Kerkelijke rechtspersoon of stichting?

Rb. Amsterdam 18  juli 2018
ECLI:NL:RBAMS:2018:4933

Bij wijze van uitzondering, geen uitspraak over een vereniging, maar een verwijzing naar een uitspraak over een stichting. De stichting zou volgens het Bisdom van de R.K. Kerk een kerkelijke rechtspersoon zou zijn, meer in het bijzonder een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap in de zin van artikel 2:2 BW. De rechtbank wijdt uitgebreide overwegingen aan deze vraag, en oordeelt dat de stichting dat  niet is, ondanks dat de statuten dat met zoveel woorden bepalen (de statuten hebben namelijk ook een considerans, die dat tegenspreekt). 


De zaak gaat echter eigenlijk om het besluit van de Bisschop om nieuwe bestuurders te benoemen. De Bisschop constateert namelijk dat hij volgens de statuten de benoeming van bestuurders moet bekrachtigen, en dat hij dit voor alle huidige bestuurders niet heeft gedaan (en ook niet geweigerd, er werd simpelweg al jaren  niet om bekrachtiging gevraagd). Daarom zijn er geen geldig benoemde bestuursleden, volgens de Bisschop, en maakt hij van zijn in de statuten toegekende recht gebruikt, om bij ontstentenis van bestuursleden, een nieuw bestuur aan te stellen. De rechtbank volgt dit betoog niet. De Bisschop heeft namelijk zijn recht op bekrachtiging verwerkt, door er geen gebruik van te maken. Volgens mij wordt het leerstuk van rechtsverwerking slechts bij hoge uitzondering toegepast in het Nederlands recht. De vervaltermijn van 1 jaar voor een beroep op vernietigbaarheid van besluiten (artikel 2:15 lid 5 jo. lid 1 sub a BW) lijkt mij eenvoudiger (addendum 18.08.2018: artikel 2:15 is van toepassing, omdat reeds besloten was dat de Stichting geen onderdeel was van een kerkgenootschap)
Omdat de benoeming van de zittende bestuursleden dus niet ongeldig was, was het niet zo dat er geen bestuursleden meer in functie waren, en had de Bisschop de nieuwe bestuursleden dus niet mogen benoemen. Daarmee zijn de concrete vorderingen afgedaan. 


Het belang van de voorvraag, of de Stichting een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap  is, lijkt overigens te zijn dat dergelijke ‘zelfstandige onderdelen’ worden geregeerd door hun eigen statuut (artikel 2:2 lid 2, eerste zin BW). Onder ‘statuut’  moet worden begrepen “het geheel van regels dat het kerkgenootschap zichzelf geeft voor de normering van verhoudingen die het kerkgenootschap, volgens het civiele recht, autonoom kan regelen”, volgens de rechtbank, waaronder in dit geval de statuten van de Stichting alsmede het Kerkelijk Wetboek (Codex Iuris
A
ddendum 18.08.2018: Omdat de Stichting geen onderdeel is van een kerkgenootschap, kan de rechtbank in rov. 4.27 constateren dat aan het vereiste van nietigheid onder artikel 2:14 BW niet voldaan is; indien de Stichting wel een onderdeel was van een kerkgenootschap, dan had niet artikel 2:14 BW bepaalt of de eerdere benoemingen ongeldig waren, maar (in beginsel) kerkelijk recht. 


De rechtbank overweegt vervolgens (in rov. 4.27), dat bij de beoordeling van de (on)geldigheid van de benoemingen zonder bekrachtiging door de Bisschop, dat hetgeen in de kerkelijke procedure is bepaald niet bindend is voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de benoemingen. Nu niet kan worden vastgesteld dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is, is evenmin komen vast te staan dat partijen zich hebben geconformeerd aan de kerkelijke rechtsgang.” 
Vermoedelijk wordt in die tweede zin bedoeld dat de Stichting (het Maagdenhuis) niet gebonden is aan de kerkelijke rechtsgang, omdat het Bisdom zich niet kan beroepen op artikel 2:2 lid 2, eerste zin, omdat niet is komen vast te staan dat de Stichting een (onzelfstandig) onderdeel van de R.K. Kerk als kerkgenootschap is (en het Bisdom de bewijslast daarvoor heeft). Indien de rechtbank ‘geconformeerd hebben’  gebruikt in de zin van ‘ingestemd hebben’ met de kerkelijke rechtsgang (dus een vorm van arbitrage), dan is het al dan niet zijn van zelfstandig onderdeel natuurlijk niet relevant voor het (niet) feitelijk ingestemd hebben met die rechtsgang. M.a.w., zelfs als het Maagdenhuis een gewone Stichting is, dan kan het alsnog zo zijn dat het (feitelijk) ingestemd heeft met de kerkelijke rechtsgang, en daaraan op die grond (instemming) gebonden is. 


De feiten
 2.1 (De rechtsvoorganger van) het Maagdenhuis is in 1570 door twee katholieke vrouwen opgericht als weeshuis voor Rooms Katholieke weesmeisjes in Amsterdam. […]
2.2.
In 1910 heeft het Maagdenhuis een (eerste) huishoudelijk reglement opgesteld. In 1932 is dit reglement herzien. In 1959 zijn de statuten van het Maagdenhuis voor het eerst op schrift gesteld. De statuten zijn nadien gewijzigd in 1962 en 1970. De laatste statutenwijziging vond plaats in 1983. Voorafgaand aan deze laatste statutenwijziging zijn er meerdere overleggen geweest tussen het Maagdenhuis, het Bisdom en de bisschop. 
2.9. De bisschop heeft bij decreet van 10 juli 2013 nieuwe bestuurders (hierna: de nieuwe bestuurders) benoemd. Het decreet luidt, voor zover relevant, als volgt:
Overwegende
·         dat Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis een publiekrechtelijke kerkelijke rechtspersoon is, […]
·         – dat op grond van art. 2:2 van het Burgerlijk Wetboek Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis tevens een zelfstandig onderdeel van het R.K. kerkgenootschap is;
[…]
krachtens de mij in art. 3 lid 8 van de Statuten toegekende bevoegdheid met onmiddellijke ingang tot bestuurders van de Stichting Het Roomsch Catholijk Maagdenhuis te benoemen:Op 22 juni 2017 is gedaagde [gedaagde sub 3] als bestuurder afgetreden.
3Het geschil
in conventie
3.1. Het  Bisdom vordert bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad en na vermindering van eis:
a.     voor recht te verklaren dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is van het R.K. kerkgenootschap;
b.    voor recht te verklaren dat geen van de gedaagden 2 en 4 t/m 7 het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig heeft verkregen;
c.     voor recht te verklaren dat de nieuwe bestuurders het ambt van bestuurder van het Maagdenhuis rechtsgeldig hebben verkregen;
d.    […]
4.5.Het Bisdom verwijst ter onderbouwing van zijn stelling dat sprake is van een zelfstandig onderdeel in de eerste plaats naar de tekst van artikel 1 lid 3 van de statuten,

4.7 De rechtbank stelt voorop dat ingevolge artikel 2:2 lid 1 BW als rechtspersoon ook worden aangemerkt de zelfstandige onderdelen van kerkgenootschappen. Of een bepaald onderdeel van een kerkgenootschap als een zelfstandig onderdeel in de zin van het artikel beschouwd moet worden staat ter beoordeling van de burgerlijke rechter (zie bijvoorbeeld Hoge Raad 13 mei 1938, NJ 1939, 247 en ook MvA II, 11005, 11416, nr. 7 p. 3). De rechtbank is dan ook niet gebonden aan hetgeen in de gevoerde kerkelijke procedures is bepaald over het rechtskarakter van het Maagdenhuis. De criteria op basis waarvan moet worden beoordeeld of sprake is van een zelfstandig onderdeel van een kerkgenootschap zijn kerkrechtelijk (MvA II, 17725, nr. 7, p. 11). Die criteria vloeien voort uit het statuut en eventueel de reglementen van het individuele kerkgenootschap.

4.8.
Onder het statuut moet worden begrepen het geheel van regels dat het kerkgenootschap zichzelf geeft voor de normering van verhoudingen die het kerkgenootschap, volgens het civiele recht, autonoom kan regelen. Het kerkelijk recht bepaalt de inhoud van die regels. In het geval van het Maagdenhuis behoren in ieder geval de statuten tot het statuut. Artikel 1, derde lid van de statuten bevat een verwijzing naar de Codex Iuris Canonici (CIC) en het Reglement voor het Rooms Katholieke Kerkgenootschap in Nederland. Voorts golden ten tijde van de statutenwijziging de Algemene Bepalingen 1978. Deze zijn in 1994 herzien en in 1995 opnieuw vastgesteld onder de naam Algemene Bepalingen voor kerkelijke rechtspersonen en katholieke burgerlijke rechtspersonen in de R.-K. Kerkprovincie in Nederland (Algemene Bepalingen 1995). Naar het oordeel van de rechtbank dient gelet op het voorgaande onder ‘het statuut’ te worden begrepen de statuten alsmede de hier genoemde kerkelijke regels. De rechtbank zal vervolgens aan de hand van het statuut beoordelen of sprake is van een zelfstandig onderdeel als bedoeld in artikel 2:2 BW.
4.14.
Voorgaande overwegingen brengen de rechtbank tot de conclusie dat uit het statuut niet eenduidig volgt of het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van de R.K. Kerk is. De rechtbank zal daarom de overige relevante omstandigheden van het geval betrekken bij de beoordeling of sprake is van een zelfstandig onderdeel.
De considerans
4.20.

In de considerans die onderdeel uitmaakt van de statuten wordt de zelfstandigheid van het Maagdenhuis ten opzichte van de bisschop benadrukt. Met zoveel woorden staat daar dat de bevoegdheden die voor de bisschop voortvloeiden uit de reglementen en statuten vanaf 1910 op papier ruimer waren dan bedoeld was en bovendien nooit in praktijk zijn gebracht. Die zelfstandigheid blijkt onder meer uit de omstandigheid dat coöptatie als systeem voor het benoemen van bestuursleden ononderbroken heeft gegolden en uit de volledige zelfstandigheid waarmee het bestuur zijn taak, waaronder het beheer van en beschikking over het vermogen en besteden van inkomsten, heeft uitgeoefend. Verder geeft de considerans er blijk van dat de formele bevoegdheid van de bisschop er niet was tot aantasting van de zelfstandigheid van het Maagdenhuis maar het karakter had van een dienst.
4.21.

Naar het oordeel van de rechtbank komt aan de considerans en aan de notities en verslagen die weergeven wat partijen hebben besproken voorafgaand aan de totstandkoming van de statuten een zwaarwegend gewicht toe. 
4.22 […] Dit alles overziend brengt de rechtbank tot de conclusie dat niet kan worden vastgesteld dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel van de R.K. Kerk is in de zin van artikel 2:2 BW.
4.24.

Conclusie van het voorgaande is dat de onder a) gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen. Nu de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld – namelijk het toewijzen van de vordering in conventie onder a) niet is vervuld, komt de rechtbank aan de behandeling van die vordering niet toe.
De benoemingen van bestuurders
4.25.

Ten aanzien van de gevorderde verklaring voor recht onder b) overweegt de rechtbank als volgt. Het Bisdom stelt dat het Maagdenhuis de benoemingen van de bestuursleden niet ter bekrachtiging aan de bisschop heeft voorgelegd, terwijl dat wel vereist was op grond van artikel 3 lid 4 van de statuten. Omdat de bekrachtiging overeenkomstig canon 146 van de CIC 1983 conditio sine qua non is voor de verkrijging van het bestuursambt, hebben de bestuurders het bestuurderschap niet verkregen. 

4.26.
Het Maagdenhuis c.s. wijst er in de eerste plaats op dat het bestuur van het Maagdenhuis sinds de eerste regenten in de 16e eeuw tot op heden altijd in zelfstandigheid op grond van coöptatie in zijn eigen opvolging heeft voorzien, hetgeen wordt bevestigd in de considerans. Na de statutenwijziging van 1983 zijn de nieuwe bestuurdersbenoemingen niet meer expliciet door de bisschop bekrachtigd, hetgeen overeenkomt met de afspraken in de considerans. Volgens het Maagdenhuis c.s. heeft de bisschop middels goedkeuring van de considerans afstand gedaan van zijn recht tot bekrachtiging, althans heeft hij zijn recht verwerkt.
4.27.
De rechtbank stelt voorop dat hetgeen in de kerkelijke procedure is bepaald niet bindend is voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van de benoemingen. Nu niet kan worden vastgesteld dat het Maagdenhuis een zelfstandig onderdeel is, is evenmin komen vast te staan dat partijen zich hebben geconformeerd aan de kerkelijke rechtsgang. Het Maagdenhuis heeft de bevoegdheid van de kerkelijke instanties ook steeds betwist. Voorts geldt dat de benoemingen van de bestuurders, anders dan het Bisdom stelt, niet nietig zijn vanwege het ontbreken van bekrachtiging. Op grond van artikel 2:14 lid 2 BW is (slechts) nietig een besluit dat ondanks het ontbreken van een door de wet of statuten vereiste voorafgaande handeling van een ander is genomen. Het gaat hier evenwel om een bekrachtiging achteraf, hetgeen de geldigheid van het besluit niet aantast.
4.28.
Naar het oordeel van de rechtbank is sprake van omstandigheden op grond waarvan het Maagdenhuis c.s. er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de bisschop zich niet op het statutaire bekrachtigingsrecht zou beroepen. In dat verband is van belang dat het bestuur van het Maagdenhuis van oudsher in zelfstandigheid op grond van coöptatie in zijn eigen opvolging heeft voorzien. Uit de notitie van [naam 1] en de considerans volgt dat de bisschop weliswaar formeel bevoegdheden had tot benoeming of bekrachtiging, maar dat daarvan, met uitzondering van de bekrachtiging van een drietal benoemingen in de jaren 1970, 1971 en 1973, nooit gebruik is gemaakt. Ook na de statutenwijziging van 1983 zijn benoemingen van nieuwe bestuursleden door de bisschop niet bekrachtigd. Niet gebleken is dat de bisschop gedurende de lange geschiedenis van het Maagdenhuis op enig moment nadrukkelijk heeft gestaan op bekrachtiging van bestuurdersbenoemingen. Ook de huidige bisschop heeft daar na zijn benoeming in 2001 aanvankelijk niet op gestaan, hoewel deze op de hoogte was van nieuwe benoemingen middels de door het Maagdenhuis toegestuurde jaarverslagen en brieven waarin de bestuursleden waren vermeld. Het is gelet op die omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat de bisschop zich thans op het standpunt stelt dat de bestuurdersbenoemingen niet rechtsgeldig zijn wegens het ontbreken van bekrachtiging. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bisschop het recht heeft verwerkt zich op het ontbreken van een bekrachtiging te beroepen.
4.31.
Ten aanzien van de vordering onder c) overweegt de rechtbank als volgt. De bisschop heeft de benoeming van de nieuwe bestuurders gebaseerd op artikel 3 achtste lid van de statuten. Dit artikel kent aan de bisschop het recht toe een nieuw bestuur aan te stellen indien geen enkel bestuurslid meer in functie mocht zijn. Nu, zoals uit het voorgaande volgt, de bestuurders rechtsgeldig zijn benoemd doet deze situatie zich niet voor. Dat betekent dat de bisschop niet het recht toekwam nieuwe bestuurders te benoemen. De gevraagde verklaring voor recht onder c) wordt afgewezen.



Recht op zitting bij interne tuchtrechter

In deze zaak heeft de tuchtrechter van de KNVB een sanctie opgelegd aan een speler vanwege betrokkenheid bij een vechtpartij na een wedstrijd.  De speler had beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep (CvB, ook een orgaan van de KNVB). Die wees het beroep af en liet de sanctie in stand, zonder de speler zelf te horen.
De rechter vernietigt de uitspraak van het CvB. De CvB had de speler zelf moeten horen tijdens een mondelinge behandeling. De uitspraak van het CvB was namelijk gebaseerd op getuigenverklaringen waartussen verschillen bestonden. De speler had daar ook op gewezen tijdens de procedure bij het CvB.
“Deze onduidelijkheid over de mate van betrokkenheid van [de speler] [door de verschillen tussen de verklaringen] toont het belang van een nieuwe mondelinge behandeling. Het ging immers om een forse sanctie, die tot een zorgvuldige heroverweging noopte en de CvB had de kennelijke onduidelijkheden kunnen ondervangen door alle betrokkenen zelf nog eens te horen. Reeds hierom had de CvB, de criteria van paragraaf 1.7 HTA hanterend, in redelijkheid niet kunnen besluiten dat een nieuwe mondelinge behandeling onnodig was, en zeker niet zonder dit besluit te motiveren. De CvB heeft in haar uitspraak weliswaar toegelicht dat “appellant in eerste aanleg is gehoord en de commissie zich overigens voldoende voorgelicht acht”, maar dat acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden volstrekt ontoereikend. ” 

Het feit dat bij de KNVB de tuchtrechtelijke organen worden bemand door vrijwilligers, die op jaarbasis circa 30.000 tuchtrechtelijke zaken behandelen, maakt dat niet anders: het CvB had de speler moeten horen.

ECLI:NL:RBMNE:2018:1918

Vonnis van 25 april 2018

in de zaak van
[eiser] ,
tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,

Partijen zullen hierna [eiser] en KNVB genoemd worden.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het tussenvonnis van 2 augustus 2017,
– het proces-verbaal van comparitie, gehouden op 15 november 2017.
1.2.

Daarna is vonnis bepaald.
1.3.

De KNVB heeft schriftelijk opmerkingen gemaakt op het proces-verbaal van comparitie, dat buiten aanwezigheid van partijen is opgemaakt. Die opmerkingen zijn in het procesdossier gevoegd.

2De feiten

2.1.

[eiser] voetbalde in het seizoen 2016-2017 in het eerste elftal van [voetbalvereniging 1] . Op 25 september 2016 heeft dit elftal de competitiewedstrijd tegen het eerste elftal van [voetbalvereniging 2] gespeeld. Meer dan twee uur na de wedstrijd is op het sportcomplex van de thuisclub een vechtpartij uitgebroken, waarbij spelers en supporters van beide clubs waren betrokken, onder wie ook [eiser] .
2.2.

[voetbalvereniging 2] heeft de KNVB geïnformeerd over de vechtpartij. De Tuchtcommissie van de KNVB (hierna: TC) heeft de zaak vervolgens in behandeling genomen. Zij heeft (onder andere) [eiser] opgeroepen voor een mondelinge behandeling. [eiser] heeft gehoor gegeven aan die oproep. Hij wist niet precies wat hem werd verweten en had geen juridische bijstand.

2.3.

De TC heeft [eiser] bij uitspraak van 17 oktober 2016 voor een periode van 24 maanden geschorst, wegens het slaan en trappen van een op de grond liggende speler van [voetbalvereniging 2] , te weten [A] .
2.4.

[eiser] erkent – en betreurt – dat hij na de wedstrijd betrokken is geweest bij een vechtpartij, maar hij betwist dat hij [A] heeft geslagen en getrapt. Na de uitspraak van de TC heeft hij zich tot mr. [X] gewend, die namens hem hoger beroep heeft ingesteld bij de Commissie van Beroep (hierna: CvB of Commissie).
2.5.

[eiser] heeft in het beroepschrift betoogd dat zijn veroordeling is gebaseerd op tegenstrijdige getuigenverklaringen: uit de verschillende verklaringen, afgelegd bij de TC en bij de politie, blijkt namelijk dat op twee plaatsen is gevochten, zowel voor de kantine als bij de parkeerplaats. [eiser] was bij slechts één van die ongeregeldheden betrokken. Sommige getuigen hebben echter verklaard dat [eiser] [A] heeft geslagen en getrapt voor de kantine, terwijl anderen hebben verklaard dat [eiser] [A] zou hebben geslagen en getrapt bij de parkeerplaats. Gelet op de afstand tussen de beide locaties kan hij niet bij beide rellen aanwezig zijn geweest, aldus [eiser] in het beroepschrift. Hij heeft de CvB verzocht om vanwege deze tegenstrijdigheid ook in hoger beroep een mondelinge behandeling te houden.
2.6.

In haar uitspraak van 22 november 2016 heeft de CvB het volgende overwogen:
Verzoek om een mondelinge behandeling
Mede namens appellant is in het beroepsschrift uitdrukkelijk verzocht om een mondelinge behandeling. De Commissie ziet naar aanleiding van het onderhavige beroep van appellant echter geen aanleiding om in hoger beroep andermaal een mondelinge behandeling te gelasten, te meer nu appellant in eerste aanleg is gehoord en de commissie zich overigens voldoende voorgelicht acht.

(…)

Inhoudelijke bezwaren
Hoewel appellant zich erover beklaagt (…), staat naar het oordeel van de Commissie vast dat appellant een prominente rol heeft gespeeld bij de collectieve vechtpartij. Uit zijn eigen verklaringen valt af te leiden dat hij zich doelbewust in de schermutselingen heeft gemengd met de bedoeling om deel te nemen aan duw- en trekwerk en om te vechten en te slaan en dat hij ook meermalen de confrontatie heeft gezocht met [F] , nadat hij hem eerder vergeefs zou hebben geprobeerd te slaan. De kennelijk ter ontlasting van zijn rol als productie 2 t/m 6 overgelegde aanvullende verklaring van hemzelf, [B] , [C] , [D] , [E] en de als productie 1 overgelegde overzichtsfoto overtuigen de Commissie geenszins van de ongeloofwaardigheid van de belastende verklaringen die door met name de [voetbalvereniging 2] -spelers [A] , [F] en de heer [G] zijn afgelegd tijdens het mondeling onderzoek. Van zichzelf tegensprekende verklaringen, als door de gemachtigde van appellant is aangevoerd, is naar het oordeel van de Commissie geen sprake. Genoemde getuigen wijzen appellant zonder enige twijfel aan als degene die heeft geslagen, respectievelijk geschopt. Mede op basis van de hiervoor genoemde bedoeling van appellant om deel te nemen aan duw- en trekwerk en om te vechten, acht de Commissie de verklaringen van genoemde getuigen van de kant [van [voetbalvereniging 2] , toevoeging rechtbank] geloofwaardig.

2.7.

De CvB heeft het oordeel van de TC bekrachtigd. Zij heeft de door de TC aan [eiser] opgelegde schorsing van 24 maanden verkort tot 18 maanden.
2.8.

[eiser] heeft hierna in kort geding schorsing gevorderd van de uitspraken van de TC en de CvB. De voorzieningenrechter heeft deze vordering toegewezen, overwegend dat de TC [eiser] langdurig heeft geschorst op basis van tegenstrijdige getuigenverklaringen. Volgens de voorzieningenrechter had van de CvB mogen worden verwacht dat zij de getuigen zelf ook nog eens had gehoord, of anders in ieder geval in haar appeluitspraak had gemotiveerd waarom zij dat niet nodig achtte. Omdat dit niet is gebeurd, kleeft er naar het oordeel van de voorzieningenrechter een essentieel gebrek aan de uitspraak van de CvB. Daarom acht hij het voldoende aannemelijk dat de bodemrechter, als het geschil aan hem wordt voorgelegd, tot het oordeel komt dat de uitspraken van de TC en de CvB moeten worden vernietigd wegens strijd met de reglementen van de KNVB.
2.9.

De KNVB heeft naar aanleiding van het vonnis in kort geding een herzieningsverzoek ingediend bij de CvB. Zo’n herziening is mogelijk als ernstige procedurefouten zijn gemaakt. De CvB, in een andere samenstelling dan bij de behandeling van het hoger beroep, heeft het herzieningsverzoek afgewezen omdat niet was gebleken van ernstige procedurefouten. De reglementen van de KNVB, waaronder het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal (RTA) en de Handleiding Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal (HTA), schrijven namelijk niet voor dat steeds een (extra) mondelinge behandeling moet plaatsvinden:
In deze zaak heeft conform de HTA wegens het vermoeden van een excessieve overtreding in eerste aanleg een mondelinge behandeling plaats gehad. De 1e CvB is ingegaan op het namens betrokkene gedane verzoek om in beroep een mondelinge behandeling te houden en heeft dat verzoek gemotiveerd afgewezen. De Commissie is van oordeel dat het uitzonderlijk is om na een mondelinge behandeling in eerste aanleg in beroep tot een tweede mondelinge behandeling over te gaan.

Bovendien is de 1e CvB bij de weging van het bewijs ingegaan op de namens betrokkene aangevoerde tegenstrijdigheden en heeft de 1e CvB een gemotiveerde beoordeling gegeven van de (betrouwbaarheid van de) verklaringen. Het is niet de taak van de Commissie om in deze herzieningszaak inhoudelijk in die beoordeling van het bewijs te treden. Wel moet de Commissie beoordelen of de 1e CvB een ernstige procedurefout heeft gemaakt. Dat is ook hier niet het geval.

3Het geschil

3.1.

[eiser] vordert kort gezegd dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,
– voor recht verklaart dat de uitspraken van de TC en van de CvB (waarin [eiser] een schorsing is opgelegd) ten aanzien van [eiser] nietig zijn, althans vernietigbaar,
– voor recht verklaart dat de KNVB onrechtmatig jegens [eiser] heeft gehandeld en de KNVB veroordeelt tot betaling van een schadevergoeding aan [eiser] van € 17.500,00, en
– de KNVB veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten.
3.2.

[eiser] legt aan die vordering ten grondslag dat de uitspraken van de TC en van de CvB in strijd zijn met de reglementaire bepalingen van de KNVB als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder c BW, dan wel met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder b BW in samenhang met artikel 2:8 BW.
3.3.

De KNVB voert verweer. Zij concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , althans afwijzing van zijn vordering, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank stelt, net als de voorzieningenrechter, voorop dat de KNVB een rechtspersoon is, die haar tuchtrechtspraak statutair heeft belegd bij onafhankelijke organen van de KNVB, waaronder de TC en de CvB. Dat maakt de uitspraken van de TC en de CvB besluiten van organen van een rechtspersoon. De door [eiser] gevorderde nietigheid dan wel vernietigbaarheid van die uitspraken moet daarom worden getoetst aan de criteria die gelden voor besluiten van rechtspersonen. Die criteria zijn opgenomen in artikel 2:14 voor zover het de nietigheid betreft, en in artikel 2:15 BW, in samenhang met artikel 2:8 BW, voor zover het de vernietigbaarheid betreft.
4.2.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of het tuchtrecht van de KNVB in deze zaak wel van toepassing is. [eiser] heeft erop gewezen dat RTA en HTA zijn bedoeld voor overtredingen die plaatsvinden tijdens en rond wedstrijden, die door een onafhankelijke KNVB-official kunnen worden waargenomen. Omdat de wedstrijd al meer dan twee uur was afgelopen toen de vechtpartij uitbrak, en de scheidsrechter en overige officials inmiddels al naar huis waren gegaan, ontbreekt in dit geval een onafhankelijke rapportage. Op het wedstrijdformulier is geen woord over de vechtpartij vermeld. Daarom is er volgens [eiser] onvoldoende samenhang tussen de wedstrijd en de vechtpartij. [eiser] is voorts van mening dat de tuchtprocedure onreglementair aanhangig is gemaakt. Dat zou zijn gebeurd op de voet van artikel 45 RTA, dat wil zeggen door een aangifte. Maar op grond van dat artikel moet bij zo’n aangifte allerlei informatie worden verstrekt, die bij de aangifte door [voetbalvereniging 2] ontbreekt, aldus [eiser] .
4.3.

De rechtbank is van oordeel dat het tuchtrecht van de KNVB wel degelijk van toepassing is. Er was immers sprake van een incident tussen twee voetbalteams en hun supporters, na afloop van een wedstrijd op het sportcomplex waar de wedstrijd was gespeeld. Geen van de betrokkenen had dat sportcomplex tussentijds al verlaten, waardoor de link met de wedstrijd nog niet was verbroken. Dat sinds het laatste fluitsignaal van de scheidsrechter al een paar uur waren verstreken, in welke tijd de scheidsrechter al naar huis was gegaan, is in deze context onvoldoende voor een ander oordeel. Overigens heeft de KNVB aangevoerd dat de tuchtprocedure niet aanhangig is gemaakt op de voet van artikel 45 RTA, zoals [eiser] meent, maar op de voet van artikel 46 RTA, dat wil zeggen door een beslissing van de TC op basis van een redelijk vermoeden van een overtreding. De rechtbank volgt het standpunt van de KNVB, ook omdat dit blijkt uit het e-mailbericht van de KNVB van 29 september 2016, wat immers begint met: “De tuchtcommissie heeft op basis van de schriftelijke verklaringen van de vereniging [voetbalvereniging 2] het vermoeden dat na bovenvermelde wedstrijd één of meer excessieve overtreding(en) heeft/hebben plaatsgevonden (…).” Naar het oordeel van de rechtbank kon de KNVB uit de brief van [voetbalvereniging 2] een redelijk vermoeden van een overtreden destilleren en was de KNVB gerechtigd om daarop te reageren zoals zij heeft gedaan.
4.4.

Geconcludeerd moet dus worden dat de vechtpartij onder het bereik van het KNVB-tuchtrecht valt en dat de tuchtzaak volgens de daarvoor geldende regels aanhangig is gemaakt. Partijen zijn in beginsel dan ook aan de tuchtuitspraken gebonden. Slechts in uitzonderingsgevallen bestaat er aanleiding tot ingrijpen door de rechter. In dit geval zag de voorzieningenrechter zo’n aanleiding. Als gevolg daarvan heeft de KNVB de CvB verzocht om een herziening. Omdat die herziening is geweigerd moet nu dus door de bodemrechter worden beoordeeld of de (door de voorzieningenrechter geschorste) uitspraak van de CvB in stand kan blijven, of vernietigd moet worden wegens strijd met artikel 2:15 BW.
4.5.

De rechtbank overweegt dat de CvB op zichzelf de vrijheid had om af te zien van een mondelinge behandeling. Dat volgt uit artikel 86 RTA in samenhang met artikel 62 RTA, waarin kort gezegd is bepaald dat een mondelinge behandeling alleen plaats vindt als de CvB dat wenselijk acht. In paragraaf 1.7 HTA is een en ander nader uitgewerkt: “In het algemeen gaat de commissie van beroep alleen over tot mondelinge behandeling, wanneer zij dat nodig vindt om tot een oordeel te komen. Als richtlijn geldt hierbij vooral de duidelijkheid en de onderlinge overeenstemming van de afgelegde (schriftelijke, eventueel mondelinge) verklaringen. Verder kunnen een rol spelen: de ernst van de zaak, de zwaarte van de straf en of deze zaak door de tuchtcommissie wel of niet mondeling is behandeld.” De CvB kan dus niet zo maar doen wat haar goeddunkt, maar moet een afweging maken aan de hand van de in paragraaf 1.7 HTA genoemde criteria, die invulling geven aan wat partijen in een concreet geval in redelijkheid over en weer van elkaar mogen verwachten. Daarbij neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat bij het opleggen van een zware straf die maakt dat de desbetreffende speler ver teruggeworpen wordt in zijn ontwikkeling of mogelijkheid om voetbal op zijn eigen niveau te beoefenen, een zeer hoge mate van zorgvuldigheid mag worden verwacht. Er is een verschil tussen het geven van een waarschuwing en een uitsluiting voor de duur van 2 jaar.
4.6.

Voor de beantwoording van de vraag of in dit concrete geval in hoger beroep een nieuwe mondelinge behandeling geïndiceerd was, of kon worden volstaan met een schriftelijke afdoening, acht de rechtbank relevant dat [eiser] in het beroepschrift uitdrukkelijk heeft verzocht om een nieuwe mondelinge behandeling en daarbij specifiek aandacht heeft gevraagd voor discrepanties in de verschillende afgelegde verklaringen. Ook relevant is de omstandigheid dat verklaringen van onafhankelijke derden, zoals de scheidsrechter of andere officials, ontbraken.
Verder dient bij die afweging te worden betrokken dat de TC [eiser] in eerste aanleg een forse sanctie (een schorsing van 24 maanden) had opgelegd, en tot slot ook dat nog dat [eiser] in eerste aanleg geen juridische bijstand had en geen inzage in de hem gemaakte verwijten.
Dat laatste is niet bij voorbaat reden voor een nieuwe mondelinge behandeling, omdat gebleken is dat de KNVB de mogelijkheid biedt om dossiers in te zien. [eiser] heeft van die mogelijkheid echter geen gebruik gemaakt, wellicht omdat hij daar niet van op de hoogte was – hij had destijds immers geen rechtsbijstand. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat de TC hier rekening mee heeft gehouden, terwijl van de tuchtrechter toch mag worden verwacht dat hij ook de ‘equality of arms’ bewaakt.
Daarbij komt dat de rechtbank bij een globale check van de afgelegde verklaringen al discrepanties daarin constateert, waar de TC zonder veel woorden aan voorbij is gegaan – [eiser] heeft daar in het beroepschrift dus terecht aandacht voor gevraagd. Zo is er inderdaad onduidelijkheid over de vraag waar [A] is geschopt en geslagen: volgens verschillende getuigen is dat gebeurd op de parkeerplaats, terwijl [A] zelf heeft verklaard dat het vlakbij de kantine was. Die onduidelijkheid, die ook niet kan worden weggenomen door onafhankelijke verklaringen van officials (die immers niet voorhanden zijn), roept op haar beurt weer de vraag op wat de rol is geweest van [eiser] en in welke mate hij betrokken is geweest. De CvB laat dat in het midden, zij noemt in haar overwegingen de naam van [F] , en heeft het verder over “één of meerder speler(s) en/of functionaris(sen) van de vereniging [voetbalvereniging 2]”. Dat is te gemakkelijk. De mate van betrokkenheid en het verwijt dat gemaakt kan worden zijn immers in de regel mede bepalend voor een eventueel op te leggen sanctie.
4.7.

Deze onduidelijkheid over de mate van betrokkenheid van [eiser] toont het belang van een nieuwe mondelinge behandeling. Het ging immers om een forse sanctie, die tot een zorgvuldige heroverweging noopte en de CvB had de kennelijke onduidelijkheden kunnen ondervangen door alle betrokkenen zelf nog eens te horen. Reeds hierom had de CvB, de criteria van paragraaf 1.7 HTA hanterend, in redelijkheid niet kunnen besluiten dat een nieuwe mondelinge behandeling onnodig was, en zeker niet zonder dit besluit te motiveren. De CvB heeft in haar uitspraak weliswaar toegelicht dat “appellant in eerste aanleg is gehoord en de commissie zich overigens voldoende voorgelicht acht”, maar dat acht de rechtbank in de gegeven omstandigheden volstrekt ontoereikend. Dat de CvB in de herzieningszaak heeft geoordeeld dat het niet gelasten van een nieuwe mondelinge behandeling geen ernstige procedurefout is, maakt het voorgaande niet anders en doet niet af aan de gebreken die de voorzieningenrechter en de rechtbank wel zien.
4.8.

De KNVB heeft er nog op gewezen haar tuchtrechtelijke organen worden bemand door vrijwilligers, die op jaarbasis circa 30.000 tuchtrechtelijke zaken behandelen. Voor zover de KNVB daarmee heeft bedoeld dat dit zou moeten worden beschouwd als een verzachtende omstandigheid, volgt de rechtbank haar niet. De omstandigheid dat de KNVB haar kennelijk omvangrijke tuchtrechtspraak heeft belegd bij vrijwilligers is immers geen reden om in individuele gevallen dan maar lagere eisen aan die tuchtrechtspraak stellen. Dat geldt zeker voor de onderhavige kwestie, waarin de TC – zonder dat is gebleken van eerder wangedrag – aan een nog jonge speler de zware sanctie van 24 maanden schorsing heeft opgelegd.
4.9.

Samenvattend moet dus worden geconcludeerd dat de CvB bij een juiste toepassing van de reglementen (met name van paragraaf 1.7 HTA) in redelijkheid niet had kunnen besluiten tot afwijzing van het verzoek om een nieuwe mondelinge behandeling, en zeker niet zonder noemenswaardige motivering van dat besluit. Daarmee is de uitspraak van de CvB zowel in strijd met de reglementen van de KNVB (zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder c BW) als met de redelijkheid en billijkheid (zoals bedoeld in artikel 2:15 lid 1 onder B BW in samenhang met artikel 2:8 BW) en dus vernietigbaar. Datzelfde lot treft de uitspraak van de CT in eerste aanleg. [eiser] heeft op goede gronden bezwaren naar voren gebracht tegen de beslissing, met welke bezwaren ten onrechte geen rekening is gehouden. De gevorderde verklaring voor recht is daarmee toewijsbaar.
4.10.

[eiser] vordert voorts een verklaring voor recht dat de KNVB onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld, met veroordeling van de KNVB tot vergoeding van de materiële en immateriële schade van [eiser] . Volgens [eiser] bestaat zijn materiële schade uit rechtsbijstandskosten, maar omdat hij een voorwaardelijke toevoeging heeft aangevraagd, waarop hij een beroep kan doen bij afwijzing van de vordering, is onvoldoende onderbouwd dat hij daadwerkelijk financieel nadeel lijdt en zo ja, in welke mate. [eiser] maakt daarnaast aanspraak op vergoeding van immateriële schade, omdat de schorsing hem stress heeft bezorgd. Er zijn veel negatieve berichten over hem verschenen in kranten en op social media en bovendien kon hij een tijd lang zijn hobby niet uitoefenen. De rechtbank overweegt dat negatieve berichtgeving in media niet per definitie is te wijten aan het handelen van de KNVB. En voor zover dat al wel zo zou zijn, geldt dat in artikel 8 van de Statuten van de KNVB het recht op schadevergoeding als gevolg van tuchtrechtelijk handelen met zoveel woorden is uitgesloten. Voor doorbreking van deze contractuele uitsluiting bestaat geen aanleiding, al was het maar omdat de TC een redelijk vermoeden had van [eiser] ’ betrokkenheid bij een overtreding, om welke reden hij wel degelijk in de tuchtprocedure mocht worden betrokken. De enkele omstandigheid dat in die tuchtprocedure ten onrechte geen extra mondelinge behandeling is gelast, is onvoldoende om nu in strijd met artikel 8 van de Statuten toch een schadevergoeding toe te kennen. Dit deel van de vordering moet dus worden afgewezen.
4.11.

De KNVB moet naar het oordeel van de rechtbank worden beschouwd als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, die in de proceskosten moet worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:
4.12.

De nakosten, waarvan [eiser] betaling vordert, zullen op de in het dictum weergegeven wijze worden begroot.

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

verklaart voor recht dat de uitspraken van de TC en CvB ten aanzien van [eiser] vernietigbaar zijn,

Kafka in een vereniging. Royement ongeldig.

Rb. Den Haag 4 april 2018
ECLI:NL:RBDHA:2018:3682

Kafka in een vereniging: een lid wordt geroyeerd (ontzet), zonder dat wordt gezegd waarom, met een niet-ondertekende brief. Het lid vraagt of de brief echt is, krijgt geen antwoord. Tegen het einde van de beroepstermijn stelt hij beroep in  bij de ALV. Het bestuur weigert een ALV bijeen te roepen. Het lid gaat naar de rechter, maar er is een uitspraak van de Hoge Raad uit 1965 waarin is bepaald dat een lid niet bij de civiele rechter kan aankloppen zolang de beroepsprocedure bij de ALV nog loopt.

De rechter besluit echter om af te wijken van die uitspraak van de HR. ” Nu het bestuur van de vereniging categorisch weigert de ALV bijeen te roepen, moet een uitzondering worden aanvaard op de regel die in het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1965 is geformuleerd. Het lid kan zich in een dergelijke situatie wel dadelijk tot de civiele rechter wenden en zijn bezwaren tegen het besluit van het bestuur aan de rechter ter beoordeling voorleggen. Een beroep van de vereniging op het verzuim het oordeel van de ALV af te wachten zal onaanvaardbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:8 lid 2 BW. “

De rechter oordeelt ook dat het royement vernietigbaar is. ” Het ontzettingsbesluit is voor [de heer A] uit de lucht komen vallen. Er is van de zijde van de vereniging op geen enkele wijze zelfs maar een begin van een serieuze motivering van het besluit ter kennis van [de heer A] gebracht. Ook ter comparitie is, op vragen van de rechtbank, niet veel meer naar voren gekomen dan dat er “onrust” was in de vereniging. [] Het is dan ook in nevelen gehuld gebleven waarom [de heer A] het veld moest ruimen.”

Het bestuur is zo “slim” geweest om het lid A niet alleen te royeren, maar om ook het lidmaatschap op te zeggen (op zich is dat een verstandige keuze). In dit geval heeft het bestuur ook nog een ledenraadpleging gehouden, met de vraag of leden het lid A nog in hun midden houden. Ook daarbij heeft lid A geen enkele gelegenheid gehad zijn kant van het verhaal te doen.

” Het opzeggingsbesluit treft hetzelfde lot. Dit besluit is, naar de rechtbank begrijpt, de resultante van een raadpleging van de leden – nadat [de heer A] in rechte was opgenomen tegen zijn royement – aan wie een keuzemenu is voorgeschoteld[]n. De uitkomst daarvan zou zijn dat de leden [de heer A] niet langer in hun midden accepteren. Los van het feit dat ook hier [de heer A] op geen enkele wijze is betrokken in de besluitvorming, geldt dat het onduidelijk is wat [de heer A] nu precies wordt nagedragen. [de heer A] moet er naar gissen, zelfs een tipje van de sluier licht de vereniging (het bestuur) niet op.” 


 

Vonnis van 4 april 2018

I n de zaak van De heer A, lid, [B] en [de VOF] tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

RIJSCHOOLVERENIGING “ ATTENT ”,

Eisers zullen hierna afzonderlijk ook ‘de VOF, ‘ [de heer A] ’ en ‘ [mevrouw B] ’ genoemd worden. Gedaagde zal ‘de vereniging’ genoemd worden.

2De feiten

2.1.

[de heer A] en [mevrouw B] zijn vennoten van de VOF, waarin een rijschool wordt geëxploiteerd. [de heer A] is bij de rijschool werkzaam als gecertificeerd rijinstructeur. [mevrouw B] houdt zich voornamelijk bezig met de afhandeling van administratieve en financiële zaken.
2.2.

De vereniging is een vereniging van rijschoolhouders. Zij is opgericht in 1984 en heeft als doel het behartigen en bundelen van de belangen van beroeps-autorijschoolhouders, alsmede het bevorderen van een juiste uitoefening van hun werkzaamheden, een en ander in de ruimste zin des woords.
2.3.

Sinds 2007 is [de heer A] in zijn hoedanigheid van gecertificeerd rijinstructeur lid van de vereniging.

2.4.

In de statuten van de vereniging (‘de Statuten’), is – voor zover hier relevant – het volgende opgenomen.

Artikel 5. Einde van het lidmaatschap.Het lidmaatschap eindigt:
1. […].
c. door opzegging namens de vereniging. Deze kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereisten voor het lidmaatschap bij de statuten gesteld te voldoen, wanneer een lid zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
d. door ontzetting. Deze kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeeld.
2. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur.
3. Opzegging van het lidmaatschap door het lid of door de vereniging kan slechts geschieden tegen het einde van een verenigingsjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van drie maanden. Echter kan het lidmaatschap onmiddellijk worden beëindigd indien van de vereniging of van het lid redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
4. Een opzegging in strijd met het bepaalde in het vorige lid, doet het lidmaatschap eindigen op het vroegst toegelaten tijdstip volgend op de datum waartegen was opgezegd.
5. […].
6. Ontzetting uit het lidmaatschap geschiedt door het bestuur.
7. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap door de vereniging op grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren, en van een besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit beroep open op de algemene vergadering. Hij wordt daartoe ten spoedigste schriftelijk van het besluit met opgave van redenen in kennis gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.
8. Wanneer het lidmaatschap in de loop van een verenigingsjaar eindigt, blijft desalniettemin de jaarlijkse bijdrage voor het geheel verschuldigd. […].

2.5.

Tevens is een Huishoudelijk Reglement van kracht. Voor zover hier relevant, is daarin het volgende opgenomen.

Artikel 6. Rechten en verplichtingen.Een lid der vereniging heeft het recht zijn stem uit te brengen tijdens de in artikel 12 en 13 der statuten genoemde vergaderingen; inzage te verkrijgen van alle door het bestuur genomen besluiten.
Artikel 7. Een lid der vereniging is verplicht.De statuten, reglementen en bestuursbesluiten strikt na te leven. Zich te onthouden van handelingen die schadelijk zijn of kunnen zijn voor de belangen van het verkeersonderricht in het algemeen en voor de vereniging in het bijzonder. Zorg te dragen voor een goede bedrijfsvoering. Zijn financiële verplichtingen ten aanzien van de vereniging stipt na te komen, bij niet-naleving waarvan geen aanspraak kan worden gemaakt op de in artikel 6 van dit reglement genoemde rechten. […].
Artikel 8. Einde van het lidmaatschap.De opzegging van het lidmaatschap, als vermeld in artikel 5 der statuten, geschiedt door schriftelijke melding aan het verenigingssecretariaat.
Ontzettinga. Het bepaalde in artikel 5 lid d der statuten is ondermeer van toepassing op het niet nakomen van de verplichtingen als genoemd in artikel 6 en 7 van dit reglement .
b. Een bestuursbesluit tot ontzetting kan eerst dan worden genomen nadat een gedegen onderzoek is ingesteld naar de wijze en mate van de tot die beslissing leidende overtreding(en). Alvorens tot ontzetting wordt besloten dient het betrokken lid te worden gehoord.
c. In geval van ontzetting verliest het deelnemingsbewijs (bewijs van lidmaatschap) en eventuele personeelspassen, met inbegrip van alle daaruit voortvloeiende rechten, direct na uitspraak van de ontzetting door het bestuur zijn geldigheid en dient onverwijld te worden ingeleverd bij het secretariaat. Het vorenstaande is eveneens van toepassing op alle door of namens de vereniging uitgereikte legitimaties.
d. Indien binnen de in de statuten gestelde termijn beroep wordt aangetekend op de algemene vergadering, wordt de werking van het deelnemingsbewijs (bewijs van lidmaatschap) en alle daaruit voortvloeiende rechten opgeschort totdat over het tegen de ontzetting ingestelde beroep door de algemene vergadering is beslist.
e. Bij nietigverklaring van het bestuursbesluit tot ontzetting door de algemene vergadering kan het betrokken lid geen aanspraken doen gelden op vergoeding van schade, van welke aard ook, die door de herroepen ontzetting is geleden, tenzij grove nalatigheid kan worden aangetoond.

2.6.

Bij brief van 3 maart 2017 heeft het bestuur van de vereniging (‘het bestuur’) de rijschool geïnformeerd als volgt:
Gelet op artikel 2 en art 5,1,d van de Statuten van rijschoolvereniging Attent en art. 7 van het Huishoudelijk reglement van voornoemde vereniging ziet het Bestuur zich genoodzaakt u uit de vereniging te ontzetten. Gezien de aard van de situatie ziet het Bestuur af van een procedure ‘einde lidmaatschap’. Geheel buiten de Statuten en het Huishoudelijk Reglement om is het bestuur bereid één en ander in een persoonlijk gesprek nader toe te lichten. Voor een afspraak kunt u zich wenden tot één van de bestuursleden.

2.7.

Bij e-mail van 12 maart 2017 heeft [de heer A] daarop gereageerd als volgt:
[…], 3 maart jl. hebben wij als rijschool een aangetekende brief ontvangen van de Attent rijschoolvereniging waarin werd medegedeeld dat het bestuur zich genoodzaakt ziet om per direct onze rijschool uit de vereniging te zetten. Of deze brief ook echt via het bestuur van de vereniging komt is niet duidelijk, er is ondertekend als bestuur rijschoolvereniging Attent , maar deze is niet ondertekend met naam of handtekening. Verder wordt er verwezen naar een tweetal artikelen, maar er wordt nergens duidelijk gemaakt op weke manier er door onze rijschool tegen deze artikelen is ingegaan. Er is nooit een aanwijzing geweest dat wij ons in strijd met deze artikelen gedragen zouden hebben. Na het inwinnen van juridisch advies heb ik besloten om tegen deze beslissing in te gaan en daarom heb ik voor elk lid van het bestuur afzonderlijk de volgende vragen:

– Is deze brief inderdaad afkomstig van het Attent bestuur?
– Op welke gronden is deze beslissing genomen? Als het bestuur inderdaad vindt dat er tegen deze artikelen in iets gebeurd is, graag een schriftelijke onderbouwing met bewijzen en data?
– Waarom is er nooit een bericht geweest gericht aan onze rijschool dat er in strijd met deze artikelen gehandeld werd?
– Moet een eventuele beslissing om een lid uit de vereniging te zetten niet besproken worden met de leden?

Ik heb sterk de indruk dat er op persoonlijke redenen gezocht wordt om onze rijschool zwart te maken en om mij persoonlijk aan te vallen. Hierbij vraag ik aan het bestuur om per omgaande de beslissing om onze rijschool als lid te weigeren ongedaan te maken en deze beslissing aan de Attent leden schriftelijk mede te delen. […].

2.8.

Een reactie bleef uit en de advocaat van [de heer A] heeft het bestuur bij brief van 31 maart 2017 het volgende geschreven, voor zover hier relevant:
[…]. Cliënt overhandigde mij uw brief van 3 maart jl. waarin u ontzetting van het lidmaatschap van uw vereniging aanzegt. […]. Omdat sindsdien uw reactie is uitgebleven, zeg ik u namens cliënt aan dat hij hierbij gebruik wil maken van de mogelijkheid in beroep bij de ALV te gaan tegen uw besluit tot ontzetting van het lidmaatschap. Ik verzoek u binnen veertien dagen na dagtekening van deze brief kenbaar te maken meer informatie te verschaffen over de verdere gang van zaken. Totdat u dat gedaan heeft behoud ik in ieder geval uitdrukkelijk het recht voor andere beroepsgronden aan te voeren. […].

2.9.

Bij brief van 10 april 2017 heeft het bestuur gereageerd, voor zover hier relevant:
Op 8 april 2017 ontving ik uw brief […]. Helaas moet ik u mededelen dat ik het beroep niet in behandeling kan nemen aangezien u het beroep te laat ingesteld heeft. Ik zal het een en ander hieronder toelichten. Met mijn brief van 3 maart 2017 heb ik aan uw cliënt kenbaar gemaakt dat Rijschoolvereniging Attent hem ontzet uit het lidmaatschap op grond van artikel 5, eerste lid, onder d van onze Statuten en artikel 7 van het Huishoudelijk Reglement. Tegen mijn besluit van 3 maart 2017 stond op grond van artikel 5 van onze Statuten beroep open, waarbij de beroepstermijn één maand was. Dit houdt in dat uw cliënt tot en met 2 april 2017 de tijd had om in beroep te gaan tegen mijn besluit. Uit de handgeschreven toevoegingen op de bijlagen van uw brief maak ik op dat uw cliënt op de hoogte was van deze termijn. Pas op 8 april 2017 ontving ik uw aangetekende brief. Gelet op het feit dat ik uw brief buiten de gestelde termijn ontving neem ik het beroep niet in behandeling.

2.10.

Bij brief van 2 mei 2017 heeft de advocaat van [de heer A] het bestuur geschreven, voor zover hier relevant:
[…]. Allereerst geldt dat uw statuten in artikel 5 lid 7 voorschrijven dat tegen een besluit tot ontzetting gedurende één maand de mogelijkheid bestaat beroep in te stellen tegenover de algemene vergadering. Als er al sprake zou zijn van een rechtsgeldig genomen besluit tot ontzetting van het lidmaatschap, dan is het aan de algemene ledenvergadering om over het beroep te oordelen. Nergens is voorgeschreven dat het bestuur van de vereniging beslist over de ontvankelijkheid van een dergelijk ingesteld beroep. Reeds door dit beroep niet voor te leggen aan de algemene ledenvergadering handelt u dan ook in strijd met artikel 5 lid 7 van de statuten.

Uw beoordeling dat het beroep te laat zou zijn ingesteld, is voorts feitelijk onjuist. Zoals u in de bijlage kunt zien, heb ik het beroep per e-mail van 31 maart ingediend bij de vereniging. De brief is destijds tevens per aangetekende post verzonden. Voor de zekerheid heb ik dit beroep tevens aan alle individuele bestuursleden per e-mail toegestuurd. Hiermee staat onherroepelijk vast dat het beroep op 31 maart jl. is ingediend. Dat u de brief pas op 8 april jl. zou hebben gelezen, doet daar niets aan af. Evenmin schrijven de statuten of het huishoudelijk reglement voor dat het beroep per (aangetekende) post moet worden ingediend, laat staan dat het voor ontvankelijkheid beslissend is dat het bestuur of een bestuurslid kennis heeft genomen van het beroep. Het tegendeel is het geval, aangezien het bestuur zich geheel dient te onthouden van een oordeel over de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep.

Het voorgaande is overigens enkel relevant voor zover al sprake zou zijn van een rechtsgeldig genomen besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap. Daarvan is in dit geval geen sprake. Op grond van artikel 5 lid 1 sub d geldt dat een lid kan worden ontzet wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten der vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Verder blijkt uit artikel 8 lid b dat voorafgaand aan dit besluit een gedegen onderzoek moet worden ingesteld. In uw brief d.d. 3 maart 2017 geeft u op geen enkele manier weer op grond van welke gedragingen zijdens mijn cliënt u tot uw besluit tot ontzetting bent gekomen. Evenmin laat u na met stukken te onderbouwen vanwaar uw besluit tot ontzetting gerechtvaardigd zou kunnen zijn.

Als kers op de taart voegt u daar in uw besluit van 3 maart jl. aan toe dat u afziet van een procedure einde lidmaatschap. Ook deze beslissing is op geen enkele manier onderbouwd. Hoe dan ook geldt dat de feiten noch de omstandigheden, statuten, het huishoudelijk reglement noch de wet de ruimte biedt af te zien van een dergelijke procedure. Hoe dan ook geldt dat u op geen enkele wijze in redelijkheid tot ontzetting van het lidmaatschap hebt kunnen komen. […].

2.11.

Op 13 juli 2017 heeft [de heer A] de dagvaarding waarmee onderhavige zaak aanhangig is gemaakt aan de vereniging laten uitbrengen.
2.12.

Op 26 augustus 2017 heeft de vereniging haar leden een ‘Verklaring inzake lidmaatschap [A] ’ gestuurd, met het verzoek daarop aan te geven welke verklaring op hen van toepassing was. De leden konden kiezen uit drie opties:
Mocht [A] via rechtswege weer lid worden van rijschoolvereniging Attent zeg ik per direct mijn lidmaatschap op;
Mocht [A] via rechtswege weer lid worden van rijschoolvereniging Attent zal ik in de eerstvolgende ledenvergadering tegen dit lidmaatschap stemmen;
In deze zaak doe ik helemaal niets.”

2.13.

Bij brief van 5 oktober 2017 heeft het bestuur het lidmaatschap van [de heer A] opgezegd en hem geïnformeerd als volgt, voor zover relevant:
Als bestuur van Rijschoolvereniging delen we je mede dat Attent na consultatie van haar leden over informatie beschikt die maakt dat het redelijkerwijs niet van Attent gevergd kan worden het lidmaatschap van jou langer te laten voortduren. Aan de leden was verzocht om een verklaring over jouw lidmaatschap van Attent . De uitkomst veronderstellen we bij jou bekend […]. De uitkomst gaf aan ons als bestuur eens te meer een zeer duidelijk signaal af over de zeer nadelige gevolgen voor Attent door jouw lidmaatschap.

Attent zegt thans met onmiddellijke ingang het lidmaatschap op van jou als enige lid van rijschool [de VOF] , voor zover nodig gezien het ontzettingsbesluit d.d. 3 maart jl. […].

Attent verzoekt je in te doen zien dat je lidmaatschap ook en in elk geval rechtmatig is geëindigd met deze opzeggingsbrief. Conform artikel 5 lid 7 van de statuten staat je binnen een maand na ontvangst van deze brief een beroep open bij de algemene ledenvergadering. Die bevoegdheid heb je, ondanks dat we als bestuur in overweging konden nemen de consultatie van de leden reeds te beschouwen als een eenstemmig besluit van de leden ex artikel 2:40 lid 2 BW, aangezien geen van de leden voor behoud van jou als lid heeft gestemd. De leden die zich van uiting onthielden, konden we beschouwen als blanco stemmen en dus als niet uitgebracht ex artikel 15 lid 4 van de statuten. Zij voorkwamen dus niet de vereiste eenstemmigheid. Desalniettemin kun je aangeven een dergelijke procedure binnen een maand in te willen doen stellen. Gezien de korte termijn vergt dat alsdan per omgaande (uiterlijk vrijdag 13 oktober) actie van jou. […].

3Het geschil

3.1.

Eisers vorderen na eisvermeerdering, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
  1. een verklaring voor recht dat het besluit van 3 maart 2017 tot ontzetting uit het lidmaatschap nietig is dan wel dit besluit te vernietigen;
  2. vernietiging van het besluit van 5 oktober 2017 tot opzegging van het lidmaatschap;
  3. de vereniging te verplichten eisers met ingang van vonnisdatum als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding;
  4. met veroordeling van de vereniging tot voldoening van de kosten van de procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.
3.2.

Eisers leggen hieraan ten grondslag dat het ontzettingsbesluit van 3 maart 2017 (hierna: ‘het ontzettingsbesluit’) vernietigbaar is op grond van artikel 2:15 lid 1 sub c BW, omdat eisers gehoord hadden moeten worden op grond van artikel 8 sub b van het Huishoudelijk Reglement. Verder stellen eisers dat het ontzettingsbesluit nietig is op grond van artikel 2:14 lid 1 juncto artikel 2:35 lid 4 omdat het besluit geen gronden voor de ontzetting bevat. Het ontzettingsbesluit is verder nietig althans vernietigbaar (op grond van artikel 2:14 lid 1 jo. artikel 2:15 lid 1 sub a juncto artikel 2:35 lid 4 BW) omdat, ondanks dat tijdig beroep op de algemene ledenvergadering (‘ALV’) is ingesteld, dit beroep door het bestuur is genegeerd.
Het besluit van 5 oktober 2017 (‘het opzeggingsbesluit’), waartegen op grond van de statuten ook beroep op de ALV open staat en waartegen ook beroep is ingesteld, is op (grotendeels) dezelfde gronden vernietigbaar.
3.3.

De vereniging voert verweer.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De vereniging heeft zich niet verzet tegen de eisvermeerdering bij akte. Nu de rechtbank ook ambtshalve geen redenen ziet om die buiten beschouwing te laten, zal zij beslissen op de vorderingen zoals deze luiden na de eiswijziging.
Ontvankelijkheid

4.2.

De vereniging heeft voor alle weren de ontvankelijkheid van de VOF en [mevrouw B] in hun vorderingen betwist, omdat zij geen lid zijn van de vereniging. Ter comparitie verklaarden eisers dat er zekerheidshalve is gedagvaard door de VOF en de beide vennoten omdat niet geheel duidelijk was wie formeel als lid heeft of hebben te gelden. De uitkomst van het debat ter comparitie was dat [de heer A] als lid moet worden aangemerkt en dat de vorderingen van de VOF en [mevrouw B] buiten beschouwing kunnen blijven; zij zullen daarom in hun vorderingen niet-ontvankelijk worden verklaard.
Waar hierna ‘ [A] ’ wordt genoemd, wordt gedoeld op [de heer A] .
Terugvragen contributie 
4.3.

De vereniging wijst er op dat [de heer A] kort na de ontvangst van het bericht van het bestuur dat tot ontzetting was besloten, zijn contributie heeft “teruggevraagd”. De contributie (naar de rechtbank begrijpt: het deel dat betrekking heeft op het resterende deel van het lopende lidmaatschapsjaar) is daarop teruggestort. In de visie van de vereniging komt [de heer A] sindsdien de op hem als lid rustende verplichting tot contributiebetaling niet na en – zo begrijpt de rechtbank het standpunt van de vereniging – kan hij zich niet meer verzetten tegen de beëindiging van het lidmaatschap.
4.4.

Het moet voor de vereniging duidelijk zijn geweest dat [de heer A] zeer verbaasd was over het hem medegedeelde royementsbesluit. De brief waarin [de heer A] over het besluit werd geïnformeerd bevatte geen enkele motivering van het besluit en onweersproken is dat een verzoek van [de heer A] om een schriftelijke motivering niet door de vereniging is gehonoreerd. Daarop heeft [de heer A] , die stelt dat hij geëmotioneerd was door het besluit dat voor hem uit de lucht kwam vallen, zijn contributie teruggevraagd. Dat [de heer A] geëmotioneerd was, erkent de vereniging, gezien haar beschrijving van het telefoongesprek dat heeft plaatsgevonden daags na de ontvangst van de ontzettingsbrief. Ondanks dit restitutieverzoek heeft [de heer A] kort nadien, door tussenkomst van zijn raadsman, de vereniging gemeld tegen het besluit beroep op de ALV in te stellen.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de vereniging uit deze gang van zaken niet kunnen opmaken dat [de heer A] niet langer aanspraak maakte op het lidmaatschap van de vereniging en afstand heeft gedaan van zijn (na het ontzettingsbesluit) bestaande recht op het instellen van beroep op de ALV. Ter zitting heeft [de heer A] medegedeeld bereid te zijn op eerste verzoek van de vereniging zijn contributieverplichtingen na te komen. Een beroep op artikel 7 van het Huishoudelijk Reglement – toegespitst op dit geval: bij niet betaling van contributie kan een lid geen aanspraak maken op het uitoefenen van zijn rechten als lid – gaat daardoor niet op.
Beroep op de ALV 
4.5.

[de heer A] heeft tegen het ontzettingsbesluit en tegen het opzeggingsbesluit beroep op de ALV ingesteld op de voet van het bepaalde in artikel 5 lid 7 van de statuten van de vereniging. Dat ook tegen het opzeggingsbesluit op grond van de statuten beroep openstaat, is niet in geschil.
4.6.

Anders dan de vereniging meent, heeft [de heer A] zijn beroep tegen het ontzettingsbesluit tijdig ingesteld. Dat is immers gebeurd door zijn raadsman die dat op 31 maart 2017 – en dat is binnen een maand nadat [de heer A] op de hoogte werd gesteld van het royementsbesluit – heeft gedaan door middel van een e-mail gericht aan het secretariaat van de vereniging. Ter comparitie is de ontvangst door het secretariaat van die e-mail bevestigd.
4.7.

Dat het beroep op de ALV tegen het opzeggingsbesluit tijdig is ingesteld, is niet in geschil.
4.8.

De vereniging neemt het standpunt in dat het bijeenroepen van de ALV een taak is van het lid dat beroep instelt, niet een taak van het bestuur. [de heer A] heeft echter, aldus de vereniging, verzuimd voor bijeenroeping zorg te dragen. De vereniging wijst op de mogelijkheid voor leden zelf een ALV bijeen te roepen, artikel 2:41 lid 2 BW. Die weg heeft [de heer A] ten onrechte niet gevolgd, aldus de vereniging.
4.9.

Dit verweer treft geen doel. Als een lid opkomt tegen een ontzettingsbesluit (en, zoals in dit geval, een opzeggingsbesluit waartegen beroep open staat) dient het bestuur ervoor te zorgen dat de ALV, het orgaan dat in beroep oordeelt, wordt bijeengeroepen. Het is dus niet zo dat het geroyeerde lid daar zelf voor moet zorgen, ook niet als het bestuur niet dadelijk van zins is tot bijeenroeping over te gaan. De verwijzing van de vereniging naar het bepaalde in artikel 2:41 lid 2 en lid 3 BW (ook opgenomen in de statuten van de vereniging, artikel 12 lid 4) is dan ook niet relevant. Alleen al het vereiste de in dat artikel genoemde drempel (1/10e gedeelte van de stemmen) te bereiken, maakt de zienswijze van de vereniging onacceptabel, omdat het beroepsrecht van het geroyeerde lid daardoor gefrustreerd zou kunnen worden.
4.10.

Bijeenroeping van de ALV door het bestuur, teneinde dit orgaan in de gelegenheid te stellen in beroep te oordelen, zal binnen bekwame tijd moeten plaatsvinden. Verder geldt dat het bestuur er zorg voor moet dragen dat die ALV op een redelijke termijn plaats vindt. Uiteraard zal het bestuur daarbij de wettelijke en statutaire regels in acht moeten nemen. Het bestuur zal de mate van voortvarendheid van de bijeenroeping moeten laten afhangen van het belang dat het lid heeft: in gevallen waarin het lid een groot belang heeft bij een spoedige beoordeling door de ALV zal het bestuur ervoor moeten zorgen dat de ALV op zo kort mogelijke termijn bijeenkomt. Daarbij verdient aantekening dat royement doorgaans een diffamerend karakter heeft zodat behandeling van het beroep op korte termijn in de regel aangewezen zal zijn. Het bestuur zal zich daarbij vanzelfsprekend moeten laten leiden door de normen van redelijkheid en billijkheid, artikel 2:8 BW.
4.11.

Het bestuur van de vereniging heeft geweigerd en weigert de ALV bijeen te roepen. Dat brengt [de heer A] in de problemen. Uitgaande van de benadering van de Hoge Raad in zijn arrest HR 14 mei 1965, ECLI:NL:HR:1965:AD8077 Amsterdams Speeltuinverbond – niets wijst erop dat deze benadering verlaten is of zou moeten worden – kan [de heer A] niet bij de civiele rechter aankloppen, in ieder geval niet met een vordering gegrond op de vernietigbaarheid van het besluit van het bestuur zolang de ALV niet in beroep heeft geoordeeld. Denkbaar is dat de civiele rechter in een geval als dit een vereniging, als het geroyeerde lid dat vordert, opdraagt alsnog een ALV bijeen te roepen (zie aldus Rechtbank Overijssel 8 februari 2016, ECLI:NL:RBOVE:2016:386). Maar dat is wel een omslachtige route. [de heer A] heeft een dergelijke vordering niet (ook niet subsidiair) ingesteld.
4.12.

Nu het bestuur van de vereniging categorisch weigert de ALV bijeen te roepen, moet een uitzondering worden aanvaard op de regel die in het zojuist genoemde arrest van de Hoge Raad uit 1965 is geformuleerd. Het lid kan zich in een dergelijke situatie wel dadelijk tot de civiele rechter wenden en zijn bezwaren tegen het besluit van het bestuur aan de rechter ter beoordeling voorleggen. Een beroep van de vereniging op het verzuim het oordeel van de ALV af te wachten zal onaanvaardbaar zijn op grond van het bepaalde in artikel 2:8 lid 2 BW. De rechter zal het aangevallen besluit moeten beoordelen alsof het in hoogste instantie is genomen.
Zijn het royementsbesluit en het opzeggingsbesluit aantastbaar?

4.13.

Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide besluiten vernietigbaar. Dat motiveert de rechtbank als volgt.
4.14.

Het ontzettingsbesluit is voor [de heer A] uit de lucht komen vallen. Er is van de zijde van de vereniging op geen enkele wijze zelfs maar een begin van een serieuze motivering van het besluit ter kennis van [de heer A] gebracht. Ook ter comparitie is, op vragen van de rechtbank, niet veel meer naar voren gekomen dan dat er “onrust” was in de vereniging. Dat [de heer A] informatie zou hebben gelekt naar een functionaris van het CBR, is wel vaag gesuggereerd, maar is op geen enkele wijze onderbouwd, nog geheel daargelaten of dat grond zou kunnen zijn vormen voor ontzetting uit het lidmaatschap. Het is dan ook in nevelen gehuld gebleven waarom [de heer A] het veld moest ruimen.
De wijze waarop het bestuur tot het royement heeft besloten staat op gespannen voet met het bepaalde in artikel 8 van het Huishoudelijk Reglement – hiervoor, onder 2.5, geciteerd – waarin van een “gedegen onderzoek” wordt gerept, en van het horen van het betrokken lid voorafgaand aan het nemen van een royementsbesluit. Die zorgvuldigheid, die ook van (het bestuur van) een vereniging verlangd mag worden als daarover niets zou zijn bepaald in de statuten of in een huishoudelijk reglement, heeft de vereniging evident niet in acht genomen.
4.15.

Het ontzettingsbesluit is daarom alleen al voor wat betreft wijze van totstandkoming gebrekkig. Maar uit het voortgaande vloeit voort dat het besluit tot ontzetting bovendien is genomen zonder dat [de heer A] enig verwijt wordt gemaakt, althans kenbaar is gemaakt. Dat maakt dat het bestuur niet in redelijkheid op één van de in de wet genoemde gronden tot royement van [de heer A] heeft kunnen besluiten. Het gevolg daarvan is dat het besluit van het bestuur, ook met inachtneming van de terughoudendheid waarmee de rechter besluiten als deze op hun inhoud behoort te toetsen (zie HR 2 december 1983, ECLI:NL:HR:1983:AG4702 en HR 12 juli 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ9145 VEB/KLM), op grond van het bepaalde in artikel 2:15 lid 1 aanhef en sub b BW vernietigbaar is.
Anders dan [de heer A] bepleit is nietigheid niet aan de orde. Op zichzelf heeft het bestuur zijn ontzettingsbesluit namelijk wel gebaseerd op de juiste wettelijke gronden, genoemd in artikel 2:35 lid 3 BW, maar aan de wijze van totstandkoming van het ontzettingsbesluit en de wijze waarop aan die gronden invulling is gegeven, schort het. Dat voert tot de conclusie dat het aangevallen besluit genomen is in strijd met de redelijkheid en billijkheid van artikel 2:8 BW.
4.16.

Het opzeggingsbesluit treft hetzelfde lot. Dit besluit is, naar de rechtbank begrijpt, de resultante van een raadpleging van de leden – nadat [de heer A] in rechte was opgenomen tegen zijn royement – aan wie een keuzemenu is voorgeschoteld, hiervoor in 2.12 weergegeven. De uitkomst daarvan zou zijn dat de leden [de heer A] niet langer in hun midden accepteren. Los van het feit dat ook hier [de heer A] op geen enkele wijze is betrokken in de besluitvorming, geldt dat het onduidelijk is wat [de heer A] nu precies wordt nagedragen. [de heer A] moet er naar gissen, zelfs een tipje van de sluier licht de vereniging (het bestuur) niet op. Dat [de heer A] zich tijdens een telefoongesprek met een bestuurslid na de ontvangst van de royementsmededeling onder invloed van zijn verbazing en boosheid over dat besluit wellicht met wat minder gepolijst taalgebruik heeft uitgelaten, kan niet als serieuze motivering gelden.
Ook tot het opzeggingsbesluit heeft het bestuur daarom in redelijkheid niet kunnen komen; het besluit is, op dezelfde gronden als zojuist ten aanzien van het ontzettingsbesluit vermeld, vernietigbaar. De omstandigheid dat, zoals de vereniging verdedigt, de leden [de heer A] niet meer in hun midden dulden, maakt niet dat hem een gang naar de ALV kan worden onthouden, noch dat [de heer A] geen redelijk belang zou hebben bij zijn vorderingen. Het valt immers nog maar te bezien hoe een beraadslaging in de ALV, waarin [de heer A] spreekrecht heeft, uitpakt (HR 15 juli 1965, ECLI:NL:HR:1968:AC4232, NJ 1961/101 Wijsmuller).
Slotsom 
4.17.

De consequentie van het voorgaande is dat de rechtbank het ontzettingsbesluit en het opzeggingsbesluit van het bestuur zal vernietigen. De vordering tot veroordeling van de vereniging om [de heer A] als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, is evenzeer voor toewijzing vatbaar. De rechtbank zal aan de veroordeling een dwangsom verbinden, tot een in het dictum op te nemen maximum. Daarbij tekent de rechtbank voor de duidelijkheid aan dat met de vernietiging van de besluiten van het bestuur de in artikel 2:35 lid 4 laatste volzin BW bedoelde schorsing eindigt.

[]



4.21.

De rechtbank zal haar vonnis, met inbegrip van de vernietiging van de besluiten, uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals gevorderd.

5De beslissing

De rechtbank:
5.1.

verklaart de VOF en [mevrouw B] niet-ontvankelijk in hun vorderingen;
5.2.

vernietigt het besluit van 3 maart 2017 tot ontzetting van [de heer A] uit het lidmaatschap van de vereniging;
5.3.

vernietigt het besluit van 5 oktober 2017 tot opzegging van het lidmaatschap van de vereniging;
5.4.

verplicht de vereniging [de heer A] met ingang van de datum van dit vonnis als volwaardig lid te behandelen en te blijven behandelen tot het lidmaatschap op rechtsgeldige wijze is geëindigd, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,00 per overtreding, zulks tot een maximum van € 10.000,–;

Royement bij schietvereniging (SSV Prins Hendrik)

Rb. Rotterdam 21 februari 2018
ECLI:NL:RBROT:2018:1613

In deze uitspraak maakt een lid van een schietvereniging -in aanwezigheid van leden en bestuursleden- de opmerking dat hij “zich liever door het hoofd schiet dan aan de gestelde [contributie]verplichtingen te voldoen”. Het bestuur royeert hierop het lid, op grond van dat incident en andere incidenten en omdat het lid de contributie niet (tijdig) betaalt.  De rechter laat het royement in stand. 

Vonnis van 21 februari 2018

in de zaak van 
[eiser] ,
tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
SCHIETSPORTVERENIGING PRINS HENDRIK,
h.o.d.n. SSV Prins Hendrik,
Partijen zullen hierna [eiser] en Schietsportvereniging Prins Hendrik genoemd worden.

1De procedure

1.1.

2De verdere beoordeling

2.1.

[eiser] is sinds 1981 lid van Schietsportvereniging Prins Hendrik geweest. Op 11 mei 2015 heeft zich in het clubgebouw van Schietsportvereniging Prins Hendrik een incident voorgedaan, waarbij sprake is geweest van een emotionele uitbarsting en – kort gezegd – (verbaal) wangedrag van [eiser] .
2.2.

Naar aanleiding van dit incident heeft het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik het besluit genomen tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van Schietsportvereniging Prins Hendrik. In de brief van 19 april 2016, waarbij [eiser] in kennis is gesteld van deze beslissing, staat – voor zover van belang – het volgende:
“Het bestuur van SSV Prins Hendrik te Hardinxveld-Giessendam heeft op grond van artikel 8 (…) van de statuten besloten om u met ingang van 11 mei 2015 als lid van SSV Prins Hendrik te royeren. (…)

Op maandagavond 11 mei 2015 heeft u één van de bestuursleden aangesproken over een brief van de vereniging over uw betalingsverplichting. Hierop heeft u aangegeven niet inhoudelijk te willen reageren op het betalingsvoorstel in de brief. U plaatste hierbij -in aanwezigheid van leden en bestuursleden- de opmerking dat u zich liever door het hoofd schiet dan aan de gestelde verplichtingen te voldoen.
Deze opmerking, in combinatie [met] uw emotionele uitbarsting en de problemen waar u naar eigen zeggen mee kampte is reden tot grote zorg van de vereniging. Als vereniging hebben wij een verantwoordelijkheid naar al onze leden dat de omgeving waarin zij hun sport beoefenen veilig is. Uw acties en uitspraken ten overstaan van de aanwezigen passen absoluut niet binnen de regels van de vereniging en binnen de regels van de schietsport.
Uw gedrag is voor de aanwezige bestuursleden zelfs reden geweest om advies in te winnen bij de politie. Deze hebben vervolgens besloten om u bij onze vereniging op te halen. U heeft hiermee de vereniging en haar leden geschaad.

Daarnaast wordt u het lidmaatschap ontzegt omdat u heeft nagelaten uw contributie tijdig en op de geldende en afgesproken wijze te voldoen. Ondanks herhaalde verzoeken en betalingsvoorstellen onzerzijds is de door u verschuldigde contributie niet voldaan. Wij hebben u meerdere kansen en mogelijkheden geboden om tot een goede afspraak te komen waar u niet inhoudelijk op hebt gereageerd.”

2.3.

[eiser] is tegen deze beslissing in beroep gegaan bij de beroepscommissie van Schietsportvereniging Prins Hendrik. De beroepscommissie heeft besloten het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik in het gelijk te stellen en het royement van [eiser] te handhaven. In de brief van 27 oktober 2016, waarbij [eiser] in kennis is gesteld van deze beslissing, staat – voor zover van belang – het volgende:
“Kan geen andere conclusie trekken dan dat het bestuur S.S.V. Prins Hendrik op juiste gronden en zorgvuldige overwegingen, het besluit heeft genomen, de heer [eiser] te royeren en wel op de volgende gronden:

  1. Financiële problemen met het bestuur dienen via de penningmeester te lopen. Eenzijdige wijzigen kunnen ten ene male niet worden toegepast, dan alleen na overleg met het dagelijks bestuur, waar ook de penningmeester deel van uit maakt. Daar dit bestuur schriftelijk, met maximale eind datum heeft aangegeven, dat niet op tijd betaling zal leiden tot royement, leidt dat tot royement.
  2. Verbaal geweld en zeker bedreigende geluiden dat er “Door de kop geschoten gaat worden” is ten ene maal NOT DONE. Zeker niet op een schietvereniging en zeker niet op een vereniging, waar door wapen geweld, in het verleden al twee leden uit het leven zijn gestapt. Dit is voor ons de hoofd reden om het royement gegrond te verklaren.”
2.4.

[eiser] vordert -in essentie- vernietiging van het besluit van de beroepscommissie van Schietsportvereniging Prins Hendrik van 27 oktober 2016, alsmede van het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik, zulks op grond van artikel 2:15 lid 1 sub b BW (strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist). In dit kader is artikel 8 van de statuten van Schietsportvereniging Prins Hendrik van belang, dat – voor zover hier aan de orde – luidt als volgt:
“ARTIKEL VIII: Beeindiging van het lidmaatschap
(…)
* Ontzetting vanwege de vereniging.
IV. Vanwege de vereniging kan het bestuur een lid uit het lidmaatschap ontzetten indien,
  1. het in strijd met de statuten, regelementen of besluiten van de vereniging handelt.
  2. het de vereniging op onredelijke wijze benadeelt.”
2.5.

[eiser] voert, kort en zakelijk weergegeven, aan dat er geen grond was om hem uit het lidmaatschap te ontzetten, althans dat er geen sprake is van ongewenst en onacceptabel gedrag. Indien sprake is van ongewenst en onacceptabel gedrag dient in ogenschouw te worden genomen dat het slechts gaat om een op zich zelf staand incident; er is geen sprake van een verleden van gelijkwaardige klachten omtrent het gedrag van [eiser] . Het incident op 11 mei 2015 is zeker reden voor een goed gesprek en wellicht zelfs voor een waarschuwing, mogelijk een schorsing, maar biedt onvoldoende grondslag voor een besluit tot ontzetting. Daarbij heeft het besluit tot ontzetting uit het lidmaatschap van Schietsportvereniging Prins Hendrik verstrekkende gevolgen voor [eiser] . Immers, als gevolg van de melding van Schietsportvereniging Prins Hendrik aan de Koninklijke Nederlandse Schietsport Associatie (KNSA) kan [eiser] (ook) geen lid meer worden bij een andere schietsportvereniging. [eiser] wordt hierdoor dus feitelijk belemmerd in de uitoefening van de schietsport.
2.6.

Voor de vraag of het besluit van de beroepscommissie van Schietsportvereniging Prins Hendrik van 27 oktober 2016, waarbij het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik is bekrachtigd, in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, dient bekeken te worden of de beroepscommissie/het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik, bij afweging van alle bij het besluit betrokken belangen van Schietsportvereniging Prins Hendrik en degenen die krachtens de wet en de statuten bij Schietsportvereniging Prins Hendrik zijn betrokken, in redelijkheid en billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de beroepscommissie/het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik in redelijkheid kunnen komen tot het besluit tot ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap van Schietsportvereniging Prins Hendrik.
2.7.

Als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken staat vast dat er van de zijde van [eiser] op 11 mei 2015 ongewenst en onacceptabel gedrag jegens (bestuurs)leden van Schietsportvereniging Prins Hendrik heeft plaatsgevonden ( [eiser] heeft gedreigd met suïcide met een schietwapen), welk gedrag onmiddellijk handelen (van het bestuur van de vereniging) vereiste. Door dit gedrag wordt Schietsportvereniging Prins Hendrik op onredelijke wijze benadeeld. Ook indien wordt meegenomen dat [eiser] door dit besluit tot ontzetting feitelijk wordt belemmerd in de uitoefening van de (hem zo geliefde) schietsport, is de rechtbank van oordeel dat de Schietsportvereniging Prins Hendrik, gehoord de bezwaren van de zijde van [eiser] tegen het besluit, in redelijkheid de belangen van Schietsportvereniging Prins Hendrik bij ontzetting van [eiser] uit het lidmaatschap (het waarborgen van de veiligheid van haar leden en de omgeving van [eiser] ) zwaarder heeft kunnen laten wegen dan de belangen van [eiser] bij voortduring van het lidmaatschap. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd weersproken vast staat dat het gaat om meerdere incidenten, dat er diverse malen (schriftelijk) is gewaarschuwd en dat er gewezen is op de mogelijke consequenties van het gedrag, doch dat dit niet heeft geleid tot een andere houding en toon van [eiser] . Een lang lidmaatschap en inzet voor de vereniging maken dit niet anders. Daarbij komt dat vast staat dat [eiser] de avond na de comparitie van 23 augustus 2016 met te veel alcohol op achter het stuur heeft gezeten en tegen een paaltje is aangereden. Daarin wordt een aanwijzing gezien voor een gebrek aan zelfbeheersing aan de zijde van [eiser] , welk in combinatie met de toegang tot een wapen bijzonder gevaarlijk kan zijn, althans een groot maatschappelijk risico oplevert.
2.8.

Uit het voorgaande volgt dat niet kan worden geconcludeerd dat er sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid. De vordering van [eiser] het besluit van de beroepscommissie van Schietsportvereniging Prins Hendrik van 27 oktober 2016, alsmede van het besluit in primo van 19 april 2016 van het bestuur van Schietsportvereniging Prins Hendrik, te vernietigen, zal dan ook worden afgewezen. De nevenvorderingen delen in het lot van deze afwijzing.

Zwaardere tuchtrechtelijke straf dan in richtlijn

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 september 2017
ECLI:NL:GHARL:2017:7792

In deze zaak laat het hof, in hoger beroep in kort geding, een door de tuchtcommissie van de KNVB opgelegde straft in stand. De tuchtcommissie had niet de (volgens de richtlijnen) gebruikelijke straf van aftrek van 2 winstpunten opgelegd, omdat de overtreding was gemaakt in de nacompetitie en winstpunten niet relevant zijn in de nacompetitie. Daarom was het team uit de nacompetitie gehaald. Het hof vindt dit geen onredelijke straf. 

Interessant is vooral dat de KNVB de straf had opgelegd op 25 juli, dat de rechtbank uitspraak had gedaan op 10 augustus (link), en dat het arrest in hoger beroep op 4 september is gewezen. 

arrest in kort geding van 4 september 2017
in de zaak van
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [voetbalvereniging X] ,
appellante in het principaal hoger beroep, geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: eiseres,

tegen: de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid Koninklijke Nederlandse Voetbalbond,
geïntimeerde in het principaal hoger beroep, appellante in het incidenteel hoger beroep, in eerste aanleg: gedaagde, hierna: KNVB,

1Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van 10 augustus 2017 (hierna: het bestreden vonnis) [ ECLI:NL:RBMNE:2017:4373 ] dat de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland 
(locatie Utrecht) tussen partijen heeft gewezen.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten zoals beschreven in de rechtsoverwegingen 2.1 tot en met 2.18 van het bestreden vonnis. In aanvulling en ter correctie daarop gaat het hof nog uit van de volgende feiten:


3.2

In de Handleiding Tuchtzaken Amateurvoetbal (hierna te noemen: HTA) zijn richtlijnen straftoemeting opgenomen. In één van deze richtlijnen (hierna te noemen: de richtlijn collectief wangedrag, opgenomen in paragraaf 2.3.2.3 HTA met als opschrift “Richtlijnen straftoemeting voor collectief wangedrag van spelers, functionarissen en/of toeschouwers, al dan niet gevolgd door het (tijdelijk) staken van de wedstrijd (verenigingsstraffen)”) is bepaald (voor zover van belang) dat de strafmaat voor het gebruiken van grove of zwaar beledigende taal tegenover (assistent)scheidsrechter(s) bedraagt:
– 2 winstpunten in mindering + € 200 boete;
bij recidive van deze overtreding:
– 3 winstpunten in mindering + voorwaardelijk uit de competitie nemen + € 200 boete;
De strafmaat voor het gebruiken van buitensporig verbaal geweld tegenover (assistent) scheidsrechter(s) bedraagt:
– 4 winstpunten in mindering + voorwaardelijk uit de competitie nemen + € 300 boete;
bij recidive van deze overtreding:
– uit de competitie nemen + € 300 boete.
3.3

Artikel 26 van het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal (hierna te noemen: RTA), dat van toepassing was ten tijde van het spelen van de wedstrijd waar het in deze zaak om gaat (op 25 mei 2017), luidt onder meer als volgt:
Artikel 26-Straffen
(…)
2. De straffen, die opgelegd kunnen worden aan verenigingen, zijn:
a. een berisping;
b. een geldboete tot een maximum van € 4.540,- voor overtredingen;
c. een geldboete tot een maximum van € 230 voor administratieve verzuimen;
d. het tot verliezer verklaren van een elftal of team met de uitslag 3-0;
e. het in mindering brengen van winstpunten op de ranglijst van de lopende competitie en van de desbetreffende periode met een maximum van vijf;
f. het in mindering brengen van winstpunten op de ranglijst van de volgende competitie en van de desbetreffende periode van de volgende competitie met een maximum van vijf, met inachtneming van het bepaalde in artikel 35 lid 2 van dit reglement;
g. het tijdens het seizoen uit competitie nemen van een elftal of team;
h. het uit de nacompetitie nemen van een elftal of team;
i. het uit een toernooi nemen van een elftal of team;
j. plaatsing in de naast lagere divisie of klasse van een elftal of team met ingang van het volgende seizoen;
k. een schorsing voor de duur van ten hoogste een jaar;
l. ontzetting uit het lidmaatschap van de KNVB.
(…)”.
3.4

De commissie van beroep van de KNVB (hierna: de commissie van beroep) heeft, na een verzoek om herziening, op 25 juli 2017 uitspraak gedaan. Bij die uitspraak is (voor zover thans van belang) de eerdere uitspraak van 8 juni 2017 van kamer 4 van de commissie van beroep van de KNVB, district West II (in de uitspraak aangeduid als K4) vernietigd en is aan [voetbalvereniging X] een straf opgelegd bestaande uit een geldboete van € 200,- en het uit de nacompetitie nemen van het team [voetbalvereniging X] . 

Die uitspraak luidt onder meer als volgt:
“(…) Strafbaarheid en strafmotivering
Ingevolge het bepaalde in artikel 22 lid 1 RTA is appellant strafbaar.
Voor de op te leggen straf wordt aansluiting gezocht bij de Handleiding Tuchtzaken Amateurvoetbal (hierna: HTA). In paragraaf 2.3.2.2 HTA is ten aanzien van het bewezen verklaarde de volgende straf vermeld: 2 winstpunten in mindering en € 200 boete.
De Commissie ziet, evenals de TC, aanleiding van deze straf af te wijken, nu naast de geldboete het opleggen van 2 winstpunten in mindering in een play-off ronde in de nacompetitie geen, dan wel een ongewenst effect heeft.
Oordelend vanuit de aanname dat wedstrijd nog zou kunnen worden uitgespeeld acht de commissie gezien de omstandigheden van het geval het uit de nacompetitie nemen van [voetbalvereniging X] een gepaste alternatieve straf, die de commissie binnen haar straffencatalogus (artikel 26 lid 2 sub HRTA) heeft.
Een van deze omstandigheden die de Commissie hierbij zwaar meeweegt, is de ernst van het voorgevallene. Hoewel de commissie begrijpt dat de spanning toeneemt naar mate een wedstrijd met dergelijke belangen het einde nadert, kan en mag dit niet betekenen dat de arbitrage op dusdanige wijze wordt bejegend zoals dat hier is gebeurd. Daarnaast weegt de commissie mee dat het uit de nacompetitie nemen in beginsel een minder zware straf behelst dan het uit een reguliere competitie nemen van een elftal (…)”.

4Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[voetbalvereniging X] heeft in eerste aanleg, na wijziging van eis, (samengevat) gevorderd dat de voorzieningenrechter:
I. de uitvoering van het besluit van de commissie van beroep van 25 juli 2017 zal schorsen met bepaling dat deze schorsing zal gelden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de vernietiging van dit besluit;
II. de KNVB zal bevelen het duel tussen [voetbalvereniging X] en [voetbalvereniging 1] binnen zeven dagen na datum vonnis over, althans uit te laten spelen vanaf de 114e minuut met een stand van 1-2 in het voordeel van [voetbalvereniging 1] op straffe van een dwangsom;
III. de KNVB zal bevelen te wachten met het vaststellen van een nieuwe competitie indeling voor het seizoen 2017-2018, althans [voetbalvereniging X] niet te laten degraderen uit zondag 2e klasse D, althans de KNVB zal bevelen [voetbalvereniging X] in voormelde klasse te handhaven dan wel te bepalen dat de KNVB [voetbalvereniging X] bij het maken van een definitieve nieuwe competitie indeling moet indelen in deze klasse, totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld;
met veroordeling van de KNVB in de kosten van de procedure.

4.2

De voorzieningenrechter heeft in het bestreden vonnis het besluit van de commissie van beroep van 25 juli 2017 geschorst totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg is beslist over de vernietiging van die uitspraak. De voorzieningenrechter heeft voorts geconstateerd dat partijen eensluidend hebben bevestigd dat het over/uitspelen van de wedstrijd inmiddels feitelijk onmogelijk was en heeft daarom vordering II afgewezen. Ook is afgewezen de vordering dat de KNVB dient te wachten met het vaststellen van nieuwe competitie indeling, met als motivering dat de competitie indeling reeds is vastgesteld en gepubliceerd. De vordering om [voetbalvereniging X] alsnog in te delen in de competitie van de 2e klasse heeft de voorzieningenrechter eveneens afgewezen. Gelet op de na staking van de wedstrijd nog geringe resterende speeltijd en het feit dat [voetbalvereniging X] op dat moment nog slechts de beschikking had over acht spelers tegenover elf spelers van de wederpartij, heeft de voorzieningenrechter geoordeeld dat er geen sprake was van een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid dat [voetbalvereniging X] 2-2 zou scoren en de dan volgende strafschoppenserie zou afsluiten als winnaar.

5De vordering in hoger beroep

[voetbalvereniging X] heeft in hoger beroep vernietiging van het bestreden vonnis gevorderd en voorts (samengevat) gevorderd dat het hof :
I de KNVB verbiedt om uitvoering te geven aan de vaststelling van de op 5 juli 2017 vastgestelde en gepubliceerde competitie indeling;
II de KNVB gebiedt [voetbalvereniging X] niet te laten degraderen uit de zondag 2e klasse D, dan wel zal bepalen dat de KNVB bij het vaststellen van de definitieve competitie indeling voor het seizoen 2017-2018 [voetbalvereniging X] moet indelen in de hiervoor genoemde klasse totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is geoordeeld over de rechtsgeldigheid van het besluit van 25 juli 2017, op straffe van een dwangsom;
met veroordeling van de KNVB in de kosten van beide instanties.

6De beoordeling in kort geding

6.1

In hoger beroep heeft [voetbalvereniging X] aangevoerd dat zij (nog steeds) een spoedeisend belang heeft bij een oordeel van het hof, aangezien de competitie waar het hier om gaat zal starten op 24 september 2017. De KNVB heeft dit niet betwist, zodat ook het hof ervan uitgaat dat [voetbalvereniging X] een voldoende spoedeisend belang heeft.
6.2

De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de vraag voorligt of de commissie van beroep in redelijkheid tot haar besluit van 25 juli 2017 heeft kunnen komen en heeft daarbij als maatstaf genomen of de KNVB in strijd heeft gehandeld met artikel 2:15 BW.
Artikel 2:15 eerste lid BW luidt als volgt: 
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: 
a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen;
b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist; 
c. wegens strijd met een reglement.
Artikel 2:8 BW bepaalt: 
Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. 
2 Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.
Tegen toetsing aan deze maatstaf door de voorzieningenrechter zijn geen grieven aangevoerd, zodat ook het hof daar vanuit gaat.
Gelet op deze maatstaf zal de bodemrechter deze tuchtrechtelijke uitspraak met terughoudendheid hebben te toetsen en is in kort geding voor toewijzing van de vordering slechts plaats indien, ondanks de beperkingen van een kort gedingprocedure, op voorhand voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de tuchtrechtelijke uitspraak zal vernietigen.

6.3

Het hof ziet aanleiding allereerst het incidenteel beroep te behandelen, dat zich richt tegen de beslissing in het bestreden vonnis (in rechtsoverweging (r.o.) 4.7) om het besluit van 25 juli 2017 te schorsen, totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg is beslist over de vernietiging daarvan.
De advocaat van [voetbalvereniging X] heeft tijdens het pleidooi in hoger beroep verklaard geen bodemprocedure aanhangig te hebben gemaakt en dit ook niet van plan te zijn. Nog los van de vraag of de beslissing van de voorzieningenrechter, die als voorlopige ordemaatregel valt te kenschetsen, onder deze omstandigheden in stand kan blijven geldt het volgende.
De voorzieningenrechter heeft overwogen dat de commissie van beroep terecht heeft geoordeeld dat sprake is van grove of zwaar beledigende taal, het ten laste gelegde terecht heeft gekwalificeerd als collectief wangedrag als bedoeld in paragraaf 2.3.2 HTA en terecht aansluiting heeft gezocht bij de richtlijn, zoals vastgelegd in paragraaf 2.3.2.3 HTA. Volgens de voorzieningenrechter heeft de commissie in de gegeven omstandigheden echter niet in redelijkheid tot het (straftoemetings-)besluit kunnen komen. Hij heeft hiervoor verwezen naar de richtlijn collectief wangedrag, waarin (zoals hiervoor onder 3.3 weergegeven) voor het gebruiken van grove of zwaar beledigende taal tegenover een (assistent)scheidsrechter als strafmaat is bepaald: twee winstpunten in mindering en een boete van € 200,-. De commissie van beroep heeft [voetbalvereniging X] een boete van € 200,- opgelegd en haar uit de nacompetitie genomen. Blijkens de richtlijn collectief wangedrag wordt een vereniging pas uit de competitie genomen in geval van recidive van het gebruiken van buitensporig verbaal geweld tegenover (assistent)scheidsrechter(s); dat is [voetbalvereniging X] echter niet ten laste gelegd, noch de recidive van deze overtreding. Door [voetbalvereniging X] uit de competitie te nemen, wijkt de commissie van beroep verregaand af van de richtlijn collectief wangedrag, zonder dit voldoende te motiveren. Om die reden heeft de voorzieningenrechter het besluit van 25 juli 2017 geschorst.

6.4

Anders dan de voorzieningenrechter is het hof van oordeel dat er geen sprake is van (verregaand) afwijken van de richtlijn collectief wangedrag en (daarmee) ook niet van een (straftoemetings-)beslissing die onvoldoende gemotiveerd is.
De commissie van beroep heeft overwogen dat het opleggen van twee winstpunten in mindering in een play-off ronde in de nacompetitie geen effect heeft. Om die reden heeft de commissie van beroep, naast een geldboete van € 200,-, de sanctie opgelegd die genoemd staat in artikel 26 RTA lid 2 sub h, te weten het uit de nacompetitie halen van het team.
Daarmee gaat de commissie van beroep kennelijk uit van een lacune in de richtlijn collectief wangedrag. Dit acht het hof terecht, nu uit de inhoud van die richtlijn niet valt op te maken dat rekening is gehouden met het andersoortige effect dat in die richtlijn genoemde straffen en maatregelen hebben, indien niet toegepast in de reguliere competitie, maar in de nacompetitie. De KNVB heeft namelijk onweersproken betoogd dat het in mindering brengen van winstpunten in de play-off ronde van de nacompetitie geen effect heeft, omdat in die ronde geen ranglijst wordt opgemaakt; het gaat immers om het beste resultaat na twee wedstrijden. Het in mindering brengen van winstpunten kan voorts misbruik in de hand werken, aldus de KNVB. Als in de eerste wedstrijd van de play-off ronde wordt gewonnen, zou dat elftal in de tweede wedstrijd overtredingen kunnen maken (om de kans op winst en gelijkspel te vergroten) in de wetenschap dat die overtredingen slechts tot een straf van twee winstpunten zouden leiden, welke straf het doorgaan naar een volgende ronde in de nacompetitie niet verhindert.
In de wetenschap dat de in de richtlijn genoemde straf in de nacompetitie geen effect of een onbedoeld effect zou (kunnen) hebben, heeft de commissie van beroep dus gezocht naar een andere straf die wel recht zou doen aan de ernst van het (collectieve) wangedrag. De keuze van de commissie, in de gegeven omstandigheden, voor het uit de nacompetitie nemen als straf, acht het hof niet in strijd met de redelijkheid die artikel 2:15 BW verlangt. Het hof gaat uit van de strafmogelijkheden zoals genoemd in artikel 26 lid 2 RTA, die, zoals [voetbalvereniging X] heeft betoogd, in volgorde van licht tot zwaar staan opgesomd. Kennelijk heeft de commissie van beroep de lichtste straf, de berisping, ook in combinatie met een geldboete niet passend geacht voor het wangedrag waar het hier om gaat (het op grove wijze uitschelden van de scheidsrechter en assistent-scheidsrechter door de staf en wisselspelers van [voetbalvereniging X] , die zich van de bank en over de boarding in het speelveld begaven en zich niet lieten terugsturen). Hetzelfde geldt voor de straf bedoeld in art. 26 lid 2 sub f RTA, die slechts voorwaardelijk kan worden opgelegd. De commissie kon aldus wat betreft lichtere straffen dan nog slechts kiezen voor de straf onder d die tot hetzelfde resultaat zou hebben geleid, namelijk dat [voetbalvereniging X] 1 degradeert. Het hof is daarom van oordeel dat de commissie van beroep in redelijkheid tot haar beslissing heeft kunnen komen. Het voorgaande leidt er toe dat het oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 4.7 niet in stand kan blijven. De incidentele grief gaat dus op.

6.5

In het kader van de devolutieve werking dient te worden beoordeeld of de overige bezwaren van [voetbalvereniging X] tegen het besluit van de commissie van beroep die de voorzieningenrechter heeft verworpen dan wel onbesproken heeft gelaten, mogelijk opgaan.
Het hof is van oordeel dat dit niet het geval is. Dat het beginsel van hoor en wederhoor is geschonden kan niet worden gezegd nu [voetbalvereniging X] verweer heeft kunnen voeren en dat ook heeft gedaan. Het hof deelt verder het oordeel van de voorzieningenrechter in r.o. 4.6 dat de onregelmatigheden tijdens de wedstrijd zijn te kwalificeren als collectief wangedrag als bedoeld in paragraaf 2.3.2 HTA. Dat de desbetreffende scheldwoorden in de richting van de arbitrage zijn gebruikt kan ook worden afgeleid uit de verklaring van [persoon 1] . Overigens kan uit hetgeen door mr. [X] tijdens de zitting in hoger beroep naar voren is gebracht worden afgeleid dat hij de juistheid van de kwalificatie erkent.

6.6

Uit het voorgaande volgt dat er ook overigens geen grond is om het besluit van de commissie van beroep te vernietigen. De grieven in het principaal beroep (die er van uitgaan dat het besluit van de commissie van beroep vernietigd dient te worden wegens strijd met artikel 2:15 BW) behoeven geen behandeling meer.

7De slotsom

7.1

Zoals hiervoor overwogen gaat de grief in het incidentele appel op en behoeven de grieven in het principaal appel geen verdere behandeling. Het bestreden vonnis zal worden vernietigd en de vorderingen van [voetbalvereniging X] zullen worden afgewezen.
7.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof [voetbalvereniging X] in de kosten van beide instanties veroordelen.
De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van de KNVB zullen worden vastgesteld op:
– griffierecht € 619,-
– salaris advocaat € 816,-
Totaal € 1.435,-
De kosten voor de procedure in (principaal en incidenteel) hoger beroep aan de zijde van de KNVB zullen worden vastgesteld op:
– griffierecht € 716,-
– salaris advocaat € 1.788,- (2 punten ad appeltarief II ad € 894,- per punt)
Totaal € 2.504,-.

8De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep in kort geding:

vernietigt het tussen partijen gewezen vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Midden-Nederland van 10 augustus 2017 en opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen af;