Omzetting lidmaatschap in buitgewoon lidmaatschap (NVSHA)

Rechtbank Midden-Nederland 27 november 2013
ECLI:NL:RBMNE:2013:6120

Aanscherping van de vereisten voor lidmaatschap van een beroepsvereniging, bestuur vindt dat een oprichter geen gewoon lid kan blijven nu hij niet aan de (nieuwe) eisen daarvoor voldoet. Bedoeling is dat alleen geregistreerd artsen lid zijn. Eiser is nimmer als zodanig geregistreerd. Besluit tot “omzetting” van het lidmaatschap in “buitengewoon lid” zijn is nietig.
Opzegging lidmaatschap is ook nietig nu aan de letter van de opzeggingsgrond niet is voldaan.
“Dit zou slechts anders zijn indien blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de desbetreffende statutaire bepalingen (uit 2011), voor de NVSHA-leden (waaronder [eiser]) op voldoende objectief bepaalbare wijze kenbaar was dat die bepalingen, ook ondanks hun letterlijke bewoordingen, de strekking hebben dat opzegging ook kan plaatsvinden in een geval als dat van [eiser].” Van dergelijke omstandigheden is geen sprake.

Vonnis van 27 november 2013
in de zaak van [eiser] , tegen
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
NEDERLANDSE VERENIGING VAN SPOEDEISENDE HULP ARTSEN ,
gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiser] en NVSHA genoemd worden.

2 De feiten
2.1. [eiser] is spoedeisendehulparts (hierna: SEH-arts). NVSHA is een vereniging, opgericht in 1999. Doel van de vereniging is (onder andere) de ontwikkeling van kennis op het terrein van de spoedeisende geneeskunde. [eiser] is sinds 1999 lid van de NVSHA en is een van haar oprichters. In 2004 zijn de statuten van de vereniging gewijzigd: in de nieuwe statuten bestaan er onder meer gewone leden en buitengewone leden. In de uit 1999 daterende statuten wordt dit onderscheid niet gemaakt. Ook worden er in deze statuten geen kwalificatie-eisen voor het lidmaatschap gesteld. Vanaf 2004 bepalen de statuten wel dat opleidingseisen gesteld worden aan de toelating van gewone leden. [eiser] voldoet niet aan die opleidingseisen: hij heeft de in de statuten genoemde opleidingen niet gevolgd.

2.2.  Artikel 3 van de statutenwijziging uit 2004, waarin onderscheid wordt gemaakt tussen gewone leden, buitengewone leden, aspirant-leden en rustend leden, is nimmer van kracht geworden. Dit artikel luidt:

  • ‘De leden van de Vereniging worden onderscheiden in gewone leden, buitengewone leden, aspirant-leden en rustend leden.
  • Als gewone leden worden toegelaten gecertificeerde SEH-artsen.
  • Als buitengewone leden worden toegelaten artsen die niet staan geregistreerd als SEH-arts doch door hun aanmelding blijk geven van een bijzondere belangstelling voor de Spoedeisende Geneeskunde, en SEH-artsen die buiten Nederland als SEH-arts zijn gevestigd.
  • Als aspirant leden worden toegelaten SEH-artsen in opleiding.’

2.3. In plaats van dat artikel gold als overgangsbepaling artikel 2ter, waarvan lid 1 – onder meer – luidt:
‘1. De leden van de Vereniging worden onderscheiden in gewone leden,buitengewone leden en aspirant-leden.
a. Als gewone leden worden toegelaten specialisten die lid zijn van lokale SEH-arts-opleidingscommissies van door het Concilium erkende opleidingsinstellingen, gecertificeerde SEH-artsen en SEH-artsen in opleiding bij een erkende opleidingsinstelling. […]
b. Als buitengewone leden worden toegelaten artsen die niet staan geregistreerd als SEH-arts doch door hun aanmelding blijk geven van een bijzondere belangstelling voor de Spoedeisende Geneeskunde, en SEH-artsen die buiten Nederland als SEH-arts zijn gevestigd.’

2.4. Na de statutenwijziging in 2004 bleef [eiser] als gewoon lid van de vereniging geregistreerd staan. Het bestuur van de NVSHA heeft per e-mail van 13 april 2004 aan [eiser] bericht:
‘Hoewel u op grond van het gestelde in artikel 2ter van de statuten buitengewoon lid kunt worden, heeft het bestuur, gezien uw bijzondere omstandigheden, besloten u in aanmerking te laten komen voor een gewoon lidmaatschap. […] Te zijner tijd zal de definitie van het lidmaatschap wederom veranderen. Het kan zijn dat in uw geval dan een nieuwe situatie ontstaat waardoor een nieuwe beslissing over uw lidmaatschap kan volgen.’

2.5. Tot in 2008 viel de opleiding tot SEH-arts onder de verantwoordelijkheid van de SOSG (Stichting Opleiding Spoedeisende Geneeskunde), nadien onder de verantwoordelijkheid van de KNMG. Deze heeft een formeel curriculum vastgesteld als opleidings- en registratie-eis.
2.6. In 2011 werd opnieuw een statutenwijziging doorgevoerd (mede) naar aanleiding van bovengenoemde veranderingen. Tussen de statutenwijziging van 2004 en die van 2011 zijn er geen andere statutenwijzigingen geweest. Onderscheiden werden vanaf 2011 – onder meer – gewone leden en buitengewone leden.
Artikel 3 lid 2 van deze statuten bepaalt:
‘Als gewone leden worden toegelaten:
a. a) MSRC-geregistreerde SEH-artsen,
b) MSRC-geregistreerde SEH-aios,
c) MRSC-geregistreerde medisch specialisten die (plaatsvervangend) opleider zijn van de door de MSRC erkende opleidingsinstellingen voor de opleiding tot SEH-arts KNMG,
d) in Nederland werkzame artsen die hun opleiding tot SEH-arts in het buitenland hebben genoten, en wier opleiding naar het oordeel van het bestuur tenminste gelijkwaardig is aan de opleiding tot SEH-arts KNMG’
[eiser] voldoet niet aan een van deze eisen.

2.7. Artikel 4 van de statuten uit 2011 luidt onder meer:
1. ‘Men wordt gewoon lid […] of buitengewoon lid door zich als zodanig aan te melden bij de secretaris van het Bestuur, onverminderd het bepaalde in artikel 3. […]
3. Bij niet-toelating wordt dit schriftelijk met redenen omkleed aan de betrokkene meegedeeld, waarbij tevens de mogelijkheid van beroep op de ALV wordt gemeld.’
2.8.

Artikel 5 van de statuten uit 2011 luidt onder meer:
1. ‘Het lidmaatschap van de vereniging eindigt: […]
c) door opzegging namens de Vereniging door het Bestuur in geval de betrokkene niet aan zijn verplichting van betaling van contributie heeft voldaan […]
2. ‘Het gewone lidmaatschap zal – onverminderd het hiervoor bepaalde – door opzegging namens de Vereniging door het Bestuur eindigen wanneer de MSRC-registratie als SEH-arts KNMG, SEH-aios of als erkende (plaatsvervangend) opleider vervalt.’

2.9. Op 22 juni 2012 heeft de NVSHA per brief aan [eiser] laten weten:

‘Ons inziens blijft staan dat volgens de statuten het gewone lidmaatschap voorbehouden is aan SEH-artsenKNMG, AIOS SEH en opleiders. Daarnaast heeft u na de oprichting geen blijk meer gegeven van betrokkenheid bij de vereniging. […] Derhalve heeft het bestuur besloten het buitengewoon lidmaatschap te handhaven.’
2.10. [eiser] heeft tegen dit besluit bij brief van 2 juli 2012 (uit eigen naam) en bij brief van 26 juli 2012 (verzonden door zijn rechtsbijstandverzekeraar) geprotesteerd en de NVSHA verzocht het besluit in te trekken. De NVSHA heeft bij brief van haar raadsvrouw van 17 september 2012 laten weten dat [eiser] niet als gewoon lid tot de vereniging wordt toegelaten en dat zijn buitengewoon lidmaatschap wordt gehandhaafd.
2.11. Het bestuur heeft namens de NVSHA op 2 mei 2013 schriftelijk het lidmaatschap van [eiser] opgezegd. De brief met die strekking houdt – onder meer – in:
‘Indien en voor zover u evenwel nog gewoon lid mocht zijn van de vereniging, wordt uw lidmaatschap opgezegd gelet op de inhoud van artikel 5 lid 2 van de statuten. Door middel van dit schrijven berichten wij u dat het bestuur namens de vereniging uw lidmaatschap als gewoon lid opgezegd, voor zover vereist.’

3 Het geschil
3.1. [eiser] vordert – samengevat en na vermeerdering van eis – een verklaring voor recht, uitvoerbaar bij voorraad, dat [eiser] gewoon lid is van de NVSHA en een verklaring voor recht dat de op 2 mei 2013 gedane opzegging van het lidmaatschap ongeldig, danwel nietig is, met veroordeling van de NVSHA in de kosten.
3.2. NVSHA voert verweer en verzoekt om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van [eiser] niet-ontvankelijk te verklaren, althans ongegrond te verklaren, althans deze geheel af te wijzen, met veroordeling van [eiser] in de kosten.
3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4 De beoordeling
Ontvankelijkheid vordering
4.1. De NVSHA stelt primair dat [eiser] niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vordering, doordat [eiser] weinig of geen belang heeft bij deze procedure. Hij had deze kwestie eerst aan de Algemene Ledenvergadering (hierna: ALV) kunnen voorleggen. Voorts heeft [eiser] geen belang bij de vordering: het verschil tussen de beide soorten lidmaatschap behelst slechts de mogelijkheid van stemrecht en deelname aan commissies.
4.2. [eiser] voert aan dat zijn belang bij het voeren van deze procedure ligt in de mogelijkheden die het gewoon lidmaatschap met zich brengt, zoals stemrecht, maar ook voor een belangrijk deel in de uitstraling die binnen de beroepsgroep van het gewoon lidmaatschap uitgaat. Voorts heeft hij belang bij het lidmaatschap bij het voeren van sollicitaties. De door de NVSHA geopperde mogelijkheid van beroep op de ALV staat voor [eiser] niet open. [eiser] verwijst daartoe naar artikel 4 lid 3 van de statuten, waarin die mogelijkheid alleen wordt geboden voor personen die niet als lid zijn toegelaten.
4.3. De rechtbank onderscheidt in het door de NVSHA aangevoerde twee gronden voor niet-ontvankelijkverklaring van de vordering: de stelling dat er sprake is van een mogelijkheid tot alternatieve geschilbeslechting (een beroep op de ALV) en de stelling dat [eiser] onvoldoende belang heeft bij zijn vordering (kennelijk gegrond op artikel 3:303 jo 3:302 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW)).
4.4. De rechtbank volgt [eiser] in zijn stellingname dat waar artikel 4 lid 1 van de statuten nog voor meerdere interpretatie vatbaar is, doordat het spreekt over ‘lid worden’, lid 3 uitdrukkelijk spreekt over ‘niet-toelating’ als lid. Daarvan is in dit geval geen sprake. [eiser] is thans (in ieder geval buitengewoon) lid van de NVSHA. Een beroep op de ALV staat voor hem niet open. De NVSHA kan evenmin gevolgd worden in haar stelling dat [eiser] geen belang heeft. Tussen partijen staat vast dat er een verschil bestaat tussen het gewoon en het buitengewoon lidmaatschap. [eiser] is ontvankelijk in zijn vordering.

Inhoudelijke beoordeling vordering
4.5. [eiser] stelt dat hij nog altijd gewoon lid is van de NVSHA. Hij stelt dat de beslissingen van het bestuurvan de NVSHA van 22 juni 2012 en 2 mei 2013 in strijd zijn met het verenigingsrecht en met de statuten. Hij stond sinds 1999 als gewoon lid geregistreerd, hetgeen door het bestuur in 2004 is bevestigd. De statutenwijziging uit 2011 heeft het lidmaatschap, noch de aard daarvan, kunnen beëindigen of anderszins kunnen aantasten. De beslissing van het bestuur, waarin het buitengewoon lidmaatschap van [eiser] ‘bleef gehandhaafd’ miskent dat [eiser] op dat moment gewoon lid was en dat een vereniging niet eenzijdig de aard van het lidmaatschap van een van haar leden kan wijzigen: die bevoegdheid heeft een vereniging niet.

4.6. De vereniging heeft zijn lidmaatschap ook niet kunnen opzeggen, aldus [eiser].
Lidmaatschap van een vereniging eindigt slechts op één van de in de wet of de statuten voorziene wijzen. Er is geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 5, tweede lid, van de statuten: daar wordt gesproken over het verval van een registratie. [eiser] heeft die registratie nooit gehad. Van een wettelijke opzeggingsgrond voor het bestuur is ook geen sprake. Van de in artikel 2:35 lid 2 BW genoemde gronden speelt hier volgens de NVSHA de tweede grond (het niet meer voldoen aan de eisen door de statuten voor het lidmaatschap gesteld). Die grond is hier niet toepasselijk: de registratie-eis geldt volgens de statuten immers slechts voor toelating als lid, niet voor zittende leden, aldus [eiser].
4.7. De NVSHA betwist dat er strijdigheid is met het verenigingsrecht en de statuten, nu uit de statuten duidelijk valt af te leiden dat er sprake was van een transitiefase van het begrip ‘lidmaatschap’. [eiser] was bekend met het in 2004 door het bestuur gemaakte voorbehoud op die uitzonderingspositie. De registratie-eisen bij de KNMG waren immers aangescherpt. [eiser] had gebruik kunnen maken van de mogelijkheid van een retrograde erkenning. De uiteindelijke opzegging van 2 mei 2013 was niet in strijd met de redelijkheid en billijkheid, omdat het hier gaat om toepassing van statutaire regels en het verenigings- en branchebelang door toepassing van die regels wordt gediend. Volgens de statuten kan degene die niet de vereiste registratie heeft geen lid worden, wat inhoudt dat het lidmaatschap bij gebreke daarvan ook kan worden opgezegd.

4.8. [eiser] heeft aangevoerd dat het bestuursbesluit van 22 juni 2012, waarin zijn buitengewoon lidmaatschap werd ‘gehandhaafd’ onrechtmatig is, nu dit besluit in strijd met het verenigingsrecht en de statuten is genomen. Partijen spreken in de gedingstukken over ‘omzetting’ van het lidmaatschap van [eiser]. Vaststaat dat eiser tot het moment van dat bestuursbesluit ‘gewoon’ lid was. Van het ‘handhaven’ van het buitengewoon lidmaatschap was dan ook geen sprake. Het besluit is op een onjuist feitelijk uitgangspunt gebaseerd.

Voor zover de NVSHA heeft bedoeld te stellen dat [eiser] sinds 2004 een voorwaardelijk gewoon lidmaatschap had, maakt dat de beoordeling niet anders: ook in dat geval kan aan het lidmaatschap slechts op een in de wet of in de statuten voorziene wijze (opzegging of ontzetting) een eind komen. Het bestuursbesluit van 22 juni 2012 blijft dus zonder gevolg. Het besluit moet als niet op de statuten of de wet gegrond genomen als nietig worden beoordeeld.

4.9. Zodoende resteert de vraag of het opzeggingsbesluit van 2 mei 2013 op grond van de wet of de statuten mogelijk was. Daarbij komt het, gezien de wederzijdse stellingen van partijen, enerzijds aan op de vraag of artikel 5 lid 2 van de statuten een valide opzeggingsgrond ten aanzien van [eiser] meebrengt. Die bepaling houdt in dat het lidmaatschap opzegbaar is als het lid niet langer aan de geldende registratie-eisen voldoet. Anderzijds komt het aan op de vraag of, in het licht van artikel 2:35 lid 2 BW, in [eisers ] geval overigens sprake is van de opzeggingsgrond dat hij niet langer aan de statutaire vereisten voor een (gewoon) lidmaatschap voldeed. In dat laatstgenoemde opzicht gaat het om artikel 3 lid 2 van de statuten, waarin is bepaald dat de registratie-eisen gelden bij toelating als lid.


4.10. Naar de letter genomen doen zich ten aanzien van [eiser] geen van beide situaties voor. Er is geen sprake van dat hij niet langer aan de registratie-eisen voldoet, omdat hij daaraan nimmer heeft voldaan. Evenmin is er sprake van zijn toelating in strijd met de geldende registratie-eis, nu hij bij of kort na de oprichting van de NVSHA op rechtmatige wijze daarvan lid is geworden en steeds is gebleven.
4.11. Dat het opzeggingsbesluit van 2 mei 2013 aldus berust op een grond die bij letterlijke lezing niet past binnen de mogelijkheden die de artikelen 2 en 3 van de statuten voor opzegging bieden, brengt in beginsel mee dat het besluit nietig is. Dit zou slechts anders zijn indien blijkens de geschiedenis van de totstandkoming van de desbetreffende statutaire bepalingen (uit 2011), voor de NVSHA-leden (waaronder [eiser]) op voldoende objectief bepaalbare wijze kenbaar was dat die bepalingen, ook ondanks hun letterlijke bewoordingen, de strekking hebben dat opzegging ook kan plaatsvinden in een geval als dat van [eiser]. Van feiten en omstandigheden die daarop wijzen is echter niet gebleken. Die feiten en omstandigheden liggen ook niet besloten in de (verhouding tussen de) diverse statutaire bepalingen zoals deze elkaar in de tijd hebben opgevolgd, nu de statuten uit 2004 ook registratie-eisen stelden en [eiser], die toen ook daaraan niet voldeed, toen krachtens expliciet bestuursbesluit gewoon lid is gebleven. Al het voorgaande brengt mee dat het besluit van het bestuur d.d. 2 mei 2013 is genomen in strijd met de statuten en daarmee dat het opzeggingsbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 BW. De gevorderde verklaringen van recht zullen dan ook worden afgegeven.
4.12. De gevorderde verklaring voor recht zal evenwel niet uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, nu de aard van een dergelijke rechterlijke beslissing zich er niet toe leent om uitvoerbaar bij voorraad verklaard te worden. Wel zal de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5 De beslissing

De rechtbank
5.1. verklaart voor recht dat eiser gewoon lid is van de Nederlandse Vereniging van Spoedeisende Hulp Artsen;
5.2. verklaart voor recht dat de op 2 mei 2013 gedane opzegging van het lidmaatschap nietig is;

Een lid is geen consument (CNV)

Rechtbank Noord-Nederland 15 november 2013 

ECLI:NL:RBNNE:2013:7117 


Relatieve en absolute bevoegdheid bij geschil van een lid tegen een vereniging inzake de bij het lidmaatschap horende rechtsbijstandservice. “Op grond van het bepaalde in artikel 101 Rv is in consumentenzaken mede bevoegd de rechter van de woonplaats van de consument. Aangezien hiervoor reeds is overwogen dat [eiser] uit hoofde van zijn lidmaatschapsverhouding met het CNV niet kan worden beschouwd als een consument in de zin van artikel 101 Rv, kan aan dat wetsartikel geen alternatieve relatieve bevoegdheid worden ontleend.”

Vonnis in kort geding d.d. 15 november 2013 inzake
[naam], wonende te [plaatsnaam],
eiser, hierna [eiser] te noemen, tegen
de vereniging Vereniging CNV Dienstenbond , statutair gevestigd  Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,
gedaagde, hierna het CNV te noemen,

PROCESGANG
Bij dagvaarding met producties heeft [eiser] bij wege van voorlopige voorziening de veroordeling van het CNV gevorderd tot betaling van:
– een bedrag van € 15.000,00 als voorschot op een schadevergoeding terzake van kosten rechtsbijstand;
– een bedrag van € 5.000,00 als voorschot op een schadevergoeding terzake van gelden en nog te lijden immateriële schade;
– de kosten van de procedure.


OVERWEGINGEN
Ten aanzien van de bevoegdheid
1.1. [eiser] heeft ter gelegenheid van de mondelinge behandeling aangevoerd dat de ingestelde schadevorderingen zijn gebaseerd op het onrechtmatig handelen van het CNV in het kader van de afwikkeling c.q. nakoming van de tussen [eiser] en diens werkgever […] bestaande arbeidsovereenkomst. Gelet op de nauwe samenhang met een arbeidsovereenkomst, stelt [eiser] zich op het standpunt dat de kantonrechter van deze rechtbank ingevolge het bepaalde in de artikelen 93 sub c en 100 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) zowel absoluut als relatief bevoegd is om van de door hem ingestelde vorderingen kennis te nemen. Subsidiair heeft [eiser] aangevoerd dat de kantonrechter van deze rechtbank voorts haar bevoegdheid ontleent krachtens het bepaalde in artikel 101 Rv en/of artikel 102 Rv. Het CNV heeft gemotiveerd betwist dat de kantonrechter alhier bevoegd is om van de vorderingen kennis te nemen. De kantonrechter overweegt als volgt.

1.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 254 lid 4 Rv is de kantonrechter in zaken die ten gronde door haar worden behandeld en beslist, ook bevoegd tot het geven van een voorziening.

1.3. Volgens het bepaalde in de leden sub a t/m sub d van artikel 93 Rv worden – kort weergegeven – door de kantonrechter behandeld en beslist:
a. zaken betreffende vorderingen met een beloop van ten hoogste € 25.000,00, tenzij de rechtstitel dat bedrag te boven gaat en die rechtstitel wordt betwist;
b. zaken betreffende vorderingen van onbepaalde waarde, indien er duidelijke aanwijzingen bestaan dat de vordering geen hogere waarde vertegenwoordigt dan € 25.000,00;
c. zaken betreffende een arbeidsovereenkomst;
d. andere zaken ten aanzien waarvan de wet dit bepaalt.

1.4. Vast staat dat [eiser] uit hoofde van zijn lidmaatschap bij het CNV en de toepasselijke Statuten en het Huishoudelijk Reglement van het CNV tegen bijzondere voorwaarden aanspraak kan maken op rechtskundig advies en bijstand van het CNV. De aard van de rechtsverhouding tussen [eiser] en het CNV betreft derhalve een lidmaatschapsverhouding. Dit betekent dat artikel 93 sub c Rv geen bevoegdheid schept in deze rechtsverhouding tussen partijen.

1.5. Gelet op de omstandigheid dat [eiser] ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn vorderingen niet heeft willen beperken tot een bedrag van € 25.000,00 en de rechtstitel daarvan door het CNV is betwist, brengt mee dat de hoogte van de vordering onbepaald is. Daarop gelet kan de absolute bevoegdheid ook niet worden ontleend aan het bepaalde in artikel 93 sub a dan wel sub b Rv.

1.6. Uit het voorgaande volgt dat artikel 254 lid 4 Rv toepassing mist en dat de kantonrechter, volgens de letter van deze wetsbepaling, niet bevoegd is om van de zaak kennis te nemen.

1.7. Artikel 71 Rv voorziet weliswaar om in geval van onbevoegdheid van de kantonrechter de zaak te verwijzen naar de bevoegde rechter, maar die bepaling is in beginsel niet geschreven voor procedures inzake voorlopige voorzieningen. Bij niet gepubliceerd arrest heeft het gerechtshof te Amsterdam evenwel in hoger beroep beslist, dat in zo’n geval toch verwezen moet worden naar de gewone voorzieningenrechter, omdat partijen anders een instantie zouden missen. De kantonrechter zal zich daarnaar richten en de zaak verwijzen in de stand waarin deze zich bevindt, met zoveel mogelijk analoge toepassing van het bepaalde in artikel 71 lid 4 Rv. Met betrekking tot de aanwijzing van de terzake relatief bevoegde rechter, overweegt de kantonrechter als volgt.

1.8. Ingevolge de hoofdregel van artikel 99 Rv is relatief bevoegd de rechter van de woonplaats van het CNV. Op grond van het bepaalde in artikel 101 Rv is in consumentenzaken mede bevoegd de rechter van de woonplaats van de consument. Aangezien hiervoor reeds is overwogen dat [eiser] uit hoofde van zijn lidmaatschapsverhouding met het CNV niet kan worden beschouwd als een consument in de zin van artikel 101 Rv, kan aan dat wetsartikel geen alternatieve relatieve bevoegdheid worden ontleend.

1.9. Daarnaast schept artikel 102 Rv een alternatieve bevoegdheid, in die zin dat in zaken betreffende verbintenissen uit onrechtmatige daad, mede bevoegd is de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Dit betreft derhalve niet de plaats waar de gelaedeerde vermogenschade heeft plaatsgevonden, zoals door [eiser] is betoogd. Aangezien omtrent de plaats van schadebrengende feit niets is gesteld of gebleken, kan ook aan het bepaalde in artikel 102 Rv geen alternatieve bevoegdheid worden ontleend.

1.10. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de kantonrechter de zaak zal verwijzen in de stand waarin deze zich bevindt naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling Privaatrecht, sector handelszaken. Omtrent de proceskosten zal worden beslist zoals hierna is bepaald.

BESLISSING IN KORT GEDING

De kantonrechter:

  • verklaart zich onbevoegd om van de zaak kennis te nemen en verwijst deze op de voet van het bepaalde in artikel 71 Rv. voor dagbepaling mondelinge behandeling naar de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland, locatie Haarlem, afdeling Privaatrecht, sector handelszaken;
  • verstaat dat een kopie van het procesdossier door de griffier van deze afdeling zo spoedig mogelijk wordt verstuurd aan het bureau kort geding van de afdeling Privaatrecht, sector handelszaken, van voormelde rechtbank;
  • partijen worden er nog op gewezen dat zij na deze verwijzing alleen nog door tussenkomst van een advocaat in rechte kunnen verschijnen en proceshandelingen mogen verrichten;
  • iedere verdere beslissing, waaronder die omtrent de tot nu toe verschenen proceskosten, wordt aangehouden.

Verhuur aan lid (Sauna Fenomeen)

Gerechtshof Amsterdam 5 mei 2013 (Sauna Fenomeen / De Binnenpret)
ECLI:NL:GHAMS:2013:1566 (5 november 2013)


Vereniging Sauna Fenomeen is huurder van een ruimte in een gekraakt complex van Binnenpret. Binnenpret is een vereniging en erfpachter van het gekraakte complex. Sauna Fenomeen is lid van Binnenpret. Binnenpret heeft de huur opgezegd aan Sauna Fenomeen. Geschil over compensatie, onder andere omdat Sauna Fenomeen een verbouwing heeft uitgevoerd van de ruimte.  “Fenomeen heeft de (gehele) verbouwing immers niet zonder meer als huurster op voet van (thans) artikel 7:206 lid 3 BW uitgevoerd. Binnenpret mocht erop vertrouwen dat zij dat, op zijn minst mede, als lid van Binnenpret deed.”
(Parallelle procedure : Gerechtshof Amsterdam, 11 januari 2011, LJN BP5546 (Sauna Femeen))

arrest inzake
de
rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging VERENIGING SAUNA FENOMEEN
tegen:
de
rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging DE BINNENPRET

Het geding in hoger beroep

Partijen worden
hierna Fenomeen en Binnenpret genoemd.
Fenomeen is bij
dagvaarding van 25 november 2011 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van
de rechtbank Amsterdam, sector kanton, locatie Amsterdam (hierna: de
kantonrechter), van 4 januari 2010, 27 september 2010 en 29 augustus 2011.
Feiten
2.1 Binnenpret is opgericht in 1985 en heeft tot doel de exploitatie zonder
winstoogmerk van een in 1984 gekraakt complex van gebouwen met woningen en
bedrijfsruimten. In het kader van een legalisatie is Binnenpret in 1994
erfpachter geworden. Volgens de doelstelling van Binnenpret kunnen leden door
zelfwerkzaamheid onderhoudswerken aan het gebouwencomplex van Binnenpret
verrichten.
2.2 Fenomeen bestaat sinds 21 juni 1990 en is huurster van een ruimte in het
complex, waarin zij een sauna exploiteert. Leden van Fenomeen zijn
vrijwilligers die in de sauna werken. Fenomeen is, althans was als huurster lid
van Binnenpret.
2.3 Uit een op verzoek van Fenomeen opgemaakt onderzoeksrapport van 22 juni
2004 van CenH Ontwerpen (verder: CenH) blijkt dat het casco van de sauna
ernstige gebreken vertoont, waardoor verzakking heeft plaatsgevonden en gevaar
voor instorting bestaat. Uit het rapport blijkt verder dat de ventilatie en de
brandwerendheid van het pand onvoldoende zijn.
2.4 Tijdens een op 23 augustus 2004 gehouden overleg heeft het bestuur van Binnenpret aan Fenomeen
toestemming verleend een aanvang te maken met eenvoudige sloopwerkzaamheden
mits de overige plannen voor de verbouwing ter goedkeuring aan het bestuur van Binnenpret zouden
worden voorgelegd. Partijen hebben over het bouwplan geen overeenstemming
bereikt. Desalniettemin heeft Fenomeen de werkzaamheden niet gestaakt.
2.5 Bij arrest van 31 juli 2008 heeft het Hof Amsterdam het besluit van het bestuur van Binnenpret tot
opzegging van het huurovereenkomst met Fenomeen vernietigd. Daarbij overwoog
het hof – kort gezegd – dat het besluit bij gebrek aan enige vergoeding
onredelijk was.
2.6 Tijdens een algemene ledenvergadering van 2 september 2008 heeft het bestuur van Binnenpret aan de
aanwezige leden het voornemen kenbaar gemaakt om Fenomeen de huur opnieuw op te
zeggen en wel tegen 1 januari 2009. Fenomeen was voor deze vergadering niet
uitgenodigd. De vergadering steunde het voornemen van het bestuur. De huur is nadien
daadwerkelijk opgezegd tegen 1 januari 2009 onder aanbieding van een bedrag van
€ 12.500, als financiële compensatie. Later is dit bedrag verhoogd tot
€ 12.842,34.
2.7 Fenomeen heeft het gehuurde ontruimd op 31 oktober 2011.
3 Beoordeling
3.1. Fenomeen maakt in dit geding aanspraak op een
vergoeding van € 73.343,41, te vermeerderen met rente. Binnenpret wil niet
meer dan € 12.842,34 betalen.
3.2 De kantonrechter heeft, na deskundigenbericht te hebben gelast, voor
recht verklaard dat het aanbod van Binnenpret tot betaling van € 12.842,34
een redelijke vergoeding vormt in het kader van de opzegging van de
huurovereenkomst en Fenomeen veroordeeld tot ontruiming en proceskostenvergoeding.
3.3 In grief I betoogt Fenomeen dat de kantonrechter het oordeel
ten onrechte op het rapport van de deskundige heeft gebaseerd en, aldus grief II , de suggestie van Fenomeen
om zich door een andere deskundige te laten voorlichten heeft genegeerd.
Volgens grief III is ten onrechte niet uitgegaan van de door Fenomeen
gestelde bouwkosten en heeft de kantonrechter,aldus grief IV, ten onrechte als uitgangspunt
genomen dat het grotendeels zou gaan om werkzaamheden die niets met de
werkzaamheden aan het casco te maken hebben en daarbij de nota’s van [K] als
uitgangspunt genomen. De kantonrechter is ten onrechte niet afgeweken van de
bevindingen van de deskundige, aldus grief V. Ten onrechte is de
reconventionele vordering tot betaling van € 73.343,41 afgewezen, aldus
ten slotte grief VI .
3.4 Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen en waar nodig – al dan
niet hypothetisch uitgaande van het slagen van een of meer grieven – rekening
houdend met de devolutieve werking van het appel beslissen. Het hof stelt
voorop dat partijen het er over eens zijn dat de huurrelatie niet mocht worden
opgezegd zonder Fenomeen ten minste enige vorm van financiële compensatie te
bieden. Het gaat hierbij niet om een schadevergoeding uit hoofde van een
onrechtmatige daad of een toerekenbaar tekortkomen. Het gaat ook niet om een
schadevergoeding uit hoofde van een niet nakoming van een verbintenis tot
betaling van een geldsom. Voor toewijzing van rente is daarom slechts beperkt
plaats. Met enige rentecomponent zal het hof alleen rekening houden in zoverre
dergelijke rente in de gegeven omstandigheden onderdeel uit moet maken van een
redelijke vergoeding voor Fenomeen.
3.5 De vraag die voorligt is of de aangeboden € 12.842,34 voldoende
compensatie biedt om de beëindiging van de huurrelatie te kunnen billijken. Het
hof overweegt in dit verband dat alle relevante omstandigheden van het geval
van invloed zijn op de vraag wat een redelijke vergoeding is.
3.6 Beide partijen zijn rechtspersonen zonder winstoogmerk die in hoge mate
afhankelijk zijn van de inzet van vrijwilligers. Daarenboven wordt in de
statuten van Binnenpret uitdrukkelijk ervan uitgegaan dat de leden van de vereniging, waaronder destijds ook
Fenomeen, door zelfredzaamheid het gebouwencomplex onderhouden.
De statuten
bepalen niet dat de leden, als zij tot dergelijk onderhoud overgaan, uit dien
hoofde een vordering op de vereniging krijgen. Dat wordt naar
oordeel van het hof niet zonder meer anders doordat Binnenpret de ruimte aan
Fenomeen heeft verhuurd. Fenomeen heeft de (gehele) verbouwing immers niet
zonder meer als huurster op voet van (thans) artikel 7:206 lid 3 BW
uitgevoerd. Binnenpret mocht erop vertrouwen dat zij dat, op zijn minst mede,
als lid van Binnenpret deed.
Daarbij speelt een rol dat tussen partijen geen
overeenstemming is bereikt over de bouwplannen van Fenomeen.
3.7 Aannemelijk is voorts dat, zoals het hof al in zijn arrest van 31 juli
2008 overwoog, Fenomeen aanzienlijke verbouwingskosten heeft gemaakt. Een deel
daarvan had betrekking op het casco, ter zake waarvan op Binnenpret als
verhuurster in beginsel een onderhoudsplicht lag, een deel moet evenwel worden
gezien als investering in een bedrijfsruimte waarvan Fenomeen tot de ontruiming
op 31 oktober 2011 bedrijfseconomisch nut heeft gehad. De hoogte van het
aandeel voor verbouwing van het casco is, zoals uit rechtsoverweging 3.4
voortvloeit, niet zonder meer doorslaggevend voor de aan Fenomeen toe te kennen
vergoeding nu aan Fenomeen geen vergoeding van schade toekomt maar een
redelijke vergoeding. Anderzijds is de omstandigheid dat een deel van de
verbouwingskosten alleen betrekking heeft op de bedrijfsruimte en niet op het
casco ook niet zonder meer doorslaggevend voor de vraag of en zo ja welk deel
daarvan redelijkerwijs voor vergoeding in aanmerking komt.Zoals het hof in zijn
arrest van 31 juli 2008 immers reeds heeft overwogen, heeft Binnenpret Fenomeen
genoodzaakt om op eigen kosten ingrijpende herstelwerkzaamheden te verrichten
terwijl binnen Binnenpret al ernstige twijfels bestonden over de
levensvatbaarheid van de relatie met Fenomeen.
3.8 Het hof overweegt voorts dat uit de in eerste aanleg door Fenomeen
overgelegde Begroting zomerverbouwing Fenomeen, op 22 juni 2004 opgemaakt door
CenH blijkt dat de verbouwingskosten voor Fenomeen worden geschat op (steeds
afgerond) € 35.000, voor de sauna en € 4.200, voor de
cascowerkzaamheden, alsmede € 12.800, voor de cascowerkzaamheden voor zover
voor rekening van Binnenpret komend. De door de kantonrechter benoemde
deskundige Basalt bouwadvies B.V. komt in haar rapport van 19 januari 2011 tot
de conclusie dat een bedrag van € 12.640 realiter aan cascowerkzaamheden
kan worden toegeschreven. Deze schatting is gebaseerd op de aan de deskundige
overhandigde nota’s van de aannemer (en huidig bestuurder van Fenomeen) [K]
(verder: [K]) en een bezoek aan het gebouw in aanwezigheid van partijen. Dat
niet voor een bedrag, althans een waarde, van in totaal € 73.300, door Fenomeen,
die kennis droeg van het rapport van CenH, zou zijn verbouwd, heeft de
deskundige niet aangegeven.
3.9 Het hof acht dit rapport, mede in het licht van de begroting van Cen H,
duidelijk en betrouwbaar. Het hof gaat daarom uit van cascowerk ter waarde van
€ 12.800,. Voorts gaat het hof uit van een afschrijvingstermijn van tien
jaar voor de niet-cascowerkzaamheden, waarvan Fenomeen er zeven heeft benut.
Gegeven hetgeen het hof hierboven heeft overwogen komt het hof op die basis tot
de gevolgtrekking dat een bedrag van in totaal € 20.000, een redelijke
vergoeding vormt.Gegeven de omstandigheid dat Fenomeen de ruimte op 31 oktober
2011 heeft ontruimd is het redelijk dat haar een rentevergoeding ter hoogte van
de wettelijke rente over dit bedrag toekomt vanaf 1 november 2011.
3.10 Voorgaande brengt met zich mee dat de grieven deels
slagen en Fenomeen bij bespreking van de grieven voor het overige geen belang
meer heeft. Het bewijsaanbod is niet relevant. Partijen zullen ieder hun eigen
kosten moeten dragen nu zij ieder deels in het ongelijk zijn gesteld.
4 Beslissing
Het hof:
vernietigt het
vonnis waarvan beroep
en opnieuw
recht doende:
wijst af de
gevorderde verklaring voor recht dat het aanbod van Fenomeen aan Binnenpret tot
betaling van een bedrag van € 12.842,34 een redelijke vergoeding vormt in
het kader van de opzegging van de huurovereenkomst;
bepaalt voor
recht dat een bedrag van € 20.000, een redelijke vergoeding vormt in het
kader van de opzegging van de huurovereenkomst en bepaalt dat daarover, althans
over het nog niet betaalde deel, vanaf 1 november 2011 wettelijke rente
verschuldigd;
wijst af het
meer of anders gevorderde;
wijst af de
vordering van Fenomeen in reconventie;

compenseert de
proceskosten in eerste aanleg en in hoger beroep aldus dat iedere partij de
eigen kosten draagt
.

Succesvol beroep op décharge (Beter Wonen)

Gerechtshof Amsterdam 8 januari 2013 (HBV Wieringen)

ECLI:NL:GHAMS:2013:8 (gepubliceerd 21 oktober 2013)

Succesvol beroep op décharge door penningmeester.

Arrest
inzake de vereniging
HUURDERSBELANGENVERENIGING HBV WIERINGEN,
tegen [GEÏNTIMEERDE],

Partijen worden hierna HBV en [geïntimeerde]
genoemd.

1 Het geding in hoger beroep

Bij dagvaarding van 21 mei 2012 is HBV in hoger
beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank Alkmaar, sector kanton, locatie
Den Helder (verder: de kantonrechter) van 23 februari 2012, in deze zaak onder
zaaknummer/rolnummer 381481 CV EXPL 11-2571 gewezen tussen HBV als eiseres en
[geïntimeerde] als gedaagde. (noot: te vinden op http://www.hbvwieringen.nl/gfx/Vonnis%20SKMBT_36312022315520(1).pdf)

2 Feiten

De kantonrechter heeft in het vonnis waarvan
beroep onder 2.1 tot en met 2.5 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand
aangemerkt. Omdat die feiten tussen partijen niet in geschil zijn, zal ook het
hof daarvan uitgaan.

3 Beoordeling
3.1

Het gaat in deze zaak om het volgende.

( i) Vanaf 6 april 2001 tot 22 januari 2009 is
[geïntimeerde] in verschillende functies als bestuurder verbonden geweest aan
HBV. Een van die functies was penningmeester.

(ii) Het inkomen van HBV bestaat uit contributies
van de leden en een geldelijke bijdrage van de woningbouwvereniging Beter Wonen
(verder: Beter Wonen). HBV ontleent haar bevoegdheid aan de Wet op het overleg
huurders verhuurder en tevens aan de samenwerkingsovereenkomst die is gesloten
met Beter Wonen. Krachtens de wet dient Beter Wonen een bijdrage te betalen aan
HBV. HBV legt aan Beter Wonen verantwoording af over de toevertrouwde gelden.

(iii) [geïntimeerde] heeft zichzelf voor rekening
van HBV over de periode 2006 en 2007 een vrijwilligersvergoeding uitbetaald van
€ 1.500,- per jaar en over 2008 een vrijwilligersvergoeding van € 1.450,-. Over
2005 bedroeg die vergoeding € 600,-.


(iv) Het bestuur van HBV is naar aanleiding van de
begroting 2007 bij brief van 25 juni 2007 door Beter Wonen aangesproken op de
hoogte van de vrijwilligersvergoeding. De brief komt erop neer dat volgens
Beter Wonen de hoogte van die vergoeding niet in verhouding staat tot de
contributie-inkomsten en de geschatte tijdsbelasting.

(v) HBV, zich op het standpunt stellende dat een
vergoeding van maximaal € 600,- per jaar op zijn plaats is, heeft
[geïntimeerde] bij brief van 12 mei 2011 gemaand tot (terug)betaling van een
bedrag van € 2.650,-. [geïntimeerde] heeft dit geweigerd.

3.2 HBV heeft in eerste aanleg veroordeling van
[geïntimeerde] gevorderd tot betaling aan haar van een bedrag van € 3.400,-,
bestaande uit een bedrag van € 2.650,- aan te veel betaalde
vrijwilligersvergoeding en een bedrag van € 750,- aan kosten van een
accountantsverklaring, met wettelijke rente en kosten. Zij heeft daartoe
gesteld, kort gezegd, dat [geïntimeerde] onrechtmatig jegens haar heeft
gehandeld door aan zichzelf een te hoge vrijwilligersvergoeding uit te keren,
waarmee zij bovendien is tekortgeschoten als bestuurder.

3.3 [geïntimeerde] heeft hiertegen verweer gevoerd.3.4 De kantonrechter heeft bij het vonnis waarvan
beroep overwogen, kort samengevat, dat hij het bevoegdheidsverweer van
[geïntimeerde] passeert omdat dit te laat is gevoerd, dat HBV aan haar standpunt
dat [geïntimeerde] zichzelf een te hoge vergoeding heeft toegekend niets anders
ten grondslag heeft gelegd dan de brief van Beter Wonen van 25 juni 2007 en dat
HBV heeft nagelaten de grondslag van de door haar ingestelde vordering concreet
te onderbouwen en niet heeft gesteld waarom de bijdrage te hoog zou zijn door
gemotiveerd aan te geven welk aantal uren en welke uurvergoeding wel redelijk
zou zijn geweest. Op grond van een en ander heeft de kantonrechter de vordering
van HBV afgewezen en haar veroordeeld in de proceskosten.

3.5 De grieven strekken ertoe de beslissing van de
kantonrechter de vordering af te wijzen en de gronden die daartoe zijn
gebezigd, geheel aan het oordeel van het hof te onderwerpen. Bovendien heeft
HBV de grondslag van haar vordering aangevuld met de stelling dat het volgens
haar ten onrechte aan [geïntimeerde] uitgekeerde bedrag, door HBV
onverschuldigd is betaald.

3.6 De vraag waar het in het onderhavige geschil om
gaat is of de vergoeding die [geïntimeerde] over de jaren 2006 tot en met 2008
van HBV heeft verkregen ten onrechte aan haar is toegekend.
3.7 Alvorens deze vraag te bespreken overweegt het hof
als volgt. [geïntimeerde] heeft op een tweetal gronden betwist dat HBV bevoegd
was en is de onderhavige procedure te entameren. In de eerste plaats heeft zij
gesteld dat, waar in artikel 2 lid 2 van de statuten van HBV is bepaald dat HBV
haar in lid 1 van dat artikel bedoelde doel onder meer tracht te bereiken door
het voeren van acties en het opkomen voor de belangen van haar leden,
“daaronder begrepen het voeren van juridische procedures”, dit
laatste moet worden gelezen als het procederen in huurzaken ten behoeve van de
leden, en daarmee niet is bepaald dat ook voor een procedure tegen een vroeger
bestuurslid op grond van een onrechtmatige daad aldus een machtiging is
verleend. Het hof kan [geïntimeerde] niet in dit betoog volgen. In artikel 2
lid 2 van de statuten is aan HBV een algemene bevoegdheid verleend om te
procederen en worden geen beperkingen daarop aangebracht als door
[geïntimeerde] verdedigd, welke beperkingen overigens ook elders in de statuten
niet zijn te vinden. In de tweede plaats heeft [geïntimeerde] gesteld dat
artikel 13 van de statuten bepaalt dat bij transacties die het bedrag van ƒ
7.500,- te boven gaan in ieder geval de toestemming van de algemene vergadering
nodig is en dat hiervan in het onderhavige geval sprake is. Ook dit betoog van
[geïntimeerde] faalt, reeds omdat in het onderhavige geval geen sprake is van
een “transactie” die door het bestuur is aangegaan. De slotsom is
derhalve dat HBV bevoegd was en is de onderhavige procedure te entameren.
3.8 HBV betoogt met haar grieven, kort gezegd, dat
[geïntimeerde] niet bevoegd was zichzelf een hogere vrijwilligersvergoeding dan
€ 600,- per jaar toe te kennen althans dat door het bestuur van HBV geen
daartoe strekkend besluit is of kon worden genomen – de reeds bestaande
vergoeding van € 600,- per jaar, waartoe het bestuur in overleg met de algemene
ledenvergadering van HBV in 2003 had besloten, betrof slechts een
onkostenvergoeding en geen beloning voor bestuurders -, dat het vermeende
besluit tot verhoging van de forfaitaire onkostenvergoeding voor de bestuurders
over de jaren 2006 tot en met 2008 in strijd met de statuten is genomen, dat
dit besluit strijdig is met de redelijkheid en billijkheid die de organen en
leden van HBV jegens elkaar in acht dienen te nemen en dat de kantonrechter de
vordering van HBV ten onrechte heeft afgewezen.
3.9 Het hof overweegt dat voor het antwoord op de
vraag of een of meer grieven kunnen slagen doorslaggevend is of aan
[geïntimeerde] althans het toenmalige bestuur door de algemene ledenvergadering
van HBV al dan niet décharge is verleend met betrekking tot het over de jaren
2006 tot en met 2008 gevoerde (financiële) beleid, met inbegrip van het
uitkeren van de omstreden vergoeding aan [geïntimeerde]. Is dit het geval
geweest, dan kan thans niet meer met vrucht worden betoogd dat [geïntimeerde]
destijds onrechtmatig heeft gehandeld en/of als bestuurder is tekortgeschoten
of dat de betrokken bedragen door HBV onverschuldigd aan [geïntimeerde] zijn
betaald.

3.10 Te dezer zake heeft [geïntimeerde], voor zover
thans relevant, gesteld dat zij tijdens de algemene ledenvergadering van 22
januari 2009 als bestuurder is afgetreden, dat blijkens de notulen van die
jaarvergadering een formeel uitgeroepen algemene ledenvergadering is gehouden
en de jaarstukken zijn vastgesteld, dat door het bestuur en de kascommissie uit
de ledenraad verantwoording is afgelegd met betrekking tot de financiën over de
jaren 2007 en 2008 en dat de algemene ledenvergadering op dat moment aan een en
ander goedkeuring heeft gegeven en het bestuur ter zake décharge heeft verleend.
3.11 HBV heeft niet gemotiveerd bestreden dat op 22
januari 2009 een formeel uitgeroepen algemene ledenvergadering is gehouden, dat
[geïntimeerde] tijdens die algemene ledenvergadering als bestuurder is
afgetreden en dat door het bestuur en de kascommissie uit de ledenraad toen
verantwoording is afgelegd met betrekking tot de financiën over de jaren 2007
en 2008, zij het dat HBV met betrekking tot dit laatste punt heeft opgemerkt
dat de kascommissie niet – zoals artikel 18 lid 2 van de statuten voorschrijft
– uit drie maar uit twee leden bestond en dit volgens haar tot gevolg moet
hebben dat ook als goedkeuring is verleend aan de jaarrekeningen 2007 en 2008
deze niet rechtmatig is. Met betrekking tot de stelling dat de algemene
ledenvergadering op dat moment aan een en ander goedkeuring heeft gegeven en
het bestuur ter zake décharge heeft verleend heeft HBV gesteld dat de notulen
van de vergadering van 22 januari 2009 niet op de eerstvolgende jaarvergadering
van 22 februari 2010 of een daarop volgende jaarvergadering zijn besproken en
vastgesteld. De stelling van HBV dat de financiële jaarverslagen over 2007 en
2008 niet door de algemene ledenvergadering zijn goedgekeurd en het bestuur ter
zake geen décharge is verleend, berust derhalve met name op haar stelling
omtrent hetgeen ter algemene vergadering op 22 februari 2010 al dan niet heeft
plaatsgevonden (zie memorie van grieven onder 20 alsmede onder 22 en 23).
3.12 [geïntimeerde] heeft haar stelling dat de algemene
ledenvergadering op 22 januari 2009 aan de verantwoording door het bestuur met
betrekking tot de financiën over de jaren 2007 en 2008 goedkeuring heeft
gegeven en het bestuur althans [geïntimeerde] ter zake décharge heeft verleend,
reeds in eerste aanleg (zie conclusie van dupliek onder 6) nader onderbouwd,
onder meer door een aantal producties (genummerd 68 tot en met 72) over te
leggen waarin door bij die vergadering aanwezigen wordt verklaard dat tijdens
die vergadering aan het bestuur althans [geïntimeerde] décharge is verleend met
betrekking tot het financiële beleid over de jaren 2007 en 2008. De inhoud
respectievelijk de juistheid van deze verklaringen is door HBV (bij memorie van
grieven) niet betwist. Ook de inhoud van de notulen van de algemene
ledenvergadering van 22 januari 2009 zoals deze door [geïntimeerde] (als
productie 6 bij conclusie van antwoord) in het geding zijn gebracht, is in
hoger beroep op zichzelf door HBV niet (gemotiveerd) betwist anders dan door de
stelling dat deze ter algemene ledenvergadering op 22 februari 2010 niet zouden
zijn goedgekeurd. Met dit laatste heeft HBV niet weersproken dat de feitelijke
gang van zaken tijdens de ledenvergadering op 22 januari 2009 is geweest zoals
in die notulen opgetekend. Op grond van een en ander moet, bij gebreke van
voldoende betwisting, als vaststaand worden aangenomen dat ter vergadering van
22 januari 2009 aan het bestuur althans [geïntimeerde] décharge is verleend met
betrekking tot het financiële beleid over de jaren 2007 en 2008. Voorts
overweegt het hof dat in het licht van wat partijen over en weer hebben gesteld
en bovendien blijkt uit de genoemde producties, van HBV had mogen worden
verwacht dat zij (gemotiveerd) had gesteld dat en waarom – ondanks de daarin
besloten liggende conclusies – niettemin zou moeten worden aangenomen dat geen
sprake is geweest van décharge ter algemene ledenvergadering van 22 januari
2009 of – ten minste – dat die décharge geen betrekking heeft gehad op de aan
[geïntimeerde] gedane uitkeringen. Dit heeft zij echter niet althans
onvoldoende gedaan, mede in aanmerking genomen dat – naar uit de notulen blijkt
– tijdens laatstbedoelde vergadering de uitkeringen aan [geïntimeerde]
uitdrukkelijk aan de orde zijn geweest.
Hoewel aan het aanbod tot het leveren
van tegenbewijs in het algemeen geen hoge eisen mogen worden gesteld, brengt
het aldus niet althans onvoldoende voldoen aan deze stelplicht mee dat HBV te
dezer zake niet zal worden toegelaten tot het leveren daarvan.

3.13 Aldus staat vast dat ter vergadering van 22
januari 2009 aan het bestuur althans [geïntimeerde] décharge is verleend met
betrekking tot het financiële beleid over de jaren 2007 en 2008. De
omstandigheid dat de kascommissie niet – zoals artikel 18 lid 2 van de statuten
voorschrijft – uit drie maar uit twee leden bestond staat niet aan bedoelde
décharge – die door de ledenvergadering met kennis van de aan [geïntimeerde]
gedane uitkeringen is verleend – in de weg. Nu vaststaat dat aan het bestuur
althans [geïntimeerde] décharge is verleend met betrekking tot het financiële
beleid over de jaren 2007 en 2008, had in het licht daarvan van HBV mogen
worden verwacht dat zij feiten en omstandigheden had gesteld waaruit kan worden
afgeleid dat dit met betrekking tot het financiële beleid over het jaar 2006
anders zou zijn. Dit heeft HBV echter achterwege gelaten, zodat haar vordering
in zoverre ook in hoger beroep de noodzakelijke onderbouwing ontbeert.


3.14 Gelet op wat het hof onder 3.9 heeft overwogen kan
thans derhalve niet meer met vrucht worden betoogd dat [geïntimeerde] destijds
onrechtmatig heeft gehandeld en/of als bestuurder is tekortgeschoten en/of dat
de omstreden bedragen onverschuldigd aan haar zijn betaald, zodat de daarop
gebaseerde vordering van HBV tot betaling van een bedrag van € 2.650,- wegens
te veel betaalde vergoeding niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. Dit
geldt eveneens voor zover de vordering van HBV een bedrag van € 750,- wegens
kosten van een accountantsverklaring betreft, te meer daar tegen afwijzing van
dit deel van de vordering geen specifieke grief is gericht.
3.15 Op het voorgaande stuiten alle grieven en de in
hoger beroep aangevulde grondslag af.
3.16 HBV heeft geen feiten of omstandigheden gesteld
die, indien bewezen, tot een ander oordeel moeten leiden, zodat haar
bewijsaanbod als niet ter zake dienend wordt gepasseerd.
3.17 Het hoger beroep faalt, zodat het vonnis waarvan
beroep zal worden bekrachtigd. HBV zal als de in het ongelijk gestelde partij
worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4 Beslissing
Het hof:
bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

Tegenstrijdig belang

Rechtbank Midden-Nederland 2 oktober 2013 (Huis en Erf)
ECLI:NL:RBMNE:2013:3859

Woningbouwvereniging met statutaire directie en RvT, maar uitspraak geeft algemene regels over vertegenwoordigingsbevoegdheid (2:45 BW) bij tegenstrijdig belang (2:47 BW): zolang de RvT geen andere persoon had aangewezen om de vereniging te vertegenwoordigen, was de bestuurder vertegenwoordigingsbevoegd. De vereniging is gebonden aan de overeenkomst. Echter, desbewust profiteren van onbehoorlijke taakvervulling bestuurder, door de overeenkomst uit te voeren, vormt een onrechtmatige daad jegens de vereniging. 

Naar het oordeel van de rechtbank beperkt artikel 2:47 van het BW de vereniging niet in haar bevoegdheid om via de statuten te voorzien in de eventualiteit dat een tegenstrijdig belang zich voordoet en voor dat geval te bepalen dat de RvT een ander dan de bestuurder moet aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen. Ook het feit dat het in de Statuten aan de RvT wordt overgelaten om al dan niet uit haar midden die ander of anderen aan te wijzen is niet in strijd met het verenigingsrecht.”
“De rechtbank oordeelt evenwel dat zolang de RvT geen ander of anderen aanwijst, het bestuur jegens derden bevoegd blijft de vereniging te vertegenwoordigen. In artikel 24 van de statuten is immers niet bepaald dat zodra een tegenstrijdig belang speelt tussen de bestuurder en de vereniging, de bestuurder niet meer vertegenwoordigingsbevoegd is en dat in dat geval de RvT vertegenwoordigingsbevoegd is.”
 Voorts wist IFO vanaf 3 november 2010 dat de RvT niet akkoord was met die opdrachtverleningen. IFO wist op dat moment dat als [A] wel zijn taak behoorlijk had uitgeoefend, de RvT gebruik zou hebben gemaakt van zijn aanwijsbevoegdheid. IFO zou dan niet zijn gecontracteerd. Hierdoor was IFO bekend met het feit dat Huis en Erf ten gevolge van de onbehoorlijke uitoefening schade leed bestaande uit de door haar gefactureerde kosten. Door desondanks de werkzaamheden op kosten van Huis en Erf voort te zetten, en te profiteren van de ten gevolge van de onbehoorlijke taakuitoefening verleende opdrachten door aan Huis en Erf te blijven declareren waardoor voor Huis en Erf de schade werd vergroot, handelde IFO in ernstige mate onzorgvuldig en daardoor onrechtmatig jegens Huis en Erf.”


Vonnis van 2 oktober 2013
in de zaak van
de vereniging met volledige
rechtsbevoegdheid BOUWVERENIGING HUIS EN ERF eiseres,
tegen
de besloten
vennootschap met beperkte aansprakelijkheid INSTITUUT VOOR FINANCIEEL ONDERZOEK B.V. , gedaagde



Partijen zullen hierna Huis
en Erf en IFO genoemd worden.
1.2.
Ten slotte is
vonnis bepaald.
De feiten
2.1.
Huis en Erf is
een woningbouwvereniging die zich volgens haar statuten ten doel stelt
uitsluitend op het gebied van de volkshuisvesting werkzaam te zijn. De algemene
ledenvergadering, de Raad van Toezicht (hierna: RvT) en het Bestuur zijn haar drie organen. De
statutair directeur is haar enig bestuurder. Deze functie werd vanaf 1 januari
2006 tot begin 2011 vervuld door de heer [A].
2.2.
De gewijzigde
statuten van Huis en Erf (hierna: de Statuten) regelen over de bevoegdheden van
de statutair directeur onder meer het volgende:
Artikel 19
Algemene
bepaling
(…) Aan de
statutair directeur komen in de vereniging alle bevoegdheden toe, die
niet door de wet of de statuten aan de andere organen zijn opgedragen.
(…)
Artikel 24
Vertegenwoordiging
1.   De statutair directeur
vertegenwoordigt de vereniging, voor zover uit de wet niet anders voortvloeit.
2.   In alle gevallen waarin de vereniging een tegenstrijdig belang
heeft met de statutair directeur moet de Raad van Toezicht, al dan niet uit
zijn midden, één of meer personen aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen, die
in deze geen tegenstrijdig belang hebben en in staat zijn de belangen van de vereniging 
naar behoren te
vertegenwoordigen.”
2.3.
IFO is een
organisatie van specialisten op het gebied van bijzondere onderzoeken en
adviesopdrachten, met name op het financieel terrein en corporate governance.
De heer [B] RA (hierna:[B]) is één van haar deskundigen.
2.4.
In de periode
dat [A] bestuurder was van Huis en Erf ontstond er tussen hem en de RvT een
arbeidsconflict over de wijze waarop hij zijn taak als bestuurder uitoefende.
Hiervan is in 2010 melding gedaan bij het Meldpunt Integriteit
Woningcorporaties (MIW). Vanwege dit conflict is [A] geschorst, welke schorsing
vervolgens door de rechter ongedaan is gemaakt.
2.5.
In overleg met
het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (hierna: het
Ministerie) heeft de RvT namens Huis en Erf in juni 2010 het onderzoeksbureau
Integis opgedragen om door middel van een forensisch onderzoek de bestuurlijke
taakuitoefening door [A] te onderzoeken.
2.6.
Dit onderzoek
was voor [A] aanleiding om omstreeks juni/juli 2010 namens Huis en Erf aan IFO
opdracht te verlenen om hem bij te staan door de onderzoeksstappen van Integis
toe te lichten en hem te informeren over de regels en de gebruikelijke gang van
zaken (eerste opdracht). In de loop van oktober 2010 heeft hij vervolgens aan
IFO verzocht hem te adviseren over zijn handelen als bestuurder en het handelen
van de RvT, op onderdelen die te relateren waren aan het arbeidsconflict. Dit
advies resulteerde in een deskundigenrapport van IFO van 4 november 2010
(tweede opdracht).
2.7.
De hiervoor vermelde
opdrachten van [A] aan IFO zijn door [B] schriftelijk bevestigd op 7 juli 2010
(eerste opdracht) en 16 oktober 2010 (tweede opdracht). Beide
opdrachtbevestigingen vermelden bovenaan: “VERTROUWELIJK”. Voorts zijn de
opdrachtbevestigingen gericht aan Huis & Erf ter attentie van [A].
De eerste
opdrachtbevestiging vermeldt onder meer:
“(..)
Aanpak
U bent zowel
opdrachtgever als belanghebbende bij de uitkomsten van onze opdracht. In die
zin is er sprake van een partijdige opdrachtgever. Wij zullen er voor waken dat
die partijdigheid onze objectiviteit niet beïnvloedt. Wij zullen onze
rapportage dermate en feitelijk en gedetailleerd doen dat derden zich – ook –
een oordeel kunnen vormen. (…)
(….)
Honorarium
Het honorarium
van de heer [B] bedraagt € 285 en [C] € 225 per uur. Bijgaand zenden wij u een
a conto van € 10.000. (…)”
De tweede
opdrachtbevestiging vermeldt onder meer:
“Aanleiding en
doel van de opdracht
Er is tussen u
en de Raad van Toezicht van Huis en Erf (hierna: RvT) medio december 2009 een
conflict ontstaan. (…): er is u verzocht ontslag te nemen, hetgeen u geweigerd
hebt. Vervolgens bent u geschorst, hetgeen door de kort geding rechter ongedaan
is gemaakt.Thans is er een forensisch onderzoek in opdracht van de RvT
gaande.(…) U heeft behoefte aan een beoordeling van het handelen van de RvT en
van u, op aspecten die betrekking hebben op voornoemd conflict, door een
onafhankelijk deskundige. U heeft kritiek op het onderzoeksproces van het
voornoemde forensisch onderzoek. (…)
(…)
Rapportering
Ons rapport,
dat beschouwd kan worden als een deskundigenrapport, is bestemd om de bij het
conflict betrokken personen en instanties te informeren ten einde met betrekking
tot dat conflict standpunten te kunnen bepalen (…)”
2.8.
Integis
presenteerde op 18 oktober 2010 haar onderzoeksrapport naar aanleiding van haar
forensisch onderzoek. De conclusie was onder meer dat[A] zakelijke en
privébelangen niet altijd gescheiden hield. Na deze presentatie deelde [A] aan
de RvT mee dat hij zich niet in dit rapport kon vinden. Hij verzocht om
toestemming voor het ten laste van Huis en Erf inschakelen van een ander
onderzoeksbureau. Op 29 oktober 2010 heeft de RvT dit verzoek afgewezen.
2.9.
Op 3 november
2010 neemt de RvT kennis van een aantal door Huis en Erf betaalde facturen aan
IFO. Deze facturen zijn gericht aan Huis en Erf, ter attentie van [A]. Voorts
vermelden de facturen bovenaan de tekst: “VERTROUWELIJK”. Na ontvangst van deze
facturen is op de facturen een stempel met de tekst: “Bouwvereniging “Huis en
Erf” Akkoord d.d. de Direktie” geplaatst. Voorts is op de afdruk van de stempel
een paraaf geplaatst. Van die facturen is op 3 november 2010 een totaalbedrag
van
€ 38.000,00
betaald. De RvT laat die dag aan zowel [A] als IFO weten dat de goedkeuring van
deze facturen door [A] en de betaling door Huis en Erf onacceptabel is en dat
hij het niet eens is met het door[A] namens Huis en Erf inschakelen van IFO.
Voorts sommeert de RvT hen deze gang van zaken direct te beëindigen.
2.10.
IFO heeft
vervolgens haar werkzaamheden voortgezet en is aan Huis en Erf ter attentie
van[A] voor die werkzaamheden blijven factureren.
2.11.
Op 4 november
2010 heeft IFO haar in haar tweede opdrachtbevestiging genoemde
deskundigenrapport gepresenteerd aan [A].
2.12.
IFO heeft voor
haar werkzaamheden met verschillende facturen vanaf 9 juli 2010 tot en met 7
januari 2011 in totaal een bedrag van € 72.142,57 gefactureerd. Alle facturen
zijn voorzien van de in 2.9. beschreven stempel en paraaf. Huis en Erf heeft
alle facturen voldaan.
2.13.
De
arbeidsrelatie tussen Huis en Erf en [A] is begin 2011 door de kantonrechter
beëindigd.
2.14.
Bij brief van
15 juni 2011 heeft Huis en Erf IFO gesommeerd tot restitutie van het bedrag van
€ 72.142,57 vóór 29 juni 2011. In deze sommatiebrief heeft zij verwezen naar
haar eerdere mededeling in 2010 dat tussen haar en IFO geen opdracht tot stand
is gekomen, dat de opdracht aan IFO door[A] is verleend, zonder medeweten van
de RvT, terwijl hij een tegenstrijdig belang had.
2.15.
IFO heeft
vervolgens geweigerd het door Huis en Erf in haar brief gevorderde bedrag te
betalen.
Het geschil
3.1.
Huis en Erf
vordert  samengevat – veroordeling van IFO tot betaling van
€ 72.142,57, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 29 juni 2011 en
kosten.
3.2.
IFO voert
verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Huis en Erf, met
veroordeling van Huis en Erf in de proceskosten.
3.3.
Op de
stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De beoordeling
4.1.
Partijen
twisten over de vraag of IFO het door Huis en Erf aan haar betaalde bedrag voor
werkzaamheden die zij heeft verricht, moet (terug)betalen aan Huis en Erf.
4.2.
Volgens Huis en
Erf was [A] ten tijde van haar opdrachtverleningen aan IFO niet bevoegd om haar
te vertegenwoordigen, omdat sprake was van een tegenstrijdig belang tussen haar
en [A]. De verleende opdrachten dienden de persoonlijke belangen van[A] inzake
het arbeidsconflict tussen hem en Huis en Erf.
IFO trad daarbij op als
forensisch raadsman en adviseur van[A]. Daarbij komt dat Huis en Erf ten
aanzien van de tweede opdracht op 3 november 2010 aan IFO expliciet heeft
duidelijk gemaakt dat Huis en Erf geen opdracht aan IFO heeft verleend. In het
geval dat sprake is van een tegenstrijdig belang is krachtens artikel 2:47 van
het BW en artikel 24 van de Statuten niet de bestuurder, maar de RvT bevoegd de vereniging te vertegenwoordigen, aldus
Huis en Erf.
4.3.
IFO betwist dat
vanwege een tegenstrijdig belang [A] niet bevoegd was de vereniging te vertegenwoordigen. Zij
stelt daartoe dat geen sprake is van een tegenstrijdig belang en dat zij
daadwerkelijk de belangen van de vereniging op een onafhankelijk wijze
als deskundige heeft behartigd. Het belang van de leden was daarbij leidend. Op
inititief van de RvT was de opdracht voor een forensisch onderzoek aan Integis
verleend, zodat het logisch was dat [A] kritisch naar de reikwijdte van dat
onderzoek zou kijken. De RvT was partij in het conflict, zodat niet uitgesloten
was dat de leden van Huis en Erf niet volledig en objectief zouden worden
voorgelicht. IFO heeft op een ledenvergadering haar bevindingen aan de leden
van Huis en Erf gepresenteerd. Voor zover wel sprake zou zijn van een
tegenstrijdig belang, werpt zij op dat [A] als bestuurder van de vereniging op grond van het derde lid
van artikel 2:45 van het BW steeds onbeperkt en onvoorwaardelijk vertegenwoordigingsbevoegd
is gebleven. De tegenstrijdig belangregeling in artikel 24 van de Statuten
heeft volgens IFO geen wettelijke grondslag en heeft slechts interne werking.
4.4.
De rechtbank
zal eerst beoordelen of sprake is van een tegenstrijdig belang, zoals bedoeld
in artikel 2:47 van het BW en artikel 24 van de Statuten.
Daarna zal de
rechtbank bespreken of[A] bevoegd was de vereniging te vertegenwoordigen ten
tijde van de verlening van de twee opdrachten aan IFO. Indien daartoe
aanleiding is, zal de rechtbank vervolgens ingaan op de subsidiaire grondslag
van de vordering van Huis en Erf, te weten onrechtmatige daad.
Is sprake van een tegenstrijdig belang?
4.5.
De rechtbank
stelt voorop dat reeds sprake is van een tegenstrijdig belang als het bestuur 
of een bestuurder te maken
heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden
betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat of heeft laten leiden
door het belang van de vennootschap en de daaraan verbonden onderneming. De vraag
of een tegenstrijdig belang bestaat, kan slechts worden beantwoord met
inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval.
4.6.
Niet in geschil
is dat sprake was van een arbeidsconflict tussen Huis en Erf en [A]. In dit
conflict speelde de relatie tussen[A] en de RvT een rol. De ontstane problemen
waren voor Huis en Erf aanleiding om in samenspraak met het Ministerie het
onderzoeksbureau Integis op te dragen de integriteit en het functioneren van
[A] te onderzoeken. [A] verleende namens Huis en Erf aan IFO de opdracht om hem
bij te staan met betrekking tot het onderzoek van Integis (eerste opdracht) en
om een onderzoek in te stellen naar zijn functioneren als bestuurder en de rol
van de RvT in het arbeidsconflict (tweede opdracht). IFO merkt in haar eerste
opdrachtbevestiging op dat [A] belanghebbende is bij de uitkomsten van de
opdracht. Uit de opdrachtbevestiging van 16 oktober 2010 blijkt dat de opdracht
aan IFO ook verband hield met het feit dat[A] twijfelde aan de professionaliteit
en de gedragingen van de RvT. Voorts blijkt uit de opdrachtbevestiging dat [A]
kritiek had op het onderzoek(sproces) van Integis. Het naar aanleiding van het
onderzoek door IFO op te stellen rapport was bestemd om de bij het conflict
tussen[A] en de RvT betrokken personen en instanties te informeren zodat de
betrokkenen met betrekking tot dat arbeidsconflict hun standpunten konden
bepalen. IFO heeft vervolgens [A] bijgestaan, heeft een onderzoek uitgevoerd,
een rapport opgesteld en aan de leden van Huis en Erf haar onderzoeksrapport
gepresenteerd. Het totaal aan kosten dat IFO daarvoor in rekening heeft
gebracht bedroeg € 72.142,57.
4.7.
Uit voormelde
feiten en omstandigheden blijkt dat[A] een persoonlijk belang had bij de
verleende opdrachten aan IFO en de resultaten van de werkzaamheden door IFO. De
opdrachten aan IFO hielden immers direct verband met het conflict tussen hem en
de RvT, het daardoor ontstane arbeidsconflict en het in opdracht van Huis en
Erf uitgevoerde forensisch onderzoek door Integis naar zijn functioneren. De
opdrachten aan IFO hielden mede persoonlijk bijstand in met betrekking tot dit
onderzoek. Door middel van het door IFO uit te voeren onderzoek wilde hij de
rol van de RvT in het conflict uitlichten. Het rapport van IFO was mede bedoeld
om nieuwe inzichten en bevindingen te verstrekken over het tussen hem en de RvT
gerezen conflict, waarbij, gelet op de schorsing en het ontslagverzoek, ook
zijn baan in het geding was. Hij had bovendien een financieel belang bij de
door hem namens de verenigingverleende opdrachten aan IFO. Indien immers de
opdracht namens Huis en Erf was verleend, zouden de uit die opdracht voortvloeiende
kosten uit het vermogen van Huis en Erf en niet uit zijn privévermogen worden
voldaan.
4.8.
Gelet op het
voormelde kan in redelijkheid worden betwijfeld of [A] zich bij zijn handelen,
te weten het verlenen van zijn opdrachten aan IFO, uitsluitend heeft laten
leiden door het belang van de vereniging. Er was derhalve een tegenstrijdig belang, zoals
bedoeld in artikel 2:47 van het BW. Bij gebreke van een andersluidende
toelichting door partijen, leidt de rechtbank uit de tekst van artikel 24 van
de Statuten af dat ook in dit artikel eenzelfde betekenis aan het begrip
tegenstrijdig belang wordt toegekend als bedoeld in artikel 2:47 BW.
Omdat [A]
met de opdrachtverstrekkingen mede zijn eigen persoonlijke belangen diende,
komt de rechtbank niet tot een ander oordeel indien vast zou komen te staan dat
IFO’s onderzoek op onafhankelijke wijze is verricht of dat zij ook de belangen
van de vereniging diende. Ook is niet relevant dat IFO op verzoek van [A] haar
onderzoeksresultaten aan de leden van devereniging heeft gepresenteerd of dat
de RvT het initiatief nam voor het onderzoek door Integis.
Tegenstrijdig belang en vertegenwoordigingsbevoegdheid
4.9.
Het bestuur van een vereniging wordt niet beperkt in zijn
vertegenwoordigingsbevoegdheid jegens derden door het enkele feit dat sprake is
van een tegenstrijdig belang. Uit artikel 2:47 van het BW volgt dat het
 bestuur of een bestuurder, ook bij
een tegenstrijdig belang, vertegenwoordingsbevoegd blijft, totdat de algemene
vergadering een of meer personen heeft aangewezen om de
 vereniging te vertegenwoordigen. Nadat
de vereniging een ander of anderen heeft aangewezen, is het bestuur niet meer bevoegd de vereniging verder te vertegenwoordigen
jegens derden bij rechtshandelingen waarbij het bedoelde tegenstrijdige belang
speelt. De algemene vergadering is echter niet verplicht een ander aan te
wijzen. Dit betekent dat zolang zij geen gebruik maakt van haar aanwijsbevoegdheid,
het bestuur of bestuurder
ook in zaken waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, bevoegd blijft de vereniging te vertegenwoordigen. Een
bestuurder is in het kader van zijn behoorlijke taakuitoefening gehouden om de
algemene vergadering op de hoogte te stellen van een tegenstrijdig belang,
zodat de algemene vergadering daadwerkelijk in staat is om gebruik te maken van
haar aanwijsbevoegdheid. Indien een bestuurder de algemene vergadering niet van
een tegenstrijdig belang op de hoogte stelt, schiet hij jegens de vereniging tekort in zijn plicht om de
aan hem opgedragen bestuurstaak behoorlijk uit te oefenen.
4.10.
In het
onderhavige geval is in artikel 24 van de Statuten een regeling opgenomen voor
het geval sprake is van een tegenstrijdig belang. Deze regeling houdt in dat
indien sprake is van een tegenstrijdig belang tussen de vereniging en de bestuurder, de RvT al
dan niet uit zijn midden een ander of anderen moet aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen. Uit
de regeling blijkt dat de RvT bij een tegenstrijdig belang een aanwijsplicht
heeft; de RvT moet een ander aanwijzen. De
rechtbank overweegt dat deze bepaling in de Statuten niet in strijd is met de
dwingendrechtelijke bepaling van artikel 2:47 van het BW. Naar het oordeel van
de rechtbank beperkt artikel 2:47 van het BW de vereniging niet in haar bevoegdheid om
via de statuten te voorzien in de eventualiteit dat een tegenstrijdig belang
zich voordoet en voor dat geval te bepalen dat de RvT een ander dan de
bestuurder moet aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen. Ook
het feit dat het in de Statuten aan de RvT wordt overgelaten om al dan niet uit
haar midden die ander of anderen aan te wijzen is niet in strijd met het
verenigingsrecht. De rechtbank oordeelt evenwel dat zolang de RvT geen ander of
anderen aanwijst, het bestuur jegens derden bevoegd blijft de vereniging te vertegenwoordigen. In
artikel 24 van de statuten is immers niet bepaald dat zodra een tegenstrijdig
belang speelt tussen de bestuurder en de vereniging
, de bestuurder niet meer
vertegenwoordigingsbevoegd is en dat in dat geval de RvT
vertegenwoordigingsbevoegd is.
4.11.
Zoals blijkt
uit het voormelde volgt de rechtbank IFO niet voor zover zij stelt dat [A] als
bestuurder altijd vertegenwoordigingsbevoegd blijft, ook in het geval sprake is
van een tegenstrijdig belang. Indien de algemene vergadering of de RvT wegens
een tegenstrijdig belang een ander of anderen heeft aangewezen, is de
bestuurder niet meer vertegenwoordigingsbevoegd bij rechtshandelingen waarbij
dat tegenstrijdig belang speelt.
Vertegenwoordigingsbevoegd bij de twee opdrachtverleningen?
4.12.
Huis en Erf
stelt in haar dagvaarding dat de RvT voor 3 november 2010 niet op de hoogte was
van de opdrachtverleningen door [A] aan IFO, zodat zij niet bekend was met het
hiervoor besproken tegenstrijdig belang. De RvT had daarom op het moment dat
deze beide opdrachten werden verleend nog geen ander of anderen dan [A]
aangewezen om de vereniging te vertegenwoordigen. De
rechtbank overweegt dat omdat de RvT geen gebruik heeft gemaakt van de op hem
in artikel 24 van de Statuten rustende aanwijsplicht,[A] bevoegd is gebleven om
de vereniging in de door hem verleende opdrachten aan IFO te vertegenwoordigen. De
omstandigheid dat zij pas op 3 november 2010 op de hoogte is gebracht van het
tegenstrijdig belang maakt dit oordeel niet anders. Hieruit volgt dat de
opdrachten aan IFO namens Huis en Erf zijn verleend. De facturen voor de
werkzaamheden zijn derhalve niet onverschuldigd door Huis en Erf voldaan.
Onrechtmatige daad?
4.13.
Huis en Erf
legt subsidiair aan haar vorderingen ten grondslag dat IFO jegens haar
onrechtmatig heeft gehandeld door bewust te profiteren van de wanprestatie van
[A]. Deze wanprestatie bestaat volgens Huis en Erf uit het feit dat [A] vanwege
artikel 24 van de Statuten niet bevoegd was om de opdrachten aa n IFO te
verlenen. Daarnaast heeft[A] zijn taak als bestuurder onbehoorlijk uitgeoefend
doordat hij, ondanks de plicht van de RvT in artikel 24 van de Statuten om een
ander aan te wijzen, zelf namens devereniging aan IFO de opdrachten heeft
verleend.
4.14.
De rechtbank
heeft hiervoor reeds vastgesteld dat [A] ten aanzien van beide opdrachten
vertegenwoordigingsbevoegd was, zodat de onrechtmatigheid van het handelen van
IFO niet op de door Huis en Erf gestelde onbevoegdheid kan worden gebaseerd.
Voor zover Huis en Erf aan haar stelling ten grondslag legt dat IFO bewust
heeft geprofiteerd van de onbehoorlijke taakuitoefening jegens de vereniging door[A], overweegt de
rechtbank het volgende.
4.15.
Ook [A] was als
bestuurder jegens de vereniging gehouden om de Statuten op
een correcte manier na te komen en zich zodanig te gedragen dat ook anderen
zoals de RvT de Statuten konden naleven. Omdat de Statuten bepalen dat de RvT
bij een tegenstrijdig belang een ander dan de bestuurder moet aanwijzen om de vereniging te vertegenwoordigen,
had [A] de RvT moeten inlichten over het tegenstrijdige belang, zodat de RvT in
staat was om zijn aanwijsplicht na te komen. Vaststaat evenwel dat [A] de RvT
niet over het tegenstrijdig belang heeft ingelicht, zodat sprake is van
onbehoorlijke taakuitoefening jegens de vereniging door [A]. Uit de gestelde
onweersproken feiten volgt dat de RvT pas op 3 november 2010 kennis heeft
genomen van de opdrachtverleningen aan IFO, waarna de RvT dezelfde dag aan IFO
kenbaar heeft gemaakt dat hij het niet eens was met de verleende opdracht aan
IFO en dat Huis en Erf vanwege het tegenstrijdig belang de kosten van de
werkzaamheden voor IFO niet wenste te dragen.
4.16.
De rechtbank
stelt daarom vast dat IFO vanaf 3 november 2010 op de hoogte was van het feit
dat [A] de RvT niet eerder had ingelicht over het tegenstrijdig belang. Gelet
op de deskundigheid van IFO op het gebied van de integriteit van bestuurders,
wist IFO vanaf dat moment dat [A] met betrekking tot de opdrachtverleningen
zijn taak jegens de vereniging onbehoorlijk had vervuld.
Onvoldoende is weersproken dat IFO de Statuten, waaronder artikel 24 van de
Statuten, voorafgaande aan de opdrachtverleningen heeft ingezien, zodat IFO
bekend was met het feit dat de RvT vanwege het tegenstrijdig belang een ander
had moeten aanwijzen. Uit de kennisname door IFO met artikel 24 van de Statuten
volgt dat IFO wist dat een behoorlijke taakvervulling door [A] met zich
meebracht dat hij de RvT over het tegenstrijdig belang had moeten inlichten.
4.17.
De rechtbank
concludeert daarom dat IFO vanaf 3 november 2010 wist dat sprake was van
onbehoorlijke taakvervulling door [A] en dat vanwege die onbehoorlijke
taakvervulling de RvT haar aanwijsplicht niet had kunnen toepassen. Omdat die
aanwijsplicht niet was uitgevoerd was [A] vertegenwoordigingsbevoegd gebleven
op het moment dat hij namens Huis en Erf aan IFO de opdrachten verleende.
Voorts wist IFO vanaf 3 november 2010 dat de RvT niet akkoord was met die
opdrachtverleningen. IFO wist op dat moment dat als [A] wel zijn taak
behoorlijk had uitgeoefend, de RvT gebruik zou hebben gemaakt van zijn
aanwijsbevoegdheid. IFO zou dan niet zijn gecontracteerd. Hierdoor was IFO
bekend met het feit dat Huis en Erf ten gevolge van de onbehoorlijke
uitoefening schade leed bestaande uit de door haar gefactureerde kosten. Door
desondanks de werkzaamheden op kosten van Huis en Erf voort te zetten, en te
profiteren van de ten gevolge van de onbehoorlijke taakuitoefening verleende
opdrachten door aan Huis en Erf te blijven declareren waardoor voor Huis en Erf
de schade werd vergroot, handelde IFO in ernstige mate onzorgvuldig en daardoor
onrechtmatig jegens Huis en Erf.
Het totaalbedrag aan betaalde factuurbedragen
voor de werkzaamheden die vanaf 3 november 2010 zijn verricht is schade die
Huis en Erf ten gevolge van dit onrechtmatig handelen heeft geleden. Deze
schade moet door IFO aan Huis en Erf worden vergoed.
De schade
..
Wettelijke rente
4.19.
Huis en Erf
vordert daarnaast de wettelijke rente vanaf 29 juni 2011 over de toe te wijzen
schadevergoeding. Ook die vordering zal de rechtbank toewijzen.
Proceskosten
De beslissing