Fusie en afsplitsing (Wandelsport)

Rechtbank Midden-Nederland 12 december 2014
ECLI:NL:RBMNE:2014:7376




Fusie van twee landelijke bonden, waarbij een regionale vereniging zijn lidmaatschap opzegt. Landelijke bond informeert (bepaalde) leden van de regionale vereniging over het gevolg daarvan, namelijk dat deze leden niet langer het landelijke blad zullen ontvangen en geen korting zullen krijgen op activiteiten van de gefuseerde landelijke bond. Een vrij groot van de leden zegt in reactie daarop het lidmaatschap van de regionale vereniging op. Regionale vereniging acht het onrechtmatig dat de landelijke bond de leden direct benaderde. Rechter oordeelt dat dit niet het geval was.

Vonnis in kort geding van 12 december 2014
in de zaak van de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
DE STICHT GOOISE WANDELSPORT BOND ,
eiseres, tegen

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
NEDERLANDSE WANDELSPORT BOND ,
gedaagde,

Partijen zullen hierna de SGWB en de NWB genoemd worden.

2De feiten

2.1.

De NWB is een nationale wandelsportbond. De SGWB is, samen met andere regionale wandelsportbonden, lid van de NWB.
2.2.

Wandelaars kunnen, al dan niet via lokale wandelsportorganisaties, lid worden van een regionale wandelsportbond. Zij kunnen er ook voor kiezen om (naast of in plaats van hun lidmaatschap bij een regionale wandelsportbond) rechtstreeks lid te worden van de NWB.
2.3.

In de Akte van Statutenwijziging van de NWB van 29 december 2011 is het volgende bepaald:
“ Artikel 3.
3. De NWB stelt zich ten doel het organiseren en het beoefenen van de wandelsport te bevorderen en alles te doen wat hiertoe kan leiden of bevorderlijk kan zijn, een en ander genomen in de ruimste zin van het woord.
(…).
Artikel 5.
LEDEN
5. De NWB kent als leden:
a. ereleden;
b. leden van verdienste;
c. bestuursleden;
d. regionale wandelsportbonden, hierna te noemen regionale bonden;
e. landelijke en/of regionale organisaties, hierna te noemen aangesloten organisaties;
f. rechtstreekse leden;
g. bijzondere leden.
Artikel 6.
DEFINITIES VAN DE LEDEN
(…).
6.4.

Een regionale bond is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid die zich richt op een door de NWB vastgesteld geografisch omschreven gebied.
(…).
6.6.

Rechtstreekse leden zijn natuurlijke personen:
a. woonachtig in gebieden waar met inachtneming van het hiervoor in artikel 6.4 bepaalde geen regionale bond, aangesloten bij de NWB, vertegenwoordigd is;
b. buiten Nederland woonachtig (tenzij lid van een regionale bond); of
c. die hebben verklaard te kiezen voor het rechtstreekse lidmaatschap van de NWB. 

2.4.

In artikel 3 van het Huishoudelijk reglement van de NWB is het volgende bepaald:
“ VERPLICHTINGEN
3.1.

Regionale bonden zijn verplicht ter kennis van hun leden te brengen dat statuten, huishoudelijk reglement en andere reglementen, bepalingen en besluiten van de NWB op hen van toepassing zijn.
3.2.

Regionale bonden moeten (aanvullende) ledenopgaven met vermelding van de ingangsdatum en wat betreft de leden-natuurlijke personen de gegevens met betrekking tot de voornaam, de achternaam, het adres, de woonplaats met de postcode (de zo genaamde NAW-gegevens), het geslacht en de geboortedatum) uiterlijk op de door de NWB aan te geven data inzenden aan de NWB.
(…) .”

2.5.

Omdat de SGWB lid is van de NWB ontvangen wandelaars die (al dan niet via een lokale wandelsportorganisatie) lid zijn van de SGWB, het magazine ‘Wandelen’ en het landelijk wandelprogramma (hierna: LWP), dat wordt uitgegeven door de NWB en de Koninklijke Nederlandse Bond voor Lichamelijke Opvoeding-Wandelsportorganisatie Nederland (hierna: KNBLO-NL), de andere nationale wandelsportbond. In het LWP is informatie opgenomen over alle wandeltochten en evenementen van de NWB en de KNBLO-NL. Aangesloten wandelaars ontvangen korting op die wandeltochten en evenementen.
2.6.

De NWB heeft het voornemen om, samen met de bij haar aangesloten regionale bonden die hier positief tegenover staan, op 1 januari 2015 te fuseren met de KNBLO-NL. De nieuwe bond zal de Koninklijke Wandel Bond Nederland (hierna: KWBN) gaan heten.
2.7.

Anders dan de meeste andere regionale wandelbonden heeft de SGWB zich tegenstander van de fusie getoond. Een meerderheid van de aanwezige leden op de algemene ledenvergadering van de SGWB van 17 mei 2014 heeft gestemd voor een zelfstandig voortbestaan van de SGWB en opzegging van het lidmaatschap van de SGWB bij de NWB als de fusie tussen de NWB en de KNBLO-NL doorgang zal vinden.
2.8.

Op 6 augustus 2014 hebben de NWB en de SGWB gezamenlijk vergaderd over de gevolgen van dit besluit van de SGWB. In de conceptnotulen van deze vergadering is het volgende vermeld:
“ 1. Opening
De voorzitters van beide besturen benadrukken nogmaals dat, in opdracht en in belang van beider verenigingen, zij alle openstaande punten op deze vergadering ‘netjes’ willen oplossen.

(…).

9Overstappende leden (individuele leden en verenigingen)

(…).
Op dit moment zijn er een aantal individuele leden die aan hebben gegeven dat zij lid willen worden van de NWB. Er zijn ook een aantal verenigingen die inmiddels lid zijn geworden van de NWB. (…). Het is aan de leden zelf om zich af te melden bij de SGWB. Men kan ook lid zijn van meerdere verenigingen (c.q. bonden). (…). 

2.9.

In de conceptnotulen van de bestuursvergadering van de NWB van 8 oktober 2014 is het volgende vermeld:
“ 7. Voortgang fusieproces met KNBLO-NL
a. Voortgang proces
(…).
b. Afhandeling SGBW
Er is 1 ½ maand geleden een gesprek tussen het bestuur van de NWB en de SGWB geweest en daarin zijn afspraken gemaakt. Er zijn nog stukken volgens afspraak nagezonden. De stukken zijn aangeleverd omdat de SGWB deze nodig heeft om hun leden te informeren (…).
De SGWB heeft haar leden tot op heden niet geïnformeerd over de consequenties van de verzelfstandiging. NWB vind dat zij zelf uiteindelijk de leden wel moet informeren als zorgplicht indien de SGWB dit niet doet. NWB zal dan in november een mailing sturen naar de individuele leden.
(…). 

2.10.

Bij brief van 18 november 2014 heeft de NWB het volgende laten weten aan leden van de SGWB:
“ Zoals u wellicht heeft gehoord of gelezen heeft uw regionale bond de SGWB in haar ledenvergadering van 21 mei 2014 besloten om zelfstandig door te gaan en zich niet aan te sluiten bij de fusie van alle regiobonden, KNBLO-NL en de NWB. De nieuwe bond wordt per 1 januari KWBN (Koninklijke Wandel Bond Nederland). (…). Per 1 januari 2015 zal de SGWB door de beslissing van haar ledenvergadering niet langer onderdeel uitmaken van een landelijke wandelbond.

Voor u als lid van de SGWB zal dit helaas consequenties hebben. U ontvangt bijvoorbeeld niet meer zoals u gewend was het blad NWB wandelen, het Landelijk Wandelprogramma (LWP) en de korting bij de landelijke wandeltochten.

Als u wel het magazine, het LWP en de korting wenst te ontvangen dan kunt u nu rechtstreeks lid worden van de NWB. Indien u zich voor 1 december a.s. aanmeldt voor het lidmaatschap 2015 dan ontvangt u wel het LWP 2015 met daarin alle wandeltochten van KWBN van het jaar 2015, u krijgt in 2015 het magazine toegestuurd en u behoudt de korting bij de wandeltochten van de KWBN. (…).

Indien u wilt opzeggen voor het jaar 2015 bij de SGWB dan dient u uw lidmaatschap bij de SGWB vóór 1 december 2014 op te zeggen bij het secretariaat van de SGWB door een e-mail te sturen naar ledenadministratie@sgwb.nl. Beschikt u niet over e-mail dan volstaat een briefje. Dit kunt u aan het bondsbureau van de Nederlandse Wandelsport Bond richten. Het adres vindt u bovenaan deze brief. Wij zorgen er dan voor dat uw opzegging terecht komt bij de SGWB.

Om vervolgens lid te worden van de NWB kunt u uw aanmelding doen via onze website www.nwb-wandelen.nl/lid worden, of contact opnemen met het bondsbureau via e-mail info@nwb-wandelen.nl of tijdens kantooruren telefonisch via telefoonnummer 030-2319458. Nadat u overgestapt bent ontvangt u van ons weer wat u voorheen gewend was.

(…). 

2.11.

Vorig jaar waren circa 9.000 wandelaars lid van de SGWB. Ongeveer 500 leden hebben na de ontvangst van voormelde brief hun lidmaatschap van de SGWB opgezegd.

3Het geschil en de beoordeling daarvan

3.1.

De SGWB heeft gevorderd dat de voorzieningenrechter de NWB bij vonnis in kort geding, uitvoerbaar bij voorraad op de minuut en op alle dagen en uren zal veroordelen tot:
  • betaling van € 5.000,00, bij wijze van voorschot op nader bij staat op te maken schade,
  • het uiterlijk twee dagen na betekening van dit vonnis publiceren en aan al zijn leden versturen van een rectificatie, die de instemming van de SGWB heeft, waarin expliciet dient te worden benadrukt dat een lidmaatschap van beide verenigingen mogelijk is en waarin de NWB erkent onrechtmatig en onsportief te hebben gehandeld door op te roepen het lidmaatschap van de SGWB op te zeggen en onjuiste, althans onvolledige informatie te hebben verstrekt,
  • mededeling aan de SGWB-leden die de NWB hebben verzocht hun lidmaatschap van de SGWB op te zeggen, dat de NWB niet tot uitvoering daarvan over mag gaan,
  • betaling van een dwangsom van € 2.500,00 voor elke dag of deel daarvan dat de NWB niet voldoet aan de vorenbedoelde rectificatie en mededeling,
  • betaling van de proceskosten, waaronder de nakosten, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis, bij gebreke waarvan deze kosten zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag.
3.2.

De SGWB heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat de NWB voor de verzending van de brief van 18 november 2014 onrechtmatig gebruik heeft gemaakt van de ledenbestanden van de SGWB, omdat die slechts tot haar beschikking staan om het magazine ‘NWB Wandelen’ te kunnen verspreiden en de leden van de SGWB van relevante informatie te kunnen voorzien, niet om hen te bewegen tot het opzeggen van hun lidmaatschap. Door de leden van de SGWB te bewegen tot het opzeggen van hun lidmaatschap heeft de NWB bovendien gehandeld in strijd met de tussen haar en de SGWB gemaakte afspraken, waaronder de afspraak om “niet in elkaars vijver te vissen”. Ook dat is onrechtmatig jegens de SGWB. De SGWB lijdt bovendien schade, omdat haar leden gehoor geven aan de oproep tot het opzeggen van hun lidmaatschap.
3.3.

De NWB heeft verweer gevoerd. Dat verweer komt erop neer dat het bestuur van de SGWB haar leden, ondanks herhaald verzoek daartoe door de NWB, onvoldoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van het besluit tot verzelfstandiging. Het laatste verzoek is op 9 november 2014 telefonisch geuit, aldus de NWB. De NWB heeft uiteengezet dat de leden van de SGWB, als lid van de NWB, na de fusie van rechtswege lid zullen zijn van de KWBN en dat zij derhalve contributie zullen moeten voldoen aan de KWBN. Daar staan dan alle voordelen van dit lidmaatschap (het magazine ‘Wandelen’, het LWP en de korting op wandeltochten en evenementen) tegenover. Maar de leden van de SGWB zullen na de verzelfstandiging van de SGWB ook aan de SGWB contributie moeten afdragen. Als zij niet overgaan tot opzegging van één van beide lidmaatschappen, zullen zij derhalve geconfronteerd worden met extra kosten. Nu betalen de leden van de SGWB namelijk slechts één jaarlijks contributiebedrag, dat door de SGWB en de NWB wordt verdeeld. Omdat de SGWB haar leden hierover – volgens de NWB ten onrechte – niet heeft geïnformeerd, heeft de NWB, met inachtneming van het bepaalde in artikel 3 van haar statuten, gemeend die noodzakelijke informatie zelf te moeten verstrekken aan de circa 850 SGWB-leden die geen lid zijn van een lokale wandelsportorganisatie en die dus geen informatie hebben ontvangen van een lokale wandelsportorganisatie. Alleen aan deze circa 850 leden van de SGWB heeft zij de brief van 18 november 2014 verzonden, aldus de NWB.
3.4.

De NWB heeft voorts aangevoerd dat zij ingevolge artikel 3 van haar huishoudelijk reglement over de NAW-gegevens van deze 850 aangeschreven leden beschikt en dat zij deze gegevens daarom niet onrechtmatig heeft gebruikt. Ook heeft zij niet in strijd gehandeld met de gestelde tussen partijen gemaakte afspraak om niet “in elkaars vijver te vissen”, omdat een dergelijke afspraak, die ook niet in de conceptnotulen is vermeld, volgens haar niet is gemaakt. Zo’n afspraak zou volgens de NWB ook onzinnig zijn geweest, aangezien de aangeschreven leden immers ook lid zijn van de NWB. Tot slot heeft de NWB aangevoerd dat eventuele schade van de SGWB niet kan worden toegerekend aan de NWB.
3.5.

De SGWB heeft in reactie op het verweer van de NWB naar voren gebracht dat zij haar leden wel degelijk, en bij herhaling, afdoende heeft geïnformeerd over de gevolgen van de fusie. Zo heeft zij haar leden in mei 2014 uitgenodigd voor een extra ledenvergadering, waar zij haar leden heeft laten weten dat zij na de verzelfstandiging het magazine ‘Wandelen’ en het LWP niet meer zouden ontvangen, en heeft zij hen laten weten dat de contributie in 2015 op het niveau van 2014 zal blijven. Ook in een extra vergadering op 4 november 2014 zijn de leden nog eens geïnformeerd, al heeft de focus toen gelegen op wat de SGWB haar leden na de verzelfstandiging zelf te bieden heeft. Hoewel de korting op LWP-activiteiten zal komen te vervallen, zullen de leden na de verzelfstandiging namelijk nog steeds wandelinformatie ontvangen, vergelijkbaar met het LWP, maar dan van de SGWB zelf. Dat heeft de SGWB hen op 4 november 2014 laten weten. Verder heeft zij haar leden bij die gelegenheid een presentatie gegeven over het strategisch plan. De opkomst op deze vergadering was beduidend hoger dan normaal, zeker 60 à 70 personen zijn hier naartoe gekomen. Desgevraagd heeft de SGWB gesteld niet te weten welke informatie de onder haar ressorterende lokale wandelsportorganisaties aan hun leden hebben verstrekt met betrekking tot de verzelfstandiging van de SGWB, maar dat is haars inziens niet van belang, aangezien zij deze leden zelf afdoende heeft geïnformeerd. De SGWB heeft erkend dat circa 850 van haar leden niet aangesloten zijn bij een lokale wandelsportorganisatie.
3.6.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter had het primair op de weg van de SGWB zelf, de zich afscheidende bond, gelegen om haar leden tijdig voor te lichten over de precieze gevolgen daarvan. De voorzieningenrechter overweegt dat de SGWB niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij voldoende informatie heeft gegeven. Gesteld noch aannemelijk is immers geworden dat de door SGWB verstrekte informatie meer leden heeft bereikt dan de 60 à 70 die aanwezig zijn geweest op de ingelaste extra ledenvergaderingen van 17 mei en 4 november 2014. Dat is minder dan 1% van het totale ledental van de SGWB. Nu de SGWB in dit verband bovendien ter zitting heeft medegedeeld niet te weten of (en zo ja, hoe) de lokale wandelsportorganisaties hun leden hebben geïnformeerd, acht de voorzieningenrechter het niet voldoende aannemelijk dat het merendeel van de leden van de SGWB voldoende is geïnformeerd over de gevolgen die de verzelfstandiging van de SGWB voor hen zal hebben. Het vermoeden van onvoldoende informatieverstrekking door de SGWB op dit punt wordt versterkt door de omstandigheid dat circa 500 van de 850 leden die de brief van 18 november 2014 hebben ontvangen, hebben gereageerd met opzegging van hun lidmaatschap van de SGWB. Gelet op de inhoud van die brief acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat deze leden zich tot dat moment niet hadden gerealiseerd dat SGWB-leden vanaf 2015 geen recht meer zullen hebben op de korting op de wandeltochten en evenementen van de NWB/KNBLO-NL (KNWB), terwijl die korting, naar de voorzieningenrechter begrijpt, toch een wezenlijk element is van het lidmaatschap van een wandelvereniging of -bond.
3.7.

Bij gebreke van voldoende tijdige voorlichting door de SGWB is het begrijpelijk dat de NWB heeft gemeend die informatie zelf te moeten verstrekken, in ieder geval aan die leden die niet kunnen zijn geïnformeerd door hun lokale wandelsportorganisatie. Dat geldt temeer nu de NWB onbetwist heeft aangevoerd dat artikel 3 van haar statuten daartoe noopt. Dat de NWB de bewuste brief heeft verzonden, kan haar dan ook niet worden tegengeworpen, zodat het gestelde onrechtmatig handelen niet kan worden aangenomen. Datzelfde geldt met betrekking tot het gebruik van de ledenbestanden van de SGWB. Ook dat kan de NWB niet worden tegengeworpen, nu voldoende aannemelijk is dat de leden van de SGWB ook gebonden zijn aan de statuten en reglementen van de NWB. Dat in de brief van 18 november 2014 niet is vermeld dat een lidmaatschap van zowel de SGWB als de fusiebond mogelijk is, terwijl partijen daarover wel overeenstemming hadden bereikt, maakt het voorgaande niet anders. Aldus moeten de vorderingen van SGWB worden afgewezen.
3.8.

4De beslissing

De voorzieningenrechter
4.1.

wijst de vorderingen af,
4.2.

Afsplitsing afdeling (Kruisvereniging)

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch
http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:GHSHE:2014:2777

Grotendeels onsuccesvol hoger beroep van Rb. ZWB 8 januari 2014. Kan een vereniging die afdeling is van een overkoepelende afdeling, maar geen lid, het afdelingsverband beëindigen?
Constructie waarbij verenigingen afdeling zijn van een overkoepelende vereniging, maar alleen natuurlijke personen lid zijn van (steeds allebei) de verenigingen. Afdeling scheidt zich af. Dat kan, oordeelt het hof, onder verwijzing naar HR 28 oktober 2011, LJN BQ9854 (De Ronde Venen/SNU) over de opzegging van duurovereenkomsten. Het hof overweegt in r.o. 6.2.1, naar mijn mening tamelijk apodictisch:

“In conventie gaat het om de vraag of [de afdeling] de samenwerking met [de federatie] en haar positie als afdeling [] kan beëindigen. Die vraag dient naar het oordeel van het hof bevestigend te worden beantwoord. De omstandigheid dat de plaatselijke kruisverenigingen indertijd [de federatie] hebben opgericht, tot de statutenwijziging van 30 januari 1992 lid waren van [de federatie] en daarna als afdelingen [] zijn gaan functioneren, brengt wel mee dat [de afdeling] zich bij haar handelen mede moet laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van [de federatie] en van de leden die zij namens [de federatie] heeft aangenomen en die daarmee lid werden van zowel [de federatie] als [de afdeling]. De verstrekkende consequentie die [de federatie] daaraan wil verbinden, te weten dat [de afdeling] nimmer buiten [de federatie] om haar status als afdeling zou kunnen beëindigen, kan daaraan echter niet worden verbonden. Dit geldt temeer nu iedere overeenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en waarin omtrent een opzegging in de wet, statuten of overeenkomst niets is bepaald, in beginsel opzegbaar is (vgl. HR 28 oktober 2011, LJN BQ9854).”



In zijn arrest van 28 oktober 2011 stelde de HR voorop dat: “Indien, zoals hier, wet en overeenkomst niet voorzien in een regeling van de opzegging, geldt dat de overeenkomst in beginsel opzegbaar is. De eisen van redelijkheid en billijkheid kunnen in verband met de aard en inhoud van de overeenkomst en de omstandigheden van het geval meebrengen dat opzegging slechts mogelijk is indien een voldoende zwaarwegende grond voor de opzegging bestaat” (cursivering toegevoegd). Het hof lijkt in zijn arrest de vraag te vermijden of in dit geval een voldoende zwaarwegende grond vereist was (niet onwaarschijnlijk) en zo ja, of die aanwezig was, gelet op alle omstandigheden van het geval. Door de vraag voorop te stellen of een afdeling nimmer uit een afdelingsverband te treden, hoeft niet in te worden gegaan op wat de kern van de zaak lijkt te zijn. Mogelijk gaf het partijdebat er geen aanknopingspunt voor.

De samenvatting op rechtspraak.nl is verwarrend: “Kan vereniging/ rechtspersoon die afdeling is van andere vereniging/rechtspersoon relatie met de overkoepelende vereniging beëindigen?”: Een vereniging is altijd een rechtspersoon. Niet elke afdeling is een vereniging, of een andere rechtspersoon, afdelingen zonder rechtspersoonlijkheid bestaan inderdaad.

arrest van 12 augustus 2014
in de zaak van
de vereniging De Kruisvereniging West-Brabant, voorheen genaamd Regionale Kruisvereniging West-Brabant ,
appellante, tegen de vereniging Kruiswerk voor U, gemeente [vestigingsplaats 2], geïntimeerde,

als vervolg op het door het hof gewezen arrest in incident van 4 maart 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:615)

 in het hoger beroep van het door de rechtbank Zeeland-West-Brabant onder zaaknummer C/02/260939/Ha Za 13-170 gewezen vonnis van 8 januari 2014 (ECLI:NL:RBZWB:2014:290) tussen appellante – Kruisvereniging West-Brabant – als eiseres in conventie, verweerster in reconventie en geïntimeerde – Kruiswerk voor U – als gedaagde in conventie, eiseres in reconventie.

5Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
– het arrest in het incident ex art. 351 Rv van 4 maart 2014, waarbij de vordering van
Kruisvereniging West-Brabant in het incident werd afgewezen;
  • de memorie van antwoord van Kruiswerk voor U (met één productie);
  • het pleidooi in hoger beroep waarbij door beide partijen een pleitnota is overgelegd en waarbij door Kruiswerk voor U nog twee producties in het geding zijn gebracht.
Partijen hebben arrest gevraagd.

6De beoordeling

6.1.1. Het gaat in deze zaak om het volgende:
  1. Kruisvereniging West-Brabant is bij notariële akte van 10 augustus 1984 (inl. dagv. prod. 1) opgericht door een aantal plaatselijke kruisverenigingen, waaronder de Kruisverenigingen [vestigingsplaats 2], [vestigingsplaats 3], [vestigingsplaats 4] en [vestigingsplaats 5], rechtsvoorgangers van Kruiswerk voor U. Leden waren ingevolge de in de oprichtingsakte opgenomen statuten “ de volledige rechtsbevoegdheid bezittende basiskruisverenigingen” (art. 6 statuten). De algemene vergadering bestond uit 2 daartoe aangewezen bestuursleden van elk der basiskruisverenigingen (art. 9 statuten).
  2. Bij notariële akte van 30 januari 1992 (prod. 3 inl. dagv.) zijn de statuten van Kruisvereniging West-Brabant gewijzigd. Het begrip Afdeling werd geïntroduceerd (p.1) en omschreven als: “Een volledig rechtsbevoegde plaatselijke vereniging voor thuisgezondheidszorg, die als instelling van particulier initiatief de gezondheidszorg behartigt in één of meer gemeenten of een deel van een gemeente.” In art. 4 van de nieuwe statuten is verder bepaald : “Uitsluitend natuurlijke personen kunnen lid worden met in achtneming van het navolgende: a. leden zijn de namens het bestuur door het afdelingsbestuur als zodanig aangenomen personen. Lidmaatschap van de vereniging en lidmaatschap van de afdeling vallen met elkaar samen; (…)” 

    In art. 6 lid 1 van de nieuwe statuten is bepaald dat de Kruisvereniging West-Brabant is verdeeld in afdelingen. In art. 6 lid 2 staan onder de ten tijde van het verlijden van de akte van 30 januari 1992 toegelaten afdelingen onder meer de rechtsvoorgangers van Kruiswerk voor U vermeld. In artikel 7 lid 2 is bepaald: “De algemene vergadering bestaat uit afgevaardigden van de afdelingen of hun plaatsvervangers. Door en uit iedere afdelingsvergadering wordt één afgevaardigde en één plaatsvervanger gekozen. (…)”

  3. De doelomschrijving van Kruisvereniging West-Brabant is in de statuten verwoord als (art. 2): “Devereniging heeft zonder winstoogmerk tot doel: het organiseren van activiteiten die de totstandkoming en instandhouding van een op de behoefte van de bevolking afgestemd stelsel van gezondheidsvoorzieningen kunnen bevorderen, in het bijzonder op het terrein van de thuiszorg.” 

    Als middelen om dat doel te bereiken worden in art. 3 onder meer genoemd: “a. het behartigen van de belangen van de leden in de ruimste zin van het woord; b. het ondersteunen en stimuleren van door afdelingen te ondernemen activiteiten; (…) i. het verzorgen van de (leden)administratie ten behoeve van de afdelingen; (…)”

  4. Kruiswerk voor U is ontstaan door fusie van de Kruisverenigingen [vestigingsplaats 4], [vestigingsplaats 3], en [vestigingsplaats 2] en het Wit-Gele Kruis te [vestigingsplaats 5] (notariële akte 5 juni 2008, prod. bij akte Kruisvereniging West-Brabant d.d. 18 november 2013).
  5. Bij brief van 20 oktober 2012 (prod. 4 inl. dagv.) heeft Kruiswerk voor U aan Kruisvereniging West-Brabant onder opgave van redenen bericht dat zij met ingang van 1 januari 2013 zelfstandig verder zouden gaan en zich zouden afzonderen van Kruisvereniging West-Brabant.
  6. Kruisvereniging West-Brabant heeft bij brief van 10 december 2012 (prod. 5 inl. dagv.) te kennen gegeven dat zij, kort samengevat, een afscheiding van Kruiswerk voor U niet accepteert en onrechtmatig acht.
6.1.2. Kruisvereniging West-Brabant heeft Kruiswerk voor U in rechte betrokken en, na vermeerdering van eis, in conventie gevorderd, kort samengevat:
I. een verklaring voor recht dat (1) Kruiswerk voor U niet bevoegd is zich als afdeling af te splitsen en (2) onrechtmatig handelt indien zij dat doet of heeft gedaan;
II. een verbod aan Kruiswerk voor U om (a) zich als afdeling van Kruisvereniging West-Brabant af te scheiden, (b) leden van Kruisvereniging West-Brabant te bewegen hun lidmaatschap van Kruisvereniging West-Brabant te beëindigen en (c) leden van Kruisvereniging West-Brabant te benaderen met ongunstige berichtgeving over Kruisvereniging West-Brabant, waaronder begrepen a) mededelingen of suggesties dat die leden geen lid (meer) zijn van Kruisvereniging West-Brabant en b) onware mededelingen over de status van Kruiswerk voor U;
III. een en ander op straffe van verbeurte van een dwangsom.
6.1.3.

Kruiswerk voor U heeft de vorderingen in conventie gemotiveerd weersproken en in reconventie gevorderd, kort samengevat:
I. betaling door Kruisvereniging West-Brabant van primair een bedrag van € 188.888.75, subsidiair een bedrag van € 4.657,50, als aan Kruiswerk voor U toekomend aandeel in de door Kruisvereniging West-Brabant voor 2013 geïnde ledenbijdragen, te vermeerderen met wettelijke rente;
II. afgifte door Kruisvereniging West-Brabant, op straffe van verbeurte van een dwangsom, van het adressenbestand van de leden van Kruiswerk voor U;
6.1.4.

De rechtbank heeft bij vonnis van 8 januari 2014 de vorderingen van Kruisvereniging West-Brabant in conventie afgewezen en in reconventie de subsidiaire vordering onder I, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 29 mei 2013 (14 dagen na het nemen van de conclusie van eis in reconventie), en de vordering onder II toegewezen (met maximering van de gevorderde dwangsom tot een bedrag van € 10.000,=) toegewezen.
6.1.5.

Kruisvereniging West-Brabant is van die beslissing in hoger beroep gekomen. Zij heeft tegen het vonnis van 8 januari 2014 negen grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van dat vonnis, toewijzing alsnog van haar vorderingen in conventie en afwijzing alsnog van de vorderingen van Kruiswerk voor U in reconventie en tot terugbetaling van hetgeen zij ingevolge de veroordeling bij het beroepen vonnis aan Kruiswerk voor U heeft betaald. De grieven I t/m VI betreffen de beslissing in conventie, de grieven VIII en IX zijn gericht tegen de beslissing in reconventie. Grief VII is gericht rechtsoverweging 3.6 van het vonnis waarvan beroep. Het hof acht door de grieven het geschil in volle omvang aan zijn oordeel onderworpen en zal de grieven niet alle afzonderlijk bespreken.
6.2.1.

In conventie gaat het om de vraag of Kruiswerk voor U de samenwerking met Kruisvereniging West-Brabant en haar positie als afdeling van Kruisvereniging West-Brabant kan beëindigen. Die vraag dient naar het oordeel van het hof bevestigend te worden beantwoord. De omstandigheid dat de plaatselijke kruisverenigingen indertijd Kruisvereniging West-Brabant hebben opgericht, tot de statutenwijziging van 30 januari 1992 lid waren van Kruisvereniging West-Brabant en daarna als afdelingen van Kruisvereniging West-Brabant zijn gaan functioneren, brengt wel mee dat Kruiswerk voor U zich bij haar handelen mede moet laten leiden door de gerechtvaardigde belangen van Kruisvereniging West-Brabant en van de leden die zij namens Kruisvereniging West-Brabant heeft aangenomen en die daarmee lid werden van zowel Kruisvereniging West-Brabant als Kruiswerk voor U. De verstrekkende consequentie die Kruisvereniging West-Brabant daaraan wil verbinden, te weten dat Kruiswerk voor U nimmer buiten Kruisvereniging West-Brabant om haar status als afdeling zou kunnen beëindigen, kan daaraan echter niet worden verbonden.

Dit geldt temeer nu iedere overeenkomst die voor onbepaalde tijd is aangegaan en waarin omtrent een opzegging in de wet, statuten of overeenkomst niets is bepaald, in beginsel opzegbaar is (vgl. HR 28 oktober 2011, LJN BQ9854). In de statuten van Kruisvereniging West-Brabant van 30 januari 1992 zijn de rechtsvoorgangers van Kruiswerk voor U vermeld onder de op dat moment als afdeling toegelaten rechtspersonen doch daaruit kan niet worden geconcludeerd dat de relatie tussen Kruisvereniging West-Brabant en de als afdelingen toegelaten rechtspersonen niet opzegbaar zou zijn.

6.2.2.

Het hof ziet in hetgeen door Kruisvereniging West-Brabant met betrekking tot de opzegging door Kruiswerk voor U is gesteld evenmin bijzondere omstandigheden gelegen die de afscheiding anderszins, bijvoorbeeld door de wijze waarop deze is geschied, onrechtmatig doen zijn. Uit de aard van de relatie tussen Kruisvereniging West-Brabant en Kruiswerk voor U en de bijzondere bepalingen in de statuten van Kruisvereniging West-Brabant (zoals de in r.o. 4.1.1 onder b gerelateerde artikelen 4 en 6 van de statuten) vloeit voort dat de beëindiging door Kruiswerk voor U van haar positie als afdeling van Kruisvereniging West-Brabant tot het treffen van maatregelen noopt. Zo zal Kruisvereniging West-Brabant voor haar leden die Kruiswerk voor U als afdeling hadden een andere vertegenwoordigingsmogelijkheid in haar algemene ledenvergadering moeten zoeken, bijvoorbeeld door die leden aan een andere afdeling toe te voegen dan wel voor die leden een nieuwe plaatselijke afdeling in het leven te roepen. Verder zal dienen te worden bezien wat de afscheiding van Kruiswerk voor U betekent voor het lidmaatschap van die leden die door Kruiswerk voor U (als afdeling van Kruisvereniging West-Brabant) namens Kruisvereniging West-Brabant zijn aangenomen en op grond van art. 4 van de statuten van Kruisvereniging West-Brabant lid van beide verenigingen zijn. Door Kruisvereniging West-Brabant is echter niet concreet gesteld dat dergelijke omstandigheden de opzegging van de relatie door Kruiswerk voor U door de wijze waarop deze is opgezegd of door de daarbij in acht genomen termijn onrechtmatig zouden doen zijn. Zonder verdere, door Kruisvereniging West-Brabant niet gegeven, toelichting leiden voormelde omstandigheden het hof ook niet anderszins tot die conclusie. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat Kruisvereniging West-Brabant zich uitsluitend op de onmogelijkheid van afscheiding door Kruiswerk voor U heeft beroepen en niet (subsidiair) een langere termijn heeft verzocht om tot beëindiging te komen. Verder neemt het hof in aanmerking dat Kruisvereniging West-Brabant zelf de ledenadministratie voerde, zodat zij zelfstandig en onafhankelijk van Kruiswerk voor U haar leden die Kruiswerk voor U als afdeling hadden van de beëindiging van die status van Kruiswerk voor U in kennis had kunnen stellen.
6.2.3.

Het voorgaande betekent dat het hof ten aanzien van de vorderingen van Kruisvereniging West-Brabant in conventie niet tot een ander oordeel komt dan de rechtbank en dat de tegen dat oordeel aangevoerde grieven I t/m VI worden verworpen. Het hof merkt hierbij nog op dat Kruisvereniging West-Brabant tegen de overweging van de rechtbank aan het slot van r.o. 3.5 van het beroepen vonnis – dat niet is gebleken van onjuiste mededelingen van de zijde van Kruiswerk voor U – geen concrete of impliciete grief heeft aangevoerd.
6.2.4.

In grief VII komt Kruisvereniging West-Brabant op tegen de overweging van de rechtbank in r.o. 3.6 van het vonnis van 8 januari 2014 ‘ dat partijen hun relatie dienen te ontvlechten’. Het betreft hier geen op zichzelf staande overweging en geen overweging waarop de rechtbank een of meer van haar beslissingen heeft doen steunen. De rechtbank heeft partijen alleen gewezen op het feit dat op grond van art. 2:8 lid 1 BW een rechtspersoon en degenen die bij haar organisatie betrokken zijn zich zodanig jegens elkaar dienen te gedragen als door de redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. De rechtbank is er voorts in het licht van haar – door het hof juist bevonden – oordeel, dat de wegen van Kruisvereniging West-Brabant en Kruiswerk voor U kunnen scheiden, vanuit gegaan dat dit tot gevolg heeft dat een ontvlechting tussen Kruisvereniging West-Brabant en Kruiswerk voor U zal moeten plaatsvinden en heeft partijen geattendeerd op de ook daarbij in acht te nemen gedragsregel van art. 2:8 lid 1 BW. Nu in de gewraakte passage naar het oordeel van het hof geen sprake is van enige buiten de grenzen van het geschil gegeven oordeel waaraan doorslaggevende betekenis toekomt voor een of meer van de in conventie en/of reconventie gegeven beslissingen, kan ook deze grief geen doel treffen.
6.3.1.

Grief VIII is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat een deel van de door Kruisvereniging West-Brabant voor het jaar 2013 geïnde contributie van de leden voor wie Kruiswerk voor U tot 1 januari 2013 de plaatselijke afdeling was aan Kruiswerk voor U moet worden afgedragen. De rechtbank volgde bij deze beslissing Kruiswerk voor U in haar stelling dat de door Kruisvereniging West-Brabant geïnde contributies voor een deel via de plaatselijke afdelingen aan de leden ten goede kwamen en dat Kruiswerk voor U na de afscheiding zelfstandig de beschikking over dat deel van de ledencontributie moet krijgen. Kruisvereniging West-Brabant acht dat oordeel niet juist. Volgens haar heeft de beëindiging van de relatie tussen partijen tot gevolg dat Kruiswerk voor U, indien zij geen afdeling meer is van Kruisvereniging West-Brabant, ook geen aanspraak meer kan maken op gelden die Kruisvereniging West-Brabant aan de afdelingen doet toekomen.
6.3.2.

Het hof acht deze grief gegrond. Kruiswerk voor U (c.q. haar rechtsvoorgangers) was aanvankelijk als lokale kruisvereniging lid van Kruisvereniging West-Brabant en stemde in met de statutenwijziging van 30 januari 1992 waarbij de constructie in het leven werd geroepen van Kruisvereniging West-Brabant als regionale kruisvereniging met de toegelaten lokale kruisverenigingen als afdelingen en natuurlijke personen als leden van beide verenigingen. Leden dienen zich op te geven bij Kruisvereniging West-Brabant of bij de afdeling waaronder de woonplaats van de betrokkene ressorteert (statuten Kruisvereniging West-Brabant art. 4 sub g). Leden van Kruisvereniging West-Brabant worden namens het bestuur van Kruisvereniging West-Brabant door het afdelingsbestuur aangenomen. Lidmaatschap van Kruisvereniging West-Brabant en van de afdeling vallen met elkaar samen (statuten Kruisvereniging West-Brabant art. 4 onder a). De leden zijn gehouden aan de vereniging een door de algemene ledenvergadering vastgestelde contributie te betalen (statuten Kruisvereniging West-Brabant art. 4 onder h). Naar het oordeel van het hof blijkt uit voormelde bepalingen dat het gelijktijdig lidmaatschap van Kruisvereniging West-Brabant en een lokale kruisvereniging/afdeling nauw verbonden is met de positie van de lokale kruisvereniging in Kruisvereniging West-Brabant en dat de contributie een door de algemene ledenvergadering van Kruisvereniging West-Brabant vastgestelde contributie behelst voor het lidmaatschap van Kruisvereniging West-Brabant. Het feit dat Kruisvereniging West-Brabant een deel van de contributies via de afdelingen aan haar leden (die gelijktijdig lid zijn van een afdeling) ten goede doet komen, brengt niet mee dat dat deel van de contributie als een contributie voor het lidmaatschap van de lokale kruisvereniging zou moeten worden beschouwd. Kruisvereniging West-Brabant stelt terecht dat met de beëindiging door Kruiswerk voor U van haar relatie met Kruisvereniging West-Brabant en het niet langer functioneren door Kruiswerk voor U als afdeling van Kruisvereniging West-Brabant onverbrekelijk verbonden is dat Kruiswerk voor U ook van de aan of ten behoeve van een afdeling aangewende gelden niet meer kan profiteren. Het is aan Kruiswerk voor U om in haar van Kruisvereniging West-Brabant onafhankelijke positie van de leden die lid van haar willen blijven of worden zelf een contributie te vragen. En het is aan de desbetreffende leden van Kruisvereniging West-Brabant om te bepalen of zij in de nieuwe positie van Kruiswerk voor U tevens lid van Kruiswerk voor U willen blijven.
6.3.3.

In grief IX komt Kruisvereniging West-Brabant op tegen de toewijzing door de rechtbank tot afgifte aan Kruiswerk voor U van een kopie van het ledenbestand van die leden van Kruisvereniging West-Brabant die tevens lid waren van Kruiswerk voor U. Deze grief faalt. Nu het gaat om leden die tevens lid waren (en mogelijk willen blijven) van Kruiswerk voor U, is er geen reden waarom Kruiswerk voor U niet zelf over de adressen van die leden zou mogen beschikken.
6.4.1.

Het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd voor wat betreft de veroordeling van Kruisvereniging West-Brabant in reconventie tot betaling aan Kruiswerk voor U van een bedrag van € 4.657,50, te vermeerderen met wettelijke rente. Het hof zal die vordering van Kruiswerk voor U alsnog afwijzen. Nu daarmee in reconventie partijen over en weer op enig punt in het ongelijk zijn gesteld, zal het hof het vonnis in reconventie eveneens vernietigen ten aanzien van de beslissing over de proceskosten. Het hof zal, opnieuw recht doende, de proceskosten van de eerste aanleg in reconventie tussen partijen in die zin compenseren dat iedere partij de eigen kosten draagt. Voor het overige zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.
6.4.2.

De vordering van Kruisvereniging West-Brabant tot terugbetaling van hetgeen zij ingevolge het vonnis waarvan beroep heeft betaald, zal worden toegewezen voor zover betreffende het in reconventie toegewezen bedrag van € 4.657,50, te vermeerderen met wettelijke rente, en de proceskostenveroordeling in reconventie. Kruisvereniging West-Brabant zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het hoger beroep worden verwezen. Gelet op het voor tarief II van het liquidatietarief geldende maximum van 3 punten en in aanmerking genomen de in het vonnis in het incident reeds uitgesproken veroordeling van Kruisvereniging West-Brabant in de proceskosten, zal het hof thans voor het salaris advocaat nog slechts 2 punten rekenen. Gezien de vordering van beide partijen daartoe, zal dit arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

7De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van 8 januari 2014 ten aanzien van (a) de veroordeling van Kruisvereniging West-Brabant in reconventie tot betaling van een bedrag van € 4.657,50, te vermeerderen met wettelijke rente en (b) de veroordeling van Kruisvereniging West-Brabant in reconventie in de aan de zijde van Kruiswerk voor U gevallen proceskosten, en in zoverre opnieuw rechtdoende:
( a) wijst de vordering van Kruiswerk voor U tot betaling van voormeld bedrag af;
( b) compenseert de proceskosten van de eerste aanleg in reconventie in die zin tussen partijen dat iedere partij de eigen kosten draagt;
bekrachtigt het vonnis van 8 januari 2014 in conventie en in reconventie voor al het overige;

veroordeelt Kruiswerk voor U tot terugbetaling aan Kruisvereniging West-Brabant van hetgeen Kruisvereniging West-Brabant ter voldoening aan de hiervoor vernietigde onderdelen van het vonnis van 8 januari 2014 aan Kruiswerk voor U heeft betaald;

Kantonrechtersarbitrage bij geschil met vereniging (Kaatsbond)



Rechtbank Noord-Nederland 1 augustus 2014 (KNKB)
ECLI:NL:RBNNE:2014:3866

Bij een “klein” geschil tussen een lid en een vereniging kan “kantonrechtersarbitrage” op grond van art. 96 Rv een nuttige route zijn, als beide partijen er mee instemmen om het geschil via die route op te lossen. Het moet wel gaan om een zaak  “die slechts rechtsgevolgen betref[t] die ter vrije bepaling van partijen staan”, dus bijv. vernietigbaarheid van een statutenwijziging zal er mogelijk niet onder vallen.

Een advocaat is niet verplicht, maar mag wel (in onderhavige zaak lijken beide partijen een advocaat te hebben ingeschakeld). Het griffierecht bedraagt op dit moment voor een natuurlijk persoon, E 77,00. Alleen de eiser/verzoeker hoeft griffierecht te betalen, de gedaagde/verweerder niet. Ook de procedure via de eKantonrechter lijkt mogelijk, dit is in principe een digitale online variant (aannemende dat geschillen in een vereniging onder de toegelaten onderwerpen vallen).

De kantonrechter beslist inhoudelijk (het is een bodemprocedure, geen kort geding), maar wel snel (in deze zaak was de zitting 29 juli, uitspraak 1 augustus; eKantonrechter geeft uitspraak binnen 8 weken). Het vonnis is bindend (en kan ten uitvoer worden gelegd) en er is in principe geen hoger beroep mogelijk. Kortom, als je als lid een geschil heb met de vereniging, en een gang naar de rechter lijkt nodig, dan kantonrechtersarbitrage een geschikte optie zijn, zolang de vereniging ten minste ook maar een snelle oplossing wil (en dus instemt met de snelle en laagdrempelige procedure). [Disclaimer: ik ben geen advocaat en weet niet genoeg van procesrecht om helemaal zeker te zijn m.b.t. het griffierecht en de beperkingen van art. 96 Rv.]

Verder vertrouwen op schijn van volmacht bij een landelijk bureau, en vertrouwen op dispensatie:
De kantonrechter is verder van oordeel dat [D] terecht een beroep heeft gedaan op de dispensatie die is verleend in de brief van 23 april 2014. Het verzoek om dispensatie is conform de daarvoor geldende regels gedaan door de voorzitters van de beide betrokken afdelingen en gericht aan het Bondsbureau/bestuur. De reactie daarop van 23 april 2014 vanuit het Bondsbureau is gelet op de vorm en inhoud ervan zodanig dat de betrokkenen, de familie [D] en de beide afdelingen, redelijkerwijs mochten aannemen dat de dispensatie bevoegdelijk was verleend, ook al is de brief ondertekend door een medewerkster van het Bondsbureau. De tegenwerping van KNKB dat deze dispensatie onbevoegd en niet volgens de daarvoor intern geldende regels is verleend kan KNKB niet baten.”

vonnis van de kantonrechter van 1 augustus 2014 in een procedure ex artikel 96 Rv

inzake1. [A] , 2. [B] , in de hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordigers van de minderjarige[C] , verzoekers, gemachtigde: mr. [], tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE KAATSBONDgedaagde, gemachtigde: mr. [] 


Partijen zullen hierna [D] en KNKB worden genoemd. [C] zal worden aangeduid met zijn voornaam.



Procesverloop


1.1. Partijen hebben zich samen op de voet van artikel 96 Wetboek van burgerlijke rechtsvordering tot de kantonrechter gewend teneinde zijn beslissing te verkrijgen in het tussen hen bestaande geschil. Daartoe is door [D] een verzoekschrift ingediend en door KNKB een verweerschrift, waarna partijen hun standpunten mondeling hebben toegelicht ter zitting van 29 juli 2014.

1.2. Ten slotte is beslissing bepaald.

Motivering

De feiten
2.1. In deze procedure kan van de volgende vaststaande feiten worden uitgegaan. [C] is 17 jaar en beoefent als lid van KNKB de kaatssport in de leeftijdscategorie “jongens”.

2.2. Er zijn twee soorten wedstrijden. Bij de zogenoemde vrije samenstellingswedstrijden kunnen spelers uit verschillende bij KNKB aangesloten verenigingen (ook wel genoemd: afdelingen) teams, parturen genaamd, met elkaar vormen. Bij de zogenoemde afdelingswedstrijden moeten de parturen worden gevormd uit spelers van dezelfde afdeling.

2.3. Artikel 12 lid 1 van het Kaatsreglement van de KNKB bepaalt, voor zover van belang, het navolgende: “Spelers moeten bij afdelingswedstrijden uitkomen voor de vereniging in hun woonplaats. Voor dames, junioren en senioren geldt als woonplaats de plaats waar men het feitelijk hoofdverblijf heeft. Voor de overige spelers is de woonplaats van de ouders maatgevend. Als in de woonplaats geen vereniging is gevestigd, moet men in principe uitkomen voor de dichtstbijzijnde vereniging, langs de openbare weg gemeten. Het hoofdbestuur werkt dit nader uit in een bij dit reglement te voegen bijlage gebiedsafbakening. Het hoofdbestuur kan in bijzondere gevallen ontheffing verlenen van de in dit lid opgenomen verplichting. (……)”
In de toelichting bij deze bepaling staat onder meer vermeld: “Alle plaatsen in Fryslân zonder vereniging zijn op basis van de postcode aan een vereniging toebedeeld, met als grondslag de afstand tot de dichtstbijzijnde vereniging. Wel is rekening gehouden met historisch gegroeide verbanden en gemaakte afspraken tussen verenigingen. Uitgangspunt voor de woonplaats is het gemeentelijk bevolkingsregister. (…) Dispensatie voor jeugdspelers is mogelijk in situaties die in de praktijk onredelijk worden geacht. Bij een melding die verandering van een vereniging tot gevolg heeft, moet de speler een verklaring van de oude vereniging en zo nodig van de nieuwe vereniging overleggen.”

2.4. In Baaium is geen kaatsvereniging. In de in artikel 12 lid 1 van het reglement, zoals hiervoor aangehaald, genoemde bijlage gebiedsafbakening staat vermeld: “Wjelsryp (8842) toegevoegd Baaium (8841)”. [C] is lid van de afdeling in Wjelsryp. Hij kaatst en oefent met jongens uit Winsum die ook lid zijn van de afdeling Winsum.

2.5. De afdeling Wjelsryp is er voor het seizoen 2014 niet in geslaagd om een partuur in de leeftijdscategorie van [C] op de been te brengen. Bij e-mail van 18 december 2013 van de voorzitter van de afdeling Winsum aan het bondsbureau van de KNKB is gevraagd naar het standpunt van de KNKB ingeval van een verzoek om [C] voor het seizoen 2014 voor de afdeling Winsum te laten uitkomen. Bij e-mail van 24 maart 2014 is door de voorzitters van de afdelingen Wjelsryp en Winsum een formeel verzoek aan het bestuur van de KNKB gedaan om [C] voor het seizoen 2014 voor de afdeling Winsum te mogen laten kaatsen.

2.6. Bij brief van 23 april 2014 is vanuit het bondsbureau van de KNKB een brief aan de familie [D] gezonden, met een kopie aan de afdelingen Wjelsryp en Winsum, met de navolgende inhoud: “We hebben een verzoek voor dispensatie van [C] ontvangen en besproken. [C] wil dit seizoen voor kv “Winsum” kaatsen.
Hierbij delen we u mede dat de KNKB [C] dispensatie verleent voor het seizoen 2014 om voor kv “Winsum” uit te komen op afdelingswedstrijden.
We wensen [C] in ieder geval succes voor het komend seizoen. We vertrouwen erop u hiermee te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet,
Bondsbureau Koninklijke Nederlandse Kaats Bond
[E], management assistent”

2.7. Op de website van KNKB is bij de hiervoor onder 2.4. aangehaalde bijlage gebiedsafbakening achter “Baaium (8841) vermeld: “m.u.v. [C], [adres] voor Winsum alleen in 2014”. Op 11 mei 2014 heeft [C] in een partuur van Winsum op een afdelingswedstrijd in Holwerd gespeeld.
2.8. Op 15 mei 2014 heeft de directeur van de KNKB aan de voorzitter van de afdeling Winsum een e-mail gezonden met de navolgende inhoud: “Helaas moet ik u meedelen dat [C] uit Baaium vanaf heden niet langer deel kan uitmaken van het jongenspartuur van de kv Winsum. Dit is volgens de regelementen van de KNKB niet toegestaan. Op basis hiervan heeft het Hoofdbestuur moeten besluiten dat de betreffende kaatser niet langer deel kan uitmaken van een partuur van de kv Makkum. (kantonrechter; bedoeld zal zijn: Winsum) Inmiddels zijn ook door andere verenigingen aanvragen gedaan om hun eenlingen bij een anderevereniging onder te brengen. Ook deze aanvragen worden niet gehonoreerd.
Helaas is op het Bondsbureau het verzoek van [F] en de beide verenigingen onjuist beoordeeld en was evenmin aan het hoofdbestuur voorgelegd. Daardoor hebben zij nu pas kunnen reageren. Inmiddels heb ik voorzitter [G] en de moeder van de kaatser telefonisch op de hoogte gesteld. (…) “

2.9. Pogingen van de zijde van [D] en de betrokken afdelingen om KNKB dit besluit te laten herroepen zijn gestrand.

De standpunten partijen
3.1. [D] verzoekt de kantonrechter te bepalen dat de KNKB zal dienen in te stemmen met het kaatsen door [C] gedurende het vervolg van het seizoen 2014 voor de afdeling Winsum.

3.2. [D] onderbouwt dit verzoek met de navolgende, zakelijk en verkort weergegeven, argumenten.
-Baaium ligt dichterbij Winsum dan bij Wjelsryp en op basis van artikel 12 lid 1 van het reglement zou Baaium daarom onder de afdeling Winsum dienen te vallen, als gevolg waarvan [C] voor Winsum zou moeten kaatsen. Verder is de toelichting bij artikel 12 geen toelichting in de letterlijke betekenis maar vormt in feite een nieuwe bepaling. De daarop gebaseerde gebiedsindeling geeft allerlei (individuele) afwijkingen op de hoofdregel. Daarom kan ten aanzien van [C] ook een afwijking daarop worden toegestaan. In het verleden heeft de KNKB ook uitzonderingen toegestaan.
– De KNKB heeft duidelijk en ondubbelzinnig toestemming verleend om dit seizoen uit te komen voor Winsum en kan daarop niet terugkomen. Dat dit besluit onbevoegd zou zijn genomen blijkt nergens uit, er blijkt ook niet dat het Hoofdbestuur had moeten beslissen en kan ook niet aan [C] worden tegengeworpen. De interne gang van zaken binnen het Bondsbureau is voor [D] niet inzichtelijk en op een mededeling van het professioneel bemenste Bondsbureau mag worden afgegaan.
– [C] heeft er belang bij om voor Winsum uit te kunnen komen omdat verreweg de meeste wedstrijden die dit seizoen in zijn leeftijdscategorie worden gespeeld afdelingswedstrijden zijn. De belangrijkste wedstrijd van het jaar, de Freulepartij, mag ook alleen door afdelingsparturen worden gespeeld.
3.3. De KNKB stelt zich op het standpunt dat het verzoek van [D] moet worden afgewezen en verzoekt de kantonrechter te bepalen dat aan [C] geen dispensatie voor het seizoen 2014 behoeft te worden verleend. Verder verzoekt de KNKB te bepalen dat zij niet is gebonden aan de dispensatie die in de brief van 23 april 2014 is verleend en te bepalen dat deze dispensatie nietig is, dan wel deze nietig te verklaren.

3.4. De KNKB onderbouwt dit, kort en zakelijk weergegeven, als volgt.
– Artikel 12 van het reglement is juist toegepast. Baaium ligt ook dichter bij Wjelsryp dan bij Winsum, uitgaande van de kern van de plaatsen. De bijlage gebiedsindeling is al in 1997 door het bestuur vastgesteld via de algemene vergadering van de KNKB. Daartegen had indertijd bezwaar gemaakt kunnen worden.
– De dispensatie is op 23 april 2014 ten onrechte verleend door een medewerker die daartoe niet bevoegd was. Alleen het hoofdbestuur mag over een dergelijk verzoek beslissen. De voorzitters van de afdelingen hadden dit behoren te weten. De KNKB is dan ook niet gebonden aan deze toezegging.
– [C] is gerechtigd om aan vrije formatiewedstrijden mee te doen en kan dus kaatsen. Voor de problematiek van de zogenoemde eenlingen, waaronder ook het geval van [C] valt, is de KNKB bezig met het formuleren van een oplossing. De afdelingen Winsum en Wjelsryp hadden dit kunnen ondervangen door samen te gaan of in ieder geval hun jeugdafdelingen samen te voegen. Dat zij daarvoor niet hebben gekozen kan de KNKB niet worden tegengeworpen. De KNKB heeft een groot belang bij strikte handhaving van artikel 12 van het reglement en de gebiedsindeling en wil niet dat er een precedentwerking uitgaat van dit geval. [C] had ook voor Wjelsryp in een hogere leeftijdscategorie kunnen gaan spelen.
De beoordeling
4.1. De kantonrechter oordeelt als volgt. De door partijen aan de kantonrechter gerichte verzoeken zijn verschillend geformuleerd. Het komt er echter op neer dat beoordeeld dient te worden of [C] in het seizoen 2014, althans het thans nog resterende deel daarvan, al dan niet uit mag komen voor de afdeling Winsum. De kantonrechter zal de beoordeling daarop toespitsen.

4.2. De kantonrechter volgt [D] niet in zijn stelling dat hij op basis van artikel 12 lid 1 van het reglement ten onrechte bij Wjelsryp is ingedeeld en eigenlijk voor Winsum zou moeten uitkomen. De afstanden volgens de verschillende routeplanners, Google en ANWB, waarnaar partijen hebben verwezen geven geen eenduidig uitsluitsel over de afstanden tussen de betrokken plaatsen, maar wel kan worden vastgesteld dat de afstandsverschillen tussen Baaium en Wjelsryp enerzijds en Baaium en Winsum anderzijds minimaal zijn. De kantonrechter is van oordeel dat het in het kader van het onderhavige verzoek, zo Baaium al dichterbij Winsum dan bij Wjelsryp zou liggen, niet aan hem is om te bepalen dat [C] op basis van artikel 12 lid 1 van het reglement voor Winsum zou moeten uitkomen. Artikel 12 lid 1 is nader uitgewerkt in de bijlage gebiedsafbakening. Daarin is Baaium toegevoegd aan Wjelsryp en op grond daarvan dient [C] voor de afdeling Wjelsryp uit te komen. De beslissing dat [C] op grond van het reglement voor Winsum zou moeten uitkomen zou impliceren dat de bijlage gebiedsindeling onverbindend is. Daargelaten dat voor dat oordeel thans onvoldoende grondslag is zou een dergelijk oordeel met zich kunnen brengen dat voor alle kaatsers uit Baaium geldt dat zij voor de afdeling Winsum moeten uitkomen en het zou mogelijk ook consequenties hebben voor de indeling van kaatsers uit andere dorpen waar geen afdeling is.

4.3. De kantonrechter is verder van oordeel dat [D] terecht een beroep heeft gedaan op de dispensatie die is verleend in de brief van 23 april 2014. Het verzoek om dispensatie is conform de daarvoor geldende regels gedaan door de voorzitters van de beide betrokken afdelingen en gericht aan het Bondsbureau/bestuur. De reactie daarop van 23 april 2014 vanuit het Bondsbureau is gelet op de vorm en inhoud ervan zodanig dat de betrokkenen, de familie [D] en de beide afdelingen, redelijkerwijs mochten aannemen dat de dispensatie bevoegdelijk was verleend, ook al is de brief ondertekend door een medewerkster van het Bondsbureau. De tegenwerping van KNKB dat deze dispensatie onbevoegd en niet volgens de daarvoor intern geldende regels is verleend kan KNKB niet baten. KNKB heeft onvoldoende aangevoerd om anders te oordelen dan hiervoor is weergegeven en daarbij ook niet duidelijk kunnen uitleggen hoe de bewuste brief heeft kunnen uitgaan. De stelling van KNKB dat bij de voorzitters van de afdelingen na de snelle bewilliging in het verzoek “een belletje had moeten gaan rinkelen” is in dit kader niet voldoende. De interne afhandeling van het verzoek binnen de burelen van KNKB onttrok zich aan de waarneming van de betrokken voorzitters en [D] en voorts heeft [D] onweersproken gesteld dat over het verzoek al vooroverleg was geweest tussen het Bondsbureau en de voorzitter van de afdeling Winsum en dat deze laatste op grond van de daarbij aan hem gedane mededelingen mocht menen dat het verzoek kans van slagen had. De verleende dispensatie ligt dan ook in het verlengde daarvan. Verder mag het zo zijn dat de aan deze kwestie ten grondslag liggende problematiek omtrent het uitkomen voor een andere afdeling kennelijk al langer een punt van discussie is en dat de KNKB daarover een strikt standpunt inneemt, dit neemt niet weg dat artikel 12 van het reglement afwijkingen mogelijk maakt en er ook daarom onvoldoende grond is voor de stelling dat [D] niet op de verleende toezegging had mogen afgaan.
De omstandigheid dat [C] de afgelopen week als invaller voor Wjelsryp heeft meegedaan in een afdelingswedstrijd voor junioren maakt niet dat hij daarmee geen aanspraak meer kan doen gelden op de toegezegde dispensatie. Alhoewel in strijd met zijn wens om voor Winsum uit te mogen komen acht de kantonrechter deze handelwijze, gelet op de situatie waarin hij zich bevindt en zijn wens om op afdelingsniveau te kunnen kaatsen, begrijpelijk. Mede gelet er op dat het een eenmalige wedstrijd betrof in een andere leeftijdscategorie dan waarin [C] normaliter speelt is de kantonrechter van oordeel dat dit onvoldoende is om te oordelen dat hij zijn aanspraak op de toegezegde dispensatie daarmee heeft verwerkt.

4.4. Met het voorgaande is het oordeel van de kantonrechter gegeven. De kantonrechter zal voor de volledigheid nog ingaan op een aantal van de verder door KNKB nog aangevoerde argumenten, waarbij voorop staat dat deze argumenten hoe dan ook niet kunnen afdoen aan de verleende dispensatie. De door KNKB gevreesde precedentwerking leidt niet tot een ander oordeel als hiervoor is gegeven. KNKB had eerder voor een andere wijze van communicatie met de buitenwereld over deze kwestie kunnen kiezen. Deze uitspraak ziet verder slechts op dit specifieke geval met een al verleende dispensatie en derden kunnen daaraan geen aanspraken ontlenen. Ook de stelling van KNKB dat de betrokken afdelingen het probleem rond [C] hadden kunnen ondervangen door een fusie op volledig verenigingsniveau of jeugdniveau aan te gaan treft naar het oordeel van de kantonrechter geen doel omdat een dergelijke vergaande maatregel buiten de macht van [D] ligt en van de betrokken verenigingen voor een individueel geval gedurende een periode van slechts een seizoen bezwaarlijk gevergd kan worden. Voorts is de kantonrechter van oordeel dat het meespelen in een hogere leeftijdscategorie van de afdeling Wjelsryp, hetgeen ook nog door KNKB al oplossing is gesuggereerd, in dit geval geen soelaas biedt omdat, nog afgezien ervan of het permanent meespelen met en tegen oudere spelers gewenst moet worden geacht, [C] daarmee de mogelijkheid wordt onthouden om mee te doen aan slechts voor zijn leeftijdscategorie openstaande afdelingswedstrijden, met name de belangrijke Freulepartij en de daarop volgende Revanchepartij.

4.5. Afrondend is de kantonrechter dan ook van oordeel dat KNKB is gebonden aan de toezegging tot dispensatie van 23 april 2014. Zij dient deze nog steeds na te komen en is ten onrechte overgegaan tot intrekking ervan. Dit betekent dat [C] gerechtigd is om gedurende het lopende seizoen 2014 op afdelingswedstrijden uit te komen voor de afdeling Winsum. Het daartoe strekkende verzoek van [D] zal worden gehonoreerd. Hetgeen verder is verzocht zal worden afgewezen.

4.6. Nu het een procedure ex artikel 96 Rv betreft en partijen ook geen kostenveroordeling hebben gevorderd zullen de kosten van de procedure worden gecompenseerd in die zin dat ieder der partijen de eigen kosten zal dragen.

Beslissing

De kantonrechter:
bepaalt dat KNKB conform de bij brief van 23 april 2014 verleende dispensatie ermee dient in te stemmen dat [C] gedurende het vervolg van het seizoen 2014 zal kaatsen voor de afdeling Winsum;

wijst hetgeen verder is verzocht af;

compenseert de kosten van de procedure in die zin dat ieder de eigen kosten zal dragen.

Klassieker: afsplitsing vereniging (District)

Klassieker Rechtbank Breda 10 september 2003
ECLI:NL:RBBRE:2003:AL7862

In deze klassieker kon een district zich met succes afscheiden van een vereniging, met als redenering dat het district altijd al een informele vereniging vormde. Deze informele vereniging heeft zijn statuten in een notariële akte doen opnemen (art. 2:28) en is dus geen nieuwe vereniging, maar dezelfde rechtspersoon als het district. Het vermogen van het district behoort toe aan de afgesplitste vereniging. 

V O N N I S
In de zaak van:
de vereniging NATIONALE BOND VOOR EHBO, eiseres, tegen:
de vereniging VERENIGING EHBO NOORD-BRABANT, gedaagde

1. Het verloop van het geding.

Partijen zullen in het hierna volgende worden aangeduid als ‘de Bond’ en ‘de Vereniging’.
2. Het geschil.

3. De beoordeling.

3.1 Tussen partijen staan de volgende feiten vast.
a. Voor zover hier van belang is in de op 3 juni 1996 gewijzigde en in een notariële akte opgenomen statuten van de Bond het volgende bepaald:

“Artikel 2.
Gehoorzamend aan Christus’ gebod van naastenliefde, stelt de bond zich ten doel te bevorderen al datgene, wat kan leiden tot het voorkomen van ongevallen en het verlenen van verantwoorde geestelijke en lichamelijke eerste hulp bij ongevallen.

Artikel 5.
Als lid van de bond kunnen worden toegelaten verenigingen, welke het doel van de bond, genoemd in artikel 2 van deze statuten, nastreven (…).

Artikel 9.
De bond voegt de aangesloten verenigingen samen tot districten. (…)

Artikel 11.
Het district wordt bestuurd door een districtsbestuur, gekozen in een algemene vergadering van het district door de van het district deel uitmakende aangesloten verenigingen.

De samenstelling en wijze van verkiezing der districtsbesturen worden bij statuten of huishoudelijk reglement van het district geregeld.

Tot leden van het districtsbestuur kunnen slechts worden gekozen personen, die lid zijn van de tot het district behorende aangesloten verenigingen.”

b. Bij brief van 20 april 1998 schrijft de Bond aan het bestuur van het District Noord-Brabant (hierna: District) onder andere het volgende:

“Met betrekking tot uw verzoek omtrent het inschrijven van Uw district Noord Brabant van onze organisatie, bij de Kamer van Koophandel, kan ik u mededelen dat hiertegen in de optiek van het hoofdbestuur van de Nationale Bond voor EHBO geen bezwaren bestaan.

Integendeel het hoofdbestuur juicht het toe – en verstrekt het advies aan alle districten – om de rechtspersoonlijkheid op een goede manier te regelen en voor statuten, huishoudelijk reglement en een gedegen registratie bij de Kamer van Koophandel te komen.”

c. Bij brief van 2 juni 1999 verzoekt het bestuur van het District aan de Bond de statuten voor de Vereniging goed te keuren.

d. Bij brief van 5 juni 1999 deelt de Bond aan het bestuur van het District het volgende mee:
“In afwijking van artikel 12 van de statuten van de Nationale Bond voor EHBO stemt het hoofdbestuur in met de door uw Algemene Ledenvergadering aanvaarde statuten voor de vereniging EHBO-N.B.

Het hoofdbestuur gaat akkoord, dat de leden, thans behorende bij de Nat. Bond tevens lid zijn van EHBO-N.B. en de toekomstige leden van de vereniging EHBO Noord-Brabant ook lid zijn van de Nationale Bond voor EHBO.”

e. Op 28 september 1999 is een notariële akte verleden, waarvan het opschrift luidt: “Opneming Statuten Vereniging EHBO Noord-Brabant”. Artikel 1 van deze akte luidt als volgt:

“De vereniging draagt de naam: VERENIGING EHBO NOORD-BRABANT, verder te noemen: EHBO-N.B. en is opgericht op acht mei negentienhonderd negenennegentig (08/05/1999). De vereniging is gevestigd te Tilburg.”

f. Bij brief van 27 november 2000 deelt het bestuur van de Vereniging aan het hoofdbestuur van de Bond mee, dat de Vereniging de aansluiting bij de Bond met ingang van 1 januari 2001 zal beëindigen.

3.2 De Bond legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag. Het bestuur van het District heeft in het jaar 2000 gedaan weten te krijgen, dat van de 159 verenigingen er 85 het lidmaatschap van de Bond ultimo december 2000 hebben opgezegd. Deze leden zijn ondergebracht in de Vereniging, die samen met de uitgetreden verenigingen zich heeft afgescheiden van de Bond. Het bestuur van de Vereniging werd geheel of goeddeels gevormd door de leden die voorheen lid waren van het Districtsbestuur. Niet alleen zijn deze leden in de Vereniging ondergebracht, maar ook het vermogen van de Bond. Dit vermogen werd beheerd door het District, omdat een district enkel zaakwaarnemer is over zodanig vermogen. Nu de Vereniging zich van de Bond heeft afgescheiden dient de Vereniging het vermogen van het District aan de Bond uit te keren. Uit de toelichting op de vermogensopstelling, opgemaakt door de accountant van de Vereniging, blijkt dat de Vereniging op 31 december 1999 een vermogen had van ƒ 55.163,59 (€ 25.032,45). De Bond vordert betaling van dit bedrag.

De Vereniging heeft voorts plaatselijke verenigingen opgeroepen om de aan de Bond verschuldigde contributie over het jaar 2000 niet aan de Bond, maar aan haar te betalen. Daardoor heeft de Vereniging jegens de Bond onrechtmatig gehandeld, danwel pleegt zij wanprestatie jegens de Bond of is zij ten opzichte van de Bond ongerechtvaardigd verrijkt. De Vereniging is verplicht deze contributies aan de Bond door te betalen. Het gaat hierbij om een bedrag in hoofdsom van € 29.268,19.

Ten slotte vordert de Bond een bedrag van € 1.542,– wegens buitengerechtelijke kosten.

3.3 De Vereniging voert in de eerste plaats als verweer aan, dat het District Noord-Brabant een informele vereniging was met een eigen vermogen. Het District is conform art. 2:28 lid 1 BW, op advies en met goedkeuring van de Bond omgezet in de Vereniging. Daaruit volgt dat de Vereniging thans eigenaar is van de vermogensbestanddelen van het District, aldus de Vereniging.

3.4 Uit art. 11 van de statuten van de Bond volgt dat een district bestaat uit bij dat district aangesloten verenigingen die in een algemene vergadering van het district een districtsbestuur benoemen. Hieraan is uitvoering gegeven door de aangesloten verenigingen. Dit betekent dat er sprake is geweest van een samenwerkingsverband, gericht op het in art. 5 jo. art. 2 van de statuten van de Bond omschreven doel. Uit het houden van algemene ledenvergaderingen en het benoemen van een districtsbestuur volgt dat de gezamenlijk aangesloten verenigingen onder de naam van het District rechtens een informele vereniging hebben opgericht. Uit de briefwisseling van 20 april 1998, 2 juni 1999 en 5 juni 1999 (zie ro. 3.1) blijkt dat beide partijen voor ogen stond dat deze informele vereniging zou worden omgezet in een formele vereniging. Met het oog daarop heeft de algemene vergadering van het District op 8 mei 1999 statuten voor de Vereniging aangenomen, die bij brief van 5 juni 1999 door de Bond zijn goedgekeurd. Vervolgens zijn de statuten van de Vereniging opgenomen in de notariële akte van 28 september 1999, waarmee de informele vereniging volledige rechtsbevoegdheid heeft verkregen. Dit betekent dat de formele vereniging door deze gang van zaken dezelfde rechtspersoon is gebleven als de informele vereniging.

3.5 Aan het voorgaande doet niet af dat een aantal leden zich heeft losgemaakt van de Vereniging en lid is gebleven van de Bond. Dit is immers geschied nadat de oprichting van de Vereniging een feit was. De leden die aan de Bond trouw zijn gebleven kunnen door de Bond weliswaar worden aangemerkt als het “District Noord-Brabant”, maar dat District zal dan moeten worden beschouwd als een nieuw opgerichte vereniging die niet is aan te merken als rechtsopvolgster van het “oude” District.

3.6 Uitgangspunt is dat een rechtspersoon wat het vermogensrecht betreft gelijk staat met een natuurlijk persoon. De Bond heeft gesteld dat het vermogen van het District toebehoorde aan de Bond, omdat de Bond uit leden bestaat, zodat het vermogen in handen van de leden in het District gerekend moet worden tot het Bondsvermogen. Echter, één van de wezenlijke kenmerken van rechtspersoonlijkheid is juist het bestaan van een afgescheiden vermogen. Het feit dat een District als rechtspersoon organisatorisch deel uitmaakt van de Bond wil niet zeggen dat rechtens het vermogen van het District toebehoort aan de Bond. Van de door de Bond gestelde zaakwaarneming is geen sprake, omdat uit niets blijkt dat de Vereniging zich in zoverre welbewust heeft ingelaten met de behartiging van het belang van de Bond. Overige feiten of omstandigheden waaruit blijkt van een titel op grond waarvan het door het District opgebouwde vermogen aan de Bond toebehoort, zijn door de Bond niet gesteld. Aangenomen moet daarom worden dat het gevormde vermogen aan het District toebehoorde. Uit ro. 3.4 vloeit voort dat dit vermogen thans toebehoort aan de Vereniging.

3.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het verweer van de Vereniging gegrond is, zodat in zoverre de vordering van de Bond moet worden afgewezen.


4. De beslissing.

De rechtbank:

veroordeelt gedaagde aan eiseres tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen het bedrag van € 12.360,94 [twaalfduizend driehonderdzestig euro en vierennegentig eurocent], vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 11.432,14 vanaf 29 september 2000 tot de dag der algehele voldoening;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten aldus, dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Afscheiding afdeling-vereniging

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 januari 2014
ECLI:NL:RBZWB:2014:290


Een afdeling die een vereniging is (dus met rechtspersoonlijkheid), kan zich afscheiden van een hoofdvereniging. Art. 2:8 BW is op de verdere afwikkeling van toepassing. Afscheidende afdeling heeft recht op kopie de ledenadministratie die werd beheerd door de hoofdvereniging.


Vonnis van 8 januari 2014
in de zaak van
de vereniging REGIONALE KRUISVERENIGING WEST-BRABANTtegen 
de vereniging KRUISWERK VOOR U, GEMEENTE RUCPHEN,

Partijen zullen hierna
Regionale Kruisvereniging West-Brabant en Kruiswerk Voor U genoemd worden.
Het geschil
in conventie
2.1.
Regionale
Kruisvereniging West-Brabant vordert  samengevat – na vermeerdering van
eis bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad
·    een verklaring voor recht
dat Kruiswerk Voor U niet bevoegd is zich als afdeling van Regionale
Kruisvereniging West-Brabant af te scheiden, alsmede dat indien zij dat heeft
gedaan of alsnog doet zulks onrechtmatig is jegens Regionale Kruisvereniging
West-Brabant alsmede;
·    dat het Kruiswerk Voor U
wordt verboden zich af te scheiden van Regionale Kruisvereniging West-Brabant
en leden van Regionale Kruisvereniging West-Brabant ertoe te bewegen hun
lidmaatschap van Regionale Kruisvereniging West-Brabant te beëindigen, de leden
van te benaderen met onjuiste berichten, alles onder verbeurte van dwangsommen
en met veroordeling van Kruiswerk Voor U in de kosten van de procedure.
2.2.
Kruiswerk Voor
U voert verweer.
2.3.
Op de
stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
in reconventie
2.4.
Kruiswerk Voor
U vordert  samengevat – veroordeling van Regionale Kruisvereniging
West-Brabant tot betaling van een bedrag van € 18.888,75 ter zake de
contributie, subsidiair een bedrag van € 4657,50 ter zake de ledenbijdrage,
vermeerderd met rente en voorts veroordeling van Regionale Kruisvereniging
West-Brabant om over te gaan tot afgifte van het adressenbestand van de leden
van Kruiswerk Voor U op straffe van een dwangsom, met veroordeling van
Regionale Kruisvereniging West-Brabant in de kosten van de procedure.
2.5.
Regionale
Kruisvereniging West-Brabant voert verweer.
2.6.
Op de
stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De beoordeling
in conventie en in reconventie
3.1.
De navolgende
feiten staan in rechte vast.
3.1.1.
Regionale
Kruisvereniging West-Brabant is een vereniging met volledige
rechtspersoonlijkheid opgericht bij een notariële akte van 10 augustus 1984
door plaatselijke kruisverenigingen onder wie de Kruisverenigingen Rucphen,
Schijf, Sprundel en Zegge, rechtsvoorgangers van Kruiswerk Voor U. Regionale
Kruisvereniging West-Brabant betrof – blijkens haar statuten uit 1984 – bij
oprichting een vereniging van basiskruisverenigingen en had een coördinerende,
toeziende, ondersteunende en uitvoerende taak.
3.1.2.
Kruiswerk Voor
U is een zelfstandige vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid in de
huidige vorm ontstaan bij notariële akte van 5 juni 2008.

(Bedoeld is een vereniging met volledige rechtsbevoegdheid, art. 2:30). 
3.1.3.
Op 30 januari
1992 zijn de statuten van Regionale Kruisvereniging West-Brabant gewijzigd. Op
grond van deze wijziging zijn de volledig rechtsbevoegde plaatselijke
verenigingen voor thuisgezondheidszorg niet langer lid maar zijn natuurlijke
personen lid geworden van Regionale Kruisvereniging West-Brabant, waarbij het
lidmaatschap van Regionale Kruisvereniging West-Brabant en het lidmaatschap van
de plaatselijke verenigingen voor thuisgezondheidszorg – de afdelingen-
samenvallen.
De vereniging Regionale Kruisvereniging West-Brabant wordt
verdeeld in afdelingen, zijnde rechtspersonen die verplicht zijn hun statuten
in overeenstemming te brengen en te houden met de doelstelling van Regionale
Kruisvereniging West-Brabant en waarbij is bepaald dat de algemene vergadering
van de afdelingen gelden als afdelingsvergadering van de Regionale
Kruisvereniging West-Brabant. Voorts is bepaald dat de algemene vergadering van
Regionale Kruisvereniging West-Brabant bestaat uit afgevaardigden van de
afdelingen of hun plaatsvervangers.
3.1.4.
Regionale
Kruisvereniging West-Brabant houdt de ledenadministratie van haarzelf en van haar
afdelingen bij en int de jaarlijkse contributie van degenen die lid zijn van
beide partijen van thans € 13,20 waarvan 80% wordt besteed door Regionale
Kruisvereniging West-Brabant en 20% beschikbaar komt voor Kruiswerk Voor U.
3.1.5.
Tussen partijen
zijn geschillen van inzicht ontstaan over de wijze waarop de kruisvereniging
het beste invulling kan geven aan thuisgezondheidszorg.
3.1.6.
Bij brief van
20 oktober 2012 heeft Kruiswerk Voor U aan Regionale Kruisvereniging
West-Brabant onder opgave van redenen bericht dat zij genoodzaakt is te melden
dat zij met ingang van 1 januari 2013 zelfstandig zal verdergaan en zich
afzondert van Regionale Kruisvereniging West-Brabant. Regionale Kruisvereniging
West-Brabant heeft zich hiertegen bij brief van haar raadsman verzet.
3.2.
Kern van het
geschil is dat Regionale Kruisvereniging West-Brabant van oordeel is dat
Kruiswerk Voor U zich als afdeling van Regionale Kruisvereniging West-Brabant
niet van haar kan afscheiden, terwijl Kruiswerk Voor U van oordeel is dat zij
als zelfstandige vereniging met volledige rechtspersoonlijkheid daartoe wel
gerechtigd is.
3.3.
Vast staat dat
Kruiswerk Voor U een zelfstandige vereniging met volledige
rechtspersoonlijkheid is hetgeen met zich meebrengt dat de bepalingen uit boek
2 BW voorzover deze op een vereniging of mede op een vereniging van toepassing
zijn, ook voor Kruiswerk Voor U gelden. Dit brengt met zich mede dat Kruiswerk
Voor U rechtspersoonlijkheid bezit (artikel 3 boek 2 BW). 

(Opmerking: een groepering is een vereniging, of niet, elke vereniging heeft rechtspersoonlijkheid. Een vereniging met statuten die in een notariële akte zijn opgenomen, heeft volledige rechtsbevoegdheid en kan bijv. registergoederen verkrijgen).

Als zelfstandig
rechtspersoon, zo wordt in de literatuur verdedigd, moet het voor een afdeling
met rechtspersoonlijkheid altijd mogelijk zijn uit het afdelingsverband te
stappen. Volgens Stille (De afdeling in het verenigingenrecht Kluwer 1986
pagina 217 en verder) “is het mogelijk dat een afdelingrechtspersoon
niets meer ziet in de activiteiten van de hoofdvereniging en op grond daarvan
uit het afdelingsverband stapt”, 
dit ook in het geval de statuten van daarin niet
voorzien of dat zelfs verbieden. Stille acht het in strijd met de
zelfstandigheid van zo’n afdeling als rechtspersoon om een eeuwige band met de
hoofdvereniging te verlangen. Ook volgens Dijk/ Van der Ploeg (Van vereniging
en stichting, coöperatie en onderlinge waarborgmaatschappij Kluwer, Zesde druk
pagina 311) kan de afdeling-vereniging van haar kant de afdelingsrelatie
verbreken waarbij wordt opgemerkt dat eventuele opzegging van het
hoofdverenigingslidmaatschap door de afdelingsleden zelf zal dienen te
geschieden. Naast de zelfstandigheid van een afdelings-rechtspersoon vormen de
omstandigheid dat de wet een beëindiging van de relatie niet verbiedt (naar
Rechtbank Leeuwarden 27 juni 1901, W 76350) en de mogelijkheid overeenkomsten
van onbepaalde tijd te kunnen beëindigen ( LJN: BZ4163, Hoge
Raad, 14-06-2013, 12/01625) argumenten om uit te gaan van de
mogelijkheid van beëindiging van een afdelingsrelatie bij een
afdeling-rechtspersoon. Met betrekking tot het laatste argument dient nog de
toelichting dat gelet op de achtereenvolgende statuten van Regionale
Kruisvereniging West-Brabant als overgelegd, geconcludeerd dient te worden dat
tussen de zelfstandige kruisverenigingen in West-Brabant een samenwerking is
overeengekomen die uitvoering heeft gevonden in een verenigingsstructuur met
een hoofdvereniging en afdelingen en dat zich thans de situatie voordoet dat
een van de zelfstandige afdelingen deze samenwerking, althans met de
hoofdvereniging, wenst te beëindigen.
3.4.
Afgevaardigden
van Kruiswerk Voor U maken deel uit van de algemene vergadering van Regionale
Kruisvereniging West-Brabant. Regionale Kruisvereniging West-Brabant ontleent
hieruit het argument dat afsplitsing niet mogelijk is omdat een orgaan zich
niet kan afsplitsen. Dit argument treft geen doel. Kruiswerk Voor U is geen
orgaan van Regionale Kruisvereniging West-Brabant maar zelfs als zij dat wel
zou zijn is zij daarnaast een rechtspersoon en maakt haar rol in de algemene
vergadering van Regionale Kruisvereniging West-Brabant niet dat zij niet kan
ophouden afdeling van Regionale Kruisvereniging West-Brabant te zijn. Ook de
eventuele omstandigheid dat de statuten van Regionale Kruisvereniging
West-Brabant bij een beëindiging van de afdelingsrelatie met Kruiswerk Voor U
niet meer geheel passend zijn op situatie die daardoor ontstaat maakt – gelet
op de eigen belangen van Kruiswerk Voor U – niet dat Kruiswerk Voor U de
afdelingsrelatie niet zou kunnen beëindigen.
3.5.
Dat Kruiswerk
Voor U heeft besloten de afdelingsrelatie op te zeggen en daar mededeling van
heeft gedaan, is door Kruiswerk Voor U gesteld en door Regionale
Kruisvereniging West-Brabant niet bestreden. Gelet op hetgeen hiervoor is
overwogen is Kruiswerk Voor U gerechtigd tot het nemen van een dergelijk
besluit en heeft een dergelijk besluit in beginsel ook het beoogde effect. Dit
brengt met zich dat de vorderingen van Regionale Kruisvereniging West-Brabant,
dienen te worden afgewezen. Ten aanzien van de vordering van Regionale
Kruisvereniging West-Brabant Kruiswerk Voor U te verbieden leden er toe te
bewegen het lidmaatschap van Regionale Kruisvereniging West-Brabant op te
zeggen, wordt nog overwogen dat de rechtbank vanwege de ontstane situatie en de
wijze waarop het lidmaatschap van de beide verenigingen en verdeling van de
contributie is geregeld, een oproep van Kruiswerk Voor U onder haar leden tot beëindiging
van het lidmaatschap van Regionale Kruisvereniging West-Brabant niet zonder
meer onrechtmatig acht. Bijkomende omstandigheden kunnen dit anders maken maar
die zijn niet gesteld of gebleken. Tenslotte overweegt de rechtbank dat niet is
niet gebleken van onjuiste mededelingen van de zijde Kruiswerk Voor U, zodat de
vordering van Regionale Kruisvereniging West-Brabant terzake geen feitelijke
grondslag heeft.
3.6.
Op grond van
artikel 2:8 lid 1 BW dienen een rechtspersoon en degenen die bij haar organisatie
zijn betrokken zich zodanig jegens elkaar te gedragen als door de redelijkheid
en de billijkheid wordt gevorderd. De rechtbank acht deze bepaling die een ruim
bereik heeft ook van toepassing op de onderhavige situatie en dan met name op
de wijze waarop de beide verenigingen hun relatie dienen te ontvlechten. Tussen
de verenigingen is, zoals ter comparitie toegelicht, verschil van inzicht
ontstaan welke weg het kruiswerk moet inslaan nadat door wetswijzigingen veel
van haar taken zijn verdwenen. Het is niet aan de rechtbank om tussen de beide
standpunten van partijen op dat vlak een keuze te maken, zij kan partijen
slechts voorhouden dat de standpunten van beide verenigingen goed verdedigbare
standpunten inhouden die passen binnen het doel van de verenigingen en dat
slechts de wijze waarop partijen dit geschil zijn aangegaan afbreuk doet aan de
wijze waarop zij hun doel wensen te bereiken en waartoe de middelen ingezet
dienen te worden.
3.7.
Zo heeft
Regionale Kruisvereniging West-Brabant geweigerd het gedeelte van de
ledenbijdrage dat door haar begin 2013 is geïnd van de leden van de beide
verenigingen dat toekomt aan Kruiswerk Voor U aan Kruiswerk Voor U af te dragen
omdat Kruiswerk Voor U zich – volgens Regionale Kruisvereniging West-Brabant
ten onrechte – op het standpunt stelde dat Kruiswerk Voor U geen afdeling meer
is van Regionale Kruisvereniging West-Brabant. Daar waar Regionale
Kruisvereniging West-Brabant geacht dient te worden mede de aan Kruiswerk Voor
U toekomende contributie te hebben geïnd (ondanks de beëindiging van de
afdelingsrelatie door Kruiswerk Voor U) dient Regionale Kruisvereniging
West-Brabant deze standaard ledenbijdrage bij gebreke van afspraken over de
ontvlechting van de beide verenigingen aan Kruiswerk Voor U te voldoen op basis
van de bestaande afspraken op dat vlak, dit mede in het licht van artikel 2:8
lid 1 BW. Daar waar Kruiswerk Voor U zich erover beklaagt dat Regionale
Kruisvereniging West-Brabant zo veel overheaduitgaven heeft kan zij op haar
beurt niet verwachten dat gezien de langdurige relatie tussen de verenigingen,
de opzegging op 20 oktober 2012 al voor 2013 het effect diende te hebben dat
zij aanspraak kon maken op de helft van de betaalde lidmaatschapsgelden. De
rechtbank zal de vordering van Kruiswerk Voor U voorzover deze meer bedraagt
dan € 4.657,50 dan ook afwijzen. Kruiswerk Voor U vordert wettelijke rente met
ingang van 1 januari 2013 over dit bedrag zonder evenwel hiervoor een grondslag
te vermelden. Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat wettelijke rente
verschuldigd is vanaf 29 mei 2013, 14 dagen na het nemen van de conclusie na
antwoord in reconventie.
3.8.
De vordering
van Kruiswerk Voor U tot afgifte van een kopie van het adressenbestand van de
leden van Kruiswerk Voor U zal worden toegewezen op nader te bepalen wijze.
Kruiswerk Voor U als zelfstandige vereniging met leden die eveneens lid zijn
van Regionale Kruisvereniging West-Brabant liet haar ledenadministratie
kennelijk bijhouden door Regionale Kruisvereniging West-Brabant. Als
zelfstandige vereniging dient Kruiswerk Voor U de beschikking te hebben over
haar ledenbestand. Mede gelet op het bepaalde in artikel 2:8 lid 1 BW dient
Regionale Kruisvereniging West-Brabant, die ook voor Kruiswerk Voor U het
ledenbestand bijhield, hiervan een kopie aan Kruiswerk Voor U te verstrekken,
thans ook in het kader van de ontvlechting waarbij artikel 2:8 lid 1 BW nog
steeds gelding heeft. Het standpunt van Regionale Kruisvereniging West-Brabant
dat zij niet hoeft mee te werken vanwege het eigen standpunt van Kruiswerk Voor
U dat zij geen afdeling meer is – welk standpunt zij bestrijdt – verdient geen
verdere bespreking. Vanwege deze proceshouding acht de rechtbank het verstandig
de gevorderde dwangsom, met een maximering, toe te wijzen.
Het komt de
rechtbank ten slotte voor dat de besturen van beide partijen er ook om
financiële redenen en met het oog op hun doelstelling verstandig aan doen zich
te wenden tot een notaris die het vertrouwen van beide partijen geniet om de
gevolgen van de beëindiging van de afdelingsrelatie van Kruiswerk Voor U met
Regionale Kruisvereniging West-Brabant door Kruiswerk Voor U in de geest van
artikel 2:8 lid 1 BW nader te regelen.
3.9.
De beslissing
De rechtbank
In conventie
wijst de
vorderingen af,
verklaart deze
proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
In reconventie
veroordeelt
Regionale Kruisvereniging West-Brabant tot betaling aan Kruiswerk Voor U van
een bedrag van € 4.657,50 ( zesenveertig honderd zevenenvijftig euro en vijftig
eurocent) te verhogen met de wettelijk rente vanaf 29 mei 2013 tot aan de dag
der algehele betaling,
veroordeelt
Regionale Kruisvereniging West-Brabant om binnen 14 dagen na betekening van dit
vonnis over te gaan tot afgifte van een kopie van het bestand op 31 december
2012 van leden van Regionale Kruisvereniging West-Brabant die tevens leden waren
van Kruiswerk Voor U, op straffe van een dwangsom van € 500,– per dag dat
Regionale Kruisvereniging West-Brabant in gebreke blijft aan deze veroordeling
te voldoen, welke dwangsom maximaal een bedrag van € 10.000,- zal bedragen,
verklaart dit
vonnis in reconventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst af het
meer of anders gevorderde.