Vereniging wordt gehouden aan overeenkomst

Rechtbank Rotterdam 6 december 2017
ECLI:NL:RBROT:2017:9681

In deze zaak heeft een schietvereniging de schietbanen in 1948 ondergebracht in een (door een aantal van haar leden) opgerichte stichting. In 1948 hebben de stichting en de vereniging overeengekomen dat de vereniging een gebruiksrecht voor de schietbanen heeft. In 1979 zijn afspraken gemaakt over de vergoeding. De vereniging betaalt de vergoeding nog maar voor een gedeelte. De vereniging voert aan dat ” het contract van 1979 achterhaald [is] door de statuten [van de stichting] van 1999. Ingevolge artikel 5 van de statuten is immers een nieuwe regeling wat betreft de afdracht ontstaan. De Stichting heeft bedragen in rekening gebracht waarvan de hoogte eenzijdig door de Stichting is bepaald en dit is in strijd met de statuten.”

De vereniging wordt echter door de rechter gehouden aan het contract “de rechtbank ziet in dat tussen de Stichting en de Vereniging een bijzondere, historische en nauwe verwantschap bestaat en begrijpt dat de huidige financiële situatie de Vereniging bemoeilijkt de gebruiksvergoeding te voldoen. Dit neemt echter niet weg dat ondanks meerdere pogingen daartoe het contract niet is herzien, herijkt of beëindigd. Het contract is derhalve het enige geldige document dat partijen gezamenlijk hebben opgesteld en waaruit over en weer verplichtingen voortvloeien. De Vereniging dient de verplichtingen uit het contract dan ook onverkort na te komen.” .
 



De feiten

2.1.

De Vereniging is opgericht in 1883. Tot 1948 behoorden de schietbanen gelegen aan de [adres] te Rotterdam (hierna: de schietbanen) in eigendom toe aan de Vereniging. Om het voortbestaan van de schietbanen te waarborgen is in 1948 op initiatief van een aantal tot de Vereniging behorende leden de Stichting opgericht en zijn de schietbanen inclusief het verenigingsvermogen om niet overgedragen aan de Stichting.
2.2.

De Vereniging is met de Stichting in 1948 een gebruiksrecht voor de schietbanen overeengekomen. Tussen partijen werd afgesproken dat het gebruik van de schietbanen aan de Vereniging zonder vergoeding zal worden afgestaan. Deze afspraken zijn vastgelegd in artikel 5 van de statuten van 28 juni 1948 (hierna: de oprichtingsakte).

2.3.

Op 8 mei 1979 is, ter uitvoering van het bepaalde in artikel 5 van de oprichtingsakte, een contract (hierna: het contract) tussen partijen opgesteld. Partijen hebben afgesproken dat de Vereniging jaarlijks een vergoeding zal betalen voor het gebruiksrecht van de schietbanen. In artikel 2 van het contract staat voor zover van belang het volgende opgenomen:
Artikel 2
‘Voor dit gebruiksrecht door de Vereniging zal de Vereniging aan de Stichting een jaarlijks vast te stellen vergoeding betalen, de zogenaamde afdracht. Deze afdracht zal worden berekend op basis van een uurvergoeding over het aantal uren, dat de Vereniging over het gebruiksrecht van alle banen beschikt, met dien verstande dat deze uurvergoeding gelijk zal zijn aan de overeenkomstige huurprijs per uur, welke de Stichting bij verhuur van alle banen aan overige huurders in rekening brengt.
De door de Stichting vast te stellen huurprijs per uur zal jaarlijks worden vastgesteld en zal zodanig zijn, dat een kostendekkende exploitatie mogelijk is.
De hiertoe door de Stichting op te stellen begroting van inkomsten en uitgaven voor het volgend boekjaar zal steeds vóór 1 maart aan de Vereniging worden aangeboden.
De jaarlijkse afdracht van de Vereniging aan de Stichting zal steeds vóór 31 maart worden voldaan.’

2.4.

Op 26 maart 1999 heeft de Stichting haar statuten gewijzigd. In artikel 5 van de vigerende statuten staat voor zover van belang het volgende opgenomen:
Gebruiksrecht van de Koninklijke Scherpschutters-Vereniging ‘’Rotterdam’’
Artikel 5
Tegenover de beschikbaarstelling door de Koninklijke Scherpschutters-Vereniging ‘’Rotterdam’’ van het stichtingsvermogen bij de oprichting in het jaar negentienhonderdachtenveertig zal aan die vereniging, zolang zij dit wenst en zij werkzaam is in de geest van artikel 2, het schietcomplex in gebruik worden gegeven tegen een jaarlijks door de Stichting en vereniging overeen te komen vergoeding op basis van gebruik, hetgeen wordt vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst.

2.5.

De afdracht van het gebruiksrecht heeft de Vereniging tot en met 2014 jaarlijks voldaan. Alleen in 2008 is een gedeelte van de totale gebruikersvergoeding, te weten een bedrag van € 18.000,00, onbetaald gebleven.
2.6.

De Stichting heeft de Vereniging op 2 maart 2015 en 16 februari 2016 nota’s toegezonden met betrekking tot de vergoeding over 2015 (€ 100.991,00) en 2016
(€ 102.001,00). De Vereniging heeft deze facturen niet volledig voldaan, maar van beide nota’s een bedrag van € 50.000,00 aan de Stichting betaald.


3De vordering

3.1.

De Stichting vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de Vereniging te veroordelen tot betaling aan de Stichting van € 132.323,20 (inclusief rente tot en met 14 april 2017), ten aanzien van de openstaande huur over 2015 en 2016 te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 15 april 2017 tot aan de dag der algehele voldoening, een en ander met veroordeling van gedaagde in de kosten van het geding, alsmede in de wettelijke rente over de kosten, voor zover deze niet door de Vereniging zijn voldaan binnen twee dagen na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, en daarbij het nasalaris advocaat te begroten op € 131,00, te verhogen met € 68,00 indien de Vereniging niet binnen twee dagen aan het vonnis voldoet en betekening daarvan plaatsvindt.
3.2.

De Stichting legt aan haar vordering het volgende ten grondslag. De Stichting vordert nakoming van de met de Vereniging bij het contract van 8 mei 1979 overeengekomen betalingsverbintenis.
Tot aan 2015, met uitzondering van betaling van een bedrag van € 18.000,00 in 2008, heeft de Verenigingjaarlijks de vergoeding voor het gebruiksrecht van de schietbanen betaald en dus uitvoering gegeven aan de tussen partijen gemaakte afspraken. Het contract van 8 mei 1979 is leidend en nimmer door één van de partijen opgezegd zodat deze nog altijd van kracht is. Alhoewel partijen geprobeerd hebben de afspraken zoals gemaakt in 1979 te herijken is dit tot op heden niet gelukt. De statuten van 1999 van de Stichting zijn een verdere codificatie van de tussen partijen gemaakte afspraken en kunnen worden beschouwd als een ‘voorovereenkomst’. Nu het contract tussen partijen nog gewoon geldt, dienen de openstaande vorderingen met betrekking tot de huur van 2008, 2015 en 2016 door de Vereniging dan ook te worden voldaan. De wettelijke handelsrente is over de hoofdsom verschuldigd nu aan alle vereisten van artikel 6:119a BW is voldaan.

4Het verweer

4.1.

De conclusie strekt – zakelijk weergeven – tot niet ontvankelijk verklaring van de Stichting in haar vorderingen, althans haar deze te ontzeggen en met veroordeling van de Stichting in de kosten van het geding, vermeerderd met rente.
4.2.

De Vereniging heeft daartoe het volgende aangevoerd. De vordering van 2008 is verjaard en dient om die reden te worden afgewezen. Verder is het contract van 1979 achterhaald door de statuten van 1999. Ingevolge artikel 5 van de statuten is immers een nieuwe regeling wat betreft de afdracht ontstaan. De Stichting heeft bedragen in rekening gebracht waarvan de hoogte eenzijdig door de Stichting is bepaald en dit is in strijd met de statuten. De Vereniging wenst dat de Stichting onverkort toepassing geeft aan het bepaalde in artikel 5 van de statuten en dit betekent dat bij de jaarlijks door de Vereniging verschuldigde afdracht rekening dient te worden gehouden met enerzijds de speciale positie die de Vereniging inneemt ten opzichte van de Stichting en anderzijds met het feit dat de jaarlijks verschuldigde bijdrage in onderling overleg dient te worden bepaald en moet worden afgestemd op de kostendekkende exploitatie van de Stichting.
Er is alleen wettelijke handelsrente verschuldigd bij handelstransacties tussen ondernemingen en dat zijn de Stichting en de Vereniging niet. Daarnaast staat op de facturen de wettelijke rente vermeld en niet de wettelijke handelsrente.

5De beoordeling

5.1.

Allereerst dient de vraag te worden beantwoord of het contract dient te worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst, dit met het oog op de relatieve bevoegdheid van de rechtbank.
5.1.1.

Of sprake is van huur dient te worden beoordeeld aan de hand van de in artikel 7:201 BW genoemde essentialia daarvan. Indien een van deze essentialia ontbreekt, is geen sprake van huur.
5.1.2.

Partijen hebben ter comparitie verklaard dat het contract een algemene overeenkomst is met bijzondere huurelementen. De schietbanen worden niet dagelijks en exclusief door de Vereniginggebruikt aangezien ook andere partijen gebruik maken van het complex. Het complex kent derhalve meerdere gebruikers die eenzelfde gebruiksvergoeding betalen waarvan de hoogte afhankelijk is van het dagdeel. Verder kan de Stichting ingevolge haar statuten het gebruiksrecht van de Vereniging in beginsel niet weigeren. De Stichting en de Vereniging hebben daarnaast een gemeenschappelijk belang bij een gezonde exploitatie van de schietbanen.
5.1.3.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het contract, gelet op haar elementen, niet kan worden gekwalificeerd als een huurovereenkomst. In het bijzonder is van belang dat niet het gebruik van de ruimte, maar de te verrichten diensten tussen partijen centraal staan (Hof ’s-Gravenhage 7 februari 2012, WR 2012, 59). Beslissend is voorts of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst van dien aard is dat deze in zijn geheel beschouwd als huurovereenkomst kan worden aangemerkt (zie Hoge Raad 11 februari 2011, NJ 2012, 73). De rechtbank acht zich derhalve bevoegd van het onderhavige geschil kennis te nemen.
5.2.

De kern van het geschil spitst zich toe op de vraag of de Vereniging de verplichtingen uit artikel 2 van het contract moet nakomen. Vaststaat dat door de Stichting jaarlijks, in ieder geval vanaf 1979, een factuur is gestuurd aan de Vereniging waarvan de vergoeding voor het gebruiksrecht in lijn was met artikel 2 van het contract. Deze vergoeding is sinds 1979 jaarlijks geïndexeerd. De Vereniging heeft de facturen behouden en, met uitzondering van een bedrag in 2008, tot en met 2014 betaald.
5.3.

Partijen hebben zowel in de stukken, als ter comparitie verklaard dat de afspraken zoals gemaakt in 1979 zijn achterhaald en dat zij om die reden hebben geprobeerd hun afspraken te herijken. In de periode 2000 tot 2005 zijn over en weer voorstellen gedaan, maar de onderhandelingen hebben tot op heden niet geëffectueerd in een nieuw contract. Dit onderhandelingstraject blijkt ook uit de brief van de heer [D] van 13 oktober 2004, productie 2 bij conclusie van antwoord.
5.4.

Anders dan de Vereniging aanvoert staat in (artikel 5 van) de statuten of in een ander document niet opgenomen of en zo ja, onder welke omstandigheden de Vereniging gezien haar bijzondere positie een lagere gebruiksvergoeding dan de andere gebruikers verschuldigd zou zijn. Er staat echter wel een passage opgenomen waar de Vereniging rekening mee dient te houden, namelijk dat de hoogte van de gebruiksvergoeding zodanig moet zijn dat een kostendekkende exploitatie van de Stichting mogelijk is.
5.5.

Alhoewel het opvallend te noemen is dat de statuten vermelden dat de afdracht in gezamenlijk overleg moet worden vastgesteld, kunnen de statuten gezien het eenzijdige karakter geen uitganspunt zijn om de verplichtingen van partijen te bepalen. De Vereniging kan aan de statuten immers geen rechten ontlenen nu dit stuk door de Stichting eenzijdig is opgesteld. Overigens geven zowel het contract als de statuten geen aanknopingspunten hoe de hoogte van de vergoeding – als dit tussen partijen in geschil is – dient te worden vastgesteld.
5.6.

De rechtbank ziet in dat tussen de Stichting en de Vereniging een bijzondere, historische en nauwe verwantschap bestaat en begrijpt dat de huidige financiële situatie de Vereniging bemoeilijkt de gebruiksvergoeding te voldoen. Dit neemt echter niet weg dat ondanks meerdere pogingen daartoe het contract niet is herzien, herijkt of beëindigd. Het contract is derhalve het enige geldige document dat partijen gezamenlijk hebben opgesteld en waaruit over en weer verplichtingen voortvloeien. De Vereniging dient de verplichtingen uit het contract dan ook onverkort na te komen. De vordering van de Stichting, voor zover deze ziet op de periode 2015 en 2016, zal dan ook worden toegewezen.
5.7.

Met betrekking tot de openstaande vordering van 2008 wordt het volgende overwogen. De verjaringstermijn van een vordering tot betaling, zoals hier aan de orde, verjaart na verloop van vijf jaren (artikel 3:307 BW). Deze termijn vangt aan bij het opeisbaar worden van de vordering. Vaststaat dat de factuur in 2008 is verzonden, maar aangezien de factuur niet in het geding is gebracht, is niet duidelijk op welke dag. Om die reden hanteert de rechtbank de laatst mogelijke datum als uitgangspunt. Als onweersproken staat vast dat de betalingstermijn van de factuur 30 dagen is. Als de factuur op woensdag 31 december 2008 is verzonden, dan is de uiterste dag van betaling vrijdag 30 januari 2009. De vordering diende uiterlijk 30 januari 2014 door de Stichting te worden gestuit. Nu de Stichting, naar zij zelf stelt, geen stuitingshandeling heeft verricht en eerst op 21 april 2017 de dagvaarding heeft uitgebracht, is de rechtbank van oordeel dat de vordering is verjaard. Dit deel van de vordering zal dan ook worden afgewezen.
5.8.

Resteert tot slot de vordering van de Stichting om de wettelijke handelsrente over het gevorderde bedrag toe te kennen. Artikel 6:119a BW is op 1 december 2002 in werking getreden en niet van toepassing op handelsovereenkomsten gesloten voor die datum. Nu het geschil betrekking heeft op een in 1979 gesloten overeenkomst, is de bepaling over de wettelijke handelsrente niet aan de orde. Dit betekent dat over de facturen van de Stichting slechts de rente van art. 6:119 BW verschuldigd is.
5.9.

De Vereniging zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Stichting worden begroot op:
– dagvaarding € 97,31
– griffierecht € 3.894,00
– salaris advocaat € 2.842,00 (2 punten × tarief € 1.421,00)
Totaal € 6.833,31

6De beslissing

De rechtbank
6.1.

veroordeelt de Vereniging om aan de Stichting te betalen een bedrag van € 102.992,00 (éénhonderdtweeduizendnegenhonderdtweeënnegentig euro), vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over:
  • het bedrag van € 50.991,00 met ingang van 2 april 2015 (30 dagen na factuurdatum)
  • het bedrag van € 52.001,00 met ingang van 18 maart 2016 (30 dagen na factuurdatum)
  • het bedrag van € 102.992,00 met ingang van 15 april 2017, telkens tot de dag van volledige betaling,
6.2.

veroordeelt de Vereniging in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting tot op heden begroot op € 6.833,31, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de dag van volledige betaling,
6.3.

veroordeelt de Vereniging in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 131,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen met een bedrag van € 68,00 aan betekeniskosten in het geval betekening van de executoriale titel plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van veertien dagen na de betekening van dit vonnis tot aan de voldoening,
6.4.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
6.5.

wijst het meer of anders gevorderde af.

Informele vereniging als huurder

Rechtbank Amsterdam 3 november 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:8672

In deze zaak vordert een verhuurder ontruiming van een pand met een groep bewoners (te weten studenten). In een eerdere rechtszaak is in 1989 besloten dat de bewoners een vereniging vormden “aan wie de huurrechten met betrekking tot de woning toekomen” (al sinds 1945 overigens).  Het gaat om een informele vereniging (“vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid”), met een naam (” Pinocchio” ), bankrekening, en een contactpersoon, maar zonder (notariële) statuten en (toen nog) zonder inschrijving bij de KvK. De verhuurder is nu een nieuwe rechtszaak begonnen. De rechter is vrij snel klaar met het eerste argument: ” Hieruit volgt dat de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Pinocchio nog altijd de huurder is van het gehuurde.” Volgen nog wat argumenten van verhuurder die gebaseerd zijn op (gestelde) gebreken in de nakoming van de huurovereenkomst. 

Deze uitspraak laat de kracht van een informele vereniging zien: de vereniging is al sinds 1945 degene niet alleen de plichten, maar ook de rechten uit de huurovereenkomst heeft. Ondertussen zijn uiteraard al alle toenmalige bewoners verhuisd, maar de vereniging als rechtspersoon blijft bestaan. 

vonnis van de kantonrechter

I n z a k e

[eiser]

wonende te [woonplaats]
eiser
nader te noemen: [eiser]

t e g e n

1. de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Pinocchio

2. [gedaagde sub 2]

3. [gedaagde sub 3]

4. [gedaagde sub 4]

5. [gedaagde sub 5]

6. [gedaagde sub 6]

allen wonende, althans gevestigd te [woonplaats]
gedaagden
nader te noemen: Pinocchio

7. de onbekende (onder)huurder(s) en/of hen die verblijven in het registergoed aan de [adres]

gedaagden
niet verschenen

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

[] GRONDEN VAN DE BESLISSING

Feiten

1. Als enerzijds gesteld en anderzijds erkend of niet (voldoende) weersproken, alsmede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden inhoud van de bewijsstukken, staat in dit geding het volgende vast:
1.1.

[eiser] is eigenaar van de onroerende zaak, gelegen aan de [adres] , waarvan deel uitmaakt [adres] (verder: het gehuurde). Het gehuurde omvat vijf slaapkamers, een keuken, badkamer, hal, zolderkamer en berging.
1.2.

Ten aanzien van het gehuurde is eerder geprocedeerd tussen de rechtsvoorganger van [eiser] als eiser en de toenmalige bewoners van het gehuurde als gedaagden. In die procedure heeft de Hoge Raad op 22 november 1991 het hoger beroep tegen het arrest van het Gerechtshof te Amsterdam verworpen. Dat Hof had op 16 november 1989 onder meer overwogen:
– Sedert 1945 wordt de litigieuze flatwoning (…), welke woning bestaat uit een hal, keuken, badkamer en zes voor afzonderlijke bewoning bestemde kamers, bewoond door vrouwelijke studenten, die elk voor kortere of langere tijd een kamer in gebruik hebben en, na vertrek, worden opgevolgd door een andere studente.
– De naam “Pinocchio” is op een bord bij de toegangsdeur tot de woning vermeld, onder welke naam ook de telefoonaansluiting van de woning in de telefoongids is vermeld.
– Door de bewoonsters wordt één harer als contactpersoon aangewezen, die de gemeenschappelijke bankrekening (…) beheert, waaruit onder meer de huurbetalingen worden verricht. Bedoelde bankrekening staat op naam van de contactpersoon met de vermelding “inzake” (…) Pinocchio.
– Een brief van [eiser] ’s met dagtekening 1 mei 1979 inzake de wijze van huurbetaling is gericht aan Pinnochio (…)
– Een brief van [eiser] ’s van 31 mei 1983 inzake de huurverhoging (…) is gericht aan: Pinnochio (…)
Uit al deze omstandigheden tezamen moet naar het oordeel van het hof niet alleen de geobjectiveerde wil van de bewoonsters worden afgeleid om een vereniging tot stand te brengen, waarin zij volgens bepaalde regels (…) willen samenwerken, doch ook het aanvaarden door [eiser] ’s van zodanige vereniging.
Dit betekent dat Pinocchio moet worden aangemerkt als een vereniging aan wie de huurrechten met betrekking tot de woning toekomen.
1.3.

Op dit moment zijn in het gehuurde woonachtig de heer [gedaagde sub 3] (sinds 25 november 2009), mevrouw [gedaagde sub 6] (sinds 16 januari 2014), de heer
[gedaagde sub 4] (sinds 29 september 2014), mevrouw [gedaagde sub 5] (sinds 4 december 2013) en sinds kort – zo is ter comparitie gebleken – de heer [naam 1] .

1.4.

De huur wordt nog altijd betaald van het bankrekeningnummer dat ook tijdens de vorige procedure al werd gebruikt. Vanaf april 2009 staat dit bankrekeningnummer op naam van [gedaagde sub 2] , die tot maart 2017 in het gehuurde heeft gewoond.
1.5.

Op 1 november 2013 heeft de gemachtigde van [eiser] aan de toenmalige bewoners van het gehuurde een brief laten betekenen. In die brief wordt namens [eiser] de wens geuit de huurverhoudingen schriftelijk vast te leggen. In de brief staat onder meer vermeld:
Het huurvoorstel van cliënte zal omvatten de volgende onderdelen:
a) de huidige huurders mogen onder de huidige voorwaarden en rechten blijven huren, ook als zij van kamers zouden wisselen;
b) met alle huurders worden individuele huurovereenkomsten gesloten;
c) de som van de huurpenningen van de verschillende, individuele huurovereenkomsten is gelijk aan de thans verschuldigde totale huurprijs, zij het dat wel indexatie zal worden opgenomen;
d) in de nieuwe individuele huurovereenkomsten alsmede in de met de toekomstige huurders te sluiten huurovereenkomsten blijft het coöptatierecht in stand;
e) cliënte maakt met nieuwe huurders in de toekomst (huurprijs)afspraken en sluit de huurovereenkomsten met toekomstige huurders;
(…)
1.6.

Nadien zijn partijen met elkaar in gesprek getreden en is door [eiser] aan de individuele bewoners een huurovereenkomst voorgelegd op basis van voornoemde uitgangspunten. In deze begin 2014 opgemaakte conceptovereenkomsten staat als eerste overweging opgenomen:
– Woonvereniging Pinocchio is een informele vereniging, die kamers in het gehuurde verhuurt. Door middel van coöptatie verhuurt Pinocchio kamers in het gehuurde aan derden. 
Partijen zijn niet tot overeenstemming gekomen. Pinocchio heeft onder meer bezwaar gemaakt tegen een termijn van 14 dagen voor het aandragen van een nieuwe bewoner.
1.7.

Op 16 december 2013 is door een aantal van de toenmalige bewoners van het gehuurde de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid “Pinocchio” ingeschreven bij de Kamer van Koophandel.

vordering en verweer

2. [eiser] vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis – kort gezegd –
primair: voor recht te verklaren dat tussen [eiser] en gedaagden geen rechtsverhouding bestaat die [eiser] verplicht het gehuurde ter beschikking te stellen, gedaagden te veroordelen tot ontruiming en hen te veroordelen in de kosten van de procedure;
subsidiair: te oordelen dat gedaagden tekort zijn geschoten, althans onrechtmatig handelen, met veroordeling tot ontruiming en betaling van de kosten van de procedure;
Meer subsidiair: te verklaren voor recht dat gedaagden een redelijk voorstel tot het aangaan van een nieuwe huurovereenkomst hebben geweigerd, zodat terecht is opgezegd, met veroordeling van gedaagden tot ontruiming en betaling van de proceskosten.
3. Aan de vorderingen legt [eiser] ten grondslag dat er in het gehuurde geen meisjesstudenten meer wonen. Het gehuurde is een soort opvang voor mensen van verschillende nationaliteiten. Bovendien zijn er soms meer bewoners ingeschreven dan er kamers zijn en ook zijn er bedrijven ingeschreven, in strijd met de bestemming. Alleen ten aanzien van de heer [gedaagde sub 2] kan mogelijk een gebruiksovereenkomst worden aangenomen, maar hij is inmiddels vertrokken. Voorts is sprake van overlast, door overbewoning, geluidsoverlast, het vestigen van bedrijven en het mogelijk gebruik als Airbnb onderkomen. Bovendien kan de huur worden opgezegd wegens dringend eigen gebruik, aldus [eiser] .
4. Pinocchio voert verweer tegen de vorderingen. Op dat verweer zal bij de beoordeling, voor zover van belang, nader worden ingegaan.

beoordeling

5. De uitspraak van het Gerechtshof te Amsterdam van 16 november 1989 heeft in die zin gezag van gewijsde, dat als vaststaand moet worden aangenomen dat deze de destijds tussen [eiser] en Pinocchio geldende rechtsverhouding weergeeft. Die rechtsverhouding hield in dat (de rechtsvoorganger van) [eiser] verhuurder was en de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Pinocchio huurder.
6. Niet ter discussie staat dat het gehuurde nu niet meer in gebruik is als een studentenhuis voor meisjes, zoals ten tijde van de eerdere procedure. Inmiddels wonen er mannen en vrouwen, grotendeels van internationale afkomst. Dit leidt echter op zichzelf niet tot een wijziging in de bestaande rechtsverhouding. Uit de aan de bewoners gerichte correspondentie in de periode 2013-2014 en de tekst van de destijds opgemaakte individuele huurovereenkomsten blijkt dat ook [eiser] zich dat heeft gerealiseerd. Hieruit volgt dat de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Pinocchio nog altijd de huurder is van het gehuurde. Niet betwist is dat door opvolgende coöptatie binnen die vereniging de huidige bewoners in het gehuurde terecht zijn gekomen, zodat zij er met een geldige titel verblijven. De inschrijving van de vereniging Pinocchio in het register van de Kamer van Koophandel is voor dit oordeel niet van belang en kan onbesproken blijven. De primair gevorderde verklaring voor recht met nevenvorderingen is dan ook niet toewijsbaar.
7. De door [eiser] gestelde tekortkomingen in de nakoming van de huurovereenkomst zijn onvoldoende onderbouwd. Gezien de steeds wijzigende samenstelling van de bewonersgroep levert het enkele feit dat op bepaalde momenten meer dan vijf bewoners stonden ingeschreven onvoldoende onderbouwing op voor de stelling dat sprake is geweest van overbewoning. Om te beginnen is het daadwerkelijke aantal bewoners relevant en alhoewel de wet daartoe wel verplicht, is algemeen bekend dat niet iedereen steeds zorgt voor een juiste inschrijving bij de Basisregistratie Personen. Voorts blijkt uit de in 2014 voorgelegde huurovereenkomsten dat [eiser] zelf uit ging van bewoning door zes personen, net als het Gerechtshof in de uitspraak uit 1989. De inschrijving van ondernemingen op het adres van het gehuurde levert op zichzelf geen tekortkoming in de nakoming van de huurovereenkomst op. Nu Pinocchio heeft toegelicht dat enkel sprake is geweest van een administratieve inschrijving, zonder dat klanten in het gehuurde zijn ontvangen, is ook op dit punt een tekortkoming onvoldoende onderbouwd. Dan resteert een tekortkoming die zou bestaan uit geluidsoverlast ten opzichte van de buren. Daarbij geldt allereerst dat het gehuurde reeds sinds 1945 in gebruik is voor bewoning door aanvankelijk zes en thans vijf personen. De bewoners van de ondergelegen verdiepingen hebben bij het aangaan van hun huurovereenkomst dan ook rekening moeten houden met geluid dat met een dergelijke bewoning gepaard gaat en zullen dat tot op zekere hoogte moeten dulden. [eiser] stelt bij dagvaarding dat klachten van omwonenden in 2013 reden waren om met Pinocchio in overleg te treden. Die stelling is echter niet concreet gemaakt of onderbouwd. De stelling dat ook nu nog sprake is van overlast voor omwonenden en buren is slechts voor één buurvrouw concreet onderbouwd, door een verklaring over te leggen van mevrouw [naam 2] , bewoonster van [adres] (verder: [naam 2] ). Voor een deel uit zij vermoedens over het aantal bewoners en gebruik als AirBnB onderkomen. Dergelijke vermoedens zijn echter onvoldoende basis voor de conclusie dat sprake is van overlast. De door [naam 2] genoemde overlast door loopgeluiden en geluiden in het trapgat is in tijd, frequentie en omvang niet concreet gemaakt. Dit klemt temeer nu een zekere mate van contactgeluid, gezien de ouderdom van het pand, onvermijdelijk is. Bovendien heeft Pinocchio aangevoerd wel degelijk maatregelen te hebben genomen, bijvoorbeeld door vloerkleden neer te leggen, en nog altijd bereid te zijn tot verder overleg op dit punt. Nu uit niets blijkt dat [eiser] – al dan niet met de andere bewoners – tot dergelijk overleg initiatief heeft genomen, is het in ieder geval prematuur geluidsoverlast aan een vordering tot beëindiging van de huur ten grondslag te leggen. Hetzelfde geldt ten aanzien van een discussie over de verantwoordelijkheid voor schoonmaak van het trappenhuis. Het is mede de verantwoordelijkheid van Pinocchio hiervoor zorg te dragen, zeker indien een kat voor (extra) vervuiling zorgt. Pinocchio voert echter aan die verantwoordelijkheid te nemen en ook te willen overleggen over het uitbesteden van de schoonmaak tegen een verhoging van servicekosten. Ook op dit punt is niet gebleken dat met Pinocchio overleg is gezocht, zodat ook in zoverre de vordering in elk geval prematuur is.
8. Dan resteert de vraag of [eiser] een voorstel heeft gedaan dat gedaagden niet hadden mogen weigeren, in de zin van artikel 7:274 lid 1 onder d Burgerlijk Wetboek (BW). Uit het hiervoor overwogene volgt dat enkel de vereniging met beperkte rechtsbevoegdheid Pinocchio een huurovereenkomst heeft met [eiser] . Het aanbod dat [eiser] heeft gedaan is echter niet aan die vereniging gericht. Reeds om die reden kan van de situatie als bedoeld in artikel 7:274 lid 1 onder d BW geen sprake zijn.
9. Tenslotte heeft [eiser] nog opgeworpen dat hij de huurovereenkomst wegens dringend eigen gebruik kan opzeggen omdat de huidige bewoners niet meer behoren tot de doelgroep van de huurder, te weten meisjesstudenten. Met die enkele stelling wordt echter niet voldaan aan de vereisten die artikel 7:274 lid 1 onder c. BW stelt.
10. De conclusie is dat de vorderingen zullen worden afgewezen.
11. Nu [eiser] in het ongelijk wordt gesteld, zal hij in de proceskosten worden veroordeeld.

BESLISSING

De kantonrechter:

wijst het gevorderde af;

Verkiezingen door nog niet bestaande vergadering (Onderwijscoöperatie)

Rechtbank Midden-Nederland 29 november 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:5923

In deze zaak is nogal veel aan de hand. In wezen gaat het om de vraag of het besluit tot statutenwijziging van de vereniging “Onderwijscoöperatie” geldig is. Deze coöperatie kan voor deze uitspraak worden beschouwd als vereniging. De verenging is opgericht door vijf vakbonden, deze zijn bij de oprichting ook lid geworden. Eisers zijn een aantal leraren die bezwaren hebben tegen de statutenwijziging. In de oude staat (voor zover hier relevant) dat voor statutenwijziging vereist is dat ” dat de vijf eerste leden – voor zover zij nog lid zijn – met algemene stemmen (unanimiteit) ten gunste van het voorstel dienen te stemmen in een ledenvergadering”. Volgens eisers heeft één van de vakbonden, namelijk “BON”, niet voor gestemd. Volgens de vereniging was die vakbond op het moment van de ALV geen lid meer. De rechter gaat er in dit kort geding niet op in, doorslaggevend lijkt te zijn dat “Naar aanleiding van de kritische vragen die BON op die vergadering heeft gehad, heeft zij zelf haar lidmaatschap met onmiddellijke ingang opgezegd. Van een beëindiging van dat lidmaatschap door de Onderwijscoöperatie heeft het daardoor niet hoeven komen.”

Vervolgens heeft de rechter te oordelen over een Catch-22. In de vereniging Onderwijscoöperatie moet er een deelnemersvergadering komen. Deze deelnemersvergadering kiest afgevaardigden in een verkiezing. De deelnemersvergadering bestaat uit leraren die in het wettelijk lerarenregister staan. Dat register bestaat nog niet. De bedoeling van de wet op het lerarenregister is “dat de criteria voor [de toelating van leraren tot] het wettelijk lerarenregister moeten worden opgesteld vóórdat het wettelijk lerarenregister wordt ingevoerd. ” “Het is dan ook onmogelijk dat de afgevaardigden van de eerste deelnemersvergadering worden gekozen door de leraren uit het wettelijk lerarenregister – dit register bestaat immers nog niet -.” “Dat betekent dat naar een andere uitleg of oplossing moet worden gezocht. De voorzieningenrechter zal daarbij beoordelen of op voorhand aannemelijk is dat de manier waarop de Onderwijscoöperatie uitdrukking heeft gegeven aan hetgeen zij (wel) met artikel 31 van de statuten heeft beoogd (de aan de geregistreerden in het [al wel bestaande] vrijwillig lerarenregister geboden mogelijkheid om de afgevaardigden te verkiezen), ondeugdelijk is.” De voorzieningenrechter meent dat de oplossing van de Onderwijscoöperatie niet ondeugdelijk is.

Dan voeren de eisers nog onzorgvuldigheden bij de uitvoering van de verkiezingen aan. “De Onderwijscoöperatie heeft erkend dat er bij de verkiezingen schoonheidsfouten zijn gemaakt en dat de database van het vrijwillige lerarenregister enigszins ‘vervuild’ was. Dat zij onvoldoende zorg heeft betracht bij het uitvoeren van de verkiezingen acht de voorzieningenrechter op voorhand echter niet aannemelijk. Daarbij wordt het volgende van belang geacht.”

Tot slot een paar opmerkingen terzijde. De term “coöperatie” is vermoedelijk politiek aantrekkelijk, maar is in het BW nog altijd een rechtspersoon die ” zich blijkens de statuten ten doel [stelt] in bepaalde stoffelijke behoeften van haar leden te voorzien”. Bovendien moet de coöperatie dat doen
“krachtens overeenkomsten” die de coöperatie sluit met de leden “in het bedrijf” dat de coöperatie te dien einde ten behoeve van de leden uitoefent of laat uitoefenen (artikel 2:53 lid 1 BW). Het lijkt mij onwaarschijnlijk dat de Onderwijscoöperatie voorziet in de stoffelijke (= materiële) behoeften van de vakbonden. Kijken we naar artikel 2 van de statuten, dan is het doel “de beroepskwaliteit van leraren te bevorderen … door de professionele ruimte en professionele ontwikkeling van leraren te (doen) versterken… om zo in de stoffelijke behoeften van de leden te voorzien krachtens overeenkomsten tussen haar en de leden gesloten in voormeld bedrijf”. Er is geen “voornoemd bedrijf”in artikel 2 van de Statuten. De vraag is of de Onderwijscoöperatie dus voldoet aan de wettelijke definitie van een coöperatie, en zo niet, of de Onderwijscoöperatie dan bedreigd wordt door de sanctie van ontbinding o.g.v. artikel 21 lid 1 sub c BW.
Een tweede tamelijk opmerkelijk aspect is, dat in artikel 25B lid 1 Statuten staat  “iedere deelnemer maakt van rechtswege deel uit maakt van de deelnemersvergadering”. Deelnemer is een leraar die is ingeschreven in het lerarenregister. Dit lijkt wel erg op verplicht lidmaatschap van een vereniging. Zoals uit de vele Bungalowpark arresten bekend is, kan verplicht lidmaatschap niet voor Boek 2 rechtspersonen, omdat het in strijd is met de (negatieve) vrijheid van vereniging zoals beschermd in artikel 11 EVRM. Kan artikel 11 EVRM omzeild worden door niet lidmaatschap (in de zin van het BW)  maar “deelnemerschap” verplicht te maken? Of kan de Onderwijscoöperatie een beroep doen op de uitzondering voor publiekrechtelijke beroepsorganisaties? Vgl. ECLI:NL:HR:2016:2910 (verplicht lidmaatschap is niet in strijd met artikel 11 EVRM nu de betreffende organisatie “een bij wet ingestelde beroepsorganisatie is, die is ingebed in publiekrechtelijke structuren, die administratieve, regelgevende en toezichthoudende bevoegdheden heeft en die doelstellingen nastreeft van algemeen belang”). De  Onderwijscoöperatie is niet bij wet ingesteld volgens mij. Aangevoerd kan worden dat aan deelnemerschap niet direct verplichtingen (lijken te) zijn verbonden, maar de vraag is of dat doorslaggevend is (en hoe het zit met de privacywetgeving – hoe komt de Onderwijscoöperatie aan de gegevens van de deelnemers, en kan zie die gebruiken voor de uitvoering van het (privaatrechtelijke) “deelnemerschap” van rechtswege krachtens (boek 2 BW) statuten?) . 
Tot slot, artikel 31a lid 4 Wet primair onderwijs nieuw (Staatsblad 2017, 85; Kst. 34458) verwijst naar “de professionele
standaard van de beroepsgroep”,  artikel 25A Statuten zeggen dat een “professionele standaard … voor leraren als beroepsgroep” wordt vastgeld door de deelnemersvergadering. Vraag: is artikel 31a lid 4 WPO een verwijzing naar het document bedoeld in artikel 25A Statuten, of naar de (ongeschreven) “standaard van de beroepsgroep”. In geval van het eerste, kan je zo verwijzen in een wet naar een door een privaatrechtelijke rechtspersoon opgesteld document (vgl. technische normen bijv. NEN normen). De MvT en het nader rapport (Kamerstuk 34458, nr. 4) zijn hierover ambigue. Voor suggesties van lezers met interesse op het gebied van staatsrecht houd ik me aanbevolen. 
Vonnis in kort geding van 29 november 2017

in de zaak van

1. de vereniging,
LERAREN IN ACTIE,
2. [eiser sub 2],
[] 5. [eiser sub 5]
eisers,
tegen
de coöperatie
COÖPERATIE VAN VERENIGINGEN VAN LERAREN EN ANDER ONDERWIJSPERSONEEL U.A.,
[] gedaagde,

Eisers zullen hierna gezamenlijk LIA c.s. en afzonderlijk LIA, [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [eiser sub 4] en [eiser sub 5] worden genoemd. Gedaagde zal de Onderwijscoöperatie worden genoemd.

2De feiten

2.1.

LIA is een werknemersorganisatie die de belangen van leraren in het voortgezet onderwijs behartigt.
2.2.

De Onderwijscoöperatie vertegenwoordigt de beroepsgroep van leraren en heeft als doel de beroepskwaliteit van leraren te bevorderen. Haar ledenbestand bestaat uit rechtspersonen die datzelfde kwaliteitsdoel nastreven.
2.3.

In de statuten van de Onderwijscoöperatie van 30 september 2011 is, onder meer, het volgende opgenomen:
(…) LEDEN; EINDE VAN HET LIDMAATSCHAP EN SCHORSING
Artikel 7
(…)
2. Opzegging van het lidmaatschap door een lid kan slechts schriftelijk geschieden aan het bestuur van de coöperatie en gaat in per het einde van het boekjaar, volgend op het boekjaar waarin wordt opgezegd. (…)
4. Opzegging van het lidmaatschap door de coöperatie kan plaatsvinden met onmiddellijke ingang indien: (…)
c. redelijkerwijs van de coöperatie niet kan worden gevergd het lidmaatschap te laten voortduren. (…)
LEDENVERGADERING; STEMRECHT EN BESLUITVORMING (…)
Artikel 12
(…)
3. Alle besluiten waaromtrent bij de wet of bij deze statuten geen grotere meerderheid is voorgeschreven worden genomen met volstrekte meerderheid van de geldig uitgebrachte stemmen.
4. Voor besluiten van de algemene ledenvergadering tot: (…)
i. wijziging van de statuten; (…)
geldt aanvullend op het bepaalde in lid 3 van dit artikel, dat de vijf eerste leden – voor zover zij nog lid zijn – met algemene stemmen (unanimiteit) ten gunste van het voorstel dienen te stemmen in een ledenvergadering waarin deze leden aanwezig of vertegenwoordigd zijn. Indien deze leden in deze ledenvergadering niet aanwezig of vertegenwoordigd zijn, zal binnen veertien dagen na het gouden van de eerste ledenvergadering een tweede ledenvergadering worden bijeengeroepen.
In deze tweede vergadering kunnen, ongeacht het ter vergadering aanwezige of vertegenwoordigde aantal leden, besluiten over een zodanig voorstel met algemene stemmen (unanimiteit) worden genomen. (…)
9. Een besluit met algemene stemmen van alle stemgerechtigde leden, ook al zijn zij niet in vergadering bijeen, heeft, mits met voorkennis van het bestuur genomen, dezelfde kracht als een besluit van de algemene ledenvergadering. Een dergelijk besluit wordt schriftelijk vastgelegd en bij de notulen van de coöperatie gevoegd. (…)
STATUTENWIJZIGING (…)
Artikel 27
1. Wijziging van de statuten kan slechts plaatshebben door een besluit van de algemene ledenvergadering, met inachtneming van het bepaalde in artikel 12 lid 4 en artikel 23, in een ledenvergadering waartoe is opgeroepen met de mededeling dat aldaar wijziging van de statuten zal worden voorgesteld. De termijn voor oproeping bedraagt ten minste tien werkdagen. (…)
SLOTVERKLARINGEN (…)
1. De eerste leden van de coöperatie (lidorganisaties) zijn:
a. Algemene Onderwijsbond (AOB) , (…)
b. Federatie van Onderwijsbonden CMHF/MHP , (…)
c. CNV Onderwijs , (…)
d. Platform Vakinhoudelijke Verenigingen Voortgezet Onderwijs (Platform VVVO) ,
e. Beter Onderwijs Nederland (BON) (…).
2.4.

De Onderwijscoöperatie beschikt over een vrijwillig lerarenregister. Uit het databasebestand van dit register blijkt dat er in totaal 82.962 aanmeldingen zijn gedaan ter inschrijving in het register.
2.5.

De Onderwijscoöperatie heeft met de wetgever onderhandeld over de nieuw in te voeren Wet beroep leraar en lerarenregister (hierna: de lerarenregisterwet). Deze wet verplicht leraren zich te registreren in een register (hierna: het wettelijk lerarenregister), dat op 1 augustus 2018 operationeel dient te zijn.
2.6.

De Onderwijscoöperatie is door de wetgever aangewezen om registratiecriteria voor het wettelijk lerarenregister op te stellen. De minister van OCW zal de definitieve criteria vervolgens bij AMvB vaststellen.
2.7.

Op 14 december 2016 heeft de Onderwijscoöperatie een algemene ledenvergadering gehouden (hierna: ALV), waarbij drie van haar leden aanwezig waren, te weten AOB, CNVo en PVVVO. Deze leden hebben ten gunste van een statutenwijziging gestemd (hierna: de statutenwijziging). FvOv en BON waren niet op de ALV aanwezig.
2.8.

In de statutenwijziging is onder meer het volgende opgenomen:
“(…) BEGRIPSBEPALINGEN
In deze statuten wordt verstaan onder: (…)
g. deelnemer : leraar die is ingeschreven in het lerarenregister;
n. lerarenregister : het wettelijke register als bedoeld in (onder meer) sectorale onderwijswetgeving; (…)
HOOFDSTUK VI – LERARENREGISTER
DEELNEMERSVERGADERING; BEVOEGDHEDEN EN WERKWIJZE
ARTIKEL 25A
1. Aan de deelnemersvergadering komen de bevoegdheden toe tot:
a. het vaststellen en wijzigen van een professionele standaard, daaronder mede begrepen een beroepsethische code, voor leraren als beroepsgroep; (…)
3. De bevoegdheden van de deelnemersvergadering worden uitgeoefend door afgevaardigden, behoudens het bepaalde in lid 4. Het aantal afgevaardigden bedraagt vierentwintig. (…)
5. De artikelen 25a, 25b en 25c mogen slechts worden gewijzigd met instemming van de deelnemersvergadering.
DEELNEMERSVERGADERING; LIDMAATSCHAP EN AFGEVAARDIGDEN
ARTIKEL 25B
1. Iedere deelnemer maakt van rechtswege deel uit van de deelnemersvergadering en is bevoegd tot uitoefenen van de daaraan verbonden rechten met inachtneming van het bepaalde in deze statuten en in het reglement deelnemersvergadering. Een deelnemer heeft uitdrukkelijk niet de rechten en verplichtingen die de wet verbindt aan het lidmaatschap van de coöperatie.
2. De afgevaardigden worden benoemd uit en door de deelnemers. Het reglement deelnemersvergadering kan de benoeming van afgevaardigden nader regelen, mits iedere deelnemer een stem kan uitbrengen voor de benoeming van ten minste één afgevaardigde. (…)
OVERGANGSBEPALING
ARTIKEL 31
1. Ieder die op het moment van invoering van het lerarenregister bij de coöperatie geregistreerd is als leraar, is (voorlopig) deelnemer, tenzij hij/zij te kennen geeft geen deelnemer te willen zijn. Het deelnemerschap uit hoofde van dit artikel eindigt van rechtswege twee jaren na invoering van het lerarenregister of zoveel eerder als de betrokkene op grond van de alsdan geldende criteria in het lerarenregister is ingeschreven.
2. Onverwijld na het van kracht worden van de statutenwijziging waarbij de deelnemersvergadering wordt ingesteld, worden de eerste vierentwintig afgevaardigden gekozen uit de in lid 1 van dit artikel bedoelde deelnemers, zoveel mogelijk met inachtneming van het bepaalde in hoofdstuk VI van deze statuten. Deze afgevaardigden zijn aftredend zodra er verkiezingen van afgevaardigden worden gehouden conform het bepaalde in artikel 25 b lid 2. Het bestuur draagt zorg dat deze verkiezingen binnen twee jaren na de invoering van het lerarenregister worden gehouden. (…)”
2.9.

Op 22 februari 2017 is de lerarenregisterwet aangenomen.
2.10.

Op 21 maart 2017 heeft het bestuur van de Onderwijscoöperatie het Verkiezingsreglement Deelnemersvergadering vastgesteld (hierna: het verkiezingsreglement). Daarin is, voor zover hier van belang, het volgende opgenomen:
 Verkiezingsreglement Deelnemersvergadering
Vastgesteld op 21 maart 2017 door het bestuur van de Onderwijscoöperatie

Artikel 1: Algemene bepalingen
De grondslag van het reglement is artikel 25a lid 2 juncto artikel 25b lid 2 van de statuten van de Onderwijscoöperatie. Dit reglement komt te vervallen wanneer de afgevaardigden van de Deelnemersvergadering zijn gekozen, mede gelet op de bevoegdheid van de Deelnemersvergadering om zelf een reglement vast te stellen. (…)

Artikel 3: Actief en passief kiesrecht
1. Alle leraren die ingevolge artikel 31 van de statuten, voor een door de verkiezingscommissie vast te stellen datum bij de Onderwijscoöperatie zijn aangemeld als leraar bij het vrijwillig register, zijn gerechtigd om een stem uit te brengen. Dit geldt nadrukkelijk uitsluitend voor de eerste verkiezing. (…)”

2.11.

Van 4 september 2017 tot en met 24 september 2017 heeft de Onderwijscoöperatie verkiezingen gehouden met het oog op de benoeming van de 24 afgevaardigden van de Deelnemersvergadering (hierna: de verkiezingen). Naar aanleiding daarvan zijn [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [eiser sub 4] en [eiser sub 5] verkozen tot afgevaardigden van de Deelnemersvergadering.
2.12.

Op 2 oktober 2017 heeft [eiser sub 4] een bezwaar ingediend bij de Onderwijscoöperatie tegen de verkiezingsuitslag. De Onderwijscoöperatie heeft tevens een aantal andere bezwaren ontvangen.
2.13.

Daarna heeft de Verkiezingscommissie van de Onderwijscoöperatie een eindverslag van de verkiezingen uitgebracht (hierna: het eindverslag). Op basis van dit eindverslag heeft de Onderwijscoöperatie geconcludeerd dat de verkiezingsuitslag gehandhaafd kan blijven en geweigerd het resultaat van de verkiezingen ongeldig te verklaren.
2.14.

Op 30 oktober 2017 heeft LIA c.s. de Onderwijscoöperatie gedagvaard.

3Het geschil

3.1.

LIA c.s. vordert samengevat – dat de voorzieningenrechter, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de Onderwijscoöperatie:
– verbiedt om gebruik te maken van de uitkomst van de verkiezingen,
– gebiedt binnen twee werkdagen na betekening alle uitingen over de daarmee verkozen afgevaardigden op haar website te verwijderen en verwijderd te houden,
– verbiedt over de verkiezingsuitslag te communiceren, waaronder via de sociale media,
een en ander op straffe van een dwangsom van € 100.000, althans van een in goede justitie te bepalen ander bedrag, en met veroordeling van de Onderwijscoöperatie in de proceskosten.
3.2.

Ter onderbouwing van haar vordering stelt LIA c.s. dat de verkiezingen zonder grondslag, althans in strijd met de statuten en het verkiezingsreglement hebben plaatsgevonden.
3.3.

De Onderwijscoöperatie voert verweer met als conclusie dat de voorzieningenrechter de vorderingen afwijst met veroordeling van LIA c.s. in de (na)kosten, vermeerderd met wettelijke rente.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.

Het spoedeisend belang vloeit voort uit de aard van de zaak.
Besluit tot statutenwijziging vernietigbaar?
4.2.

LIA c.s. heeft zich allereerst op het standpunt gesteld dat het besluit tot statutenwijziging vernietigbaar is, in welk lot de verkiezingen – die op die statutenwijziging zijn gebaseerd – delen. LIA c.s. beroept zich daartoe op artikel 2:15 lid 1 sub a BW. De (oude) statuten van de Onderwijscoöperatie bepalen immers (voor zover hier van belang) dat voor de totstandkoming van een statutenwijziging vereist is dat de vijf eerste leden, voor zover nog lid, tijdens een eerste ledenvergadering over dat onderwerp unaniem ten gunste van de wijziging stemmen (art. 12 lid 4 sub i) en dat bij gebreke daarvan unanimiteit vereist is van degenen van die leden die tijdens een tweede ledenvergadering over dat onderwerp aanwezig zijn.
4.3.

LIA c.s. heeft in haar dagvaarding gesteld dat het wijzigingsbesluit vernietigbaar is omdat zowel FvOv als BON niet hebben ingestemd met de wijziging, tijdens de eerste en enige vergadering die over dat onderwerp is gehouden. Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft LIA c.s. haar stelling omtrent het ontbreken van instemming aan de zijde van FvOv laten varen, omdat gebleken is dat zij haar stem (vóór de statutenwijziging) op – statutair toegestane – schriftelijke wijze heeft uitgebracht.
4.4.

Aan het beroep op de vernietigbaarheid ligt in dit verband daarom nog slechts de stelling ten grondslag dat BON niet voor de statutenwijziging heeft gestemd. Vast staat dat BON in het geheel niet in de stemming is betrokken. De Onderwijscoöperatie heeft aangevoerd dat dat ook niet hoefde, omdat BON ten tijde van de stemming en het besluit (14 december 2016) geen lid meer was van de Onderwijscoöperatie. LIA c.s. en de Onderwijscoöperatie zijn het erover eens dat BON haar lidmaatschap op 24 oktober 2016 heeft opgezegd, maar zijn in geschil over de vraag wanneer het lidmaatschap van BON dientengevolge eindigt. Volgens LIA c.s. eindigt het lidmaatschap op grond van artikel 7 lid 2 van de statuten met ingang van 1 januari 2018. De Onderwijscoöperatie stelt zich op het standpunt dat BON haar lidmaatschap op grond van artikel 2:36 lid 1 BW (en artikel 7 lid 4 sub c van de statuten) met onmiddellijke ingang heeft opgezegd, omdat sprake was van een ernstige vertrouwenscrisis tussen BON en de Onderwijscoöperatie. Beiden waren het er destijds, aldus de Onderwijscoöperatie, over eens dat het voortduren van BONs lidmaatschap in redelijkheid niet (van de Onderwijscoöperatie) kon worden gevergd.
4.5.

De Onderwijscoöperatie heeft haar stellingen onder meer met de volgende omstandigheden onderbouwd. BON heeft op sociale media (Twitter) en op haar website felle kritiek geuit op het project ‘Onderwijs2032’, een project waarmee de Onderwijscoöperatie had ingestemd. Daarna is de weerstand vanuit BON tegenover de Onderwijscoöperatie verder toegenomen. Dit heeft er uiteindelijk toe geleid dat de Onderwijscoöperatie op 24 oktober 2016 een bestuursvergadering heeft gehouden, met als enige onderwerp op de agenda de vertrouwenscrisis tussen BON en de Onderwijscoöperatie. Naar aanleiding van de kritische vragen die BON op die vergadering heeft gehad, heeft zij zelf haar lidmaatschap met onmiddellijke ingang opgezegd. Van een beëindiging van dat lidmaatschap door de Onderwijscoöperatie heeft het daardoor niet hoeven komen.
4.6.

Op 27 oktober 2016 heeft BON een persbericht op haar eigen website geplaatst, getiteld: “BON stapt per direct uit de Onderwijscoöperatie: Genoeg is genoeg”. Ook heeft zij begin november 2016 een interview gegeven dat in dagblad Trouw is gepubliceerd. Daarin heeft BON verklaard dat haar positie (als lid van de Onderwijscoöperatie) langzamerhand onhoudbaar was geworden.
4.7.

In dit kort geding kan in deze deelkwestie slechts in het voordeel van LIA c.s. worden beslist, indien in zodanige mate waarschijnlijk is dat die kwestie, indien door de bodemrechter beslist, in het voordeel van LIA c.s. uit zal vallen, dat daarop thans mag worden vooruit gelopen. Daartoe bestaat onvoldoende grond, gezien het door de Onderwijscoöperatie gevoerde verweer en de onderbouwing daarvan. Dat, zoals LIA c.s. nog stelt, de ledenvergadering van BON na oktober 2016 het standpunt heeft ingenomen dat BON vooralsnog lid is van de Onderwijscoöperatie, leidt niet tot een ander oordeel, omdat dat niet (voldoende) afdoet aan hetgeen de Onderwijscoöperatie heeft gesteld rond de (betekenis van de) uitlatingen van BON in september 2016. De mogelijkheid dat die uitlatingen zijn gedaan door het bestuur van BON zonder dat daarvoor draagvlak bestond binnen haar ledenvergadering, leidt ook niet tot een ander oordeel, omdat een rechtspersoon vertegenwoordigd wordt door haar bestuur en een wederpartij in beginsel op het bestuurshandelen mag afgaan. De voorzieningenrechter ziet aldus onvoldoende grond om voorshands aan te nemen dat het besluit tot statutenwijziging vernietigbaar is en zal in deze procedure de geldigheid ervan als uitgangspunt nemen.
Verkiezingen in strijd met de statuten?
4.8.

Vervolgens dient ter beantwoording van de vraag of de verkiezingen op de juiste manier zijn verlopen, allereerst te worden gekeken naar de inhoud van de nieuwe statuten. Volgens LIA c.s. is de wijze waarop de verkiezingen zijn verlopen daarmee in strijd. De statuten bepalen immers dat de afgevaardigden moeten worden gekozen door de deelnemersvergadering (artikel 31 lid 2) en de deelnemers uit de deelnemersvergadering zijn, zo blijkt uit de begripsomschrijving in de statuten, de leraren die in het wettelijk lerarenregister staan geregistreerd. Dit heeft ertoe geleid dat de Onderwijscoöperatie niet de leraren uit het wettelijk lerarenregister, maar de geregistreerden in het vrijwillig lerarenregister in de gelegenheid heeft gesteld om de afgevaardigden te verkiezen.
4.9.

Volgens de Onderwijscoöperatie blijkt uit de memorie van toelichting van de lerarenregisterwet dat de criteria voor het wettelijk lerarenregister moeten worden opgesteld vóórdat het wettelijk lerarenregister wordt ingevoerd. Dit heeft LIA c.s. niet weersproken en zal daarom als uitgangspunt gelden. Het is dan ook onmogelijk dat de afgevaardigden van de eerste deelnemersvergadering worden gekozen door de leraren uit het wettelijk lerarenregister – dit register bestaat immers nog niet -. Die onmogelijkheid is, naar de Onderwijscoöperatie heeft gesteld en door LIA c.s. niet of onvoldoende is weersproken, niet door de Onderwijscoöperatie beoogd.
4.10.

Hier mag dan ook niet worden afgegaan op de strikte lezing van artikel 31, die op zichzelf bezien door LIA c.s. correct wordt weergegeven in haar stellingen. Dat betekent dat naar een andere uitleg of oplossing moet worden gezocht. De voorzieningenrechter zal daarbij beoordelen of op voorhand aannemelijk is dat de manier waarop de Onderwijscoöperatie uitdrukking heeft gegeven aan hetgeen zij (wel) met artikel 31 van de statuten heeft beoogd (de aan de geregistreerden in het vrijwillig lerarenregister geboden mogelijkheid om de afgevaardigden te verkiezen), ondeugdelijk is.
4.11.

Beide partijen onderstrepen dat in de verkiezing van de afgevaardigden een zo groot mogelijke groep leraren moet worden betrokken, opdat de normen van dat register, die de afgevaardigden aan de minister van OCW gaan voorstellen, een zo breed mogelijk draagvlak kennen binnen de beroepsgroep.
4.12.

Het is duidelijk dat de Onderwijscoöperatie bij het organiseren van de verkiezingen heeft geprobeerd een zo groot mogelijke groep leraren te bereiken. Door LIA c.s. is niet gesteld en ook is niet anderszins gebleken dat er voor de Onderwijscoöperatie een mogelijkheid bestond om de verkiezingen op een alternatieve wijze te organiseren die beter recht deed aan het bedoelde uitgangspunt. De voorzieningenrechter ziet in zoverre dan ook onvoldoende grond om op voorhand aan te nemen dat de manier waarop de Onderwijscoöperatie de verkiezingen heeft georganiseerd ondeugdelijk is.
Verkiezingsreglement geldig?
4.13.

LIA c.s. heeft voorts gesteld dat het verkiezingsreglement een rechtsgeldige grondslag ontbeert, omdat het – zoals in de aanhef ervan is vermeld – is gebaseerd op de artikelen 25a lid 2 en 25b lid 2 van de nieuwe statuten, welke artikelen echter slechts het interne functioneren van de Deelnemersvergadering betreffen. Op basis van die artikelen kan daarom niet een Deelnemersvergadering in het leven worden geroepen, aldus LIA c.s. Zij betoogt daarmee naar de kern genomen, naar de voorzieningenrechter haar stellingen verstaat, dat de nieuwe statuten niet de instelling van een Deelnemersvergadering omvatten, maar slechts regels rond het interne functioneren van zo’n (niet-bestaande) Deelnemersvergadering. Aan LIA c.s. moet worden toegegeven dat merkwaardig is dat in de nieuwe statuten (onder ‘Begripsbepaling’, sub g) de Deelnemersvergadering als orgaan van de Onderwijscoöperatie wordt gedefinieerd, terwijl aldaar in artikel 3 bij de opsomming van de organen van de Onderwijscoöperatie de Deelnemersvergadering ontbreekt. Toch leidt dat niet tot het gelijk van LIA c.s. Gelet op die definitie en de artikelen 25a en 25b van de nieuwe statuten, is het onmiskenbaar de strekking van de statutenwijziging geweest, dat daarbij de Deelnemersvergadering – in formele zin – in het leven werd geroepen. Die wijziging is immers juist ingegeven door de wens om de statuten geschikt te maken voor de toepassing van de lerarenregisterwet, waaruit de instelling van de Deelnemersvergadering voortvloeit.
Verkiezingen in strijd met verkiezingsreglement?
4.14.

LIA c.s. voert vervolgens aan dat de verkiezingen in strijd zijn met het verkiezingsreglement, omdat het stemrecht op ondeugdelijke en onjuiste wijze is toegekend. Op grond van artikel 3.1 van het verkiezingsreglement waren immers alleen leraren die waren ingeschreven in het vrijwillige register stemgerechtigd. Daarin stonden echter ook niet-leraren ingeschreven, die – in strijd met het verkiezingsreglement – eveneens een stemcode hebben ontvangen, aldus LIA c.s. Ook zijn er volgens LIA c.s. meerdere stemcodes verstuurd naar dezelfde personen, als zij met meerdere e-mailadressen stonden ingeschreven.
4.15.

De Onderwijscoöperatie heeft erkend dat er bij de verkiezingen schoonheidsfouten zijn gemaakt en dat de database van het vrijwillige lerarenregister enigszins ‘vervuild’ was. Dat zij onvoldoende zorg heeft betracht bij het uitvoeren van de verkiezingen acht de voorzieningenrechter op voorhand echter niet aannemelijk. Daarbij wordt het volgende van belang geacht.
4.16.

Uit het eindverslag van de verkiezingen blijkt dat de Onderwijscoöperatie een externe partij (Vote Company) heeft ingeschakeld om de digitale verkiezingen uit te voeren. Vote Company heeft gecontroleerd of in de database twee keer hetzelfde e-mailadres voorkwam, hetgeen toen niet het geval bleek te zijn. Daarna is door de Verkiezingscommissie nog aanvullend onderzoek verricht naar het voorkomen van dubbele accounts, waarbij het bedrijf SevenP B.V. (hierna: SevenP) is ingezet. Dit bedrijf heeft ten aanzien van 2.782 accounts geconcludeerd dat zij te herleiden zijn tot 1.364 geregistreerde personen. Dit betreft 1,64% van het totaal aantal accounts van 82.962. Naar aanleiding van het door SevenP verrichte onderzoek heeft de Onderwijscoöperatie geconcludeerd dat er weliswaar sprake was van enige vervuiling, maar dat deze vervuiling niet zodanig was dat de verkiezingen op voorhand zouden leiden tot een ongeldige of onvoldoende bruikbare verkiezingsuitslag. Vervolgens heeft Vote Company de IP-adressen waar vanaf was gestemd onderzocht, net als de bijbehorende stemfrequentie en het e-mailadres waarheen na de stemming een bevestigingsmail was gestuurd (zoals bij iedere stem gebeurde). Als een of meer van deze parameters met elkaar overeenstemden, werd een stem als verdacht aangemerkt. Ook is nader onderzocht vanaf welke ‘dubbele’ mailadressen die SevenP had gevonden, daadwerkelijk door één persoon meermalen was gestemd. Na ontvangst van deze resultaten heeft de Verkiezingscommissie nogmaals omtrent de overeenstemmende IP-adressen en de daaraan gekoppelde e-mailadressen gecontroleerd welke personen aan welke e-mailadressen waren gekoppeld. Uiteindelijk zijn op grond van dit een en ander 23 unieke stemmen ongeldig verklaard.
4.17.

Verder heeft de Onderwijscoöperatie alleen stemcodes verstuurd naar degenen die geregistreerd stonden als leraar. Het is daarmee niet uitgesloten dat er ook stemmen zijn uitgebracht door personen die, hoewel geregistreerd als leraar, in feite geen leraar zijn. Dat dit een groep van zodanige omvang betrof dat de verkiezingen daarmee op voorhand ondeugdelijk of in strijd met het verkiezingsreglement moeten worden geacht is echter niet gebleken. Daarbij is eveneens van belang dat maar een relatief klein aantal van de uitgegeven stemmen daadwerkelijk zijn uitgebracht. Van de 82.962 (aan de ingeschrevenen in het voorlopige register) verstuurde stemcodes zijn er, volgens het eindverslag (bijlage 3), 2.260 uitgebracht (waarvan dus 23 unieke stemmen ongeldig zijn verklaard).
4.18.

Het voorgaande, in onderling verband gewogen en beoordeeld, leidt tot het oordeel dat vooralsnog van de statutaire geldigheid van de verkiezingen (en de daar uit voortgevloeide uitslag) moet worden uitgegaan en dat aan de wijze waarop die verkiezingen zijn georganiseerd niet een zodanig ernstig gebrek kleeft dat de Onderwijscoöperatie gehouden is om die uitslag terzijde te laten.
4.19.

Daarbij weegt in het voordeel van de Onderwijscoöperatie mee dat LIA c.s. niet (voldoende) heeft gesteld op welke andere wijze de verkiezingen (tijdig) hadden kunnen plaatsvinden, waarbij enerzijds geen afbreuk werd gedaan aan het uitgangspunt een zo groot mogelijke groep leraren gelegenheid te bieden om te stemmen, maar waarbij anderzijds de door LIA c.s. aangevoerde bezwaren rond de strijd met het verkiezingsreglement niet of in mindere mate hadden gespeeld. Dat, zoals LIA c.s. nog heeft gesteld, voor haar onvoldoende controleerbaar is of de gestelde controlebevindingen (van SevenP en VoteCompay) juist zijn, moge zo zijn, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. Daartoe is immers vereist dat aannemelijk is dát die bevindingen onjuist zijn en daarvoor zijn onvoldoende aanwijzingen voorhanden.
4.20.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de vorderingen van LIA c.s. zullen worden afgewezen.
De kosten
4.21.

[]

5De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1.

wijst de vorderingen af,

Onopzegbaar lidmaatschap kan niet

Rb. Noord-Nederland 25 oktober 2017
ECLI:NL:RBNNE:2017:4141

Bungalowparkzaak. In de leveringsakte is een verplicht lidmaatschap van een vereniging opgenomen. De vereniging is een Boek 2 BW vereniging, geen VvE in de zin van Boek 5 BW (omdat een bungalowpark geen appartementsgebouw is).

” De rechtbank is van oordeel dat artikel 5:112 lid 3 BW [over VvE’s] zich niet leent voor analoge toepassing. Een onopzegbaar lidmaatschap is daarom in strijd met de door [eisers] genoemde wettelijke bepalingen [met artikel 2:35 BW, met artikel 8 Grondwet en artikel 11 EVRM, Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens] Het beginsel van vrijheid van uittreding voor de leden moet voorop worden gesteld [,] zij het met inachtneming van de statutaire bepalingen, maar aan de opzegging mogen geen bezwarende omstandigheden worden verbonden. Als gevolg van een opzegging eindigen de verenigingsrechtelijke rechten en verplichtingen jegens VvE (zoals de verplichting om contributie te voldoen), maar dit geldt niet voor plichten uit de koopovereenkomst of de leveringsakte.”

” De rechtbank is van oordeel dat ook bij een beëindigd lidmaatschap partijen in een door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding zijn blijven staan, vanwege de aanwezigheid van eigendommen van [eisers] in het door de VvE beheerde park. ”

Vonnis van 25 oktober 2017

in de zaak van

1 [eiser 1] ,

tegen de vereniging
VERENIGING VAN EIGENAREN VAN HET NATUURDORP “SUYDEROOGH”,

2De feiten

2.1.

Natuurdorp Suyderoogh is een natuurdorp met 219 (vakantie)woningen in het Lauwersmeergebied in de provincie Groningen. Ongeveer tweederde van die woningen wordt verhuurd en ongeveer eenderde wordt door de eigenaren gebruikt voor eigen recreatie.
2.2.

[eisers] zijn sinds 1994 en 1995 eigenaar (geweest) van een of meerdere vakantiewoning(en) met huisnummers 28, 75, 116, 124 en 163 in het Natuurdorp Suyderoogh. In de akte van levering is het navolgende opgenomen (hierna te noemen: de Bijzondere Bepalingen):
“BIJZONDERE BEPALINGEN
1. De koper is verplicht lid te worden van de vereniging genaamd: Vereniging van Eigenaren van het Natuurdorp Suyderoogh, gevestigd te Lauwersoog en verplicht zich tot nakoming van de verplichtingen uit dat lidmaatschap voortvloeiende.
[]
2.3.

De VvE is een vereniging die bij notariële akte van 16 april 1993 is opgericht.

2.4.

In de periode van 1994 tot en met 2003 heeft verhuur van de vakantiewoningen
op het Natuurdorp Suyderoogh plaatsgevonden via de verhuurorganisatie Creatief/Gran Dorado. Aanvankelijk hebben [eisers] de verhuur van hun vakantiewoning via deze organisatie doen plaatsvinden. Omdat [eisers] op enig moment ontevreden waren, hebben zij de verhuurovereenkomst met deze organisatie eind 1998 opgezegd.

2.5.

Vanaf 1999 hebben [eisers] hun vakantiewoning(en) zelfstandig verhuurd, dat wil zeggen zonder tussenkomst van de door de VvE aangewezen verhuurbemiddelings-organisatie. Naast [eisers] hebben ook een aantal andere eigenaren van vakantiewoningen op het Natuurdorp Suyderoogh hun vakantiewoning zelfstandig verhuurd (hierna te noemen: de zelfstandig verhurende eigenaren).
2.6.

Eind 2003 heeft VvE een overeenkomst gesloten met Landal Greenparks Beheer en Projecten B.V. (hierna te noemen: Landal) waarbij deze organisatie is aangewezen als de exclusieve verhuurbemiddelingsorganisatie die zich zal bezighouden met de verhuur van de individuele vakantiewoningen. De overeenkomst met Landal bevatte een zogenaamde poolregeling.
2.7.

Op 30 september 2003 hebben [eisers] een brief gezonden aan de VvE waarin onder meer het volgende is opgenomen:
Op 19 september jl. hebben we een brief + bijlage van u ontvangen.

U verzoekt ons deze bijlage te ondertekenen en uiterlijk 30 september te retourneren. Niet ondertekenen houdt volgens u in dat ná 01.01.2004 niet meer zelfstandig verhuurd kan gaan worden.

Wij zullen de bijlage dan ook niet ondertekenen.

2.8.

Op 5 december 2003 heeft VvE een brief gestuurd aan alle zelfstandig verhurende eigenaren, met de volgende inhoud:
Bijgaand zenden wij u de overeenkomst zelfstandige verhuur (versie 5 december 2003) in tweevoud toe ter ondertekening.
Op een intern bijgehouden verzendlijst is door middel van een ‘vinkje’ aangetekend dat een klacht is ontvangen van de eigenaar van bungalow [nummer] ( [eiser 4] ). Een dergelijk vinkje is ook geplaatst achter de namen van de overige eisers.

2.9.

VvE heeft op 19 maart/ 6 april 2004 een overeenkomst Zelfstandige verhuur Eigenaar natuurdorp “Suyderoogh” gesloten met eisers 1, 2, 3 en 6. In deze overeenkomst (hierna ook te noemen: gedoogovereenkomst) werd het de ondertekenaars toegestaan de recreatiewoningen zelfstandig te verhuren, waaronder in de overeenkomst werd verstaan ‘het zelfstandig verwerven van huurders voor de eigen recreatiewoning in de particuliere sfeer, dat wil zeggen: niet als zelfstandige onderneming en zonder tussenkomst van professionele derden of organisaties die zich richten op verhuurbemiddeling’.
In de gedoogovereenkomst is voorts nog het volgende opgenomen:

1.4.

Het is eigenaar toegestaan om in beperkte mate te adverteren, (maar) uitsluitend kleinschalig en in de particuliere sfeer.
6.1.

Indien de eigenaar na rechtsgeldige opzegging van deze overeenkomt, op enig moment alsnog zijn recreatiewoning wil verhuren, dan kan VvE besluiten geen overeenkomst voor Zelfstandige verhuur Eigenaar aan te bieden. In dat geval is verhuur uitsluitend mogelijk door het aangaan van een verhuurbemiddelingsovereenkomst met de door VvE gecontracteerde bemiddelaar. Deze verhuurbemiddelingsovereenkomst kan uitsluitend ingaan per 1 januari van het jaar volgend op het jaar waarin de overeenkomst is opgezegd.
De overeenkomst ging in op 1 januari 2004 en eindigde op 31 december 2008.

2.10.

Voor de periode 2008 tot en met 2013 heeft de VvE opnieuw een verhuurbemiddelingsovereenkomst gesloten met Landal en in 2013 heeft zij wederom een verhuurbemiddelingsovereenkomst met Landal gesloten, ditmaal met een looptijd van 7 jaar, ingaande op 1 januari 2014 en derhalve eindigende op 31 december 2020.
2.11.

VvE heeft op 5 december 2008 een brief gezonden aan [eiser 4] waarin onder meer het volgende is geschreven:
Voor de goede orde wijzen wij erop, dat de VvE zonder nieuwe overeenkomst met ingang van 1 januari 2009 niet zal toestaan dat u zelfstandig verhuurt.

2.12.

Met eisers 1, 2, 3 en 6 heeft VvE opnieuw een overeenkomst Zelfstandige verhuur Eigenaar Natuurdorp Suyderoogh gesloten op 3 juli 2009, met daarin gelijkluidende bepalingen als in de overeenkomst van 2004. Deze tweede gedoogovereenkomst ging in op 1 januari 2009 en eindigde op 31 december 2013.
2.13.

Tijdens een overleg in februari 2013 tussen (een bestuursdelegatie van) de VvE en enkele zelfstandig verhurende eigenaren heeft de VvE aangegeven dat de gedoogovereenkomst die met enkele zelfstandig verhurende eigenaren was gesloten en waarbij het zelfstandig verhuren werd gedoogd, niet zou worden verlengd.
2.14.

Bij brief van 29 mei 2013 heeft de VvE aan [eisers] duidelijk gemaakt dat hun positie als zelfstandig verhurende eigenaren niet zou worden voortgezet, waarbij de mogelijkheid werd geboden om tot de verhuurpool van de VvE – met Landal als verhuurorganisatie – toe te treden.
2.15.

Bij brief van 17 december 2013 hebben eisers 1, 2 en 3 hun lidmaatschap van de VvE opgezegd.
2.16.

In een overleg tussen (een bestuursdelegatie van) de VvE en onder andere [eisers] op 5 februari 2014 heeft men gesproken over de situatie dat diverse eigenaren (onder wie [eisers] ) doorgaan met zelfstandige verhuur. Uit het daarvan opgemaakte conceptverslag blijkt de intentie om te streven naar een vreedzame oplossing en de afspraak dat het bestuur zich zou buigen over een voorstel voor een beperkte overgangs- c.q. gedoogperiode.
2.17.

Bij brief van 14 maart 2014 heeft de VvE de zelfstandig verhurende eigenaren een voorstel gedaan. [eisers] hebben te kennen gegeven daarmee niet in te stemmen.
2.18.

Op 29 april 2015 heeft VvE [eisers] in kort geding gedagvaard. Bij vonnis van 5 juni 2015 heeft de voorzieningenrechter [eisers] verboden om zonder tussenkomst van Landal hun recreatiewoning te verhuren.
Eisers 4 en 5 zijn van dit vonnis in hoger beroep gekomen. Het gerechtshof heeft bij arrest van 28 februari 2017 het vonnis van 5 juni 2015 vernietigd.

2.19.

Bij leveringsakte van 19 juli 2017 hebben eisers sub 2 en 3 bungalow [nummer] overgedragen aan een derde.

3Het geschil

3.1.

[eisers] vorderen ten behoeve van eisers sub 1, 4, 5 en 6 dat het de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad moge behage om
I. te verklaren voor recht dat het [eisers] is toegestaan hun recreatiewoningen
zelfstandig te verhuren zonder tussenkomst van Landal of een andere door Suyderoogh
te benoemen verhuurbemiddelingsorganisatie;
[]

3.2.

VvE voert verweer.
3.3.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

[]

Buitenwerkingstelling artikelen 1, 2 en 5 van de Bijzondere Bepalingen
4.36.

[eisers] hebben aan hun vorderingen V, ten grondslag gelegd dat de verplichting om lid te zijn van de VvE in strijd is met artikel 2:35 BW, met artikel 8 GW en artikel 11 EVRM.
4.37.

VvE heeft gewezen op de wettelijke grondslag van artikel 5:112 lid 3 BW.
4.38.

De rechtbank stelt voorop dat, zoals door VvE ook is erkend, artikel 5:112 lid 3 BW niet van toepassing is omdat de regeling alleen geldt voor de vereniging van appartementseigenaren als bedoeld in artikel 5:124 BW. De rechtbank is van oordeel dat artikel 5:112 lid 3 BW zich niet leent voor analoge toepassing. Een onopzegbaar lidmaatschap is daarom in strijd met de door [eisers] genoemde wettelijke bepalingen. Het beginsel van vrijheid van uittreding voor de leden moet voorop worden gesteld zij het met inachtneming van de statutaire bepalingen, maar aan de opzegging mogen geen bezwarende omstandigheden worden verbonden. Als gevolg van een opzegging eindigen de verenigingsrechtelijke rechten en verplichtingen jegens VvE (zoals de verplichting om contributie te voldoen), maar dit geldt niet voor plichten uit de koopovereenkomst of de leveringsakte. Evenmin eindigen rechten zoals het recht op het beheer en het onderhoud van de mandelige eigendommen van de VvE (zie Hof ‘s-Gravenhage, 16-11-2010, ECLI:GHSGR:2010:BO4668). De rechtbank ziet hierin aanleiding om het beding van artikel 1 zodanig te wijzigen op de voet van artikel 6:259 BW dat [eisers] en hun rechtsopvolgers niet verplicht zijn om lid te zijn van de VvE. De daarop gerichte vordering sub V zal worden toegewezen, alsmede de daarmee verband houdende vordering sub VIII als zal worden verwoord onder ‘beslissing’. Nu in hoger beroep hierover anders kan worden beslist en vanwege het openbare karakter van de registers waarin de door de rechtbank aangebrachte wijzigingen kunnen worden ingeschreven, zal de gevorderde uitvoerbaarverklaring bij voorraad worden afgewezen.
[ VI. het beding zoals neergelegd in artikel 2 van de bijzondere bepalingen van de leveringsakte op te heffen, althans te vernietigen, althans de koopovereenkomst gedeeltelijk te ontbinden terzake dit beding, dan wel zodanig te wijzigen dat [eisers] en haar rechtsopvolgers de bouwkavel (al dan niet gedeeltelijk) mogen vervreemden, zonder toestemming van de VVE, althans zodanig te wijzigen dat de VVE deze toestemming enkel op zwaarwegende redelijke gronden mag onthouden, althans zodanig te wijzigen als het de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren; ]
4.39.

[eisers] hebben aan de vordering sub VI [zie boven] het volgende ten grondslag gelegd. Volgens [eisers] is er bij ontbreken van een lidmaatschap van de VvE, geen contractuele verhouding noch enige andere rechtsverhouding waaruit een beperking van de beschikkingsbevoegdheid kan voortvloeien. Omdat er geen rechtsverhouding bestaat en de VvE niets te maken heeft met het perceel van [eisers] is er ook geen toestemming voor de vervreemding nodig.
4.40.

VvE heeft daartegen het volgende verweer gevoerd. Het artikel gaat over gedeeltelijke vervreemding en dit kan allerlei ongewenste gevolgen met zich meebrengen. Bij splitsing van eigendommen is toestemming van alle deelgenoten nodig. De VvE wil voorkomen dat een deelgenoot tegen zijn zin wordt geconfronteerd met een vergroting van het aantal deelgenoten. Ook het bouwen van extra woningen op bestaande kavels dient voorkomen te worden. Om deze reden heeft de VvE belang bij de bepaling en verzet zij zich tegen toewijzing van de vordering sub VI.
4.41.

De rechtbank is van oordeel dat ook bij een beëindigd lidmaatschap partijen in een door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding zijn blijven staan, vanwege de aanwezigheid van eigendommen van [eisers] in het door de VvE beheerde park. [eisers] en hun rechtsopvolgers en de gebruikers van hun recreatiewoningen maken immers gebruik van de gemeenschappelijke voorzieningen in het park. De rechtbank kan [eisers] niet volgen in de stellingname dat de VvE niets met hun percelen te maken heeft. De VvE heeft uiteengezet welke rechtmatige belangen van haar en van de andere eigenaren van het park gediend zijn met naleving van artikel 2 van de Bijzondere Bepalingen. Naar het oordeel van de rechtbank moeten deze belangen zwaarder wegen dan het particuliere belang van [eisers] De vordering sub VI moet daarom worden afgewezen.
4.42.

[eisers] hebben aangevoerd dat het kettingbeding van artikel 5 van de Bijzondere Bepalingen de recreatiewoningen een waardedrukkend effect heeft. Daarom bestaat er voor hen een gerechtvaardigd belang deze verplichtingen definitief te doen verdwijnen.
4.43.

VvE voert daartegen het volgende aan. Zij heeft belang bij handhaving omdat er anders te weinig woningen zullen overblijven voor de gezamenlijke verhuur en daardoor zou het verhuurbeding op termijn een dode letter kunnen worden.
4.44.

De rechtbank is van oordeel dat een eventueel waardedrukkend effect van het kettingbeding en het boetebeding buiten beschouwing moet blijven. [eisers] hebben daarmee immers rekening kunnen houden bij het aangaan van de koopovereenkomst. Door het opheffen ervan zouden [eisers] juist een ongerechtvaardigd voordeel verkrijgen ten opzichte van de andere eigenaren. Dat een kettingbeding versterkt met een boetebeding nodig is om de naleving van de Bijzondere Bepalingen te verzekeren, blijkt wel uit de door [eisers] aangenomen houding, waarin zij niet hebben laten zien dat zij oog hebben voor de belangen van de andere eigenaren of voor het algemene belang. Zonder het ketting- en het boetebeding bestaat een reële kans dat het verhuurbeding en de overige verplichtingen in de Bijzondere Bepalingen een dode letter worden. De rechtbank zal de vordering sub VII afwijzen.
4.45.

[eisers] hebben aangevoerd dat handhaving van het verbod om de recreatiewoningen op publieke websites in strijd is met het in paragraaf 1 van artikel 10 EVRM neergelegde grondrecht. Zij menen dat het recht om inlichtingen te verstrekken letterlijk zonder grenzen is. Het gebod dient geen enkel doel, volgens [eisers] .
4.46.

VvE hebben erop gewezen dat indien een eigenaar niet zelfstandig mag verhuren het reclamemaken geen enkel doel dient. Het verbod om reclame te maken dient een redelijk doel, namelijk het tegengaan van zelfstandige verhuur. In de gedoogovereenkomsten zijn afspraken gemaakt over kleinschalig adverteren en deze afspraak hebben [eisers] geschonden.
4.47.

De sub II en 2 geformuleerde verklaring voor recht aangaande het ‘reclameverbod’ kan niet worden toegewezen, behalve voor [eiser 4] c.s. De overige eisers hebben immers in 2004 en in 2009 met de VvE overeenkomsten gesloten waarin zij zekere beperkingen hebben aanvaard met betrekking tot het maken van reclame. [eisers] hebben niet gesteld dat en waarom deze in artikel 1.4 van de overeenkomsten gelegen beperking niet geldig zou zijn. Nu de overige eisers nog steeds zijn gebonden aan het verhuurbeding hebben zij ook geen belang bij de ingestelde vordering, zodat deze voor hen zal worden afgewezen.
4.48.

Ook ten aanzien van het sub I en 1 gevorderde geldt dat deze slechts ten behoeve van eisers 4 en 5 kan worden toegewezen, vanwege hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de geldigheid en afdwingbaarheid van het verhuurbeding ten opzichte van de overige eisers.
4.49.

[eisers] hebben gesteld dat zij schade hebben geleden omdat VvE is tekortgeschoten in de nakoming dan wel omdat VvE onrechtmatig heeft gehandeld. De schade omvat gederfde huurinkomsten sedert juni 2015 en gemaakte kosten.
4.50.

VvE heeft betwist dat er sprake is van derving van huurinkomsten. [eisers] hebben niet gesteld dat zij de recreatiewoningen in de betreffende periode hadden kunnen verhuren. Een causaal verband tussen het verhuurverbod en de vermeende huurderving is niet aanwezig. Ook wordt de hoogte van de opgevoerde schadeposten betwist.
4.51.

De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat eisers 4 en 5 schade hebben geleden omdat VvE het verhuurbeding jegens hen door middel van een kortgedingvonnis heeft afgedwongen. Dit vonnis is bij arrest van 28 februari 2017 vernietigd. Het is de rechtbank niet duidelijk geworden of en zo ja, tot wanneer het schadeveroorzakend handelen heeft geduurd. Evenmin heeft de rechtbank voldoende aanknopingspunten gekregen om de schade bestaande in de huurderving te kunnen schatten of begroten. Zij heeft geen onderliggende gegevens ontvangen die inzicht geven in de gestelde gemiddelde huuropbrengsten per woning, noch in enige andere schadepost. Ook hebben eisers sub 4 en 5 onvoldoende feiten en omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan een causaal verband tussen het schade toebrengend handelen en een schadepost kan worden gelegd. De rechtbank zal de VvE daarom veroordelen om de schade van eisers sub 4 en 5 te vergoeden op te maken bij afzonderlijke schadestaatprocedure.
4.52.

Partijen zijn ieder op enkele punten in het ongelijk gesteld. De rechtbank vindt daarin aanleiding om de proceskosten te compenseren op de wijze als hierna zal worden vermeld.

5De beslissing

De rechtbank
5.1.

verklaart ten behoeve van eisers sub 1, 4, 5 en 6:
5.1.1.

dat artikel 1 van de bijzondere bepalingen van de leveringsakte aldus wordt gewijzigd dat de daarin opgenomen verplichting lid te zijn van VvE komt te vervallen;
5.1.2.

veroordeelt VvE medewerking te verlenen aan het opmaken van een nieuwe akte waarin de onder 5.1.1. bedoelde wijziging wordt vastgelegd, bij gebreke waarvan dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats zal treden van de vereiste medewerking van VvE;
5.2.

verklaart ten behoeve van eisers sub 4 en 5 voor recht dat het hen is toegestaan hun recreatiewoning:
5.2.1.

zelfstandig te verhuren zonder tussenkomst van Landal of een andere door VvE te benoemen verhuurbemiddelingsorganisatie;
5.2.2.

aan te bieden op publieke websites, alsmede om op andere wijze reclame te maken voor hun recreatiewoningen om zo huurders te werven;
en verklaart ten behoeve van eisers sub 4 en 5

5.2.3.

dat enige rechtsvordering gebaseerd op het verhuurbeding (artikel 3 van de bijzondere bepalingen van de Leveringsakte van [eiser 4] c.s.) is verjaard en wijzigt dit artikel zodanig dat het [eiser 4] c.s. is toegestaan hun recreatiewoning zelfstandig te verhuren zonder tussenkomst van VvE en Landal of een andere verhuurbemiddelingsorganisatie;
5.2.4.

veroordeelt VvE medewerking te verlenen aan het opmaken van een nieuwe akte waarin de onder 5.2.3. bedoelde wijziging wordt vastgelegd, bij gebreke waarvan dit vonnis op de voet van artikel 3:300 BW in de plaats zal treden van de vereiste medewerking van VvE;
5.3.

veroordeelt VvE tot vergoeding van de door eisers sub 4 en 5 geleden schade, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

De boekhouding van de afdeling



Rechtbank Amsterdam 20 september 2017
ECLI:NL:RBAMS:2017:6823

In deze zaak besluit de Bond een centraal boekhoudingssysteem in te voeren om te voldoen aan de vereisten voor BTW aangifte. De afdelingen moeten alle gegevens daarin invoeren, ofwel alle stukken (inkoopfacturen, verkoopfacturen, alle afschriften, etc. ) aanleveren bij de Bond zodat de Bond de gegevens kan invoeren. Het bestuur van één van de afdelingen is niet overtuigd. 

“Voorshands is voldoende aannemelijk dat het besluit van het bondsbestuur om de financiële administratie in AFAS te voeren valt onder de omschrijving van de taken en verplichtingen van het bondsbestuur als bedoeld in artikel 17, lid 1, van de Statuten. Het betreft een strategische beslissing in de zin van artikel 11, lid 2, van de Statuten en het is bovendien een afdelingsoverschrijdende aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, lid 3, sub m, van de Statuten. Uit deze artikelen volgt dan ook dat het bondsbestuur bevoegd is om dit besluit te nemen (en daarmee dat het besluit rechtsgeldig is genomen). “

Er is tot slot nog een opmerkelijke overweging over de evt. dwangsommen. “Tot slot [hebben de afdelingsbestuursleden] nog naar voren gebracht dat [zij] g ten onrechte niet in hun hoedanigheid als bestuurslid van de [afdeling]  zijn gedagvaard maar als privépersonen. [De afdelingsbestuursleden vragen] zich af wat er gebeurt als zij in dit vonnis op straffe van dwangsommen wordt veroordeeld tot afgifte van de gevraagde documenten en zij kort daarna [aftreden] als bestuurslid van [de afdeling].
Voorop gesteld wordt dat (het bestuur van) de [afdeling ] zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft. Dit brengt met zich dat het voor de Bond alleen mogelijk is de bestuursleden van [de afdeling] als privépersonen te dagvaarden. Aan de toewijzing van de vorderingen zal wel de voorwaarde worden verbonden dat de veroordelingen genoemd onder 5.1. en 5.2. enkel gelden zolang [gedaagden gezamenlijk] bestuurslid van [de afdeling zijn]”. 

Vonnis in kort geding van 20 september 2017

in de zaak van
de vereniging BOND VAN VOLKSTUINDERS, []


tegen
1. [gedaagde 1] , 2. [gedaagde 2], 3. [gedaagde 3],
[]

Eiseres zal hierna de Bond worden genoemd. Gedaagden zullen afzonderlijk [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] en gezamenlijk (in enkelvoud) [gedaagden gezamenlijk] worden genoemd.

[]

2De feiten

2.1.

De Bond is een vereniging die het beheer voert over ongeveer 6.000 volkstuinen in Amsterdam, Ouder-Amstel, Landsmeer en Almere. De Bond wordt vertegenwoordigd door het bondsbestuur. De Bond heeft 29 afdelingen. Ieder tuinpark van de Bond vormt een afdeling, waaronder tuinpark Amstelglorie.
2.2.

In 2014 heeft het bestuur van de Bond besloten dat er voor alle afdelingen een centrale ledenadministratie en een centrale boekhouding ingevoerd dient te worden.
2.3.

In 2015 heeft de Belastingdienst aan de Bond meegedeeld dat zij, mede namens haar afdelingen, over de afgelopen vijf jaar en in de toekomst Btw-aangifte moet gaan doen.
2.4.

Het bestuur van de Bond heeft in 2015, na overleg met diverse afdelings-penningmeesters, besloten dat AFAS als computerprogramma moet worden gebruikt voor de centrale financiële administratie. Het bondsbestuur heeft de afdelingen daarbij de keuze gegeven om ofwel zelf de administratie in AFAS in te voeren ofwel dit door de Bond te laten doen. Tijdens de bondsvergadering, bestaande uit de afgevaardigden van de afdelingen, op 10 december 2015 heeft het bondsbestuur het besluit besproken met de leden.


2.5.

Tijdens de bondsvergaderingen van 11 juni 2016 en 10 december 2016 is dit onderwerp nogmaals aan de orde gekomen.
2.6.

Bij brief van 29 juni 2017 heeft het bestuur van de Bond aan het bestuur van tuinpark Amstelglorie meegedeeld dat Amstelglorie verplicht is om het besluit tot invoering van haar financiële administratie in AFAS uit te voeren. Het bestuur van de Bond heeft Amstelglorie in deze brief onder meer verzocht om binnen twee weken te bevestigen dat het tuinpark per 1 augustus 2017 haar financiële administratie in AFAS gaat voeren. Het bestuur van de Bond heeft, voor zover van belang, in de brief verder aangegeven ervan uit te gaan dat penningmeester [gedaagde 2] binnen een week bij de afdeling Financiën de inloggegevens voor AFAS opvraagt en vervolgens binnen twee weken een afspraak maakt met die afdeling om de ingeboekte cijfers te bespreken.
2.7.

Bij brief van 5 juli 2017 heeft het bestuur van Amstelglorie onder meer aan de Bond bericht dat het bondsbestuur niet heeft laten weten waarom de huidige wijze van financiële administratievoering door Amstelglorie niet juist zou zijn. Het bestuur van Amstelglorie heeft verder meegedeeld dat zij haar administratie en jaarcijfers over 2016 tijdig en conform de aanwijzingen van het bondsbestuur heeft aangeleverd (zowel digitaal als op papier en met onderliggende stukken) en dat het haar dan ook verbaast waarom het bondsbestuur niet kan consolideren over 2016.
2.8.

Bij e-mailbericht van 11 juli 2017 heeft het bondsbestuur het bestuur van Amstelglorie nogmaals verzocht om uiterlijk op 14 juli 2017 schriftelijk te bevestigen dat Amstelglorie per 1 augustus 2017 haar financiële administratie in AFAS gaat voeren.
2.9.

Bij e-mailbericht van 18 juli 2017 heeft (de gemachtigde van) het bestuur van Amstelglorie onder meer meegedeeld dat hen onvoldoende is gebleken dat er alleen door invoering van de administratie in AFAS aan de fiscus kan worden gerapporteerd en kan worden geconsolideerd. In de brief heeft het afdelingsbestuur verder laten weten dat Amstelglorie het bondsbestuur tijdig haar (in een Algemene Ledenvergadering vastgestelde) jaarcijfers over 2016 heeft aangeleverd en dat het bondsbestuur op basis daarvan kan consolideren.

3Het geschil

3.1.

De Bond vordert samengevat – [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk te veroordelen om binnen één werkdag na betekening van dit vonnis aan de Bond te overhandigen:
  1. de kas van Amstelglorie met alle originele achterliggende stukken;
  2. kassen van alle commissies met originele achterliggende stukken;
  3. bankafschriften van tuinpark Amstelglorie met alle originele achterliggende stukken;
  4. alle originele inkoopfacturen;
  5. memorialen, indien aanwezig, met alle originele achterliggende stukken;
  6. alle verkoopfacturen;
  7. ledenadministratie.
De Bond vordert verder om [gedaagden gezamenlijk] hoofdelijk te veroordelen om na betekening van dit vonnis maandelijks per de tiende van de opvolgende maand alle financiële documenten en informatie die nodig zijn om een deugdelijke financiële administratie van de afdeling Amstelglorie te kunnen voeren in het AFAS systeem aan de Bond te overhandigen.
Tot slot vordert de Bond om de veroordelingen te versterken met dwangsommen, met veroordeling van [gedaagden gezamenlijk] in de proces- en nakosten van dit geding.

3.2.

De Bond stelt daartoe, kort gezegd, dat zij heeft besloten dat alle afdelingen de financiële administratie in AFAS moeten gaan voeren. Dit is een rechtsgeldig genomen besluit. Het bondsbestuur kan dit besluit eenzijdig nemen. Zij heeft daarvoor geen instemming van de afdelingen nodig. Desondanks is het besluit (in elk geval) tijdens de bondsvergadering op 10 december 2015 geaccordeerd door de leden.
[gedaagden gezamenlijk] weigert ten onrechte om aan dit besluit uitvoering te geven. Op grond van de artikelen 5, lid 1, en 13, lid 6, van de Statuten en artikel 8, lid 2, sub f, van het Afdelingsreglement dient [gedaagden gezamenlijk] evenwel de door de Bond genomen besluiten na te leven. Bovendien mag het afdelingsbestuur op grond van artikel 13, lid 6, van de Statuten geen beleid voeren dat in strijd is met het beleid van de Bond. [gedaagden gezamenlijk] zijn bovendien afdelingsbestuurders van een afdeling, die geen rechtspersoonlijkheid heeft. Zij hebben dus niet de vrijheid om zelf te beslissen om al dan niet in AFAS te gaan werken, aldus de Bond.
3.3.

[gedaagden gezamenlijk] voert verweer.
3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De vordering van de Bond strekt tot afgifte van, kort gezegd, de financiële administratie van tuinpark Amstelglorie. Een dergelijke vordering is in kort geding slechts toewijsbaar indien voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter de vordering eveneens toewijst en indien van de Bond niet kan worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht.
4.2.

Het spoedeisend belang van de Bond is aanwezig, nu zij de gevraagde bescheiden stelt nodig te hebben om de financiële administratie van tuinpark Amstelglorie zelf in AFAS in te kunnen voeren. Op die manier kan zij onder meer voldoen aan haar verplichting ten opzichte van de Belastingdienst om over de afgelopen vijf jaar en in de toekomst Btw-aangifte te doen.
4.3.

[gedaagden gezamenlijk] heeft zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het besluit van het bestuur van de Bond om de financiële administratie in AFAS te gaan voeren niet rechtsgeldig is genomen. Voorafgaande aan de bondsvergadering van 10 december 2015 was dit besluit niet op de agenda vermeld. Bovendien was het bondsbestuur niet bevoegd om dit besluit zonder instemming van de bondsvergadering te nemen. De Bond heeft haar verplichting om Btw-aangifte te doen niet aangetoond en ook niet dat zij enkel door invoering van de financiële administratie in AFAS aan haar verplichting ten opzichte van de Belastingdienst kan voldoen. Bovendien staat nergens in de Statuten dat de Bond haar jaarrekening dient te centraliseren of consolideren. Daar komt bij dat het bestuur van Amstelglorie begin 2017 de jaarcijfers over 2016 volgens haar eigen boekhoudsysteem heeft aangeleverd. Daarmee heeft zij aan haar verplichtingen voldaan. De Bond heeft dan ook geen redelijk doel of belang bij haar besluit. Op grond van artikel 13, lid 7, van de Statuten is het afdelingsbestuur voor haar eigen afdelingsbeleid verantwoording verschuldigd aan de Afdelingsvergadering. Dat geldt ook voor wat de afdeling doet met de gelden en heffingen die zij aan de Afdelingsleden mag opleggen. Dat geld is doelvermogen voor de Afdeling en niet voor de Bond (zoals volgt uit artikel 13, lid 13, van de Statuten), aldus [gedaagden gezamenlijk]
4.4.

In geschil is de vraag of het besluit van het bestuur van de Bond om de financiële administratie in AFAS te (gaan) voeren bevoegd (en daarmee rechtsgeldig) is genomen en (vervolgens) of tuinpark Amstelglorie gehouden is om dat besluit uit te voeren.
4.5.

In artikel 11, lid 2, van de Statuten is bepaald dat het bondsbestuur verantwoordelijk is voor het nemen van alle strategische en tactische beslissingen met betrekking tot het door de Bond voorgestane beleid van de Bond. In lid 3 van dit artikel is, voor zover van belang, bepaald dat het bondsbestuur meer in het bijzonder als taak en bevoegdheid heeft het coördineren van afdelingsoverschrijdende aangelegenheden (sub m).
4.6.

In artikel 13, lid 2, van de Statuten is bepaald dat een afdeling de belangen van haar tuinpark behartigt en de zaken regelt die uitsluitend de eigen afdeling betreffen. De taken en bevoegdheden van de afdelingen zijn vastgesteld in het Afdelingsreglement. Ingevolge lid 6 van dit artikel is een afdelingsbestuur binnen haar afdeling belast met het uitvoeren en handhaven van het bondsbeleid, zoals dat door het bondsbestuur aan het afdelingsbestuur is gemandateerd. Daarnaast voert een afdeling een op haar eigen afdeling gericht afdelingsbeleid, welk afdelingsbeleid niet in strijd mag zijn met het beleid van de Bond.
In artikel 13, lid 7, van de Statuten is bepaald dat het afdelingsbestuur voor de door het bondsbestuur gemandateerde taken en bevoegdheden verantwoording verschuldigd is aan het bondsbestuur. Voor het eigen afdelingsbeleid is het afdelingsbestuur verantwoording verschuldigd aan de afdelingsvergadering.

4.7.

Ingevolge artikel 17, lid 1, van de Statuten is het bondsbestuur verplicht van de vermogenstoestand van de Bond en van alles betreffende de werkzaamheden van de Bond, naar de eisen die voortvloeien uit deze werkzaamheden, op zodanige wijze administratie te voeren en daartoe behorende boeken, bescheiden en andere gegevensdragers op zodanige wijze te bewaren dat te allen tijde de rechten en verplichtingen van de Bond kunnen worden gekend.
4.8.

Overwogen wordt als volgt. Voorshands is voldoende aannemelijk dat het besluit van het bondsbestuur om de financiële administratie in AFAS te voeren valt onder de omschrijving van de taken en verplichtingen van het bondsbestuur als bedoeld in artikel 17, lid 1, van de Statuten. Het betreft een strategische beslissing in de zin van artikel 11, lid 2, van de Statuten en het is bovendien een afdelingsoverschrijdende aangelegenheid als bedoeld in artikel 11, lid 3, sub m, van de Statuten. Uit deze artikelen volgt dan ook dat het bondsbestuur bevoegd is om dit besluit te nemen (en daarmee dat het besluit rechtsgeldig is genomen). In tegenstelling tot hetgeen [gedaagden gezamenlijk] stelt, is niet gebleken dat daarvoor (tevens) toestemming van de bondsvergadering, bestaande uit de afgevaardigden van de afdelingen, nodig is. Ook de door [gedaagden gezamenlijk] aangevoerde omstandigheid dat dit besluit voorafgaand aan de bondsvergadering van 10 december 2015 niet op de agenda was vermeld, doet dus niet af aan de rechtsgeldigheid van het besluit. Ook kan [gedaagden gezamenlijk] niet in haar stelling worden gevolgd dat zij rauwelijks met dit besluit is geconfronteerd en rauwelijks is gedagvaard, nu blijkens de verslagen van de bondsvergaderingen van 10 december 2015, 11 juni 2016 en 10 december 2016 meerdere malen (uitvoerig) is gesproken over dit onderwerp en de onder rechtsoverwegingen 2.4 tot en met 2.8 genoemde correspondentie tussen partijen is gevoerd.
4.9.

[gedaagden gezamenlijk] heeft in dit verband verder naar voren gebracht dat het bondsbestuur ook op grond van artikel 11, lid 8, van de Statuten niet bevoegd was om dit besluit te nemen, nu de kosten die gepaard gaan met de invoering van AFAS € 119.000,- bedragen en daarmee de vastgestelde begroting met meer dan 5% overschrijden.
4.10.

In artikel 11, lid 8, van de Statuten is bepaald dat het bondsbestuur niet bevoegd is beslissingen te nemen waarvan de financiële verplichtingen de voor dat boekjaar vastgestelde begroting in totaal met meer dan 5% overschrijden. [gedaagden gezamenlijk] stelt weliswaar dat invoering van AFAS gepaard gaat met € 119.000,- aan kosten, maar laat na om die stelling nader te onderbouwen. De Bond betwist daarentegen dat die kosten door de invoering van AFAS (in een boekjaar) verschuldigd zouden zijn. Het is de voorzieningenrechter ook anderszins niet gebleken dat dit het geval zou zijn.
4.11.

Nu sprake is van een rechtsgeldig besluit van het bondsbestuur, is het afdelingsbestuur van Amstelglorie gehouden om dit besluit uit te voeren. Uit de artikelen 5, lid 1, onder a, van de Statuten en 8, lid 2, sub f, van het Afdelingsreglement volgt immers dat [gedaagden gezamenlijk] , als afdelingsbestuurslid en als afzonderlijk lid van de Bond, gehouden is om besluiten van het bondsbestuur na te leven. De weigering van [gedaagden gezamenlijk] om het besluit van het bondsbestuur uit te voeren is bovendien in strijd met het bondsbeleid, hetgeen niet is toegestaan op grond van artikel 13, lid 6, van de Statuten.
Daarbij komt dat ter zitting is gebleken dat niet alle leden van Amstelglorie gelukkig zijn met het standpunt van het bestuur en getracht hebben een extra ledenvergadering te beleggen, hetgeen op formele gronden is geweigerd. Verder is het bestuur niet compleet, zo is er geen voorzitter. Het komt de voorzieningenrechter voor dat het bestuur voldoende draagkracht moet hebben voor haar beleid en daartoe met haar leden op een lijn moet zien te komen.

4.12.

De vordering tot afgifte van de gevraagde bescheiden alsmede de vordering om de benodigde documenten maandelijks aan het bondsbestuur te verschaffen, worden gelet op het vooroverwogene toegewezen. De Bond heeft immers toegelicht dat zij, bij weigering van het bestuur om AFAS te gebruiken, deze documenten nodig heeft om de financiële administratie van Amstelglorie zelf in AFAS in te kunnen voeren. Aangezien niet kan worden vastgesteld wie van de bestuursleden welke documenten onder zich heeft zal ieder van hen hoofdelijk worden veroordeeld.
4.13.

Tot slot heeft [gedaagden gezamenlijk] nog naar voren gebracht dat [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in (het petitum van) de dagvaarding ten onrechte niet in hun hoedanigheid als bestuurslid van de afdeling Amstelglorie zijn gedagvaard maar als privépersonen. [gedaagden gezamenlijk] vraagt zich af wat er gebeurt als zij in dit vonnis op straffe van dwangsommen wordt veroordeeld tot afgifte van de gevraagde documenten en zij kort daarna aftreedt als bestuurslid van Amstelglorie.
4.14.

Voorop gesteld wordt dat (het bestuur van) de afdeling Amstelglorie zelf geen rechtspersoonlijkheid heeft. Dit brengt met zich dat het voor de Bond alleen mogelijk is de bestuursleden van Amstelglorie als privépersonen te dagvaarden. Aan de toewijzing van de vorderingen zal wel de voorwaarde worden verbonden dat de veroordelingen genoemd onder 5.1. en 5.2. enkel gelden zolang [gedaagden gezamenlijk] bestuurslid van Amstelglorie is.
4.15.

De gevorderde dwangsom zal worden beperkt en gemaximeerd als volgt.
4.16.

[gedaagden gezamenlijk] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Bond worden begroot op:
[]
4.17.

De nakosten zullen worden toegewezen op de wijze zoals hierna in de beslissing vermeld.

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zolang zij bestuurslid van de afdeling Amstelglorie zijn, om binnen één week na betekening van dit vonnis aan de Bond aan de [straat] te [plaats] de volgende documenten te overhandigen:
  1. de kas van Amstelglorie met alle originele achterliggende stukken;
  2. kassen van alle commissies met originele achterliggende stukken;
  3. bankafschriften van tuinpark Amstelglorie met alle originele achterliggende stukken;
  4. alle originele inkoopfacturen;
  5. memorialen, indien aanwezig, met alle originele achterliggende stukken;
  6. alle verkoopfacturen;
  7. ledenadministratie.
5.2.

veroordeelt [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] hoofdelijk, zolang zij bestuurslid van de afdeling Amstelglorie zijn, om na betekening van dit vonnis maandelijks per de tiende van de opvolgende maand alle financiële documenten en informatie die nodig zijn om een deugdelijke financiële administratie van de afdeling Amstelglorie te kunnen voeren in het AFAS systeem aan de Bond aan de [straat] te [plaats] te overhandigen;
5.3.

veroordeelt [gedaagden gezamenlijk] om aan de Bond een dwangsom te betalen van € 500,- voor iedere dag dat zij niet aan de in 5.1. en 5.2. uitgesproken veroordelingen voldoet, tot een maximum van € 10.000,- is bereikt;