Het bestuur van een moskeevereniging zegt het lidmaatschap op.
“Het bestuur van de Vereniging beroept zich op het tweede deel van artikel 13 lid 3 waarin is bepaald dat opzegging door het bestuur onmiddellijke beëindiging van het lidmaatschap tot gevolg kan hebben, wanneer redelijkerwijs van de Vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren. De onjuistheden in de Umrah-gids en het enkele gegeven dat [eiser 1] en [eiser 2] deze Umrah-gids zonder toestemming hebben verspreid, zijn naar het oordeel van het bestuur van de Vereniging onherstelbaar en maken dat het laten voortduren van hun lidmaatschap van de Vereniging niet gevergd kan worden. Om die reden, zo meent het bestuur, behoeft het bestuur niet de weg van royement te volgen (artikel 13 lid 4), waarbij het bestuur als eerste stap een lid royeert (ontzet), en de tweede stap is dat deze bestuursdaad op de eerstvolgende algemene ledenvergadering ter goedkeuring wordt voorgelegd.
De voorzieningenrechter volgt het bestuur van de Vereniging hierin niet. Daarbij is allereerst relevant dat zowel [eiser 1] als [eiser 2] al jaren lid zijn van de Vereniging en gedwongen beëindiging van dat lidmaatschap voor hen een zware klap is, die ook gevolgen kan hebben voor hun positie binnen hun sociale en religieuze kring. Dat brengt met zich dat van de Vereniging grote zorgvuldigheid mag worden verwacht bij het nemen van een dergelijke verstrekkende maatregel. In dit geval lag het onder de gegeven omstandigheden naar voorlopig oordeel zonder meer in de rede de weg van het royement te volgen. (…)
Zou de zienswijze van het bestuur worden gevolgd, dan zou immers telkens als het bestuur van mening is dat een lid in strijd handelt met de statuten de algemene bepaling van de opzegging (artikel 13 lid 3) gehanteerd kunnen worden, omdat het bestuur meent dat handelen in strijd met de statuten eveneens met zich brengt dat sprake is van een situatie die maakt dat redelijkerwijs van de Vereniging niet gevergd kan worden het lidmaatschap van een lid te laten voortduren. De waarborg die artikel 13 lid 4 biedt zou dan altijd buitenspel gezet kunnen worden. Van het bestuur van de Vereniging kan dan ook in redelijkheid worden gevergd de beëindiging van het lidmaatschap van [eiser 1] en [eiser 2] niet via een opzegging maar via een royement te bewerkstelligen en dat vervolgens bij verzet ter toetsing aan de algemene ledenvergadering van de Vereniging voor te leggen. De voorzieningenrechter tekent daarbij nog aan dat niet valt in te zien dat de ledenvergadering niet zou kunnen worden afgewacht. Dat klemt te meer nu het bestuur zelf kan bevorderen dat die vergadering zo snel mogelijk plaatsvindt, en in ieder geval binnen een maand na verzet.”
Rechtbank Den Haag 23 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27274 (online 06-02-2026)