Besluit of bindend advies (NVvT)

Rechtbank Midden-Nederland 25 mei 2016
ECLI:NL:RBMNE:2016:2676 



Een lid stelt bezwaar in bij de bezwaarcommissie van een vereniging tegen de weigering om het lid te registreren met een bepaalde aanduiding (het betreft een privaatrechtelijke beroepsvereniging). Het bezwaar wordt afgewezen, de commissie geeft als ” bindend advies” dat de weigering van de registratie terecht is. Het lid legt dit aan de rechter voor. De rechter vraagt zich af of de uitspraak een besluit in de zin van artikel 2:8 en 2:15 BW is, of een bindend advies.

In dit verband houdt partijen de vraag verdeeld welk criterium gehanteerd moet worden bij de beoordeling van [eiseres] ’s vordering: de redelijkheidstoets van artikel 2:8 BW of de ‘onaanvaardbaarheidstoets’ van artikel 7:904 BW. Het antwoord op die vraag valt samen met het antwoord op de vraag of de beslissing van de bezwaarcommissie een tussen [eiseres] en NVvT c.s. geldend bindend advies is in de zin van (de uitkomst van) een tussen hen geldende vaststellingsovereenkomst (zoals NVvT c.s. stelt) of dat het daarop gebaseerde besluit van het bestuur van de NVvH een zelfstandig besluit van NVvT c.s. betreft (zoals [eiseres] stelt). De rechtbank stelt vast dat het reglement dat geldt voor de toetsingscommissie in artikel 6 (handelend over de bezwaarmogelijkheid) niet over bindend advies spreekt, maar wel voorschrijft dat eerst de bezwaarprocedure moet worden gevolgd alvorens de bezwaarmaker gerechtigd is ‘andere procedures te vervolgen’.” De rechter oordeelt dat het gaat om een besluit dat getoetst dient te worden aan artikel 2:8 BW.
Ik merk op dat zowel artikel 2:8 lid 2 BW en artikel 7:904 BW gelijkluidend spreken van 
“naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn”

Vonnis van 25 mei 2016
in de zaak van [eiseres], 

tegen
1. de vereniging NEDERLANDSE VERENIGING VOOR TRAUMACHIRURGIE,
2. de vereniging NEDERLANDSE VERENIGING VOOR HEELKUNDE,
gedaagden,

Partijen zullen hierna [eiseres] en NVvT c.s. genoemd worden. Gedaagden worden afzonderlijk ook NVvT en NVvH genoemd.

2De feiten

2.1.

NVvH is een (wetenschappelijke) vereniging van heelkundige medische specialisten (chirurgen). NVvT is een subvereniging van NVvH, waarvan heelkundig medisch specialisten lid zijn die zich bezighouden met traumachirurgie. [eiseres] is lid van die verenigingen.
2.2.

NVvT kent een regeling op grond waarvan men kan worden geregistreerd als NVvT-traumachirurg. Tot 1 januari 2015 kende die regeling (naast de mogelijkheid van antegrade registratie ook) de mogelijkheid van retrograde registratie. Antegrade registratie is registratie nadat een aanvrager na de aanvraag met succes een voorgeschreven curriculum heeft doorlopen. Retrograde registratie is registratie op grond van – kort gezegd – voldoende hoogwaardige vakinhoudelijke voorervaring. Die registratievorm bestond ten behoeve van de traumachirurg die aantoonbaar reeds aan de voor registratie geldende eisen voldeed en ten aanzien van wie het daarom niet zinvol was het voor antegrade registratie voorgeschreven curriculum te doorlopen. Sedert 1 januari 2015 bestaat de mogelijkheid van retrograde registratie niet meer, maar bestaat de daar min of meer op lijkende mogelijkheid om als zij-instromer te worden geregistreerd. Elke vorm van registratie als NVvT-traumachirurg heeft een (uitsluitend) privaatrechtelijk karakter. Met betrekking tot de registratiepraktijk geldt een reglement met – voor zover hier van belang – de in ieder geval tot 1 januari 2015 geldende navolgende inhoud.


 1. ARTIKEL 1: ACHTERGROND, DOEL EN STREKKING CERTIFICERING

1.1

Het register NVT traumachirurg wordt gehouden door de Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie verder te noemen “NVT”. De persoon die is ingeschreven en aan de voorwaarden verbonden aan inschrijving en verlenging daarvan blijft voldoen, is gerechtigd om aan derden kenbaar te maken dat hij of zij als zodanig in dit register is ingeschreven en kan zich zodanig ook
onderscheiden als ‘NVT traumachirurg’. In algemene zin wordt de persoon bekwaam geacht om werkzaam te zijn op zijn of haar deelspecialisme en ook de daarvoor benodigde kennis te bezitten. Meer specifiek wordt de persoon deskundig en bekwaam geacht de behandeling van ongevalspatienten en de daarbij horende letsels te coördineren en een groot gedeelte ervan zelf uit te voeren. Een letsel wordt gedefinieerd als een acuut ontstane verbreking van de integriteit van weefsel door mechanisch, thermisch of chemisch geweld.
1.2

Met de voorwaarden die aan de registratie worden gesteld, wordt een balans gevonden tussen enerzijds de vereiste kwaliteit, kennis en vaardigheid om de verrichtingen veilig te kunnen toepassen en anderzijds de professionele autonomie van de beroepsgroep evenals de vrije beroepsuitoefening in
concurrentiepositie. De vereniging NVT beoogt met de voorwaarden en richtlijnen voor derden en patiënten inzichtelijk te maken welke normen voor kwaliteit zij nastreeft en aan dit deelspecialisme geregistreerden oplegt. De NVT beoogt hiermee ook uitdrukkelijk kwaliteitsnormen te stellen. De certificering dient dus het bevorderen van de kwaliteit van de behandeling van de ongevalspatiënt en het zowel binnen als buiten de beroepsgroep beter herkenbaar maken van chirurgen die de traumachirurgie uit oefenen. De certificering betekent geen garantie voor de kwaliteit van de NVT traumachirurg. Daarvoor zijn meer facetten relevant.
1.3

De normen zijn beschreven vanuit de wettelijke voorschriften van en werkwijze in Nederland en ervan uitgaande dat de persoon in Nederland zijn opleiding en beroep heeft genoten en ervaring heeft opgedaan. Inschrijving voor personen die elders de opleiding hebben genoten of ervaring hebben opgedaan, blijft binnen het wettelijke stelsel mogelijk voor zover de persoon onvoorwaardelijk ingeschreven is in het BIG register en MSRC register en voorts de ervaring en de na de opleiding tot arts verkregen deskundigheid gelijkwaardig zijn aan de in dit Reglement en bijlagen opgenomen normen en het bestuur de mogelijkheid heeft om dit te toetsen
1.4

De registratielijst van een NVT traumachirurg bevat de gegevens die voor
inschrijving en herregistratie nodig zijn. (…)

2. ARTIKEL 2: VERZOEK TOT lNSCHRIJVlNG:
2.1

Een persoon wordt ingeschreven indien hij voldoet en blijft voldoen aan de voorwaarden van inschrijving zoals in dit Reglement en de bijlagen bepaald en de daarin bedoelde verklaringen schriftelijk heeft afgelegd in zijn verzoek daartoe. (…).
2.2

Het verzoek tot inschrijving geschiedt schriftelijk bij het bestuur van de NVT. Het verzoek bevat de gegevens als vermeld in de bijlage 1 van dit Reglement Het verzoek bevat daarenboven de in bijlage 1 van dit Reglement vermelde bewijsstukken.
2.3

Inschrijving in het Reglement staat alleen open voor personen die aan de kwalificaties als vermeld in Bijlage 2 voldoen. De NVT is te allen tijde gerechtigd om nadere onderliggende stukken te vragen om te beoordelen of de persoon aan de voorwaarden voldoet als vermeld in Bijlage 2 dan wel om te
beoordelen of de informatie die de persoon heeft aangereikt strookt met de feiten.
2.4

De Registratie geschiedt voor vijf jaar te rekenen vanaf de datum van inschrijving in het Register (…)
2.5

Binnen 3 maanden na ontvangst, door het bestuur van de NVT, van het volledige verzoek, met vereiste stukken en verklaringen, tot inschrijving of verlenging daarvan, ontvangt de verzoeker een bevestiging van zijn registratie, de datum van inschrijving en inschrijvingsnummer indien aan de voorwaarden is voldaan, eventuele nadere voorwaarden die aan de inschrijving of verlenging
worden gesteld dan wel de afwijzing van het verzoek met opgaaf van redenen.
Verlenging van deze termijn met maximaal 1 maand is mogelijk. Hiervan wordt de verzoeker zo spoedig als mogelijk op de hoogte gesteld.
2.6

De aanvraag wordt op basis van de in bijlage 2 vermelde kwalificaties door een door het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde benoemde Toetsingscommissie, bestaande uit leden van de NVvH, de NVT en overige subverenigingen die een register voor een deelspecialisme of aandachtsgebied hebben ingesteld, beoordeeld overeenkomstig een Reglement (bijlage 4 van dit
Reglement). (…)

3. ARTIKEL 3: VOORWAARDEN VAN REGISTRATIE
3.1

De registratie tot NVT traumachirurg, als in dit Reglement omschreven, vereist dat de ingeschreven persoon als arts en chirurg is ingeschreven in de daartoe bij Wet in Nederland aangewezen registers, het Reglement tot Registratie en de normen en voorwaarden die daarin zijn opgenomen, de richtlijnen en protocollen van zowel de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde en de NVT alsmede van organen en instellingen, waarnaar de protocollen en reglementen van tijd tot tijd zullen verwijzen, naleeft en respecteert en dat de geregistreerde gericht is op kwalitatief hoogwaardige en patiënt gerichte zorg overeenkomstig de overigens geldende normen en richtlijnen. (…)
3.2

Inschrijving in het Register geeft het bestuur van NVT de bevoegdheid om de naam van de ingeschrevene op te nemen in de lijst” NVT traumachirurg” en deze te plaatsen op de website van de NVvH/NVT.
4. ARTIKEL 4: AANVULLENDE VOORWAARDEN VOOR EEN VOORWAARDELIJKE REGISTRATE EN GELIJKWAARDIGE OPLEIDING EN BEKWAAMHEID
4.1

Het bestuur van de NVT is, na de Toetsingscommissie te hebben gehoord, bevoegd, nadere, en in verhouding tot de in Bijlage 2 genoemde voorwaarden aanvullende voorwaarden te stellen indien de verzoeker op onderdelen genoemd in bijlage 2 niet geheel aan de voorwaarden voldoet. Registratie vindt dan voor gedurende maximaal een periode van 2 jaar voorwaardelijk plaats met deze aantekening. De registratie komt na 2 jaar automatisch te vervallen indien op dat moment de aanvrager niet aan de aanvullende voorwaarden heeft voldaan. Indien binnen de genoemde periode wel aan de aanvullende voorwaarden is voldaan, zal de aantekening van voorwaardelijkheid bij de
registratie komen te vervallen.
4.2

Het bestuur van de NVT kan, na de Toetsingscommissie te hebben gehoord, bepalen dat verzoeker weliswaar niet geheel aan alle voorwaarden vermeld in Bijlage 2 voldoet, maar wel aan deze voorwaarden gelijkwaardige voorwaarden. Het bestuur van de NVT is, alvorens hiertoe te besluiten, gerechtigd om nadere stukken van bewijs te vragen en/of de verzoeker te horen. (…)
6. ARTIKEL 6: BEZWAAR
6.1

Tegen een besluit tot inschrijving, verlenging daarvan, het stellen van nadere voorwaarden daaraan dan wel het doorhalen of schorsen van een registratie uit hoofde van dit Reglement, kan door de persoon die daardoor rechtstreeks in zijn belang wordt geschaad, schriftelijk en gemotiveerd bezwaar worden aangetekend bij het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde,
binnen 3 weken nadat het besluit aan de belanghebbende bekend is gemaakt. Het bestuur, dan wel een door haar in te stellen bezwarencommissie, beslist niet op het bezwaar dan nadat de belanghebbende is gehoord, de belanghebbende de gronden van bezwaar schriftelijk uiteen heeft gezet en de Toetsingscommissie eveneens schriftelijk haar standpunt kenbaar heeft gemaakt.
6.2

De persoon die het niet eens is met dan wel zich benadeeld voelt door een besluit als bedoeld in lid 1, is niet gerechtigd andere procedures te vervolgen voordat de in lid 1 en lid 3 genoemde bezwaarmogelijkheden zijn benut.
6.3

In spoedeisende gevallen kan het betrokken lid het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde verzoeken om de kwestie binnen drie weken te behandelen in welk geval het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde overigens de in lid 1 genoemde elementen zo goed als mogelijk zal naleven.
7. ARTIKEL 7; OVERGANGSREGELING
7.1

Tot 1 januari 2015 kan een retrograde registratie (zie bijlage 1 en 2) aangevraagd worden. Daarna moet de aanvrager aan de voorwaarden voor een antegrade certificering voldoen.
8. ARTIKEL 8: WIJZIGING REGLEMENT
8.1

Dit reglement kan worden gewijzigd op voorstel van het bestuur van de NVT en na goedkeuring van het bestuur van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde. (…)
2.3.

De in dit reglement genoemde Bijlagen luiden – voor zover hier van belang – als volgt.
Bijlage 1
De certificering wordt onder auspiciën van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde en de Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie uitgevoerd en geregistreerd. In eerste instantie zal een retrograde certificering plaats vinden. Na introductie van het nieuwe curriculum voor de opleiding tot chirurg (SCHERP) wordt dit gevolgd door een antegrade certificering. Retrograde certificering kan tot 1 januari 2015 plaatsvinden. Het certificaat heeft een geldigheidsduur van 5 jaar. Daarna moet hercertificering plaatsvinden.

Procedure aanvraag certificering:
(…)
2. De aanvraag moet bevatten:
A: Voor de retrograde certificering moet de aanvrager als bijlagen indienen:
– Bewijs van inschrijving als arts en chirurg in Nederland. Een recent curriculum vitae alsmede de volledige naam en werkadres van de aanvrager.
– De aanvrager dient onderbouwd en met overlegging van daarop betrekking hebbende stukken aan te tonen dat de aanvrager 20% van zijn werkzaamheden aan de behandeling van ongevalspatiënten besteedt of de verklaring en certificaat in kopie overleggen waaruit blijkt dat de aanvrager
met goed gevolg een 6de jaars differentiatie traumachirurgie of een CHIVO opleiding traumachirurgie heeft gevolgd.
(…)

Bijlage 2
Voorwaarden voor de certificering tot NVT traumachirurg
Retrograde certificering: (indien van toepassing).
In aanmerking komen personen die aan de volgende voorwaarden voldoen:
 De persoon is als arts en chirurg geregistreerd in de daartoe bij Wet bestemde
registers in Nederland.
 De chirurg die kan aantonen dat hij/zij actief is in de traumazorg voor tenminste 20 % v/d klinische activiteiten op basis van een volledige werkweek.
 De chirurg met een voltooide CHIVO opleiding traumatologïe.
 De chirurg met een voltooide 6de jaars differentiatie traumatologie die aansluitend actief is in de traumazorg (20 % v/d klinische activiteiten).
De aanvraag voor de retrograde registratie wordt op basis van de in deze bijlage vermelde kwalificatie door een door het bestuur van de NVT benoemde toetsingscommissie bestaande uit chirurg in een universitair centrum, een in een niet universitaire opleidingskliniek en een kliniek zonder opleidjng beoordeeld overeenkomstig een interne instructie. Bij een positief advies van alle drie leden van de toetsingscommissie, wordt de certificering voor 5 jaar verleend. Bij onenigheid telt de meerderheid van stemmen en wordt een certificering voor 1 jaar verleend mits 2 van de 3 leden een positief advies geven.
(…)
Bovendien geldt als voorwaarde voor alle vormen van certificering dat de aanvrager lid te zijn van de Nederlandse Vereniging voor Traumachirurgie of naar het oordeel van de Toetsingscommissie gelijkwaardige vereniging, commissie of werkgroep die zich aantoonbaar tot doel stelt bij te dragen aan de kwaliteit van de Traumachirurg en wetenschappelijke sessies organiseert.
De certificering NVT traumachirurg sluit niet uit dat chirurgen zonder certificering die zich ertoe bekwaam achten ongevalspatiënten behandelen en traumachirurgische ingrepen uit voeren.
(…)

Bijlage 4
Bijlage 4: Reglement Toetsingscommissie
REGLEMENT TOETSINGSCOMMISSIE NEDERLANDSE VERENIGING VOOR HEELKUNDE
Dit reglement behelst de procedure en werkwijze van de Toetsingscommissie van de
Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (hierna ‘NVvH’).

Artikel 1 Doel en functioneren van de Toetsingscommissie:

1. De Toetsingscommissie behandelt verzoeken tot (her)registratie in een register voor een deelspecialisme of aandachtsgebied dat gehouden wordt door de NVvH of één van haar subverenigingen, hierna ‘Register”. Daartoe toetst de Toetsingscommissie of de aanvragen de chirurg voldoet aan de in het Reglement tot Registratie van de betreffende vereniging gestelde eisen aan
de hand van de stukken en verklaringen die de aanvragende chirurg blijkens
voornoemd Reglement moet indienen.
(…)

Artikel 2 Leden van de Toetsingscommissie:

1. De Toetsingscommissie bestaat uit 10 tot 15 leden: een voorzitter, secretaris,
plaatsvervangend secretaris en 7 tot 12 overige leden. Uit deze Toetsingscommissie wordt steeds voor aanvragen voor een specifiek deelspecialisme of aandachtsgebied, een Toetsingscommissie ad hoc ingesteld.
(…)

Artikel 4 Vertrouwelijkheid en onafhankelijkheid:

1. De leden van de Toetsingscommissie zijn verplicht strikte vertrouwelijkheid te betrachten ten aanzien van de informatie die zij betrekken uit de stukken en verklaringen die door chirurgen in het kader van een aanvraag tot (her)registratie worden aangereikt.
2. De leden zullen onafhankelijkheid betrachten bij het verrichten van hun
werkzaamheden. In ieder geval zal een aanvraag tot (her)registratie niet behandeld worden door
een lid van de vakgroep van de aanvragende chirurg, noch van een lid van een eventueel bestaand regionaal samenwerkingsverband.

Artikei 5: Behandeling aanvragen:

1. Het bestuur van de NVvH of een subvereniging zendt aanvragen en verzoeken tot (her)registratie in een Register zo spoedig mogelijk naar de Toetsingscommissie.
De voorzitter van de Toetsingscommissie stelt op basis van de aard van de aanvraag een procedure voor afhandeling vast alsmede de samenstelling van de Toetsingscommissie ad hoc die in ieder geval zal bestaan uit 1 lid dat lid is van de NVvH en niet lid is van de betreffende subvereniging en 2 leden die geregistreerd zijn in het betreffende Register.
2. Voor iedere aanvraag wordt een toetsingsformulier opgemaakt, dat getekend wordt door de voltallige behandelende commissie en van een concluderend advies voor het bestuur dat de aanvraag of het verzoek in zond, wordt voorzien.
3. Het bestuur van de aanvragende vereniging besluit op basis van het advies van de Toetsingscommissie op de aanvraag tot (her)registratie en stelt de aanvragende chirurg en de Toetsingscommissie hiervan schriftelijk in kennis.
(…)
5. De procedure van ontvangst van de aanvraag tot het toezenden van het besluit van het bestuur op de aanvraag duurt maximaal 3 maanden.
(…)
Artikel 8 Informatie:
De chirurg die een aanvraag heeft ingediend heeft te allen tijde recht op inzage of
een kopie van het advies van de Toetsingscommissie en, in geval van doorhalen
of schorsing van zijn/haar registratie, het advies van de Toetsingscommissie en
de informatie op basis waarvan het bestuur het besluit heeft genomen. (…)
2.4.

Ten aanzien van de in artikel 6.1 van genoemd reglement omschreven bezwaarcommissie geldt eveneens een reglement, luidend – voor zover hier van belang – als volgt.

REGLEMENT BEZWARENCOMMISSIE NEDERLANDSE VERENIGING VOOR HEELKUNDE
Dit reglement geeft uitleg over de procedure en werkwijze van de Bezwarencommissie van de Nederlandse Vereniging voor Heelkunde (NVvH). Deze uitleg behelst tevens de voorwaarden en het verloop van de procedure.
De Bezwarencommissie handelt geschillen, klachten en onenigheid (hierna omschreven als “Bezwaar”) over bepaalde besluiten en standpunten af teneinde een doelmatige en praktische oplossing te realiseren alvorens de persoon die een Bezwaar heeft, (hierna omschreven als “Klager”) een andere rechtsgang zal en kan benutten.
De Bezwarencommissie is meer specifiek door de NVvH ingesteld om een Bezwaar tegen besluiten, die betrekking hebben op (de aanvraag tot) een (her)registratie (…) af te handelen. Daartoe geeft de Bezwarencommissie een advies aan de het bestuur van de NVvH.
Artikel 1 Doel en functioneren van de BezwarencommissieDe Bezwarencommissie behandelt Bezwaren over een besluit van de NVvH, de Toetsingscommissie dan wel van een subvereniging van de NVvH, af. Het gaat daarbij om besluiten die betrekking hebben op de aanvraag van Klager tot (her)registratie in een register van een deelspecialisme of aandachtsgebied van de chirurgie dat door de NVvH of de betreffende subvereniging wordt gehouden, de behandeling van de aanvraag daarvan, de reactie daarop en de registratie of handelingen naar aanleiding daarvan in de meest ruime zin (…). Deze handelingen worden hierna met “Besluit” aangeduid.
(…)
Artikel 8 Uitspraken1. De uitspraken van de Bezwarencommissie worden gegeven als bindend advies met de kanttekening als in de inleidende zinnen van dit Reglement geplaatst, tenzij partijen uitdrukkelijk arbitrage zijn overeengekomen.
2. De Bezwarencommissie beslist als goede mannen/vrouwen naar billijkheid, de elementaire regels van een goede en eerlijke procesorde en de redelijkheid en billijkheid volgend die er onder andere in bestaan dat er te allen tijde hoor en wederhoor plaatsheeft, ook ten aanzien van wijzigingen in het Bezwaar en standpunten, de uitspraak gemotiveerd is en de Bezwarencommissie onafhankelijk
en onpartijdig adviseert.
3. De toelaatbaarheid van de bewijsmiddelen, de bewijslastverdeling en de waardering van het bewijsmateriaal staan ter vrije beoordeling van de Bezwarencommissie.
(…)

2.5.

[eiseres] is arts en zij heeft zich gespecialiseerd in de heelkunde (chirurgie). Zij praktiseert als chirurg en heeft ook traumachirurgische ervaring. In 2008 en 2009 heeft zij als (trauma)chirurg gewerkt in Nederland (in het Zaans Medisch Centrum en het Wilhelmina Ziekenhuis te Assen), maar thans doet zij dat in het Ipswich Hospital in het Verenigd Koninkrijk. Daarvoor was zij als zodanig werkzaam in het Londense King’s College Hospital, in het kader van een Emergency Surgery Fellowship.
2.6.

Op 12 september 2013 heeft [eiseres] een aanvraag bij de NVvT ingediend tot retrograde registratie als traumachirurg. Bij de aanvraag heeft zij haar cv gevoegd, een bewijs van inschrijving in het Medisch Specialisten Register van de KNMG, haar aanstellingsbrief in het King’s College Hospital, een getuigschrift van een leidinggevende aldaar, een overzicht met verrichte trauma-operaties in 2008, 2009, 2011, 2012 en 2013 (met vermelding van de aard van de ingrepen en het ziekenhuis waar die werden verricht) en een negental certificaten van gevolgde vaktrainingen.
2.7.

Op 26 september 2013 heeft de door het NVvT ter beoordeling van de aanvraag samengestelde toetsingscommissie [eiseres] bericht dat zij uit de ingediende bescheiden niet kan opmaken of [eiseres] voldoet aan de norm van 20% traumazorg. [eiseres] is daarbij verzocht een OK-tabel/weekrooster en/of dienstrooster aan de commissie te verstrekken, waaruit dat wel kan worden opgemaakt. Daarop heeft [eiseres] die dag nog een computeruitdraai overgelegd met matrixgegevens, met het opschrift ‘General Surgery – Trauma Spr Rota’ en betrekking hebbende op de periode van 1 oktober 2012 tot 30 september 2013, waarin – in meerdere blokken – diverse data en wisselende twee- of drie lettercombinaties zijn opgenomen. Bij één van die blokken staat haar naam.
2.8.

Na ontvangst van die uitdraai heeft de commissie op 26 september 2013 bericht dat de gevraagde informatie niet is gegeven, omdat uit die uitdraai niet kan worden opgemaakt of ‘het gaat om uw huidige werkzaamheden in het ziekenhuis waar u nu werkzaam bent’.
2.9.

Op 10 februari 2014 heeft de toetsingscommissie [eiseres] gevraagd de ‘eerder gevraagde informatie, op basis waarvan de toetsingscommissie de 20% norm kan beoordelen’, alsnog te verschaffen.
2.10.

Op diezelfde dag heeft [eiseres] de commissie wederom een computeruitdraai toegezonden, met het opschrift ‘General Surgical Consultant Rota’, waarin 28 balken staan, voor elke dag van de maand februari 2014 één balk. Bij vier van de dagen en bij vier van de nachten, behorende bij die data staat SRI ( [eiseres] ’s initialen). [eiseres] heeft die uitdraai aan de commissie aangeboden met de mededeling dat het haar dienstlijst ‘Emergency Surgery & Major trauma’ betreft. Het gaat daarbij, naar de rechtbank verstaat, om [eiseres] ’s operatiewerkzaamheden in het Ipswich Hospital.
2.11.

Later die dag heeft de commissie [eiseres] bericht dat zij ‘aan de hand van deze informatie niet kan beoordelen of u aan de 20% norm voldoet’. Ook meldde zij [eiseres] toen ‘Daarnaast moet een en ander leesbaar en begrijpelijk zijn. Wederom verzoeken wij u een recent OK tableau en weekschema toe te sturen’.
2.12.

Op 8 april 2014 heeft de commissie [eiseres] meegedeeld graag een recent OK-tableau en weekschema van haar te ontvangen, waaruit duidelijk wordt hoeveel verrichtingen zij in de afgelopen maanden heeft verricht. Diezelfde dag nog heeft [eiseres] de commissie meegedeeld van oordeel te zijn dat geen nadere gegevens benodigd zijn voor de commissie om de aanvraag te kunnen beoordelen.
2.13.

Op 12 mei 2014 heeft de commissie haar verzoek van 8 april 2014 aan [eiseres] herhaald, er op aangedrongen de gevraagde informatie (‘waaruit blijkt dat u aan de 20%-eis voldoet’) voor eind mei 2014 te verschaffen en haar meegedeeld dat de commissie bij gebreke daarvan de aanvraag als ingetrokken zal beschouwen.
2.14.

Op 24 juni 2014 heeft mevrouw [A] (directeur Conference Management van de NVvT) aan [eiseres] meegedeeld dat de toetsingscommissie van oordeel is dat uit haar dossier niet kan worden aangetoond dat zij minstens 20% van haar werkzaamheden aan de behandeling van ongevalspatiënten besteedt, reden waarom de commissie haar dossier heeft gesloten en de aanvraag is geweigerd.
2.15.

Nog op 24 juni 2014 heeft [eiseres] bezwaar aangetekend tegen voormeld besluit. De bezwaarcommissie van de NVvH heeft, na [eiseres] te hebben gehoord, op 19 maart 2015 op het bezwaar beslist. Deze uitspraak luidt, voor zover hier van belang als volgt, zakelijk:
  • de norm uit het toepasselijke reglement, dat op een aanvraag binnen drie maanden na ontvangst van het volledige verzoek moet zijn beslist, is niet geschonden omdat [eiseres] geen volledig (van de vereiste gegevens voorzien) verzoek heeft gedaan; bovendien betreft die norm een instructienorm en is overschrijding ervan niet fataal;
  • [eiseres] ’s bezwaar dat zij tot dan toe geen uitspraak op bezwaar heeft ontvangen is ongegrond omdat die uitspraak eerst op 24 juni 2014 wordt gedaan; [eiseres] komt terzake geen beroep toe op de Algemene wet bestuursrecht;
  • op zichzelf bezien is juist dat [eiseres] niet een afschrift heeft ontvangen van het advies van de toetsingscommissie (zoals had gemoeten), maar nu de toetsingscommissie tot het oordeel is gekomen dat de aanvraag bij gebrek aan voldoende informatie van de zijde van [eiseres] niet verder kon worden behandeld, was voor [eiseres] voldoende duidelijk wat het oordeel van de toetsingscommissie was en waar dat op was gegrond; van materiële schending van de voorgeschreven openheid van besluitvorming is daarom geen sprake;
  • het stond de toetsingscommissie in redelijkheid vrij om, teneinde te kunnen toetsen of [eiseres] de voor de registratie benodigde (hoogwaardige) kwaliteit, kennis en vaardigheid bezit, als eis te formuleren dat zij aantoont ten minste 20% van haar werktijd aan de behandeling van ongevalspatiënten te besteden; de toetsingscommissie heeft terecht beslist dat uit de door [eiseres] aangedragen gegevens niet blijkt dat zij aan die eis voldoet, zodat de toetsingscommissie haar verzoek om registratie op goede grond niet verder heeft behandeld;
  • de bezwaarcommissie, oordelend als goede mannen naar billijkheid, spreekt daarom jegens partijen het bindend advies uit dat de gevraagde registratie terecht niet is toegekend.
2.16.

Op 9 april 2015 heeft het bestuur van de NVvH meegedeeld dat [eiseres] ’s bezwaar tegen de beslissing van de toetsingscommissie ongegrond is, daar het bestuur het bindende advies van de bezwaarcommissie overneemt.

3Het geschil

3.1.

[eiseres] vordert dat de rechtbank, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
  1. het besluit van de NVvH van 9 april 2015 alsmede het besluit van de toetsingscommissie van 24 juni 2014, waarbij [eiseres] ’s verzoek tot registratie als NVvT-traumachirurg niet is gehonoreerd, vernietigt;
  2. aan de NVvH en de NVvT opdraagt om binnen twee weken na het te wijzen vonnis een nieuw besluit te nemen, waarbij [eiseres] met ingang van 12 september 2013, althans 12 december 2013 (zijnde een datum gelegen drie maanden na de aanvraag), althans met ingang van een door de rechtbank in goede justitie te bepalen andere datum, met terugwerkende kracht alsnog wordt geregistreerd als NVvT-traumachirurg voor een periode van vijf jaar, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag of gedeelte van een dag dat de NVvH en de NVvT daarmee in gebreke blijven;
  3. de NVvH en de NVvT hoofdelijk in de gedingkosten veroordeelt.
3.2.

NVvT c.s. voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

[eiseres] voert ter onderbouwing van haar vordering een aantal deelbezwaren aan rond de beoordeling van en de beslissing op haar aanvraag. Bij dagvaarding heeft zij onder meer aangevoerd dat de bijlagen 1 en 2 bij het toepasselijke reglement ten aanzien van (retrograde) registratie onderling verschillende eisen bevatten ten aanzien van de traumachirurgische voorervaring. Bijlage 1 stelt in dat verband de eis dat de aanvrager 20% van zijn werkzaamheden aan de behandeling van ongevalspatiënten besteedt. Bijlage 2 stelt in dat verband de eis dat de aanvrager 20% van zijn klinische activiteiten aan traumazorg besteedt. Ter comparitie heeft [eiseres] evenwel verklaard dat die beide begrippen inhoudelijk van gelijke betekenis zijn (zoals NVvT c.s. had gesteld) en dat in het gestelde verschil derhalve ‘niet de crux zit’ van de beoordeling van haar vordering. De rechtbank verstaat die uitlating aldus dat [eiseres] het bedoelde bezwaar heeft laten varen, zodat het bij de beoordeling van haar vordering geen bespreking behoeft.
4.2.

De (gehandhaafde) bezwaren van [eiseres] leiden haar tot de stelling dat de toetsingscommissie van de NVvT en het bestuur van de NVvH in redelijkheid en billijkheid niet tot het oordeel hebben kunnen komen dat zij niet heeft aangetoond aan de genoemde 20%-eis te voldoen. Deze toets van redelijkheid en billijkheid is hier de juiste maatstaf, aldus [eiseres] , omdat NVvT c.s. als de verenigingen waarbij zij is aangesloten zich jegens haar als lid van die verenigingen uit hoofde van artikel 2:8 BW dienovereenkomstig dient te gedragen. Die eis is geschonden omdat [eiseres] wel aan de 20%-eis voldoet en zulks blijkt uit de bescheiden die zij ten behoeve van de aanvraag heeft ingediend. De gewraakte besluiten zijn daarom vernietigbaar en de rechtbank dient alsnog aan NVvT c.s. op te dragen de registratieaanvraag toe te wijzen. Van het door NVvT c.s. gestelde bindend-advieskarakter van de uitspraak op bezwaar (en van de daarbij, uit hoofde van artikel 7:904 BW geldende, toets dat die uitspraak alleen dan niet geldt wanneer zulks jegens [eiseres] naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is) is naar stelling van [eiseres] geen sprake, omdat zulks niet uit de toepasselijke reglementen volgt. Zij wijst in dit verband op de kanttekening in de inleiding van het reglement van de bezwaarcommissie (dat eerst de bezwaarprocedure zal worden doorlopen ‘alvorens een andere rechtsgang kan en zal worden benut’) en de verwijzing daarnaar in artikel 8 lid 1 van dat reglement. Zij stelt dat de uitspraak van de bezwaarcommissie aldus slechts bindend is in de relatie tussen de NVvH en de bezwaarcommissie zelf, alsmede dat de gebrekkige regeling van het karakter van die uitspraak (en het gebrek aan uitleg daaromtrent door NVvT c.s.) hier in haar voordeel moet worden uitgelegd.
4.3.

Voorts legt [eiseres] aan haar vordering, in het kader van de door haar gestelde redelijkheidtoets, ten grondslag dat de toetsingscommissie haar besluit onvoldoende heeft gemotiveerd door niet te vermelden op welke grond zij tot haar oordeel kwam (en tot welk percentage zij volgens die commissie wel aan de eis van traumachirurgische voorervaring voldeed), voorts dat haar ten onrechte niet is meegedeeld welke gegevens de NVvT nog wenste te verkrijgen opdat zij wel op de aanvraag kon beslissen, voorts dat de NVvT haar ondanks haar verzoek daartoe niet heeft meegedeeld wie er in de toetsingscommissie zitting hadden (zodat zij niet kon controleren of de samenstellingseisen waren nageleefd) en dat op haar registratieverzoek pas na 9,5 maand is beslist in plaats van binnen de voorgeschreven termijn van maximaal drie maanden.
4.4.

NVvT c.s. verweert zich met de stelling dat uit de toepasselijke reglementen voldoende duidelijk voortvloeit dat het besluit van de bezwaarcommissie bindend advies betreft, zodat die uitspraak geldt tenzij dat naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, zoals bedoeld in artikel 7:904 BW. Van een bindend advies tussen (uitsluitend) de toetsingscommissie en (het bestuur van) de NVvH is geen sprake omdat zij niet de partijen zijn bij het te beslechten geschil. De genoemde onaanvaardbaarheid doet zich naar stelling van NVvT c.s. niet voor. Zij sluit zich aan bij het oordeel van de bezwaarcommissie omtrent de termijn waarop op de aanvraag is beslist en het oordeel dat voor [eiseres] voldoende duidelijk is wat het oordeel van de toetsingscommisie is en waarop dat is gebaseerd. Die commissie was op de voorgeschreven wijze samengesteld. Dat [eiseres] niet is meegedeeld wie er zitting in hadden, is een gerechtvaardigde keus nu de kring van traumachirurgen klein is en voorkomen moet worden dat een aanvrager contacten legt met leden van de toetsingscommissie om te trachten de uitkomst van de toets te beïnvloeden, aldus NVvT c.s.
4.5.

Dat van die onaanvaardbaarheid ook geen sprake was ten aanzien van de uitkomst van de 20%-toets, motiveert NVvT c.s. als volgt. Retrograde registratie (met vrijstelling van het voor antegrade registratie geldende curriculum) kan naar zijn aard alleen plaatsvinden als de aanvrager aantoont over recente, hoogwaardige traumachirurgische voorervaring te beschikken, gemeten (gezien 1.3 van het registratiereglement) naar de eisen die uit de Nederlandse wetgeving en beroepspraktijk voortvloeien. Welke die eisen zijn volgt uit de door NVvT op haar website gepubliceerde informatie over de taken en verantwoordelijkheden van de (Nederlandse) traumachirurg, waarbij vooral de zwaarwegende rol van coördinator bij de behandeling van letsels telt (productie 1 en 2 bij antwoord), uit de beroeps- en opleidingseisen behorende bij de differentiatie traumachirurgie (productie 3 bij antwoord) en uit de voor de Nederlandse traumachirurg geldende protocollen (productie 4 bij antwoord). Die gegevens waren voor [eiseres] kenbaar, aldus NVvT c.s. De eis van recente werkervaring moet, tegen de achtergrond van de aard van de beroepspraktijk en de snelle veranderingen daarin, worden opgevat als ‘opgedaan in de aan de aanvraag voorafgegane één à twee jaar’. Omdat de wettelijke eisen en de eisen van de beroepspraktijk van land tot land verschillen moeten gegevens rond buitenlandse werkervaring naar de Nederlandse situatie worden ‘vertaald’. Ieder geval leidt tot een andere ‘vertaalslag’, waardoor de eisen rond hetgeen bij een aanvraag aangeleverd moet worden noodgedwongen ruim en niet in detail bepaald zijn. Voorts stelt NVvT c.s. dat de Engelse traumachirurgische praktijk (waarin [eiseres] werkzaam is) in aanmerkelijke mate verschilt van de Nederlandse. In Engeland verricht bijvoorbeeld niet de chirurg maar de orthopeed de operatieve ingrepen bij breuken van de extremiteiten. Ten behoeve van de aldus uit te voeren beoordeling moest voor de toetsingscommissie en de bezwaarcommissie toetsbaar zijn, aldus NVvT c.s., welke traumachirurgische handelingen (naar aard en aantal) [eiseres] heeft verricht, of daarbij van voldoende diversiteit (dus ook: ingrepen bij botbreuken van de extremiteiten) sprake is, of (en in welke mate) zij daarbij een coördinerende rol heeft vervuld en of het traumachirurgische werk in de relevante meetperiode tenminste 20% van het totale werkpakket (op weekbasis tenminste 8 uur) uitmaakte. Die toets is door de toetsingscommissie en de bezwaarcommissie niet uitgevoerd kunnen worden omdat de door [eiseres] aangeleverde gegevens daartoe onvoldoende waren. Uit die gegevens bleek immers niet bij welke specifieke traumachirurgische handelingen [eiseres] betrokken was, wanneer (in de relevante meetperiode) en met welke frequentie dat het geval was en wat daarbij de precieze (regie)rol van [eiseres] was. Bovendien waren de aangeleverde gegevens, met name de op 10 februari 2014 verstrekte OK-planning, onleesbaar. Het oordeel van de toetsingscommissie en de bezwaarcommissie geldt daarom onverkort en kan niet met een beroep op artikel 7:904 BW worden omzeild, aldus NVvT c.s.
4.6.

De rechtbank oordeelt als volgt. Krachtens de toepasselijke reglementen beslist het bestuur van de NVvH of (zoals hier het geval was) een door haar benoemde bezwaarcommissie op een bezwaar tegen een afwijzing van een aanvraag als die van [eiseres] . Dat betekent dat de eventuele gebreken die aan de afwijzingsbeslissing van de toetsingscommissie kleven, aan de bezwaarcommissie konden worden voorgelegd, opdat deze daarop beslist. Gegeven die gang van zaken (waaraan [eiseres] , naar zij erkent, krachtens de reglementen gebonden was), dient hier allereerst te worden beoordeeld of het besluit van de bezwaarcommissie en het daarop gebaseerde besluit van het bestuur van de NVvH in stand kan blijven. Eerst als die vraag ontkennend wordt beantwoord, kan worden toegekomen aan de vraag of de beslissing van de toetsingscommissie in stand kan blijven.
4.7.

In dit verband houdt partijen de vraag verdeeld welk criterium gehanteerd moet worden bij de beoordeling van [eiseres] ’s vordering: de redelijkheidstoets van artikel 2:8 BW of de ‘onaanvaardbaarheidstoets’ van artikel 7:904 BW. Het antwoord op die vraag valt samen met het antwoord op de vraag of de beslissing van de bezwaarcommissie een tussen [eiseres] en NVvT c.s. geldend bindend advies is in de zin van (de uitkomst van) een tussen hen geldende vaststellingsovereenkomst (zoals NVvT c.s. stelt) of dat het daarop gebaseerde besluit van het bestuur van de NVvH een zelfstandig besluit van NVvT c.s. betreft (zoals [eiseres] stelt). De rechtbank stelt vast dat het reglement dat geldt voor de toetsingscommissie in artikel 6 (handelend over de bezwaarmogelijkheid) niet over bindend advies spreekt, maar wel voorschrijft dat eerst de bezwaarprocedure moet worden gevolgd alvorens de bezwaarmaker gerechtigd is ‘andere procedures te vervolgen’. Ook is daar vermeld dat het bezwaar dient te worden aangetekend bij het bestuur van de NVvH en dat dat bestuur ‘danwel een door haar in te stellen bezwarencommissie’ daarop beslist. Dat met de zinsnede ‘andere procedures te vervolgen’ slechts is gedoeld op de enkele mogelijkheid het besluit van de bezwarencommissie op grond van 7:904 BW aan te tasten (zoals NVvT c.s. stelt), ligt niet voor de hand. Ook de in het reglement beschreven mogelijkheid dat het bestuur van de NVvH er voor kan kiezen zelf (kennelijk: buiten de bezwaarcommissie om) op een bezwaar te beslissen, wijst er niet op dat – in het geval het bestuur de afdoening van het bezwaar aan de bezwaarcommissie opdraagt – zulks gebeurt op basis van een voor dat geval bij voorbaat door het reglement tot stand gebrachte overeenkomst tussen de bezwaarmaker enerzijds en NVvT c.s. anderzijds, strekkende tot een bindend-advies van de bezwaarcommissie in de door NVvT c.s. gestelde zin.
4.8.

Hier telt voorts in het voordeel van [eiseres] dat in de considerans van het reglement voor de bezwaarcommissie is vermeld dat die commissie een advies geeft aan het bestuur van de NVvH. Die vermelding strookt niet met de stelling van NVvT c.s. dat de uitspraak van die commissie reeds uit zichzelf bindend is tussen de bezwaarmaker en de NVvT. Evenzeer strookt daar niet mee dat het bestuur van de NVvH aan [eiseres] heeft meegedeeld het advies van de bezwaarcommissie over te nemen. Bij een bindend advies in de door NVvT c.s. gestelde zin vormt dat advies immers reeds de vaststaande afdoening van de klacht. Ook telt hier in het voordeel van [eiseres] dat ook in de considerans van eerdergenoemd reglement staat dat de bezwaarmaker eerst de afdoening door de bezwaarcommissie dient af te wachten alvorens hij ‘een andere rechtsgang zal en kan benutten’. Hier geldt hetgeen onder 4.7 over de vrijwel gelijkluidende zinsnede in het reglement voor de toetsingscommissie is vermeld.
4.9.

Tegenover dit een en ander staat dat het reglement voor de bezwaarcommissie (in artikel 8 lid 1) bepaalt dat de bezwaarcommissie haar uitspraken geeft als bindend advies en dat de woorden ‘als goede mannen/vrouwen naar billijkheid’ aansluiten bij de gebruikelijke werkwijze van bindend adviseurs in de door NVvT c.s. gestelde zin. Ook staat daar tegenover dat de bezwaarcommissie in [eiseres] ’s zaak in haar uitspraak heeft verwoord dat het daarbij om een bindend advies en een oordeel van goede mannen naar billijkheid betreft.
4.10.

Die tegenaanwijzingen zijn echter van onvoldoende gewicht om hier tot het gelijk van NVvT c.s. te leiden. Daartoe is van belang dat het hier gaat om (op zijn minst genomen) onderling niet consistente bepalingen in de door NVvT c.s. zelf opgestelde reglementen en dat die bepalingen niet tot stand zijn gekomen in de directe verhouding tussen NVvT c.s. enerzijds en [eiseres] als degene die daaraan gebonden is anderzijds. Die inconsistentie dient daarom voor rekening van NVvT c.s. te blijven, temeer nu de door NVvT c.s. bepleite uitleg meebrengt dat [eiseres] als bezwaarmaker tegen de afgewezen registratie-aanvraag wordt beperkt in de juridische mogelijkheden die zij in het algemeen heeft om tegen een dergelijke afwijzing op te komen (zoals een beroep op artikel 2:8 lid 1 BW). De wijze waarop de bezwaarcommissie haar beslissing heeft ingekleed leidt niet tot een ander oordeel, omdat dat op een interpretatie van de reglementen berust en niet op een omstandigheid die van belang is voor de inhoud van de desbetreffende reglementsbepalingen en de wijze waarop [eiseres] die heeft moeten begrijpen, op het moment waarop zij als lid van NVvT c.s. aan de reglementen gebonden werd.
4.11.

Niet kan worden uitgesloten dat bij de opstellers van de desbetreffende reglementen het opzet heeft voorgezeten om het bezwaar te regelen in de door NVvT c.s. gestelde zin, maar dat opzet is in dat geval niet voldoende tot uiting gebracht en daarom hier niet doorslaggevend.
4.12.

Het voorgaande betekent dat moet worden beoordeeld of de beslissing van het bestuur van de NVvH van 9 april 2015, als besluit van een orgaan van NVvT c.s., aan de redelijkheidseis van artikel 2:8 BW voldoet en zo nee, of [eiseres] zich terecht op de vernietigbaarheid van die beslissing (ex artikel 2:15 BW) heeft beroepen.
4.13.

Het bestuur heeft zich, zonder daaraan verder eigen overwegingen te wijden, aangesloten bij de beslissing van de bezwaarcommissie. Het komt daarom hier in feite aan op de vraag of die beslissing aan de genoemde redelijkheidseis voldoet. Daarbij is van belang dat de bezwaarprocedure en de in het verlengde daarvan door het bestuur van de NVvH te nemen besluit (iets anders is niet gesteld of gebleken) een volledige toets (heroverweging) omvat van het in het bezwaar betrokken geschil.
4.14.

Tussen partijen staat vast dat de aanvraag van [eiseres] tot retrograde registratie als NVvT-traumachirurg beoordeeld dient te worden aan de hand van de vier inhoudelijke eisen, zoals verwoord in bijlage 2 bij het toepasselijke reglement (zie 2.3) en vermeld achter de vier bullets in die bijlage. Ook staat vast dat de eis vermeld bij de eerste bullet een absolute eis is waaraan [eiseres] voldoet, dat de eisen vermeld bij de tweede, derde en vierde bullets alternatieve eisen zijn en dat [eiseres] niet voldoet aan de eisen vermeld bij de derde en vierde bullet, zodat beslissend is of zij voldoet aan de eis vermeld bij de tweede bullet. Dit betreft de eis dat zij aantoont actief te zijn in de traumazorg voor ten minste 20 % van de klinische activiteiten op basis van een volledige werkweek.
4.15.

Tussen partijen staat voorts vast dat deze eis in het reglement voor de toetsingscommissie niet nader is omschreven (niet naar inhoud en niet wat de periode betreft waaraan die eis getoetst moet worden) en dat dat reglement ook geen concrete voorschriften geeft voor de aanvrager van een registratie en/of de toetsingscommissie ten aanzien van de feitelijke gegevens die nodig zijn om te kunnen beoordelen of aan die eis is voldaan. Als door NVvT c.s. gesteld en door [eiseres] niet weersproken staat vast dat het ontbreken van die concrete voorschriften noodzakelijkerwijs voortvloeit uit de omstandigheid dat het bij de aanvraag van een retrograde registratie veelal om in het buitenland werkzame traumachirurgen gaat, waarbij de 20%-toets aan de hand van de recente buitenlandse werkervaring veelal (zoals ook hier) een individuele vertaalslag vereist die noodzaakt tot een ruime en weinig gedetailleerde omschrijving van de eisen die rond de onderbouwing van de aanvraag gelden. Ook staat vast, als door NVvT c.s. gesteld en [eiseres] niet (voldoende weersproken) dat een retrograde registratie-aanvraag, zeker in het geval de aanvrager in het buitenland werkt, op de onder 4.5 omschreven wijze moet worden getoetst.
4.16.

[eiseres] heeft ten enenmale niet voor de rechtbank inzichtelijk gemaakt dat de door haar (aan NVvT c.s.) aangeleverde gegevens nopen tot de slotsom dat zij aan de genoemde 20%-toets voldoet. Daartoe had zij die gegevens nader dienen uit te leggen, opdat aan de hand daarvan duidelijk was geworden dat zij aan de onder 4.5 omschreven toetsnorm voldeed. Nu zij dat heeft nagelaten, is van die duidelijkheid geen sprake. Daarmee moet haar stelling dat NVvT c.s. in redelijkheid niet tot de bestreden beslissingen (de initiële en die op bezwaar) heeft kunnen komen, als onvoldoende onderbouwd worden verworpen. Van vernietigbaarheid van die beslissingen op die grond is daarom geen sprake.
4.17.

Een ander verwijt van [eiseres] is dat NVvT c.s. haar niet voldoende duidelijk heeft gemaakt welke gegevens zij nog nodig had om haar aanvraag wel te kunnen beoordelen. Het kan worden daargelaten of NVvT c.s. in dat verband de vereiste duidelijkheid jegens [eiseres] heeft betracht, omdat [eiseres] voorts had dienen te stellen dat zij (indien daarom gevraagd), nadere gegevens had kunnen en willen verstrekken. Dat heeft zij echter niet voldoende gesteld. Integendeel: zij heeft ter comparitie verklaard dat zij de onderbouwing van haar aanvraag niet duidelijker heeft kunnen maken dan met de aangeleverde gegevens. Dit sluit aan bij haar antwoord van 8 april 2014 op het verzoek van NVvT om een leesbaar, begrijpelijk en recent OK-tableau en weekschema, inhoudend dat die gegevens niet nodig waren omdat de reeds verstrekte gegevens voldoende duidelijk waren. Ook sluit dat aan bij het feit dat [eiseres] op dat op 12 mei 2014 herhaalde verzoek van NVvT c.s. in het geheel niet meer heeft gereageerd. Ook dit verwijt treft daarom geen doel.
4.18.

Dat lot treft ook het verwijt dat NVvT c.s. niet voldoende heeft gemotiveerd op welke grond het bestreden besluit was gebaseerd. Uit zowel de beslissing van (de bezwarencommissie van) de NVvH als uit de beslissing van de NVvT blijkt dat die grond was gelegen in de vaststelling dat de aangeleverde gegevens onvoldoende waren om de voorgeschreven toets te kunnen uitvoeren. Dat is een voldoende motivering. Gegeven die motivering (en mede gelet op hetgeen onder 4.16 is beslist) kan NVvT c.s. niet worden verweten dat zij niet heeft aangegeven tot welk percentage [eiseres] wel aan voorgeschreven voorervaringseis voldeed.
4.19.

Ten slotte baten [eiseres] ook niet haar verwijten dat de NVvT [eiseres] ondanks haar verzoek daartoe niet heeft meegedeeld wie er in de toetsingscommissie zitting hadden (zodat zij niet kon controleren of de samenstellingseisen waren nageleefd) en dat op haar registratieverzoek pas na 9,5 maand is beslist in plaats van binnen de voorgeschreven termijn van maximaal drie maanden. Wat de samenstelling van de commissie aangaat is daartoe van belang dat [eiseres] niet heeft gesteld dát die commissie niet op de juiste wijze was samengesteld. Aan haar moet worden toegegeven dat NVvT c.s. geen valide reden heeft genoemd om de namen van de commissieleden aan haar te onthouden nadat de commissie uitspraak had gedaan (waarvan uitgaande aan [eiseres] het recht toekomt om die namen alsnog te vernemen), maar gegeven het ontbreken van een stelling omtrent de onjuiste samenstelling van de toetsingscommissie leidt het onthouden van die namen niet tot het oordeel dat het bestreden besluit van die commissie een schending van artikel 2:15 BW oplevert. De termijn waarop de NVvT op de aanvraag dient te beslissen, moet worden gezien als een instructienorm aan de NVvT, die de (on)redelijkheid van het uiteindelijk genomen besluit niet regardeert. De ongerijmde consequentie van een andersluidende uitleg zou zijn dat elk (te) laat genomen besluit wegens strijd met genoemd artikel vernietigbaar zou zijn en dat na die vernietiging alsnog een vervangend besluit moet worden genomen op de aanvraag, welk besluit nog op een veel langere termijn zal volgen dan het vernietigde besluit.
4.20.

De slotsom moet derhalve zijn dat elk van de verwijten die [eiseres] aan NVvT c.s. richt faalt en dat de bestreden besluiten van de (bezwarencommissie van de) NVvH en het initiële besluit van de NVvT in stand moeten worden gelaten. De vordering van [eiseres] moeten daarom worden afgewezen. []

5De beslissing

De rechtbank

5.1.

wijst de vorderingen af,

Wetsvoorstel Bestuur en toezicht

Het Wetsvoorstel Bestuur en toezicht rechtspersonen is ingediend.

Het wetsvoorstel bevat een aantal belangrijke wijzigingen voor verenigingen.

Het nieuwe artikel 2:9 lid 5 BW geeft een nieuwe regeling voor tegenstrijdig belang:
” Een bestuurder neemt niet deel aan de beraadslaging en de besluitvorming indien hij
daarbij een direct of indirect persoonlijk belang heeft dat tegenstrijdig is met het belang
van de rechtspersoon en de daaraan verbonden onderneming of organisatie. Wanneer
hierdoor geen bestuursbesluit kan worden genomen, wordt het besluit genomen door de
raad van commissarissen. Bij ontbreken van een raad van commissarissen wordt het
besluit genomen door de algemene vergadering, tenzij de statuten anders bepalen”

Het nieuwe artikel 2:9 lid 6 BW bepaalt dat de statuten een regeling moeten bevatten voor in geval van  ontstentenis of belet van
elk van de bestuurders (bijv. als het hele bestuur opstapt).

Het wordt ook voor verenigingen mogelijk om niet-uitvoerende bestuurders te benoemen (een constructie met een algemeen en dagelijks bestuur, maar dan met wettelijke basis in het nieuwe artikel 2:9a BW).

Het nieuwe artikel 2:9c BW bepaalt dat dat in geval van faillissement, ieder bestuurslid jegens de boedel hoofdelijk aansprakelijk is voor het tekort indien het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aannemelijk is dat dit een belangrijke oorzaak is voor het faillissement. Tot nu toe bepaalde de wet dit alleen voor BV en NV.
Indien de boekhouding niet aan de vereisten van artikel 2:10 voldoet, dan heeft het bestuur zijn taak kennelijk onbehoorlijk vervuld (tegenbewijs niet mogelijk, maar onbelangrijke verzuimen worden niet in aanmerking genomen) en wordt vermoedt dat onbehoorlijke taakvervulling een een belangrijke oorzaak is van het faillissement (tegenbewijs mogelijk). Deze bepaling is niet van toepassing op onbezoldigde bestuurders van informele verenigingen en van verenigingen die niet aan de heffing van de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

De raad van commissarissen krijgt een uitgebreide regeling in artikelen  2:11 tot en met 2:11c BW

Informele vereniging en aansprakelijkheid (DTV groep)

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:3406


Zaak betreft een inkoopvereniging voor ondernemers, waarbij geïntimeerde de spil is. Kortingen bedongen door de vereniging worden uitbetaald als bonussen aan geïntimeerde. Een van de aangesloten ondernemingen, Mazzelshop,  zegt het lidmaatschap op en vordert uitbetaling naar rato van deze bonussen. Geïntimeerde beroept zich erop dat hij slechts lid van de inkoopvereniging is en dat Mazzelshop in ieder geval geen vordering jegens hem heeft.

Het hof:
” Uit het voorgaande volgt derhalve dat DTV Groep als samenwerkingsverband heeft deelgenomen aan het rechtsverkeer en, mede in het licht van de overige onder 3.6 genoemde omstandigheden, moet worden beschouwd als een informele vereniging in de zin van de wet en dus ingevolge artikel 2:3 BW rechtspersoonlijkheid bezit.
Dat betekent dat Mazzelshop, nu haar vordering is gegrond op nakoming van (betalings)verplichtingen van DTV Groep, [geïntimeerde] daarvoor niet in rechte kan betrekken. De vordering van Mazzelshop jegens [geïntimeerde] ligt daarmee voor afwijzing gereed.
Daarbij neemt het hof tot slot nog in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] als bestuurder van DTV Groep kan worden beschouwd. Mazzelshop heeft ook niet aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] in die hoedanigheid aansprakelijk zou zijn voor de bedoelde schuld.”

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om het volgende.
Op 1 januari 2010 is Mazzelshop door ondertekening van een samenwerkingsovereenkomst lid geworden van de DTV Groep, een groep van detaillisten uit de tuinmeubelbranche. Het lidmaatschap werd aangegaan voor de duur van 1 jaar en had tot doel om door gezamenlijke inkoop betere condities te verkrijgen. [geïntimeerde] is eveneens lid van de DTV Groep. In het huishoudelijk reglement van de DTV Groep is onder meer bepaald dat (i) bij opzegging van het lidmaatschap het lid al haar rechten op extra condities en andere voordelen van de groep verliest, en (ii) groepskapitaal, verkregen door reclame of op andere wijze, niet wordt uitgekeerd.



In de ledenvergadering van 7 januari 2010 is afgesproken dat de door [geïntimeerde] gemaakte onkosten voor de DTV Groep, bestaande uit het beschikbaar stellen van [geïntimeerde] van arbeid, huisvesting, telefoon, fax en internet, kunnen worden gedeclareerd bij DTV Groep en dat deze kosten worden betaald uit de pot organisatiebijdragen. Daarnaast is in de ledenvergadering gesproken over de oprichting van een coöperatie U.A. Deze coöperatieve vereniging, genaamd: “Coöperatieve Inkoopcombinatie DTV Groep U.A.”, is opgericht op 22 oktober 2010. Eerder, namelijk op 27 september 2010, heeft Mazzelshop aan de aspirant-leden van deze coöperatie (per adres [adres] ) bericht de samenwerking met de coöperatie in oprichting per direct te beëindigen. Bij brief van 26 januari 2011 heeft Mazzelshop DTV Groep (per adres [adres] ) verzocht om tot financiële (eind)afrekening van DTV Groep over te gaan.

3.2

Mazzelshop heeft in eerste aanleg kort samengevat gevorderd om [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van € 11.307,21, vermeerderd met rente en (beslag)kosten. Daarnaast heeft Mazzelshop gevorderd om [geïntimeerde] bij incidenteel vonnis te veroordelen tot afgifte van de volledige administratie van de inkoopvereniging DTV Groep over het jaar 2010. Mazzelshop heeft aan haar vorderingen ten grondslag gelegd dat DTV Groep bij diverse leveranciers inkoopkortingen heeft verkregen, die als “omzetbonussen”, in de vorm van “reclamebijdrage” en “organisatiebijdrage” voor DTV Groep door [geïntimeerde] van deze leveranciers zijn ontvangen. Volgens Mazzelshop heeft zij recht op uitbetaling van een gedeelte van deze bonussen, namelijk naar rato van de door Mazzelshop bij deze leveranciers ingekochte goederen. Voor zover Mazzelshop in haar administratie heeft kunnen nagaan, betreft dat in elk geval het genoemde bedrag € 11.307,21.
3.3

De kantonrechter heeft Mazzelshop niet ontvankelijk verklaard in haar vordering. De kantonrechter heeft geoordeeld dat DTV Groep een informele vereniging is, waarvan [geïntimeerde] slechts lid is, zodat de rechtsverhouding tussen Mazzelshop en [geïntimeerde] waarop Mazzelshop haar vordering baseert, niet bestaat. De kantonrechter heeft voorts in een overweging ten overvloede geoordeeld dat Mazzelshop haar stelling dat tussen partijen de afspraak zou bestaan dat ieder voordeel ten goede zou komen aan de individuele leden onder aftrek van gemaakte kosten onvoldoende heeft onderbouwd.
3.4

Mazzelshop heeft tegen de beslissing van de kantonrechter drie grieven aangevoerd. De grieven I en III zijn gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat Mazzelshop niet ontvankelijk is. Grief II is gericht tegen de veroordeling van Mazzelshop in de proceskosten. Het hof zal de grieven gezamenlijk bespreken.
3.5

Voor de beoordeling van de vordering van Mazzelshop jegens [geïntimeerde] is relevant of DTV Groep als vereniging in de zin van artikel 2:26 lid 1 BW kan worden aangeduid of niet. Daarbij neemt het hof, in navolging van de wetgever (Parl. Gesch. Aanpassing B.W. (Inv. 3, 5 en 6), blz. 150), tot uitgangspunt dat voor het bestaan van een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid niet noodzakelijk is dat er een (duidelijk aanwijsbare) rechtshandeling is waarbij zij is opgericht. Een informele vereniging kan ontstaan doordat een samenwerkingsverband van personen als eenheid gaat deelnemen aan het rechtsverkeer. Een informele vereniging is wel een rechtspersoon, maar kent geen volledige rechtsbevoegdheid (art. 2:30 BW). Of sprake is van een informele vereniging in de zin van de wet hangt af van de omstandigheden van het geval.
3.6

De kantonrechter heeft onder 4.2 van haar vonnis geoordeeld dat DTV Groep een samenwerkingsverband betreft tussen de aangesloten leden dat tot doel heeft om door gezamenlijke inkoop betere condities te verkrijgen en daarmee een vereniging is. Tegen dat oordeel heeft Mazzelshop geen grief gericht. Onder 4.3 van haar vonnis heeft de kantonrechter voorts als omstandigheid meegewogen dat Mazzelshop zich als lid heeft verbonden aan DTV Groep en niet aan [geïntimeerde] . Ook dat oordeel is door Mazzelshop niet bestreden. Vast staat voorts dat op het lidmaatschap van de DTV Groep het Huishoudelijk Reglement DTV Groep van toepassing was en dat tussen de leden werd vergaderd.
3.7

Mazzelshop heeft in de toelichting op de grieven betoogd dat DTV Groep een vereniging is, maar geen rechtspersoonlijkheid bezit, omdat zij zich naar buiten toe niet als economische eenheid heeft gedragen. Zij voert daartoe aan dat DTV Groep geen eigen bankrekening had en niet onderhandelde met leveranciers. Volgens Mazzelshop trad [geïntimeerde] naar buiten toe op, werd de bankrekening van [geïntimeerde] gebruikt en was [geïntimeerde] de ontvanger van de gelden, inclusief alle bonussen. Mazzelshop heeft ter onderbouwing van haar betoog in hoger beroep een e-mail overgelegd van 14 juli 2014 van de leverancier 4 Seasons Outdoor B.V. waarin wordt bericht dat zij aan de firma [geïntimeerde] op rekeningnummer 1239.16.135 een bedrag van € 26.164,05 heeft voldaan ter zake een factuur met datum 23 oktober 2010. Daarnaast heeft Mazzelshop gewezen op een als productie 4 bij dagvaarding overgelegde factuur van DTV Groep aan leverancier Garden Impressions waarop als bankrekeningnummer staat vermeld [rekeningnummer] . [geïntimeerde] heeft het betoog van Mazzelshop bestreden.
3.8

Het hof constateert dat uit de door Mazzelshop overgelegde producties niet blijkt dat diverse leveranciers betalingen hebben gedaan aan [geïntimeerde] in plaats van DTV Groep. Uit de enkele vermelding van een rekeningnummer in deze producties volgt immers niet op wiens naam dit rekeningnummer is gesteld. Uit de overgelegde producties blijkt daarentegen juist dat DTV Groep wel als economische eenheid naar buiten toe optrad. De factuur aan Garden Impressions is immers gesteld op naam van DTV Groep. Daarnaast heeft de hiervoor genoemde leverancier 4 Seasons Outdoor B.V. in een als productie 3 bij dagvaarding overgelegd e-mailbericht van 22 december 2010 bericht dat zij een vergoeding heeft betaald aan DTV Groep en dat Mazzelshop zich voor uitbetaling van enig gedeelte daarvan moet wenden tot DTV Groep. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat van de zijde van [geïntimeerde] een overzicht is overgelegd van afspraken die zijn gemaakt tussen die leverancier, tevens handelend onder de naam CSUN Garden Furniture, en DTV Groep. Volgens die afspraken zouden individuele leden van de DTV Groep diverse kortingen ontvangen op hun bestellingen bij leveranciers. Daarnaast zou DTV Groep aan het einde van het seizoen op basis van een factuur een reclame-bijdrage van 2% en een organisatiebijdrage van 1% van de gerealiseerde omzet in de periode van 1 oktober 2009 tot en met 30 september 2010 ontvangen. Mazzelshop heeft het bestaan van deze afspraken, waaruit blijkt dat individuele leden korting ontvingen op hun bestellingen bij leveranciers en dat DTV Groep van diezelfde leveranciers een reclame- en organisatiebijdrage ontving, niet bestreden.
3.9

Uit het voorgaande volgt derhalve dat DTV Groep als samenwerkingsverband heeft deelgenomen aan het rechtsverkeer en, mede in het licht van de overige onder 3.6 genoemde omstandigheden, moet worden beschouwd als een informele vereniging in de zin van de wet en dus ingevolge artikel 2:3 BW rechtspersoonlijkheid bezit. 
Dat betekent dat Mazzelshop, nu haar vordering is gegrond op nakoming van (betalings)verplichtingen van DTV Groep, [geïntimeerde] daarvoor niet in rechte kan betrekken. De vordering van Mazzelshop jegens [geïntimeerde] ligt daarmee voor afwijzing gereed. 
Daarbij neemt het hof tot slot nog in aanmerking dat gesteld noch gebleken is dat [geïntimeerde] als bestuurder van DTV Groep kan worden beschouwd. Mazzelshop heeft ook niet aan haar vordering ten grondslag gelegd dat [geïntimeerde] in die hoedanigheid aansprakelijk zou zijn voor de bedoelde schuld.
3.10

Nu Mazzelshop haar stelling dat aan DTV Groep toebehorende gelden (omzetbonussen, in de vorm van reclame- en organisatiebijdragen) door [geïntimeerde] zijn ontvangen, onvoldoende heeft onderbouwd, passeert het hof het bewijsaanbod van Mazzelshop dat tussen [geïntimeerde] en Mazzelshop de afspraak bestond dat [geïntimeerde] door haar ontvangen en aan Mazzelshop toekomende (bonus)bedragen zou uitbetalen aan Mazzelshop als niet ter zake dienend. Reeds hierop strandt ook de – betwiste – stelling van Mazzelshop bij akte dat [geïntimeerde] door de ontvangst van betalingen van leveranciers voor DTV Groep jegens Mazzelshop ongerechtvaardigd zou zijn verrijkt, terwijl deze nieuwe stelling bovendien in strijd met de twee conclusie regel te laat is voorgedragen.

4De slotsom

4.1

Het voorgaande voert tot de slotsom dat de grieven falen, zodat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd. De restitutievordering is, gelet op deze uitkomst, niet toewijsbaar.
4.2

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Mazzelshop veroordelen in de kosten van het hoger beroep.
[]

5De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Apeldoorn, van 20 augustus 2014;

veroordeelt Mazzelshop in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde] vastgesteld op € 704,00 voor verschotten en op € 1.341,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Hoge Raad: Vervaltermijn en onrechtmatige daad (IMG / X)

Hoge Raad 3 juni 2016
ECLI:NL:HR:2016:1061

Een vereniging zegt het lidmaatschap van een lid (een onderneming) met onmiddellijke ingang op. Na het verstrijken van de vervaltermijn van artikel 2:15 BW stelt het lid een vordering tot schadevergoeding in op de grond dat de opzegging onrechtmatig is. Het hof heeft de vordering toegewezen.

De Hoge Raad oordeelt dat “art. 2:15 BW [] een zodanige, op onrechtmatige daad gebaseerde, vordering niet uit [sluit], ook niet in een geval waarin een lid van de rechtspersoon daarmee wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die rechtspersoon.”

3Uitgangspunten in cassatie

3.1

In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan.
(i) [verweerster] voert een onderneming waarin de detailhandel in meubelen wordt uitgeoefend. []
(ii) IMG is bij notariële akte opgericht als vereniging. Leden van de vereniging zijn, kort samengevat, (eigenaren van) detailhandelzaken in meubelen, []
(vi) Bij brief van 20 juli 2005 heeft IMG aan [verweerster] het lidmaatschap van laatstgenoemde met onmiddellijke ingang opgezegd met als reden “(…) dat van ons als vereniging redelijkerwijs niet kan worden gevergd het lidmaatschap langer te laten voortduren (…)” IMG voerde vier gronden aan die volgens haar zowel ieder voor zich als gezamenlijk tot dat standpunt leidden, te weten:

  • (1) dat zij had vernomen dat [verweerster] lid van een andere inkoopgroep zou worden;
  • (2) dat [betrokkene 1] bonusbetalingen in MKB BV had gelaten die volgens IMG aan leden van IMG hadden moeten worden uitgekeerd;
  • (3) dat dientengevolge sprake was van een te hoog voorgestelde vermogenspositie van MKB BV;
  • (4) dat [betrokkene 1] zich ten koste van andere IMG-leden had verrijkt met betalingen die in verband met de toewijzing van meubelverkooppunten aan IMG-leden waren bedongen.
(vii) [verweerster] heeft tegen de opzegging bezwaar gemaakt en, na afwijzing daarvan, daartegen op de in de statuten voorgeschreven wijze beroep aangetekend. Dit beroep is door de ledenvergadering verworpen, naar [verweerster] bij brief van 17 oktober 2005 door IMG is meegedeeld.
(viii) [verweerster] heeft zich niet op de voet van art. 2:15 BW in rechte beroepen op vernietigbaarheid van het besluit tot opzegging.
[]
3.2

Voor zover in cassatie van belang is inzet van deze procedure de vraag of de hiervoor in 3.1 onder (vi) bedoelde opzegging jegens [verweerster] onrechtmatig was. 
Kort weergegeven was de rechtbank van oordeel dat moet worden uitgegaan van de rechtmatigheid van het opzeggingsbesluit omdat [verweerster] niet binnen de vervaltermijn van art. 2:15 lid 5 BW daarvan de nietigheid heeft ingeroepen, en dat [verweerster] onvoldoende bijkomende omstandigheden heeft gesteld die meebrengen dat toepassing van het voor rechtsgeldig te houden besluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
3.3

Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd en – voor zover in cassatie van belang – voor recht verklaard dat IMG onrechtmatig jegens [verweerster] heeft gehandeld door de opzegging met onmiddellijke ingang. Het heeft IMG veroordeeld tot vergoeding van de schade die [verweerster] daardoor heeft geleden, op te maken bij staat. Het hof heeft daartoe onder meer het volgende overwogen.

  • [verweerster] kan met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW niet bewerkstelligen dat zij ondanks het niet vernietigd zijn van het besluit, vergoeding van schade kan vorderen als ware sprake van een (ver)nietig(d)e opzegging. Met een beroep op art. 2:8 lid 2 BW kan een bij de rechtspersoon betrokkene slechts bewerkstelligen dat een krachtens het besluit geldende regel ondanks de rechtskracht van het besluit jegens hem buiten toepassing wordt gelaten. (rov. 3.4.3).
  • Het voorgaande laat onverlet dat een opzegging, ondanks de rechtsgeldigheid van het besluit daartoe, in strijd met het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW dan wel onrechtmatig kan zijn. Nu [verweerster] een verklaring voor recht vordert van de onrechtmatigheid van de opzegging met onmiddellijke ingang en vergoeding van de dientengevolge geleden schade, zijn de door [verweerster] in de toelichting op grief III opgesomde feiten en omstandigheden wel relevant voor die vordering. (rov. 3.4.4)
  • [verweerster] heeft voldoende feiten en omstandigheden aangevoerd voor haar stelling dat IMG met de abrupte beëindiging van het lidmaatschap van [verweerster] in strijd met het bepaalde in art. 2:8 lid 1 BW en daarmee onrechtmatig jegens haar heeft gehandeld. Zo heeft [verweerster] gesteld dat voor IMG bij de opzegging van het lidmaatschap van [verweerster] (mede) andere motieven hebben voorgezeten dan de in het besluit tot opzegging aangegeven gronden.

4Beoordeling van het middel in het principale beroep

4.1.1

Onderdeel 1 van het middel voert aan dat het bestreden arrest niet anders kan worden verstaan dan dat handelen van IMG in strijd met art. 2:8 lid 1 BW zonder meer meebrengt dat IMG jegens [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld. Het klaagt onder meer dat het hof heeft miskend dat sprake is van verschillende normen.
Hoewel het onderdeel terecht signaleert dat het hof van een gelijkstelling van deze twee normen lijkt uit te gaan, leidt dit – indien al als zodanig bedoeld – nog niet tot cassatie. Beide normen hebben immers een open karakter en dienen te worden ingevuld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Nu het hof, beslissend op de primaire vordering van [verweerster] , heeft geoordeeld en vervolgens voor recht heeft verklaard dat IMG jegens [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld, gaat het erom of de omstandigheden die het hof in aanmerking heeft genomen dat oordeel kunnen dragen.

4.1.2

Voor zover het onderdeel een beroep doet op de omstandigheid dat [verweerster] niet op de voet van art. 2:15 lid 1, aanhef en onder b, BW vernietiging van het besluit tot opzegging heeft gevorderd, is van belang dat de op art. 2:15 BW gebaseerde vordering tot vernietiging van een besluit van een rechtspersoon is gericht op andere rechtsgevolgen dan de onderhavige vordering, die is gebaseerd op onrechtmatige opzegging. De eerstgenoemde vordering is gericht op aantasting van het besluit. De laatstgenoemde vordering neemt de rechtsgeldigheid van het besluit tot uitgangspunt, en is gericht op vergoeding van schade die de eiser lijdt door de handeling waartoe is besloten. Art. 2:15 BW sluit een zodanige, op onrechtmatige daad gebaseerde, vordering niet uit, ook niet in een geval waarin een lid van de rechtspersoon daarmee wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die rechtspersoon.
4.2.1

Onderdeel 2 klaagt onder meer dat het hof de in de opzeggingsbrief genoemde gronden voor opzegging onvoldoende in zijn oordeel heeft betrokken. Het onderdeel noemt in het bijzonder de opzeggingsgronden 1 en 4 (vermeld hiervoor in 3.1 onder (vi)) en wijst op datgene wat IMG voor de rechtbank ter onderbouwing van die gronden heeft gesteld. Het onderdeel voert aan dat rov. 3.4.5 van het hof niet verklaart waarom deze opzeggingsgronden ongeloofwaardig of onvoldoende gemotiveerd zouden zijn.
4.2.2

Deze klacht is gegrond. Het hof heeft in rov. 3.4.5 overwogen met [verweerster] van mening te zijn “dat voor IMG bij de opzegging van het lidmaatschap (mede) andere motieven hebben voorgezeten dan de in het besluit tot opzegging aangegeven gronden”, en heeft geoordeeld dat IMG haar betwisting van die andere motieven onvoldoende heeft gemotiveerd. Deze overweging maakt niet duidelijk waarom het hof geen aandacht heeft besteed aan de motieven die wél tot uiting komen in de in het besluit vermelde opzeggingsgronden, waarvan het hof de invloed door gebruikmaking van het woord ‘(mede)’ niet heeft uitgesloten. Daarbij verdient opmerking dat partijen voor de rechtbank over de opzeggingsgronden uitvoerig hebben gedebatteerd, en dat dit debat in verband met de devolutieve werking ook deel uitmaakte van de procedure in hoger beroep. Het hof heeft dus ten onrechte nagelaten om (het debat over) de in de opzeggingsbrief vermelde gronden (kenbaar) in zijn oordeel te betrekken.
4.3

De overige klachten van het middel kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu die klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling

5Beoordeling van het middel in het incidentele beroep

5.1

[]

4Beslissing

De Hoge Raad:
in het principale en het incidentele beroep:
vernietigt het arrest van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch van 27 januari 2015;
verwijst het geding naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing;

Opzegging in stand gelaten

Rechtbank Rotterdam 2 maart 2016
ECLI:NL:RBROT:2016:1884 


Een besluit tot opzegging van het lidmaatschap wordt in stand gelaten. In hoge mate feitelijke uitspraak. Een van de factoren is dat het betrokken lid heeft afgezien van beroep bij de ALV. 


Vonnis in kort geding van 2 maart 2016 (bij vervroeging)
in de zaak van
1. [eiser1] ,
2. [eiser2],

tegen
1. de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid [gedaagde1],
2. [gedaagde2],
in haar hoedanigheid van voorzitter van het bestuur van gedaagde sub 1,

Eisers zullen hierna gezamenlijk – in mannelijk enkelvoud – worden aangeduid als [eisers] en afzonderlijk als [eiser1] respectievelijk [eiser2] Gedaagden zullen hierna gezamenlijk – in vrouwelijk enkelvoud – worden aangeduid als [gedaagden] en afzonderlijk als de vereniging respectievelijk [gedaagde2]

2 De feiten

2.1.

De vereniging bestaat sinds 5 juni 1976. In een op 21 maart 1980 verleden notariële akte zijn de statuten van de vereniging vastgesteld. Deze statuten hebben nog immer hun gelding.
2.2.

In de statuten staat, voor zover thans van belang, het volgende vermeld:
Artikel 5
  1. Het bestuur beslist omtrent de toelating van leden.
  2. Bij niet-toelating kan de algemene ledenvergadering alsnog tot toelating besluiten.
Artikel 6
1. Het lidmaatschap eindigt:
(…)
c. door opzegging namens de vereniging.
Deze kan geschieden wanneer een lid heeft opgehouden aan de vereiste voor het lidmaatschap bij de statuten gesteld te voldoen, wanneer hij zijn verplichtingen jegens de vereniging niet nakomt, alsook wanneer redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren;
(…)
2. Opzegging namens de vereniging geschiedt door het bestuur.
3. Opzegging van het lidmaatschap (…) door de vereniging kan slechts geschieden tegen het einde van een verenigingsjaar en met inachtneming van een opzeggingstermijn van vier weken. Echter kan het lidmaatschap onmiddellijk worden beëindig[d] indien van de vereniging (…) redelijkerwijs niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
(…)
7. Van een besluit tot opzegging van het lidmaatschap door de vereniging op grond dat redelijkerwijs van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren (…) staat de betrokkene binnen een maand na de ontvangst van de kennisgeving van het besluit beroep open op de algemene vergadering. Hij wordt daartoe ten spoedigste schriftelijk van het besluit met opgave van redenen in kennis gesteld. Gedurende de beroepstermijn en hangende het beroep is het lid geschorst.
(…)
Bestuur
Artikel 8
1. Het bestuur bestaat uit tenminste zeven personen, die door de algemene vergadering worden benoemd uit de leden van de vereniging.
(…)
Artikel 9
(…)
2. Elk bestuurslid treedt uiterlijk drie jaar na zijn benoeming af, volgens een door het bestuur op te maken rooster van aftreding. De aftredende is herkiesbaar; wie in een tussentijdse vacature wordt benoemd, neemt op het rooster de plaats van zijn voorganger in.
(…)
Artikel 10
  1. Het bestuur wijst uit zijn midden een voorzitter, een secretaris en een penningmeester aan. (…)
  2. Van het verhandelde in elke vergadering worden door de secretaris notulen opgemaakt, die door de voorzitter en de secretaris worden vastgesteld en ondertekend.
(…)
Artikel 11
  1. Behoudens de beperkingen volgens de statuten is het bestuur belast met het besturen van devereniging.
  2. Indien het aantal bestuursleden beneden zeven is gedaald, blijft het bestuur bevoegd. Het is echter verplicht zo spoedig mogelijk een algemene vergadering te beleggen, waarin de voorziening in de open plaatsen of de open plaats aan de orde komt.
  3. (…)
  4. Het bestuur is, mits met goedkeuring van de algemene vergadering, bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten tot het kopen, vervreemden of bezwaren van registergoederen, het sluiten van overeenkomsten waarbij de vereniging zich als borg hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van een derde verbindt. Op het ontbreken van deze goedkeuring kan door en tegen derden beroep worden gedaan.
  5. Onverminderd het in de laatste volzin van lid 4 bepaalde wordt de vereniging in en buiten rechte vertegenwoordigd door de voorzitter, secretaris en penningmeester tezamen.
(…)
Algemene vergaderingen
Artikel 14
1. Aan de algemene vergadering komen in de vereniging alle bevoegdheden toe, die niet door de wet of de statuten aan het bestuur zijn opgedragen.
(…)
4. Voorts is het bestuur op schriftelijk verzoek van tenminste een zodanig(…) aantal leden als bevoegd is tot het uitbrengen van een/tiende gedeelte der stemmen verplicht tot het bijeenroepen van een algemene vergadering op een termijn van niet langer dan vier weken. Indien aan het verzoek binnen veertien dagen geen gevolg wordt gegeven, kunnen de verzoekers zelf tot die bijeenroeping overgaan door oproeping overeenkomstig artikel 18 of bij advertentie in tenminste een ter plaatse waar de vereniging gevestigd is veel gelezen dagblad.
Artikel 15
1. Toegang tot de algemene vergadering hebben alle leden van de vereniging.
Geen toegang hebben geschorste leden en geschorste bestuursleden.
(…)
Ieder lid van de vereniging dat niet geschorst is, heeft één stem.
Een lid kan zijn stem door een schriftelijk daartoe gemachtigd ander lid uitbrengen,
Artikel 16
  1. De algemene vergaderingen worden geleid door de voorzitter van de vereniging of zijn plaatsvervanger. (…).
  2. Van het verhandelde in elke vergadering worden door de secretaris of een ander door de voorzitter daartoe aangewezen persoon notulen gemaakt, die door de voorzitter en de notulist worden vastgesteld en ondertekend. Zij die de vergadering bijeenroepen kunnen een notari[ee]l proces-verbaal van het verhandelde doen opmaken.
De inhoud van de notulen of van het proces-verbaal wordt ter kennis van de leden gebracht.
Artikel 17
  1. Het ter algemene vergadering uitgesproken oordeel van de voorzitter dat door de vergadering een besluit is genomen is beslissend. Hetzelfde geldt voor de inhoud van een genomen besluit voorzover gestemd werd over een niet schriftelijk vastgelegd voorstel.
  2. Wordt echter onmiddellijk na het uitspreken van het in het eerste lid bedoeld oordeel de juistheid daarvan betwist, dan vindt een nieuwe stemming plaats, wanneer de meerderheid der vergadering of, indien de oorspronkelijke stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt. Door deze nieuwe stemming vervallen de rechtsgevolgen van de oorspronkelijke stemming.
(…)
Artikel 18
  1. De algemene vergaderingen worden bijeengeroepen door het bestuur. De oproeping geschiedt schriftelijk (…). De termijn voor de oproeping bedraagt tenminste zeven dagen.
  2. Bij de oproeping worden de te behandelen onderwerpen vermeld onverminderd het bepaalde in artikel 20.
(…)”
2.3.

Het huidige bestuur van de vereniging bestaat (feitelijk) uit de volgende personen:
  • [gedaagde2] , voorzitter (gedaagde sub 2)
  • [persoon1] , vicevoorzitter
  • [persoon2] (ook geschreven als: [persoon2] , penningmeester (sinds 15 maart 2015), (daarvoor was tot 3 februari 2015 penningmeester: [persoon3]
  • [persoon4] secretaris (sinds 1 oktober 2014), (daarvoor was tot 1 oktober 2014 secretaris: [persoon5]
  • [persoon6] , algemeen bestuurslid.
De vereniging heeft circa 100 leden.

2.4.

In 2012 en de periode daaraan voorafgaand bestonden, net als op dit moment, tussen (een aantal leden van) het bestuur en (bepaal)de leden van de vereniging conflicten van verschillende aard. In verband met die conflicten is op 5 juni 2012 een eerste kort gedingprocedure aanhangig gemaakt bij de voorzieningenrechter van deze rechtbank tussen [eisers] en 18 andere leden van de vereniging als eisers enerzijds en de vereniging als gedaagde anderzijds (zaak-/rolnummer 401790 / KG ZA 12-401). Deze procedure heeft geleid tot het vonnis van 27 juni 2012. In de vervolgens aanhangig gemaakte kort gedingprocedure met zaak-/rolnummer 408837 / KG ZA 12-733 is tussen de vereniging als eiseres enerzijds en vier leden van de vereniging als gedaagden anderzijds op 18 oktober 2012 vonnis gewezen. Van dit laatste vonnis is de vereniging in hoger beroep gegaan. In het arrest van 24 december 2013 is de vereniging niet-ontvankelijk verklaard.
Kern van het geschil in beide zaken in eerste aanleg was de rechtsgeldigheid van (door het bestuur en/of in de algemene vergadering) genomen besluiten.

2.5.

Het bestuur heeft een algemene ledenvergadering (ALV) uitgeschreven voor 27 juli 2015. Tussen partijen bestaat geschil over de naleving van verschillende totstandkomingsvoorwaarden van die vergadering, het verhandelde ter vergadering en de wijze van beëindiging daarvan.
2.6.

Op 2 augustus 2015 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden. Naar aanleiding van het ten tijde van die vergadering genomen besluit tot opzegging van een aantal leden heeft [gedaagde2] (namens het bestuur van de vereniging), bij brief van 5 augustus 2015 aan [eiser1] respectievelijk [eiser2] (welke brief [eisers] op 6 augustus 2016 heeft ontvangen) het volgende bericht (hierna ook: het opzeggingsbesluit):
“(…)
Assalaam Alaikoem w.r.w.b.

Via deze weg bericht het bestuur van de [gedaagde1] (verder: de vereniging) dat uw lidmaatschap van de vereniging wordt opgezegd. Wij vinden het spijtig deze beslissing te moeten nemen. De beslissing wordt als volgt toegelicht.

Het bestuur is de mening toegedaan dat voortduring van uw lidmaatschap redelijkerwijze niet van de vereniging kan worden gevergd. Artikel 6 van de Statuten maakt het mogelijk om in dat geval over te gaan tot opzegging. Van deze mogelijkheid wordt gebruik gemaakt.

De reden voor de opzegging is gelegen in het feit dat u zich bij herhaling op destructieve wijze heeft gedragen ten opzichte van de vereniging en het bestuur van de vereniging, waardoor het functioneren van de vereniging en het nastreven van haar doelen in gevaar gebracht wordt. In het verleden heeft uw handelen de vereniging al in de problemen gebracht. Ook recentelijk, namelijk ter gelegenheid van de op 27 juli 2015 gehouden algemene ledenvergadering, zijn de gemoederen (wederom) hoog opgelopen. Dit terwijl in het afgelopen jaren een veelheid aan bemiddelingspogingen gedaan zijn om nader tot elkaar te komen. De verschillende bemiddelingspogingen hebben tot geen enkel resultaat geleid. Het bestuur acht dit grotendeels te wijten aan uw opstelling en die van een aantal andere leden.

Bij een opzegging dient uiteraard een afweging van belangen te worden gemaakt. Het bestuur stelt dat het belang van de vereniging bij orde binnen de vereniging prevaleert boven uw belang om de bevoegdheden die samenhangen met het lidmaatschap uit te kunnen oefenen. Het bestuur heeft vastgesteld dat u geen bijzondere functie binnen de vereniging heeft vervuld of bijzondere bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming of instandhouding van de vereniging.

Bij de belangenafweging weegt het bestuur voorts zwaar-mee dat u geenszins de toegang tot het verenigingsgebouw en de activiteiten wordt ontzegd. U bent nog steeds van harte welkom om het gebed bij te wonen en aan activiteiten mee te doen. De enige consequentie van de opzegging van uw lidmaatschap is dat u niet (meer) kunt stemmen op de algemene ledenvergadering(en). Daartegenover staat dat u niet langer verplicht bent contributie te betalen.

De Statuten bepalen dat u het recht heeft om tegen de opzegging van uw lidmaatschap in beroep te komen bij de algemene ledenvergadering. Indien u van deze mogelijkheid gebruik wenst te maken moet u, graag onder opgaaf van redenen, binnen één maand na de opzegging (heden) beroep aantekenen. Naar verwachting zal op 16 augustus 2015 een algemene ledenvergadering worden gehouden. Als u ervoor zorgt dat uw beroep voor die datum is ontvangen door het bestuur zal dit op die algemene ledenvergadering worden behandeld. Als het op of na die datum binnenkomt zal het op de eerstvolgende algemene ledenvergadering worden behandeld, Totdat op uw beroep is beslist zult u wel geschorst zijn. Dit houdt in dat u niet aanwezig mag zijn bij de algemene ledenvergadering en daar dan ook geen stem mag uitbrengen (art. 6 lid 7 en art 15 lid 1 van de Statuten),

Wij vertrouwen erop u hiermee naar behoren te hebben geïnformeerd en hopen u ook in de toekomst nog te mogen verwelkomen bij de activiteiten van de vereniging.

Wassalaam
(…)”.

2.7.

In een bijlage bij een e-mail van 5 augustus 2015 is namens een aantal leden, waaronder [eisers] , aan het bestuur verzocht om overeenkomstig het bepaalde in artikel 14 lid 4 van de statuten een ALV te houden teneinde een nieuw bestuur te kiezen. Dit verzoek is herhaald bij e-mail van 6 augustus 2015.
2.8.

Op 8 augustus 2015 is door [gedaagde2] , namens het bestuur, een oproeping voor een op 16 augustus 2015 te houden ALV aan de leden verstuurd. Geagendeerd stond o.a. de behandeling beroepschrift opgezegde lidmaatschappen en het ontslag van het huidige bestuur. Tussen partijen bestaat ook met betrekking tot deze ALV geschil over de naleving van verschillende totstandkomingsvoorwaarden, het verhandelde ter vergadering en de wijze van beëindiging daarvan.
2.9.

Bij brief van 11 augustus 2015, als bijlage verzonden bij e-mail van 14 augustus 2015, aan (de voorzitter van) het bestuur is namens de opgezegde leden gereageerd op het opzeggingsbesluit.
2.10.

Op 8 november 2015 heeft een bestuursvergadering plaatsgevonden.
2.11.

Door [gedaagden] is toegezegd dat binnen afzienbare tijd, in maart 2016, doch pas na een uitspraak in dit kort geding, mede gelet op het bepaalde in artikel 9 lid 2 van de statuten, een ALV van de vereniging zal worden georganiseerd.

3Het geschil

3.1.

[eisers] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, om:
  1. te bepalen dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter (het besluit tot) de opzegging van het lidmaatschap van [eisers] en de overige 13 in het lichaam van de dagvaarding genoemde personen nietig is, althans het besluit tot opzegging van het lidmaatschap te schorsen met veroordeling van de vereniging om te gehengen en te gedogen totdat in de bodemprocedure een uitspraak is gedaan op de vordering van [eisers] tot verklaring voor recht dat de opzegging nietig is, althans tot vernietiging van het bestreden besluit;
  2. te bepalen dat naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter de aanvraag d.d. 5 augustus 2015 tot het houden van een ALV en een verkiezing van een nieuw bestuur rechtsgeldig is en de leden alsnog deze vergadering mogen uitschrijven en houden;
  3. het huidige bestuur van de vereniging te schorsen en tijdelijk een interim-bestuurder aan te stellen die de orde in de vereniging kan herstellen;
  4. althans een zodanige voorziening te treffen als U.E. in goede justitie zal vermenen te behoren;
  5. gedaagde (de voorzieningenrechter leest: [gedaagden] ) te veroordelen in de kosten van dit geding.
3.2.

[gedaagden] voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang van [eisers] bij zijn vorderingen wordt gemotiveerd bestreden door [gedaagden]
De voorzieningenrechter is van oordeel dat van een spoedeisend belang reeds sprake is omdat, zo is ter zitting ook erkend aan de zijde van [gedaagden] , mede in verband met het bepaalde in artikel 9 lid 2 van de statuten van de vereniging, naar de wens van alle partijen, binnen afzienbare termijn een ALV georganiseerd zal worden – naar verwachting in maart 2016, na de uitspraak in dit kort geding -, ten tijde van welke vergadering [eisers] wenst te verschijnen, mee te praten en zijn stemrecht uit te oefenen, hetgeen wordt verhinderd door de schorsing van [eisers] als gevolg van het – beweerdelijk onrechtmatige – opzeggingsbesluit d.d. 5 augustus 2016 van het bestuur (in verband met artikel 15 lid 1 van de statuten). Hieraan doet niet af dat [eisers] kennelijk langere tijd heeft gewacht om juridische stappen te ondernemen tegen het opzeggingsbesluit en dat in de visie van [gedaagden] een eerder aanhangig gemaakte bodemprocedure al afgerond had kunnen zijn. De omstandigheid dat, zulks bezien in het licht van artikel 9 lid 2 van de statuten, (een deel van) het bestuur al sinds 29 december 2015 langer dan drie jaar zitting heeft doet geen afbreuk aan het spoedeisend belang, maar maakt dit juist groter.

4.2.

Feitelijk niet in geschil tussen partijen is dat zich in elk geval tijdens de ALV van 27 juli 2015 een incident heeft voorgedaan als gevolg waarvan de voorzitter van het bestuur, [gedaagde2] , de vergadering heeft geschorst (aldus [eisers] ) dan wel beëindigd (aldus [gedaagden] ). Partijen verschillen van mening over de precieze gang van zaken en de mate waarin de personen die bij dit voorval betrokken waren een verwijt te maken valt.
Voor zover van deze ALV (nog) geen notulen zijn opgemaakt op de wijze als bedoeld in artikel 16 lid 2 van de statuten (zie productie 8 [eisers] en productie 3 [gedaagden] ), doet dit thans evenwel niet ter zake; het gaat in dit kort geding immers om de rechtsgeldigheid van een besluit genomen ter bestuursvergadering (van toepassing is dan het bepaalde in artikel 10 lid 2 van de statuten) en niet ter ALV.

4.3.

Vervolgens is tijdens de bestuursvergadering van 2 augustus 2015 een beweerdelijk onrechtmatig besluit tot opzegging van een 15-tal leden genomen, waaronder [eisers]
[gedaagde2] heeft, namens het bestuur, deze leden bij brief van 5 augustus 2015 verwittigd van dit besluit. De brief d.d. 5 augustus 2015 is door de opgezegde leden op 6 augustus 2015 ontvangen. Kort gezegd is in deze brief verwoord dat (de meerderheid van) het bestuur de mening is toegedaan dat bedoelde 15 leden zich op een zodanige wijze hebben gedragen dat van de vereniging niet langer gevergd kan worden dat het lidmaatschap van deze leden voortduurt. De grondslag hiervoor is grotendeels gelegen in jarenlange (juridische) twisten binnen de vereniging over o.a. de samenstelling van het bestuur, welke de vereniging geen goed hebben gedaan, aldus [gedaagde2] (namens het bestuur). De opstelling van de ter algemene vergadering van 27 juli 2015 aanwezige opgezegde leden, waaronder [eisers] , was voor (een deel van) het bestuur de spreekwoordelijke druppel.

4.4.

Thans ligt voor de vraag of het opzeggingsbesluit rechtsgeldig is genomen. Benadrukt zij dat het geschil in dit kort geding de rechtsgeldigheid van een besluit tot opzegging betreft en niet tot ontzegging, zoals van de zijde van [eisers] in verschillende producties is verwoord.
Voorts zij opgemerkt dat nu [eisers] naar eigen zeggen heeft berust in de in zijn visie niet-reglementaire benoeming van het bestuur tijdens een op 29 december 2012 gehouden ALV, in dit kort geding vooralsnog uitgegaan wordt van een thans nog zittend, rechtsgeldig benoemd bestuur. Hoewel volgens [eisers] meerdere leden de rechtsgeldigheid van de genomen besluiten om [persoon2] en [persoon4] tot het bestuur te laten toetreden in twijfel trekken, verbindt hij daaraan geen (specifieke) juridische consequentie, zodat de voorzieningenrechter dat ook niet zal doen. De voorzieningenrechter heeft daarbij mede het bepaalde in artikel 2:15 lid 5 BW in aanmerking genomen.

4.5.

Vooropgesteld zij dat de vorderingen in dit kort geding zijn ingesteld door [eisers] jegens [gedaagden] Ervan uitgaande dat het opzeggingsbesluit de opgezegde leden elk afzonderlijk heeft geraakt en derhalve door de opgezegde leden ieder afzonderlijk – indien en voor zover zij dit wensen – dient te worden aangevochten, betreft dit vonnis dan ook enkel de rechtsverhouding tussen [eisers] en [gedaagden] Dit vonnis heeft derhalve alleen rechtsgevolgen voor [eisers] (niet in geschil is dat het opzeggingsbesluit zowel [eisers] als [gedaagde2] heeft getroffen) in de verhouding tot [gedaagden] en niet ook voor de opgezegde andere 13 leden van de vereniging. Hierna wordt mitsdien slechts het opzeggingsbesluit jegens [eisers] behandeld.
Verder zij opgemerkt dat de stelling van [eisers] inhoudende dat mr. X feitelijk alleen de raadsman van [gedaagde2] is, omdat ter zake van het plaatsvinden van dit kort geding niet is gecommuniceerd met het voltallige bestuur van de vereniging, althans met het opgezegde bestuurslid, [persoon6] , geen stand houdt. X is in rechte voor beide gedaagden verschenen en bovendien lijkt het ook in de rede te liggen dat het opgezegde bestuurslid niet wordt geraadpleegd over proceshandelingen van [gedaagden] nu hij zich feitelijk inhoudelijk aan de zijde van [eisers] heeft geschaard.

4.6.

Partijen lijken het erover eens dat sprake is van een jarenlange (juridische) strijd binnen devereniging, in welke situatie [eisers] (en de zijnen) tegenover [gedaagden] (en de haren) staan.
4.7.

[eisers] heeft ter onderbouwing van zijn vorderingen over de situatie binnen de vereniging in zijn algemeenheid gesteld dat er sinds het aantreden van het huidige bestuur wanorde en wanbeleid binnen de vereniging heerst en dat sprake is van een situatie van intimidaties en bedreigingen, binnen welke situatie leden (waaronder kennelijk (ook) [eisers] ) door [gedaagde2] (en de haren) de mond wordt gesnoerd. Volgens [eisers] bestaat binnen het bestuur een tweedeling, waardoor devereniging feitelijk onbestuurbaar is geworden. De voorzitter, [gedaagde2] , handelt eigenmachtig zonder dat daaraan rechtsgeldige besluiten ten grondslag liggen. Er worden vergaderingen gehouden zonder dat termijnen en procedures in acht worden genomen (bijv. er worden geen notulen opgemaakt en sinds 2011 is geen financiële verantwoording afgelegd). Voorts is tijdens de zittingsperiode van het huidige bestuur het batig saldo van de vereniging omgezet in een schuld en wordt het pand van de vereniging door de voorzitter feitelijk geëxploiteerd en uitgebuit voor eigen gebruik, aldus [eisers]
(De gang naar) het op 2 augustus 2015 genomen opzeggingsbesluit geeft bij uitstek aan hoezeer binnen de vereniging wanorde en wanbeleid heerst, zo begrijpt de voorzieningenrechter [eisers] Door de opzegging van [eisers] heeft de voorzitter van de vereniging, [gedaagde2] , deze leden simpelweg buitenspel gezet, aldus [eisers] Zij worden niet meer uitgenodigd voor ALV’s en mogen niet meer meepraten/stemmen binnen de vereniging dan wel tijdens ALV’s. De door de 15 opgezegde leden op 5 augustus 2015 reglementair aangevraagde ALV is nimmer door het bestuur uitgeschreven en er heeft geen verkiezing voor een nieuw bestuur plaatsgevonden. Volgens [eisers] is de opzegging in strijd met de wet en de statuten geschied en ook overigens onrechtmatig.

4.8.

Krachtens het in de rechtsverhouding tussen partijen toepasselijke artikel 2:15 BW is een besluit van een orgaan van een rechtspersoon onder meer vernietigbaar wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen. Het beroep van [eisers] op artikel 2:14 BW wordt bij voorbaat niet gehonoreerd. Het gaat in deze immers om een gesteld gebrek in de totstandkomingsvoorschriften van het opzeggingsbesluit, op welke situatie het bepaalde in artikel 2:14 BW niet ziet.
Vernietigbaar kunnen ook zijn besluiten in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid die krachtens artikel 2:8 BW de (interne) verhoudingen tussen de bij de rechtspersoon betrokken personen beheersen.

4.9.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat geen sprake is van een vernietigbaar opzeggingsbesluit jegens [eisers]
4.9.1.

Niet in geschil is dat het opzeggingsbesluit is genomen tijdens de bestuursvergadering van 2 augustus 2015. Blijkens de door [gedaagden] overgelegde producties 1 en 2 is het opzeggingsbesluit genomen door de voorzitter [gedaagde2] ), de secretaris [persoon4] ) en de penningmeester ( [persoon2] ) tezamen, en vervolgens in de bestuursvergadering van 2 september 2015 toegelicht en bevestigd, terwijl voor deze vergadering aan de bestuursleden een agenda is verstrekt (laatste bladzijde van productie 13 [eisers] ). Nu het opzeggingsbesluit is genomen door drie van de in totaal vijf bestuursleden is, het bepaalde in artikel 11 leden 2 en 5 van de statuten in aanmerking nemende, met een (voldoende) meerderheid besloten. Benadrukt zij dat artikel 11 lid 2 van de statuten voorziet in de situatie dat een zittend bestuur dat uit minder dan de in artikel 8 lid 1 van de statuten vereiste zeven leden bestaat desondanks bevoegd blijft, onder de verplichting zo spoedig mogelijk een algemene vergadering te beleggen waarin de voorziening in de open plaatsen of de open plaats aan de orde komt. Aangenomen mag worden dat dit ook geldt indien de zittingstermijn van 3 jaar erop zit voor (een aantal leden van) het bestuur (artikel 9 lid 2 van de statuten). De ALV waarin dat te gebeuren staat is aanstaande. Een schorsing of non-actiefstelling van het huidige bestuur (vordering 3.1 onder c) ligt dan niet in de rede. Bovendien heeft [eisers] niet voldoende onderbouwd dat daarvoor anderszins redenen bestaan. Blijkens gemelde producties zijn de notulen van die bestuursvergaderingen, hoewel [eisers] anders meent, op het eerste gezicht overeenkomstig artikel 10 lid 2 van de statuten opgesteld. Dat de toegang tot de bestuursvergadering is geweigerd aan het door het bestuurslid, [persoon1] , gemachtigde gewone lid van de vereniging, Z. [persoon6] , komt, in het licht van geldende wet- en regelgeving en de statuten, niet onjuist voor. Voorts is het de eigen en zelfstandige keuze van het bestuurslid, [persoon6] geweest om de bestuursvergadering van 2 augustus 2015 voortijdig te verlaten. Dat vooraf geen agenda van de bestuursvergadering van 2 augustus 2015 aan [persoon6] zou zijn verstrekt (waarop de opzegging is geagendeerd), doet aan de rechtsgeldigheid van het opzeggingsbesluit in het licht van het voorgaande niet af, te meer niet nu (de bekrachtiging van) dit besluit wel was geagendeerd voor de bestuursvergadering van 2 september 2015.
4.9.2.

Gelet op het bepaalde in artikel 6 leden 3 en 7 van de statuten en mede gelet op het bepaalde in artikel 2:8 BW heeft het bestuur het opzeggingsbesluit naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ook mogen nemen, gelet op de gegeven gemotiveerde toelichting daarop. Weliswaar is de grondslag voor het opzeggingsbesluit door [eisers] betwist, maar dit laat onverlet de beslissingsvrijheid die de statuten het bestuur op dit punt geeft. Ingevolge artikel 6 lid 7 van de statuten heeft [eisers] de mogelijkheid om binnen een maand na de kennisgeving van het besluit aan hem (op 6 augustus 2015) beroep aan te tekenen bij de algemene vergadering. Ook nadat hij door het bestuur was gewezen op de beroepsmogelijkheid enkel ter algemene vergadering (zie het opzeggingsbesluit zelf, productie 12 [eisers] en productie 5 [gedaagden] ), heeft [eisers] besloten het te laten bij het uiten van zijn bezwaar in een brief d.d. 11 augustus 2015, verzonden per e-mail van 14 augustus 2015, (productie 13 van [eisers] en productie 4 van [gedaagden] ) gericht aan (de voorzitter van) het bestuur. In bedoelde e-mail staat vermeld: “Hierbij doe ik u toekomen het bezwaarschrift van de leden die door u op 6 augustus 2015 zijn ontzet uit hun lidmaatschap, om u o.a. te wijzen op de onzorgvuldigheid van de brief en vele onwaarheden. Dit is dus geen beroepschrift gericht aan de ALV. Zie bijlage”. De statutair gegeven beroepstermijn is inmiddels ruim verlopen. De stelling dat volgens [eisers] , ondanks zijn verzoek daartoe, geen algemene vergadering is gehouden waarop dit beroep had kunnen worden besproken houdt geen stand. Immers, aannemelijk is dat de algemene vergadering van 16 augustus 2015 is georganiseerd, mede naar aanleiding van het verzoek van [eisers] op 5 augustus 2015. Daarmee is, het bepaalde in artikel in artikel 14 lid 4 van de statuten daarbij in aanmerking nemende, de facto het verzoek om een ALV te houden dus gehonoreerd. [eisers] heeft verder niet met voldoende ter zake doende stukken onderbouwd dat de toelichting op/de grondslag van het opzeggingsbesluit niet juist is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op de inhoud van het in voldoende mate onderbouwde verweer van [gedaagden] , mede gelet op de in dat verband door [eisers] zelf overgelegde relevante producties, daaraan voorbij gaat. In elk geval gelden de producties 16 en 17 van [eisers] niet als voldoende (objectieve) onderbouwing van de stelling dat het opzeggingsbesluit inhoudelijk op onjuiste gronden berust. Dat bepaalde leden die volgens het opzeggingsbesluit ter algemene vergadering van 27 juli 2015 onrust zouden hebben veroorzaakt bij die vergadering niet aanwezig waren, kan zo zijn, maar nu het in dit kort geding enkel gaat om de opzegging van de aldaar kennelijk wel aanwezige [eisers] , behoeft de voorzieningenrechter verder niet in te gaan op deze stelling van [eisers] Bovendien geldt dat, indien en voor zover daarvoor aanleiding zou bestaan, voor nader onderzoek op dit punt binnen het bestek van dit kort geding geen plaats is.
4.10.

Het hiervoor overwogene dient ertoe te leiden dat de vorderingen als hiervoor onder 3.1 sub a (in alle onderdelen), b, c en d zijn weergegeven dienen te worden afgewezen.
4.11.

[eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagden] worden begroot op:
– griffierecht € 619,00
– salaris advocaat € 816,00
Totaal € 1.435,00

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

wijst de vorderingen af,
5.2.

veroordeelt [eisers] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagden] tot op heden begroot op € 1.435,00,
5.3.

verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.