Wie is er bestuur?

Gang van zaken kan niet worden vast gesteld in kort geding
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op basis van de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting, binnen de reikwijdte van dit kort geding, niet duidelijk geworden bij wie (in ieder geval tot 9 januari 2020) het bevoegd gezag van de Partij ligt. In dit verband is van belang dat in dit kort geding veel onduidelijkheid is blijven bestaan omtrent de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de benoemingen. Of daarbij overeenkomstig de statuten is gehandeld is evenmin duidelijk, te meer nu de meningen van partijen daarover sterk uiteenlopen. Partijen schetsen een nogal chaotisch beeld van hetgeen zich de afgelopen jaren binnen de Partij heeft afgespeeld, ook voor wat betreft de benoeming van de bestuurders.” 


Algemene overweging over ALV’s
Besluiten tot het bijeenroepen van een algemene ledenvergadering van een vereniging worden genomen door het bestuur (artikel 2:41 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW); artikel 15 lid 1 van de statuten) of door een groep leden van de vereniging die ten minste één tiende deel van de stemmen in de algemene ledenvergadering vertegenwoordigt (artikel 2:41 lid 2 en lid 3 BW; artikel 15 lid 2 van de statuten). Een vergadering waaraan niet een geldig besluit tot bijeenroeping door het bestuur of een groep leden als hiervoor bedoeld ten grondslag ligt, is geen algemene ledenvergadering. Besluiten die zijn genomen in een zodanige vergadering zijn nietig (artikel 2:14 lid 1 BW). Van de regels betreffende de bevoegdheid tot bijeenroeping zijn te onderscheiden de regels betreffende de wijze van bijeenroeping (ook wel aangeduid als oproeping). Niet naleving van de regels voor oproeping leidt niet tot nietigheid maar tot vernietigbaarheid van de in de vergadering genomen besluiten, omdat die regels worden beschouwd als voorschriften die het tot stand komen van besluiten regelen (artikel 2:15 lid 1 onder a BW).

ECLI:NL:RBDHA:2020:4201

Bij de oprichting van de Partij is de heer [A] als voorzitter aangesteld, [eisende partij sub 1] als (plaatsvervangend) voorzitter, [eisende partij sub 2] als penningmeester, [B] als secretaris en [C] als penningmeester. Op 4 september 2009 is dit als zodanig geregistreerd bij de Kamer van Koophandel.
2.4.

Op 28 februari 2013 is de heer [A] overleden. [eisende partij sub 1] heeft sindsdien als voorzitter gefunctioneerd.
2.5.

[B] heeft in 2014 ontslag genomen als bestuurslid van de partij. [C] is in 2016 afgetreden als penningmeester van de Partij.
2.6.

In een uittreksel van de Kamer van Koophandel van 24 januari 2018 is opgenomen dat [gedaagde sub 1] sinds 13 mei 2016 secretaris is van de Partij.
2.7.

Op 20 maart 2018 vond op initiatief van [eisende partij sub 1] een vergadering plaats, waarbij onder meer is gesproken over de benoeming van het bestuur van de Partij. In de notulen van deze vergadering is onder meer het navolgende opgenomen:
 Keuze nieuw bestuur
Volgens [gedaagde sub 1] [vzr: [gedaagde sub 1] ] moet voor het besluitvorming, het bestuur uit oneven leden bestaan. Door de aanwezige leden is unaniem (door ‘volmondig’ ja te stemmen) voor de volgende bestuursleden gekozen:
– Voorzitter; dhr. [eisende partij sub 3]
– Plaatsvervangend voorzitter [eisende partij sub 1]
– Penningmeester: dhr. [D]
– Secretaris: dhr. [gedaagde sub 2] of mevr. [E] .
2.8.

Tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 21 maart 2018 verkreeg de Partij twee zetels in de gemeenteraad van [plaats] .
2.9.

Bij beschikking van 15 april 2019 heeft de Kamer van Koophandel, naar aanleiding van een door [B] ingediend bezwaarschrift, beslist dat zij per 13 november 2017 is uitgeschreven als bestuurder van de partij en [eisende partij sub 1] is uitgeschreven per 3 december 2013, onder verwijzing naar artikel 8 lid 5 van de statuten.
2.10.

Op 12 september 2019 heeft [gedaagde sub 1] namens het bestuur van de Partij een algemene ledenvergadering bijeengeroepen voor 23 september 2019. Bij e-mailbericht van 18 september 2019 heeft [eisende partij sub 3] namens [eisende partij sub 1 c.s.] onder meer aan [gedaagde sub 1] bericht de algemene ledenvergadering ongeldig te verklaren.
2.11.

Tijdens de algemene ledenvergadering van 23 september 2019 zijn drie nieuwe bestuursleden benoemd: [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4] . [eisende partij sub 1 c.s.] zijn niet verschenen bij deze vergadering. Tijdens de aansluitende bestuursvergadering is [gedaagde sub 1] tot voorzitter benoemd, [gedaagde sub 2] tot plaatsvervangend voorzitter, [gedaagde sub 3] tot secretaris en [gedaagde sub 4] tot penningmeester. De inschrijving hiervan bij de Kamer van Koophandel vond plaats op 8 oktober 2019.
2.12.

Op 4 november 2019 zijn [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 2] door het bestuur ontzet uit hun lidmaatschap van de Partij.
2.13.

Op 9 januari 2020 is een algemene ledenvergadering bijeengeroepen. Tijdens deze vergadering is besloten het tijdens de vergadering van 23 september 2019 genomen besluit om [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 4] , en [gedaagde sub 2] als bestuurders van de Partij aan te stellen te bevestigen.

3Het geschil

3.1.

[eisende partij sub 1 c.s.] vorderen, zakelijk weergegeven, [gedaagde sub 1 c.s.] te veroordelen:
1) om als bestuur formeel terug te treden en zich niet meer voor te doen als rechtsgeldige bestuursleden van de Partij;
2) zich niet meer schuldig te maken aan misleiding van de leden van de Partij door negatieve en onware uitlatingen te doen over [eisende partij sub 1 c.s.] ;
3) [eisende partij sub 3] en [eisende partij sub 1] in ere te herstellen, door hen en de op 20 maart 2018 verkozen andere personen te erkennen als de enige rechtsgeldig gekozen bestuursleden van de Partij,
een en ander op straffe van een dwangsom.

3.2.

Daartoe voeren [eisende partij sub 1 c.s.] – samengevat – het volgende aan.
Op 20 maart 2018 is door de Partij tijdens een algemene ledenvergadering een nieuw bestuur gekozen. [gedaagde sub 1] was aanwezig tijdens deze algemene ledenvergadering en is akkoord gegaan met de benoeming van de betreffende bestuursleden. De benoeming vond plaats conform de statuten van de Partij, te weten door de (geldige) leden die op dat moment stemgerechtigd waren. Dit blijkt ook uit de notulen van deze algemene ledenvergadering. Nadien hebben meerdere bestuursvergaderingen en algemene ledenvergaderingen plaatsgevonden, waarbij [gedaagde sub 1] als lid van de Partij aanwezig was. Zonder medeweten van het toen zittende bestuur en zonder daartoe bevoegd te zijn heeft [gedaagde sub 1] een algemene ledenvergadering uitgeschreven voor 23 september 2019. [gedaagde sub 1] heeft daarbij misbruik gemaakt van zijn ongeldige en onterechte inschrijving als enig bestuurder van de Partij bij de Kamer van Koophandel. De benoeming van [gedaagde sub 1 c.s.] als bestuursleden van de Partij tijdens voornoemde algemene ledenvergadering is gebaseerd op een onrechtmatig en nietig besluit.
[gedaagde sub 1] heeft misleidende uitingen gedaan over [eisende partij sub 1 c.s.] , zowel binnen als buiten de Partij en hij heeft de gemeenteraad bewust onjuist geïnformeerd over een aanstaande breuk binnen de fractie.

3.3.

[gedaagde sub 1 c.s.] voeren verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4De beoordeling van het geschil

4.1.

Partijen zijn verdeeld over de vraag of er tijdens de vergaderingen van 20 maart 2018 dan wel 23 september 2019 rechtsgeldige en onaantastbare benoemingen tot bestuurders van de Partij hebben plaatsgevonden. [eisende partij sub 1 c.s.] zijn van mening dat zij op 20 maart 2018 tot bestuurder van de Partij zijn benoemd en dat de benoeming van [gedaagde sub 1 c.s.] op 23 september 2019 op niet rechtsgeldige wijze heeft plaatsgevonden, terwijl [gedaagde sub 1 c.s.] menen dat de benoemingen op 23 september 2019 geldig en onaantastbaar zijn en die op 20 maart 2018 niet. In dit kader is van belang de geldigheid van de besluitvorming in de vergaderingen die op voormelde tijdstippen hebben plaatsvonden.
4.2.

Besluiten tot het bijeenroepen van een algemene ledenvergadering van een vereniging worden genomen door het bestuur (artikel 2:41 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW); artikel 15 lid 1 van de statuten) of door een groep leden van de vereniging die ten minste één tiende deel van de stemmen in de algemene ledenvergadering vertegenwoordigt (artikel 2:41 lid 2 en lid 3 BW; artikel 15 lid 2 van de statuten). Een vergadering waaraan niet een geldig besluit tot bijeenroeping door het bestuur of een groep leden als hiervoor bedoeld ten grondslag ligt, is geen algemene ledenvergadering. Besluiten die zijn genomen in een zodanige vergadering zijn nietig (artikel 2:14 lid 1 BW). Van de regels betreffende de bevoegdheid tot bijeenroeping zijn te onderscheiden de regels betreffende de wijze van bijeenroeping (ook wel aangeduid als oproeping). Niet naleving van de regels voor oproeping leidt niet tot nietigheid maar tot vernietigbaarheid van de in de vergadering genomen besluiten, omdat die regels worden beschouwd als voorschriften die het tot stand komen van besluiten regelen (artikel 2:15 lid 1 onder a BW).
4.3.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op basis van de overgelegde stukken en de toelichting ter zitting, binnen de reikwijdte van dit kort geding, niet duidelijk geworden bij wie (in ieder geval tot 9 januari 2020) het bevoegd gezag van de Partij ligt. In dit verband is van belang dat in dit kort geding veel onduidelijkheid is blijven bestaan omtrent de feitelijke gang van zaken met betrekking tot de benoemingen. Of daarbij overeenkomstig de statuten is gehandeld is evenmin duidelijk, te meer nu de meningen van partijen daarover sterk uiteenlopen. Partijen schetsen een nogal chaotisch beeld van hetgeen zich de afgelopen jaren binnen de Partij heeft afgespeeld, ook voor wat betreft de benoeming van de bestuurders. Dat de bijeenroeping van en de oproepingen voor de algemene ledenvergaderingen van 20 maart 2018 en 23 september 2019 op de in de statuten voorgeschreven wijze heeft plaatsgevonden is dan ook niet aannemelijk geworden, zodat er voorshands vanuit moet worden gegaan dat de tijdens die vergaderingen genomen besluiten tot benoeming van bestuursleden nietig dan wel vernietigbaar zijn.
De vergadering van 9 januari 2020

4.4.

Vast staat dat de algemene ledenvergadering van 9 januari 2020 plaatsvond op initiatief van vier leden (volgens [gedaagde sub 1 c.s.] ) dan wel donateurs (volgens [eisende partij sub 1 c.s.] ) van de Partij. Onder verwijzing naar artikel 15 lid 2 en lid 3 van de statuten hebben de betreffende personen de (overige) leden van de Partij op of omstreeks 30 december 2019 schriftelijk (per e-mail) bericht dat zij een algemene ledenvergadering hebben uitgeschreven voor 9 januari 2020, onder toezending van de notulen van de vergadering van 23 september 2019 en de agenda van de vergadering op 9 januari 2020. De inhoud van het betreffende bericht volgt uit het door [gedaagde sub 1 c.s.] in het geding gebrachte e-mailbericht van 30 december 2019. Zoals in dit e-mailbericht is vermeld is de vergadering tevens aangekondigd in het Leidsch Dagblad.
4.5.

Ervan uitgaande dat er tot 9 januari 2020 geen sprake was van een rechtsgeldig benoemd bestuur, hadden de leden van de Partij, op grond van artikel 15 lid 2 van de statuten en artikel 2:41 lid 3 BW de mogelijkheid zelf een algemene ledenvergadering bijeen te roepen. Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter lijkt het erop dat hierbij de in acht te nemen voorschriften zijn nageleefd: de vier personen in kwestie vertegenwoordigen ten minste één tiende deel van het totale ledenaantal, de stemgerechtigden zijn schriftelijk (elektronisch, zie artikel 2:41 lid 4 BW) op de hoogte gesteld van de algemene ledenvergadering, er is een advertentie geplaatst in een Leiden gelezen dagblad en de agenda van de vergadering is meegezonden. [gedaagde sub 1 c.s.] hebben onweersproken aangevoerd dat tijdens de vergadering van 9 januari 2020 unaniem is besloten [gedaagde sub 1 c.s.] als bestuurders van de Partij aan te merken. Een en ander leidt er toe dat er voorshands vanuit kan worden gegaan dat er tijdens deze vergadering een rechtsgeldig besluit is genomen met betrekking tot het bestuur van de Partij. 
Het door [eisende partij sub 1 c.s.] tijdens de mondelinge behandeling ingenomen, door [gedaagde sub 1 c.s.] betwiste, standpunt dat [gedaagde sub 1 c.s.] niet hebben aangetoond dat de aanvragers van de algemene ledenvergadering van 9 januari 2020 lid zijn van de Partij en geen donateurs, maakt dit niet anders. Wie van partijen op dit punt het gelijk aan haar zijde heeft kan in deze procedure niet worden vastgesteld. Dit betekent dat in het onderhavige kort geding niet kan worden beoordeeld of de benoeming van [gedaagde sub 1 c.s.] tot bestuurders van de Partij, naar aanleiding van het op 9 januari 2020 genomen besluit, geheel conform de geldende eisen heeft plaatsgevonden. Om hierover duidelijkheid te verkrijgen dient de meest gerede partij zich tot de bodemrechter te wenden. Desalniettemin zijn de vorderingen van [eisende partij sub 1 c.s.] , die zien op de terugtreding van [gedaagde sub 1 c.s.] als bestuurders van de Partij en de erkenning van [eisende partij sub 1] en [eisende partij sub 3] als bestuurders niet toewijsbaar. De onduidelijkheid op enkel dit onderdeel rechtvaardigt immers niet dat het door de leden van de Partij gewenste bestuur thans wordt vervangen door [eisende partij sub 1 c.s.] als bestuurders van de Partij.
4.6.

De vordering van [eisende partij sub 1 c.s.] om [gedaagde sub 1 c.s.] te verbieden negatieve en onware uitlatingen over hen te doen wordt eveneens afgewezen. Partijen hebben zich kennelijk over en weer tegenover derden uitgelaten over het conflict dat speelde binnen de fractie van de Partij. [gedaagde sub 1 c.s.] hebben echter uitdrukkelijk betwist dat zij zich negatief en bezijden de waarheid over [eisende partij sub 1 c.s.] hebben uitgelaten. Nu [eisende partij sub 1 c.s.] niet dan wel onvoldoende hebben geconcretiseerd om welke uitlatingen het gaat, is naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende gebleken dat de door [gedaagde sub 1 c.s.] gedane uitlatingen met betrekking tot het tussen partijen ontstane conflict onjuist of anderszins onrechtmatig jegens [eisende partij sub 1 c.s.] zijn. Derhalve valt niet in te zien waarom [gedaagde sub 1 c.s.] zich van dergelijke uitlatingen zouden dienen te onthouden.
4.7.

[eisende partij sub 1 c.s.] zullen, als de in het ongelijk gestelde partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding.

5De beslissing

De voorzieningenrechter:

5.1.

wijst de vorderingen af;