Spoed bij intern beroep en in kort geding

Rechtbank Midden-Nederland 3 mei 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:4181

In deze zaak tekent een voetbalvereniging op 28 april beroep aan bij de beroepscommissie van de bond, de KNVB. De commissie stuurt op 29 april een uitnodiging voor een zitting op de avond van 3 mei. De vereniging vindt dit een te korte termijn. De bond en de vereniging stappen naar de voorzieningenrechter, op de zitting van 3 mei. De rechter doet direct mondeling uitspraak: de zitting voor de beroepscommissie van die avond kan door gaan. 

 De rechter doet dus binnen een dag uitspraak. 
De zitting voor de beroepscommissie kon doorgaan, omdat de in het reglement voorgeschreven termijn van vier werkdagen, alleen geldt voor “personen [] van wie de beroepscommissie licentiezaken de verschijning wenselijk acht” , en die verplicht zijn om te verschijnen. De partijen vallen daar niet onder. Voor het overige had de voetbalvereniging al genoeg tijd gehad om de stukken te bestuderen. 
Vonnis in kort geding van 3 mei 2017

in de zaak van
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
ROOMS KATHOLIEKE SPORTVERENIGING “ACHILLES ’29”,

[] tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND,

[] Partijen zullen hierna Achilles ’29 en KNVB genoemd worden. []

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de vrijwillige verschijning van partijen,
  • de concept-dagvaarding,
  • de mondelinge behandeling op 3 mei 2017, waarvan de griffier aantekening heeft gehouden.
1.2.

Na afloop van de mondelinge behandeling op 3 mei 2017 heeft de voorzieningenrechter mondeling uitspraak gedaan. Deze uitspraak is vastgelegd in een zogenaamd verkort vonnis. Het onderstaande vormt hiervan de nadere schriftelijke uitwerking en is op 17 mei 2017 vastgesteld.

2De feiten

2.1.

Achilles ’29 neemt deel aan de Nederlandse voetbalcompetitie genaamd ‘Jupiler League’.
2.2.

De KNVB is het overkoepelende orgaan dat de organisatie van het Nederlandse voetbal en de Nederlandse competitie ‘Jupiler League’ voor haar rekening neemt en daarop toeziet.
2.3.

Op de relatie tussen partijen is het Licentiereglement Betaald Voetbal (hierna: het licentiereglement) van toepassing. Het licentiereglement regelt de rechten en plichten van hen die betrokken zijn bij het KNVB-licentiesysteem. In het licentiereglement zijn onder meer regels opgenomen over de behandeling van zaken door de licentiecommissie en de beroepscommissie licentiezaken. In artikel 6 van het licentiereglement is – voor zover voor de onderhavige procedure van belang – het volgende bepaald:

Artikel 6 – Schriftelijke of mondelinge behandeling(…)3. In geval van een mondelinge behandeling bepaalt de beroepscommissie licentiezaken datum, uur en plaats van de behandeling.4. De beroepscommissie licentiezaken bepaalt welke personen in ieder geval bij een mondelinge behandeling dienen te verschijnen. De betrokken licentiehouder kan zich doen bijstaan door een raadsman.5. De secretaris roept alle personen op van wie de beroepscommissie licentiezaken de verschijning wenselijk acht, met inachtneming van een termijn van ten minste vier werkdagen, de dag van de verzending en die van de behandeling niet meegerekend. De opgeroepen personen zijn verplicht te verschijnen.

2.4.

Bij brief van de KNVB van 21 december 2016 is aan Achilles ’29 meegedeeld dat zij wegens het ontbreken van een sluitende liquiditeitsprognose op grond van een vangnetbepaling werd ingedeeld in een financiële categorie I. Achilles ’29 heeft naar aanleiding daarvan op 15 april 2017 een plan van aanpak opgesteld ten behoeve van een betere financiële huishouding en geleidelijke herstructurering van Achilles ’29 (hierna: het plan van aanpak).
2.5.

Bij besluit van 3 april 2017, verzonden op 5 april 2017, heeft de licentiecommissie besloten dat Achilles ’29 niet heeft voldaan aan een in het plan van aanpak opgelegde normstelling en heeft de licentiecommissie besloten tot een publieke waarschuwing.
2.6.

Achilles ’29 heeft op 11 april 2017 tegen dit besluit een beroepschrift ingediend.
2.7.

Op 20 april 2017 heeft de licentiecommissie besloten dat Achilles ’29 niet (volledig) heeft voldaan aan de gestelde norm, nu zij niet heeft aangetoond dat zij beschikt over een financiering van een bedrag van € 5.000.000,00, waarvan voor 19 april 2017 € 1.500.000,00 had moeten worden uitbetaald aan Achilles ’29. De licentiecommissie stelt vast dat er sprake is van een tweede verzuim en besluit tot het in aftrek brengen van 3 wedstrijdpunten.
2.8.

Achilles ’29 heeft bij e-mail van 28 april 2017 beroep aangetekend tegen dit laatste besluit van de licentiecommissie.
2.9.

Bij e-mailbericht van zaterdag 29 april 2017 om 17:24 uur heeft de heer [A] , secretaris van de beroepscommissie licentiezaken, het volgende bericht gestuurd aan mevrouw [B] en in kopie aan mevrouw [C] , de heer [D] , de heer [E] en de heer D. Snijders :
Geachte mevrouw [B] , beste [B] ,

Hierbij bevestig ik u dat het beroep van Achilles ‘29 tegen het besluit van de licentiecommissie betaald voetbal van 20 april 2017 (LZK/LCblz/1617-263) in goede orde is ontvangen.

In uw beroepschrift verzoekt u om een mondelinge behandeling van het beroep. U geeft hierbij aan dat uw juridische adviseurs (gedoeld zal worden op vertegenwoordigers van de FBO en uw advocaat van Snijders advocaten) vanwege een vakantieweek niet beschikbaar zijn en verzoekt u om een mondelinge behandeling van uw beroep na de week van 8 mei in te plannen.

Uitgangspunt is dat sancties naar aanleiding van het overtreden van de licentieregelgeving, zo veel mogelijk worden geëffectueerd in het seizoen waarin de overtreding heeft plaatsgevonden. Dit mede omdat bij het opleggen van sancties ook de belangen van andere clubs in het geding (kunnen) zijn. Om deze reden wenst de beroepscommissie licentiezaken betaald voetbal (hierna: “beroepscommissie”) uitspraak te kunnen doen in de onderhavige aangelegenheid voordat de laatste speelronde van de eerste divisie seizoen 2016/17 wordt gespeeld.

De beroepscommissie stelt vast dat het beroep op dezelfde kwestie ziet als het beroep dat eerder door Achilles ‘29 is aangetekend en dat aanstaande maandag 1 mei 2017 mondeling zal worden behandeld. De beroepscommissie kan zich dan ook voorstellen dat eerstgenoemde beroep eveneens op maandag 1 mei 2017 mondeling zal worden behandeld. Indien Achilles ‘29 echter prijsstelt op mondelinge behandeling van eerstgenoemde beroep op woensdag 3 mei 2017 (omstreeks 20:30 uur)dan is de beroepscommissie daartoe bereid. In dat geval zal het eerder aangetekende beroep eveneens op woensdag 3 mei 2017 mondeling worden behandeld (en niet op maandag 1 mei 2017).

Volledigheidshalve merkt de beroepscommissie op dat zij in het bezit is gesteld van een out-of office reply van uw advocaat (mr. D.I.J. Snijders ) waaruit volgt dat hij vanaf maandag 1 mei 2017 weer op kantoor aanwezig zal zijn. Ook is het de beroepscommissie bekend dat er in andere (beroeps)zaken bij afwezigheid van medewerkers van de FBO, vanuit de FBO een vervanger wordt aangewezen. De beroepscommissie vertrouwt erop dat uw juridisch adviseurs de belangen van Achilles ‘29 op juiste wijze kunnen behartigen.

Het beroepschrift en de daarbij behorende bijlagen worden gevoegd bij het beroepsdossier dat reeds aan u is verzonden.

Op grond van artikel 4 lid 13 van het Licentiereglement Betaald Voetbal stelt de beroepscommissie, alvorens uitspraak te doen, het bestuur betaald voetbal in de gelegenheid om zijn standpunt omtrent het voorliggende beroep en de gronden waarop het berust, kenbaar te maken. Het standpunt van het bestuur betaald voetbal wordt opgevraagd en zal worden nagezonden.

Ik verzoek vriendelijk (via e-mail) aan te geven op welke dag (maandag 1 mei of woensdag 3 mei 2017) u mondelinge behandeling wenst van beide beroepszaken en wie (naam + functie) daarbij namens Achilles ‘29 aanwezig zullen zijn. Graag verneem ik uw reactie zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk maandag 1 mei 2017 voor 10:00 uur.
(…)

2.10.

Achilles ’29 heeft bij e-mailberichten van 1 en 2 mei 2017 bezwaar gemaakt tegen de behandeling van de beroepschriften op 1 of 3 mei 2017. Achilles ’29 stelt dat de KNVB handelt in strijd met artikel 6 lid 5 van het licentiereglement, door geen vier werkdagen in acht te nemen tussen de oproeping en de datum van de mondelinge behandeling van het beroepschrift.
2.11.

De secretaris van de beroepscommissie licentiezaken heeft hierop bij e-mailbericht van 2 mei 2017 gereageerd met de mededeling dat Achilles ’29 bij de mondelinge behandeling van beide beroepszaken op 3 mei 2017 in de gelegenheid wordt gesteld om eventuele bezwaren toe te lichten.

3Het geschil

3.1.

Achilles ’29 vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, bij wege van een voorlopige voorziening:
  1. KNVB te verbieden, en daarmee niet toe te staan, dat de mondelinge behandeling van het tweede beroepschrift van 28 april 2017 op 3 mei 2017 (of een latere dag) zal plaatsvinden, vanwege een oproeping in strijd met het licentiereglement, alsook overige belangen hiervoor genoemd, en dientengevolge KNVB te verplichten om Achilles ’29 opnieuw op te roepen met inachtneming van artikel 6 lid 5 van het licentiereglement voor de behandeling van het beroepschrift d.d. 28 april 2017, bij gebreke waarvan aan de KNVB een (direct opeisbare) dwangsom wordt opgelegd en/of wordt verbeurd, van ineens € 500.000,00, te vermeerderen met € 5.000,00 voor elke dag dat dit gebrek voortduurt dan wel de KNVB in weerwil handelt van de uitspraak op deze dagvaarding;
  2. voor zover een behandeling van deze dagvaarding of een uitspraak daarop niet kan plaatsvinden voorafgaand aan de mondelinge behandeling van 3 mei 2017 om 20:30 uur, vordert Achilles ’29 reeds nu voor alsdan, om de KNVB en/of de Beroepscommissie van de KNVB te verplichten de effectuering van de uitspraak Beroepscommissie op het tweede beroepschrift d.d. 28 april 2017 op te schorten, en de KNVB te verplichten om opnieuw een mondelinge behandeling van voornoemd beroepschrift te laten plaatsvinden, alsmede KNVB te verplichten met inachtneming van het Licentiereglement Achilles ’29 opnieuw op te roepen.
  3. KNVB te veroordelen in de kosten van de procedure.
3.2.

KNVB voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Het spoedeisend belang is gegeven met de omstandigheid dat de mondelinge behandeling van het beroepschrift van Achilles ’29 van 28 april 2017 gepland staat op 3 mei 2017, te weten in de avond na de mondelinge behandeling van dit kort geding.
4.2.

Achilles ’29 stelt zich op het standpunt dat de beroepscommissie haar niet heeft opgeroepen voor de mondelinge behandeling van het beroepschrift met inachtneming van de termijn genoemd in artikel 6 lid 5 van het licentiereglement, nu zij een termijn korter dan vier werkdagen heeft gehanteerd. De gegunde termijn is te kort om zich op gedegen wijze voor te kunnen bereiden op de mondelinge behandeling, aldus Achilles ’29. Dit geldt te meer nu het beroepsdossier ten behoeve van de behandeling op 3 mei 2017 haar pas op 2 mei 2017 is verstrekt, aldus nog steeds Achilles ’29. Daarnaast stelt Achilles ’29 zich op het standpunt dat de reglementen van de KNVB niet voorzien in een gezamenlijke behandeling van beroepschriften tijdens een mondelinge behandeling. Achilles ’29 stelt dat een gezamenlijke behandeling afbreuk doet aan de inhoudelijke behandeling van de beroepschriften, die separaat zijn ingediend en die zijn ingediend tegen sancties die naar hun aard van elkaar verschillen.
4.3.

De KNVB voert aan dat de beroepscommissie op grond van het licentiereglement enkel vier werkdagen in acht dient te nemen in het geval zij het wenselijk acht dat bepaalde personen aanwezig zijn bij de mondelinge behandeling. In het bericht van de beroepscommissie van 29 april 2017 zijn geen specifieke personen opgeroepen. Het bericht dient te worden beschouwd als enkel een kennisgeving van het moment van de mondelinge behandeling. In dat geval geldt de termijn van vier werkdagen niet, aldus de KNVB.
De termijn die in acht is genomen, is volgens de KNVB een redelijke, gelet op de omstandigheid dat het hetzelfde feitencomplex betreft als het eerste beroepschrift, waarvoor de mondelinge behandeling reeds op maandag 1 mei 2017 gepland stond. Datzelfde feitencomplex maakt dat de twee beroepsprocedures zich lenen voor gezamenlijke behandeling en dat Achilles ’29 niet veel voorbereidingstijd nodig had. De gelijktijdige behandeling is bovendien niet uitgesloten in het licentiereglement, aldus de KNVB.
Bovendien was het merendeel van de stukken die zich in hoger beroepsdossier bevonden, bekend bij Achilles ’29, zo stelt de KNVB.

4.4.

De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Beoordeeld dient te worden of artikel 6 lid 5 van het licentiereglement op de onderhavige situatie van toepassing is en derhalve of de beroepscommissie met haar bericht van 29 april 2017 (zie hiervoor onder 2.9) de termijn van vier werkdagen voor de mondelinge behandeling van het beroepsschrift in acht diende te nemen.
4.5.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat deze termijn in het onderhavige geval niet van toepassing is. De termijn van artikel 6 lid 5 van het licentiereglement geldt voor de oproeping van personen waarvan de beroepscommissie de verschijning wenselijk acht. Niet, althans onvoldoende, is gebleken dat de beroepscommissie bij de mondelinge behandeling op 3 mei 2017 de aanwezigheid van bepaalde personen wenselijk acht. Het beroep van Achilles ’29 op artikel 6 lid 5 van het licentiereglement faalt dan ook.
4.6.

Voor zover Achilles ’29 tevens aan haar vordering ten grondslag heeft gelegd dat er sprake is van strijd met de goede procesorde, omdat er te weinig tijd is gelegen tussen het bericht van 29 april 2017 en de geplande mondelinge behandeling op 3 mei 2017, slaagt ook deze stelling niet. Onbetwist is door de KNVB gesteld dat het merendeel van de stukken in het beroepsdossier bekend was bij Achilles ’29. Achilles ’29 heeft dan ook voldoende tijd gehad om haar verdediging voor te bereiden.
4.7.

Voor zover Achilles ’29 aan haar vordering ten grondslag legt dat haar twee beroepschriften zich niet lenen voor gezamenlijke behandeling, is de voorzieningenrechter van oordeel dat onvoldoende is gesteld of gebleken dat met de gezamenlijke behandeling de vereiste zorgvuldigheid wordt geschonden. Hoewel de sancties verschillen – een publieke waarschuwing en een aftrek van drie wedstrijdpunten – is het feitencomplex dat eraan ten grondslag wordt gelegd hetzelfde, te weten – kort gezegd – dat Achilles ’29 niet tijdig beschikte over financiering. Hierdoor lenen de zaken zich voor een gezamenlijke behandeling.
4.8.

Gelet op het voorgaande zal de vordering van Achilles ’29, tot het verbieden van de mondelinge behandeling van het beroepschrift op 3 mei 2017, worden afgewezen.
4.9.

Nu de voorzieningenrechter direct na de mondelinge behandeling in kort geding op 3 mei 2017 uitspraak heeft gedaan, is de voorwaarde voor het sub b gevorderde niet ingetreden. De voorzieningenrechter komt dan ook niet toe aan een beoordeling van dit onderdeel van het gevorderde.
4.10.

Achilles ’29 zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. []

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

wijst de vorderingen af,

Meestemmende begunstigers



Rechtbank Noord-Nederland 12 juli 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:2517


Deze zaak betreft in eerste instantie een royement, dat vrij eenvoudig ongeldig wordt verklaard door de rechter: het was niet voldoende onderbouwd. Bovendien hadden de leden geen waarschuwing gekregen.Interessanter is dat tijdens de ALV waarop het royement is bekrachtigd, niet alleen de leden maar ook begunstigers mochten stemmen over het royement. De vereniging beroept zich op een besluit van februari 2000, waarin begunstigers en leden gelijk gesteld zouden worden. Echter, ” Voor hetgeen het februari-2000-besluit en de aanvulling [van het huishoudelijk reglement] beogen (begunstigers gelijkstellen aan gewone leden) is op grond van artikel 15 van de statuten [] een statutenwijziging nodig. Op grond van de hierboven weergegeven bepalingen van de statuten kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het februari-2000-besluit en de aanvulling niet tot gevolg hebben dat begunstigers gelijkgesteld zijn aan leden.”

Tot slot deed de vereniging een beroep op de de bepaling in de statuten, dat “[e]en ter vergadering door de voorzitter uitgesproken oordeel dat een besluit is genomen, is beslissend. ” (vergelijkbaar met artikel 2:13 lid 3 BW). De rechter wijst dit af. Deze regel beoogt “niet het bepaalde omtrent statutenwijzigingen te omzeilen”

Vonnis van 12 juli 2017

in de zaak van
[eiser sub 1 t/m eiser sub 4]

eisers,

tegen de vereniging BUURT EN HUURDERSVERENIGING “BARGERMEER“,

Eisers zullen hierna [eiser] c.s. worden genoemd. Gedaagde zal hierna Bargermeer worden genoemd.

1[]

2De feiten

2.1.

[eiser] c.s. was lid van Bargermeer. Op 15 december 2015 (voor wat betreft [eiser sub 1] en [eiser sub 4] ) respectievelijk 17 december 2015 (voor wat betreft [eiser sub 2] en [eiser sub 3] ) heeft het bestuur van Bargermeer [eiser] c.s. uit het lidmaatschap ontzet. [eiser] c.s. zijn tegen dit besluit in beroep gegaan bij de algemene ledenvergadering van Bargermeer (hierna: ALV). Bij stemming van 3 maart 2016 heeft de ALV de ontzetting uit het lidmaatschap bekrachtigd.
2.2.

Bargermeer heeft tot doel het behartigen van de gemeenschappelijke buurt- en huurdersbelangen van de bewoners in de kring Bargermeer, Meerveld en Buitenweg te Emmen en tevens het bevorderen van het sociaal-cultureel en maatschappelijk welzijn ten dienste van deze bewoners (artikel 2 van de statuten).
2.3.

De statuten maken een onderscheid tussen gewone leden, ereleden en begunstigers. Artikel 4 bepaalt hierover, voor zover voor deze procedure van belang:
1. (…)
2. Gewone leden zijn zij, die de leeftijd van achttien jaar hebben bereikt bij de aanvang van het verenigingsjaar en die als zodanig zijn toegelaten overeenkomstig het in artikel 5 bepaalde.
3. (…)
4. Begunstigers zijn zij, die door het storten van een jaarlijkse bijdrage bijdragen aan de financiën van de vereniging.

2.4.

Artikel 5 van de statuten bepaalt met betrekking tot het lidmaatschap:
1. Als gewoon lid kan men worden toegelaten, indien men woonachtig is binnen de kring Bargermeer, Meerveld en Buitenweg te Emmen; de begrenzing van de kring kan nader bij huishoudelijk reglement worden bepaald.

2.5.

Artikel 7 van de statuten bevat met betrekking tot het einde van het lidmaatschap de volgende bepalingen:
1. het lidmaatschap eindigt:
(…)
d. door ontzetting.
2. (…)
3. (…)
4. Ontzetting uit het lidmaatschap kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. De ontzetting geschiedt door het bestuur, dat het betrokken lid ten spoedigste van het besluit, met opgave van reden(en) in kennis stelt. De betrokkene is bevoegd binnen één maand na ontvangst van de kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene vergadering. (…) Het besluit der algemene vergadering tot ontzetting zal moeten worden genomen bij meerderheid van het uitgebrachte aantal stemmen.

2.6.

Artikel 13 van de statuten vermeldt:
1.a. Alle leden hebben toegang tot de algemene vergadering.
b. Alle leden kunnen één stem uitbrengen.
c. (…)
2.7.

Artikel 20 van de statuten bepaalt:
1. De algemene vergadering kan bij huishoudelijke reglement bepaalde artikel[en] nader regelen, mits deze niet in strijd zijn met de statuten. [verwijdering en toevoeging rechtbank].

2.8.

Bargermeer heeft een huishoudelijk reglement. Het huishoudelijk reglement bepaalt dat als lid kan worden toegelaten “hij of zij die in “Bargermeer”, het Meerveld of Buitenweg wonen of zich daar vestigen.” (artikel 1). In de praktijk werden mensen die buiten deze kring woonden begunstiger / donateur.


2.9.

Artikel 14 van het huishoudelijk reglement houdt in:
Over het beëindigen van het lidmaatschap door royement beslist de algemene vergadering op voordracht van het bestuur. Royement kan plaats hebben, wanneer een lid op grove wijze in gebreke is gebleven zijn verplichtingen te vervullen, of de goede verstandhouding in de buurtvereniging in gevaar brengt. Vergaderingen waar over een royement gesproken moet worden zijn alleen toegankelijk voor stemgerechtigden.

Artikel 16 van het huishoudelijk reglement luidt:

Dit regelement kan worden gewijzigd met in achtneming van dezelfde regels als voor wijziging der statuten is bepaald.

2.10.

De statuten bepalen omtrent statutenwijziging (artikel 15):
1. Wijziging van de statuten kan slechts plaats hebben na een besluit van de algemene ledenvergadering, waartoe werd opgeroepen met de mededeling dat daarin wijziging van de statuten zal worden voorgesteld. (…)
2. (…)
3. Tot wijziging van de statuten kan slechts worden besloten door een algemene vergadering, met een meerderheid van tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen.
2.11.

In oktober 2012 heeft het bestuur van Bargermeer aan de leden schriftelijk laten weten dat zij een aanvulling op het huishoudelijk reglement had aangenomen. In de brief aan de leden is – voor zover hier van belang – het volgende opgenomen:
Aanvulling op huishoudelijk regelement oktober 2012
In de bestuursvergadering van 10 oktober 2012 kwam naar voren dat het krom is dat leden van buiten ons werkgebied eigenlijk als donateurs op papier moesten staan. Vroeger gebeurde dat, als iemand lid wilde worden van buiten de wijken dat werden dat donateurs. Terwijl deze mensen ook deelnemen aan verschillende activiteiten, en ook gewoon hun contributie betalen per jaar.

Daarom heeft het bestuur besloten om dat in het huishoudelijk regelement aan te passen. Van af heden zijn deze mensen gewoon leden en worden ook als zodanig ingeschreven. (…)

Aangenomen door het bestuur; eind oktober 2012.

2.12.

Bij de stemming over het ontzetten uit het lidmaatschap van [eiser] c.s. op 3 maart 2016 hebben begunstigers van Bargermeer – als bedoeld in artikel 4 lid 4 van de statuten – meegestemd.

3Het geschil

3.1.

[eiser] c.s. heeft bij akte van 24 maart 2017 de eis gewijzigd. Zij vordert thans, voor zover de wet zulks toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
primair:
te verklaren voor recht dat de besluiten tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] c.s. door het bestuur van Bargermeer en de bekrachtiging van de opzegging van het lidmaatschap van [eiser] c.s. zoals tijdens de Algemene Ledenvergadering van Bargermeer d.d. 3 maart 2015 is besloten, nietig zijn ex artikel 2:14 BW;

subsidiair:
de besluiten tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] c.s. door het bestuur van Bargermeer en de bekrachtiging van de opzegging van het lidmaatschap van [eiser] c.s. zoals tijdens de Algemene Ledenvergadering van Bargermeer d.d. 3 maart 2015 is besloten, ex artikel 2:15 lid 1 jo. art. 2:8 jo artikel 2:15 lid 3 BW te vernietigen;

primair en subsidiair:
Bargermeer te veroordelen om aan [eiser] c.s. de buitengerechtelijke incassokosten van 
€ 1.824,60 te betalen en Bargermeer te veroordelen in de proceskosten.

3.2.

[eiser] c.s. heeft aan haar vordering het volgende ten grondslag gelegd. De besluiten van het bestuur om [eiser] c.s. uit het lidmaatschap van Bargermeer te ontzetten zijn nietig omdat zij niet voldoen aan artikel 7 lid 4 van de statuten van Bargermeer. Subsidiair zijn de besluiten vernietigbaar wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid vereist door artikel 2:8 BW, omdat de besluiten niet voldoende zijn gemotiveerd. 
Met betrekking tot de bekrachtiging van de besluiten door de ALV heeft [eiser] c.s. gesteld dat tijdens de ALV van 3 maart 2016 begunstigers (door [eiser] c.s. donateurs genoemd) hebben meegestemd over het royement van [eiser] c.s. Donateurs hebben echter geen stemrecht. De wijziging in het huishoudelijk reglement van oktober 2012, op grond waarvan donateurs werden gelijkgesteld aan gewone leden, is niet doorgevoerd met in achtneming van dezelfde regels als voor een statutenwijziging is bepaald. Daarom is de stemming van 3 maart 2016 nietig, dan wel vernietigbaar, aldus [eiser] c.s.
3.3.

Bargermeer heeft verweer gevoerd. Zij heeft betwist dat het bestuur van Bargermeer heeft gehandeld in strijd met de statuten bij de besluiten om [eiser] c.s. uit het lidmaatschap te ontzetten. 
Met betrekking tot de bekrachtiging van de besluiten door de ALV heeft Bargermeer aangevoerd dat noch [eiser] c.s. zelf, noch haar toenmalige raadsman, die tijdens de stemming van 3 maart 2016 aanwezig was, bezwaar heeft gemaakt tegen de gang van zaken tijdens de ALV.
Voorts heeft Bargermeer aangevoerd dat het bestuur van Bargermeer in februari 2000 het besluit heeft genomen dat donateurs vanaf de datum van dat besluit gewone leden zijn van de vereniging. Dit besluit is overeenkomstig artikel 13 lid 7 van de statuten genomen. Het huishoudelijk reglement is vervolgens in oktober 2012 op dit punt ook aangevuld. Er is niet gehandeld in strijd met de statuten en/of het huishoudelijk reglement en het besluit van de algemene vergadering is op rechtsgeldige wijze tot stand gekomen.

3.4.

Bij antwoordakte heeft Bargermeer betoogd dat eiser sub 4, [eiser sub 4] , geen partij meer is bij de procedure, omdat de door de kantonrechter bij tussenvonnis van 15 november 2016 gevraagde machtiging niet is overgelegd, hetgeen volgens Bargermeer reden is om [eiser] c.s. wat dat betreft niet ontvankelijk te verklaren.

4De beoordeling

4.1.

Wat betreft de ontvankelijkheid van [eiser sub 4] oordeelt de rechtbank als volgt. Tijdens de comparitie van partijen van 8 mei 2017 heeft de raadsman van [eiser] c.s. verklaard dat [eiser sub 4] nog steeds één van de eisers is. Nu [eiser sub 4] ook ter comparitie aanwezig was en dit heeft bevestigd, doet niet meer ter zake dat [eiser] c.s. geen machtiging heeft overgelegd. De vier eisers zijn ontvankelijk.
4.2.

Artikel 2:14 BW bepaalt dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon, dat in strijd is met de wet of de statuten, nietig is, tenzij uit de wet iets anders voortvloeit. Artikel 2:15 BW bepaalt – voor zover voor deze procedure van belang – dat een besluit van een orgaan van een rechtspersoon vernietigbaar is wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist.
4.3.

De rechtbank beoordeelt aan de hand van deze artikelen eerst de besluiten van het bestuur van Bargermeer die handelen over de royementen van [eiser] c.s. Die besluiten blijken uit de brieven van 15 december 2015 en 17 december 2015. 
Artikel 7 lid 4 van de statuten bepaalt dat ontzetting uit het lidmaatschap kan worden uitgesproken wanneer een lid in strijd met de statuten, reglementen of besluiten van de vereniging handelt of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt. Het bestuur moet aan het betrokken lid opgave doen van de reden(en) van ontzetting uit het lidmaatschap. Artikel 14 van het huishoudelijk reglement bevat een afwijkende bepaling met betrekking tot het royement van een lid. Nu bij afwijkingen tussen de statuten en het huishoudelijk reglement de statuten voorrang hebben (Asser/Rensen 2-III 2012/42), beoordeelt de rechtbank de besluiten uitsluitend aan de hand van artikel 7 lid 4 van de statuten.
4.4.

In de besluiten met betrekking tot [eiser sub 1] , [eiser sub 3] en [eiser sub 4] heeft het bestuur in de brieven van 15 en 17 december 2015 vermeld van mening te zijn dat deze eisers de vereniging hebben geschaad. Het bestuur heeft dit oordeel niet voldoende gemotiveerd. Zo blijkt uit de brieven aan mevrouw [eiser] en [eiser sub 3] enkel dat er onenigheid was over het buurtkrantje, en dat het gedrag van deze eiseressen reden is geweest om over te gaan tot ontzetting uit het lidmaatschap. Uit de brief aan [eiser sub 4] blijkt ook dat zijn gedrag reden was tot ontzetting uit het lidmaatschap. Het bestuur van Bargermeer heeft echter in geen van de drie brieven duidelijk gemaakt waarom dit gedrag in strijd was met artikel 7 lid 4 van de statuten. 
Het bestuur heeft [eiser sub 2] ontzet uit het lidmaatschap in verband met het feit dat hij op 17 december 2015 de voorzitter van het bestuur had bedreigd. Hoewel na dit gesprek nog een gesprek heeft plaatsgevonden in aanwezigheid van de wijkagent heeft het bestuur [eiser sub 2] geroyeerd. Ook in deze brief motiveert het bestuur dit niet met een beroep op artikel 7 lid 4 van de statuten. 
Bovendien is onweersproken gebleven dat [eiser] c.s. geen enkele waarschuwing heeft gekregen voorafgaand aan het inzetten van het zware middel van ontzetting uit het lidmaatschap. 
De rechtbank is op grond van de hierboven vermelde omstandigheden van oordeel dat de wijze waarop [eiser] c.s. uit het lidmaatschap is ontzet in strijd is met de redelijkheid en billijkheid als bedoeld in artikel 2:8 BW.
De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat de besluiten van 15 en 17 december 2015 vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 BW en zij zal daarom deze besluiten vernietigen (artikel 3:49 BW).
4.5.

Artikel 3:53 BW bepaalt dat vernietiging terugwerkende kracht heeft. De besluiten van 15 en 17 december 2015 worden dus geacht nooit te zijn genomen. Daarom doet de vraag of de besluiten al dan niet rechtsgeldig door de ALV zijn bekrachtigd op 3 maart 2016 niet meer ter zake, maar mede gezien het debat hierover ter comparitie en de inhoud van de antwoordakte komt het de rechtbank juist voor om daaraan nog de volgende overwegingen te wijden.
4.6.

Tussen partijen staat vast dat tijdens de ALV van 3 maart 2016 niet alleen leden, maar ook begunstigers hebben gestemd over het royement van [eiser] c.s. Artikel 13 van de statuten van Bargermeer geeft stemrecht aan de leden. De rechtbank leidt hieruit af – in samenhang met artikel 4 lid 4 van de statuten – dat begunstigers op basis van de statuten geen stemrecht hebben. De vraag die moet worden beantwoord is of het besluit van februari 2000 (productie 12 van Bargermeer, hierna: het februari-2000-besluit), waarin begunstigers gelijkgesteld worden met leden, en de aanvulling op het huishoudelijk reglement van oktober 2012 (hierna: de aanvulling) ook juridisch tot gevolg hebben gehad dat begunstigers daadwerkelijk gelijkgesteld waren aan leden. Zo ja, dan mochten begunstigers tijdens de ALV ook stemmen.
4.7.

Bargermeer heeft met betrekking tot het februari-2000-besluit een beroep gedaan op artikel 13 lid 7 van de statuten. Dit lid luidt:
Een ter vergadering door de voorzitter uitgesproken oordeel dat een besluit is genomen, is beslissend. Indien echter onmiddellijk na het uitspreken van dit oordeel de juistheid daarvan wordt betwist, vindt een nieuwe stemming plaats indien de oorspronkelijk stemming niet hoofdelijk of schriftelijk geschiedde, een stemgerechtigde aanwezige dit verlangt.

De rechtbank begrijpt dat Bargermeer slechts een beroep doet op de eerste zin van dit artikellid.

4.8.

Artikel 13 van de statuten handelt – kort weergegeven – over het stemrecht, de wijze van stemmen en het nemen van besluiten tijdens een ALV van Bargermeer. Het artikel staat dus in de context van de gang van zaken tijdens een vergadering. Lid 7 van het artikel beoogt, naar de rechtbank begrijpt, duidelijkheid te scheppen over het nemen van besluiten ter vergadering en de rol van de voorzitter daarbij. 
Ten eerste heeft Bargermeer haar standpunt dat het februari-2000-besluit ter vergadering is genomen, niet nader onderbouwd, bijvoorbeeld met notulen van de desbetreffende vergadering, zodat dit niet vast staat. Bovendien beoogt artikel 13 niet het bepaalde omtrent statutenwijzigingen te omzeilen. De statuten bepalen dat begunstigers geen stemrecht hebben. Voor hetgeen het februari-2000-besluit en de aanvulling beogen (begunstigers gelijkstellen aan gewone leden) is op grond van artikel 15 van de statuten en – voor zover het huishoudelijk reglement betrokken is, ook artikel 16 van het huishoudelijk reglement – een statutenwijziging nodig. 
Op grond van de hierboven weergegeven bepalingen van de statuten kan niet anders worden geconcludeerd dan dat het februari-2000-besluit en de aanvulling niet tot gevolg hebben dat begunstigers gelijkgesteld zijn aan leden. Hiervoor was een statutenwijziging noodzakelijk. Nu een dergelijke wijziging niet heeft plaatsgevonden, hadden de begunstigers tijdens de ALV van 3 maart 2016 geen stemrecht en is de bekrachtiging van de (vernietigde) besluiten van het bestuur van 15 en 17 december 2015 tot stand gekomen in strijd met de statuten van Bargermeer. Als de rechtbank de besluiten niet reeds zou vernietigen (wat zij, zoals blijkt uit rechtsoverweging 4.4 wel zal doen), zou zij de bekrachtiging van de besluiten nietig verklaren op grond van artikel 2:14 BW.
4.9.

[eiser] c.s. maakt in de akte van eiswijziging aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Mede gezien de dagvaarding en het feit dat niets is gesteld omtrent gemaakte buitengerechtelijke incassokosten, begrijpt de rechtbank dat [eiser] c.s. daaronder verstaat de daadwerkelijk door haar gemaakte kosten van rechtsbijstand. Bij een kostenveroordeling wordt het salaris van de advocaat echter begroot volgens het liquidatietarief, waarbij het bedrag van de te liquideren kosten afhankelijk is van de verrichte werkzaamheden en van het belang van de zaak. Deze kostenveroordeling is hieronder in 4.10 opgenomen.
4.10.

[]

5De beslissing

De rechtbank:
5.1.

vernietigt de besluiten van 15 en 17 december 2015 tot opzegging van het lidmaatschap van [eiser] c.s. door het bestuur van Bargermeer;
5.2.

[]

Informele vereniging of groepering



Rechtbank Midden-Nederland 12 juli 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:3313


In deze zaak is de eiseres een v.o.f. die als crowdfundingplatform tussen investeerders en de gedaagde als de kredietnemer. Het is duidelijk dat gedaagde de kredietnemer is, maar wie is de schuldeiser? De rechter geeft enerzijds als feit weer dat “schuldeiser is de informele vereniging met nummer [nummer 3] , bestaande uit de investeerders die ieder voor een bepaald bedrag hebben ingetekend”. Echter, het begrip “informele vereniging”  wordt meestal gebruikt als synoniem voor een vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid. Een dergelijke vereniging heeft wel rechtspersoonlijkheid. In dat geval zou dus de vereniging de schuldeiser zijn. Uit de rest van de uitspraak blijkt echter dat de individuele investeerders de schuldeisers zijn (die een lastgeving tot incasso aan eiseres hebben gegeven). De schuldeisers vormen dus geen vereniging, maar hooguit een samenwerkingsverband of groepering (zonder rechtspersoonlijkheid) (vergelijk Dijk/Van der Ploeg, paragraaf 3.3). 




De feiten

2.1.

[eiseres] is een crowdfundingplatform, bedoeld om ondernemers met een financieringswens en investeerders bij elkaar te brengen. [eiseres] beschikt daartoe over een vergunning van de AFM.
2.2.

[gedaagde] heeft via [eiseres] op 7 november 2011 een overeenkomst van geldlening afgesloten met nummer [nummer 1] , waarbij [gedaagde] in persoon, tezamen met Advinco Holding B.V. (hierna: Advinco), als schuldenaar een geldsom van € 35.000 heeft geleend.
Schuldeiser is de informele vereniging met nummer [nummer 3] , bestaande uit de investeerders die ieder voor een bepaald bedrag hebben ingetekend.


De beoordeling

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overeenkomsten van geldlening zijn gesloten tussen [gedaagde] en Advinco als schuldenaars enerzijds en de betreffende informele verenigingen van investeerders anderzijds. Evenmin heeft [gedaagde] (gemotiveerd) betwist dat het overeengekomen terugbetaalschema in beide gevallen niet is nagekomen. Niettemin betwist [gedaagde] de vordering van [eiseres] en hij voert daartoe het volgende aan.
4.2.

[gedaagde] betwist dat [eiseres] gerechtigd is tot het instellen van de vordering uit hoofde van de beide overeenkomsten. [eiseres] is bij die overeenkomsten geen partij en [gedaagde] betwist dat zij door de schuldeisers gemachtigd is tot het instellen van de vordering.
De rechtbank overweegt als volgt. [eiseres] heeft gemotiveerd gesteld dat met iedere investeerder een investeringsovereenkomst werd gesloten, waarin onder meer het volgende is opgenomen: […] [eiseres] heeft die stelling onderbouwd door overlegging van een voorbeeld van die overeenkomst (productie 9) en zij heeft alle op de beide leningnummers betrekking hebbende investeringsovereenkomsten (aangekondigd) meegenomen naar de comparitiezitting. [gedaagde] heeft op dat moment bezwaar gemaakt tegen overlegging van die stukken en/of kennisneming daarvan door de rechter. [gedaagde] heeft echter niet nader gemotiveerd waarom hij de gestelde lastgeving betwist, zodat die betwisting als onvoldoende gemotiveerd wordt gepasseerd. [eiseres] is derhalve bevoegd tot incasso van vorderingen van de investeerders inzake de leningnummers [nummer 1] en [nummer 2] .

Bestuurslid moet betalen voor fraude medebestuurslid

Rechtbank Rotterdam 28 juni 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:9351 (correcte ECLI, 28.11.2017)


In deze zaak wordt een bestuurslid (de secretaris, belast met jeugdactiviteiten) veroordeeld tot betaling van 50.000 vanwege fraude door de voorzitter (die er met de kas vandoor is).

In deze zaak is er in de loop van een aantal jaren in totaal € 240.000,00 overgeboekt van de vereniging naar een stichting (met als statutair doel het ontvangen van derdengelden). Daar is het geld vervolgens verdwenen. Er was geen geldige grond voor de overboekingen. De vereniging moest nog € 160.849 achterstallige contributie afdragen aan (in wezen) de bond. De Stichting voert aan dat zij, ” onder de dreiging van een executoriaal of conservatoir beslag (omdat tussen [de bond] en [de vereniging] een jarenlang geschil bestond over het verplichte lidmaatschap), heeft besloten om de gelden contant te bewaren” in de kluis van de vereniging. Daar zou het geld verdwenen zijn. De rechter gaat eraan voorbij alleen al omdat de contante opnames niet zijn aangetoond. Volgens de secretaris zelf, zouden de voorzitter en penningmeesters als initiatiefnemers van de stichting het doel hebben gehad, na eerdere fraude, om te voorkomen dat ” het bestuur van de vereniging over grote bedragen kon beschikken” .

De Stichting en de voorzitter worden veroordeeld tot (in wezen) terugbetaling van de overgemaakte bedragen. De secretaris wordt veroordeeld tot schadevergoeding op grond van (het in 2013 gewijzigde) artikel 2:9 BW. Het overmaken van de gelden zonder grond is onbehoorlijk bestuur. Daarvoor is elk bestuurslid voor het geheel aansprakelijk ” tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.” Daarop kan de secretaris geen beroep doen,omdat zij haar kennis over het bestaan van de vereniging niet heeft gedeeld met de andere bestuursleden of de ALV: ” [d]oor dat na te laten, heeft [de secretaris] onvoldoende invulling aan haar bestuurstaak gegeven. Zij moet geacht worden de risico’s die die overboekingen meebrachten voor de vereniging te hebben onderkend en heeft geen maatregelen genomen om deze risico’s te voorkomen en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. Daarmee heeft zij haar taak als secretaris niet naar behoren vervuld en daarvan is haar een ernstig verwijt te maken.”

In principe is de secretaris dus aansprakelijk voor € 140.000,00 schade (gelet op haar zittingstermijn), maar dit wordt gematigd door de rechter tot 50.000. ” De rechtbank neemt in aanmerking dat [de secretaris] haar werkzaamheden voor de volkstuinvereniging onbezoldigd en op vrijwillige basis heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat zij op enigerlei wijze persoonlijk gewin heeft nagestreefd of verkregen. Mede in aanmerking genomen dat de ernst van de gevolgen in geen verhouding staat tot het haar te maken verwijt, is de rechtbank van oordeel dat toekenning van volledige schadevergoeding leidt tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen, niet alleen voor [de secretaris] maar ook ten opzichte van de bereidwilligheid van vrijwilligers in het verenigingsleven in het algemeen.”

Overigens had de kascommissie blijkbaar niets door, wisten ze niet van het bestaan van de stichting af, en komt de bestuursleden (in wezen) daarom geen beroep op de steeds verleende decharge toe.

Het betreft overigens de vordering van de vereniging op de secretaris. De vereniging heeft de vordering gecedeerd aan de bond. De secretaris doet kennelijk geen beroep op de klachtplicht van artikel 6:89 BW.

Vonnis van 28 juni 2017

in de zaak van

de vereniging ROTTERDAMSE BOND VAN VOLKSTUINDERS,
[]
tegen 1. de stichting STICHTING DE BEUKHOEVE,
2. [gedaagde 2],
3. [gedaagde 3],

Partijen zullen hierna RBvV, Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] genoemd worden. Gedaagden zullen gezamenlijk ook worden aangeduid als Stichting De Beukhoeve c.s.

1De procedure

1.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • []
  • het proces-verbaal van de comparitie van partijen, gehouden op 1 mei 2017;
  • []
1.2.

Tegen [gedaagde 2] is verstek verleend.
1.3.

Ten slotte is vonnis bepaald.


2De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende gemotiveerd weersproken, gelet ook op de in zoverre niet betwiste inhoud van de in het geding gebrachte producties, staat tussen partijen – voor zover van belang – het volgende vast.
2.1.

De Gemeente Rotterdam heeft een aantal volkstuincomplexen in eigendom. Deze worden door de gemeente verhuurd aan RBvV. RBvV, een vereniging die de belangen van de Rotterdamse volkstuinders behartigt, verhuurt de van die volkstuincomplexen deel uitmakende kavels als volkstuinen onder aan individuele volkstuinders. Deze individuele volkstuinders zijn lid van RBvV en betalen daarvoor contributie.
2.2.

De volkstuinders zijn per volkstuincomplex verenigd in een volkstuinvereniging. In het onderhavige geval is dat Volkstuinvereniging De Beukhoeve (verder: Vereniging De Beukhoeve). De volkstuinverenigingen innen de door de volkstuinders aan RBvV verschuldigde huurpenningen en contributies bij de volkstuinders teneinde deze eens per jaar door te storten aan RBvV.
2.3.

[gedaagde 2] is bestuurder (voorzitter) geweest van Vereniging De Beukhoeve van 19 juni 2006 tot 18 april 2015.
2.4.

[gedaagde 3] is bestuurder (secretaris) geweest van Vereniging De Beukhoeve van 1 december 2007 tot 12 april 2014.
2.5.

Op 10 januari 2011 is Stichting De Beukhoeve opgericht door [gedaagde 2] (toen ook voorzitter van Vereniging De Beukhoeve) en [persoon x] (verder: [persoon x] ). Bestuurder (voorzitter) van Stichting De Beukhoeve is [gedaagde 2] . [gedaagde 3] was bestuurder (secretaris) van Stichting De Beukhoeve van 10 januari 2011 tot 1 januari 2015. [persoon x] was bestuurder (penningmeester) van Stichting De Beukhoeve van 10 januari 2011 tot 31 juli 2012 (de datum van zijn overlijden). [persoon x] was in die periode ook bestuurder (penningmeester) van Vereniging De Beukhoeve.
2.6.

Volgens het Handelsregister zijn de activiteiten van Stichting De Beukhoeve:
A. Het ontvangen van Derdengelden en andere vermogensbestanddelen, ten behoeve van rechthebbende[n]/van degene[n] die zal/zullen blijken rechthebbende[n] te zijn; B. Het tijdelijk beheren van wat de Stichting heeft ontvangen, een en ander voor rekening en risico van de rechthebbende[n] of degene[n] die zal/zullen blijken rechthebbende[n] te zijn.

2.7.

In de brief van [gedaagde 2] (in zijn hoedanigheid van voorzitter van Stichting De Beukhoeve) aan [gedaagde 3] van 5 maart 2011 is onder meer het volgende vermeld:
Naar aanleiding van het gesprek van hedenmorgen deel ik je, na overleg met [persoon x] , het volgende mede;

Het spijt ons zeer dat wij je, met je inschrijving als secretaris van de Stichting de Beukhoeve, overrompeld hebben. Wij zijn er van uit gegaan dat je hier niets tegen zou hebben. Vanzelfsprekend respecteren wij je houding en zullen je per omgaande als functionaris laten uitschrijven bij de Kamer van Koophandel.

2.8.

Tussen Vereniging De Beukhoeve en RBvV was meermalen discussie over opschorting van het afdragen van huurpenningen en contributies. Bij vonnis van 27 maart 2015 is Vereniging De Beukhoeve veroordeeld tot betaling aan RBvV van € 160.849,93, te vermeerderen met de wettelijke rente. Daarbij is Vereniging De Beukhoeve tevens veroordeeld in de proceskosten.
2.9.

Op 21 april 2015 heeft RBvV ten laste van Vereniging De Beukhoeve executoriaal derdenbeslag doen leggen onder ABN AMRO Bank. Bij brief van 19 mei 2015 heeft ABN AMRO Bank medegedeeld dat de saldi van de bankrekeningen van Vereniging De Beukhoeve op de beslagdatum € 7.675,93 bedroegen.
2.10.

In de verslagen van de kascontrolecommissie van Vereniging De Beukhoeve d.d. 29 maart 2013, 7 april 2014 en 13 april 2015 is – telkens – onder meer het volgende vermeld:
Door de leden van de commissie is, na controle van de activa en passiva, vastgesteld dat de kas naar behoren is gevoerd.

Tevens hebben wij de financiële administratie van de vereniging doorgenomen. Alles werd in correcte staat aangetroffen.

Wij adviseren de Algemene Ledenvergadering het bestuur van Vtv de Beukhoeve decharge te verlenen.

2.11.

Vanaf de rekening van Vereniging De Beukhoeve zijn de volgende bedragen – met een totaal van € 240.000,00 – overgeboekt naar de rekening van Stichting De Beukhoeve:
  • € 100.000,00 op 20 juli 2011 met pasnummer 0035 ten name van [persoon x] ;
  • € 50.000,00 op 1 juli 2013 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] ;
  • € 30.000,00 op 9 april 2014 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] ;
  • € 20.000,00 op 14 januari 2015 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] ;
  • € 20.000,00 op 22 februari 2015 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] ;
  • € 20.000,00 op 1 april 2015 met pasnummer 0071 ten name van [gedaagde 2] .
2.12.

In totaal is een bedrag van € 42.000,00 teruggeboekt van Stichting De Beukhoeve naar Vereniging De Beukhoeve. De overige bedragen – met een totaal van € 198.000,00 – zijn niet teruggeboekt. Bij brief van 20 juni 2015 heeft Vereniging De Beukhoeve [gedaagde 2] gesommeerd om alle zaken en goederen van de vereniging over te dragen. In de brief van Vereniging De Beukhoeve aan Stichting De Beukhoeve van 26 juni 2015 is onder meer het volgende vermeld:
Aangezien de vtv De Beukhoeve dringend behoefte heeft aan liquide middelen ten einde facturen te kunnen betalen, waarvan voor een deel reeds ruim de uiterste betalingstermijn is verstreken, en de vereniging als gevolg daarvan ook met incassokosten wordt geconfronteerd verzoeken wij u ALLE door de vtv De Beukhoeve bij uw stichting in beheer gegeven middelen per direct over te maken naar onze rekening (…).

2.13.

Op 28 juli 2015 heeft Vereniging De Beukhoeve ten laste van Stichting De Beukhoeve conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ABN AMRO Bank. Bij brief van 25 augustus 2015 heeft ABN AMRO medegedeeld dat de saldi van de bankrekeningen van Stichting De Beukhoeve op de beslagdatum € 568,99 bedroegen.
2.14.

Op 15 december 2015 is door Vereniging De Beukhoeve als cedent en RBvV als cessionaris een akte van cessie ondertekend, waarin onder meer het volgende is vermeld:
In aanmerking nemende:

  • dat [Vereniging] De Beukhoeve een of meerdere vorderingen op de stichting Stichting “De Beukhoeve”, hierna te noemen ‘de stichting’ heeft uit onverschuldigde betaling en/of onrechtmatige daad en/of op een andere wettelijke grond;
  • dat [Vereniging] De Beukhoeve tevens vorderingen uit hoofde van (interne en/of externe) bestuurdersaansprakelijkheid en/of onverschuldigde betaling en/of een andere rechtsgrond, op [gedaagde 2] , zijnde oud bestuurder van [Vereniging] De Beukhoeve en bestuurder van de stichting en op mevrouw [gedaagde 3] , zijnde oud-bestuurder van de stichting, hierna gezamenlijk te noemen ‘ [gedaagde 2] c.s.’, heeft;
  • dat [Vereniging] De Beukhoeve en de RBvV voor het ondertekenen van deze akte van cessie een overeenkomst zijn aangegaan, waaruit voor [Vereniging] De Beukhoeve de verplichting voortvloeit om alle haar reeds toebehorende en toekomstige vorderingen op de stichting en op [gedaagde 2] c.s. over te dragen aan de RBvV, waaronder de bovenstaande vorderingen;

2.15.

Bij brieven van 15 december 2015 heeft RBvV de cessie medegedeeld aan Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] .
2.16.

Bij brief van 16 februari 2016 is [gedaagde 2] namens RBvV persoonlijk aansprakelijk gesteld voor de door RBvV en Vereniging De Beukhoeve geleden schade.

3Het geschil

3.1.

RBvV heeft gevorderd om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
  1. te verklaren voor recht dat Stichting De Beukhoeve c.s. onrechtmatig hebben gehandeld jegens RBvV en Vereniging De Beukhoeve;
  2. Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 198.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2015, althans vanaf 26 juni 2015;
  3. Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 2.755,00 aan buitengerechtelijke incassokosten;
  4. Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk te veroordelen om die bescheiden te overleggen waaruit expliciet en ondubbelzinnig blijkt waar de vanuit Vereniging De Beukhoeve overgeboekte bedragen van in totaal € 240.000,00 naartoe zijn geboekt, binnen vijf dagen na het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
  5. Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente en met de nakosten.
3.2.

Stichting De Beukhoeve heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling van RBvV in de kosten van de procedure.
3.3.

Ook [gedaagde 3] heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen de vorderingen en geconcludeerd tot afwijzing ervan, met veroordeling, uitvoerbaar bij voorraad, van RBvV in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de nakosten en met de wettelijke rente over de proces- en nakosten.
3.4.

Op de stellingen van partijen zal, voor zover van belang, hierna worden ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

Ter comparitie is namens RBvV verklaard dat de vordering zoals hiervoor onder 3.1 sub d) weergegeven is ingesteld voor het geval op RBvV bewijslast zou komen te rusten. De rechtbank zal deze vordering daarom als een in die zin voorwaardelijke vordering opvatten.
In de zaak tegen [gedaagde 2]

4.2.

Tegen [gedaagde 2] is verstek verleend. Nu door Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 3] is voortgeprocedeerd, wordt op grond van artikel 140 Rv één vonnis tussen alle partijen gewezen, dat als een vonnis op tegenspraak wordt beschouwd.
4.3.

De vordering tegen [gedaagde 2] komt niet ongegrond of onrechtmatig voor en zal dan ook worden toegewezen, behoudens voor zover hierna anders blijkt.
4.4.

RBvV heeft niet gesteld welk (afzonderlijk) belang zij, gelet op de overige vorderingen, heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, zoals hiervoor onder 3.1 sub a) weergegeven. Voor toewijzing van die vordering is daarom geen plaats.
4.5.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde 2] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
In de zaak tegen Stichting De Beukhoeve

4.6.

RBvV heeft zich primair op het standpunt gesteld dat Vereniging De Beukhoeve een bedrag van € 198.000,00 onverschuldigd heeft betaald aan Stichting De Beukhoeve. Op grond van artikel 6:203 BW is Stichting De Beukhoeve verplicht om dit bedrag aan Vereniging De Beukhoeve terug te betalen, aldus RBvV. Vereniging De Beukhoeve heeft haar vordering op Stichting De Beukhoeve overgedragen aan RBvV (zie hiervoor onder 2.14).
4.7.

Stichting De Beukhoeve heeft de rechtsgeldigheid van de cessie betwist. Zij heeft daartoe aangevoerd dat vereist is dat de vordering voldoende expliciet in de cessieovereenkomst wordt benoemd en omschreven en dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. Er worden geen bedragen en data genoemd, maar het gaat enkel in algemene bewoordingen over een of meerdere vorderingen, aldus Stichting De Beukhoeve.
4.8.

Ingevolge artikel 3:94 juncto artikel 3:84 lid 2 BW moet de over te dragen vordering in voldoende mate worden bepaald door de akte van cessie. Dit vereiste moet niet strikt worden uitgelegd. Het houdt niet in dat de vordering in de akte zelf moet zijn geïndividualiseerd; voldoende is dat de akte zodanige gegevens bevat dat, eventueel achteraf, aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Aan dat vereiste is in het onderhavige geval voldaan. Het lijdt immers geen twijfel dat de cessie betrekking heeft op de hiervoor onder 2.11 weergegeven overboekingen. Dat in de akte van cessie geen bedragen en data zijn genoemd, doet daar niet aan af. Het verweer van Stichting De Beukhoeve kan in zoverre dan ook niet slagen.
4.9.

Vervolgens komt de vraag aan de orde of de betalingen van Vereniging De Beukhoeve aan Stichting De Beukhoeve, zoals hiervoor onder 2.11 weergegeven, zonder rechtsgrond en dus onverschuldigd zijn verricht. Stichting De Beukhoeve heeft betwist dat sprake is van onverschuldigde betalingen. Zij heeft aangevoerd dat zij is opgericht met toestemming van de algemene ledenvergadering van Vereniging De Beukhoeve en dat de vereniging wetenschap had van de overboekingen van de gelden naar de stichting. Volgens Stichting De Beukhoeve beheerde zij deze gelden. De kascontrolecommissie van Vereniging De Beukhoeve was op de hoogte van de overboekingen en heeft geadviseerd decharge te verlenen, wat ook daadwerkelijk is gebeurd, aldus Stichting De Beukhoeve.
4.10.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een rechtsverhouding die het verrichten van de betalingen van Vereniging De Beukhoeve naar Stichting De Beukhoeve rechtvaardigt. Dat (de algemene ledenvergadering van) Vereniging De Beukhoeve weet had van de oprichting van Stichting De Beukhoeve en daarvoor zelfs toestemming heeft gegeven is door RBvV betwist en Stichting De Beukhoeve heeft die stelling in het geheel niet onderbouwd. Evenmin is onderbouwd op grond waarvan de stichting de gelden van de vereniging zou beheren. Stichting De Beukhoeve verwijst naar de brief van Vereniging de Beukhoeve van 26 juni 2015 (zie hiervoor onder 2.12), waarin de vereniging verzoekt alle bij de stichting “in beheer gegeven” middelen per direct over te maken naar haar rekening, maar daaruit kan – gelet ook op de betwisting door RBvV – niet worden opgemaakt dat sprake is (geweest) van een rechtsgrond die de betalingen aan de stichting rechtvaardigt. De brief heeft immers de strekking om – nadat was gebleken dat gelden van de vereniging naar de stichting waren overgeboekt – terugbetaling van die gelden te bewerkstelligen. Dat met de brief is bedoeld een juridische grondslag aan de overboekingen te verbinden, blijkt daaruit niet. De rechtbank volgt Stichting de Beukhoeve ook niet in haar (veronder)stelling dat de kascontrolecommissie van Vereniging De Beukhoeve op de hoogte was van de overboekingen. Volgens Stichting De Beukhoeve blijkt dat uit de hiervoor onder 2.10 bedoelde verslagen, maar de leden van de kascontrolecommissie hebben op 18 april 2017 verklaard dat hen nooit is opgevallen dat er (grote) bedragen zijn overgemaakt naar de stichting en dat zij, als duidelijk zou zijn geworden dat verenigingsgelden naar een stichting zouden zijn overgemaakt om ze buiten bereik van de vereniging of haar schuldeisers te houden, de algemene ledenvergadering niet zouden hebben geadviseerd om decharge te verlenen en zij de vergadering daarover zouden hebben geïnformeerd (zie productie 16 van RBvV). Nu door Stichting De Beukhoeve ook na dit verweer niet (voldoende) is gesteld en onderbouwd op grond waarvan zij meent dat de leden van de kascontrolecommissie op de hoogte waren van de overboekingen en daarmee, door het verlenen van decharge, zouden hebben ingestemd, zal haar bewijsaanbod op dit punt worden gepasseerd.
4.11.

Conclusie van het voorgaande is dat sprake is van onverschuldigde betalingen van Vereniging De Beukhoeve aan Stichting De Beukhoeve. Artikel 6:203 lid 2 BW bepaalt dat, wanneer de onverschuldigde betaling een geldsom betreft, de vordering strekt tot teruggave van een gelijk bedrag. Stichting De Beukhoeve heeft in dit kader aangevoerd dat zij, onder de dreiging van een executoriaal of conservatoir beslag (omdat tussen RBvV en Vereniging De Beukhoeve een jarenlang geschil bestond over het verplichte lidmaatschap), heeft besloten om de gelden contant te bewaren. Deze contante gelden werden volgens de stichting opgeslagen in de kluis van de vereniging. Toen [gedaagde 2] zijn functie als voorzitter van de vereniging op 18 april 2015 heeft neergelegd, heeft Stichting De Beukhoeve de volledige administratie achtergelaten op het kantoor van de vereniging. Alle sleutels, ook van de kluis, zijn overgedragen aan de toenmalige secretaris van de vereniging, aldus Stichting De Beukhoeve. [gedaagde 2] heeft vernomen dat de toenmalige secretaris deze heeft overgedragen aan de opvolgend voorzitter van de vereniging. Deze opvolgend voorzitter zou lichtzinnig met de sleutels en codes zijn omgegaan en heeft iedereen die dat wilde toegang tot het kantoor verschaft. Volgens Stichting De Beukhoeve kan zij niet anders dan constateren dat in de consternatie die na de vergadering op 18 april 2015 is ontstaan, een derde kans heeft gezien om de gelden uit de kluis te halen.
4.12.

Voor zover Stichting De Beukhoeve heeft bedoeld te betogen dat de gelden reeds in contanten aan Vereniging De Beukhoeve zijn teruggegeven/-betaald, kan haar verweer niet slagen. RBvV heeft betwist dat de gelden aan de vereniging zijn terugbetaald en enige onderbouwing door Stichting De Beukhoeve op dit punt ontbreekt. Dat aan [gedaagde 2] op 1 juli 2015 een sms-bericht zou zijn verzonden waaruit zou volgen dat de code van de kluis bekend was (productie 3 van Stichting De Beukhoeve), is niet voldoende. Het had op de weg van Stichting De Beukhoeve gelegen om nader te onderbouwen dat de overgeboekte bedragen contant zijn opgenomen en aan Vereniging De Beukhoeve zijn overgedragen. Nu die onderbouwing ontbreekt, kan aan bewijslevering niet worden toegekomen. Mocht Stichting De Beukhoeve bedoeld hebben als verweer te voeren dat zij door diefstal niet meer over de gelden beschikt, merkt de rechtbank op dat dit verweer niet kan afdoen aan haar (terug)betalingsverplichting jegens RBvV.
4.13.

Het door RBvV gevorderde bedrag van € 198.000,00, dat qua hoogte niet door Stichting De Beukhoeve is weersproken, zal dan ook worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag zal als op de wet gegrond en onvoldoende gemotiveerd betwist worden toegewezen.
4.14.

Stichting De Beukhoeve heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten betwist. Nu niet voldoende door RBvV is gesteld en onderbouwd dat ten aanzien van Stichting De Beukhoeve buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding rechtvaardigen, is de vordering in zoverre niet toewijsbaar.
4.15.

De gevorderde verklaring voor recht, als hiervoor onder 3.1 sub a) weergegeven, is bij gebreke van een belang evenmin toewijsbaar (zie onder 4.4).
4.16.

Als de in het ongelijk gestelde partij zal Stichting De Beukhoeve worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
In de zaak tegen [gedaagde 3]

4.17.

RBvV heeft zich in de zaak tegen [gedaagde 3] primair op het standpunt gesteld dat zij uit hoofde van de cessie een vordering op [gedaagde 3] (en [gedaagde 2] ) in privé heeft op grond van interne bestuurdersaansprakelijkheid (artikel 2:9 BW).
4.18.

Voor zover [gedaagde 3] de rechtsgeldigheid van de cessie heeft betwist en daartoe heeft aangevoerd dat de cessieakte niet zodanige gegevens bevat dat (eventueel achteraf) aan de hand van de inhoud van de akte vastgesteld kan worden om welke vordering het gaat, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.8 is overwogen. Het verweer faalt mitsdien.
4.19.

[gedaagde 3] heeft zich ter zake van de cessie voorts op het standpunt gesteld dat enkel enige vermeende vordering van Vereniging De Beukhoeve op [gedaagde 3] in haar hoedanigheid van bestuurder van Stichting De Beukhoeve kan zijn overgedragen. In de akte van cessie is in de tweede bullet (zie hiervoor onder 2.14) immers niet bepaald dat enige vordering op [gedaagde 3] als oud-bestuurder van Vereniging De Beukhoeve wordt overgedragen, zoals wel is vermeld ten aanzien van [gedaagde 2] . Volgens RBvV blijkt uit de derde bullet dat “alle (…) vorderingen op de stichting en op [gedaagde 2] c.s.” zijn overgedragen, terwijl in de tweede bullet is vermeld dat [gedaagde 2] en [gedaagde 3] gezamenlijk “ [gedaagde 2] c.s.” zullen worden genoemd. De aanduiding “zijnde oud-bestuurder” is volgens RBvV niet limitatief bedoeld, maar slechts opgenomen ter aanduiding van de bedoelde persoon.
4.20.

Voor de bepaling van de inhoud van de akte van cessie is niet slechts van belang hetgeen uit de akte zelf blijkt. Het komt aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Nu [gedaagde 3] zowel bestuurder van Vereniging De Beukhoeve als van Stichting De Beukhoeve is geweest en in de tweede bullet (onder meer) is vermeld dat Vereniging De Beukhoeve vorderingen “uit hoofde van (interne en/of externe) bestuurdersaansprakelijkheid” heeft op ( [gedaagde 2] en) [gedaagde 3] , kan de akte naar het oordeel van de rechtbank in redelijkheid niet anders worden opgevat dan dat daarin is bedoeld ook de vordering op [gedaagde 3] in haar hoedanigheid van oud-bestuurder van Vereniging De Beukhoeve over te dragen aan RBvV. Dat die hoedanigheid niet expliciet in de akte is benoemd, acht de rechtbank niet van doorslaggevende betekenis. Er is geen enkele aanwijzing dat bedoeld is de vordering op [gedaagde 3] op grond van interne bestuurdersaansprakelijkheid niet over te dragen aan RBvV. Ook in zoverre kan het verweer van [gedaagde 3] dus niet slagen.
4.21.

Hiermee komt aan de orde de vraag of de vordering tegen [gedaagde 3] toewijsbaar is op grond van artikel 2:9 BW. Dat artikel bepaalt in het eerste lid dat elke bestuurder tegenover de rechtspersoon gehouden is tot een behoorlijke vervulling van zijn taak. Tot de taak van de bestuurder behoren alle bestuurstaken die niet bij of krachtens de wet of de statuten aan een of meer andere bestuurders zijn toebedeeld. Ingevolge artikel 2:9 lid 2 BW draagt elke bestuurder verantwoordelijkheid voor de algemene gang van zaken. Hij is voor het geheel aansprakelijk ter zake van onbehoorlijk bestuur, tenzij hem mede gelet op de aan anderen toebedeelde taken geen ernstig verwijt kan worden gemaakt en hij niet nalatig is geweest in het treffen van maatregelen om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden.
4.22.

RBvV heeft aangevoerd dat [gedaagde 3] haar taak onbehoorlijk heeft vervuld door het overboeken van de gelden naar Stichting De Beukhoeve zonder enige rechtsgrond, al dan niet in combinatie met het oprichten van de stichting en het plaatsnemen in het bestuur en met de wetenschap als bestuurder van de stichting dat de stichting deze gelden zou wegsluizen. Daarnaast is haar, aldus RBvV, nalatigheid te verwijten: [gedaagde 3] heeft nooit iets gedaan om de gevolgen van onbehoorlijk bestuur af te wenden. Ze is vier jaar lang bestuurslid van Stichting De Beukhoeve geweest en heeft in die tijd nooit Vereniging De Beukhoeve, waar ze gelijktijdig in het bestuur zat, op de hoogte gebracht van het bestaan van de stichting. Stichting De Beukhoeve heeft al die tijd kunnen functioneren en ook achteraf heeft [gedaagde 3] nooit op de rem getrapt, aldus RBvV.
4.23.

[gedaagde 3] heeft betwist dat zij haar taak onbehoorlijk zou hebben vervuld. Zij heeft aangevoerd dat zij zich als bestuurder van Vereniging De Beukhoeve feitelijk uitsluitend heeft gericht op het organiseren van jeugdactiviteiten. [gedaagde 3] heeft nooit bestuurlijke of secretariële werkzaamheden verricht. Zij had geen toegang tot gelden, wachtwoorden, inlogcodes enzovoorts. Ook had zij geen bankpas van de vereniging of op andere wijze toegang tot de administratie. Het bestuur van de vereniging werd feitelijk door [gedaagde 2] en [persoon x] verricht, aldus [gedaagde 3] . Zij hebben [gedaagde 3] op enig moment gevraagd of zij tevens bestuurder van Stichting De Beukhoeve zou willen zijn. [gedaagde 3] was overrompeld door dit verzoek, maar heeft ingestemd. Al snel heeft zij echter aangegeven dat zij uitgeschreven wilde worden, waarna haar is toegezegd dat zij uitgeschreven zou zijn (zie hiervoor onder 2.7). Hier blijkt echter iets mis te zijn gegaan, waardoor [gedaagde 3] pas op 1 januari 2015 is uitgeschreven. Zij heeft echter nimmer enige bemoeienis met Stichting De Beukhoeve gehad. [gedaagde 3] had geen kennis van, laat staan enige bemoeienis met, de overboekingen van de vereniging naar de stichting. De overschrijvingen die zijn gedaan in de periode nadat [gedaagde 3] als bestuurder van Vereniging De Beukhoeve is uitgeschreven, kunnen haar in ieder geval niet worden verweten, aldus [gedaagde 3] .
4.24.

Uitgangspunt van artikel 2:9 BW is dat het algemene beleid van een rechtspersoon, waartoe met name ook het financiële beleid behoort, een taak is van het gehele bestuur. De rechtbank is van oordeel dat het overboeken van gelden van Vereniging De Beukhoeve naar Stichting De Beukhoeve door één of meerdere bestuursleden van de vereniging, zonder dat daaraan een rechtsgrond ten grondslag ligt en zonder dat de algemene ledenvergadering en/of alle andere bestuurders van de vereniging daarvan op de hoogte zijn (zie hiervoor onder 4.10), aan te merken is als een tekortkoming in de behoorlijke vervulling van de bestuurstaak. Daarbij is voldaan aan het vereiste dat ernstig verwijtbaar is gehandeld. De overboekingen, die bewust zijn gedaan om de gelden bij de vereniging weg te halen, leidden er immers toe dat de vereniging niet meer aan haar betalingsverplichtingen kon voldoen en waren daarmee onmiskenbaar niet in het belang van de vereniging. Dit brengt mee dat sprake is van onbehoorlijk bestuur en dat de bestuurders van Vereniging De Beukhoeve, waaronder [gedaagde 3] , daarvoor in beginsel ieder voor zich aansprakelijk zijn. Dit is slechts anders indien [gedaagde 3] aantoont dat haar de tekortkoming in het bestuur niet valt te verwijten en dat zij niet nalatig is gebleven in het beperken van de gevolgen ervan.
4.25.

Tussen partijen is niet in geschil dat de overboekingen van de gelden zijn uitgevoerd door en op initiatief van [gedaagde 2] (en [persoon x] ). RBvV heeft ook niet betwist dat [gedaagde 3] zich niet bezighield met financiële aangelegenheden en dat zij niet beschikte over een bankpas van de vereniging. De rechtbank gaat echter voorbij aan het verweer van [gedaagde 3] dat zij geen kennis had van de overboekingen. Uit haar stellingen volgt immers dat zij wist, of in ieder geval had moeten weten, dat (grote) bedragen werden of zouden worden overgeboekt naar de stichting. Zo heeft [gedaagde 3] ter comparitie verklaard dat zij bij de oprichting van de stichting papieren heeft gekregen en destijds uit de inschrijving in het Handelsregister heeft begrepen dat er maar één doel was. Ook was [gedaagde 3] – zoals is vermeld in de conclusie van antwoord – ervan op de hoogte dat [gedaagde 2] met RBvV was gebrouilleerd in verband met het geschil over de aan RBvV af te dragen contributies. Ter comparitie heeft [gedaagde 3] verklaard dat [gedaagde 2] en [persoon x] door de vereniging waren gevraagd om uit te zoeken hoe het mogelijk was dat er € 20.000,00 was verdwenen en dat bleek dat door de voormalige secretaris gelden van de vereniging waren ontvreemd. Het leek [gedaagde 2] en [persoon x] toen beter om een stichting op te richten, zodat het bestuur van de vereniging niet over grote bedragen kon beschikken, aldus [gedaagde 3] . Desgevraagd heeft [gedaagde 3] verklaard dat zij niet meer weet of zij deze kennis heeft gedeeld met de andere bestuurders van de vereniging. Dat zij de overige bestuursleden en de algemene ledenvergadering van de vereniging wel op de hoogte heeft gesteld van de oprichting van de stichting en de (voorgenomen) onverplichte overboekingen van grote bedragen naar deze stichting, is niet gebleken. Door dat na te laten, heeft [gedaagde 3] onvoldoende invulling aan haar bestuurstaak gegeven. Zij moet geacht worden de risico’s die die overboekingen meebrachten voor de vereniging te hebben onderkend en heeft geen maatregelen genomen om deze risico’s te voorkomen en de gevolgen daarvan zoveel mogelijk te beperken. Daarmee heeft zij haar taak als secretaris niet naar behoren vervuld en daarvan is haar een ernstig verwijt te maken.
4.26.

Dat [gedaagde 3] kort na oprichting van de stichting heeft aangegeven uitgeschreven te willen worden als bestuurder van de stichting kan aan het voorgaande niet afdoen, nu dat onverlet laat dat zij door te zwijgen er medeverantwoordelijk voor is dat ook nadien, toen zij nog bestuurder van de vereniging was, onverplicht bedragen vanuit de vereniging zijn overgeboekt naar de stichting. Voor zover [gedaagde 3] heeft gewezen op de goedkeurende verklaringen van de kascontrolecommissie van Vereniging De Beukhoeve en de door de algemene ledenvergadering van die vereniging verleende decharge, verwijst de rechtbank naar hetgeen hiervoor onder 4.10 is overwogen. Dat de leden van de kascontrolecommissie op de hoogte waren van de overboekingen is niet vast komen te staan, zodat evenmin vast staat dat de kascontrolecommissie deze goedkeurde en nog minder dat deze overboekingen met de door de algemene ledenvergadering verleende decharge zijn goedgekeurd. De rechtbank gaat er, zoals hiervoor is overwogen, van uit dat [gedaagde 3] van die overboekingen juist wel op de hoogte was.
4.27.

[gedaagde 3] is aldus aansprakelijk voor de door de vereniging geleden schade. Met [gedaagde 3] is de rechtbank van oordeel dat er geen althans onvoldoende reden is haar aansprakelijk te houden voor de overboekingen die zijn gedaan nadat zij als bestuurder van de vereniging is uitgeschreven (op 12 april 2014). Aldus resteren de overboekingen van € 100.000,00 op 20 juli 2011, van € 50.000,00 op 1 juli 2013 en van € 30.000,00 op 9 april 2014. De rechtbank ziet aanleiding om daarop een bedrag van € 40.000,00 in mindering te laten strekken, nu dat bedrag door de stichting is teruggeboekt in de periode dat [gedaagde 3] bestuurder van de vereniging was. Aldus resteert een bedrag van € 140.000,00.
4.28.

Op grond van artikel 6:109 BW heeft de rechtbank de discretionaire bevoegdheid de schadevergoeding te matigen, indien toekenning van volledige schadevergoeding in de gegeven omstandigheden waaronder de aard van de aansprakelijkheid, de tussen partijen bestaande rechtsverhouding en hun beider draagkracht, tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen zou leiden. Door [gedaagde 3] zijn voor een beroep op matiging geëigende feiten en omstandigheden aangevoerd. De rechtbank neemt in aanmerking dat [gedaagde 3] haar werkzaamheden voor de volkstuinvereniging onbezoldigd en op vrijwillige basis heeft verricht. Gesteld noch gebleken is dat zij op enigerlei wijze persoonlijk gewin heeft nagestreefd of verkregen. Mede in aanmerking genomen dat de ernst van de gevolgen in geen verhouding staat tot het haar te maken verwijt, is de rechtbank van oordeel dat toekenning van volledige schadevergoeding leidt tot kennelijk onaanvaardbare gevolgen, niet alleen voor [gedaagde 3] maar ook ten opzichte van de bereidwilligheid van vrijwilligers in het verenigingsleven in het algemeen. De rechtbank matigt, gelet op alle omstandigheden van het geval, de schadevergoeding tot € 50.000,00 en zal [gedaagde 3] veroordelen dit bedrag aan RBvV te betalen. De gevorderde wettelijke rente over dat bedrag zal worden toegewezen vanaf de dag van dagvaarding, nu niet gesteld en evenmin gebleken is dat [gedaagde 3] eerder door RBvV is verzocht om tot betaling over te gaan.
4.29.

De subsidiaire en meer subsidiaire grondslagen van de vordering tegen [gedaagde 3] kunnen niet leiden tot toewijzing van een hoger bedrag en zullen daarom onbesproken blijven.
4.30.

De gevorderde verklaring voor recht (zie hiervoor onder 3.1 sub a)) zal bij gebreke van belang worden afgewezen (zie hiervoor onder 4.4).
4.31.

[gedaagde 3] heeft de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten betwist. Nu niet voldoende door RBvV is gesteld en onderbouwd dat ten aanzien van [gedaagde 3] buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht die vergoeding rechtvaardigen, is de vordering in zoverre niet toewijsbaar.
4.32.

Als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij zal [gedaagde 3] worden veroordeeld in de kosten van de procedure.
In alle zaken

4.33.

RBvV heeft hoofdelijke veroordeling van Stichting De Beukhoeve c.s. gevorderd. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, zullen Stichting De Beukhoeve c.s. hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van € 50.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf de dag van dagvaarding (21 oktober 2016) tot aan de dag van algehele voldoening. [gedaagde 2] en Stichting De Beukhoeve zullen daarnaast hoofdelijk worden veroordeeld in de wettelijke rente over € 50.000,00 vanaf 20 juni 2015 tot 21 oktober 2016. [gedaagde 2] en Stichting De Beukhoeve zullen voorts hoofdelijk worden veroordeeld tot betaling van het restant van de hoofdsom ad € 148.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 20 juni 2015 tot aan de dag van algehele voldoening. [gedaagde 2] zal ten slotte worden veroordeeld tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten ad € 2.755,00.
4.34.

De proceskostenveroordeling zal eveneens hoofdelijk worden toegewezen. De kosten aan de zijde van RBvV worden – tot en met de eerstdienende dag – vastgesteld op:
– dagvaarding € 172,28
– griffierecht € 3.903,00
– salaris advocaat € 2.000,00 (1 punt × tarief € 2.000,00)
Totaal € 6.075,28
Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 3] , die hebben voortgeprocedeerd, zullen daarnaast worden veroordeeld in de proceskosten die na de eerstdienende dag zijn gemaakt. Aan de zijde van RBvV worden die kosten vastgesteld op € 2.000,00 aan salaris advocaat (1 punt × tarief € 2.000,00).

4.35.

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen op de wijze als in de beslissing vermeld.
4.36.

De gevorderde veroordeling in de nakosten is in het kader van deze procedure slechts toewijsbaar voor zover deze kosten op dit moment reeds kunnen worden begroot. De nakosten zullen dan ook worden toegewezen op de wijze zoals in de beslissing vermeld.

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan RBvV te betalen een bedrag van € 50.000,00 (vijftig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 21 oktober 2016 tot de dag van volledige betaling,
5.2.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan RBvV te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over € 50.000,00 met ingang van 20 juni 2015 tot 21 oktober 2016,
5.3.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 2] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, om aan RBvV te betalen een bedrag van € 148.000,00 (honderdachtenveertig duizend euro), te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dat bedrag met ingang van 20 juni 2015 tot aan de dag van volledige betaling,
5.4.

veroordeelt [gedaagde 2] om aan RBvV te betalen een bedrag van € 2.755,00 (tweeduizend zevenhonderd vijfenvijftig euro) aan buitengerechtelijke incassokosten,
5.5.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten, aan de zijde van RBvV tot en met de eerstdienende dag vastgesteld op € 6.075,28, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.6.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de proceskosten die na de eerstdienende dag zijn gemaakt, aan de zijde van RBvV tot op heden vastgesteld op € 2.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over dit bedrag met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
5.7.

veroordeelt Stichting De Beukhoeve, [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zodat indien en voor zover de één betaalt ook de ander zal zijn bevrijd, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat Stichting De Beukhoeve c.s. niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis hebben voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 68,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
5.8.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.9.

wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. C.M.E. van der Hoeven en in het openbaar uitgesproken door mr. C. Bouwman op 28 juni 2017.

Vereniging “met rechtspersoonlijkheid”

Als randvermelding. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden duidde recent nog een procespartij aan als een ” vereniging met rechtspersoonlijkheid “. Foei! Elke vereniging heeft rechtspersoonlijkheid (vermoedelijk werd ” volledige rechtsbevoegdheid”  bedoeld).

link

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
locatie Arnhem
afdeling civiel recht
zaaknummer gerechtshof 200.177.164
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, 3775126)
arrest van 16 mei 2017
in de zaak van:
de vereniging met rechtspersoonlijkheid (sic!)
Nieuwe Unie ‘91
gevestigd te Utrecht,
appellante,
hierna: Nieuwe Unie
[]
tegen:

[geïntimeerde] ,
wonende te [woonplaats],