Artikel 2:23b lid 1 BW bepaalt dat, indien een rechtspersoon wordt ontbonden, het batig saldo wordt verdeeld “in verhouding tot ieders recht over aan hen die krachtens de statuten daartoe zijn gerechtigd, of anders aan de leden of aandeelhouders. ”
Deze bepaling kan van groot financieel belang zijn bij een rijke maar inactieve vereniging met nog maar weinig leden. Zie ook: https://www.verenigingsrechtblog.nl/2024/02/de-verkoopopbrengst-van-het-pand-verdelen-onder-de-resterende-leden.html
In onderhavige zaak ging het om een stichting met één aangesloten vereniging. De stichting was actief (geweest) op het gebied van de duivensport. Daarvoor zijn steeds minder belangstellenden. De vereniging heeft nog maar 12 leden. De stichting had een perceel grond verkocht en er bleef EUR 400k over. De stichting wilde dat bedrag verdelen over de resterende twaalf leden van de vereniging. Op grond van de statuten van de stichting is daarvoor toestemming van de rechter nodig – een dubieuze bepaling die suggereert dat daarmee het ‘uitkeringsverbod’ voor stichtingen (artikel 2:285 lid 3 BW) kan worden doorbroken. De rechter oordeelt dan ook dat de voorgenomen uitkering in strijd is met dat verbod en geeft de toestemming niet.
De stichting kan wellicht haar doel wijzigen, voor zover vereist met rechterlijke machtiging (zie art. 2:294 BW), in het bevorderen van dierenwelzijn of het bevorderen van het culturele en sociale leven in haar vestigingsplaats en daarna het saldo uitkeren aan organisaties werkzaam op het gebied van dat gewijzigde doel.
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 21 juli 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:4748