opgenomen:
“Het bestuur richt haar antwoord op dit verzoek alleen aan u, aangezien mevrouw [eiser] geroyeerd is als lid en de inschrijving van [naam E] ongeldig is, omdat hij niet in aanmerking komt voor een lidmaatschap gelet op het beleid dat de vereniging dienaangaande heeft. (Hij neem geen diensten afvan het ruitersportcentrum.)
Uw verzoek om aanvulling van de agenda voor de Algemene Ledenvergadering is, gelet op het bepaalde in artikel 15, derde lid, van de statuten van de vereniging, niet alleen te laat ingediend, maar moet tevens door drie leden worden gedaan. Ingevolge het vierde lid van dit artikel is het bestuur echter bevoegd later ingekomen voorstellen alsnog op de agenda te plaatsen.
Het bestuur zal echter geen gebruik maken van deze bevoegdheid, omdat de eerste twee door u aangevoerde punten geen verenigingsaangelegenheden zijn. Als bestuur zullen wij in de ledenvergadering wel een uitleg geven naar de leden over de verkoop van het Ruitersportcentrum Zwolle.
Evenmin bestaat aanleiding om het derde en vierde punt aan de agenda toe te voegen, aangezien het bestuur geen enkele reden ziet om af te treden.”
3. Het geschil

4. De beoordeling4.1. Ritsaert c.s. heeft gesteld dat zij rauwelijks is gedagvaard, zodat [eiser] c.s. niet ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vorderingen, althans in de proceskosten moet worden veroordeeld. De voorzieningenrechter stelt voorop dat het feit dat de ene partij de andere partij zonder voorafgaande sommatie dagvaardt nog niet meebrengt dat eerstgenoemde partij niet ontvankelijk is in haar vorderingen. Wel kan dit onder omstandigheden meebrengen dat de rauwelijks dagvaardende partij, ondanks dat zij in het gelijk wordt gesteld, geen of slechts in beperkte mate aanspraak kan maken op de gebruikelijke vergoeding voor proceskosten.
In het onderhavige geval kan aangenomen worden dat [eiser] c.s. niet voorafgaande aan het uitbrengen van de dagvaarding in gesprek is gegaan met Ritsaertc.s. en evenmin Ritsaert c.s. heeft gesommeerd datgene te doen wat thans in kort geding is gevorderd. Dit kan echter niet tot het door Ritsaert c.s. gewenste gevolg leiden. Immers, de brieven waarin de inschrijvingen ongeldig werden verklaard en de brief waarin [eiser B] werd meegedeeld dat de agenda niet werd aangevuld zijn gedateerd 22 maart 2012, terwijl [eiser C] rond die tijd de brief betreffende haar royement heeft ontvangen. Nu de algemene ledenvergadering op 28 maart 2012 stond gepland, was er sprake van een dusdanige spoedeisendheid dat [eiser] c.s. niet verweten kan worden dat zij direct tot dagvaarding is overgegaan.
4.2. Van een spoedeisend belang is – hoewel de algemene ledenvergadering is uitgesteld – nog steeds sprake aangezien op korte termijn een nieuwe datum te verwachten is.
4.3. De voorzieningenrechter zal thans beoordelen of er redenen bestaan om de besluiten van Ritsaert c.s. om eisers als lid te weigeren te schorsen. Deze besluiten gelden niet voor [eiser B] en [eiser C], zodat devoorzieningenrechter ervan uitgaat dat uitsluitend eisers 1 en 4 tot en met 13 dit vorderen.
De voorzieningenrechter stelt vast dat artikel 4 van de statuten van Ritsaert slechts twee eisen stelt aan het lidmaatschap: het moet gaan om een natuurlijk persoon en de persoon moet als lid worden toegelaten tot de KNHS. Niet is gebleken dat deze eisen in onderhavig geval een belemmering vormen om betrokkenen als lid toe te laten. In de brieven van Ritsaert van 22 maart 2012 staat voorts vermeld dat men alleen lid kan worden van Ritsaert indien men diensten afneemt van het Ruitersportcentrum Zwolle. Dit is echter in de statuten van de vereniging niet terug te vinden, terwijl de vereniging blijkens het contributieoverzicht ook niet-rijdende leden heeft. Ritsaert c.s. heeft in dat verband aangevoerd dat het algemeen beleid is dat zij alleen leden toelaat die actief deelnemen dan wel betrokken zijn bij de vereniging. Dat dit beleid op rechtsgeldige wijze is vastgelegd, heeft Ritsaert c.s. echter niet aannemelijk gemaakt.Bovendien hebben de betreffende eisers met kracht van argumenten bepleit zeer betrokken te zijn bij de vereniging. Door hen, zonder navraag naar hun bedoelingen, uit te sluiten van het lidmaatschap heeft Ritsaert naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter in strijd gehandeld met de vereiste redelijkheid en billijkheid, alsmede het hierna in rechtsoverweging 4.4 te vermelden beginsel van hoor en wederhoor.
Voorts geldt het volgende.In de statuten van Ritsaert is over de toelating als lid uitsluitend bepaald dat dit nader kan worden geregeld in een reglement. Niet gesteld is dat dit heeft plaatsgevonden, zodat de aanvullende regel van artikel 2:33 BW geldt. Volgens deze bepaling beslist het bestuur van de vereniging over de toelating van een lid en kan bij niet-toelating de algemene vergadering alsnog tot toelating besluiten.In casu hebben de betrokkenen zich als lid aangemeld en vervolgens het lidmaatschap bevestigd gekregen door [naam A]. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is volgens de regels van aanbod en aanvaarding een geldig lidmaatschap tot stand gekomen. Ritsaert c.s. heeft weliswaar betoogd dat zij niet aan de bevestiging van [naam A] is gebonden, omdat zij dit op persoonlijke titel heeft gedaan, maar dat kan Ritsaert c.s. niet baten. Als vaststaand kan immers aangenomen worden dat [naam A] blijkens het uittreksel van de Kamer van Koophandel sinds 24 november 2010 bestuurder van Ritsaert is. Weliswaar staat zij niet als secretaris van Ritsaert geregistreerd,maar aannemelijk is geworden dat zij wel belast is met het secretariaat van Ritsaert. In de brieven van 22 maart 2012 heeft Ritsaert verwezen naar de inschrijving“door onze secretaris”. Daar komt bij dat, blijkens de door Ritsaert c.s. overgelegde productie E, Ritsaert er eveneens van uitgaat dat haar secretariaat bestaat uit [naam F] en [naam A]. Nu [naam A] bestuurder van Ritsaert is en daarbij (feitelijk) is belast met het secretariaat en betrokkenen na hun aanmelding bij de vereniging vervolgens een reactie hebben ontvangen van de vereniging in de vorm van een bevestiging van het lidmaatschap afkomstig van een bestuurslid, hebben zij redelijkerwijs mogen aannemen dat zij lid waren geworden van de vereniging.
Artikel 6 van de statuten bepaalt op welke wijze het lidmaatschap eindigt. De door Ritsaert gehanteerde methode om de inschrijving ongeldig te verklaren is daarin niet vastgelegd. Voor zover dit – welwillend lezend – als een opzegging zou moeten worden beschouwd als bedoeld in lid 3 sub c van artikel 6 geldt dat in dat geval pas tegen het einde van het boekjaar mag worden opgezegd.
Slotsom is dat in hoge mate aannemelijk is dat een bodemrechter, later oordelend, de onderhavige besluiten als in strijd met de statuten, althans op basis van de gronden als bedoeld in artikel 2:14 of 2:15 BW nietig zal verklaren. Er bestaat derhalve aanleiding om de onderhavige besluiten te schorsen, totdat in de bodemprocedure is beslist.
4.4. De voorzieningenrechter komt vervolgens toe aan de beoordeling van het besluit van het bestuur van Ritsaert van 14 maart 2012 om [eiser C] met onmiddellijke ingang te royeren als lid van de vereniging. Dit besluit is bij ongedateerd schrijven aan [eiser C] kenbaar gemaakt. De voorzieningenrechter constateert dat de statuten in artikel 6 lid 5 de bevoegdheid geven aan het bestuur om een lid te royeren, onder meer wanneer het lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Deze grond heeft het bestuur in haar ongedateerd schrijven ook gebruikt. De voorzieningenrechter laatin het midden het antwoord op de vraag of de gedragingen van [eiser C] (voldoende) reden waren tot royement, omdat reeds op andere gronden de vordering tot schorsing toewijsbaar is.


Royement is de zwaarst mogelijke verenigingsrechtelijke sanctie en is een maatregel van tuchtrechtelijke aard. Dit brengt mee dat de besluitnemende instantie grote zorgvuldigheid moet betrachten bij de besluitvorming en dient te handelen conform de algemene rechtsbeginselen, waaronder het beginsel van hoor en wederhoor. Ditgeldt te meer wanneer het iemand betreft die, zoals wel vaststaat, meer dan 10 jaar lid is van de vereniging, bestuurslid is geweest en ten tijde van het royement nog in een of meer commissies zat.



Vaststaat dat in de bestuursvergadering van Ritsaert van 14 maart 2012 het besluit is genomen [eiser C] als lid van de vereniging te royeren en dat zij vóór dat besluit niet is gehoord door het bestuur. 
Nu vóór het nemen van het royementsbesluit door Ritsaert geen hoor en wederhoor is toegepast, heeft Ritsaert bij de voorbereiding van dat besluit een elementair rechtsbeginsel geschonden. De voorzieningenrechter acht de kans zeer gering dat het royementsbesluit– indien beoordeeld in een bodemprocedure – in stand zal blijven. De vordering tot schorsing van het besluit om [eiser C] als lid van Ritsaert te royeren zal dan ook worden toegewezen. 
4.5. Uit het vorenstaande volgt dat Ritsaert [eiser] c.s. op dit moment dient aan te merken als volwaardigeleden (met stemrecht) en dat zij haar dient toe telaten tot de (eerstvolgende) algemene ledenvergadering(en). Zij dient aldaar in staat te worden gesteld haar rechten als lid uit te oefenen. Dit wordt slechts anders indien het lidmaatschap van een betrokkene (op andere, rechtsgeldige wijze) eindigt. De vorderingen onder 2 en 3 zijn in zoverre toewijsbaar.
4.6. De vordering onder 4 zal worden afgewezen, nu de algemene ledenvergadering van 28 maart 2012 is uitgesteld.
4.7. [eiser] c.s. heeft aangevoerd dat zij belang heeft om op korte termijn geïnformeerd te worden over de statutenwijziging van de stichting en de verkoop van het ruitersportcentrum, omdat zij mogelijk de vernietiging van deze besluiten wil inroepen, hetgeen binnen een termijn van één jaar dient plaats te vinden. De voorzieningenrechter ziet hierin, gelet op de in statuten voorgeschreven termijnen, aanleiding om Ritsaert te gebieden om binnen twee weken na betekening van dit vonnis een algemene ledenvergadering bijeen te roepen op de volgens de statuten voorgeschreven wijze, waarbij devergadering binnen een termijn van vier weken dient plaats te vinden.
4.8. Ten slotte is aan de orde de vordering om alle aan te dragen onderwerpen te agenderen en te behandelen, waaronder de eerder aan de orde geweest zijnde onderwerpen, als vermeld in rechtsoverweging 2.12.
De voorzieningenrechter merkt in dat verband op dat het haar verbaast dat het bestuur nietal uit zichzelf de verkoop van de ruitersportcentrum op de agenda van de algemene ledenvergadering heeft gezet. Naar het oordeel van devoorzieningenrechter is voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een verwevenheid tussen Ritsaert en de stichting, die ertoe noopt de gang van zaken bij de stichting af te stemmen met Ritsaert. Van belang is dat de stichting in het leven is geroepen ten dienste van Ritsaert. Daar komt bij dat statutair is bepaald dat drie bestuursleden van Ritsaert tevens bestuurslid van de stichting zijn. Ritsaert c.s. heeft weliswaar betoogd dat de desbetreffende bestuursleden zitting hebben in het stichtingsbestuur zonder last of ruggespraak, maar voorshands moet worden aangenomen dat de bestuursleden van Ritsaert haar belangen vertegenwoordigen in het stichtingsbestuur.Naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter zijn de statutenwijziging van de stichting en de verkoop van het ruitersportcentrum veranderingen die de vereniging direct raken en daarmee, anders dan Ritsaert c.s. stelt, een verenigingsaangelegenheid. [eiser] c.s. heeft terecht zorg geuit over de gang van zaken bij de stichting. Niet uit te sluiten valt dat zij, en andere leden, in het uitoefenen van hun hobby beknot dreigen te worden. De leden van Ritsaert zijn niet, dan wel in beperkte mate, geïnformeerd over de veranderingen, terwijl daar wel alle aanleiding toe was. Ook het bestuur vindt dat op haar de plicht rust om op de ledenvergadering verantwoording af te leggen over het gevoerde beleid. Zelfs op het verzoek tot agendering van deze onderwerpen heeft het verenigingsbestuur afwijzend gereageerd, terwijl de stichting en het verenigingsbestuur zich ondanks alle onrust is blijven hullen in een zweem van geheimzinnigheid. [eiser] c.s. heeft derhalve alle belang bij agendering van deze onderwerpen. Dat het bestuur tijdens de algemene ledenvergadering wel uitleg wil geven, is geen argument om deze punten niet te agenderen.
Het belang van [eiser] c.s. bij de agendering van de voorgedragen vergaderpunten is alleen al gelegen in het feit dat, gelet op het bepaalde in artikel 15 lid 5 van de statuten, de agendering daarvan van invloed kan zijn op de besluitvorming tijdens de algemene ledenvergadering.
Er bestaat eveneens aanleiding de punten 3 en 4 te agenderen. Dat het bestuur geen reden ziet af te treden, betekent nog niet dat deze punten niet behoren te worden geagendeerd. Kennelijk gaat Ritsaert c.s. ervan uit dat het bestuur zal worden weggestemd, maar [eiser] c.s. wil niet meer en niet minder dan de mogelijkheid hebben deze punten op de vergadering aan de orde te stellen. Ritsaert heeft daartegen onvoldoende ingebracht.
Slotsom isdat er met betrekking tot deze vier punten reden bestaat de vordering toe te wijzen. De voorzieningenrechter acht de vordering voor het overige te ruim geformuleerd, zodat de vordering onder 6 zal worden toegewezen als na te melden.
4.9. De door [eiser] c.s. gevorderde dwangsommen zullen, gelet op de geringe inkomsten van Ritsaert, worden beperkt tot € 500,00 per overtreding, met dien verstande dat tegen ieder afzonderlijk lid een afzonderlijke overtreding kan worden begaan, en gemaximeerd tot een bedrag van in totaal€ 15.000,00. De dwangsommen zullen worden toegewezen als volgt. 
4.10. Met betrekking tot de vordering tegen [gedaagde], als voorzitter van Ritsaert, oordeelt de voorzieningenrechter als volgt. [eiser] c.s. heeft aangevoerd dat zij [gedaagde] heeft gedagvaard, omdat hij als voorzitter van Ritsaert uitvoering dient te geven aan het gevorderde. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen door [eiser] c.s. is aangevoerd geen reden om de vorderingen ook tegen [gedaagde] toe te wijzen, daar het voor zich spreekt dat de voorzitter van Ritsaert zorg zal dragen voor de uitvoering van hetgeen waartoe Ritsaert is veroordeeld, mede gezien de op te leggen dwangsommen. Daarnaast is van belang dat [gedaagde] als afzonderlijk bestuurslid van Ritsaert te weinig beschikkingsmacht heeft en hij afhankelijk is van de medewerking van (een) andere bestuurder(s).

5. De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1. schorst de besluiten van Ritsaert waarbij [eiser C] als lid is geroyeerd en de inschrijvingen van eisers 1 en 4 tot en met 13 ongeldig zijn verklaard, totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist,
5.2. gebiedt Ritsaert [eiser] c.s. als volwaardig lid (met stemrecht) te accepteren, totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist. 
5.3. gebiedt Ritsaert [eiser] c.s. toe te laten in de eerstvolgende algemene ledenvergadering en iedere daarop volgende ledenvergadering en haar aldaar in staat testellen haar rechten als lid uit te oefenen, totdat in de bodemprocedure zal zijn beslist,
5.4. gebiedt Ritsaert om binnen twee weken na betekening van dit vonnis op de volgens de statuten voorgeschreven wijze een algemene ledenvergadering bijeen te roepen, waarbij de vergadering binnen een termijn van vier weken dient te worden gehouden;
5.5. gebiedt Ritsaert in de eerstvolgende algemene ledenvergadering de volgende onderwerpen te agenderen en te behandelen:a. de aanpassing van de statuten van de Stichting Ruitersport Zwolle-Zuid in april 2011b. de verkoop en levering door de Stichting Ruitersport Zwolle-Zuid van alle activa, opstallen en andere (on)roerende zaken, gelegen te Zwolle aan de Hollewandsweg 15 en 15 a t/m c;c. ontslag/schorsing huidig bestuur

d. benoeming nieuw bestuur.

Royement lid omgezet in opzegging, schadevergoeding

Rb. ‘s-Hertogenbosch, 7 december 2011, LJN BU7116 (B. c.s. / Kring Vrienden van  ‘s-Hertogenbosch)
(Uitspraak ingetrokken op rechtspraak.nl i.v.m. onvolledige anonimisering.)
Volledige, ongeanonimiseerde uitspraak op http://cfapps.s-hertogenbosch.nl/cms/bis/bijlagen/(3)%20Vonnis%207%20december%202011.pdf


Deze uitspraak bestaat uit twee delen. Ten eerste moet de voorzitter een schadevergoeding betalen aan vier leden die geroyeerd zijn voor uitlatingen die hij over die leden heeft gedaan tijdens de ledenvergadering.


Interessanter is dat de rechtbank oordeelt dat besluit tot royement nietig is, maar dat het vervolgens ambtshalve wordt omgezet in een geldig besluit tot opzegging van het lidmaatschap vanwege ontbreken van de affectio societatis.
Verder de overweging dat het democratisch karakter van het Nederlandse verenigingsrecht brengt met zich mee dat dergelijke kritiek [op het functioneren van het bestuur], ook als zij het bestuur onaangenaam is, geuit moet kunnen worden zonder vrees voor strafmaatregelen zoals opzegging van of ontzetting uit het lidmaatschap.”







Vonnis van 7 december 2011


in de zaak van


2. B., e.a.


tegen


1. de vereniging KRING VRIENDEN VAN ‘S-HERTOGENBOSCH, 


gedaagde,


2.[de Voorzitter],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,

Eiser sub 2 staat in het bevolkingsregister ingeschreven met als geslachtsnaam “B”zoals in de kop van dit vonnis (in vette kapitalen) is weergegeven. Ter comparitie verklaarde hij dat het hem op grond van een besluit van de Raad van State is toegestaan om in 
het maatschappelijk verkeer de geslachtsnaamaanduiding “B. D.” te gebruiken. De 
rechtbank zal dat hierna ook doen.


2. De feiten


2.1. De Vereniging stelt zich ten doel, zakelijk weergegeven: de historische en culturele waarden van ’s-Hertogenbosch te bewaken en bevorderen alsmede deheemkunde met betrekking tot het Bossche te beoefenen.


2.2. Daarnaast bestaat er een “Stichting Binnendieze” die, naar de rechtbank begrijpt, de alom bekende en toeristisch aantrekkelijk boottochten over de Binnendieze verzorgt. … 


2.3. Hoewel in formele zin de Stichting Binnendieze en de Vereniging niets met elkaar van doen hebben, is voor de achtergrond van het gerezen conflict van belang te weten (a) dat vroeger de Vereniging de boottochten met haar leden/vrijwilligers zelf verzorgde, (b) dat toen het jaren geleden met de Vereniging zakelijk en financieel slecht ging, besloten is om de activa en zakelijke activiteiten van de Vereniging onder te brengen in de Stichting Binnendieze, (c) dat het bestuur van de Stichting Binnendieze uit dezelfde of grotendeels dezelfde personen bestaat als hetbestuur van de Vereniging en (d) dat de vrijwilligers die feitelijk de boottochten verzorgen, lid van de Vereniging plegen te zijn.


2.4. Eisers waren tot hun royement in 2010 lid van de Vereniging. [de Voorzitter] was tot zijn aftreden in juni 2011 voorzitter van de Vereniging. 


2.5. In de loop van 2008 ontstond bij een aantal leden (waaronder eisers en enkele voormalige bestuursleden) onvrede over het gebrek aan inzicht in het financiële reilen en zeilen van de Stichting Binnendieze en verontrusting over de bestemming van de daarin gegenereerde gelden. Toen naar hun oordeel daaromtrent vanuit het bestuur van de Vereniging onvoldoende transparantie werd betracht, stelden zij B. (tegen)kandidaat voor het voorzitterschap. Dat paste in zoverre dat voorzitter [de Voorzitter] op de algemene ledenvergadering (ALV) van juni 2009 wegens periodiek aftreden ge- of herkozen zou moeten worden.
[de Voorzitter] heeft met de kandidaatstellende leden gesproken. Na die gesprekken, die sommigen van dekandidaatstellers als onaangenaam hebben ervaren, hebben zij hun steun aan de kandidaatstelling van B. ingetrokken. [de Voorzitter] werd herkozen als voorzitter.


2.6. De onvrede was daarmee niet weggenomen en de onderlinge verhoudingen tussen de Verontrusten-groep en het bestuur raakten meer en meer verstoord. Formele bezwaren van de Verontrusten-groep tegen de wijze van oproepen van een voor 2 juni 2010 voorziene ALV leidden er toe dat het bestuur die vergadering niet door heeft moeten laten gaan en een nieuwe ALV, gehouden op 25 juni 2010, heeft uitgeschreven.
Met betrekking tot een aantal agendapunten hebben eisers hun adviseur op 22 juni 2010 een brief aan het bestuur doen zenden, met verzoek om die brief bij de behandeling van de ingekomen stukken aan de ALV voor te leggen.


2.7. Staande de vergadering van 25 juni 2010 (of kort daarvóór of kort daarná) heeft het bestuur van de Vereniging de vier eisers uit hun lidmaatschap ontzet (hierna ook: geroyeerd), zulks overigens kennelijkin overeenstemming met het te dier vergadering naar voren gekomen gevoelen van een grote meerderheid van de aldaar aanwezige leden. De twee aanwezige eisers zijn terstond uit de vergadering verwijderd.
Het royementsbesluit is bij brieven d.d. 30 juni 2010 aan eisers medegedeeld.

2.8. Eisers zijn van het royementsbesluit tijdig in beroep gekomen bij de algemene ledenvergadering. In haar vergadering van 26 januari 2011 heeft de ALV het beroep ongegrond verklaard. 



4. De beoordeling


4.1. De rechtbank moet vooropstellen dat het bij de in deze zaak door eisers ingestelde vorderingen in de kern gaat om twee kwesties, te weten:
a. Waren de uitlatingen van voorzitter [de Voorzitter] ter vergadering van 25 juni 2010 onrechtmatig?
b. Is het royementsbesluit van de Vereniging nietig?
Weliswaar hangen die kwesties feitelijk nauw samen, maar juridisch-technisch dienen ze scherp onderscheiden te worden.


A. De uitlatingen van [de Voorzitter] ter vergadering van 25 juni 2010


4.3. Omtrent de vraag of de geciteerde uitlatingen (1) tot en met (4) van [de Voorzitter] gerechtvaardigd of wellicht onjuist maar in de gegeven omstandigheden begrijpelijk en vergeeflijk zijn, wordt overwogen:
..
ad (2): Het betichten van het bestuur van “ontoelaatbare methodes zoals dat bij een geheime dienst het geval is” is weinig fraai, maar de wijze waarop sommigen van hen die B. kandidaat-voorzitter hadden gesteld, hebben ervaren hoe zij door de zittend voorzitter [de Voorzitter] daarover zijn benaderd, maakt die opmerking wellicht begrijpelijk. Of zij gerechtvaardigd was, behoeft gelet op het volgende geen bespreking.

Deze overwegingen leiden tot de slotsom dat [de Voorzitter] met zijn uitlatingen op de vergadering van 25 juni 2010 aan de leden een vals beeld heeft gegeven van de wijze waarop eisers hun zorgen naar vorenhebben gebracht. Dat onware beeld komt er op neer dat eisers daarbij alle voor een debat geldende fatsoensnormen zouden hebben overschreden en dat zij het bestuur diep hebben beledigd, welk beeld op onwaarheid berust.


4.4. De uitlatingen (1) tot en met (4) in onderlinge samenhang bezien tegen de achtergrond van de reeds gerezen, behoorlijk geëscaleerde geschillen en het reeds sedert de voorgaande vergadering in de lucht hangende sentiment om eisers te royeren, alsmede het kennelijk door [de Voorzitter]willens en wetens in strijd met de waarheid presenteren van verwijten aan het adres van de Verontrusten-groep als: citaten uit hun correspondentie en het uitdrukkelijk handhaven van dat citaat-karakter op de interventie van Groenendijk in uitlating (5), leiden tot het oordeel dat [de Voorzitter] er opzettelijk op uit is geweest om dit onware beeld te presenteren als doorslaggevend argument om de instemming van de ter vergadering aanwezige leden voor het royementsvoornemen te verkrijgen. Het valt niet te begrijpen als“emotionele vertalingen”(CvA [de Voorzitter], pt. 57) maar wel als een retorisch middel om zich te ontdoen van lastige leden die de euvele moed hadden om kritiek te hebben op het functioneren van het bestuur (waarbij de rechtbank in het midden laat of die kritiek nu terecht was of niet). De rechtbank maakt uit de door partijen naar voren gebrachte feiten op dat [de Voorzitter] zijn uitlatingen ook heeft gedaan met het oogmerk om eisers ter bewerkstelliging van hun royement in een nadelig daglicht te plaatsen en dat hij in zoverre ook het oogmerk had om hen nadeel toe te brengen.
Dat aspect van opzettelijke misleiding van de leden in jegens eisers bewust nodeloos grievende bewoordingen, maken de opmerkingen onrechtmatig en [de Voorzitter] is deswegen tot schadevergoeding gehouden.



4.5. Eisers zijn [] . XXX is []. De beschuldiging dat zij in een [] geschil, ook al speelt dat binnen een privaatrechtelijke vereniging, alle fatsoensnormen en proportionaliteit bij het uiten van hun zorgen zouden hebben overschreden, treft hun zwaar in hun [] reputatie, naar [gedaagde sub 2], zelf ervaren bestuurder, moet hebben kunnen begrijpen. Dat maakt dat de onrechtmatige uitlatingen van [gedaagde sub 2] en het opzettelijk op dit punt in een kwaad daglicht stellen van eisers eens te meer onrechtmatig en de daardoor aangerichte reputatieschade relatief groot.

4.6. Het verweer van [de Voorzitter] dat hij zijn uitlatingen deed in zijn hoedanigheid als voorzitter van de Vereniging en daarom niet persoonlijk aansprakelijk is, faalt.
4.6.1. Het betreft uitlatingen die hij persoonlijk heeft gedaan. Gegeven dat deze uitlatingen hiervóór als een onrechtmatige daad zijn gekwalificeerd waaraan hij schuld heeft (gepleegd immers met een voldoende mate van opzet) is hij zelf daarvoor in de eerste plaats verantwoordelijk en aansprakelijk. 
4.6.2. Daarnaast heeft [de Voorzitter] zijn uitlatingen inderdaad gedaan in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Vereniging. Dat maakt dat zijn onrechtmatige daad ook aan de Vereniging moet worden toegerekend en dat de Vereniging daarvoor mede aansprakelijk is. Maar het betoog van [de Voorzitter] dat hij in dat geval niet langer zelf aansprakelijk is, vindt geen steun in het recht.



4.7. De rechtbank overweegt omtrent de schadevergoeding:
4.7.1. In de eerste plaats zijn de na te melden rectificaties een passende vorm ban schadevergoeding, waarmee aan eisers verregaanden wellicht méér dan middels een schadevergoeding in geld, genoegdoening wordt gegeven. Wel vindt de rechtbank grond om de al te breedsprakige rectificaties die eisers in hun vordering formuleren, tot hun essentie terug te brengen als na te melden. 
4.7.2. Daarnaast is slechts een beperkte geldelijke vergoeding van € 1.500,00 per eiser passend en mitsdien toewijsbaar. 


B. Het besluit tot royement


4.8. Van geen belang is of het bestuur zijn royementsbesluit kort vóór, tijdens of kort ná de vergadering van 25 juni 2010 heeft genomen. Hoe dan ook heeft het bestuur een dergelijk besluit bekrachtigd middels mededeling ervan aan eisers in de brief van 30 juni 2010. Bij onderdeel 1a van de vordering hebben eisers onvoldoende belang.


4.9. Het bestuursbesluit tot royement lijdt aan de volgende gebreken:
a. Een duidelijke omschrijving van de feiten op grond waarvan eisers geroyeerd zouden moeten worden, ontbreekt. 
b. Voor zover die gronden gevonden zouden moeten worden in de wijze waarop eisers hun zorg en kritiek op het bestuur naar voren hebben gebracht (zie: de uitlatingen van [de Voorzitter] ter vergadering van 25 juni 2010), zijn ze onwaar en misleidend gebleken en als grond voor royement ongenoegzaam. Voor zover die gronden gevonden zouden moeten worden in de inhoudelijke kritiek zelf, is daarin geen royementsgrond, maar hoogstens een niet-diffamerende opzeggingsgrond te vinden.
c. Het bestuur heeft eisers niet gehoord op hun voornemen hen te royeren.
Maar de klachten daarover zijn indit geding slechts beperkt relevant, omdat die in beroep aan de ALV behoren te worden voorgelegd en ook door eisers aan de ALV zijn voorgelegd die daarover in eerste instantie had te oordelen. Voor zover onderdeel 4 en andere onderdelen van de vordering van eisers zich richten tegen deze gebreken in de besluitvorming van het bestuur, zijn ze niet-ontvankelijk.

4.10. Bij de oproeping door het bestuur voor de ALV van 26 januari 2011 waar het beroep van eisers tegen het royementsbesluit zou worden behandeld, was een uitvoerige toelichting zijdens het bestuur gevoegd waarin ditmaal wel concrete gronden voor royement (eisers, prod. 35). Eisers hebben daarop geantwoord (eisers, prod. 36). Ter vergadering zijn zij toegelaten en hebben zij het woord kunnen voeren. Hun klacht over onvoldoende hoor en wederhoor is in de beroepsprocedure rechtgezet en wordt in deze procedure verworpen.


4.11. De toelichting van het bestuur op de gronden voor royement worden in die toelichting op bladzijde 1-2 samengevat en verderop uitgewerkt. De rechtbank zal daarop puntsgewijs kort commentaar geven:
(1) Eisers zouden het bestuur in verband brengen met fraude en smeergeld.
Rechtbank: Dat is een verzwakte weergave van uitlating (1) van [de Voorzitter]. Eisers zijn inderdaad uiterst kritisch en wellicht misplaatst achterdochtig geweest, maar suggestie van fraude en smeergeld aan het adres van het bestuur hebben zij niet gedaan.
(2) Eisers hebben de pers geïnformeerd. 
Rechtbank: Als de Vereniging pretendeert mede een publiek belang te behartigen, dan kan het in de pers kenbaar maken van zorgen over haar functioneren en/of dat van het bestuur, mede in relatie tot de Stichting Binnendieze, als een adequaat en niet-disproportioneel middel worden gezien om die zorgen onder de aandacht van de omstreeks 3000 leden te brengen. Dat daarmee ook een publiek belang kon zijn gediend, blijkt uit vragen die in de gemeenteraad zijn gesteld over het reilen en zeilen van de Stichting Binnendieze.
Niet is gebleken dat eisers die zorgen op nodeloos grievende wijze bij de pers naar voren hebben gebracht.
(3) Eisers hebben de intrekking van de Vergadering van 2 juni 2010 bewerkstelligd.
Rechtbank: De Vereniging kan haar leden bezwaarlijk verwijten dat zij aandringen op oproeping voor een ALV in overeenstemming van de statutaire bepalingen, ook als dat zou zijn geschied om een aan eisers onwelgevallig bestuur dwars te zitten.


4.12. Meer in het algemeen heeft te gelden dat kritiek op het functioneren van een bestuur als dat van de Vereniging, bijzonderlijk wanneer het gaat om twijfel over de doelmatige besteding van gelden, voor het bestuur als regel onaangenaam is. In betogen ter ondersteuning van die zorg, twijfel en kritiek zullen onvermijdelijk passages voorkomen die een verwijtende strekking hebben. Maar het democratisch karakter van het Nederlandse verenigingsrecht brengt met zich mee dat dergelijke kritiek, ook als zij het bestuur onaangenaam is, geuit moet kunnen worden zonder vrees voor strafmaatregelen zoals opzegging van of ontzetting uit het lidmaatschap.
Dat wordt pas dan anders indien die kritiek wordt gepresenteerd op onbehoorlijke en respectloze wijze. Daarvan is, zoals hiervoor reeds werd overwogen, in deze zaak zijdens eisers geen sprake.



4.13. Ontzetting (royement) heeft, anders dan de opzegging, een disciplinair of tuchtrechtelijk karakter. Ontzet te worden is diffamerend en bijzonderlijk zo voor eisers, zoals hiervóór al werd overwogen (r.o. 4.5). De rechtbank stelt voorts vast dat de nader door het bestuur aangevoerde gronden voor royement bij lange na een royementsbesluit niet kunnen dragen en de ALV heeft aldus in redelijkheid niet tot het besluit kunnen komen dat eisers geroyeerd behoorden te worden. Dat die ALV zich door [de Voorzitter] en in diens kielzog door diens gehele bestuur misleid mag voelen, maakt dat niet anders.
De rechtbank zal dat royementsbesluit wegens strijd met de wettelijke en statutaire bepalingen die voor ontzetting gelden, vernietigen.

4.14. Wel moet de rechtbank gezien de gehele gang van zaken, in onderling verband bezien zoals die in dit geding naar voren is gekomen, vaststellen dat tussen enerzijds eisers en anderzijds een overgrote meerderheid van de ter vergadering van 26 januari 2011 aanwezige leden (vgl. het notariële proces-verbaal (CvA Vereniging, prod. 60) onoverbrugbare verschillen van inzicht zijn gegroeid over het richtige bestier van de Vereniging. 
De onoverbrugbaarheid van die verschillen van inzicht blijkt er enerzijds uit dat de ALV reeds in 2009, een jaar vóórvoorzitter [de Voorzitter] zijn onware uitlatingen deed, op royement van de Verontrusten-groep had aangedrongen en dat op de vergadering van 26 januari 2011, toen die uitlatingen in de toelichting waren afgezwakt en door eisers bestreden, toch een overgrote meerderheid het royement steunde. Anderzijds hebben eisers zich aanvankelijk niet laten overtuigen door het oordeel van de kascommissie die het beheer door het bestuur van genoegzame kwaliteit achtte om tot décharge te adviseren, en door het formeel juiste standpunt dat de Vereniging geen bemoeienis heeft met het reilen en zeilen van de stichting Binnendieze. De rechtbank laat uitdrukkelijk in het midden wie daarbij het gelijk aan hun zijde hebben.
Feit is dat daardoor de uit het maatschapsrecht bekende en ook voor het verenigingsrecht relevante“affectio societatis”, de wens tot samenwerking voor een gezamenlijk doel, klaarblijkelijk tussen beide groepen is weggevallen en er vorm van onverenigbaarheid van karakters is gegroeid die de kiem van voortdurende conflicten in zich bergt, zonder dat zulks in meerdere of mindere mate aanéén van de groepen te verwijten zal zijn. Darmee is in de Vereniging een punt bereikt waarin van haar (lees: de grote meerderheid van haar leden) redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap van eisers (lees: een minderheid) te laten voortduren, hetgeen een grond voor opzegging is (art.8 lid 3 van de statuten). 
4.14.1. Ter comparitie verklaarde secretaris J. Strang desgevraagd dat een dergelijk niet-diffamerend besluit tot opzegging aan eisers van hun lidmaatschap nimmer was overwogen. De keuze voor ontzetting boven opzegging was mitsdien geen bewuste keuze van het bestuur.
4.14.2. Onder deze omstandigheden kan de rechtbank zonder op de stoel van het bestuur te gaan zitten, toepassing geven aan artikel 3:42 BW en vaststellend aannemen dat, indien het bestuur wegens de nietigheid van het royementsbesluit daarvan had afgezien, het een besluit tot opzegging zou hebben gedaan. Een dergelijk besluit zou, naar derechtbank aanneemt, door de ALV eveneens zijn bekrachtigd.
4.14.3. Daarbij komt dat eisers ter comparitie lieten doorschemeren, zonder zich daarop te willen vastleggen, dat het hen niet zozeer gaat om de rechten die aan het lidmaatschap zijn verbonden, als wel om herstel van hun eer en goede naam.
4.14.4. De rechtbank zal op deze vooral praktische gronden ambtshalve (vgl.HR 22 november 2002, NJ 2003/34) aan het royementsbesluit de werking toekennen van een besluit tot opzegging.


4.15. Op grond vandeze laatste beslissing moeten de onderdelen van de vordering strekkend tot herstel van eisers in hun lidmaatschapsrechten worden afgewezen. 


5. De beslissing


Derechtbank


5.1. verklaart nietig het besluit van de Vereniging, genomen op of omstreeks 25 juni 2010 door haar bestuur en bekrachtigd in beroep op 26 januari 2011 door haar algemene ledenvergadering, bij welk besluit eisers als lid werden ontzet uit hun lidmaatschap; 


5.2. kent aan dit nietige besluit de werking toe van een geldig besluit van de Vereniging tot opzegging van het lidmaatschap aan eisers per 1 januari 2011; 


5.3. verklaart voor recht dat de op de algemene ledenvergadering van de Vereniging van 25 juni 2010 gedane uitlatingen van [de Voorzitter] van de strekking:
(1) dat eisers het bestuur van de Vereniging hadden beticht van (1a) zakkenvullers en oplichters te zijn en (1b) zich van Gestapo-methoden bediend te hebben;
(2) dat eisers misbruik van een mandaat te hebben gemaakt;
(3) dat eisers in een brief aan de gemeente op onsmakelijke wijze de mogelijkheid van het overlijden van [de Voorzitter] ter sprake hebben gebracht,
terwijl eisers in genen dele dergelijke betichtingen hebben geuit, degelijk misbruik hebben gemaakt of een dergelijke onsmakelijkheid hebben geuit, onrechtmatig zijn;


5.4. verbiedt de Vereniging en [de Voorzitter] om in de toekomst uitlatingen te doen die de eer en goede naam van eisers aantasten, en veroordeelt de Vereniging onderscheidenlijk [de Voorzitter] om aan elk van diegenen van eisers jegens wie de Vereniging of [de Voorzitter] in strijd met dit verbod handelen, een dwangsom te betalen van € 5.000 voor elke overtreding van dit verbod; 


5.5. veroordeelt de Vereniging tot het verspreiden van de navolgende rectificatie: 


5.6. veroordeelt de Vereniging en [de Voorzitter] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, om aan ieder van eisers een schadevergoeding te betalen van éénduizend vijfhonderd euro (€ 1.500,00), te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, zijnde 19 oktober 2010, tot aan die van voldoening; 


5.7. veroordeelt de Vereniging en [de Voorzitter] hoofdelijk, des dat de één betalende de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten aan de zijde van eisers, tot aan dit vonnis begroot op€ 1.513,93 waarvan € 408,93 verschotten en € 1.105 salaris inclusief nakosten;


5.8. verklaart dit vonnis voor de in dit dictum 5.4 tot en met 5.7 uitgesproken verboden en veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;


5.9. wijst af het meer of anders gevorderde. 

Schadevergoeding voor lichtvaardig royement

Rb. Zwolle, 16 november 2011, LJN BU4893 (VIT)
ECLI:NL:RBZLY:2011:BU4893 


Een kindertherapeut vermoedt dat een kind wordt mishandeld door de moeder. De moeder dient een klacht in bij de Klachtencommissie van de beroepsvereniging waar de therapeut lid van is. De klacht wordt gegrond verklaard. De therapeut volgt het advies van de Klachtencommissie niet op en wordt door het bestuur van de beroepsvereniging ontzet. Later komen gebreken in de procedure bij de Klachtencommissie aan het licht en wordt het besluit tot onzetting ‘ongedaan gemaakt’ door het bestuur. De vereniging wordt echter alsnog veroordeeld tot schadevergoeding vanwege het onrechtmatige royement: “De rechtbank is van oordeel dat het de taak van het bestuur is om in het geval een lid met klachten over de werkwijze en samenstelling van de klachtencommissie komt, te toetsen of het besluit op de juiste wijze en gronden is genomen. (…) Nu zulks niet is gebeurd, heeft de VIT het besluit tot royement lichtvaardig genomen en daarmee in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehandeld. Hiermee staat de onrechtmatigheid van het besluit van de VIT vast. Daar komt bij dat de VIT [eiseres] heeft geroyeerd zonder [eiseres] te hebben gehoord, waarmee de VIT het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden. (4.11.3)”

“In beginsel is er slechts plaats voor een (zeer beperkte) marginale toetsing van het besluit. Naarmate er echter minder basis in de statuten of reglementen voor een beslissing aanwezig is en geen duidelijk samenstel van regels voorhanden is waaraan getoetst dient te worden, is er minder reden voor terughoudendheid bij de beoordeling van het besluit.” (4.11.2)

Schadevergoeding EUR 22.313

Vonnis van 16 november 2011
in de zaak van
[eiseres], eiseres, tegen
1. [gedaagde sub 1] tot [gedaagde sub 5],
6. de vereniging VERENIGING VAN INTEGRAAL-THERAPEUTEN, gedaagden,





Vonnis van 16 november 2011
in de zaak van

Partijen zullen hierna [eiseres] en de VIT genoemd worden.





2. De feiten
2.1. [eiseres] is volledig bevoegd kinder- en jeugdtherapeut …
2.2. [eiseres] is aangesloten bij de Vereniging van Integraal Therapeuten (VIT).

2.5. Artikel 6 van de statuten luidt:
“De vereniging tracht dit doel te bereiken langs wettige weg en wel door:
(…)
3. het instellen van een arbitragecommissie, aan het oordeel waarvan de leden van de vereniging zich verplichten te onderwerpen ter zake van geschillen casu quo klachten ingesteld door patiënten/cliënten dan wel door collega’s tevens lid van de vereniging.”

2.8. De VIT kent een klachtencommissie. In de ALV van 3 mei 1997 is het Klachtreglement Vereniging van Integraal Therapeuten aangenomen. 

2.9. 1.5.1 Artikel 4 van het Klachtreglement luidt:
“1. De klachtencommissie bestaat uit minimaal drie en maximaal vijf leden, waaronder een voorzitter en een secretaris. De leden worden benoemd door het bestuur uit de kring van therapeuten, m.u.v. de voorzitter. Deze is jurist en geen lid van de beroepsorganisatie.
2. Het lidmaatschap van de klachtencommissie is onverenigbaar met het lidmaatschap van het bestuur.
3. De leden van de klachtencommissie worden, met uitzondering van de voorzitter, benoemd voor een periodevan twee jaar en zijn niet herbenoembaar.
4. De voorzitter wordt benoemd voor een periode van twee jaar en is herbenoembaar.
(…)

2.10. 1.6.1 Artikel 5 van het Klachtreglement luidt:
“De klachtencommissie heeft de volgende taken:
1. Het op basis van de behandeling van een klacht komen tot een uitspraak, gericht tot de klager en de aangeklaagde over de gegrondheid van die klacht, een en ander, met inachtneming van het in artikel 18 bepaalde.
2. Het adviseren van de aangeklaagde over door hem te nemen maatregelen naar aanleiding van de behandelde klacht.
(…)”.

2.11. 1.9.7. Artikel 14 van het Klachtreglement luidt:
“De klager en de aangeklaagde kunnen zich, indien zij dat wensen, laten bijstaan door een advocaat of een andere adviseur.”

2.12. 1.9.8 Artikel 15 van het Klachtreglement luidt:
“(…)
3. De aangeklaagde deelt schriftelijk en met redenen omkleed binnen een maand na ontvangst van het verslag bevattende uitspraak aan de aangeklaagde en aan de klachtencommissie mee, of hij maatregelen neemt naar aanleiding van het oordeel van de commissie en, zo ja, welke.(…)”.

2.13. In 2007 behandelde [eiseres] een (toen) elfjarig kind.

[Eiseres vermoedt dat het kind wordt mishandeld door de moeder]

2.24. Op 4 mei 2008 hebben de moeder van het kind en haar vriend (hierna: klagers) een klacht ingediend bij de klachtencommissie van de VIT. De klacht is drieledig:
1. [eiseres] heeft de gemaakte afspraken niet in een behandelovereenkomst vastgelegd,
2. [eiseres] heeft een valse aangifte van kindermishandeling gedaan,
3. de therapeutische behandeling van het kind was onjuist.

2.25. Op 23 oktober 2008 heeft de klachtencommissie de klacht van klagers gegrond verklaard en, ingevolge artikel 15 van het klachtreglement, een advies uitgebracht aan [eiseres]. In het advies staat:

“9. Aanbevelingen
Op grond van artikel 15 van het klachtreglement adviseert de Klachtencommissie aan verweerster om voor de periode van een jaar, met een frequentie van minimaal 1x per maand, onder supervisie van een geregistreerde supervisor van de V.I.T., te werken aan haar attitude als therapeut, gericht op het ontwikkelen van een onpartijdige, neutrale en professionele beroepshouding, met als belangrijke aandachtspunten: bewustwording van de rol die overdracht en tegenoverdracht spelen in een therapeutische relatie en het adequaat reageren op overdracht en tegenoverdracht.
Op grond van artikel 15.3 van het klachtreglement dient verweerster binnen een maand na ontvangst van het onderhavige verslag, aan de Klachtencommissie mee te delen of zij bovenstaande maatregelen genomen heeft, bij gebreke waarvan de Klachtencommissie het bestuur van de V.I.T. zal adviseren om verweerster te royeren als lid van de V.I.T.”.

2.26. Bij brief van 14 november 2008 aan de VIT heeft de raadsvrouwe van [eiseres] uiteengezet waarom [eiseres] zich niet in het advies van de klachtencommissie kan vinden en heeft zij verzocht de uitspraak van de klachtencommissie te vernietigen. (…)

2.27. Bij brief van 5 december 2008 heeft de Klachtencommissie het bestuur van de VIT bericht:
“(…)
De Klachtencommissie heeft het betreffende verslag verstuurd naar mevr. [eiseres] op 21 oktober 2008. Vastgesteld wordt dat inmiddels ruim 6 weken zijn verstreken en dat de commissie tot op hedengeen bericht van mevr. [eiseres] heeft ontvangen dat zij de aanbevolen maatregelen heeft genomen. Bijgevolg staat aan de commissie geen andere weg open dan thans aan u als Bestuur van de VIT te adviseren om mevr. [eiseres] te royeren als lid van de de VIT.”

2.28. Bij brief van 8 december 2008 heeft het bestuur van de VIT de raadsvrouwe van [eiseres] bericht:
“Naar aanleiding van uw brief d.d. 14 november jl. berichten wij u het volgende.
De klachtencommissie opereert onafhankelijk van het bestuur en hetgeen in de commissie wordt besproken wordt nietnaar buiten gebracht door de leden van de commissie. De commissie heeft een duidelijke plicht tot geheimhouding. Een en ander is natuurlijk mede bedoeld om de belangen van de therapeut tegen wie de klacht wordt ingediend, te beschermen.

Het bestuur gaat niet over uitspraken van de klachtencommissie, is niet op de hoogte van wat er (met naam en toenaam) speelt in een procedure en hoort zich daar inhoudelijk niet mee te bemoeien.

Overigens behoort u als advocate ervan op de hoogte te zijn dat het bestuur niet de bevoegdheid heeftom zich uit te laten over de inhoudelijke gang van zaken bij een klachtbehandeling.
(…)”.

2.29. Bij brief van 23 december 2008 heeft het bestuur van de VIT [eiseres] bericht:

Vastgesteld wordt dat inmiddels ruim 8 weken zijn verstreken en dat de commissie tot op heden geen bericht van u heeft ontvangen, dat u de aanbevolen maatregelen heeft genomen.
Hoezeer wij het ook betreuren, het bestuur staat nu geen andere weg open dan het advies van de Klachtencommissie op te volgen, en u per direct te royeren als lid van de VIT.”

2.30. Bij brief van 29 januari 2009 heeft [eiseres] het bestuur van de VIT bericht dat zij ingevolge artikel 13.1 lid 3.4 van de statuten beroep instelt tegen de beslissing van het bestuur om haar te royeren. Voorts heeft [eiseres] het bestuur verzocht, hangende de civiele zaak tegen het bestuur van de VIT en inafwachting van de door het bestuur in te lasten extra ALV, het besluit tot royement te schorsen. (…)

2.32. Tijdens de ALV van 28 maart 2009 is het beroep van [eiseres] behandeld en heeft de ALV besloten dat een onafhankelijk onderzoek zal worden ingesteld naar het handelen van de klachtencommissie en dat het handelen van [eiseres] door een nieuw samen te stellen commissie opnieuw zal worden onderzocht. Tevens heeft de ALV besloten dat het royement gedurende het onderzoek zal worden opgeschort.

2.33. Bij brief van 15 april 2009 heeft het bestuur van de VIT [eiseres] bericht:
“Naar aanleiding van de Algemene Ledenvergadering van 28 maart jongstleden en gehoord hebbend wat ter vergadering met betrekking tot het royement van uw lidmaatschap van de vereniging aan de orde is geweest, heeft het bestuur zich herberaden en haar besluit met betrekking tot uw royement herwogen. Een en ander heeft er toe geleid dat het bestuur heeft besloten om terug te komen op haar besluit van 23 december 2008 met betrekking tot uw royement als lid van de de VIT en dat besluit te vernietigen.

Het voorgaand betekent dat uw lidmaatschap van de Vereniging van Integraal Therapeuten met ingang van 1 oktober 2006 tot lid van de VIT onverkort van kracht is. Dit heeft inmiddels geresulteerd in de vermelding van uw praktijk op de website van de VIT, alsmede in het doorgeven van uw naam aan de aangesloten zorgverzekeraars.

Van bovenstaand bestuursbesluit zal mededeling worden gedaan in de komende ALV op 18 april aanstaande.
(…)”.

2.34. Op de ALV van 18 april 2009 heeft het bestuur van de VIT aan de leden meegedeeld dat de besluiten die op de ALV van 28 maart 2009 zijn aangenomen, te weten het onafhankelijke onderzoek naar de behandeling van de klacht door de klachtencommissie en de opschorting van het royement, wettelijk niet mogelijk zijn en daarom niet worden uitgevoerd. 

2.35. Op 14 juli 2009 heeft [eiseres] een eigen vereniging opgericht voor kinder- en/of jeugdtherapeuten.

2.36. Per 7 oktober 2009 heeft [eiseres] haar lidmaatschap van de VIT opgezegd. (…)

4. De beoordeling

Vernietiging van het advies van de klachtencommissie
4.2. De rechtbank begrijpt de vordering van [eiseres] aldus, dat wordt gevorderd dat het advies van de klachtencommissie door de rechtbank wordt vernietigd. Tussen partijen is in geschil of het advies van de Klachtencommissie in stand dient te blijven dan wel vernietigbaar is.

4.3. De VIT heeft zich primair op het standpunt gesteld dat [eiseres] ingevolge artikel 3:303 BW niet-ontvankelijk verklaard dient te worden wegens het ontbreken van belang.
Hiertoe heeft zij aangevoerd dat het inhoudelijke oordeel van de klachtencommissie alleen kan worden weerlegd in een procedure tussen [eiseres] en klagers.
Voorts stelt de VIT dat voor zover de procedurele bezwaren van [eiseres] tegen (de werkwijze van) de klachtencommissie al niet in een eventuele procedure tussen [eiseres] en de klagers behandeld worden, daarvoor geldt dat de behandeling daarvan in onderhavige procedure geen separaat belang dient. Dergelijke procedurele bezwaren kunnen immers uitsluitend tot aantasting van het oordeel van de klachtencommissie leiden, indien zij inhoudelijk tot een ander oordeel leiden. Dat oordeel wordt al geveld door de rechter in een eventuele procedure tussen [eiseres] en klagers.
Subsidiair heeft de de VIT aangevoerd dat, vanwege proceseconomische overwegingen en vanwege het risico van tegenstrijdige uitspraken, het oordeel over het advies van de Klachtencommissie dient te worden aangehouden totdat in een procedure tussen [eiseres] en de klagers tot in de hoogste instantie is beslist.

4.4. De rechtbank begrijpt de stellingen van de VIT aldus dat de VIT van mening is dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering omdat de inhoudelijke en procedurele beoordeling van het advies van de Klachtencommissie alleen kan plaatsvinden in een procedure tussen [eiseres] en klagers en dat het advies van de Klachtencommissie derhalve geen werking heeft tussen [eiseres] en de VIT.

De rechtbank kan de VIT niet volgen in deze stellingen. 

Van een bindend advies is sprake indien vast staat dat partijen zijn overeengekomen om geschillen via de weg van het bindend advies op te lossen. 
Een bindend advies is een vaststellingsovereenkomst waarop de artikelen 7:900 BW en verder van toepassing zijn. Gebondenheid van partijen aan het bindend advies is regel. Uit artikel 6 lid 3 van de Statuten volgt dat de vereniging een arbitragecommissie dient in te stellen, aan het oordeel waarvan de leden van de vereniging zich verplichten te onderwerpen ter zake van geschillen dan wel klachten ingesteld door patiënten, cliënten of collega’s. 
De rechtbank is van oordeel dat ingevolge dit artikel van de statuten, waaraan alle leden van de VIT zich hebben onderworpen, [eiseres] met de VIT is overeengekomen dat geschillen via de weg van een bindend advies door de Klachtencommissie dienen te worden opgelost. Het advies van de Klachtencommissie is derhalve ook als een bindend advies tussen [eiseres] en de VIT te beschouwen en [eiseres] kan derhalve in haar vordering worden ontvangen. De VIT heeft dit zelf ook zo gezien: zij volgt het advies van de klachtencommissie om [eiseres] te royeren.


4.5. [eiseres] stelt dat de klachtencommissie onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door zowel de vele procedurele fouten als door de wijze waarop de klacht inhoudelijk is behandeld.Zij vordert vernietiging van het advies van de klachtencommissie op grond van artikel 7:904 BW dan wel artikel 2:15 BW omdat het vanwege alle gebreken bij de totstandkoming ervan als inhoudelijk naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn om haar eraan te houden.



4.7. De rechtbank overweegt als volgt. 
Ingevolge artikel 7:904 BW is een bindend advies slechts vernietigbaar, indien gebondenheid aan dat bindend advies in verband met de inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Getoetst moet worden of de fundamentele beginselen van procesrecht in acht zijn genomen. De rechter dient zich daarbij terughoudend op te stellen; niet elke onjuistheid in het bindend advies kan tot vernietiging leiden. Van een verkapt hoger beroep is geen sprake. Slechts indien aan het bindend advies ernstige gebreken kleven kan met recht een beroep op vernietiging worden gedaan.

4.7.1. De VIT heeft zich steeds op het standpunt gesteld dat [eiseres] geen belang heeft bij haar vordering en dat de procedure moeten worden aangehouden totdat in een procedure tussen [eiseres] en klagers in de hoogste instantie is beslist. Dit standpunt is door de rechtbank verworpen (zie r.o. 4.4.) De VIT heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de door [eiseres] naar voren gebrachteprocedurele en inhoudelijke bezwaren tegen het advies van de Klachtencommissie. De VIT heeft zich het recht voorbehouden om, indien de rechtbank aan een inhoudelijke beoordeling toekwam, verweer te voeren. Het ontgaat de rechtbank echter op grond waarvan de VIT dit voorbehoud heeft gemaakt. De rechtbank is van oordeel dat de processtrategie van de VIT voor haar eigen rekening en risico komt en zal derhalve aan het voorbehoud van de VIT voorbij gaan. Nu de VIT geen verweer heeft gevoerd tegen de door [eiseres] naar voren gebrachte procedurele en inhoudelijke bezwaren, dient de rechtbank deze als vaststaand aan te nemen. Hierbij merkt de rechtbank echter wel op dat het bezwaar van [eiseres] dat de klachtencommissie [eiseres] niet heeft toegestaan zich te doen vertegenwoordigen door een advocaat, niet volgt uit de door [eiseres] ter onderbouwing overgelegde e-mail. De rechtbank zal dit bezwaar dan ook niet meenemen in haar beoordeling.

4.7.2. De vraag die thans beantwoord moet worden is of er zodanig ernstige gebreken aan het advies van de Klachtencommissie kleven dat met recht een beroep kan worden gedaan op vernietiging van het bindend advies. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend.
Door het verweerschrift aan de partner van de vrouw te zenden, heeft de klachtencommissie haar geheimhoudingsplicht geschonden. Door klaagster en [eiseres] buiten elkaars aanwezigheid te horen, zonder [eiseres] hierin te kennen, heeft de klachtencommissie het beginsel van hoor en wederhoor geschonden. Voorts acht de rechtbank het in strijd met de beginselen van procesrecht dat de klachtencommissie op eigen initiatief informatie heeft opgevraagd bij het AMK en de vader van het kind en deze informatie aan het dossier heeft toegevoegd, zonder [eiseres] hiervan een kopie te sturen. Hierdoor heeft [eiseres] zich niet deugdelijk kunnen verweren. Dit is nog kwalijker nu uit het advies van de klachtencommissie volgt dat zij bij het tot stand komen van het advies zich van deze informatie heeft bediend. Ten slotte heeft [eiseres]naar het oordeel van de rechtbank terecht het standpunt kunnen innemen dat de klachtencommissie jegens haar de schijn heeft gewekt dat zij niet onafhankelijk is doordat de samenstelling van de klachtencommissie niet conform haar eigen reglement was. Dit alles tezamen maakt dat de rechtbank van oordeel is dat het gezien de wijze van tot stand komen van het bindend advies naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is om [eiseres] aan het advies te binden.

4.7.3. Ten aanzien van de inhoud van het bindend advies overweegt de rechtbank dat de uitspraak van de klachtencommissie in dit geval het karakter heeft van rechtspraak, zodat aan het advies van de klachtencommissie strengere motiveringseisen worden gesteld. Met [eiseres] is de rechtbank van oordeel dat de taak van een klachtencommissie, die te beoordelen krijgt of een klacht gegrond is, zich dient te beperken tot een onderzoek naar de vraag of de therapeut over wie geklaagd is het onderzoek waarop haar bevindingen berust op voldoende zorgvuldige wijze heeft verricht. Uit het advies van de klachtencommissie volgt dat zij heeft onderzocht op grond van welke signalen [eiseres] haar melding bij het AMK van een vermoeden van mishandeling heeft gebaseerd en dat zij zich daarbij een eigen oordeel over het al dan niet aannemelijk zijn van dat vermoeden heeft gevormd. De rechtbank is van oordeel dat de klachtencommissie hierbij de verkeerde maatstaf heeft aangelegd. Dit brengt mee dat ook wat betreft de totstandkoming van de inhoud van het bindend advies het naar de maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar moet worden geacht om [eiseres] aan het bindend advies gebonden te achten. De rechtbank zal het advies van de klachtencommissie, voor zover deze werking heeft tussen [eiseres] en de VIT, vernietigen. De rechtbank merkt hierbij op dat, voor zover het advies van de klachtencommissie werking heeft tussen [eiseres] en klagers, zij geen oordeel kan geven aangezien klagers geen partij zijn in deze procedure.

Schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van de VIT en haar bestuurders

4.8. [eiseres] vordert schadevergoeding op grond van onrechtmatige daad van zowel de VIT als van haar bestuurders. De rechtbank zal hierna beide vorderingen bespreken.


Onrechtmatige daad VIT

4.9. [eiseres] stelt dat het bestuur onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld door niet nader te onderzoeken of er een reden was om haar te royeren, door geen hoor en wederhoor toe te passen en door de door de klachtencommissie geadviseerde sanctie klakkeloos toe te passen terwijl daarvoor geen wettelijke grond aanwezig was.
[eiseres] stelt dat het bestuur niet alleen onrechtmatig heeft gehandeld met betrekking tot het royement, maar dat haar ook de wijze van besturen en het onprofessioneel handelen in deze zaak valt te verwijten.
Hiertoe heeft [eiseres] het navolgende aangevoerd.

Het bestuur heeft de klachtencommissie gebruik laten maken van hetzelfde briefpapier als het bestuur, zodat het vermoeden bestaat dat geen sprake is van een onafhankelijke behandeling van de klacht. Daarnaast heeft het bestuur de brief waarin het royementsbesluit aan [eiseres] wordt medegedeeld verkeerd geadresseerd. Ten slotte wordt op de reactie van [eiseres] op het royementsbesluit pas twee weken later gereageerd. [eiseres] is van mening dat al deze gedragingen, gepleegd in het licht van het royementsbesluit, zeer onzorgvuldig zijn waarvan de VIT een ernstig verwijt kan worden gemaakt.

4.10. De VIT stelt voorop dat het royementsbesluit ongedaan is gemaakt, zodat de grondslag voor de vordering van [eiseres] tot vergoeding van haar schade door het royement ontbreekt. Voorts heeft de VIT aangevoerd dat beide besluiten – zowel het royement als de intrekking daarvan – op goede gronden en zeker niet klakkeloos zijn genomen.
Zij stelt dat de ongemotiveerde weigering van [eiseres] om het advies van de klachtencommissie tot supervisie op te volgen, uiteindelijk leidde tot het royementsbesluit. Voorts stelt de VIT dat [eiseres] het zelf zover heeft laten komen, terwijl zijvoor de mogelijke gevolgen gewaarschuwd was.

4.11. De rechtbank kan de VIT niet volgen in haar stelling dat, omdat het royementsbesluit ongedaan is gemaakt, de grondslag voor de vordering van [eiseres] tot vergoeding van haar schade door het royement ontbreekt. Immers, de vernietiging van het besluit brengt niet met zich mee dat het aanvankelijke besluit tot royement geen gevolgen heeft gehad. Zo heeft [eiseres] aangevoerd dat de verzekering op 30 maart 2009 heeft laten weten behandelingen van haar cliënten niet meer te vergoeden. [eiseres] is verwijderd van de website van beroepsvereniging, waardoor zij geen cliënten meer kreeg door verwezen en aan haar reputatie is ernstige schade toegebracht door het royement. 

4.11.1. De rechtbank stelt vast dat ingevolge artikel 12 lid 5 van de Statuten het lidmaatschap kan eindigen door ontzetting (royement) bij besluit van het bestuur. Voorts volgt uit artikel 2:15 lid 1 sub b BW dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.

4.11.2. In dit kader dient de vraag te worden beantwoord of de VIT, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van de in artikel 2:8 BW bedoelde personen, in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit tot royement van [eiseres] heeft kunnen komen. In beginsel is er slechts plaats voor een (zeer beperkte) marginale toetsing van het besluit. Naarmate er echter minder basis in de statuten of reglementen voor een beslissing aanwezig is en geen duidelijk samenstel van regels voorhanden is waaraan getoetst dient te worden, is er minder reden voor terughoudendheid bij de beoordeling van het besluit. Indien lichtvaardig wordt besloten tot royement, wordt gehandeld in strijd met de normen van de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW, waarmee alsdan de onrechtmatigheid van het royementsbesluit jegens [eiseres] vaststaat.

4.11.3. De rechtbank is van oordeel dat de VIT in ernstige mate onzorgvuldig en daarmee onrechtmatig jegens [eiseres] heeft gehandeld door het advies van de klachtencommissie over te nemen en zonder daarbij een eigen afweging van alle betrokken belangen te maken. Een dergelijke afweging had wel van het bestuur mogen worden verwacht, zeker gelet op de bezwaren die [eiseres] kenbaar had gemaakt aan het bestuur in haar brief van 14 november 2008. Weliswaar heeft de VIT ter zitting aangevoerd dat zij het advies van de klachtencommissie niet klakkeloos heeft opgevolgd, maar zelf na beoordeling van de zaak tot royement heeft besloten, echter uit de brieven van de VIT van 23 december 2008 en 10 februari 2009 volgt het tegendeel. In beide brieven schrijft de VIT dat zij het advies van de klachtencommissie zal opvolgen en om die reden [eiseres] zal royeren. Gezien de brief van [eiseres] van 14 november 2008 aan de VIT, waarvan een kopie aan de klachtencommissie is verzonden, had de VIT, gelet op haar eigen bestuursverantwoordelijkheid jegens [eiseres], het advies van de klachtencommissie in ieder geval marginaal moeten toetsen. De rechtbank is van oordeel dat het de taak van het bestuur is om in het geval een lid met klachten over de werkwijze en samenstelling van de klachtencommissie komt, te toetsen of het besluit op de juiste wijze en gronden is genomen. Temeer nu, anders dan de VIT stelt, geen beroepsmogelijkheid van de beslissing van de klachtencommissie mogelijk is. De onafhankelijkheid van de klachtencommissie is hiermee niet in het geding.
Nu zulks niet is gebeurd, heeft de VIT het besluit tot royement lichtvaardig genomen en daarmee in strijd met de maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehandeld. Hiermee staat de onrechtmatigheid van het besluit van de VIT vast. Daar komt bij dat de VIT [eiseres] heeft geroyeerd zonder [eiseres] te hebben gehoord, waarmee de VIT het beginsel van hoor en wederhoor heeft geschonden.

Onrechtmatige daad bestuurders

4.12. [eiseres] stelt dat de handelingen van het bestuur zo ernstig zijn dat de bestuurders daarvan persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Zij stelt dat voor de bestuurders, die allen betrokken moeten zijn geweest bij het tot stand komen van het bestuursbesluit tot royement, duidelijk moet zijn geweest dat een (deugdelijke) grond voor het besluit ontbrak, dat dit besluit daarom door de ALV vernietigd zou kunnen worden en dat [eiseres] schade zou leiden door het royement. Reeds die wetenschap levert op dat de onrechtmatige gedragingen aan de bestuurders persoonlijk toegerekend kunnen worden. Door dit handelen stelden debestuurders bovendien ook de vereniging bloot aan schadeclaims van [eiseres] en daarmee ook de verenigingskas die wordt gevuld door de leden. Onder die omstandigheden hebben alle bestuurders persoonlijk onrechtmatig gehandeld jegens haar gehandeld, aldus [eiseres].

4.12.1. Door (de bestuurders van) de VIT is betwist dat er sprake is van een persoonlijk en ernstig verwijt.

4.13. De rechtbank overweegt als volgt. 
De rechtbank is van oordeel dat in het onderhavige geval niet (voldoende) gemotiveerd isgesteld dat aan (een van) de individuele bestuurder(s) een ernstig persoonlijk verwijt kan worden gemaakt. Dit is ook niet anderszins gebleken. Het enkele feit dat iemand deel uitmaakt van het bestuur van een rechtspersoon dat onrechtmatig jegens een derde heeft gehandeld, is daarvoor onvoldoende. De bestuurders hebben niet individueel anders gehandeld dan zij als gezamenlijk bestuur hebben gedaan.
Voor zover de bestuurders wisten dat [eiseres] schade zou leiden door het besluit, leidt het enkele feit dat er schade is geleden nog niet tot de conclusie dat sprake is van persoonlijke aansprakelijkheid van de bestuurders.

Schade


5. De beslissing
De rechtbank

5.1. veroordeelt de VIT om aan [eiseres] te betalen een bedrag van EUR 22.313,00 (tweeëntwintig duizend drie honderd dertien euro), vermeerderd met de wettelijke rente over het toegewezen bedrag vanaf 15 september 2009 tot de dag van volledige betaling,

5.2. vernietigt het advies van de klachtencommissie van 23 oktober 2008 voor zover dit advies werking heeft tussen [eiseres] en de VIT,

5.3. veroordeelt de VIT om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis een kopie van dit vonnis aan de moeder van het kind te zenden en onder haar leden te verspreiden,