Randvermelding (Fort Prins Hendrik)

Gerechtshof Den Haag 9 september 2014 (publicatie 24 maart 2015)
ECLI:NL:GHDHA:2014:2895

Randvermelding. Arrest duidt de vereniging aan met de verouderde term “rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging”.
Bungalowparkzaak. In statuten vermelde verplichting van leden (bugaloweigenaren) om een beheersbijdrage te betalen aan de vereniging, kan geen grondslag geven voor een verplichting om die bijdrage te betalen aan het bedrijf dat het parkbeheer van de vereniging heeft overgenomen.

Arrest d.d. 9 september 2014
Inzake de rechtspersoonlijkheid bezittende vereniging (sic!)
VERENING VAN EIGENAREN VAN CHALETS IN HET RECREATIEPARK FORT PRINS FREDERIKappellante,  hierna te noemen: de Vereniging,

tegen 
J&J INVESTMENTS B.V., geïntimeerde,  hierna te noemen: J&J, [rare opmaak door plakken/knippen, red.]
in hoger beroep niet verschenen.

Het geding

Bij exploot van dagvaarding van 17 februari 2014, met daarin opgenomen zeven grieven, (met producties) is de Vereniging in hoger beroep gekomen van het vonnis dat door de voorzieningenrechter in de rechtbank Rotterdam op 21 januari 2014 tussen partijen in kort geding is gewezen. Tevens heeft de Vereniging in dit exploot haar eis gewijzigd. Het verzoek van de Vereniging tot behandeling van de zaak als spoedappel is afgewezen. Tegen J&J is verstek verleend. Vervolgens heeft de Vereniging de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1.

De feiten waarvan de voorzieningenrechter in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.6) van het bestreden vonnis is uitgegaan, staan niet ter discussie, zodat ook het hof daarvan uit zal gaan.
2.

Kort en zakelijk weergegeven, en voor zover in hoger beroep van belang, gaat het geschil om het volgende.

(2.1) De leden van de Vereniging zijn eigenaren van percelen (recreatie-)grond, al dan niet met opstallen, gelegen in het recreatiegebied op het terrein van Fort Prins Frederik te Ooltgensplaat (hierna ook: het Park).

(2.2) Recreatiecentrum Het Fort Ooltgensplaat B.V. (hierna: RFO BV) en Monument Prins Frederik B.V. zijn eigenaar van de infrastructuur van het Park.

(2.3) Tot eind 2008 heeft de Vereniging het beheer gevoerd over de infrastructuur van het Park. Het betreffende beheerscontract werd eind 2008 beëindigd.

(2.4) Vanaf enig moment nadien heeft RFO BV de infrastructuur van het Park beheerd totdat zij het beheer in juni 2013 heeft overgedragen aan J&J.

(2.5) De heer [N] is bestuurder van RFO BV en indirect bestuurder van J&J.

(2.6) Voor de levering van elektriciteit en water, alsmede voor de riolering, zijn de leden van de Vereniging aangewezen op de infrastructuur van het park. Zij beschikken niet over een directe aansluiting op deze nutsvoorzieningen.

(2.7) Er is tussen J&J en de leden van de Vereniging een geschil ontstaan over de (door de individuele perceelseigenaren te betalen) beheerskosten. In dit kort geding gaat het met name over de kosten van voormelde nutsvoorzieningen. Het geschil heeft onder meer geleid tot (a) afsluiting door J&J van deze nutsvoorzieningen bij de chalets van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] wegens gestelde wanbetaling, en (b) dreiging daartoe ten aanzien van de overige chalets.

(2.8) De voorzieningenrechter heeft bij het thans bestreden vonnis vorderingen van de Vereniging met als strekking (a) een gebod tot aansluiting en (b) een verbod tot afsluiting, afgewezen. Daartoe heeft de voorzieningenrechter onder meer (en zeer kort weergegeven) overwogen dat de Vereniging de grondslag van haar vorderingen onvoldoende heeft geconcretiseerd en onderbouwd, terwijl het spoedeisend belang, zeker ten aanzien van vordering (b), onvoldoende is gebleken.

3.

De Vereniging heeft in hoger beroep bij het exploot van dagvaarding, met daarin de grieven, haar vordering gewijzigd. Zij vordert thans, zakelijk weergegeven, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1) een gebod aan J&J om de chalets van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] binnen 24 uur na de betekening van dit arrest weer aan te sluiten en aangesloten te houden op water, elektriciteit en riolering, op straffe van een dwangsom, althans een door het hof te treffen andere voorziening;
2) een verbod aan J&J om, totdat in een bodemprocedure anders is beslist, de leden van de Vereniging van voormelde nutsvoorzieningen af te sluiten zolang zij de overeengekomen prijzen voor deze nutsvoorzieningen betalen, althans een door het hof te treffen andere voorziening;
3) veroordeling van J&J in de kosten van beide instanties.
4.

Het hof acht het spoedeisend belang in beginsel gegeven, nu onbetwist is gesteld dat er sprake is van (dreiging van) het wegvallen van een elementaire levensbehoefte bij (permanente) bewoners van het Park. Dit betekent dat het hof de (in hoger beroep gewijzigde) vorderingen van de Vereniging zal onderzoeken.
5.

Voorop wordt gesteld dat de huidige procedure een kort geding betreft. De grondslag en omvang van de uiteindelijke (betalings)verplichtingen van de individuele bewoners/perceelseigenaren van het Park jegens J&J zal uiteindelijk in een bodemprocedure vastgesteld moeten worden, als partijen er samen niet uitkomen. In deze procedure zal worden onderzocht of er spoedshalve een voorziening moet worden getroffen.
6.

Niet in geschil is dat voor water, elektriciteit en riolering de individuele leden van de Vereniging zijn aangewezen op de daartoe aanwezige infrastructuur van het Park. Evenmin in geschil is dat de leden bereid zijn te betalen voor het door hen gebruikte water en de elektriciteit. Ze hebben echter bezwaar tegen de wijzigingen die J&J daarboven eenzijdig wil opleggen. Het gaat hierbij met name om diverse – volgens de Vereniging door J&J ‘opgedrongen’ – contractuele en algemene voorwaarden, zoals nader omschreven in 22 en 23 van de appeldagvaarding/memorie van grieven. Het kort geding leent zich niet voor beoordeling hiervan, nu hiervoor diepgaand moet worden onderzocht wat de grondslag daarvan is. Dit klemt temeer, nu niet, althans niet voldoende duidelijk, door de Vereniging uiteen is gezet wat de grondslag was van de betalingsverplichting voorhéén (tussen 2009 en midden 2013) die kennelijk wél door betrokkenen werd geaccepteerd (zie ook appeldagvaarding/memorie van grieven 55), en nu evenmin voldoende duidelijk uiteen is gezet welke verplichtingen toen voor de bewoners/perceelseigenaren concreet golden. De voorzieningenrechter heeft hier ook al op gewezen in het bestreden vonnis in rechtsoverweging 4.5 (regels 9 tot en met 13), zonder dat dit overigens heeft geleid tot een toereikende verduidelijking in hoger beroep.
Het hof zal de beide vorderingen van de Vereniging in het licht van het voorgaande beoordelen.

Beoordeling van vordering I.

7.

Vordering I) betreft het gebod tot heraansluiting van de beide chalets [betrokkenen].
Zoals toegelicht in de memorie van grieven 33, 34 en 35 (en de bijbehorende producties 3 en 4) hebben betrokkenen (hierna ook: [betrokkenen]) voor het gebruik van water en elektriciteit betaald, maar hebben zij geweigerd (i) daar bovenop de nieuwe rioleringsbijdrage van € 10,– per maand te betalen, (ii) het voorschot water nog langer te betalen en (iii) toegang te verlenen voor controle van de betreffende meters.
8.

Ad (i). De Vereniging heeft in hoger beroep (appeldagvaarding/grieven onder 13) onweersproken gesteld dat er voorheen geen verplichting bestond tot betaling van een rioolbijdrage, zodat het hof hiervan uitgaat. Anders dan de voorzieningenrechter heeft overwogen in rechtsoverweging 4.5, eerste alinea (slot) van het bestreden vonnis, biedt artikel 9 van de Statuten van de Vereniging geen grondslag voor een verplichte rioolbijdrage aan J&J. In dit artikel is immers slechts bepaald: ´De jaarlijkse bijdrage  [hof: aan de Vereniging] zal moeten worden betaald per aansluiting op het riool.” Hieruit valt geen verplichting tot betaling van een rioolbijdrage aan J&J (of haar voorgangster) te destilleren.
Mogelijkerwijs is het niet onredelijk in de verhouding tussen partijen dat er enige rioolbijdrage wordt betaald, maar zolang de grondslag hiervan voor het overige onduidelijk is gebleven, ziet het hof als voorzieningenrechter geen aanleiding om hierop vooruit te lopen. Hieromtrent moet in een bodemprocedure worden beslist.

Ad (ii en iii). Naar het hof begrijpt is het sinds het contract met waterbedrijf Evides per 1 december 2012 (appeldagvaarding/grieven 25) gebruikelijk dat er voorschotten voor water in rekening worden gebracht. Het hof leidt hieruit af dat [betrokkenen] met het betalen van voorschotten hebben ingestemd. De Vereniging klaagt er echter over dat er ondanks herhaalde verzoeken geen afrekening plaatsvindt. Het hof stelt hier tegenover dat [betrokkenen] geweigerd hebben een – voorshands niet onredelijke – controle van de watermeter door J&J toe te staan. Onder deze omstandigheden is het hof voorshands van oordeel dat er aan de zijde van [betrokkenen] onvoldoende grond bestaat voor de weigering deze voorschotten nog langer te betalen, terwijl er evenmin een voldoende grond bestaat om de niet onredelijke controle van de meters te weigeren.
9.

Het komt er kortom op neer dat beide partijen enig verwijt valt te maken. Nu het echter gaat om een belangrijke levensbehoefte, zal het hof bij wijze van voorziening de heraansluiting gelasten binnen 24 uur na betekening van dit arrest telkens zodra [betrokkenen] de betreffende betalingen voor elektriciteit en (voorschotten) water hebben verricht, vermeerderd met voor ieder een redelijk bedrag aan kosten van heraansluiting (te stellen op € 200,–). Hieraan zal een (voor matiging vatbare) dwangsom worden verbonden.

Beoordeling van vordering II

10.

Uit de stellingen van de Vereniging valt niet af te leiden dat er ten aanzien van de overige bewoners een voldoende concrete dreiging voor afsluiting bestaat, zeker niet nu J&J in december 2013 én bij de behandeling in kort geding, naar het hof uit de pleitnota van J&J afleidt, te kennen heeft gegeven niet tot afsluiting over te zullen gaan en nu het hof bovendien inmiddels duidelijk heeft gemaakt (in rechtsoverweging 8) dat J&J geen aanspraak heeft op enige rioolbijdrage zolang niet nader is beslist (in een bodemprocedure) of nader is afgesproken. Het hof gaat er daarom van uit dat J&J tot zolang geen maatregelen zal treffen bij het uitblijven van een rioolbijdrage. Onder deze omstandigheden acht het hof geen genoegzaam spoedeisend belang aanwezig. Deze vordering wordt daarom afgewezen.

Slotsom

11.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden vonnis vernietigd zal worden en dat de vordering van de Vereniging deels, in na te melden zin, zal worden toegewezen. De grieven I, II, III en IV zijn hiermee besproken, terwijl de overige grieven geen verdere bespreking meer behoeven. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen. Het onderhavige kort geding is daartoe ook niet geëigend. Bij deze beslissing is passend dat partijen de eigen proceskosten dragen.


Beslissing

Het hof:

  • vernietigt het bestreden vonnis, en opnieuw rechtdoende:
  • gebiedt J&J om de chalets van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] binnen 24 uur (de zaterdagen en zondagen niet meegerekend) na betekening van dit arrest aan te sluiten op water, elektriciteit en riolering, zodra[betrokkenen] de betreffende betalingen voor elektriciteit en water hebben verricht, vermeerderd met een redelijk bedrag aan kosten van heraansluiting (te stellen op € 200,–) zowel voor [betrokkene 1] als voor [betrokkene 2] (dus per chalet), zulks op straffe van een (voor matiging vatbare) dwangsom van
    € 500,– per dag, een dagdeel daaronder begrepen, tot een maximum van € 20.000,–.
  • verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
  • bepaalt dat iedere partij de eigen kosten van deze procedure draagt, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep;
– wijst af het meer of anders gevorderde.

Vereniging als financieringsvehikel

Rechtbank Midden-Nederland 18 maart 2015
ECLI:NL:RBMNE:2015:1753

Verenigingen zijn er in alle soorten in maten. Deze zaak gaat om vereniging WIF, kennelijk een soort financieringsvehikel voor woningbouwcorporaties. In het licht van financiële problemen besluit het bestuur van WIF om al haar 4000 woningen te verkopen. Woonbron, een van de leden van WIF is het hier niet mee eens. 
Verder tamelijk specifieke casus. Verkoop van alle woningen is geen besluit tot ontbinding c.q. geen materiële liquidatie.

Vonnis in kort geding van 18 maart 2015 
in de zaak van 
de stichting STICHTING WOONBRON eiseres, tegen 
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid 
WIF (WOONINVESTERINGSFONDS) 
2. [gedaagde sub 2] gedaagden,

Eiseres zal hierna Woonbron genoemd worden en gedaagden gezamenlijk het WIF c.s. en afzonderlijk het WIF en [gedaagde sub 2].

1De procedure

2De feiten

2.1.

Het WIF is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die in 1999 is opgericht met als doel uitsluitend werkzaam te zijn op het gebied van de volkshuisvesting, meer in het bijzonder door het aankopen en verkopen van huurwoningen. Een belangrijke reden voor de oprichting van het WIF was het voorzien van woningbouwcorporaties van liquiditeit voor de bouw van woningcomplexen. De vereniging telt momenteel 77 leden, waarvan Woonbron er een is. Het WIF wordt deels gefinancierd door haar leden door middel van achtergestelde leningen (via certificaten). Het WIF is een toegelaten instelling in de zin van artikel 70 Woningwet.
2.2.

[gedaagde sub 2], gedaagde sub 2, is sinds 23 februari 2015 de (enige) bestuurder van het WIF. Hij is de opvolger van de heer [A], die is afgetreden.
2.3.

De statuten van het WIF luiden – voor zover van belang – als volgt:
“(…)
Doel.
Artikel 2.
1. Het werkgebied van de vereniging omvat alle gemeenten in Nederland.
2.a. De vereniging stelt zich ten doel uitsluitend werkzaam te zijn op het gebied van de volkshuisvesting.
2.b. De vereniging richt zich in het bijzonder op het aankopen en verkopen van huurwoningen.
(…)

Taken en Bevoegdheden Directie.
Artikel 10.
1. a. Behoudens de beperkingen volgens de statuten is de directie belast met het besturen van de vereniging.
(…)
3. De directie is, mits met goedkeuring van de raad van toezicht, bevoegd te besluiten tot het aangaan van overeenkomsten tot het verkrijgen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidsstelling voor een schuld van een derde verbindt. Op het ontbreken van deze goedkeuring kan door en tegen derden beroep worden gedaan.
(…)
Algemene Vergadering.
Artikel 15.
1. Aan de algemene vergadering komen in de vereniging alle bevoegdheden toe die niet door de Wet of statuten zijn opgedragen aan directie of Raad van Toezicht.
De algemene vergadering heeft in het bijzonder de volgende taken en bevoegdheden:
(…)
b. besluiten tot wijziging van de statuten en ontbinding van de vereniging;
(…)
d. vaststelling van door de directie opgemaakte (meerjaren) beleidskaders en / of (meerjaren) beleidsplannen;
(…)”

2.4.

Sinds 15 november 2012 staat het WIF onder verscherpt toezicht van het Centraal Fonds Volkshuisvesting (hierna: CFV).
2.5.

Het WIF verkrijgt, naast de achtergestelde leningen van haar leden, financiering van ABN Amro Bank (hierna: ABN Amro) en de Bank Nederlandse Gemeenten (hierna: BNG). Medio maart 2015 bedroeg het saldo van de bankleningen € 290.000.000,00. De termijn van deze financiering(en) loopt af op 31 maart 2015.
2.6.

In februari 2014 heeft het WIF een saneringsaanvraag gedaan bij het CFV. Op verzoek van het CFV heeft het WIF een vijftal scenario’s uitgewerkt.
2.7.

Het WIF heeft op 4 juni 2014 een advertentie geplaatst in het Financieele Dagblad. Door middel van deze advertentie werd kenbaar gemaakt dat het WIF voornemens is haar totale woningenportefeuille te verkopen.
2.8.

Eind november 2014 heeft er op initiatief van de toenmalig bestuurder een consultatie plaatsgevonden, waarbij leden van het WIF hun visie konden geven over de mogelijkheid van verkoop van de gehele woningenportefeuille of de mogelijkheid van het zoeken van herfinanciering voor de op 31 maart 2015 aflopende bankleningen.
2.9.

Op 27 november 2014 heeft de toenmalige bestuurder van het WIF goedkeuring gekregen van de raad van toezicht voor het volgende, op 24 november 2014 door hem genomen besluit:
“Bovenstaande afwegende besluit het Bestuur tot verkoop van de gehele vastgoedportefeuille van WIF aan de hoogste bieder in het gevolgde verkoopproces.”

2.10.

Het WIF en Round Hill Dutch Residential Investment SCS (hierna: Round Hill) hebben op 28 november 2014 een overeenkomst gesloten. Op grond van deze overeenkomst verkoopt het WIF haar gehele woningenportefeuille, bestaande uit ongeveer 4.000 woningen, aan Round Hill. De inhoud van de tussen WIF en Round Hill gesloten overeenkomst luidt – voor zover relevant – als volgt:
“(…)
PARTIJEN
I. WIF (Woninginvesteringsfonds), (…) (“Verkoper”);

II. ROUND HILL DUTCH RESIDENTIAL INVESTMENT SCS, (…) (“Koper”),
(…)
De verkoper en de Koper hebben vervolgens overeenstemming bereikt over de verkoop en koop van het Verkochte, welke overeenstemming de Verkoper en de Koper hierbij wensen vast te leggen.

DEEL I: KERNGEGEVENS
De kerngegevens zijn:

Verkochte de complexen die nader zijn omschreven in de als Bijlage 3 aangehechte omschrijving van het Verkochte.
Koopprijs € 365.000.000,– (zegge: driehonderd vijfenzestig miljoen euro) kosten koper, verminderd met (…)

Datum levering 31 maart 2015
(…)
Ontbinden voorwaarden de ontbindende voorwaarden die van toepassing zijn, zoals vermeld in artikel 17 lid 1 van de Koopvoorwaarden
(…)
DEEL II: KOOPVOORWAARDEN
(…)
Artikel 17. Ontbindende voorwaarden
17.1.

De Koop geschiedt – met inachtneming van het bepaalde in artikel 17.2 en 17.3 – onder de ontbindende voorwaarde dat:
(…)
c. de voor overdracht van het Verkochte benodigde toestemming van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties niet uiterlijk op de Datum van Levering onherroepelijk is verleend; en/of
(…)
17.2.

Op de ontbindende voorwaarden als bedoeld in lid 1 sub b., c. en d. dient een beroep te worden gedaan, welk beroep uitsluitend door de Verkoper kan worden gedaan krachtens een daartoe strekkende schriftelijke (waaronder begrepen per e-mail) mededeling aan de Koper en/of aan de Notaris, uiterlijk op de Datum van Levering. Doet de Verkoper een beroep op een ontbindende voorwaarden als bedoeld in lid 1 sub b., c. en d., dan verleent dit beroep noch aan de Verkoper noch aan de Koper enig recht op (schade)vergoeding (van gemaakte kosten), onder welke titel dan ook.
(…)”

2.11.

Tijdens de algemene ledenvergadering van het WIF van 14 november 2014 is door de toenmalig bestuurder van het WIF het volgende medegedeeld:
“(…) De heer [A] antwoordt dat de volgorde als volgt is. (…) Met de kopende partij is opgenomen dat er geconsulteerd moet worden en dat de Raad van Toezicht het besluit van de bestuurder moet accorderen. Tijdens de algemene ledenvergadering op 27 juni is afgesproken dat de certificaathouders zouden worden geconsulteerd. (…)”

2.12.

De heer [B], voormalig lid van de raad van toezicht van het WIF, heeft tijdens de algemene ledenvergadering van het WIF van 24 november 2014 – onder meer – het volgende medegedeeld:
“(…) De heer [C] vraagt hoe de Raad van Toezicht besluit wanneer uit de consultatie blijkt dat 50% voor herfinanciering is en 50% voor verkoop van de portefeuille. De heer [B] antwoordt dat hier veel over is gesproken. Het is nog ingewikkelder. Het kan zijn dat de meerderheid van de certificaathouders kiest voor herfinanciering en dat de Raad van Toezicht zegt, op basis van de dan voorliggende informatie, dat het niet verantwoord is. Dan wordt de Algemene Ledenvergadering gepasseerd. (…)”

2.13.

Namens de Minister voor Wonen en Rijksdienst heeft de Inspectie Leefomgeving en Transport op 5 februari 2015 toestemming gegeven voor de verkoop van 3.817 woningen door het WIF aan Round Hill. Toestemming voor verkoop is vereist op grond van de artikelen 11c en 11d van het Besluit beheer sociale-huursector (Bbsh).

3Het geschil

3.1.

Woonbron vordert bij vonnis, zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I. gedaagden te verbieden direct, danwel indirect verdere uitvoering te (doen) geven aan het (verkoop)besluit gedateerd 24 of 28 november 2014 en te bepalen dat het aan gedaagden onder andere, maar niet uitsluitend, verboden is over te (doen) gaan tot de goederenrechtelijke levering aan Round Hill (of enige andere derde) van de in de koopovereenkomst, die is gesloten op grond van voornoemd besluit, omschreven onroerende zaken die in eigendom toebehoren aan Wif, alsmede gedaagden te verbieden alle verdere (rechts)handelingen te (doen) verrichten, die noodzakelijk zijn om de voornoemde goederenechtelijke levering voor te bereiden en tot stand te brengen, op straffe van een direct door gedaagden ieder hoofdelijk, althans ieder voor een gelijk deel, te verbeuren dwangsom van € 50.000.000,00, althans een door de voorzieningenrechter in goede justitie te bepalen bedrag, per overtreding van genoemde verboden of één daarvan;
II. gedaagden ieder hoofdelijk, althans ieder voor een gelijk deel te veroordelen in de proceskosten van deze procedure, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, en – voor het geval voldoening niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – te vermeerderen met de na de uitspraak vallende (na)kosten, forfaitair berekend op € 131,00 zonder betekening en verhoogd met € 68,00 in geval niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan dit vonnis is voldaan en betekening heeft plaatsgevonden, alles te verhogen met de wettelijke handelsrente, althans de wettelijke rente vanaf bedoelde termijn voor voldoening.

3.2.

Het WIF c.s. voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Woonbron in haar vorderingen jegens [gedaagde sub 2] en tot afwijzing van de vorderingen jegens het WIF en [gedaagde sub 2]. Dit voorgaande steeds met veroordeling van Woonbron in de proceskosten.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De kern van het geschil dat partijen verdeeld houdt, wordt gevormd door de vraag of het besluit van de (voormalig) bestuurder van het WIF om tot verkoop van de gehele woningenportefeuille van het WIF over te gaan rechtsgeldig is genomen.
4.2.

Woonbron legt aan haar vordering ten grondslag dat het besluit tot verkoop van de gehele woningenportefeuille meebrengt dat sprake is van materiële liquidatie en ontbinding van het WIF. Woonbron verwijst in dit verband naar de beschikking van de Ondernemingskamer van het Gerechtshof Amsterdam van 27 februari 2014 (ECLI:NL:GHAMS:2014:597; TICA). Een besluit tot ontbinding dient, zo voert Woonbron aan onder verwijzing naar artikel 15 lid 1 onder b van de statuten van het WIF, te worden genomen door de algemene ledenvergadering van het WIF. Omdat het besluit tot verkoop van de woningenportefeuille, en daarmee het besluit tot liquidatie en ontbinding niet is genomen door de algemene ledenvergadering is volgens Woonbron sprake van een nietig besluit in de zin van artikel 2:14 lid 1 BW. Waar het besluit tot verkoop volgens Woonbron nietig is, ontbeert het rechtskracht en mag er daarom geen gevolg aan worden gegeven door over te gaan tot levering van de woningenportefeuille aan Round Hill op 31 maart 2015.
4.3.

Het WIF c.s. betwist dat sprake is van een nietig besluit. Volgens haar is er geen sprake van materiële liquidatie van het WIF, was het besluit tot verkoop geen besluit dat op grond van de statuten door de algemene ledenvergadering moest worden genomen en behoefde het bestuur geen toestemming van de algemene ledenvergadering voor het besluit tot verkoop. Omdat de raad van toezicht toestemming aan het bestuur heeft gegeven kan dan ook in beginsel uitvoering worden gegeven aan het besluit tot verkoop van de woningenportefeuille en kan zij overgaan tot levering van de woningenportefeuille aan Round Hill op 31 maart 2015.
4.4.

Anders dan Woonbron betoogt, betekent de verkoop van de gehele woningenportefeuille door het WIF aan Round Hill geen materiële liquidatie van het WIF. De zich in de door Woonbron aangehaalde beschikking van de Ondernemingskamer voordoende situatie is een andere dan de onderhavige. In dit geval vindt geen uitkering van de verkoopopbrengst van (in dit geval) de woningenportefeuille plaats aan de leden, maar wordt deze opbrengst aangewend om eerst het consortium van banken te voldoen dat financiering heeft verstrekt aan het WIF, waarna het restant van de opbrengst zal worden aangewend om een rentevergoeding aan de leden te betalen. De verschuldigdheid van deze rente vloeit voort uit de leningsovereenkomsten die deze leden met het WIF hebben gesloten. Van een besluit tot ontbinding en/of vereffening is reeds hierom geen sprake.
4.5.

Evenmin volgt uit het feit dat het WIF na verkoop van haar woningenportefeuille geen woningen meer in eigendom heeft, dat sprake is van materiële liquidatie. Tijdens de algemene ledenvergadering van 12 december 2014 is meegedeeld dat er voor het WIF na verkoop van de woningenportefeuille twee mogelijkheden zijn. Bij de eerste blijft het fonds bestaan en bezint het zich op een nieuwe toekomst, bij de tweede mogelijkheid zal kunnen worden besloten tot opheffing en daaropvolgende liquidatie van het WIF. Ter terechtzitting is door de (nieuwe) bestuurder [gedaagde sub 2] verklaard dat het scenario dat het WIF blijft bestaan nog steeds een reëel scenario is. Leden zullen mogelijk tot een vorm van doorstart besluiten. De (statutaire) doelstelling van het WIF is het verstrekken van liquide middelen aan zijn leden door het kopen van woningen van die leden. In het geval van liquidatie van het WIF, boeken alle leden (definitief) een aanzienlijk verlies op hun achtergestelde leningen. Niet gesteld of gebleken is dat het WIF in de toekomst niet opnieuw financiering van een bank of een consortium van banken kan verkrijgen teneinde woningen van zijn leden te kopen. Daarmee is in het bestek van dit kort geding onvoldoende aannemelijk geworden dat een meerderheid van de leden zich tegen dit mogelijke scenario zal uitspreken en dat verkoop van de gehele woningenportefeuille betekent dat het WIF materieel geliquideerd en ontbonden wordt. Het standpunt van Woonbron dat het besluit tot verkoop nietig is omdat het genomen had moeten worden door de algemene ledenvergadering wordt daarom verworpen.
4.6.

Ook indien er veronderstellenderwijs van uit wordt gegaan dat sprake is van een nietig besluit, dienen de vorderingen van Woonbron te worden afgewezen. In een dergelijk geval zal de nietigheid van het besluit tot verkoop naar alle waarschijnlijkheid niet aan Round Hill kunnen worden tegengeworpen omdat zich hier een van de in artikel 2:16 lid 2 BW genoemde situaties voordoet.
4.7.

Uit de, hiervoor onder 2.11 gedeeltelijk geciteerde notulen van de algemene ledenvergadering van 14 november 2014 blijkt dat de bestuurder van het WIF aan Round Hill heeft medegedeeld dat de leden van het WIF geconsulteerd dienden te worden en dat de raad van toezicht zijn toestemming diende te geven aan het voorgenomen besluit tot verkoop. Gelet hierop kan niet worden geconcludeerd dat Round Hill, er veronderstellenderwijs van uitgaande dat het besluit tot verkoop nietig is omdat het niet door de algemene vergadering is genomen, dit gebrek kende. Dat Round Hill het (veronderstelde) gebrek behoorde te kennen is door Woonbron onvoldoende aannemelijk gemaakt. Weliswaar voert Woonbron aan dat (toenmalig) lid van de raad van toezicht [B] heeft verklaard dat overwogen is ontbindende voorwaarden, bijvoorbeeld goedkeuring van de algemene ledenvergadering, op te nemen in de koopovereenkomst met Round Hill en dat Round Hill daartoe niet bereid was, maar hieruit volgt niet dat Round Hill behoorde te weten dat het besluit tot verkoop door de algemene ledenvergadering moest worden genomen zoals Woonbron betoogt. Door het WIF c.s. is ook weersproken dat Round Hill een dergelijk vereiste uit de statuten heeft gedistilleerd. Het WIF c.s. heeft onweersproken aangevoerd dat de notaris die Round Hill bijstond, mr. [G] , aan het WIF heeft medegedeeld dat uit zijn onderzoek en dat van Round Hill van de statuten van het WIF, niet bleek dat in dit geval toestemming van de algemene ledenvergadering vereist zou zijn. Voorshands dient er daarom van te worden uitgegaan dat een eventuele nietigheid van het besluit tot verkoop niet succesvol aan Round Hill kan worden tegengeworpen.
4.8.

Woonbron wordt evenmin gevolgd waar zij stelt dat het besluit tot verkoop nietig of vernietigbaar is omdat het in strijd is met artikel 15 lid 1 onder d van de statuten. Op grond van dit artikelonderdeel is de algemene ledenvergadering, met uitsluiting van het bestuur en de raad van toezicht, bevoegd tot vaststelling van door de directie opgemaakte (meerjaren)beleidskaders en/of (meerjaren)beleidsplannen. De voorgenomen verkoop van de woningenportefeuille is, anders dan Woonbron lijkt te betogen, niet het opmaken van een beleidskader of beleidsplan. Veeleer geeft de verkoop van de woningenportefeuille aanleiding tot het opstellen van een dergelijk kader of plan, waarin wordt bepaald of het WIF wordt voortgezet of dat het wordt geliquideerd en op welke wijze een en ander zal geschieden. Een in dat geval gemaakt beleidskader of beleidsplan dient vervolgens op grond van de statuten te worden voorgelegd aan de algemene ledenvergadering.
4.9.

Naast het voorgaande stelt Woonbron, subsidiair, dat de toenmalige bestuurder [A] en de raad van toezicht de uitslag van de consultatie in eerste instantie (tijdens de algemene ledenvergadering van 12 december 2014) misleidend heeft gepresenteerd aan de leden en dat deze omstandigheid vernietiging van het besluit tot verkoop rechtvaardigt op de voet van artikel 2:15 lid 1 jo 2:8 BW. In verband hiermee voert woonbron aan dat als uitslag van de consultatie aan de leden is voorgehouden dat 56% van de leden voor verkoop was, terwijl de uitslag weergegeven had moeten worden alsof sprake was van een formele stemming met gewogen telling van de stemmen. Bij een gewogen telling van de stemmen zou duidelijk zijn geworden dat een meerderheid van de leden tegen verkoop van de woningportefeuille was.
4.10.

Dit betoog mist relevantie indien ervan zou moeten worden uitgegaan dat het besluit tot verkoop nietig is vanwege strijd met artikel 15 lid 1 onder b of d van de statuten. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat Woonbron deze stelling aanvoert voor het geval artikel 10 lid 3 van de statuten van toepassing is. In dit artikel is – kort gezegd – bepaald dat de directie bevoegd is tot het verkrijgen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, mits dit gebeurt met goedkeuring van de raad van toezicht.
4.11.

Het in 4.9 weergegeven betoog impliceert dat de raad van toezicht, toen hij op 27 november 2014 goedkeuring gaf aan het bestuursbesluit tot verkoop van de woningenportefeuille, op de hoogte was van de uitslag van de consultatie, uitgaande van een formele stemming met gewogen telling van de stemmen. Daarvan uitgaande voldoet het besluit tot verkoop aan de vereisten van artikel 10 lid 3 van de statuten. Onder deze omstandigheden is het niet waarschijnlijk dat het besluit tot verkoop vanwege strijd met de redelijkheid en billijkheid door de rechter in een bodemprocedure zal worden vernietigd, ook niet indien komt vast te staan dat de leden in het kader van de uitslag van de consultatie zijn misleid.
4.12.

De voorzieningenrechter houdt rekening met de mogelijkheid dat ook de raad van toezicht op 27 november 2014 geen inzicht had in de uitkomst die een stemronde zou hebben opgeleverd met een gewogen telling. Indien ervan wordt uitgegaan dat [A] die gegevens aan de raad van toezicht had moeten verstrekken en dat niet heeft gedaan, staat echter geenszins vast dat de raad van toezicht zijn goedkeuring aan het besluit tot verkoop zou hebben onthouden, gelet op de mededeling van de heer [B], toenmalig lid van de raad van toezicht, tijdens de algemene ledenvergadering van 24 november 2014. Hij deelde toen mee dat voor het geval een meerderheid van de leden voor herfinanciering zou zijn de algemene ledenvergadering zou kunnen worden gepasseerd indien de raad van toezicht van mening zou zijn dat op basis van voorliggende informatie het door de algemene ledenvergadering voorgestane besluit niet verantwoord zou zijn (zie het hiervoor onder 2.12 weergegeven citaat van de notulen van die vergadering). Daarom kan niet zonder meer gezegd worden dat het besluit tot verkoop vernietigbaar is vanwege het ontbreken, dan wel op onjuiste wijze tot stand komen van de daarvoor statutair vereiste goedkeuring van de raad van toezicht.
4.13.

Ook indien er echter van wordt uitgegaan dat het bestuursbesluit tot verkoop door de rechter in een bodemprocedure op deze grondslag zal worden vernietigd kan deze vernietiging hoogstwaarschijnlijk niet aan Round Hill worden tegengeworpen. Niet gesteld of gebleken is immers dat Round Hill bij het sluiten van de koopovereenkomst wist of behoorde te weten dat de leden, dan wel de leden én de raad van toezicht, zouden worden misleid doordat hen met betrekking tot de consultatie onvolledige, dan wel onjuiste gegevens zouden worden verstrekt.
4.14.

Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de vorderingen van Woonbron jegens zowel het WIF als [gedaagde sub 2] zullen worden afgewezen. Woonbron zal daarom, als de in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van het WIF c.s. worden begroot op € 1.429,00, opgebouwd uit € 613,00 aan griffierecht en € 816,00 aan salaris advocaat.

5De beslissing

5.1.

wijst het gevorderde af,
5.2.

veroordeelt Woonbron in de proceskosten, aan de zijde van het WIF c.s. tot op heden begroot op € 1.429,00,
5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Opzegging wordt aangemerkt als royement (moskee Assalam)

Rechtbank Den Haag 11 maart 2015
ECLI:NL:RBDHA:2015:2492



In deze zaak was het lidmaatschap van een (lastig) lid opgezegd. De grond voor  opzegging was echter letterlijk overgenomen uit de bepaling van de statuten voor ontzetting (royement). De rechter merkt het besluit dus als een royement aan, zodat het lid het recht heeft om ertegen in beroep te gaan bij de ALV.

Vonnis in kort geding van 11 maart 2015 in de zaak van
[eiser], tegen
de vereniging Marokkaans Islamitische Vereniging Moskee Assalam,

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘[eiser]’ en ‘de vereniging’.

1De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting van 25 februari 2015 wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

1.1.

De vereniging is in 1997 opgericht. De vereniging heeft volgens artikel 2 van de statuten ten doel het organiseren van godsdienstige en godsdienstig-culturele manifestaties en activiteiten voor alle islamieten en hun gezinnen. [eiser] is al vele jaren lid van de vereniging.
1.2.

In de statuten is verder – voor zover van belang – het volgende vermeld:
“(….)
Artikel 5
1.Het lidmaatschap eindigt:
a. (…)
b. door opzegging door een lid;
c. door opzegging door de vereniging;
d. door ontzetting.
(….)
3. Opzegging van het lidmaatschap namens de vereniging kan tegen het einde van het lopende boekjaar door het bestuur worden gedaan:
– wanneer een lid na daartoe bij herhaling schriftelijk te zijn aangemaand op een november niet volledig aan zijn geldelijke verplichtingen jegens de vereniging heeft voldaan;
– wanneer het lid heeft opgehouden te voldoen aan de vereisten die op dat moment door de statuten voor het lidmaatschap worden gesteld.
(…)
4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of wanneer het lid de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Zij geschiedt door het bestuur, dat het lid zo spoedig mogelijk van het besluit in kennis stelt, met opgave van de redenen. Het betrokken lid is bevoegd binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene ledenvergadering. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst. (…..)
Artikel 10
1. Het bestuur vertegenwoordigt de vereniging.
2. De vertegenwoordigingsbevoegdheid komt mede toe aan de voorzitter tezamen met de secretaris of de penningmeester, dan wel aan de secretaris tezamen met de penningmeester. (….)
Artikel 15
1. Algemene ledenvergaderingen worden door het bestuur bijeengeroepen zo dikwijls het dit wenselijk oordeelt. (….)”
1.3.

In het huishoudelijk reglement van de vereniging is onder meer het volgende vermeld:
“(….)
Artikel 11 overtredingen
De overtredingen zoals bedoeld in de statuten bestaan uit:
a. Onbehoorlijk gedrag en/of handelen of nalaten waardoor de belangen van de vereniging worden geschaad.
b. Het doen aan groepsvorming of het creeren van fitna.
(…)
e. Het zonder toestemming van het bestuur in de moskeeruimten collecteren of geld of goederen (laten) inzamelen.
(….)
l. Het verbaal en non-verbaal bedreigen van moskeegangers en in het bijzonder bestuursleden.
(….)
Artikel 12 sancties
1. Bij overtreding van een of meer bepalingen van artikel 12 zal het bestuur bepalen welke sanctie zal worden opgelegd.
3. De mogelijke sancties zijn (combinatie is mogelijk):
-pandontzegging/toegangsverbod
-gesprek met het bestuur
-mondelinge waarschuwing
-schriftelijke waarschuwing
-schorsing
-aangifte bij de politie
-opzegging lidmaatschap (….)”

1.4.

Bij brief van 19 maart 2014 heeft het bestuur van de vereniging [eiser] een waarschuwing gestuurd met als reden dat hij zich frequent schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van onder andere bestuursleden en moskeegangers door verbaal en non-verbaal geweld en dat hij zich schuldig heeft gemaakt het verstoren van algemene leden-vergaderingen. Tevens heeft het bestuur [eiser] meegedeeld dat hem een pandverbod zal worden opgelegd indien hij zich niet houdt aan de in die brief opgesomde regels.
1.5.

Bij brief van 1 augustus 2014 heeft het bestuur van de vereniging aan [eiser] onder meer het volgende meegedeeld:
“(….)
Op 20 maart 2014 (19 maart, toevoeging rechtbank) bent u schriftelijk gewaarschuwd om op te houden met het zich frequent schuldig maken aan bedreiging van o.a. bestuursleden en moskeegangers door verbaal en non-verbaal geweld. U bent toen gewaarschuwd voor o.a. het bedreigen van moskeegangers en bestuursleden door bij herhaling te roepen dat u “nog steeds een plek in de gevangenis heeft”, voor het verstoren van een aantal algemene ledenvergaderingen, bijvoorbeeld de alv van 17 maart jl. en het pogen het slot van het moskeegebouw te forceren omdat u het niet eens was met een besluit van het bestuur, bekrachtigd door de algemene ledenvergadering. Hier is zelfs de politie voor ingeschakeld. We hebben in genoemde brief aangegeven dat indien u uw gedrag niet verbetert, u o.a. een pandverbod/toegangsverbod zal worden opgelegd voor een periode van minimaal 2 jaar en maximaal 10 jaar.
(…)
Ondanks de schriftelijke waarschuwing en vele gesprekken en bemiddelingspogingen bent u op de oude voet doorgegaan met het openlijk bedreigen en kleineren van bestuursleden en het opzetten van individuele leden tegen het bestuur. (….)
Ondanks uw agressie en asociaal gedrag hebben we zolang mogelijk gewacht met het treffen van maatregelen omdat we hoopten op verbetering van uw gedrag. Een tweetal recente incidenten hebben ons echter doen inzien dat u planmatig bezig bent het bestuur te ondermijnen de mensen tegen elkaar en tegen het bestuur op te zetten. De verhoudingen zijn hiermee definitief verstoord. Op 26 juni 2014 heeft u in het moskeegebouw aan de Rijkestraat geprobeerd de jaarlijkse contributie van onze leden in ontvangst te nemen van willekeurige leden. Naast het feit dat hier naar onze mening sprake is geweest van oplichting, raakten veel leden in de war aangaande het gezag van het bestuur. Binnen de vereniging is het immers uitsluitend het bestuur dat contributiegelden in ontvangst mag nemen. Het andere voorval betreft uw bedreigingen aan het adres van een individueel bestuurslid op 27 juli 2014. U heeft een van de bestuursleden het spreken in de moskee onmogelijk gemaakt door hem openlijk te beledigen en te bedreigen. Het betreffende bestuurslid voelde zich in extreme mate bedreigd door dat u schreeuwend en met zwaaiende armen hard op hem bent ingelopen. (….) De bestuursleden voelen zich hierdoor niet meer veilig als u in de moskee aanwezig bent.

Besluiten
1. Opzegging lidmaatschap
Het bestuur van de vereniging heeft besloten uw lidmaatschap van de vereniging per maandag 4 augustus 2014 op te zeggen. U bent dus per genoemde datum geen lid meer. Dit, omdat u bij herhaling en na schriftelijk te zijn gewaarschuwd de vereniging door uw gedrag op onredelijke wijze blijft benadelen. Daar u nu al maanden bezig bent het bestuur te ondermijnen door de bestuursleden te bedreigen en publiekelijk uit te schelden en tevens de besluitvorming van het bestuur frustreert, zijn wij van mening dat u een acuut gevaar vormt voor de saamhorigheid in de moskee. Immers, na vele gesprekken en bemiddelingspogingen en een schriftelijke waarschuwing blijft u het bestuur ondermijnen en bedreigen. Dit gedrag leidt in toenemende mate tot chaos, scheldpartijen en ondermijning van het gezag van het bestuur (….) Tevens voelen de leden van het bestuur zich door uw toedoen niet meer veilig in de moskee.
2. Toegangsverbod/pandverbod
Zoals hierboven gesteld is het bestuur van de vereniging bevoegd personen die zich o.a. aan agressie en geweld schuldig maken een pandverbod/toegangsverbod op te leggen.
Overeenkomstig het gestelde in de waarschuwingsbrief (….) heeft het bestuur besloten u een pandverbod en een toegangsverbod op te leggen voor een periode van 5 jaar na dagtekening van deze brief. U mag zich dus vanaf deze datum 5 jaar lang niet meer in de moskeegebouwen en -terreinen aan De Rijkestraat 2 en de Bernadottelaan 3 vertonen.
(….)”

1.6.

Bij brief van 22 augustus 2014 heeft [eiser] via zijn advocaat beroep ingesteld tegen het besluit van het bestuur hem uit het lidmaatschap te ontzetten en heeft hij onder meer verzocht door de algemene ledenvergadering te worden gehoord voordat deze een beslissing neemt op het beroep.
1.7.

Bij brief van 11 december 2014 heeft [eiser] het bestuur van de vereniging gesommeerd de besluiten tot opzegging/ontzetting van het lidmaatschap en het toegangsverbod uiterlijk 29 december 2014 in te trekken en hem weer als volwaardig lid ongehinderd en onbelemmerd toegang te geven tot de moskeeruimtes.
1.8.

Het bestuur van de vereniging heeft op de brieven van 22 augustus 2014 en 11 december 2014 niet gereageerd.

2Het geschil

2.1.

[eiser] vordert – zakelijk weergegeven –:
I. (het bestuur) van de vereniging te verbieden [eiser] de toegang tot de Moskee Assalam aan de Rijkestraat 2 te Gouda en de toegang tot de dependance van de Moskee Assalam aan de Bernadottelaan 3 te Gouda te ontzeggen;
II. (het bestuur) van de vereniging te verbieden [eiser] te beperken in zijn rechten uit hoofde van het lidmaatschap van de vereniging;
III. (het bestuur) van de vereniging te gebieden [eiser] onverwijld weer ongehinderd en onbelemmerd tot de Moskee Assalam aan de Rijkestraat 2 te Gouda en de dependance van de Moskee Assalam aan de Bernadottelaan 3 te Gouda, althans tot de toekomstige vestigingsplaats van de Moskee Assalam toe te laten en [eiser] op de gebruikelijke wijze als volwaardig lid van de vereniging te behandelen;
een en ander op verbeurte van een dwangsom en met veroordeling van de vereniging in de proceskosten.

2.2.

Daartoe voert [eiser] – verkort weergegeven – het volgende aan.
– De reden waarom het bestuur tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] en het toegangsverbod heeft besloten is gelegen in het feit dat [eiser] aan de orde heeft gesteld dat het bestuur in strijd met de statuten van de vereniging handelt. Het bestuur weigert rekening en verantwoording van het beleid en beheer af te leggen en trekt zich van haar statutaire verplichtingen niets aan. Het bestuur wil € 500.000,– à € 600.000,– aan banktegoeden van de vereniging gebruiken voor het oprichten van de El-Wahda Moskee te Gouda. Het bestuur is daartoe niet bevoegd zonder voorafgaande goedkeuring door de algemene ledenvergadering. [eiser] en tenminste 350 andere leden van de vereniging willen gebruik blijven maken van de moskee Assalam, die nu dreigt te worden gesloten.
– De besluiten van het bestuur van de vereniging tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] en oplegging van een toegangsverbod zijn nietig/vernietigbaar op grond van de artikelen 2:14 en 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) wegens strijd met de wet en de statuten en met de redelijkheid en billijkheid. De bestuursleden van devereniging zijn niet door de algemene ledenvergadering benoemd, maar door middel van coöptatie in het bestuur terecht gekomen en kunnen dan ook geen rechtsgeldige besluiten nemen. De opzeggingsbrief van 1 augustus 2014 is slechts voorzien van één handtekening, zonder dat duidelijk is van wie deze afkomstig is en wat de functie van deze persoon is, terwijl de vertegenwoordigings-bevoegdheid uitsluitend toekomt aan twee gezamenlijk handelende bestuursleden op grond van artikel 10 lid 2 van de statuten. Door [eiser] het lidmaatschap van de vereniging te ontnemen en door hem de toegang tot de moskeeruimtes te ontzeggen ontneemt het bestuur het kernrecht van de leden van de vereniging en ook het recht van iedere moslim om de moskeeruimtes te bezoeken. Evenmin is aan [eiser] de mogelijkheid kenbaar gemaakt beroep van de bestuursbesluiten in te stellen bij de algemene ledenvergadering, hetgeen in strijd is met de artikelen 2:33 en 35 lid 4 BW en artikel 5 lid 4 van de statuten.
– Voorts zijn de bestuursbesluiten op materiële gronden vernietigbaar nu de beschuldigingen en aan [eiser] gemaakte verwijten volstrekt onjuist zijn en met schriftelijke getuigenverklaringen ontkracht worden.
– Daarnaast handelt de vereniging onrechtmatig jegens [eiser], nu zij inbreuk maakt op de rechten van Massoudi lid te zijn van de vereniging en de moskee te betreden en is de vereniging gehouden de schade die [eiser] heeft geleden te vergoeden.
– [eiser] heeft een spoedeisend belang om weer als volwaardig lid van de vereniging te worden behandeld en toegang tot de moskeeruimtes te hebben.
2.3.

De vereniging voert gemotiveerd verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

3De beoordeling van het geschil

3.1.

De vereniging heeft allereerst betwist dat [eiser] een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft. Geoordeeld wordt dat [eiser] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij een spoedeisend belang bij zijn vorderingen heeft, nu hij niet aan de gebedsdiensten in de Moskee Assalam en ook overigens niet aan de activiteiten van de vereniging kan deelnemen. Het niet reageren op diverse (aangetekende) brieven door devereniging maakt het belang van [eiser] naar zijn aard ook spoedeisend.
3.2.

De vereniging betwist dat de huidige bestuursleden niet zijn benoemd door de algemene ledenvergadering. Uit de door de vereniging overgelegde notulen van de algemene ledenvergadering van 22 april 2012 wordt voorshands afgeleid dat het bestuur rechtsgeldig door de algemene ledenvergadering van de vereniging is gekozen.
3.3.

[eiser] stelt dat de besluiten van het bestuur tot opzegging van zijn lidmaatschap en oplegging van een pandverbod/toegangsverbod niet rechtsgeldig zijn, nu de brief van 1 augustus 2014 van het bestuur van devereniging slechts ondertekend is door één persoon, zonder dat duidelijk is van wie deze afkomstig is en welke functie de persoon heeft, terwijl de vertegenwoordigingsbevoegdheid niet toekomt aan één bestuurslid, doch aan de gezamenlijk handelende bestuursleden in de combinatie volgens artikel 10 van de statuten.
3.4.

Voor zover al niet gezegd kan worden dat het bestuur van de vereniging bij de aanzegging van de opzegging van het lidmaatschap en het opleggen van een toegangsverbod ook namens de overige bestuursleden heeft gesproken (waarmee de bestuursbesluiten moeten worden geacht te zijn genomen), heeft het bestuur het besluit van 1 augustus 2014 naar het oordeel van de voorzieningenrechter in ieder geval bekrachtigd door middel van de verklaring van het bestuur van 20 februari 2015, die door alle bestuursleden is ondertekend. Voorshands wordt geoordeeld dat de besluiten van het bestuur van 1 augustus 2014 rechtsgeldig door het bestuur zijn genomen.
3.5.

Bij de motivering van het besluit tot opzegging in de brief van 1 augustus 2014 geeft het bestuur als reden op dat dit is “omdat u bij herhaling en na schriftelijk te zijn gewaarschuwd de vereniging door uw gedrag op onredelijke wijze blijft benadelen.” De opzeggingsgrond is woordelijk ontleend aan artikel 5 lid 4 van de statuten, welke bepaling ziet op ontzetting uit het lidmaatschap. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter dient “de opzegging” van het lidmaatschap gelet hierop derhalve te worden aangemerkt als een ontzetting uit het lidmaatschap van de vereniging, zodat de algemene ledenvergadering alsnog op het door [eiser] ingestelde beroep moet beslissen.
3.6.

Ter onderbouwing van de stelling van [eiser] dat de door het bestuur van de vereniging genomen besluiten op materiële gronden vernietigbaar zijn, heeft hij een aantal schriftelijke getuigenverklaringen overgelegd waarin wordt verklaard dat de beschuldigingen van het bestuur ongegrond zijn. De (echtheid van de) verklaringen wordt door de vereniging betwist. De vereniging heeft van haar kant verklaringen overgelegd volgens welke de handtekeningen onder de door [eiser] overgelegde verklaringen zouden zijn vervalst. Voor nader onderzoek op dit punt is binnen het bestek van dit kort geding geen plaats. Ook overigens is zonder nader onderzoek niet uit te maken of de gronden waarop het besluit tot ontzetting is gebaseerd, juist zijn en of het besluit in stand kan blijven. Dit betekent dat op de beslissing van de algemene ledenvergadering op het beroep dat [eiser] tegen het besluit tot ontzetting heeft ingesteld, niet vooruit gelopen kan worden middels de door [eiser] gevraagde voorzieningen. De gevraagde voorzieningen zijn dan ook niet toewijsbaar.
3.7.

Hoewel de gevraagde voorzieningen daarop niet zijn gericht, overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende met betrekking tot het beroep dat [eiser] op 22 augustus 2014 heeft ingesteld tegen het besluit van het bestuur om hem uit zijn lidmaatschap te ontzetten. Het bestuur heeft niet gereageerd op herhaalde verzoeken en sommaties van [eiser] om een algemene ledenvergadering bijeen te roepen. Het bestuur handelt daarmee in strijd met artikel 2:35 lid 4 BW en artikel 5 lid 4 van de statuten. Het bestuur dient dan ook, gelet op het zwaarwegende belang van [eiser], op korte termijn een algemene ledenvergadering bijeen te roepen met als agendapunt de ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van de vereniging. De voorzieningenrechter acht een termijn van één maand voorshands redelijk. Op deze algemene ledenvergadering dient [eiser] te worden gehoord over zijn beroep tegen het besluit tot ontzetting uit zijn lidmaatschap van de vereniging, waarna de algemene ledenvergadering op dit beroep dient te beslissen. Hangende het beroep is [eiser] op grond van artikel 35 lid 4 BW en artikel 5 lid 4 van de statuten geschorst. Dit heeft tot gevolg dat [eiser] in afwachting van de beslissing op het beroep tegen de besluit tot ontzetting uit zijn lidmaatschap geen toegang heeft tot de moskee Assalam.
3.8.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de gevraagde voorlopige voorzieningen worden geweigerd. In de omstandigheden van het geval acht de voorzieningenrechter aanleiding te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

4De beslissing

De voorzieningenrechter:

– weigert de gevraagde voorzieningen;
– bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Fusie en afsplitsing (Wandelsport)

Rechtbank Midden-Nederland 12 december 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:7376




Fusie van twee landelijke bonden, waarbij een regionale vereniging zijn lidmaatschap opzegt. Landelijke bond informeert (bepaalde) leden van de regionale vereniging over het gevolg daarvan, namelijk dat deze leden niet langer het landelijke blad zullen ontvangen en geen korting zullen krijgen op activiteiten van de gefuseerde landelijke bond. Een vrij groot van de leden zegt in reactie daarop het lidmaatschap van de regionale vereniging op. Regionale vereniging acht het onrechtmatig dat de landelijke bond de leden direct benaderde. Rechter oordeelt dat dit niet het geval was.

Vonnis in kort geding van 12 december 2014
in de zaak van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
DE STICHT GOOISE WANDELSPORT BOND ,
eiseres, tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
NEDERLANDSE WANDELSPORT BOND ,
gedaagde,

Partijen zullen hierna de SGWB en de NWB genoemd worden.

2De feiten

2.1.

De NWB is een nationale wandelsportbond. De SGWB is, samen met andere regionale wandelsportbonden, lid van de NWB.
2.2.

Wandelaars kunnen, al dan niet via lokale wandelsportorganisaties, lid worden van een regionale wandelsportbond. Zij kunnen er ook voor kiezen om (naast of in plaats van hun lidmaatschap bij een regionale wandelsportbond) rechtstreeks lid te worden van de NWB.
2.3.

In de Akte van Statutenwijziging van de NWB van 29 december 2011 is het volgende bepaald:
“ Artikel 3.
3. De NWB stelt zich ten doel het organiseren en het beoefenen van de wandelsport te bevorderen en alles te doen wat hiertoe kan leiden of bevorderlijk kan zijn, een en ander genomen in de ruimste zin van het woord.
(…).
Artikel 5.
LEDEN
5. De NWB kent als leden:
a. ereleden;
b. leden van verdienste;
c. bestuursleden;
d. regionale wandelsportbonden, hierna te noemen regionale bonden;
e. landelijke en/of regionale organisaties, hierna te noemen aangesloten organisaties;
f. rechtstreekse leden;
g. bijzondere leden.
Artikel 6.
DEFINITIES VAN DE LEDEN
(…).
6.4.

Een regionale bond is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich richt op een door de NWB vastgesteld geografisch omschreven gebied.
(…).
6.6.

Rechtstreekse leden zijn natuurlijke personen:
a. woonachtig in gebieden waar met inachtneming van het hiervoor in artikel 6.4 bepaalde geen regionale bond, aangesloten bij de NWB, vertegenwoordigd is;
b. buiten Nederland woonachtig (tenzij lid van een regionale bond); of
c. die hebben verklaard te kiezen voor het rechtstreekse lidmaatschap van de NWB. 

2.4.

In artikel 3 van het Huishoudelijk reglement van de NWB is het volgende bepaald:
“ VERPLICHTINGEN
3.1.

Regionale bonden zijn verplicht ter kennis van hun leden te brengen dat statuten, huishoudelijk reglement en andere reglementen, bepalingen en besluiten van de NWB op hen van toepassing zijn.
3.2.

Regionale bonden moeten (aanvullende) ledenopgaven met vermelding van de ingangsdatum en wat betreft de leden-natuurlijke personen de gegevens met betrekking tot de voornaam, de achternaam, het adres, de woonplaats met de postcode (de zo genaamde NAW-gegevens), het geslacht en de geboortedatum) uiterlijk op de door de NWB aan te geven data inzenden aan de NWB.
(…) .”

2.5.

Omdat de SGWB lid is van de NWB ontvangen wandelaars die (al dan niet via een lokale wandelsportorganisatie) lid zijn van de SGWB, het magazine ‘Wandelen’ en het landelijk wandelprogramma (hierna: LWP), dat wordt uitgegeven door de NWB en de Koninklijke Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding-Wandelsportorganisatie Nederland (hierna: KNBLO-NL), de andere nationale wandelsportbond. In het LWP is informatie opgenomen over alle wandeltochten en evenementen van de NWB en de KNBLO-NL. Aangesloten wandelaars ontvangen korting op die wandeltochten en evenementen.
2.6.

De NWB heeft het voornemen om, samen met de bij haar aangesloten regionale bonden die hier positief tegenover staan, op 1 januari 2015 te fuseren met de KNBLO-NL. De nieuwe bond zal de Koninklijke Wandel Bond Nederland (hierna: KWBN) gaan heten.
2.7.

Anders dan de meeste andere regionale wandelbonden heeft de SGWB zich tegenstander van de fusie getoond. Een meerderheid van de aanwezige leden op de algemene ledenvergadering van de SGWB van 17 mei 2014 heeft gestemd voor een zelfstandig voortbestaan van de SGWB en opzegging van het lidmaatschap van de SGWB bij de NWB als de fusie tussen de NWB en de KNBLO-NL doorgang zal vinden.
2.8.

Op 6 augustus 2014 hebben de NWB en de SGWB gezamenlijk vergaderd over de gevolgen van dit besluit van de SGWB. In de conceptnotulen van deze vergadering is het volgende vermeld:
“ 1. Opening
De voorzitters van beide besturen benadrukken nogmaals dat, in opdracht en in belang van beider verenigingen, zij alle openstaande punten op deze vergadering ‘netjes’ willen oplossen.

(…).

9Overstappende leden (individuele leden en verenigingen)

(…).
Op dit moment zijn er een aantal individuele leden die aan hebben gegeven dat zij lid willen worden van de NWB. Er zijn ook een aantal verenigingen die inmiddels lid zijn geworden van de NWB. (…). Het is aan de leden zelf om zich af te melden bij de SGWB. Men kan ook lid zijn van meerdere verenigingen (c.q. bonden). (…). 

2.9.

In de conceptnotulen van de bestuursvergadering van de NWB van 8 oktober 2014 is het volgende vermeld:
“ 7. Voortgang fusieproces met KNBLO-NL
a. Voortgang proces
(…).
b. Afhandeling SGBW
Er is 1 ½ maand geleden een gesprek tussen het bestuur van de NWB en de SGWB geweest en daarin zijn afspraken gemaakt. Er zijn nog stukken volgens afspraak nagezonden. De stukken zijn aangeleverd omdat de SGWB deze nodig heeft om hun leden te informeren (…).
De SGWB heeft haar leden tot op heden niet geïnformeerd over de consequenties van de verzelfstandiging. NWB vind dat zij zelf uiteindelijk de leden wel moet informeren als zorgplicht indien de SGWB dit niet doet. NWB zal dan in november een mailing sturen naar de individuele leden.
(…). 

2.10.

Bij brief van 18 november 2014 heeft de NWB het volgende laten weten aan leden van de SGWB:
“ Zoals u wellicht heeft gehoord of gelezen heeft uw regionale bond de SGWB in haar ledenvergadering van 21 mei 2014 besloten om zelfstandig door te gaan en zich niet aan te sluiten bij de fusie van alle regiobonden, KNBLO-NL en de NWB. De nieuwe bond wordt per 1 januari KWBN (Koninklijke Wandel Bond Nederland). (…). Per 1 januari 2015 zal de SGWB door de beslissing van haar ledenvergadering niet langer onderdeel uitmaken van een landelijke wandelbond.

Voor u als lid van de SGWB zal dit helaas consequenties hebben. U ontvangt bijvoorbeeld niet meer zoals u gewend was het blad NWB wandelen, het Landelijk Wandelprogramma (LWP) en de korting bij de landelijke wandeltochten.

Als u wel het magazine, het LWP en de korting wenst te ontvangen dan kunt u nu rechtstreeks lid worden van de NWB. Indien u zich voor 1 december a.s. aanmeldt voor het lidmaatschap 2015 dan ontvangt u wel het LWP 2015 met daarin alle wandeltochten van KWBN van het jaar 2015, u krijgt in 2015 het magazine toegestuurd en u behoudt de korting bij de wandeltochten van de KWBN. (…).

Indien u wilt opzeggen voor het jaar 2015 bij de SGWB dan dient u uw lidmaatschap bij de SGWB vóór 1 december 2014 op te zeggen bij het secretariaat van de SGWB door een e-mail te sturen naar ledenadministratie@sgwb.nl. Beschikt u niet over e-mail dan volstaat een briefje. Dit kunt u aan het bondsbureau van de Nederlandse Wandelsport Bond richten. Het adres vindt u bovenaan deze brief. Wij zorgen er dan voor dat uw opzegging terecht komt bij de SGWB.

Om vervolgens lid te worden van de NWB kunt u uw aanmelding doen via onze website www.nwb-wandelen.nl/lid worden, of contact opnemen met het bondsbureau via e-mail info@nwb-wandelen.nl of tijdens kantooruren telefonisch via telefoonnummer 030-2319458. Nadat u overgestapt bent ontvangt u van ons weer wat u voorheen gewend was.

(…). 

2.11.

Vorig jaar waren circa 9.000 wandelaars lid van de SGWB. Ongeveer 500 leden hebben na de ontvangst van voormelde brief hun lidmaatschap van de SGWB opgezegd.

3Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

De SGWB heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter de NWB bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren zal veroordelen tot:
  • betaling van € 5.000,00, bij wijze van voorschot op nader bij staat op te maken schade,
  • het uiterlijk twee dagen na betekening van dit vonnis publiceren en aan al zijn leden versturen van een rectificatie, die de instemming van de SGWB heeft, waarin expliciet dient te worden benadrukt dat een lidmaatschap van beide verenigingen mogelijk is en waarin de NWB erkent onrechtmatig en onsportief te hebben gehandeld door op te roepen het lidmaatschap van de SGWB op te zeggen en onjuiste, althans onvolledige informatie te hebben verstrekt,
  • mededeling aan de SGWB-leden die de NWB hebben verzocht hun lidmaatschap van de SGWB op te zeggen, dat de NWB niet tot uitvoering daarvan over mag gaan,
  • betaling van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of deel daarvan dat de NWB niet voldoet aan de vorenbedoelde rectificatie en mededeling,
  • betaling van de proceskosten, waaronder de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan deze kosten zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag.
3.2.

De SGWB heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de NWB voor de verzending van de brief van 18 november 2014 onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de ledenbestanden van de SGWB, omdat die slechts tot haar beschikking staan om het magazine ‘NWB Wandelen’ te kunnen verspreiden en de leden van de SGWB van relevante informatie te kunnen voorzien, niet om hen te bewegen tot het opzeggen van hun lidmaatschap. Door de leden van de SGWB te bewegen tot het opzeggen van hun lidmaatschap heeft de NWB bovendien gehandeld in strijd met de tussen haar en de SGWB gemaakte afspraken, waaronder de afspraak om “niet in elkaars vijver te vissen”. Ook dat is onrechtmatig jegens de SGWB. De SGWB lijdt bovendien schade, omdat haar leden gehoor geven aan de oproep tot het opzeggen van hun lidmaatschap.
3.3.

De NWB heeft verweer gevoerd. Dat verweer komt erop neer dat het bestuur van de SGWB haar leden, ondanks herhaald verzoek daartoe door de NWB, onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van het besluit tot verzelfstandiging. Het laatste verzoek is op 9 november 2014 telefonisch geuit, aldus de NWB. De NWB heeft uiteengezet dat de leden van de SGWB, als lid van de NWB, na de fusie van rechtswege lid zullen zijn van de KWBN en dat zij derhalve contributie zullen moeten voldoen aan de KWBN. Daar staan dan alle voordelen van dit lidmaatschap (het magazine ‘Wandelen’, het LWP en de korting op wandeltochten en evenementen) tegenover. Maar de leden van de SGWB zullen na de verzelfstandiging van de SGWB ook aan de SGWB contributie moeten afdragen. Als zij niet overgaan tot opzegging van één van beide lidmaatschappen, zullen zij derhalve geconfronteerd worden met extra kosten. Nu betalen de leden van de SGWB namelijk slechts één jaarlijks contributiebedrag, dat door de SGWB en de NWB wordt verdeeld. Omdat de SGWB haar leden hierover – volgens de NWB ten onrechte – niet heeft geïnformeerd, heeft de NWB, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 van haar statuten, gemeend die noodzakelijke informatie zelf te moeten verstrekken aan de circa 850 SGWB-leden die geen lid zijn van een lokale wandelsportorganisatie en die dus geen informatie hebben ontvangen van een lokale wandelsportorganisatie. Alleen aan deze circa 850 leden van de SGWB heeft zij de brief van 18 november 2014 verzonden, aldus de NWB.
3.4.

De NWB heeft voorts aangevoerd dat zij ingevolge artikel 3 van haar huishoudelijk reglement over de NAW-gegevens van deze 850 aangeschreven leden beschikt en dat zij deze gegevens daarom niet onrechtmatig heeft gebruikt. Ook heeft zij niet in strijd gehandeld met de gestelde tussen partijen gemaakte afspraak om niet “in elkaars vijver te vissen”, omdat een dergelijke afspraak, die ook niet in de conceptnotulen is vermeld, volgens haar niet is gemaakt. Zo’n afspraak zou volgens de NWB ook onzinnig zijn geweest, aangezien de aangeschreven leden immers ook lid zijn van de NWB. Tot slot heeft de NWB aangevoerd dat eventuele schade van de SGWB niet kan worden toegerekend aan de NWB.
3.5.

De SGWB heeft in reactie op het verweer van de NWB naar voren gebracht dat zij haar leden wel degelijk, en bij herhaling, afdoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de fusie. Zo heeft zij haar leden in mei 2014 uitgenodigd voor een extra ledenvergadering, waar zij haar leden heeft laten weten dat zij na de verzelfstandiging het magazine ‘Wandelen’ en het LWP niet meer zouden ontvangen, en heeft zij hen laten weten dat de contributie in 2015 op het niveau van 2014 zal blijven. Ook in een extra vergadering op 4 november 2014 zijn de leden nog eens geïnformeerd, al heeft de focus toen gelegen op wat de SGWB haar leden na de verzelfstandiging zelf te bieden heeft. Hoewel de korting op LWP-activiteiten zal komen te vervallen, zullen de leden na de verzelfstandiging namelijk nog steeds wandelinformatie ontvangen, vergelijkbaar met het LWP, maar dan van de SGWB zelf. Dat heeft de SGWB hen op 4 november 2014 laten weten. Verder heeft zij haar leden bij die gelegenheid een presentatie gegeven over het strategisch plan. De opkomst op deze vergadering was beduidend hoger dan normaal, zeker 60 à 70 personen zijn hier naartoe gekomen. Desgevraagd heeft de SGWB gesteld niet te weten welke informatie de onder haar ressorterende lokale wandelsportorganisaties aan hun leden hebben verstrekt met betrekking tot de verzelfstandiging van de SGWB, maar dat is haars inziens niet van belang, aangezien zij deze leden zelf afdoende heeft geïnformeerd. De SGWB heeft erkend dat circa 850 van haar leden niet aangesloten zijn bij een lokale wandelsportorganisatie.
3.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het primair op de weg van de SGWB zelf, de zich afscheidende bond, gelegen om haar leden tijdig voor te lichten over de precieze gevolgen daarvan. De voorzieningenrechter overweegt dat de SGWB niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende informatie heeft gegeven. Gesteld noch aannemelijk is immers geworden dat de door SGWB verstrekte informatie meer leden heeft bereikt dan de 60 à 70 die aanwezig zijn geweest op de ingelaste extra ledenvergaderingen van 17 mei en 4 november 2014. Dat is minder dan 1% van het totale ledental van de SGWB. Nu de SGWB in dit verband bovendien ter zitting heeft medegedeeld niet te weten of (en zo ja, hoe) de lokale wandelsportorganisaties hun leden hebben geïnformeerd, acht de voorzieningenrechter het niet voldoende aannemelijk dat het merendeel van de leden van de SGWB voldoende is geïnformeerd over de gevolgen die de verzelfstandiging van de SGWB voor hen zal hebben. Het vermoeden van onvoldoende informatieverstrekking door de SGWB op dit punt wordt versterkt door de omstandigheid dat circa 500 van de 850 leden die de brief van 18 november 2014 hebben ontvangen, hebben gereageerd met opzegging van hun lidmaatschap van de SGWB. Gelet op de inhoud van die brief acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat deze leden zich tot dat moment niet hadden gerealiseerd dat SGWB-leden vanaf 2015 geen recht meer zullen hebben op de korting op de wandeltochten en evenementen van de NWB/KNBLO-NL (KNWB), terwijl die korting, naar de voorzieningenrechter begrijpt, toch een wezenlijk element is van het lidmaatschap van een wandelvereniging of -bond.
3.7.

Bij gebreke van voldoende tijdige voorlichting door de SGWB is het begrijpelijk dat de NWB heeft gemeend die informatie zelf te moeten verstrekken, in ieder geval aan die leden die niet kunnen zijn geïnformeerd door hun lokale wandelsportorganisatie. Dat geldt temeer nu de NWB onbetwist heeft aangevoerd dat artikel 3 van haar statuten daartoe noopt. Dat de NWB de bewuste brief heeft verzonden, kan haar dan ook niet worden tegengeworpen, zodat het gestelde onrechtmatig handelen niet kan worden aangenomen. Datzelfde geldt met betrekking tot het gebruik van de ledenbestanden van de SGWB. Ook dat kan de NWB niet worden tegengeworpen, nu voldoende aannemelijk is dat de leden van de SGWB ook gebonden zijn aan de statuten en reglementen van de NWB. Dat in de brief van 18 november 2014 niet is vermeld dat een lidmaatschap van zowel de SGWB als de fusiebond mogelijk is, terwijl partijen daarover wel overeenstemming hadden bereikt, maakt het voorgaande niet anders. Aldus moeten de vorderingen van SGWB worden afgewezen.
3.8.

4De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.

wijst de vorderingen af,
4.2.

Woonvereniging (verschillende notulen)

Rechtbank Gelderland 28 januari 2015

Uitspraak over een woonvereniging, die door de manier van anonimiseren helaas erg lastig te volgen is. In ieder geval lijken van een ALV verschillende (tegenstrijdige) versies van de notulen te zijn gemaakt (r.o. 4.13). Uitspraak van rechter mr. J.D.A. den Tonkelaar. 

Vonnis van 28 januari 2015
in de zaak van
1. de vereniging WOONVERENIGING [adres] ,
2. [eiser] – 5. [eiser] , eisers,

tegen
[gedaagde] [gedaagde]
en aanvankelijk ook tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid BOWI VASTGOED BV ,
en 2. [gedaagde] , gedaagden,

De huidige en voormalige partijen zullen hierna ook als Woonvereniging c.s. en BoWi c.s. aangeduid worden en worden overigens respectievelijk Woonvereniging, [eiser], [eiser], [eiser], [eiser], [gedaagde], BoWi en [gedaagde] genoemd.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • het tussenvonnis van 12 februari 2014
  • de conclusie van antwoord in reconventie
  • het proces-verbaal van comparitie van 14 mei 2014
  • de akte aanvulling grondslag eis tevens akte wijziging eis in conventie tevens akte overlegging producties van Woonvereniging c.s.
  • de antwoordakte n.a.v. eiswijziging en wijziging grondslag eis van [eiser]
  • de doorhaling van de zaak ten aanzien van BoWi en [gedaagde] op 17 december 2014.
1.2.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2De feiten

2.1.

Op 11 april 2008 heeft de algemene vergadering van Woonvereniging besloten tot aankoop van het pand [adres] (hierna: de onroerende zaak) voor € 595.500,00, financiering van de aankoop bij ING Bank N.V. (ING) en verlening van een recht van hypotheek aan ING tot € 1.000.000,00.
2.2.

De onroerende zaak was eerder door BoWi of nader te noemen meester voor € 530.000,00 gekocht. [gedaagde] is enig bestuurder van BoWi. BoWi handelt in onroerende zaken. [eiser] is bestuurder van MeWi B.V (MeWi), die onder meer belast wordt met het verbouwen van de onroerende zaak.
2.3.

Woonvereniging is blijkens de daarvan opgemaakte notariële akte op 21 april 2008 opgericht door [gedaagde] en [eiser]. Zij werden haar eerste bestuurders. Blijkens de verklaring van de oprichters in art. 3 van haar statuten hebben [gedaagde] en [eiser] de onroerende zaak gekocht ten behoeve van derden die daarin wensen te gaan wonen, en zijn zij ‘ter regeling van de onderlinge vermogensrechtelijke betrekkingen’ overeengekomen de onroerende zaak te doen overdragen aan een door hen op te richten vereniging, namelijk Woonvereniging.
2.4.

Het doel van Woonvereniging is blijkens art. 2 van haar statuten
  1. het verschaffen van passende woonruimte voor haar leden;
  2. het scheppen en verzorgen van passende financieringsmogelijkheden;
  3. het regelen van de financiële gevolgen van toetreding en van het einde van het lidmaatschap;
  4. het scheppen van een voor haar leden optimaal woonmilieu (…);
  5. het beheren van eventuele gemeenschappelijke zaken en/of ruimten ten behoeve van de leden.
Dit doel tracht zij blijkens hetzelfde artikel te bereiken door een woonhuis te stichten of te verwerven en dit ter beschikking van haar leden te stellen en het beheren van het door de leden gevormde fonds ter zake van onderhoud, verzekering e.d.

2.5.

De geldmiddelen van Woonvereniging worden blijkens art. 3 van de statuten onder meer verkregen uit inleggelden, contributie en geldleningen met derden en/of leden.
2.6.

Volgens art. 4 van de statuten houdt het ter beschikking stellen van woonruimte in beginsel automatisch in het toelaten als lid van degene die zich daarvoor aangemeld heeft en die onder meer ‘in staat is te voldoen aan de door de algemene vergadering vastgestelde voorwaarden, onder andere wat de financiële aspecten betreft’.
2.7.

Art. 5 van de statuten betreft het ledenregister waarin gegevens over de leden van Woonvereniging en voor zover van belang ook van haar gewezen leden, geregistreerd dienen te worden. Het artikel legt de bewijskracht van het register vast en bepaalt dat het bestuur het register bewaart en desgevraagd aan leden uittreksels ervan verschaft.
2.8.

Art. 7 van de statuten houdt onder meer in dat een lid voor de ter beschikking gestelde woonruimte een inleggeld betaalt ter grootte van de dan geldende waarde van deze woonruimte met het bijbehorende aandeel in de gemeenschappelijke ruimten, welke waarde door de algemene vergadering wordt vastgesteld en dat de leden ‘daar alle voordelen van het woningbezit van de vereniging aan de leden ten goede komen’, ‘ter dekking van de kosten, lasten, afschrijvingen en andere doeleinden (…)’ een periodieke bijdrage (contributie) moeten betalen die door de algemene vergadering wordt vastgesteld.
2.9.

Bij het einde van het lidmaatschap, vermeldt art. 8 van de statuten, blijft het gewezen lid aansprakelijk voor nog niet betaalde contributie en eventuele andere schulden aan de vereniging. Het gewezen lid heeft recht op uitkering van de op dat moment geldende waarde van zijn woonruimte. Deze wordt bepaald op de vrije verkoopwaarde die door de algemene vergadering bindend wordt vastgesteld aan de hand van een taxatie.
2.10.

Op 21 april 2008 is een recht van hypotheek gevestigd ten behoeve van ING voor alle schulden van Woonvereniging en haar leden voor een hoofdsom van € 1.000.000,00. Kredietnemer zijn volgens de hypotheekakte Woonvereniging ‘alsmede haar leden, zowel de huidige ([gedaagde] en [eiser], de rechtbank ) als de toekomstige, en wat deze leden betreft slechts voor zover zulks door de vereniging zal blijken te zijn geaccordeerd’.
2.11.

De oprichtingsakte van Woonvereniging, de leveringsakte betreffende de onroerende zaak en de onder 2.10 bedoelde hypotheekakte zijn alle gepasseerd voor notaris [naam]. Via hem zijn ook de lidmaatschapsrechten in Woonvereniging uitgegeven.
2.12.

[eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] kopen ieder een lidmaatschapsrecht.
2.13.

De vader van [eiser], L.H. [eiser], heeft de aankoop voor zijn dochter gefinancierd; daartoe is een recht van tweede hypotheek op de onroerende zaak gevestigd.
2.14.

De eerste van de onder 2.12 bedoelde aankopen, die door [eiser], geschiedt door middel van de aanvaarding van het lidmaatschap van Woonvereniging en het sluiten van een ‘overeenkomst van geldlening (uitstel van betaling)’ die zijn neergelegd in een op 23 september 2008 ondertekende akte. Wat de lening betreft staat daarin dat [eiser] verklaart schuldig te zijn aan Woonvereniging, namens wie [gedaagde] en [eiser] verklaren van [eiser] te vorderen te hebben een inleggeld van € 168.000,00. Het bedrag is opeisbaar op de dag van oplevering van [naam X]s woning.
2.15.

[eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] bewonen de eerste en tweede verdieping van de onroerende zaak, waarin in feite vier zelfstandige woningen zijn gevestigd waarop echter geen splitsing van de onroerende zaak is gevolgd. Blijkens de aktes zoals bedoeld onder 2.14 is splitsing wel voorzien en heeft het nieuwe lid van de splitsingsakte en de bijbehorende tekening kennis genomen.
2.16.

De begane grond van de onroerende zaak is in gebruik als kantoor bij vennootschappen waarvan [gedaagde] en [eiser] bestuurders zijn.
2.17.

In het voorjaar van 2011 wordt [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] te kennen gegeven dat ING stopt met de financiering van woonverenigingen, dat RaboBank de financiering wel wil overnemen, maar dat daartoe splitsing van de onroerende zaak nodig is, die zal inhouden dat de begane grond waar de kantoorruimtes zijn gevestigd, met inbegrip van de parkeerruimte, wordt afgesplitst van de bovengelegen verdiepingen.
2.18.

De vader van [eiser], houder van een tweede hypotheek op de gehele onroerende zaak, verzet zich tegen de voorgenomen splitsing, onder meer omdat deze met name zou zijn ingegeven door het belang van BoWi, eigenares van de begane grond.
2.19.

Notaris van [naam] bereidt de splitsing voor, die voorziet in een deel van de onroerende zaak met uitsluitend gebruik van de benedenwoning/kantoor met tuin, parkeerplaats en binnenplaats en kelder (161/400) en een deel met het uitsluitend gebruik van de entree op de begane grond met de daarop aansluitende bovenwoning op de eerste en tweede verdieping en de fietsenkelder (239/400). De splitsing gaat echter niet door. ING blijft financier.
2.20.

[eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] laten een accountant onderzoek doen naar de bedrijfsvoering bij Woonvereniging. Uit het onderzoek blijkt onder meer dat er geen ledenregister en geen administratie worden bijgehouden. Het bestuur weigert aanvankelijk informatie te geven over de verbouwing van de onroerende zaak. In 2012 wordt aan de advocaat van Woonvereniging c.s. onder overlegging van facturen en dergelijke meegedeeld dat de verbouwing in opdracht van BoWi door MeWi is uitgevoerd voor € 188.789,00.
2.21.

Er duiken andere dan de aanvankelijk bekende notulen op van de algemene vergadering van 11 april 2008, hierboven onder 2.1 bedoeld, waarin Bowi en Studentenkamer B.V. (hierna: Studentenkamer) als ‘nieuwe eerste leden’ vermeld staan en Woonvereniging instemt met hun toetreding. In de eerder bekende versie van de notulen viel te lezen dat de vergadering werd gevormd door voorzitter [gedaagde] en secretaris [eiser].
2.22.

Op 12 december 2011 wordt een algemene vergadering van Woonvereniging gehouden. [gedaagde], [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] zijn daar aanwezig, [eiser] niet. [eiser], [eiser] en [eiser] worden er gekozen als nieuwe bestuursleden, die op 13 december 2011 in functie treden. Het oude bestuur – volgens deze notulen gevormd door BoWi – wordt zonder dat decharge wordt verleend, ontslagen per 12 december 2011. Tevens wordt het lidmaatschap van BoWi opgezegd.
2.23.

De Kamer voor het Notariaat in het Ressort Arnhem-Leeuwarden verklaart in haar beslissing van 11 september 2014 de klacht gegrond die is ingediend tegen notaris [naam notaris] door [eiser] en haar vader en inhoudt dat van de vergadering van de vereniging van 11 april 2008 twee versies bestaan (zie onder 2.21 hierboven) die beide zijn gesteld op aktepapier van de notaris en dat met de tweede versie is getracht onder meer [eiser] en haar vader te misleiden voor wat betreft de vraag wie de oprichters/leden van Woonvereniging waren.

3Het geschil

3.1.

Woonvereniging c.s. vordert na wijziging van de eis, samengevat:
  1. een verklaring voor recht dat de handelwijze van [gedaagde] en [eiser] in hun hoedanigheid van (oud-)bestuurder van Woonvereniging jegens Woonvereniging onrechtmatig is geweest, dat hen een persoonlijk en ernstig verwijt treft en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door Woonvereniging c.s. dientengevolge geleden en te lijden schade,
  2. een verklaring voor recht dat de handelwijze van [gedaagde] en [eiser] jegens [eiser], [eiser], [eiser], [eiser] onrechtmatig is geweest en dat zij hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] dientengevolge geleden en te lijden schade,
  3. hoofdelijke veroordeling van BoWi c.s. tot vergoeding van alle schade die Woonvereniging c.s. door het onrechtmatig handelen van BoWi c.s. heeft geleden, lijdt en nog zal lijden, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
  4. hoofdelijke veroordeling van BoWi c.s. tot betaling van € 57.500,00 bij wijze van voorschot in verband met het onder a bedoelde,
  5. hoofdelijke veroordeling van BoWi c.s. tot betaling van € 98.750,00 bij wijze van voorschot in verband met het onder b bedoelde,
  6. een verklaring voor recht dat BoWi geen vordering heeft op Woonvereniging en/of haar leden betreffende een uitbetaling van de waarde van haar gepretendeerde lidmaatschapsrecht, althans dat Woonvereniging een beroep toekomt op verrekening van deze gestelde vordering met de door BoWi aan Woonvereniging onbetaald gelaten inleggelden ad € 320.000,00,
  7. een verklaring voor recht dat [gedaagde] en [eiser] jegens [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser]onrechtmatig hebben gehandeld door hen onjuiste mededelingen te doen en/of mededelingen achterwege te laten waardoor eisers van een onjuiste voorstelling van zaken zijn uitgegaan bij het aangaan van de toetredingsovereenkomsten met de Woonvereniging terwijl gedaagden wisten of hadden moeten begrijpen dat vanwege de onjuiste en/of achterwege gelaten mededelingen eisers hebben gedwaald en zij op basis van een juiste voorstelling van zaken niet, dan wel onder andere voorwaarden, tot de vereniging waren toegetreden, en [gedaagde] en [eiser] wisten dat Woonvereniging geen verhaal bood voor de door [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser]dientengevolge geleden schade,
  8. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde] en [eiser] tot vergoeding van de door [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser]geleden schade vanwege het onrechtmatig handelen van [gedaagde] en [eiser] als bedoeld onder g. hierboven, waaronder begrepen de redelijke kosten ter vaststelling van het onrechtmatig handelen als opgenomen in de kostenstaat van mr[naam] en voor het overige nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,
  9. vermeerderd met de kosten, waaronder beslag- en nakosten.
3.2.

[gedaagde] en [eiser], stelt Woonvereniging c.s., hebben in strijd met art. 2:9 Burgerlijk Wetboek (BW) gehandeld. ‘De jonge leden’ van Woonvereniging zijn door BoWi c.s. misleid. BoWi c.s. hebben verweer gevoerd, [eiser] heeft zijn verweer gehandhaafd. Op de stellingen van partijen zal de rechtbank hierna, voor zover van belang, nader ingaan.

4De beoordeling

in conventie
De wijziging van de eis bij akte van 22 oktober 2014

4.1.

[eiser] voert aan dat de eiswijziging in een te laat stadium van de procedure is gekomen. Eiswijziging is tot aan het eindvonnis mogelijk en het door [eiser] gemaakte bezwaar wordt ongegrond verklaard, omdat die wijziging niet in strijd is met de eisen van een goede procesorde.
Het doorhalen van de zaak tegen BoWi en [gedaagde]

4.2.

De doorhaling van de zaak voor zover gevoerd met BoWi en [gedaagde] leidt – buiten de doorhaling van de gehele zaak in reconventie – ertoe dat de onder 3.1 onder f bedoelde vordering geen behandeling behoeft.
De comparitie van partijen

4.3.

Ter comparitie is namens Woonvereniging c.s. aangevoerd dat veel zaken niet in orde waren, waarbij met name is gewezen op het ontbreken van administratie door het bestuur, het ontbreken van ledenregistratie, onduidelijkheid over de opzegging van de hypotheek door ING, de ‘afgedwongen’ splitsing en de vervalste notulen, waaraan is toegevoegd dat [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser], leken op dit gebied, door het gebruik van het woord appartementsrecht op het verkeerde been zijn gezet.
4.4.

Van de kant van [eiser] is daartegen onder meer aangevoerd dat er sprake is geweest van wat foutjes, maar dat alles transparant geweest is. Dit is een onderschatting van wat er gebeurd is. Vast staat dat er gesproken is van een appartementsrecht terwijl daarvan geen sprake was, dat geen administratie is gevoerd, dat er geen ledenregistratie plaatsgevonden heeft en dat notulen twee maal zijn opgemaakt. Dit gaat om ernstiger feiten dan een reeks slordigheidsfoutjes – van transparantie kan al helemaal niet worden gesproken – en het betreft kwesties waarvoor de oprichters en het bestuur van Woonvereniging verantwoordelijk zijn. De verontwaardiging van eisers is alleen al gelet op de hier bedoelde fouten begrijpelijk. De vraag waarom het hier gaat echter, is of er sprake is geweest van handelingen die één of meer van hen schade hebben berokkend.
Aanpak van de zaak

4.5.

De wijziging van eis gevolgd door doorhaling van de zaak voor zover gevoerd tegen BoWi en [gedaagde] maakt in ieder geval noodzakelijk dat voordat een eindvonnis gewezen kan worden, duidelijk is wat tegenover [eiser] nog wordt gevorderd en eventueel wat het effect van een mogelijk met BoWi en/of [gedaagde] bereikte schikking is op de gevorderde bedragen. Woonvereniging c.s. zal een en ander moeten toelichten. In het navolgende zal de rechtbank de stellingen van Woonvereniging c.s. en de weren van [eiser] behandelen voor zover dat thans mogelijk is.
Gelijkwaardige (risico)verdeling bij de uitgifte van lidmaatschapsrechten

4.6.

Allereerst gaat de rechtbank in op de volgende redenering van Woonvereniging c.s. (akte aanvulling grondslag eis enz. onder 8), die een aantal onderdelen van haar vordering raakt.
Gebleken is dat de notaris bij de uitbetaling van de inleggelden tussen beide vennootschappen (BoWi en Studentenkamer, de rechtbank ) geen onderscheid heeft gemaakt. Alle gelden werden gestort op de hen toebehorende (…) rekening (…). Aldus financieren deze vennootschappen gezamenlijk een pand, verwerven zij tegen de koopsom van het pand 6 lidmaatschapsrechten, laten zij het pand verbouwen door een eigen vennootschap, en verkopen zij 4 lidmaatschapsrechten (waarmee de aankoopsom van het pand geheel is terugbetaald), en behouden zij de 2 overige lidmaatschapsrechten. In feite verkrijgen zij daarmee deze lidmaatschapsrechten (…) voor de kostprijs van de verbouwing zoals gerealiseerd in de daarvoor aangewezen eigen vennootschap Mewi Bouw B.V. Daarmee vindt geen gelijkwaardige (risico)verdeling plaats bij de uitgifte van de lidmaatschapsrechten. Immers de vier toetredende nieuwe leden dragen een veel groter risico voor waardeverlies van deze lidmaatschapsrechten dan de (veel eerder) ingestapte vennootschappen Bowi Vastgoed B.V. en De Studentenkamer B.V.

4.7.

Hoewel leden van een vereniging gelijkwaardig zijn, impliceert dit op zichzelf niet dat tussen leden van een woonvereniging als de onderhavige sprake moet zijn van wat Woonvereniging c.s. gelijkwaardige (risico)verdeling bij de uitgifte van lidmaatschapsrechten noemt.
4.8.

In de zojuist geciteerde passage verliest Woonvereniging c.s. niet alleen uit het oog dat lidmaatschap niet gelijkwaardige risicoverdeling hoeft mee te brengen, maar ook verwart zij rollen waarin onder meer BoWi en Studentenkamer zijn opgetreden en gaat zij voorbij aan het gegeven dat winst niet alleen gemaakt kan en mag worden, maar in het algemeen ook door ondernemers wordt beoogd zonder dat dit verwijtbaar of onrechtmatig behoeft te zijn.
4.9.

Dat BoWi en Studentenkamer over een gezamenlijke en/of rekening beschikten en gezamenlijk de onroerende zaak hebben gefinancierd, zoals Woonvereniging c.s. stelt, is niet relevant voor de beoordeling van deze zaak. Dat zij tegen de koopsom van het pand zes lidmaatschapsrechten hebben verworven, is het gevolg van het feit dat Woonvereniging opgericht werd en dat lidmaatschapsrechten moesten worden toegekend. De aansluiting bij de koopprijs was op dat moment logisch, al omdat er geen sprake was van een koper en een verkoper met tegengestelde belangen, en zegt op zichzelf niets over de latere, door vraag en aanbod op de woningmarkt tot stand gekomen, koopprijzen voor lidmaatschapsrechten. Het is BoWi noch Studentenkamer, [gedaagde] noch [eiser] verboden winst te maken.
4.10.

Wie door een ‘eigen vennootschap’ kan laten verbouwen, mag dat doen en als vervolgens de prijs van de te verkopen lidmaatschapsrechten, tot stand gekomen op de woningmarkt op de onder 4.9 bedoelde wijze, betekent dat vier lidmaatschapsrechten zijn verkocht voor een totaal dat de aankoopsom van het pand dekt, wordt er winst gemaakt. Dit is op zichzelf niet onrechtmatig. Dat BoWi en Studentenkamer behalve ondernemers en opdrachtgever(s) voor de verbouwing ook leden van Woonvereniging zijn, betekent niet dat zij de winst op de investering moeten delen met andere leden. Het gaat hier niet om de voordelen uit het woningbezit zoals bedoeld in art. 7 van de statuten, maar om ondernemerswinst.
4.11.

Hetzelfde geldt voor het gegeven dat BoWi en Studentenkamer, zoals Woonvereniging c.s. stelt, de twee door/voor hen behouden lidmaatschapsrechten hebben verkregen voor de kostprijs van de verbouwing die door MeWi is uitgevoerd. Het resultaat is dat zij hun lidmaatschapsrechten goedkoper, zelfs aanzienlijk goedkoper hebben verworven dan [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser]. Van verwijtbare ongelijkwaardige risicoverdeling kan daarbij wel sprake zijn, maar niet louter omdat BoWi en Studentenkamer goedkoper konden kopen door hen persoonlijk betreffende omstandigheden. Dit is immers op zichzelf niet ontoelaatbaar. Voorts bestaat er geen regel die voorschrijft dat slechts verkocht mag worden tegen een realistische of zelfs redelijke prijs – de iustum pretiumleer geldt niet –, maar onder bijzondere omstandigheden kan een andere prijs ontoelaatbaar zijn, bijvoorbeeld doordat sprake is van een wilsgebrek en/of onrechtmatig handelen van de zijde van verkoper.
Enkele andere onderwerpen

4.12.

Woonvereniging c.s. stelt dat een poging is ondernomen om tot een niet noodzakelijke splitsing van de onroerende zaak te komen. Veel schade is voorkomen, stellen zij, door het ingrijpen van vader [eiser]. Dit mag zo zijn – het staat vooralsnog niet vast –, maar juist omdat schade is voorkomen lijkt hier geen sprake te zijn van onrechtmatig handelen van [eiser] dat schade meegebracht heeft voor een of meer van eisers. Op dit onderdeel zal Woonvereniging c.s. haar vordering nader dienen toe te lichten.
4.13.

Vast staat dat er twee maal notulen met verschillende inhoud van dezelfde vergadering zijn opgemaakt. Dat door BoWi c.s. gebruik gemaakt is van deze stukken, staat eveneens vast. Dit is onrechtmatig omdat van een vergadering slechts één verslag behoort te worden opgemaakt, zeker wanneer hierbij een notaris is ingeschakeld, wat immers gebeurt met het oog op de rechtszekerheid, hetgeen BoWi c.s. duidelijk was althans duidelijk behoorde te zijn. Hieruit volgt dat BoWi c.s. ook begrepen behoort te hebben dat niet van dubbel, dus gedeeltelijk valselijk, opgemaakte notulen gebruik mag worden gemaakt.
4.14.

De vraag of dit onrechtmatig is geweest jegens Woonvereniging c.s. dient bevestigend te worden beantwoord voor zover hierdoor voor haar hetzij een onjuist hetzij een verwarrend beeld is geschapen van de situatie waarin [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] lid werden van Woonvereniging. Waren zij de eerste leden, volgden zij BoWi op, volgden zij BoWi en Studentenkamer B.V. op of waren er nog eerdere leden? De onrechtmatigheid loopt hier samen met het tekortschieten als bestuurder danwel onrechtmatig handelen – namelijk handelen in strijd met de statuten – jegens Woonvereniging, [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] door geen ledenregister bij te houden.
4.15.

Ten aanzien van het onrechtmatig handelen bestaande in het hanteren van misleidende notulen en het handelen in strijd met de statuten door geen ledenregistratie bij te houden, dient Woonvereniging c.s. aan te geven welke schade dit haar heeft berokkend en of en in hoeverre deze kan worden toegerekend aan [eiser].
4.16.

Woonvereniging c.s. stelt dat in strijd met haar statuten is gehandeld doordat [gedaagde] en [eiser] zelf om niet woonruimte hebben gebruikt, waardoor Woonvereniging een gebruikersvergoeding althans de koopsommen van lidmaatschapsrechten betreffende de begane grond van de onroerende zaak misliep. Voordat de rechtbank hier op in gaat stelt zij Woonvereniging c.s. in de gelegenheid nader bij akte dit onderdeel van de vordering te concretiseren rekening houdend met het gegeven dat [eiser] thans haar enige wederpartij is.
4.17.

Hetzelfde geldt voor het verwijt dat [gedaagde] en [eiser] zich schuldig hebben gemaakt aan belangenverstrengeling en zich persoonlijk hebben verrijkt door koopsommen van lidmaatschapsrechten naar zichzelf te laten overmaken. Woonvereniging dient voorts aan te geven wanneer en in welke functie [eiser] in strijd heeft gehandeld met de regels die gelden ten aanzien van tegenstrijdige belangen bij verenigingen. Woonvereniging c.s. dient aan te geven waarin de onrechtmatige of ongerechtvaardigde – dit lijkt enigszins door elkaar te lopen – verrijking van [eiser] bestond, wie daardoor schade heeft geleden en hoe groot deze schade is.
4.18.

Woonvereniging c.s. verwijt [gedaagde] en [eiser] bij de aankoop door [eiser], [eiser], [eiser] en [eiser] geen melding te hebben gemaakt van het al in september 2008 bekende besluit van ING te stoppen met de financiering van woonverenigingen. De reden hiervan, die onder meer is neergelegd in brieven van ING d.d. 15 oktober 2008, verwijzend naar een gesprek op 19 september 2008, en 21 juli 2009, is dat het woonconcept waarvan sprake is mede door de zeer geringe aantallen waarin er gebruik van is gemaakt, niet past in het hypotheeksysteem van ING. Hierbij geeft ING aan dat zij zich uiteraard voor de reeds gefinancierde constructies verantwoordelijk blijft achten. Dit laatste wordt in de onderhavige zaak bevestigd door de onder 2.19 bedoelde feiten. Op voorhand kan niet uitgesloten worden dat de wijziging in beleid van ING invloed op de waarde van de lidmaatschapsrechten in een woonvereniging heeft en in dat geval zou verzwijging hiervan bij de verkoop van een lidmaatschapsrecht verwijtbaar kunnen zijn en tot schadeplichtigheid kunnen leiden.
4.19.

De stelling van Woonvereniging c.s. dat hier sprake is van een schoolvoorbeeld van een geval waarvoor de Beklamelnorm geldt, onderschrijft de rechtbank niet. Er kan sprake zijn van aansprakelijkheid van de verkoper en ook diens bestuurder als duidelijk was of behoorde te zijn dat de beleidswijziging bij ING de waarde van het lidmaatschapsrecht zodanig beïnvloedde dat daarvan bij een concrete verkoop melding gemaakt diende te worden, wat overigens geen Beklamelmaterie is. Woonvereniging zal de gelegenheid krijgen aan de hand van dit criterium haar stellingen op dit onderdeel nader te onderbouwen, met inachtneming van het gegeven dat thans uitsluitend tegen [eiser] wordt geprocedeerd.
4.20.

Het voorgaande betekent dat de zaak op de rol geplaatst moet worden om Woonvereniging c.s. in de gelegenheid te stellen om met inachtneming van de in dit vonnis genomen beslissingen in te gaan op de onder 4.5, 4.12, 4.15, 4.16, 4.17 en 4.19 bedoelde onderwerpen. [eiser] kan daarop reageren bij akte. De maximale omvang van de aktes zal gelet op het feit dat het gaat om de aanscherping van betogen waarover al veel geschreven is, tien pagina’s A-4 mogen zijn.

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 11 februari 2015 voor het nemen van een akte door Woonvereniging c.s. over hetgeen is vermeld onder 4.20, waarna [eiser] op de rol van twee weken daarna een antwoordakte kan nemen,
5.2.

houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.D.A. den Tonkelaar en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2015.