Toetsing besluit en maatwerkoplossing (Jude Bond Nederland)

Rechtbank Midden-Nederland 3 mei 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:2169 

De rechter toets het besluit van de Judobond om een judoka uit de selectie te zetten, omdat ze niet wil trainen op de voorgeschreven locatie.

De rechter overweegt: ” Judo Bond Nederland kon daarom, in beginsel, besluiten om [eiseres] uit te sluiten van deelname aan (inter)nationale trainingen en internationale wedstrijden, hetgeen zij bij besluit van 20 december 2016 heeft gedaan. Er kunnen echter omstandigheden zijn die maken dat Judo Bond Nederland dit besluit niet heeft kunnen nemen, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is en/of onrechtmatig tegenover [eiseres] is. Hierna zal worden onderzocht of het aannemelijk is dat daarvan sprake is. Vooropgesteld wordt dat tussen partijen ook een kernploegovereenkomst van kracht is, welke overeenkomst niet is opgezegd, en dat partijen gelet op hun onderlinge verhouding voortvloeiend uit deze overeenkomst en hetgeen overigens op grond van de bondstructuur tussen hen geldt, zich over en weer dienen te gedragen met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit betekent onder meer dat zij rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen.”

De rechter overweegt dat het besluit zeer ingrijpende gevolgen heeft voor de judoka, en overweegt dat “Judo Bond Nederland heeft met twee andere judoka’s die zijn geselecteerd een maatwerkoplossing getroffen. Deze judoka’s hebben beiden een relatie in het buitenland, […] Judo Bond Nederland heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom deze twee judoka’s anders zouden mogen worden behandeld dan [eiseres] . Er is dan ook sprake van een ongelijke behandeling c.q. willekeur”.

Het besluit kan daarom (in kort geding) geen stand houden, en de rechter verbiedt Judo Bond Nederland om [eiseres] van deelname aan internationale wedstrijden uit te sluiten op de grond van de trainingslocatie, en veroordeelt Judo Bond Nederland om met [eiseres] in overleg te treden over het treffen van een maatwerkoplossing.


Vonnis in kort geding van 3 mei 2017

in de zaak van
[eiseres] ,
tegen de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid JUDO BOND NEDERLAND, gedaagde,

Partijen zullen hierna [eiseres] en Judo Bond Nederland worden genoemd.

1De procedure

[]

2De feiten

2.1.

[eiseres] (op dit moment 27 jaar oud) beoefent op topsportniveau de judosport in de gewichtsklasse tot 63 kg.
2.1.1.

[eiseres] heeft zich voor de Olympische Spelen van 2016 gekwalificeerd. Zij is toen echter niet uitgezonden, omdat er maar één judoka in de gewichtsklasse waarin [eiseres] uitkomt, naar de Olympische Spelen kon worden uitgezonden en de voorkeur van Judo Bond Nederland uitging naar [A] , die zich eveneens had gekwalificeerd en op dat moment nummer 1 van Nederland was. [A] is per 9 januari 2017 met judo op topsportniveau gestopt.
2.1.2.

[eiseres] neemt op dit moment de zesde plaats in op de wereldranglijst van de internationale judofederatie.
2.2.

[eiseres] is via haar club lid van Judo Bond Nederland.


2.3.

Partijen hebben omstreeks 26 december 2015/21 januari 2016 de door 
Judo Bond Nederland als productie 4 overgelegde kernploegovereenkomst gesloten. In deze overeenkomst is bepaald dat Judo Bond Nederland [eiseres] in de Kernploeg zal opnemen onder de in de overeenkomst genoemde voorwaarden. Partijen zijn het erover eens dat deze kernploegovereenkomst nog steeds tussen hen van kracht is.
2.4.

[eiseres] heeft tot en met 31 januari 2017 de zogeheten A-status gehad op grond waarvan zij recht had op de bij die status behorende (financiële) voorzieningen (ook wel aangeduid als “stipendium”). Die A-status heeft zij gekregen op grond van haar sportieve prestaties.
Alleen NOC*NSF kan deze status aan topsporters verlenen. Hoewel de status aan individuele sporters wordt verleend is de procedure die gevolgd moet worden om een status te krijgen er één tussen NOC*NSF en de bond. In het Statusreglement Topsporters worden de procedure en de criteria beschreven op basis waarvan een topsporter status kan verkrijgen. Op 9 mei 2016 is dit reglement voor het laatst door de Algemene Vergadering van NOC*NSF, vastgesteld. Dit laatstelijk vastgestelde reglement is op 1 januari 2017 in werking getreden en door Judo Bond Nederland als productie 3 in het geding gebracht.
2.5.

[eiseres] woont in [woonplaats] en traint daar met door haarzelf ingeschakelde trainers, namelijk met [B] (hierna: [B] ) als krachttrainer en [C] (hierna: [C] ) als trainer en matcoach.
2.6.

[eiseres] volgt bij InHolland in [woonplaats] de vierjarige HBO opleiding 
Sociaal Pedagogische Hulpverlening (SPH). Zij zit daar in het tweede studiejaar. 
Zij mag over deze studie in verband met haar topsport carrière, in beginsel, tien jaar doen en heeft daarvan op dit moment zevenenhalf jaar gebruikt. Wanneer [eiseres] de studie niet binnen tien jaar afrondt dan dient zij gelet op de geldende studieregeling bovenop het door haar in ieder geval terug te betalen bedrag van € 16.000,– een extra bedrag van € 21.500,– terug te betalen. Daarmee komt de studieschuld dan uit op een totaalbedrag van € 37.500,–.
2.7.

Judo Bond Nederland heeft een koerswijziging ingezet, in die zin dat met ingang van 1 september 2016 het topjudo wordt gecentraliseerd op één Centrum voor Topsport en Onderwijs (CTO) locatie, te weten Papendal, in plaats van over meerdere locaties, waaronder [woonplaats] . Uitgangspunt daarbij is dat de kernploegleden op deze CTO locatie moeten sporten (trainen), wonen (op maximaal 30 minuten afstand van Papendal) en studeren of werken. Er geldt een fulltimeprogramma. De trainers en andere begeleiders worden door Judo Bond Nederland aangezocht en aangesteld. Deze koerswijziging is
– kort gezegd – als volgt in zijn werk gegaan.

2.7.1.

In het meerjarenbeleidsplan 2013-2016 heeft Judo Bond Nederland de ambitie uitgesproken om met topjudo een top acht positie in de wereld te veroveren en te behouden. Aanleiding voor deze ambitie was de evaluatie van het sportieve traject richting de Olympische Spelen in Londen van 2012.
2.7.2.

Bij de toekenning van de topsportgelden 2013-2016 stelde NOC*NSF, naar aanleiding van deze evaluatie, als investeringsvoorwaarde dat “uiterlijk 24 maanden voor de Olympische Spelen 2016 alle potentiële Olympische deelnemers, volledig gecentraliseerd onder begeleiding van de bondscoaches trainen”. Judo Bond Nederland heeft deze voorwaarde niet kunnen realiseren en in overleg met NOC*NSF afgesproken dat zij dit in 2016 gereed heeft.
2.7.3.

Het bondsbestuur van Judo Bond Nederland heeft op 15 april 2014 het besluit genomen om het topjudo in Nederland vanaf het najaar 2016 te centraliseren op één Centrum voor Topsport en Onderwijs (CTO).
2.7.4.

De bondsraadsvergadering van Judo Bond Nederland heeft op 30 mei 2015 met dit besluit van het bondsbestuur ingestemd.
2.7.5.

Daarna heeft het bondsbestuur in juni 2015 besloten dat de CTO-locatie Papendal wordt.
2.7.6.

Op 3 december 2015 is aan alle topjudoka’s de door Judo Bond Nederland als productie 13 overgelegde brochure verstrekt. In deze brochure valt kort gezegd te lezen voor welke doelgroep het CTO programma is bestemd en wat het programma inhoudt. Zo wordt in deze brochure een toelichting gegeven over:
– de invulling van het trainingsprogramma, waarbij geldt dat er van maandag tot en met 
vrijdag wordt getraind,
– de samenstelling van het wedstrijdprogramma,
– de wijze van begeleiding,
– het selectieproces, 
– huisvesting, waarbij is vermeld dat de judoka op maximaal 30 minuten van het 
CTO Papendal moet wonen om zoveel mogelijk tijd te kunnen besteden aan het 
trainingsprogramma, studie, rust en/of herstel,
– voeding,
– onderwijs,
– vervoer, en
– financiën.
2.8.

Op 18 januari 2016 heeft een overleg plaatsgevonden tussen [eiseres] en 
Judo Bond Nederland over hoe zij vanaf 1 september 2016 kon gaan deelnemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal.
[eiseres] heeft daarbij onder meer opgemerkt dat indien zij zou overstappen naar de 
Hoge School Arnhem (HAN) dat zij dan het gehele tweede studiejaar opnieuw zou moeten doen en dat zij vreesde dat zij haar studie dan niet binnen tien jaar kon afronden waardoor zij haar gehele studieschuld, € 16.000,– plus een extra bedrag van € 22.500,– wegens het niet binnen de tien jaar afronden van de studie, ofwel een totaalbedrag van € 37.500,–, zou moeten terugbetalen. Zij heeft Judo Bond Nederland de vraag voorgelegd hoe dit op te lossen.
2.9.

Judo Bond Nederland heeft na dit gesprek bewerkstelligd dat de maximale studietermijn van tien jaar is verlengd naar elf jaar.
2.10.

Op 31 maart 2016 heeft Judo Bond Nederland aan [eiseres] bericht dat zij is geselecteerd voor het fulltimeprogramma op CTO Papendal. 
De bij deze selectie behorende intentieovereenkomst, waarin gezamenlijk de intentie wordt uitgesproken om per 1 september 2016 van start te gaan op CTO Papendal is niet door 
Judo Bond Nederland aan [eiseres] voorgelegd.
2.11.

Op 29 juni 2016 heeft een gesprek tussen [eiseres] en Judo Bond Nederland plaatsgevonden. [eiseres] heeft vervolgens het door Judo Bond Nederland als productie 29 overgelegde voorstel gedaan, welk voorstel als volgt luidt:
“ Krachttrainer: [B]
Trainer/matcoach: [C]

– Ik zal 2x per week de fysieke training doen bij [B] in [woonplaats] .
– Ik ben minstens 2x per week in Papendal om deel te nemen aan de randori trainingen.
– De techniektraining en 2 judotrainingen zal ik volgen op het RTC in Hoogvliet.
– Mijn studie blijf ik de komende twee jaar volgen aan de InHolland in [woonplaats] . Dat kan 
gewoonweg niet anders.
– Het laatste jaar zal ik grotendeels in Papendal zijn, en mijn afstudeerstage daar volgen.
– De weekplanning kan concreet gemaakt worden a.d.h.v. het weekrooster op school, in 
september.

Dus dat betekent dat ik vanaf seizoen 2018-2019 grotendeels op Papendal zal zijn, omdat ik daar een stage in de buurt ga zoeken.”

2.12.

Judo Bond Nederland heeft [eiseres] bij e-mail van 1 september 2016 bericht niet akkoord te gaan met dit voorstel en [eiseres] verzocht om het voorstel te heroverwegen en uiterlijk 1 oktober 2016 te komen met een voorstel waarin [eiseres] binnen een periode van één jaar fulltime richting Papendal komt.
2.13.

Partijen hebben elkaar vervolgens op 5 oktober 2016 gesproken maar dit heeft niet tot een oplossing geleid.
2.14.

[eiseres] heeft vervolgens omstreeks 24 november 2016 het door 
Judo Bond Nederland als productie 41 overgelegde voorstel gedaan, welk voorstel als volgt luidt:
“ (…)
Tot en met augustus 2017 behoud ik het programma zoals het nu staat.
– Krachttraining [B]
– Judo, en techniektrainingen RTC Hoogvliet
– Randori trainingen di-do Papendal
– Studiejaar 2 InHolland R’dam

Vanaf september 2017 ben ik bereid om naar Papendal te komen, ondanks mijn eerdere twijfels. Er zijn een aantal losse eindjes, waarvan ik het prettig zou vinden om op voorhand duidelijkheid over te krijgen, en dat gaat om het volgende:

1. De opleiding
2. De begeleiding

De opleiding
Ik wil het liefst mijn studie in [woonplaats] blijven volgen. Omdat ik naar Papendal moet, ben ik bereid mijn studie om te gooien, waardoor mijn studieschuld van 16.000 euro naar 37.500 euro zal gaan. Ik moet namelijk mijn 2e studiejaar opnieuw overdoen vanaf september 2017. Bovendien zal mijn afstudeerjaar dan in het jaar van de OS in Tokyo zijn, waardoor ik dan ook weer studievertraging zal oplopen. Ik ben bereid om alles om te gooien, en jaren vertraging op te lopen, als de bond bereid is mij te helpen om ervoor te zorgen dat er garant wordt gestaan voor de studieschuld. Ik kan mezelf geen studieschuld veroorloven en kan het simpelweg niet betalen.

De begeleiding
Zoals ik eerder heb aangegeven, is voor mij de juiste begeleiding essentieel in het bedrijven van topsport, en het leveren van topprestaties. In het gesprek op 5 oktober jl. is verteld dat er vanaf januari twee nieuwe coaches/trainers bijkomen, en ik wil graag duidelijkheid wie de uiteindelijke trainer- en coachingstaf gaat zijn, om van daaruit een weloverwogen keuze te maken wie mij gaat begeleiden. Die invulling is nog niet bekend.

De voorwaarden moeten er zijn, om uiteindelijk tot een weloverwogen keuze te komen, en ik heb de bond daarvoor nodig, zodat het samen tot een juiste samenwerking leidt en uiteindelijk de gewenste successen. Ik ben bereid om jullie tegemoet te komen, waarbij het belangrijk is dat deze 2 essentiële punten haalbaar zijn, en duidelijkheid gaan verschaffen.

Ik hoop dat jullie meedenken in een oplossing om samen tot een juiste samenwerking te komen.

(…).”.

2.15.

Bij brief van 20 december 2016 heeft Judo Bond Nederland – samengevat – aan [eiseres] bericht dat zij hebben besloten om de selectie van [eiseres] voor het NTC Papendal in te trekken en dat de consequentie hiervan is dat [eiseres] niet meer zal worden uitgezonden naar internationale trainingsstages met de nationale topsportselectie en dat tevens de deelname van [eiseres] aan nationale trainingen zullen worden stopgezet.
2.16.

Bij brief van 20 januari 2017 heeft NOC*NSF aan [eiseres] bericht – kort gezegd – dat zij van Judo Bond Nederland het verzoek heeft gekregen om binnen het programma Judo de A-status van [eiseres] te beëindigen en dat zij op basis van dit verzoek de status met ingang van 31 januari 2017 beëindigt.
2.17.

[eiseres] en Judo Bond Nederland zijn in februari 2017 met elkaar in gesprek gegaan. Dit heeft niet tot een oplossing geleid. Reden waarom [eiseres] dit kort geding aanhangig heeft gemaakt.

3De vordering

3.1.

[eiseres] vordert dat Judo Bond Nederland bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld:
a. om haar conform de normaal geldende regels uit te zenden naar internationale wedstrijden 
zo lang zij zich daarvoor op sportieve gronden kwalificeert, dit op straffe van een 
dwangsom,
b. om met haar om de tafel te gaan zitten voor overleg om tot een oplossing te komen ter
zake van het te volgen trainingsprogramma waarbij recht wordt gedaan aan haar 
specifieke situatie, dit op straffe van een dwangsom,
c. om haar voor te dragen voor een A-status bij het NOC*NSF, dit op straffe van een 
dwangsom,
d. tot betaling van de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de 
vijftiende dag na betekening van het in deze zaak te wijzen vonnis,

4De beoordeling

4.1.

Judo Bond Nederland voert als (formeel) verweer dat [eiseres] niet ontvankelijk in haar vorderingen moeten worden verklaard omdat:
a) het spoedeisend belang ontbreekt,
b) het besluit van (het bondsbestuur en de bondsvergadering van) Judo Bond Nederland om 
met ingang van het najaar 2016 vanuit één CTO locatie te trainen, wonen en 
studeren/werken als vaststaand, moet worden beschouwd voor alle leden van 
Judo Bond Nederland, onder wie [eiseres] , aangezien dit besluit niet meer kan worden 
aangevochten, omdat de daarvoor in artikel 2:15 Burgerlijk Wetboek (BW) geldende 
vervaltermijn van één jaar ongebruikt is verstreken.
4.2.

Dit door [eiseres] gemotiveerd betwiste verweer wordt verworpen.
4.2.1.

Het is voldoende aannemelijk dat [eiseres] een spoedeisend belang bij haar vorderingen heeft. Het belang van [eiseres] bij haar vorderingen zoals weergegeven in 3.1. onder a en b is vooral daarin gelegen dat zij op topniveau de judosport wil kunnen blijven beoefenen en zich wil kunnen blijven meten aan haar (internationale) concurrenten.
Daarvoor zal zij onder meer moeten kunnen deelnemen aan internationale wedstrijden, waarvan zij door Judo Bond Nederland is uitgesloten. Daarbij komt dat [eiseres] zich uitsluitend door deelname aan internationale wedstrijden kan kwalificeren voor deelname aan de Olympische Spelen van 2020. [eiseres] kan dan ook niet – zoals Judo Bond Nederland meent – een bodemprocedure afwachten. Het spoedeisend belang is daarmee voldoende gegeven. 
Wat betreft de vordering zoals weergegeven in 3.1. onder c geldt dat de spoedeisend daarvan uit de aard van de vordering volgt. Deze vordering ziet op het wederom verwerven van de A-status, die op verzoek van Judo Bond Nederland door NOC*NSF is ingetrokken. Deze A-status geeft onder meer recht op een financiële vergoeding, waarmee de topsporter, in dit geval [eiseres] , zich in zijn levensonderhoud kan voorzien.
4.2.2.

Het in 4.1. onder b genoemde verweer slaagt niet, omdat [eiseres] in deze zaak 
niet het besluit van (het bondsbestuur en de bondsvergadering van) Judo Bond Nederland om met ingang van het najaar 2016 vanuit één CTO locatie te trainen, wonen en 
studeren/werken ter discussie stelt, maar het tegen haar gerichte besluit van Judo Bond Nederland van 20 december 2016 dat ertoe strekt dat zij uit de selectie wordt gezet en dat 
zij niet meer zal kunnen deelnemen aan nationale trainingen en internationale trainingen en wedstrijden.
4.3.

Daarmee wordt toegekomen aan de inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [eiseres] .
Vordering zoals weergegeven in 3.1. onder a
4.4.

De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder a strekt ertoe dat [eiseres] kan deelnemen aan internationale wedstrijden indien zij zich daartoe kwalificeert. Zij voert daartoe onder meer aan dat Judo Bond Nederland haar hiervan niet mag uitsluiten vanwege het feit dat zij zich niet per 1 september 2016 aan het nieuwe beleid conformeert. Zij heeft goede redenen om dit niet te doen.
4.5.

Judo Bond Nederland heeft [eiseres] bij besluit van 20 december 2016 uit de nationale selectie gezet en van deelname aan (inter)nationale trainingen en internationale wedstrijden uitgesloten. 
Aanleiding voor dit besluit is dat [eiseres] zich niet onverkort wil conformeren aan het nieuwe beleid van Judo Bond Nederland dat met ingang van 1 september 2016 de kernploegleden op één CTO locatie, te weten Papendal, moeten sporten (trainen), wonen (op maximaal 30 minuten afstand van Papendal) en studeren of werken.
[eiseres] heeft als redenen hiervoor opgegeven dat zij:
– geen afscheid wil nemen van haar huidige trainers met wie zij een klik en vertrouwensband heeft opgebouwd en met wie zij topprestaties heeft bereikt, waaronder de kwalificatie voor de Olympische Spelen van 2016 en haar huidige zesde positie op de wereldranglijst,
– haar studie niet wil verplaatsen naar Arnhem (HAN), omdat zij dan het tweede jaar helemaal moet overdoen en zij vreest dat zij de studie dan niet binnen de nog resterende studieduur zal kunnen voltooien, waardoor haar studieschuld zal oplopen van € 16.000,– naar € 37.500,–.

4.6.

Als uitgangspunt geldt dat Judo Bond Nederland bevoegd is om beleid te maken 
en bestaand beleid te wijzigen en dat de leden van Judo Bond Nederland door hun lidmaatschap daaraan gebonden zijn.
4.7.

De geldigheid van het besluit waarbij Judo Bond Nederland haar beleid heeft gewijzigd in die zin dat vanaf het najaar van 2016 op één CTO-locatie, namelijk Papendal, wordt getraind, gewoond en gestudeerd of gewerkt, wordt in dit kort geding niet ter discussie gesteld. 
[eiseres] heeft niet het standpunt ingenomen dat dit besluit niet rechtsgeldig (nietig of vernietigbaar) is. Het wordt er daarom voor gehouden dat dit besluit rechtsgeldig is.
4.8.

Dit in 4.7. genoemde besluit brengt mee dat [eiseres] als lid van Judo Bond Nederland gebonden is aan het in het 4.7. genoemde besluit en dat zij als door Judo Bond Nederland geselecteerde judoka vanaf 1 september 2016 op de CTO-locatie te Papendal moeten trainen, wonen, en studeren of werken. 
Vaststaat dat [eiseres] aan Judo Bond Nederland te kennen heeft gegeven dit niet onverkort te willen doen vanwege de bezwaren zoals vermeld in 4.5. Judo Bond Nederland kon daarom, in beginsel, besluiten om [eiseres] uit te sluiten van deelname aan (inter)nationale trainingen en internationale wedstrijden, hetgeen zij bij besluit van 20 december 2016 heeft gedaan. Er kunnen echter omstandigheden zijn die maken dat Judo Bond Nederland dit besluit niet heeft kunnen nemen, omdat dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is en/of onrechtmatig tegenover [eiseres] is. Hierna zal worden onderzocht of het aannemelijk is dat daarvan sprake is.
4.9.

Vooropgesteld wordt dat tussen partijen ook een kernploegovereenkomst van kracht is, welke overeenkomst niet is opgezegd, en dat partijen gelet op hun onderlinge verhouding voortvloeiend uit deze overeenkomst en hetgeen overigens op grond van de bondstructuur tussen hen geldt, zich over en weer dienen te gedragen met inachtneming van de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Dit betekent onder meer dat zij rekening dienen te houden met elkaars gerechtvaardigde belangen.
[eiseres] dient rekening te houden met het belang van Judo Bond Nederland om haar ambitie om met topjudo een top acht positie in de wereld te veroveren en te behouden door middel van het door haar uitgestippeld beleid te kunnen verwezenlijken. De Judo Bond Nederland heeft belang bij handhaving van het door haar gemaakte beleid en bij consequente toepassing daarvan. Als alleen naar individuele wensen wordt gekeken, valt er geen beleid te maken.
Judo Bond Nederland dient daartegenover rekening te houden met het individuele belang van [eiseres] om haar topsportcarrière in te richten op de manier waarop zij dat wil.
4.10.

Het besluit van 20 december 2016 heeft voor [eiseres] zeer ingrijpende gevolgen. Het besluit betekent de facto het einde van haar carrière als topsporter. 
Het is voor haar gelet op het besluit onmogelijk om nog deel te nemen aan internationale toernooien. Aan internationale toernooien kan, dat staat tussen partijen vast, alleen worden deelgenomen wanneer (de technische staf van) Judo Bond Nederland de judoka afvaardigt en dat zal vanwege dit besluit niet meer gebeuren. 
Het is verder voldoende gebleken dat op dit moment ook niet mogelijkheid bestaat om aan internationale wedstrijden deel te nemen door uit te wijken naar het buitenland.
Vaststaat dat daarvoor een wachttijd geldt van drie jaar en dat deze wachttijd alleen met medewerking van Judo Bond Nederland kan worden verkort tot nihil. Judo Bond Nederland wil echter geen medewerking verlenen aan de verkorting van de wachttijd, omdat – zo voert zij aan – het buitenland dan met de kwaliteiten van [eiseres] aan de haal kan gaan, terwijl het Judo Bond Nederland is die in [eiseres] heeft geïnvesteerd. 
Het besluit van 20 december 2016 heeft verder tot gevolg dat [eiseres] zich zeer waarschijnlijk niet zal kunnen kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2020.
Voor deelname aan de Olympische Spelen voor Nederland is vereist dat dat de judoka zich door middel van deelname aan internationale toernooien daarvoor kwalificeert en door Judo Bond Nederland wordt voorgedragen aan het NOC*NSF.
Ook het uitkomen voor de Olympische Spelen voor een ander land dan Nederland lijkt onwaarschijnlijk, nu er – zoals hiervoor is overwogen – een wachttijd geldt van drie jaar en er na het verstrijken van die wachttijd nog maar weinig tijd overblijft (nog geen jaar) om zich te kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2020. 
Daarbij komt dat [eiseres] dan gedurende drie jaar geen wedstrijdritme heeft opgebouwd en zich niet heeft kunnen meten met haar concurrenten.
4.11.

[eiseres] is op dit moment in haar gewichtsklasse de beste topjudoka van Nederland en staat zesde op de wereldranglijst. De stelling van Judo Bond Nederland dat [eiseres] niet de nummer 1 van Nederland is, wordt als onvoldoende gemotiveerd onderbouwd gepasseerd. Judo Bond Nederland heeft tijdens de mondelinge behandeling ook opgemerkt dat zij [eiseres] vanwege haar prestaties graag bij de selectie wil hebben.
4.12.

[eiseres] heeft deze toppositie bereikt onder het beleid dat gold voor de invoering van het nieuwe beleid (de centralisatie op de CTO-locatie te Papendal) per 1 september 2016. Op grond van dit oude beleid mocht zij, onder regie van Judo Bond Nederland, in haar eigen woonplaats in [woonplaats] trainen met door haarzelf uitgezochte trainers ( [B] en [C] ), waarmee zij een vertrouwensband heeft opgebouwd. 
Zij heeft samen met deze door haarzelf aangezochte trainers haar toppositie in het judo bereikt. Er zijn geen garanties of concrete aanwijzingen dat [eiseres] op grond van het nieuwe beleid van Judo Bond Nederland, waarbij zij moet trainen met door Judo Bond Nederland aangestelde trainers, haar toppositie zal handhaven of verbeteren.
4.13.

[eiseres] is geen beginnende topjudoka meer. Zij heeft haar sporen al ruimschoots verdiend. Zo heeft zij zich gekwalificeerd voor de Olympische Spelen van 2016, is zij eind 2016 eerste geworden bij een in Abu Dhabi gehouden wedstrijd en staat zij op dit moment op de zesde plek van de wereldranglijst.
4.14.

[eiseres] is op dit moment 27 jaar en zal niet meer jarenlang op topsportniveau de judosport beoefenen. Einddoel is volgens [eiseres] om zich te kwalificeren voor de Olympische Spelen van 2020.
4.15.

Judo Bond Nederland heeft met twee andere judoka’s die zijn geselecteerd een maatwerkoplossing getroffen. Deze judoka’s hebben beiden een relatie in het buitenland, de één in Frankrijk en de ander in Italië. Met hen is onder meer overeengekomen, zo heeft Judo Bond Nederland tijdens de mondelinge behandeling van dit kort geding verklaard, dat zij tot 1 september 2017 niet hoeven deel te nemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal.
Judo Bond Nederland heeft geen steekhoudende argumenten aangevoerd waarom deze twee judoka’s anders zouden mogen worden behandeld dan [eiseres] . Er is dan ook sprake van een ongelijke behandeling c.q. willekeur, nu van deze twee judoka’s pas per 1 september 2017 wordt verlangd dat zij deelnemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal, terwijl van [eiseres] wordt verlangd dat zij daaraan al eerder deelneemt.

4.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat het, vanwege de in 4.10. tot en met 4.15. genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat van Judo Bond Nederland kan worden verlangd dat zij een maatwerkoplossing, met [eiseres] treft, in die zin dat ten gunste van [eiseres] wordt afgeweken van het huidige beleid. 
Het belang van Judo Bond Nederland om door middel van het door haar uitgestippelde beleid de top te bereiken en dat alle topsporters, onder wie [eiseres] , zich aan dit door haar uitgestippelde beleid conformeren en gaan trainen, wonen en studeren of werken op de CTO-locatie te Papendal moet gelet op de hiervoor genoemde omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, gerelativeerd worden ten aanzien van [eiseres] . Dit geldt temeer daar er sprake is van een beperkte periode, aangezien de inzet van [eiseres] vooral gericht is op het kwalificatieproces richting de Olympische Spelen. De tussen partijen te treffen maatwerkoplossing is dus beperkt in tijd.
4.17.

Partijen dienen samen invulling aan deze maatwerkoplossing te geven.
4.17.1.

Daarbij geldt, gelet op de in 4.11. tot en met 4.14. genoemde omstandigheden, als uitgangspunt dat van [eiseres] niet kan worden verlangd dat zij afstand neemt van haar huidige trainers. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat het vertrouwen tussen een topsporter zoals [eiseres] en haar trainer(s) cruciaal is en dat dit vertrouwen er in de regel niet van meet af aan is, maar zal moeten worden opgebouwd. Dit weegt extra zwaar bij een individuele sport zoals judo.
Partijen dienen samen te bezien op welke wijze de huidige trainers van [eiseres] bij de trainingen en begeleiding van [eiseres] betrokken kunnen blijven. 
Het is daarbij niet vereist dat deze trainers – zoals Judo Bond Nederland kennelijk meent – in dienst treden bij Judo Bond Nederland. Het valt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, niet in te zien dat voor hun betrokkenheid een indiensttreding bij Judo Bond Nederland per se is vereist. Dit spreekt temeer daar [eiseres] tot aan de beleidswijziging per 1 september 2016 onder regie van Judo Bond Nederland met deze trainers heeft gewerkt, zonder dat deze trainers bij Judo Bond Nederland in dienst waren. 
Overigens valt uit het voorstel van 24 november 2016 – anders dan Judo Bond Nederland betoogt – niet op te maken dat [eiseres] ondubbelzinnig heeft toegezegd dat zij per 1 september 2017 zonder haar huidige trainers verder zal gaan. 
Uit de tekst en strekking van dit voorstel, dat in zijn geheel en onderlinge samenhang moet worden beschouwd, valt op te maken dat [eiseres] daar mogelijk toe is bereid, maar dat deze bereidheid afhangt van de persoon van de trainers en begeleiders die door Judo Bond Nederland zijn en worden aangesteld. Daarover is evenwel geen duidelijkheid gekomen.
4.17.2.

[eiseres] zal zich verder zo veel mogelijk dienen te richten naar de wens van de Judo Bond Nederland tot centralisatie. Zij dient zo veel als mogelijk deel uit te maken van het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal, zij het dat zij met haar eigen trainers zal mogen trainen. Uit de door haar gedane voorstellen valt op te maken dat de bereidheid daartoe ook bestaat. 
Zo heeft zij in haar eerste voorstel van 29 juni 2016 te kennen gegeven dat zij bereid is om vanaf 2018/2019 naar Papendal te komen. Partijen zullen hierover samen afspraken dienen te maken. In haar tweede voorstel is de bereidheid uitgesproken voor september 2017.
4.17.3.

[eiseres] kan – in tegenstelling tot wat zij meent – niet verlangen dat Judo Bond Nederland zich garant stelt voor haar studieschuld, wanneer [eiseres] haar opleiding in Arnhem zal vervolgen. 
Het is onvoldoende aannemelijk dat de studievertraging die [eiseres] mogelijk oploopt wanneer zij haar studie in Arnhem gaat vervolgen, is toe te rekenen aan de wijziging van het beleid door Judo Bond Nederland. Daarbij komt dat Judo Bond Nederland ervoor heeft gezorgd dat [eiseres] elf jaar, in plaats van tien jaar, over haar studie mag doen en dat zij te kennen heeft gegeven dat zij ervoor kan zorgen dat dit nog met een jaar wordt verlengd zodat [eiseres] in totaal twaalf jaar over haar studie kan doen. Zij kan dus, nu zij al zevenenhalf jaar heeft verbruikt, nog vierenhalf jaar over het tweede tot en met vierde jaar van haar studie doen. Mogelijk valt nog te regelen dat de studieduur wordt bevroren indien [eiseres] zich kwalificeert voor de Olympische Spelen van 2020. Judo Bond Nederland mag van degene die voor topsport kiezen een investering vragen. Judo Bond Nederland heeft voor wat betreft het opvangen van de mogelijke studievertraging naar het oordeel van de voorzieningenrechter zich voldoende ingespannen.
4.18.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat Judo Bond Nederland het besluit van 20 december 2016 niet heeft kunnen nemen, omdat dit besluit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid onaanvaardbaar is en/of onrechtmatig tegenover [eiseres] is.
Judo Bond Nederland kon op basis van de omstandigheden zoals hiervoor besproken in 4.10. tot en met 4.15 niet besluiten om [eiseres] van deelname aan internationale wedstijden uit te sluiten vanwege het feit dat zij niet bereid was om per 1 september 2016 deel te nemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie. Er zal een maatwerkoplossing moeten worden getroffen, waarbij – kort gezegd – geldt dat [eiseres] haar trainers mag behouden, en zo veel als mogelijk zal deelnemen aan het fulltimeprogramma op de CTO-locatie te Papendal. [eiseres] kan niet verlangen dat Judo Bond Nederland zich garant stelt voor haar studiekosten.
4.19.

De vordering van [eiseres] die ertoe strekt dat zij aan internationale wedstrijden mag deelnemen, zal in zoverre worden toegewezen dat het Judo Bond Nederland zal worden verboden om [eiseres] van deelname aan internationale wedstrijden uit te sluiten op de grond dat zij zich niet (volledig) conformeert aan het vanaf 1 september 2016 geldende beleid dat door de door haar geselecteerde judoka’s een fulltimeprogramma moet worden gevolgd op de CTO-locatie te Papendal. Aan dit verbod zal geen dwangsom worden verbonden, aangezien Judo Bond Nederland ter zitting heeft verklaard dat dit niet nodig is omdat zij dit vonnis zal nakomen.
De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder b 
4.20. De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder b strekt ertoe dat Judo Bond Nederland wordt veroordeeld om met [eiseres] in overleg te treden om tot een oplossing te komen ter zake van het te volgen trainingsprogramma waarbij recht wordt gedaan aan haar 
specifieke situatie.

4.21.

Hiervoor is geconcludeerd dat van Judo Bond Nederland kan worden verlangd dat zij een maatwerkoplossing, met [eiseres] treft, in die zin dat ten gunste van [eiseres] wordt afgeweken van het huidige beleid en dat partijen daaraan samen invulling dienen te geven met inachtneming van hetgeen daarover in 4.17.1. tot en met 4.17.3. is overwogen.
De vordering is dan ook op de in de beslissing te noemen manier toewijsbaar. Hieraan zal
geen dwangsom worden verbonden, aangezien Judo Bond Nederland ter zitting heeft verklaard dat zij dit vonnis zal nakomen.
De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder c 
4.22. De vordering zoals weergegeven in 3.1. onder c strekt ertoe dat 
Judo Bond Nederland wordt veroordeeld om [eiseres] voor te dragen voor een A-status bij het NOC*NSF.

4.23.

In het Statusreglement Topsporters is vermeld dat de procedure die gevolgd moet worden om een status te krijgen er één is tussen NOC*NSF en de bond. Het is de bond die de topsporter aan NOC*NSF voor het verkrijgen van de A-Status voordraagt. Dit volgt uit het bepaalde in artikel 9 en 10 van het reglement. In artikel 9 van dit reglement is bepaald dat de bond de topsporter bij NOC*NSF kan voordragen voor het verkrijgen van een 
A-status en in artikel 10 is bepaald dat na het voldoen aan de vastgestelde prestatienorm tijdens een vastgesteld meetmoment door de topsporter de bond zo spoedig mogelijk een voordracht voor de A-status bij NOC*NSF doet. De omstandigheid dat het NOC*NSF is die beslist of de A-status wordt verleend of niet, betekent – anders dan Judo Bond Nederland betoogt – niet dat [eiseres] geen belang bij haar vordering heeft en daarom niet ontvankelijk in haar vordering is.
Judo Bond Nederland heeft geen inhoudelijke argumenten aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat niet van haar kan worden verlangd dat zij [eiseres] voordraagt voor het verkrijgen van de A-status. 
Verder wordt nog in aanmerking genomen dat het op verzoek van Judo Bond Nederland is geweest dat NOC*NSF de A-status van [eiseres] heeft ingetrokken. De vordering van [eiseres] zal gezien het voorgaande worden toegewezen. Hieraan zal geen dwangsom worden verbonden aangezien Judo Bond Nederland te kennen heeft gegeven dit vonnis te zullen nakomen.

Slotsom 
4.24. De slotsom is dat de vorderingen van [eiseres] op de in de beslissing te noemen manier zullen worden toegewezen. Hetgeen partijen verder nog hebben aangevoerd ter toelichting op hun standpunten zal als niet meer ter zake dienend onbesproken blijven.

Proceskosten
4.25.

[]
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.

verbiedt Judo Bond Nederland [eiseres] van deelname aan internationale wedstrijden uit te sluiten op de grond dat zij zich niet (volledig) conformeert aan het
vanaf 1 september 2016 geldende beleid dat door de door haar geselecteerde judoka’s een fulltimeprogramma moet worden gevolgd op de CTO-locatie te Papendal,
5.2.

veroordeelt Judo Bond Nederland om met [eiseres] in overleg te treden over het treffen van een maatwerkoplossing met inachtneming van hetgeen daarover in rechtsoverwegen in 4.17.1. tot en met 4.17.3. is overwogen,
5.3.

veroordeelt Judo Bond Nederland om [eiseres] voor te dragen voor een A-status bij het NOC*NSF,
5.4.

[]

Royement in stand gelaten

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 8 november 2016
ECLI:NL:GHARL:2016:8996 (20.04.2017).

Een tamelijk op de feiten toegesneden arrest over royement. Het royement van een speler van een voetbalclub wordt in stand gelaten. Het hof stelt voorop dat de vereniging de speler kon royeren en schorsten,  naast de door de KNVB opgelegde tuchtrechtlijke sancties.

“Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of [geïntimeerde] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot schorsing en royement als lid van [appellant] , speler/aanvoerder van het eerste elftal.

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] , naast de door de KNVB opgelegde tuchtrechtelijke sancties, bevoegd was maatregelen van verenigingsrechtelijke aard aan [appellant] als lid van die vereniging op te leggen. Het hof stelt voorts voorop, gelijk de rechtbank – onbestreden in hoger beroep – heeft overwogen, dat de statuten van [geïntimeerde] voorzien in royement van een lid, voorafgegaan door schorsing in de gevallen die artikel 6 van de statuten bedoelt. Schorsing moet in dit verband worden gezien als een tijdelijke maatregel in afwachting van een besluit over het voortduren van het lidmaatschap. Tijdens de schorsing kan [appellant] onder meer niet aan wedstrijden deelnemen.”

arrest van 8 november 2016
in de zaak van  [appellant] , in eerste aanleg: eiser,

tegen:
de vereniging [geïntimeerde] , gevestigd te [woonplaats] , geïntimeerde,

1Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 8 juli 2015 en 4 november 2015 die de rechtbank Gelderland, team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem, heeft gewezen.

2Het geding in hoger beroep

3De grieven

[appellant] voert de volgende grieven aan.
De kantonrechter heeft ten onrechte geoordeeld dat:
i) [geïntimeerde] niet prematuur heeft gehandeld door over te gaan tot schorsing en royement (rechtsoverweging 4.4),
ii) dat er geen verder onderzoek gedaan hoeft te worden naar de feiten in deze zaak (rechtsoverweging 4.7),
iii) er sprake was van de zijde van [geïntimeerde] van hoor- en wederhoor inzake de schorsing en het royement (rechtsoverweging 4.8),
waarmee wordt beoogd het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

4De vaststaande feiten

4.1

[geïntimeerde] , opgericht op 29 september 1954, is een voetbalclub voor amateurs en heeft ongeveer 1.165 leden. Het eerste elftal van [geïntimeerde] speelt in de zaterdagcompetitie van de landelijke hoofdklasse. In de statuten van [geïntimeerde] staat, voor zover hier van belang:
artikel 4.
1. Leden zijn die natuurlijke personen, die als zodanig door het bestuur zijn toegelaten.
(…)
3. Alleen diegenen die voor de duur van hun lidmaatschap ook lid van de KNVB zijn, kunnen lid zijn van de vereniging.
(…)
artikel 5.
1. De leden zijn verplicht:
a. de statuten en reglementen van de vereniging, alsmede de besluiten van het bestuur, de algemene vergadering of een ander orgaan van de vereniging, na te leven.
b. de statuten en reglementen van de KNVB, de besluiten van één van haar organen, alsmede de van toepassing zijnde spelregels na te leven.
c. de belangen van de vereniging, de KNVB en van de voetbalsport in het algemeen niet te schaden.
(…)
artikel 6.
1.a. In het algemeen zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging, of waardoor de belangen van de verenigingworden geschaad.
b. Tevens zal strafbaar zijn zodanig handelen of nalaten dat in strijd is met de spelregels, alsmede met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de KNVB of waardoor de belangen van de KNVB of van de voetbalsport in het algemeen worden geschaad.
2. Het bestuur is bevoegd om, ingeval van overtredingen als bedoeld in het eerste lid, de volgende straffen op te leggen:
a. berisping,
b. schorsing,
c. royement.
3. Een schorsing kan ten hoogste voor de duur van zes maanden worden opgelegd. Gedurende de periode dat een lid geschorst is, kunnen de aan het lidmaatschap verbonden rechten worden ontzegd.
4. Royement kan alleen worden uitgesproken wanneer een lid in ernstige mate in strijd met de statuten, reglementen en/of besluiten van organen van de vereniging handelt, of de vereniging op onredelijke wijze benadeelt (…). Nadat het bestuur tot royement heeft besloten, wordt het betrokken lid ten spoedigste door middel van een aangetekend schrijven van het besluit met opgave van de reden(en) in kennis gesteld. De betrokkene is bevoegd binnen een maand na ontvangst van deze kennisgeving in beroep te gaan bij de algemene vergadering (…). Het besluit van de algemene vergadering zal moeten worden genomen met tenminste twee/derde van het aantal uitgebrachte stemmen.”
Artikel 10 vermeldt dat het lidmaatschap eindigt door royement als bedoeld in artikel 6 lid 4.
4.2

In artikel 14 van het Reglement Wedstrijden Amateurvoetbal van de KNVB staat, voor zover van belang: 
“1. Aan de door het bestuur amateurvoetbal uitgeschreven of goedgekeurde wedstrijden kan slechts worden deelgenomen door de speler, die:
a. lid is van de KNVB;
b. door de KNVB als speelgerechtigd lid van de vereniging waarvoor hij aan wedstrijd wenst deel te nemen is geregistreerd; (…)
d. niet is geschorst als lid van de KNVB of is uitgesloten van het deelnemen aan door het bestuur amateurvoetbal uitgeschreven of goedgekeurde wedstrijden. (…)”.
4.3

[appellant] is in juni 2012 door [geïntimeerde] aangetrokken om de selectie van het eerste elftal te versterken. Hij is in dat kader als lid overgeschreven naar [geïntimeerde] en op basis van een arbeidsovereenkomst bij haar in dienst getreden in de functie van contractspeler. In de laatst gesloten overeenkomst staat dat [appellant] in het seizoen 2014/2015 zal uitkomen voor [geïntimeerde] en dat hij daarvoor een vergoeding zal ontvangen voor de periode van 17 juli 2014 tot en met 17 mei 2015. Ook staat in de overeenkomst dat deze van rechtswege eindigt op 15 mei 2015.
4.4

[appellant] heeft op 20 september 2014 als speler en aanvoerder van het eerste elftal van [geïntimeerde] deelgenomen aan een voetbalwedstrijd tussen [voetbalclub] en [geïntimeerde] . Na afloop van die wedstrijd zijn er schermutselingen geweest tussen spelers van de beide voetbalverenigingen. De bij de wedstrijd betrokken scheidsrechter heeft in totaal zes spelers een rode kaart gegeven, te weten [appellant] en [speler 1] van [geïntimeerde] en [speler 2] , [speler 3] , [speler 4] en [speler 5] van [voetbalclub] .
4.5

De scheidsrechter heeft na de wedstrijd een wedstrijdformulier ingevuld en naar aanleiding daarvan is een tuchtzaak aanhangig gemaakt bij de Landelijke Tuchtcommissie Amateurvoetbal (hierna: de Tuchtcommissie) van de Koninklijke Nederlandse Voetbalbond (hierna: KNVB). Op (de bijlage bij) het wedstrijdformulier heeft de scheidsrechter onder meer vermeld: ‘Naam betrokkene (…) [appellant] , A. (…) Collectieve vechtpartij na afloop van de wedstrijd. Betreffende speler was deelnemer van de vechtpartij Van betreffende speler is gezien dat hij minimaal 1 maal raak sloeg naar een tegenstander.
4.6

Op 22 september 2014 heeft het bestuur van [geïntimeerde] [appellant] en een ander lid, na hen te hebben gehoord, meegedeeld dat zij vanwege hun betrokkenheid bij het voormelde incident met onmiddellijke ingang uit de selectie van het eerste elftal zijn gezet en dat bovendien door het bestuur besloten is hen te schorsen en te royeren als lid van [geïntimeerde] .
4.7

Bij uitspraak van 30 september 2014 heeft de Tuchtcommissie, na het horen van alle betrokkenen, waaronder [appellant] en de scheidsrechter, [appellant] met ingang van 1 oktober 2014 als lid van de KNVB geschorst voor de duur van achttien maanden. De Tuchtcommissie acht bewezen dat [appellant] zich schuldig heeft gemaakt aan ‘Het bij gelegenheid van de wedstrijd [voetbalclub] – [woonplaats] (…) na afloop van de wedstrijd onbehoorlijk gedragen door meerdere spelers, althans tenminste één speler van [voetbalclub] meerdere keren te hebben geslagen, althans tenminste één keer te hebben geslagen’. Onder het kopje ‘strafmotivering’ overweegt de Tuchtcommissie dat er naar haar oordeel ‘sprake (is geweest) van buitensporig fysiek geweld buiten een spelsituatie en waarbij geen sprake is van strijd om de bal, waardoor deze overtreding wordt aangemerkt als een individuele excessieve overtreding’.
De bewezenverklaring grondt de Tuchtcommissie op de schriftelijke en mondelinge verklaringen van de scheidsrechter, de schriftelijke verklaring van de voorzitter van [voetbalclub] en de mondelinge verklaringen van [speler 5] en van speler S. [speler 3] . De scheidsrechter heeft in zijn aanvullende verklaring onder meer verklaard: ‘Hij ( [appellant] ) begon te duwen en te trekken aan de spelers (…). Ik zag dat [appellant] vervolgens opstond en hem een klap raak gaf in zijn gezicht. (…)’ Volgens het verslag van het mondelinge onderzoek van de Tuchtcommissie heeft de scheidsrechter onder meer het volgende verklaard: ‘Vervolgens tracht speler [appellant] , speler [speler 3] (…) te slaan, dit is een rake klap. Speler [speler 3] krijgt deze klap in het gezicht. Ook raakt speler [appellant] de speler in het [voetbalclub] -trainingspak.’
Het verslag vermeldt voorts dat [speler 5] , speler van [voetbalclub] , heeft gezien dat [appellant] vol uithaalde op het (achter)hoofd van speler [speler 3] .

4.8

Bij brief van 14 oktober 2014 heeft [voorzitter], voorzitter van [geïntimeerde] , aan [appellant] geschreven:
“Het bestuur van de [geïntimeerde] heeft besloten u voor te dragen voor royement op grond van de statuten van de [geïntimeerde] en de huisregels van de [geïntimeerde] zoals die zijn vermeld in onze Seizoen-/Verenigingsgids en te lezen zijn op onze website. In de overeenkomst voor bepaalde tijd die wij met u overeenkwamen, wordt daar ook naar verwezen.
Namens het bestuur bent u op maandag 22 september gehoord in verband met de incidenten in de uitwedstrijd tegen [voetbalclub] op zaterdag 20 september j.l., waarna u door het bestuur van [geïntimeerde] bent geschorst èn het royement u is aangezegd. Uw royement zal op de Algemene Ledenvergadering van maandag 11 november aan de leden van de [geïntimeerde] worden voorgelegd ter bekrachtiging.
Op dinsdag 30 september heeft er in dezelfde kwestie een tuchtzaak van de KNVB plaatsgevonden waarbij u door diezelfde KNVB op woensdag 1 oktober geschorst bent, voor een periode van 18 maanden. Deze op 1 oktober aangezegde schorsing is u op 6 oktober 2014 bevestigd. In de bijlagen verwijzen wij u naar de voor u van toepassing zijnde passages uit onze statuten alsmede de door de KNVB bevestigde schorsing.
De overeenkomst voor bepaalde tijd met betrekking tot spelen in het 1e voetbalelftal van de [geïntimeerde] seizoen 2014/2015 is op grond van voorgaande niet meer van uw kant uit te voeren. De onderliggende reden komt voor uw rekening en risico. Deze overeenkomst beschouwen wij dan ook als beëindigd per 1 oktober 2014. Tot die datum zullen wij uitvoering aan de overeenkomst geven. (…)”.

4.9

Bij de op 10 november 2014 gehouden algemene ledenvergadering van [geïntimeerde] heeft de vergadering het besluit van het bestuur om [appellant] (en [speler 1] ) als lid te royeren unaniem bekrachtigd. Het later goedgekeurde verslag vermeldt ter zake:
Na afloop van de op 20 september gespeelde wedstrijd [voetbalclub] – [woonplaats] hebben de spelers [appellant] en (…) zich onbehoorlijk gedragen door buitensporig fysiek geweld te gebruiken tegenover een of meerdere spelers van [voetbalclub] (buiten een spelsituatie en waarbij geen sprake is van strijd om een bal). Deze 2 spelers hebben zich schuldig gemaakt aan een excessieve overtreding en hebben de [geïntimeerde] door dit gedrag in diskrediet gebracht. Op grond van de Statuten en de huisregels van (hof leest: [geïntimeerde] ) heeft het bestuur [appellant] en (…) geschorst en het royement aangezegd.
Alle aanwezige leden gaan akkoord met het bestuursbesluit om [appellant] en (…) te royeren als lid van [geïntimeerde] waardoor dit besluit officieel bekrachtigd is.

4.10

De Landelijke Commissie van Beroep van de KNVB heeft de onder 4.7 bedoelde uitspraak van de Tuchtcommissie bij uitspraak van 21 november 2014 bekrachtigd. Daarbij is onder meer overwogen:
Bewezenverklaring
Op basis van de verklaringen van de scheidsrechter, die zonder enige terughoudendheid en in niet voor meerdere uitleg vatbare bewoordingen heeft verklaard dat u in ieder geval eenmaal raak hebt geslagen, heeft de commissie van beroep de overtuiging dat u daadwerkelijk eenmaal of meermaals hebt geslagen.
De lezing van de scheidsrechter wordt door drie andere getuigen bevestigd. (…)’.
4.11

Bij vonnis van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 4 februari 2015 gewezen in kort geding tussen [appellant] en de KNVB heeft de voorzieningenrechter op vordering van [appellant] onder andere beslist dat de hiervoor onder 4.7 en 4.10 bedoelde beslissingen van de Tuchtcommissie en de Commissie van Beroep worden geschorst, zulks in afwachting van een uitspraak door de rechter in een binnen veertien dagen na betekening van dat vonnis door [appellant] aanhangig te maken bodemprocedure.
4.14

Bij vonnis in kort geding van de rechtbank Gelderland van 3 april 2015 heeft de voorzieningenrechter de vordering van [appellant] om de schorsings- en royementsbesluiten van [geïntimeerde] d.d. 20 september 2014 te schorsen totdat in een bodemprocedure over een vordering tot vernietiging van deze besluiten zal zijn beslist, na een belangenafweging afgewezen. Overwogen wordt onder meer: ‘Al het voorgaande leidt ertoe dat thans in het kader van dit geding niet met voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat [appellant] na afloop van de wedstrijd geweld heeft gebruikt. Dat heeft [geïntimeerde] dan ook niet, zo moet voorshands worden geoordeeld, aan het besluit ten grondslag kunnen leggen.
4.15

De rechtbank Midden-Nederland heeft in een bodemprocedure tussen [appellant] en de KNVB bij vonnis van 2 september 2015 de vorderingen van [appellant] {afgewezen} om voor recht te verklaren dat de uitspraken van de Tuchtcommissie van 30 september 2014 en de Commissie van Beroep van 21 november 2014 inhoudende schorsing van 18 maanden ten aanzien van de KNVB nietig zijn en dat de KNVB onrechtmatig jegens [appellant] heeft gehandeld en zijn schade als gevolg daarvan dient te vergoeden, afgewezen. Het tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is nog bij dit hof aanhangig onder zaaknummer 200.181.904.

5Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

5.1

[appellant] heeft in eerste aanleg – samengevat – gevorderd:
– een verklaring voor recht dat de besluiten van [geïntimeerde] inzake de schorsing en het royement nietig zijn;
– een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld jegens [appellant] en dat de schade als gevolg van dat onrechtmatig handelen, nader op te maken bij staat, vergoed dient te worden door [geïntimeerde] aan [appellant] ,
met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten, waaronder de nakosten.
5.2

[geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.
5.3

De rechtbank heeft bij vonnis van 4 november 2015 de vorderingen afgewezen in [appellant] veroordeeld, uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten.

6De beoordeling van de grieven en de vordering

6.1

Het gaat in deze zaak kort gezegd om de vraag of [geïntimeerde] in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot schorsing en royement als lid van [appellant] , speler/aanvoerder van het eerste elftal.

6.2 Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde] , naast de door de KNVB opgelegde tuchtrechtelijke sancties, bevoegd was maatregelen van verenigingsrechtelijke aard aan [appellant] als lid van die vereniging op te leggen. Het hof stelt voorts voorop, gelijk de rechtbank  – onbestreden in hoger beroep – heeft overwogen, dat de statuten van [geïntimeerde] voorzien in royement van een lid, voorafgegaan door schorsing in de gevallen die artikel 6 van de statuten bedoelt. Schorsing moet in dit verband worden gezien als een tijdelijke maatregel in afwachting van een besluit over het voortduren van het lidmaatschap. Tijdens de schorsing kan [appellant] onder meer niet aan wedstrijden deelnemen.
6.3

[appellant] heeft gesteld dat de besluiten van [geïntimeerde] moeten worden vernietigd wegens strijd met artikel 2:15 BW in verbinding met artikel 2:8 BW.
Artikel 2:15 eerste lid BW luidt als volgt:
Een besluit van een orgaan van een rechtspersoon is, onverminderd het elders in de wet omtrent de mogelijkheid van een vernietiging bepaalde, vernietigbaar: 
a. wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen; b. wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 worden geëist; 
c. wegens strijd met een reglement.’
Artikel 2:8 BW bepaalt: 
‘1 Een rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, moeten zich als zodanig jegens elkander gedragen naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. 
2 Een tussen hen krachtens wet, gewoonte, statuten, reglementen of besluit geldende regel is niet van toepassing voor zover dit in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.’
6.4

Het hof stelt voorop dat gesteld noch gebleken is dat sprake zou zijn van vernietigbaarheid wegens strijd met wettelijke of statutaire bepalingen die het tot stand komen van besluiten regelen (artikel 2:8 sub a BW) dan wel wegens strijd met een reglement (artikel 2:8 sub c BW). Geen grief is gericht tegen rechtsoverweging 4.5 van het bestreden vonnis, waarbij kort gezegd onder meer is overwogen dat [appellant] niet in zijn rechten is beperkt doordat het bestuur, in afwijking van de statuten, geen toepassing heeft gegeven aan de statutaire beroepsmogelijkheid, maar de algemene vergadering haar oordeel over het bestuursvoorstel heeft gevraagd. Daarmee komt het hof toe aan de beoordeling van de vraag of het besluit van [geïntimeerde] in strijd is met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 8 voornoemd worden geëist.
6.5

Van vernietigbaarheid als bedoeld in artikel 2:15 sub c BW is sprake als een besluit naar inhoud of totstandkoming in strijd is met de regel van art. 2:8 BW. Toetsingsmaatstaf is de vraag of het orgaan bij afweging van álle bij het besluit betrokken belangen van de in art. 2:8 bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het besluit heeft kunnen komen. Het hof stelt bij de beoordeling voorop dat de rechter terughoudendheid past bij de beoordeling of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen.
6.6

[appellant] heeft in hoger beroep aangevoerd dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat (i) [geïntimeerde] niet prematuur heeft gehandeld door over te gaan tot schorsing en royement (rechtsoverweging 4.4), (ii) dat er geen verder onderzoek gedaan hoeft te worden naar de feiten in deze zaak (rechtsoverweging 4.7), (iii) er sprake was van de zijde van [geïntimeerde] van hoor en wederhoor inzake de schorsing en het royement (rechtsoverweging 4.8). Het hof zal eerst de beide laatstgenoemde onderdelen van de grief bespreken.
6.7

[appellant] heeft (sub iii) aangevoerd dat geen hoor en wederhoor is toegepast. Het hof verwerpt deze verder ongemotiveerde stelling. In het vonnis van 4 november 2015 wordt immers onder 2.10 – onbestreden in hoger beroep – (en in de feitenvaststelling van het hof hierboven sub 4.6) vastgesteld dat [appellant] is gehoord voordat het bestuur heeft besloten hem te schorsen en te royeren als lid van de vereniging. Voorts heeft [appellant] de gelegenheid gekregen om op de algemene ledenvergadering, waar zijn royement stond geagendeerd, zijn standpunt nader toe te lichten. Grief iii faalt.
6.8

Voor zover [appellant] heeft aangevoerd (sub ii) dat geen gedegen feitenonderzoek heeft plaatsgevonden verwerpt het hof ook deze stelling. In de e-mail van [persoon] namens [geïntimeerde] aan de KNVB van 23 september 2014 (productie 12 bij conclusie van antwoord) wordt immers expliciet vermeld dat direct na de wedstrijd besloten is onderzoek in te stellen naar de gang van zaken na de wedstrijd met [voetbalclub] . [geïntimeerde] heeft in het tijdsbestek van twee dagen geprobeerd zoveel mogelijk feiten te verzamelen omtrent de hier in het geding zijnde incidenten, waarbij – zo heeft zij aangevoerd – betrokken spelers zijn gehoord. [appellant] heeft de juistheid van de mail, en het daarmee samenhangende verweer van [geïntimeerde] , in hoger beroep niet gemotiveerd bestreden, zodat het hof aan de stelling van [appellant] als onvoldoende gemotiveerd voorbij zal gaan. Voorts heeft de juistheid van de vaststelling van de gewraakte gedraging van [appellant] door [geïntimeerde] later bevestiging gevonden in de bevindingen en bewijsmiddelen waarop de uitspraken van de tuchtrechter zijn gebaseerd (zie hiervoor onder 4.5, 4.7 en 4.10, welke door de civiele rechter (zie hiervoor onder 4.15) in stand zijn gelaten. Dat daarvan nog hoger beroep aanhangig is, maakt dit oordeel niet anders. Het hof verenigt zich dan ook met hetgeen de rechtbank overweegt onder 4.8 van het bestreden vonnis. Grief ii faalt.
6.9

Voor zover [appellant] met dit hoger beroep wil opkomen tegen de feitelijke vaststelling dat hij een andere speler heeft geslagen ( [appellant] is daarover niet duidelijk), is het hof van oordeel dat dit beroep in zoverre niet opgaat en overweegt daartoe als volgt. [appellant] voert geen concrete feiten en omstandigheden aan waaruit kan worden afgeleid dat de voormelde vaststelling onjuist is geweest. De bewijsmiddelen, zoals deels onder 4.7 zijn weergegeven, waarop de tuchtcommissie – en in beroep de Landelijke Commissie van Beroep van de KNVB – en naar het hof begrijpt ook de rechtbank in het bestreden vonnis, zich bij haar oordeel heeft gebaseerd zijn (in deze procedure) niet gemotiveerd weersproken terwijl ook geen bewijsmiddelen zijn ingebracht die de stellingen van [appellant] in voldoende mate ondersteunen, zodat het hof van de juistheid van die bewijsmiddelen zal uitgaan. Voor zover bewijs is aangeboden gaat het hof daaraan bij deze stand van zaken in hoger beroep als onvoldoende gespecificeerd voorbij, zeker in het licht van de verklaringen die zich reeds in het procesdossier vinden. Dat het beginsel van bewijswaardering zou zijn geschonden, zoals [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd, is – wat daarvan overigens verder zij – niet nader door hem toegelicht en ook niet gebleken, zodat het hof aan die stelling als onvoldoende gemotiveerd voorbij moet gaan.
6.10

Dat [appellant] door zijn bedoelde gedraging de statuten en reglementen van de KNVB heeft overtreden, zoals bevestiging vindt in de in twee instanties door de tuchtrechter van de KNVB uitgesproken schorsing van 18 maanden vanwege diens gedrag, staat in hoger beroep vast. Voorts is niet weersproken de stelling van [geïntimeerde] dat [appellant] door zijn gedrag tevens heeft gehandeld in strijd met (het hof begrijpt) artikel 6 lid 1 van de statuten van [geïntimeerde] , hetgeen aanleiding kan zijn tot de onder artikel 6 lid 2 van de statuten opgenomen sancties van onder meer schorsing en royement. Dit ziet op het handelen in strijd met de “Rood/Witte Fair Play regels” (als opgenomen in de presentatie- en verenigingsgids 2014/1015), in het bijzonder regel 2 (nalaten zich waardig en sportief te gedragen), regel 4 (het met respect behandelen van de tegenstander) en regel 6 (door na de wedstrijd doorgaan met verbale of fysieke strijd met spelers van [voetbalclub] ), een en ander mede tegen de achtergrond van het feit dat [appellant] als aanvoerder een voorbeeldfunctie heeft.
6.11

De rechtbank heeft de vraag, die door [appellant] is opgeworpen, of [geïntimeerde] met haar schorsingsbesluit te vroeg was, in de woorden van [appellant] : prematuur was, en daarmee [appellant] schade heeft berokkend, ontkennend beantwoord.
6.12

In het licht van het vorenstaande verenigt het hof zich met dit oordeel en maakt dit tot het zijne. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat het besluit tot schorsing van [appellant] niet te vroeg door het bestuur is genomen. Gelet op de gebeurtenissen van 20 september 2014 en wat daarover bij [geïntimeerde] bekend was geworden, in het bijzonder uit het wedstrijdformulier van de scheidsrechter, op de juistheid waarvan [geïntimeerde] af mocht gaan gelet op de positie die een scheidsrechter in het kader van een wedstrijd heeft, en haar eigen daaropvolgend onderzoek, mocht zij zich in redelijkheid beraden op het voortduren van het lidmaatschap van [appellant] . Gelet op de ernstige aard van de aan [appellant] verweten gedraging(en), de kennelijk ontstane onrust binnen en buiten de vereniging en tegen de achtergrond van voormelde terughoudende maatstaf kan niet worden geoordeeld dat een schorsing, waartoe [geïntimeerde] in die situatie overging in afwachting van een strafmaatregel, verenigingsrechtelijk gezien als een onjuiste maatregel moet worden beschouwd. Het beroep van [appellant] op het vonnis van de voorzieningenrechter Midden-Nederland van 4 februari 2015 (zie hiervoor onder 4.11) kan [appellant] in dit geding niet baten. Daargelaten dat [geïntimeerde] niet bij die procedure betrokken was (want die was immers gericht tegen de KNVB), was slechts sprake van een voorlopig oordeel in kort geding, terwijl bovendien later de bodemrechter anders heeft geoordeeld (zoals weergegeven onder 4.15). Dat van dit laatste vonnis nog hoger beroep bij dit hof aanhangig is, maakt dit oordeel niet anders.
6.13

Wat betreft het besluit tot royement stelt het hof het volgende voorop. 
De rechtbank heeft, onbestreden in hoger beroep, overwogen dat het schorsingsbesluit van 22 september 2014 in feite heeft geduurd tot aan het royement waartoe de algemene ledenvergadering heeft besloten op 10 november 2014, een periode waarin [appellant] toch al niet kon voetballen omdat het KNVB-schorsingsbesluit daaraan in de weg stond. Weliswaar is dit besluit geschorst door de voorzieningenrechter op 4 februari 2015, maar dat was geruime tijd na 10 november 2014, terwijl overigens de bodemrechter in de rechtbank Midden-Nederland op 2 september 2015 de beslissingen van de KNVB in stand heeft gelaten (zoals weergegeven onder 4.15 hiervoor, zie ook rechtsoverweging 4.2 van het bestreden vonnis). Het standpunt van [appellant] dat achteraf gezien geen sprake was van een schorsing door de KNVB vindt, gelet op het voorgaande, geen steun in het recht. De maatregel van schorsing van het besluit door de voorzieningenrechter heeft niet dit effect (rechtsoverweging 4.3 van het bestreden vonnis). Ook deze overwegingen zijn in hoger beroep niet aangevallen zodat het hof van de juistheid daarvan zal uitgaan.
6.14

Voor zover het royement berust op overtreding van de statuten en huisregels van [geïntimeerde] , zoals volgt uit de brief van de voorzitter van 14 oktober 2014 (zie hiervoor onder 4.8), herhaalt het hof hetgeen hierboven ten aanzien van de schorsing is overwogen. Voor zover de grief niet reeds afstuit op de omstandigheid dat geen grief gericht is tegen het oordeel van de rechtbank in rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis, verenigt het hof zich dan ook met dit oordeel van de rechtbank en maakt ook dit oordeel tot het zijne. Een verder onderzoek naar de feiten, zoals door [appellant] voorgesteld, acht het hof met de rechtbank gezien het voorgaande niet noodzakelijk. Bewijslevering stuit af op hetgeen hiervoor onder 6.9 is overwogen.
6.15

Het hof overweegt verder dat sprake is van een vordering die is gericht op aantasting van de voorliggende besluiten. Voor zover [appellant] beoogd zou hebben de vordering mede te baseren op onrechtmatige opzegging, waarbij de rechtsgeldigheid van de besluiten tot uitgangspunt is genomen, en is gericht op vergoeding van schade die de eiser lijdt door de handeling waartoe is besloten overweegt het hof dat art. 2:15 BW een zodanige, op onrechtmatige daad gebaseerde, vordering niet uitsluit, ook niet in een geval waarin een lid van de rechtspersoon daarmee wil opkomen tegen de opzegging van zijn lidmaatschap van die rechtspersoon (HR 3 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1061). [appellant] heeft daartoe evenwel onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd die tot een toewijzing van een dergelijke vordering zouden kunnen leiden. Grief i faalt daarmee.
6.16

[appellant] heeft nog gesteld dat hij met de grieven beoogt het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen en dat een onjuiste maatstaf is gehanteerd. Deze laatste stelling kan gelet op hetgeen hiervoor is overwogen niet als juist worden aanvaard. [geïntimeerde] heeft niet op onjuiste wijze toepassing gegeven aan de statuten en reglementen van de vereniging. Voor het overige heeft [appellant] – naast de voormelde grieven – nagelaten voldoende concrete en voor [geïntimeerde] kenbare bezwaren tegen het bestreden vonnis aan te voeren zodat, anders dan met de vermelding dat hij het geschil in volle omvang wil voorleggen kennelijk is beoogd, het hoger beroep ook verder niet kan slagen.
De slotsom

6.17

Het schorsingsbesluit en het royementsbesluit zijn nietig noch vernietigbaar. Nu niet kan worden geoordeeld dat [geïntimeerde] niet in redelijkheid had kunnen besluiten om tot schorsing en royement van [appellant] over te gaan, heeft zij niet onrechtmatig jegens [appellant] gehandeld in de door hem bedoelde zin. De grieven falen daarmee, zodat het bestreden vonnis waarbij de vorderingen zijn afgewezen, moet worden bekrachtigd.


7. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het tussen de partijen door de rechtbank Gelderland (team kanton en handelsrecht, zittingsplaats Arnhem) gewezen vonnis van 4 november 2015;

Tegenstrijdige verklaringen in tuchtzaak

Rb. Midden-Nederland 24 februari 2017ECLI:NL:RBMNE:2017:1314

De rechter toetst een uitspraak van de beroepscommissie van de KNVB over een geweldsincident na een voetbalwedstrijd, namelijk een vechtpartij tussen supporters van spelers A, B, C en D en supporters van de andere vereniging, [eiseres sub 1] in deze rechtszaak. [Eiser sub 2] was een van die supporters.

” De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tegenstrijdige verklaringen van [slachtoffer A] enerzijds en [ B] , [D] en [C] anderzijds over de locatie waar [A] door [eiser sub 2] zou zijn getrapt, de [Commissie van Beroep] in redelijkheid aanleiding had moeten geven om de [naam voetbalvereniging] -spelers hierover nogmaals te horen, of in ieder geval in de uitspraak gemotiveerd aan te geven waarom zij dit in de gegeven omstandigheden niet nodig achtte.”

Vonnis in kort geding van 24 februari 2017

in de zaak van

1. de vereniging [eiseres sub 1] , 2. [eiser sub 2], eisers,
tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND, gedaagde,

Eisers zullen respectievelijk [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd. Zij zullen gezamenlijk worden aangeduid als [eiseres sub 1] c.s. Gedaagde zal de KNVB worden genoemd.

2De feiten

2.1.

Op 25 september 2016 is de competitiewedstrijd [eiseres sub 1] 1 tegen [naam voetbalvereniging] 1 gespeeld. Gedurende de wedstrijd hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. De wedstrijd eindigde omstreeks 15:45 uur.
2.2.

Na afloop van de wedstrijd hebben de spelers en de supporters van beide verenigingen nog wat gedronken in de kantine van [eiseres sub 1] . Enkele minuten na 18:00 uur zijn de laatste zes [naam voetbalvereniging] -spelers/begeleiders (hierna: de [naam voetbalvereniging] -leden) uit de kantine vertrokken. Dit waren de spelers [A] , [B] , [C] en [D] , en de elftalbegeleiders [E] en [F] . Zij liepen buiten de kantine een supporter van [eiseres sub 1] tegen het lijf, die kritiek had op de wijze waarop de [naam voetbalvereniging] -grensrechter [E] had gevlagd. Naderhand opgestelde getuigenverklaringen van de [naam voetbalvereniging] -leden en de [eiseres sub 1] -leden geven verschillende lezingen over de reactie van de [naam voetbalvereniging] -grensrechter. Volgens de [naam voetbalvereniging] -leden legde de [naam voetbalvereniging] -grensrechter zijn hand op de schouder/ in de nek van de betreffende [eiseres sub 1] -supporter. Volgens getuigen van de kant van [eiseres sub 1] deelde de [naam voetbalvereniging] -grensrechter aan de supporter een tik uit. De situatie is hierna geëscaleerd en er heeft op het pad voor de uitgang van de kantine een gevecht plaatsgevonden tussen de [naam voetbalvereniging] -leden en een aantal toegesnelde [eiseres sub 1] -leden. De [naam voetbalvereniging] -leden zijn vervolgens naar de parkeerplaats op ongeveer 250 meter afstand van de kantine gerend. Daar heeft opnieuw een gevecht plaatsgevonden met [eiseres sub 1] -leden die hen hadden achtervolgd. De [naam voetbalvereniging] -leden zijn uiteindelijk snel in een auto gestapt en weggereden. Twee van de [naam voetbalvereniging] -leden, [A] en [B] , hebben zich later onder doktersbehandeling moeten stellen. Bij [A] is een hersenschudding en een gekneusde kaak geconstateerd.


2.3.

Op 27 september 2016 heeft het bestuur van [naam voetbalvereniging] bij de tuchtcommissie van de KNVB een melding gedaan van zinloos en buitensporig geweld dat op 25 september 2016 na de wedstrijd heeft plaatsgevonden. [naam voetbalvereniging] heeft op 28 september 2016 een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen en een afschrift van de aangifte van [A] bij de politie aan de KNVB verstrekt. [naam voetbalvereniging] heeft ook verklaringen van [D] , [C] en [B] bijgevoegd, alsmede foto’s van de verwondingen en medische verklaringen van [A] en [B] . [naam voetbalvereniging] heeft nadien nog aangiftes bij de politie van openlijke geweldpleging en mishandeling door [E] en [D] overgelegd en heeft kenbaar gemaakt dat ook [F] aangifte heeft gedaan.
2.4.

De tuchtcommissie heeft op basis van de melding van [naam voetbalvereniging] een tuchtzaak aanhangig gemaakt tegen een groot aantal betrokkenen, waaronder [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] . Naar aanleiding hiervan heeft [eiseres sub 1] c.s. een aantal verklaringen van de betrokkenen en van getuigen aan de tuchtcommissie doen toekomen.
2.5.

Op 11 oktober 2016 heeft een mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie plaatsgevonden, waar betrokkenen en getuigen van de kant van [naam voetbalvereniging] en [eiseres sub 1] zijn gehoord.
2.6.

Op 12 oktober 2016 heeft de tuchtcommissie in de zaken tegen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] uitspraak gedaan, welke uitspraken op 17 oktober 2016 nader zijn gemotiveerd. De tuchtcommissie heeft ten aanzien van [eiseres sub 1] bewezen verklaard dat meerdere leden van [eiseres sub 1] zich ter gelegenheid van de wedstrijd [eiseres sub 1] 1- [naam voetbalvereniging] 1 gespeeld op 25 september 2016 na de wedstrijd onbehoorlijk heeft/hebben gedragen door:
– deel te nemen aan collectief duw- en trekwerk (hard) c.q. een opstootje en
– het slaan van/naar meerdere spelers en een functionaris van [naam voetbalvereniging] en
– het trappen van/naar meerdere spelers van [naam voetbalvereniging] .
De tuchtcommissie heeft [eiseres sub 1] een straf opgelegd van drie winstpunten in mindering, een boete van € 200,00 en het voorwaardelijk uit de competitie nemen van het eerste elftal met een proeftijd tot het einde van het huidige seizoen.
2.7.

De tuchtcommissie heeft ten aanzien van [eiser sub 2] bewezen verklaard dat hij zich ter gelegenheid van de wedstrijd, na de wedstrijd onbehoorlijk heeft gedragen door:
– het slaan van één speler van [naam voetbalvereniging] (te weten: [A] )
– het trappen van één speler van [naam voetbalvereniging] (te weten: [A] ).
De tuchtcommissie heeft niet bewezen geacht dat [eiser sub 2] na de wedstrijd deel heeft genomen aan collectief duw- en trekwerk (hard) c.q. een opstootje, hetgeen hem eveneens tenlaste was gelegd. [eiser sub 2] is door de tuchtcommissie een schorsing opgelegd voor de duur van 24 maanden, met als ingangsdatum 12 oktober 2016. Ook aan andere betrokkenen aan de zijde van [eiseres sub 1] en [naam voetbalvereniging] zijn straffen opgelegd.
2.8.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben tegen de uitspraken van de tuchtcommissie beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep (CvB). Zij hebben de CvB daarbij verzocht de zaak mondeling te behandelen. De CvB heeft dit verzoek echter afgewezen.
2.9.

De CvB heeft op 23 november 2016 uitspraak gedaan. De CvB is ten aanzien van [eiseres sub 1] tot dezelfde bewezenverklaring gekomen als de tuchtcommissie en heeft een hogere straf opgelegd, te weten 5 winstpunten in mindering, een boete van € 300,00 en het voorwaardelijk uit de competitie nemen van het eerste elftal met een proeftijd die loopt tot het einde van het huidige seizoen.
2.10.

De CvB is ook ten aanzien van [eiser sub 2] tot dezelfde bewezenverklaring gekomen als de tuchtcommissie. Zij heeft de opgelegde schorsing verkort tot 18 maanden met als ingangsdatum 12 oktober 2016.

3Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1] c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de uitspraken van de tuchtcommissie van 17 oktober 2016 en de Commissie van Beroep van 23 november 2016 inzake [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] te schorsen en de KNVB te bevelen om [eiser sub 2] als speler toe te laten en toegelaten te houden tot de voetbalcompetitie 2016/2017 en te bepalen dat de schorsing zal gelden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de vernietiging van de beide uitspraken, met de bepaling dat de dagvaarding in die bodemprocedure binnen een termijn van zes weken na dit vonnis dient te worden uitgebracht, met veroordeling van de KNVB in de kosten van deze procedure en de nakosten.
3.2.

KNVB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden.
4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de KNVB haar tuchtrechtspraak statutair heeft belegd bij onafhankelijke organen van de KNVB, waaronder de tuchtcommissie en de CvB. De uitspraken van die commissie betreffen daarmee besluiten van een orgaan van de rechtspersoon, zodat de nietigheid en/of vernietigbaarheid van deze uitspraken getoetst dienen te worden aan de in de artikelen 2:14 lid 1 BW en 2:15 lid 1 BW opgenomen criteria.
4.3.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich ter onderbouwing van haar vordering op het standpunt dat de uitspraken van de tuchtcommissie en de CvB vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 lid 1 onder b BW wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, en op grond van artikel 2:15 lid 1 onder c BW wegens strijd met reglementaire bepalingen van de KNVB.
Toepasselijkheid KNVB-tuchtrecht
4.4.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of het tuchtrecht van de KNVB van toepassing is op het incident van 25 september 2016 (hierna: het incident) en in het bijzonder over de vraag of het incident nog wel voldoende samenhang heeft met de gespeelde voetbalwedstrijd.
4.5.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat het incident meer dan 2 uur en een kwartier plaatsvond na afloop van de wedstrijd en de scheidsrechter al naar huis was. Volgens [eiseres sub 1] c.s. zijn het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal en de Handleiding Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal alleen bedoeld voor overtredingen die plaatsvinden in en rond een wedstrijd en door een onafhankelijke KNVB-official kunnen worden waargenomen. Daarvan was in dit geval geen sprake.
4.6.

De KNVB acht wel voldoende samenhang tussen het incident en de voetbalwedstrijd aanwezig. Zij wijst er daarbij op dat het incident voortvloeide uit handelingen van de assistent-scheidsrechter tijdens de betreffende wedstrijd en dat het incident bovendien op het sportpark van [eiseres sub 1] heeft plaatsgevonden.
4.7.

In artikel 2 lid 2 sub b van het Algemeen Reglement is – kort samengevat – bepaald dat ieder lid verplicht is zich ter gelegenheid van een voetbalwedstrijd hetzij voor, hetzij gedurende, hetzij na de wedstrijd behoorlijk te gedragen en zonodig mee te helpen bij het handhaven van de orde.
4.8.

In artikel 17 van het Regelement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal (hierna: RTA) is bepaald dat de Tuchtcommissie bevoegd is kennis te nemen van overtredingen, die voor, tijdens, na of in verband met een door het bestuur amateurvoetbal georganiseerde competitie- beker- of reeks wedstrijden zijn begaan.
4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voldoende samenhang is tussen het incident en de gespeelde wedstrijd en dat sprake is van een overtreding die na en in verband met een door het bestuur amateurvoetbal georganiseerde competitiewedstrijd is begaan, zoals bedoeld in artikel 17 RTA. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat vaststaat dat de spelers van [eiseres sub 1] en [naam voetbalvereniging] na de wedstrijd in de kantine van [eiseres sub 1] hebben geborreld (in voetbalkringen ook wel bekend als de zogenaamde ‘derde helft’) en dat het incident direct aansluitend aan het borrelen heeft plaatsgevonden op het terrein van [eiseres sub 1] . De voorzieningenrechter acht het verder op grond van de getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden, voldoende aannemelijk dat de aanleiding voor het incident was gelegen in een (door de supporters van de betrokken teams verschillen geïnterpreteerde) interactie tussen de grensrechter van [naam voetbalvereniging] en een supporter van [eiseres sub 1] en dat deze interactie verband hield met de gespeelde wedstrijd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het KNVB-tuchtrecht op het incident van toepassing is.
Het aanhangig maken van de tuchtzaak
4.10.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich daarnaast op het standpunt dat de overtreding niet op de juiste wijze op grond van artikel 43 lid 1 RTA bij de tuchtcommissie aanhangig is gemaakt. Zij voert hiertoe aan dat geen sprake is geweest van een aantekening op het wedstrijdformulier door de scheidsrechter, zodat de situatie als bedoeld in artikel 43 lid 1 sub a tot en met c zich niet voordoet. Er is ook geen sprake geweest van een schriftelijke aangifte door de scheidsrechter of door een orgaan, commissie of lid van de KNVB, zoals bedoeld in artikel 43 lid 1 sub d en e RTA. Ten aanzien van artikel 43 lid 1 sub f RTA stelt [eiseres sub 1] c.s. zich op het standpunt dat met dit artikelonderdeel is beoogd om de tuchtcommissies van de KNVB in staat te stellen om in een reeds bij haar aanhangige zaak een nieuwe zaak (tenlastelegging) aanhangig te kunnen maken indien zij daartoe in de stukken of verklaringen voldoende aanleiding ziet. Dat valt volgens [eiseres sub 1] c.s. ook af te leiden uit artikel 46 lid 2 TRA. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat ook deze situatie zich niet voordoet.
4.11.

De KNVB stelt dat de overtreding op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA en artikel 46 RTA op de juiste wijze bij de tuchtcommissie aanhangig is gemaakt. Volgens de KNVB geven deze artikelen de tuchtcommissie een autonome bevoegdheid om een tuchtzaak aanhangig te maken op basis van informatie die haar ter kennis is gekomen, hetzij via een aangifte, hetzij op andere wijze.
4.12.

Op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA wordt een overtreding aanhangig gemaakt bij de tuchtcommissie door een beslissing van de tuchtcommissie, wanneer het een overtreding van een wedstrijdbepaling waartegen de scheidsrechter niet heeft kunnen optreden, een overtreding van de Statuten, de reglementen en of gepubliceerde bestuursbesluiten betreft.
4.13.

In artikel 46 RTA – Aanhangig maken door een beslissing van de tuchtcommissie – is verder het volgende bepaald.
1. De tuchtcommissie kan een overtreding aanhangig maken door een daartoe strekkende beslissing wanneer bij haar een redelijk vermoeden ontstaat, dat een overtreding heeft plaatsgevonden, van:
a. de wedstrijdbepalingen waartegen de scheidsrechter niet heeft kunnen optreden; of
b. Statuten, reglementen en besluiten van organen anders dan de wedstrijdbepalingen.
2. Als tijdens een mondelinge behandeling door de tuchtcommissie het vermoeden ontstaat dat betrokkene strafbaar kan worden geacht aan een andere dan de aanhangig gemaakte overtreding, kan dit aan betrokkene mondeling worden aangezegd.
4.14.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de formulering van artikel 43 lid 1 sub f RTA niet worden afgeleid dat de toepassing van dit artikelonderdeel is beperkt tot de situatie waarin al een andere zaak bij de tuchtcommissie aanhangig is. Dit volgt ook niet uit het bepaalde in artikel 46 lid 1 RTA. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 46 geeft geen reden voor een ander oordeel. Dit artikellid geeft, voorshands oordelend, slechts een aanvullende regeling voor de bijzondere situatie dat tijdens een mondelinge behandeling door de tuchtcommissie het vermoeden ontstaat dat de betrokkene strafbaar kan worden geacht aan nog een andere overtreding. In dat geval kan de beslissing van de tuchtcommissie om ook deze overtreding aanhangig te maken, mondeling aan de betrokkene worden aangezegd. Dat dit een bijzondere regeling is, die geen afbreuk doet aan de algemene regeling als verwoord in het eerste lid van artikel 46, volgt ook uit het bepaalde in artikel 49, eerste lid aanhef en onder b. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kon de tuchtcommissie de overtreding in dit geval dan ook zelfstandig op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA aanhangig maken.
4.15.

[eiseres sub 1] c.s. klaagt er daarnaast over dat [H] (hierna: [H] ), als Medewerkster Excessen werkzaam bij de arbeidsorganisatie van de KNVB, in haar e-mail van 29 september 2016 om 15:23 uur aan [eiseres sub 1] ten onrechte namens de tuchtcommissie heeft geschreven dat de tuchtcommissie op basis van de schriftelijke verklaringen van [naam voetbalvereniging] het vermoeden heeft dat na deze wedstrijd één of meer excessieve overtreding(en) heeft/hebben plaatsgevonden door leden en/of toeschouwers van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 1] in deze e-mail heeft aangespoord om alle namen van de betrokken spelers en leden aan de KNVB te melden. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat [H] het hierbij deed voorkomen alsof de kwestie al bij de tuchtcommissie lag, terwijl dit niet het geval was. Dit blijkt volgens [eiseres sub 1] uit de e-mail van [H] van eerder die dag om 14:27 uur aan [naam voetbalvereniging] -penningmeester [I] . Zij schrijft in deze e-mail dat zij de zaak in behandeling zullen nemen en verklaringen aan de zijde van [eiseres sub 1] zullen opvragen, en dat de tuchtcommissie op basis van alle verklaringen zal beslissen welke vervolgstappen genomen zullen worden.
4.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de e-mail van [H] aan [eiseres sub 1] niet kan worden afgeleid dat zij op eigen houtje, zonder overleg met de tuchtcommissie, de overtreding bij de tuchtcommissie aanhangig heeft gemaakt. Uit deze e-mail kan immers worden afgeleid dat [H] kennelijk overleg heeft gehad met de tuchtcommissie en dat de commissie zich (inmiddels) op het standpunt heeft gesteld dat het vermoeden bestaat dat één of meer excessieve overtreding(en) heeft/hebben plaatsgevonden. Dit wordt ook bevestigd door de uitnodigingsbrieven voor de mondelinge behandeling voor de tuchtcommissie, die [H] op 6 oktober 2016 aan verschillende betrokkenen van [eiseres sub 1] heeft gestuurd en waarin zij schrijft dat de tuchtcommissie aan de hand van de schriftelijke rapportages van [naam voetbalvereniging] het vermoeden heeft dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan één of meerdere (excessieve) overtreding(en). Gezien het voorgaande is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de tuchtcommissie de beslissing om de overtreding zelfstandig op grond van artikel 43 lid 1 sub F RTA in aanhangig te maken, niet zelf heeft genomen en dat [H] [eiseres sub 1] in haar e-mail van 29 september 2016 onjuist heeft voorgelicht.
Mondelinge behandeling
4.17.

[eiseres sub 1] c.s. stelt voorts dat de CvB – met name ten aanzien van [eiser sub 2] – ten onrechte haar verzoek om een mondelinge behandeling te houden heeft afgewezen. Zij stelt dat [eiser sub 2] ten onrechte op basis van vier verklaringen van de [naam voetbalvereniging] -leden is veroordeeld voor het slaan en trappen van [A] . [eiseres sub 1] c.s. heeft er in haar beroepschrift op gewezen dat [A] en de andere [naam voetbalvereniging] -spelers elkaar tegenspreken over de locatie waar [eiser sub 2] [A] zou hebben getrapt terwijl hij op de grond lag. [A] schrijft in zijn verklaring dat dit vlakbij de kantine is gebeurd, terwijl de andere [naam voetbalvereniging] -leden hebben verklaard dat dit incident op de parkeerplaats plaatsvond. [eiseres sub 1] c.s. heeft voorts een aantal ontlastende verklaringen van [eiser sub 2] zelf en een aantal andere [eiseres sub 1] -leden aan de CvB gestuurd, waaruit blijkt dat [A] al gewond was aan zijn gezicht toen [eiser sub 2] uit de kantine naar buiten kwam. Er was volgens [eiseres sub 1] c.s. daarom aanleiding een mondelinge behandeling te houden om de verschillende getuigen (nogmaals) te horen.
4.18.

De KNVB stelt zich op het standpunt dat de CvB in dit geval terecht tot het standpunt heeft kunnen komen dat van een mondelinge behandeling kon worden afgezien. Zij voert in dit verband aan dat in eerste aanleg een uitvoerig mondeling onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de diverse betrokkenen in dat mondeling onderzoek ook door de tuchtcommissie zijn gehoord. De CvB heeft tot een bewezenverklaring kunnen komen op basis van de schriftelijke getuigenverklaringen en heeft het niet nodig geoordeeld om de betreffende getuigen ook nog eens mondeling te doen horen, waar dat in het mondeling onderzoek van de tuchtcommissie al had plaatsgevonden, althans daartoe voldoende gelegenheid was geweest voor [eiser sub 2] om de voor te brengen getuigen te doen horen. Volgens de KNVB is het niet gebruikelijk dat, wanneer in eerste aanleg een mondeling onderzoek heeft plaatsgevonden, ook nog eens een mondeling onderzoek in hoger beroep plaatsvindt, anders dan wanneer daarvoor naar het oordeel van de CvB gewichtige redenen bestaan.
4.19.

Op grond van artikel 86 lid 1 juncto artikel 62 lid 1 RTA vindt een mondelinge behandeling bij de Commissie van Beroep alleen plaats als de commissie dat wenselijk acht.
4.20.

In paragraaf 1.7 van de Handleiding Tuchtzaken Amateurvoetbal (hierna: de Handleiding) is bepaald dat de CvB in het algemeen alleen overgaat tot mondelinge behandeling, wanneer zij dat nodig vindt om tot een oordeel te komen. Als richtlijn geldt hierbij vooral de duidelijkheid en de onderlinge overeenstemming van de afgelegde (schriftelijke, eventueel mondelinge) verklaringen. Verder kunnen een rol spelen: de ernst van de zaak, de zwaarte van de straf en of deze zaak door de tuchtcommissie wel of niet mondeling is behandeld.
4.21.

De CvB heeft in de beroepszaak tegen [eiseres sub 1] in haar uitspraak met betrekking tot het verzoek een mondelinge behandeling te houden het volgende overwogen:
“De Commissie ziet (…) geen aanleiding om in hoger beroep andermaal een mondelinge behandeling te gelasten, te meer nu appellante niet heeft betwist dat de ten laste gelegde collectieve en door de TC als excessieve overtreding gekwalificeerde vechtpartij zich heeft voorgedaan en appellante haar beroep – afgezien van de formele bezwaren die zij aan haar beroep ten grondslag legt – uitsluitend baseert op een strafmaatverweer. De Commissie oordeelt dat zij op dat strafmaatverweer kan beslissen zonder het (opnieuw) gelasten van een mondeling onderzoek.”

4.22.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de CvB in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. De klacht van [eiseres sub 1] c.s. dat de CvB geen mondelinge behandeling heeft gehouden, ziet ook met name op de procedure tegen [eiser sub 2] . In die uitspraak heeft de CvB het volgende overwogen:
“De Commissie ziet (…) geen aanleiding om in hoger beroep andermaal een mondelinge behandeling te gelasten, te meer nu appellant in eerste aanleg is gehoord en de commissie zich overigens voldoende voorgelicht acht.”

4.23.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de CvB op grond van de stellingen die [eiseres sub 1] c.s. in haar beroepschrift heeft ingenomen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de [eiseres sub 1] -leden die bij de mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie een verklaring hebben afgelegd, niet nogmaals als getuigen te horen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verklaringen die van de zijde van [naam voetbalvereniging] voorafgaand aan en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn afgelegd, concreet en specifiek zijn en een gedetailleerde beschrijving geven van de gevechten die hebben plaatsgevonden en van degenen die daarbij waren betrokken. De verklaringen die de [eiseres sub 1] -leden hebben afgelegd zijn daarentegen niet specifiek en vaag. Er wordt in het algemeen verklaard dat wat duw- en trekwerk heeft plaatsgevonden, terwijl naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gelet op het letsel van [A] en [B] voldoende vaststaat dat er geslagen en/of getrapt is. De afgelegde verklaringen van de [eiseres sub 1] -leden zijn in dit licht bezien onvoldoende overtuigend.
4.24.

De aanvullende verklaringen van [eiseres sub 1] -leden die [eiseres sub 1] c.s. in het kader van de beroepsprocedure heeft overgelegd, hoefde de CvB ook geen aanleiding te geven om deze leden als getuigen te horen. De strekking van deze verklaringen is, dat is waargenomen dat [A] op het moment dat [eiser sub 2] uit de kantine naar buiten rende, zijn hand bij zijn oog/gezicht hield omdat hij daar kennelijk een klap op had gehad. Deze verklaringen komen op dit punt echter overeen met de schriftelijke verklaringen die [B] , [D] en [C] voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben afgelegd. Zij verklaren immers alle drie dat [A] vlak bij de kantine een klap/klappen heeft gekregen en op de grond is gevallen.
4.25.

[B] en [D] verklaren echter ook, dat [A] later door [eiser sub 2] op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. Ook [C] verklaart dat [A] op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. Hij noemt in zijn verklaring geen namen, maar verklaart wel dat [A] van de nummer 9 een mega klap op zijn hoofd kreeg, dat hij in het grind viel en dat 3 man op hem inschopten. [A] verklaart echter alleen dat hij vlak bij de kantine is geslagen en getrapt terwijl hij op de grond lag. Hij verklaart niet dat hij op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. 
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tegenstrijdige verklaringen van [A] enerzijds en [B] , [D] en [C] anderzijds over de locatie waar [A] door [eiser sub 2] zou zijn getrapt, de CvB in redelijkheid aanleiding had moeten geven om de [naam voetbalvereniging] -spelers hierover nogmaals te horen, of in ieder geval in de uitspraak gemotiveerd aan te geven waarom zij dit in de gegeven omstandigheden niet nodig achtte.
 De tuchtcommissie en de CvB hebben [eiser sub 2] immers op grond van deze verklaringen een langdurige schorsing opgelegd, en het past daarbij niet dat er onduidelijkheid bestaat over zo een essentieel onderdeel van de overtreding als de locatie waar deze heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter acht het gelet hierop aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat aan de uitspraak van de CvB die in de procedure tegen [eiser sub 2] is gewezen, een essentieel gebrek kleeft en dat deze uitspraak vernietigbaar is wegens strijd met de Reglementen, in het bijzonder paragraaf 1.7 van de Handleiding. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de uitspraken van de CvB en de tuchtcommissie ten aanzien van [eiser sub 2] te schorsen [zinsdeel weggelaten; zie herstelvonnis ECLI:NL:RBMNE:2017:1551].
Verzuim van reglementair voorgeschreven termijnen
4.26.

[eiseres sub 1] c.s. klaagt er ten slotte over dat de CvB in strijd met het bepaalde in artikel 97 lid 3 RTA niet binnen 5 werkdagen na ontvangst van het beroepschrift, maar pas drie weken na indiening van het beroepschrift uitspraak heeft gedaan. In dit artikellid, dat betrekking heeft op de verkorte procedure zoals die hier is gevoerd, is bepaald dat het beroep in geval van schriftelijke behandeling zo mogelijk binnen drie doch niet later dan vijf werkdagen na ontvangst van het beroep door de commissie van beroep wordt behandeld. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat de CvB daarnaast heeft gehandeld in strijd met artikel 100 RTA, in welk artikellid is bepaald dat de CvB in geval van een schriftelijke behandeling binnen 24 uur na het sluiten van de behandeling uitspraak doet.
4.27.

De KNVB stelt zich op het standpunt dat de CvB niet in strijd heeft gehandeld met enige reglementaire bepaling, omdat tussen het in behandeling nemen en het sluiten van de behandeling geen reglementair voorgeschreven termijn bestaat.
4.28.

De voorzieningenrechter stelt vast dat, wat er ook zij van de juistheid van de stelling van [eiseres sub 1] c.s. dat de duur van de behandeling uit de artikelen 97 lid 3 en 100 RTA volgt, hetgeen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval is, dit een termijn van orde betreft. Een eventuele overschrijding van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de uitspraak van de CvB op die grond vernietigbaar is.
4.29.

De conclusie is dat de vorderingen van [eiseres sub 1] worden afgewezen. De vorderingen van [eiser sub 2] worden toegewezen als hierna is bepaald. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding de voorziening slechts te treffen voor de duur van de bodemprocedure in eerste aanleg. De gevorderde voorziening tot het moment dat in de bodemprocedure “onherroepelijk” zal zijn beslist, wordt afgewezen.
4.30.

KNVB zal als de jegens [eiser sub 2] grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [eiseres sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van de KNVB die echter vanwege de samenhang met het verweer tegen de vorderingen van [eiser sub 2] door de voorzieningenrechter worden begroot op nihil. De kosten aan de zijde van [eiser sub 2] worden begroot op:

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

schorst de uitspraken van tuchtcommissie van 17 oktober 2016 en de Commissie van Beroep van 23 november 2016 voor zover deze betrekking hebben op [eiser sub 2] en beveelt de KNVB om [eiser sub 2] , als voetbalspeler toe te laten en – voor zover de weigering hem als voetbalspeler toe te laten wordt gebaseerd op de beslissing in voornoemde uitspraken – toegelaten te houden totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg is beslist over de gevorderde vernietiging van de beide uitspraken;
5.2.

bepaalt dat deze voorziening vervalt, indien [eiser sub 2] niet uiterlijk op 14 april 2017 de dagvaarding in de bodemprocedure heeft uitgebracht;
5.3.

[]

Vereniging ongefundeerd beschuldigen

Gerechtshof ‘s-Hertogenbosch 21 maart 2017ECLI:NL:GHSHE:2017:1099

Het hof laat de opzegging van het lidmaatschap in stand. “Bij gebreke aan enige concrete, feitelijke onderbouwing van de stelling dat (het bestuur van) De Amer in de woorden van [het lid] ernstig heeft gefraudeerd of gesjoemeld, komt het hof aan bewijslevering niet toe (). Kortom, [het lid] beschuldigt (het bestuur van) De Amer van meerdere frauduleuze handelingen, brengt die beschuldigingen ook naar buiten [naar onder meer de FIOD en de landelijke bond], maar niets daarvan wordt ook maar enigszins onderbouwd.”

Derhalve heeft het bestuur van De Amer in redelijkheid tot het besluit kunnen komen, dat redelijkerwijze niet meer van De Amer gevergd kon worden het lidmaatschap van [appellant] te laten voortduren. ”


arrest van 21 maart 2017

in de zaak van
[appellant] ,
tegen Watersportvereniging De Amer,

op het bij exploot van dagvaarding van 4 september 2015 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, handelsrecht van 10 juni 2015, gewezen tussen appellant – [appellant] – als eiser en geïntimeerde –De Amer- als gedaagde.

1Het geding in eerste aanleg (zaaknr.rolnr C/02/289975 / HA ZA 14-809)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 7 januari 2015 waarbij een verschijning van partijen is bevolen.

4De beoordeling

4.1.

De rechtbank heeft in het bestreden vonnis onder 3.1 vastgesteld van welke feiten bij de beoordeling van het geschil is uitgegaan. Die feiten zijn niet bestreden, zodat ook het hof daarvan zal uitgaan. Het hof gaat daarnaast nog van enkele gestelde en niet bestreden feiten uit. Hierna volgt een opsomming van alle feiten.
a. De Amer is een watersportvereniging met ongeveer 200 leden. Zij huurt van Jachthaven [Jachthaven] een kade en een strook water met ligplaatsen voor boten in de Nieuwe Jachthaven in [vestigingsplaats] .
b. [appellant] is vanaf ongeveer 2002 tot en met 2013 lid geweest van De Amer.
c. De op 5 december 2012 gedateerde brief van [appellant] aan het bestuur van De Amer (productie 3 dagvaarding in eerste aanleg) houdt onder meer in:

“(…)Ik [appellant] heb het ernstige vermoeden dat wij leden van (…) DE Amer, benadeeld worden door dit bestuur. (…)Ik verzoek u ivm afwezigheid deze brief te behandelen tijdens de algemene leden vergadering 15 December 2012.Gelet op de dictatuur binnen dit bestuur, kan deze zaak alleen maar besproken worden met de leden van de ere code commissie.Wordt dit door de dictatuur binnen het bestuur verhindert, zal ik stappen ondernemen, denkt aan bv de Fiscale Inlichtingen en Opsporings Dienst – Economische Controledienst.Blijkt dat dit bestuur aftreed, zal ik u te aller tijden aansprakelijk houden.Ik verzoek u de volgende punten te willen behandelen:1e ivm de diefstallen?: de tekst op internet (…) over privacy en veiligheid, deze tekst is totaal zinloos, omdat de havenmeester (…) overdag (…) de poort open laat staan. (…)3e art 27 (…) waarom laat de penningmeester (…) zijn hond los lopen, dus artikel verwijderen of honden vast ook voor die penningmeester (…) ”De statuten:(…)Artikel 2:4 volgens mij wordt de haven gebruikt als verkoop haven en ons clubhuis als kantoor, Zijn de kosten voor stook – Electra al verhaald, Geef ik een feestje wordt het clubhuis ook vergoed; dit is opbrengst voor de vereniging. Ons clubhuis is geen makelaars kantoor, hoe denkt u dit te gaan verrekenen voor devereniging, Of wordt dit ook door de Penningmeester vriendschappelijk verrekend.(…)Op 11 November 2012 heb ik gesproken met Dhr [betrokkene 1] tijdens dit gesprek kwam naar voren dat u het voornemen heeft (…) havenmeester Dhr [havenmeester] te willen ontslaan, dit zal de nodige kosten met zich meebrengen, mag blijken dat dit alleen maar gebeurd uit rancune van het bestuur ten nadelen van (…) Dhr [havenmeester] , (…)”.

 

d. De brief van 5 december 2012 van [appellant] aan het bestuur van De Amer (productie 2 conclusie van antwoord) houdt in, voor zover relevant:
“(…)
Betreft: Motie van wantrouwen.

Geacht bestuur,

Bij deze dien ik [appellant] lid van (…) De Amer een motie van wantrouwen in; Omdat ik het vertrouwen in dit (…) bestuur op zegt.
Reden hiervoor is dat dit bestuur niet in staat wordt geacht om zijn kundige en bestuurlijke taken uit te voeren, en wordt geacht niet in het belang van (…) De Amer te handelen, en heeft gehandeld.”.

e. De brief van 4 januari 2013 van voorzitter [voorzitter] namens het bestuur van De Amer aan [appellant] (productie 6 conclusie van antwoord) houdt in, voor zover relevant:
“(…)
Hierbij reageren wij (…) op uw brief van 5 december 2012 met als onderwerp: statuten (…) en op de motie van wantrouwen van 5 december 2012.
De motie van wantrouwen en de brief is (…) door het bestuur ter behandeling voorgelegd aan de Erecodecommissie. Deze commissie heeft tijdens de algemene ledenvergadering op 15 december de leden geadviseerd om het bestuur te machtigen om de brief verder met u (te) bespreken en te beantwoorden. De motie van wantrouwen is daarna in stemming gebracht en vervolgens door de algemene vergadering (…) afgewezen.
Het bestuur (…) nodigt U van harte uit in het clubhuis om in een persoonlijk onderhoud uw brief toe te lichten en te bespreken. (…)”.
[appellant] heeft de uitnodiging niet aangenomen.

f. In januari 2013 stuurt [appellant] het bestuur van De Amer een e-mailbericht over de watermeter. Dit heeft betrekking op het feit dat de watermeter van het clubhuis verkeerd is aangesloten, zodat water ‘buiten de meter om’ wordt verbruikt en geen correcte zuiveringsheffing is opgelegd.
g. Het e-mailbericht van [appellant] aan de leden van De Amer, verzonden op 22 januari 2013 17:09 (productie 7 dagvaarding in eerste aanleg en productie 7 conclusie van antwoord) houdt in, voor zover relevant:
“(…)
Naar aanleiding van mijn schrijven dd 5 December 2012; En mijn motie van wantrouwen, Had het bestuur deze brieven op de algemene jaar vergadering van 15 December 2012 moeten behandelen, echter werd er voor gekozen dit geheim te houden, hierdoor is wettelijk gezien het bestuur ernstig in gebreke gebleven.
Het bestuur had de plicht de leden op de hoogte te brengen van deze brieven.
(…)
Ik heb in het verleden diverse keren op gewezen dat wij kostbaar drinkwater verspillen (…) echter door het bestuur is daar niet op gereageerd.
Inmiddels heb ik Brabant Water ingeschakeld ter controle op het verbruik van drinkwater; in gesprek met Brabant Water zou blijken dat door leden van het bestuur vermoedelijk onjuiste aangiften zijn gedaan.
Wij kunnen als lid toch niet toestaan dat er gesjoemeld wordt door leden van het bestuur; ik wil nu niet praten over het feit dat er vermoedelijk gefraudeerd is door leden van het bestuur (…)”.

h. Zowel [appellant] als het bestuur van De Amer neemt in de periode na het hiervoor sub f vermelde e-mailbericht contact op over deze kwestie met diverse instanties. Op 19 maart 2013 wordt de watermeter correct aangesloten.
i. Bij e-mailbericht van 26 maart 2013 (productie 5 dagvaarding in eerste aanleg) schrijft mevrouw [vertegewoordiger Belastingsamenwerking] van Belastingsamenwerking West-Brabant aan [appellant] , voor zover van belang:
“Ik wil u even op de hoogte brengen van het feit dat dhr. [betrokkene 2] en dhr. [betrokkene 3] net spontaan bij mij zijn geweest om over de aanslagen zuiveringsheffing aan de Watersportvereniging te praten.
Ze vertelden van de meter op nr. 10 die niet gelopen heeft en over de eigen tussenmeter die wel het verbruik heeft gemeten van het clubhuis.
(…)
Aangezien de definitieve aanslag over 2011 nog niet is opgelegd, gaan we aan de hand van deze gegevens de aanslag berekenen. Dit gaat om ongeveer 450 m3 op jaarbasis, dus de aanslag wordt fors hoger. Of we met terugwerkende kracht nog gaan navorderen (…) moet ik overleggen (…). Ze hebben dit uiteraard liever niet, maar snapten het wel.
Ze hebben dus schoon schip gemaakt. (…)”.

j. [appellant] reageert op het hiervoor in sub i genoemde bericht per e-mailbericht van 1 april 2013 (ook productie 5 dagvaarding eerste aanleg). Hij schrijft onder meer:
“Zoals ik reeds eerder berichtte het zijn wolven in schaapskleren. (…)
U weet hoe het nu gelopen is de afloop zien wij als leden wel tegemoet, ik hoop dat het flink wat gaat kosten en men ook een boete oplegt er is gewoon ernstig gefraudeerd.”.

k. In een ongedateerde brief aan [vertegewoordiger Belastingsamenwerking] (ook productie 5 dagvaarding in eerste aanleg) schrijft [appellant] onder meer:
“Men tracht nu het straatje schoon te vegen (…)
gelet op de fraudeleuze handelingen die gepleegd zijn door deze leden van ons bestuur, (…)
Inmiddels ben ik ook bezig met het schrijven aan de FIOD te Utrecht ivm andere wantoestanden binnen onzevereniging, het moet nu eens gedaan zijn met al die fraudeleuze handelingen van desbetreffende bestuursleden. (…)
Ik kan u maar een ding toezeggen laat u zich niet inpakken door deze leden van ons bestuur zijn zo glad als een aal.’

l. Op 11 april 2013 stuurt [appellant] een brief aan het Koninklijk Nederlands Watersport Verbond (productie 6 dagvaarding eerste aanleg) waarin hij onder meer schrijft:
“(…)
Ik vraag mij als lid af of dat de Koninklijk Nederlands Watersport Bond wel leden kan accepteren die fraudeleuze handelingen verrichten.
Bijgaande treft u (…) tal van brieven aan mbt ‘n lid van de Koninklijke dat is watersportvereniging De Amer gevestigd te [vestigingsplaats] .
Ik vind het ongepast, en er moet opgepast worden ivm aantasting van het koninklijke aspect van de Koninklijk Nederlands Watersport Verbond, als er dergelijke leden in deze vereniging zitten.”

m. Op onder meer 6 maart 2013 (productie 8 conclusie van antwoord) en 16 maart 2013 (productie 9 conclusie van antwoord) stuurt [appellant] e-mailberichten naar de leden van De Amer waarin hij soortgelijk verslag doet van (een aantal van) bovenstaande contacten als in zijn hiervoor in sub g e-mailbericht.
n. Na maart 2013 stuurt [appellant] een brief aan de FIOD-ECD (productie 7 dagvaarding in eerste aanleg) die inhoudt, voor zover van belang:
“Het is mij een doorn in het oog wat er binnen (…) De Amer gebeurt, (…)
Enige voorbeelden waarmee gesjoemeld wordt binnen onze vereniging:
Gedurende ’n 5 tal jaren werd er water verbruikt buiten de watermeter om, middels een zelf gemaakte aanboring op de waterleiding van Brabant Water;
(…)
De inkoop en verkoop van drank ijs snoepgoed en etenswaren in ons clubhuis is al vele jaren onjuist opgenomen, bonnen worden weg gemoffeld of vernietigd; daardoor worden er al vele jaren onjuiste aangiften gedaan (…)
In gehuurd personeel bv voor schoonmaakwerk (…) wordt zwart betaald (…)
Ligplaatsen worden zonder factuur of met onjuiste facturering verhuurt, men betaald zwart aan de penningmeester (…)
Mede gelet op boven vernoemde zaken wordt het nu echt tijd dat hier fiscaal wordt ingegrepen (…).”.

o. Bij brief van 2 april 2013 (productie 4 dagvaarding in eerste aanleg) aan de leden van De Amer gaat de voorzitter van het bestuur, namens het bestuur, in op de kwestie van het waterverbruik en het ontslag van havenmeester [havenmeester] . Het bestuur zegt toe zodra over beide zaken meer duidelijkheid is verkregen, in een tussentijdse algemene ledenvergadering rekening en verantwoording af te leggen.
p. De hiervoor in sub o aangekondigde algemene ledenvergadering vindt plaats op 22 juni 2013. Uit de notulen van die vergadering (productie 8 dagvaarding in eerste aanleg) blijkt dat aan de orde komt onder meer de situatie rondom de ontslagen havenmeester [havenmeester] , een toelichting op de wateraansluiting (feiten en financiële gevolgen), een motie van wantrouwen van [appellant] jegens het bestuur, welke motie wordt verworpen, en het lidmaatschap van [appellant] . Op voorstel van een van de leden wordt [appellant] de gelegenheid geboden om excuses te maken aan het bestuur. [appellant] maakt van die gelegenheid geen gebruik.
q. Bij brief van 22 oktober 2013 (productie 2 dagvaarding in eerste aanleg) bericht de voorzitter van het bestuur, namens het bestuur, [appellant] :
“In zijn vergadering d.d. 10 oktober 2013 heeft het bestuur unaniem besloten om uw lidmaatschap per heden op te zeggen, krachtens art. 6 lid 3 van de statuten (…)
Het bestuur is van oordeel dat het redelijkerwijze van de vereniging niet gevergd kan worden om uw lidmaatschap te laten voortduren vanwege uw handelswijze om WV De Amer bij collega-verenigingen en bij meerdere instanties in een kwaad daglicht te stellen.”.

r. art. 6 van de statuten van De Amer (productie 1 conclusie van antwoord) houdt in:
“Artikel 6
Het lidmaat-, Gebruiker- en Begunstigerschap eindigt:
(…)
3. Door schriftelijke opzegging door het bestuur:
(…)
b. wanneer redelijkerwijze van de vereniging niet gevergd kan worden het lidmaat-, gebruiker-, begunstigerschap te laten voortduren.
(…)”.
4.2.1

[appellant] heeft in eerste aanleg, samengevat, gevorderd dat de rechtbank bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. vernietigt het besluit van 10 oktober 2013, verzonden op 22 oktober 2013, waarmee [appellant] uit het lidmaatschap van De Amer werd gezet wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid op grond van art. 2:15 lid 1 sub b BW en De Amer veroordeelt om [appellant] in al zijn rechten als lid van De Amer te herstellen en dit ook schriftelijk aan alle andere leden kenbaar te maken, zulks binnen drie dagen na betekening van het te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 500,- per dag, tot een maximum van € 500.000,- dat De Amer in gebreke blijft aan het vonnis te voldoen;
2. De Amer veroordeelt binnen zeven dagen na betekening van het vonnis te restitueren het door [appellant] voor het jaar 2013 betaalde lidmaatschapsgeld, voor zover betrekking hebbend op de periode 22 oktober 2013 tot en met 31 december 2013, derhalve 71/365e deel;
3. De Amer veroordeelt in de kosten van het geding.
4.2.2

De rechtbank heeft de vordering afgewezen. Zij heeft geoordeeld dat [appellant] zich gezien de gedeeltelijk algemene en ernstige aard van zijn aan het bestuur of individuele bestuursleden geuite beschuldigingen zonder dat deze voldoende waren onderbouwd, niet heeft gedragen conform de eisen van redelijkheid en billijkheid. Het bestuur kon aldus in redelijkheid van oordeel zijn dat het redelijkerwijs van De Amer niet langer kon worden gevergd het lidmaatschap van [appellant] te laten voortduren. [appellant] is uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld in de proceskosten.
4.3

[appellant] vordert in het hoger beroep onder het voordragen van grieven deel I en deel II en een grief ter zake de proceskosten, dat het hof het vonnis van 10 juni 2015 zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, uitvoerbaar bij voorraad en bij arrest, samengevat:
1. zal toewijzen hetgeen hij onder 1. in eerste aanleg heeft gevorderd zoals hiervoor in rov. 4.2.1 is vermeld;
2. De Amer zal veroordelen om, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen arrest, tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [appellant] te betalen € 60,- te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 1 december 2015 tot aan de dag der algehele betaling;
3. De Amer zal gebieden om, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen arrest, de in eigendom aan haar toebehorende 4 sept-keys, retour te nemen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10,- per dag, tot een maximum van € 500,-, dat De Amer in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen,
een en ander onder veroordeling van De Amer in de kosten van de procedure in beide instanties en onder veroordeling van De Amer tot terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis van 10 juni 2015 reeds aan De Amer heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 4 september 2015 tot aan de dag der algehele betaling.
De Amer voert verweer.

4.4

De Amer heeft geen bezwaren aangevoerd tegen de wijziging van de vordering, zodat het hof recht zal doen op de gewijzigde eis.
4.5.1

De grieven leggen het geschil in volle omvang voor en zullen daarom (deels) gezamenlijk worden beoordeeld.
4.5.2

[appellant] beroept zich bij zijn vordering tot vernietiging van het besluit van De Amer tot opzegging van zijn lidmaatschap op artikel 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Krachtens dit artikel is het besluit van De Amer tot opzegging van het lidmaatschap van [appellant] vernietigbaar indien er sprake is van strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW wordt geëist.
4.5.3

De Amer heeft aangevoerd dat zij haar opzegging heeft gebaseerd op artikel 2:35 lid 2 BW in verbinding met artikel 6 aanhef en onder 3 b van de statuten van de Amer (zie 4.1. sub r). Krachtens deze bepalingen geldt als maatstaf voor de opzegging van het lidmaatschap dat redelijkerwijs niet van devereniging gevergd kan worden het lidmaatschap te laten voortduren.
4.6.1

In de hiervoor in rov. 4.1 sub j en k genoemde berichten aan mevrouw [vertegewoordiger Belastingsamenwerking] van Belastingsamenwerking West-Brabant schrijft [appellant] “er is gewoon ernstig gefraudeerd.” respectievelijk “gelet op de fraudeleuze handelingen die gepleegd zijn door deze leden van ons bestuur,” In de hiervoor in rov. 4.1 sub n genoemde brief aan de FIOD-ECD noemt [appellant] “Enige voorbeelden waarmee gesjoemeld wordt binnen onze vereniging.” Hij beschuldigt in die brief (het bestuur van) De Amer van de volgende handelingen:
  • er wordt water verbruikt buiten de watermeter om door middel van een zelf gemaakte aanboring op de waterleiding van Brabant Water;
  • de inkoop en verkoop van drank, ijs, snoepgoed en etenswaren in het clubhuis van De Amer is al vele jaren onjuist opgenomen en er worden bonnen weggemoffeld of vernietigd waardoor er al vele jaren onjuiste aangiften worden gedaan;
  • ingehuurd personeel wordt zwart betaald;
  • er worden ligplaatsen zonder factuur of met onjuiste facturering verhuurd waarbij zwart wordt betaald aan de penningmeester.
Uit het hiervoor in rov. 4.1 sub l genoemde schrijven aan de Koninklijke Nederlandse Watersport Bond blijkt dat [appellant] De Amer tegenover deze bond beschuldigt van fraude. [appellant] vraagt zich verder in die brief af of De Amer door die Bond wel langer als lid mag worden geaccepteerd.
Met deze berichten heeft [appellant] De Amer bij collega-verenigingen en bij meerdere instanties in een kwaad daglicht gesteld, zoals is vermeld in de brief d.d. 22 oktober 2013 (rov. 4.1 sub q).

4.6.2

Van al deze beschuldigen staat in deze procedure alleen vast dat het waterverbruik niet juist is gemeten. Dat (het bestuur van) De Amer opzettelijk heeft bewerkstelligd dat het juiste waterverbruik niet werd gemeten, is niet komen vast te staan en feitelijk ook niet onderbouwd. [appellant] heeft alle andere ernstige beschuldigingen op geen enkele manier concreet, feitelijk onderbouwd. Ook in de door [appellant] overgelegde brief van [havenmeester] (productie 6 akte d.d. 23 februari 2016) worden geen concrete feitelijke aanknopingspunten gegeven voor de door [appellant] geuite beschuldigingen. [havenmeester] vermeldt in die brief geen enkel frauduleus feit en hij schrijft zelfs dat alles perfect liep en het kasgeld en de kasbonnen correct werden weergegeven. Bij gebreke aan enige concrete, feitelijke onderbouwing van de stelling dat (het bestuur van) De Amer in de woorden van [appellant] ernstig heeft gefraudeerd of gesjoemeld, komt het hof aan bewijslevering niet toe, daargelaten het antwoord op de vraag of [appellant] wel bewijs heeft aangeboden van feiten waaruit de beschuldigingen kunnen worden afgeleid. Kortom, [appellant] beschuldigt (het bestuur van) De Amer van meerdere frauduleuze handelingen, brengt die beschuldigingen ook naar buiten, maar niets daarvan wordt ook maar enigszins onderbouwd.
Derhalve heeft het bestuur van De Amer in redelijkheid tot het besluit kunnen komen, dat redelijkerwijze niet meer van De Amer gevergd kon worden het lidmaatschap van [appellant] te laten voortduren. Dit besluit komt dan ook niet in aanmerking voor vernietiging op grond van art. 2:15 lid 1 aanhef en onder b BW. Daarvoor zijn de niet onderbouwde beschuldigingen te persoonlijk en te ernstig van aard, mede bezien in het licht van het feit dat De Amer een niet al te grote gezelligheids-sportvereniging is. De aard en ernst van die beschuldigingen mede bezien in het licht van de hiervoor geschetste concrete omstandigheden betekenen tevens dat het belang van [appellant] om lid te willen blijven van De Amer en het feit dat hij in het verleden nuttige bijdragen heeft geleverd niet tot een ander oordeel kunnen leiden.

4.6.3

[appellant] heeft nog aangevoerd dat uit de notulen van de algemene ledenvergadering van 22 juni 2013 blijkt dat slechts twee leden de mening waren toegedaan dat zijn lidmaatschap moest eindigen. Het hof leest dat niet in nr. 9 van de notulen van de vergadering van 22 juni 2013. Vermeld is enkel: (i) dat diverse leden het bestuur hebben verzocht om het lidmaatschap van [appellant] op te zeggen, (ii) dat het bestuur de mening van de zaal heeft gepolst, (iii) dat twee aanwezigen hebben verklaard dat [appellant] niet langer bij De Amer lid hoort te zijn en (iv) dat twee leden vinden dat het genoeg is als [appellant] zijn excuses aanbiedt. Een stemming is niet gehouden, zodat niet bekend is wat de zwijgende meerderheid (er waren 38 stemgerechtigden aanwezig) van een en ander vond. Verder kan er niet aan worden voorbijgezien dat het krachtens art. 6 aanhef en lid 3 aanhef en sub b van de statuten van De Amer aan het bestuur is om een lidmaatschap te beëindigen. Zoals uit rov. 4.6.2. volgt, is het hof van oordeel dat het bestuur in redelijkheid tot haar besluit heeft kunnen komen. Ook als zou komen vast te staan, zoals [appellant] ten bewijze heeft aangeboden (nr. 20 memorie van grieven), dat er tijdens die vergadering geen sfeer heerste inhoudende dat zijn lidmaatschap moest worden beëindigd, leidt dat niet van doorslaggevend belang zijnde feit niet tot een ander oordeel. Het hof passeert dat aanbod dan ook.
4.6.4

Het recht kent niet de door [appellant] aangevoerde regel dat een beëindiging van het lidmaatschap zoals het onderhavige onverwijld zou moeten geschieden. Van een bestuur mag een zekere voortvarendheid worden verwacht, maar de termijn tussen het bericht van [appellant] van maart 2013 aan [vertegewoordiger Belastingsamenwerking] van Belastingsamenwerking West-Brabant (rov. 4.1 sub i) en zijn bericht aan de FIOD van latere datum (rov. 4.1 sub n) aan [appellant] enerzijds en anderzijds het besluit van 22 oktober 2013 waarmee zijn lidmaatschap is beëindigd, is niet zodanig lang dat daaraan het gevolg moet worden verbonden dat dit besluit moet worden vernietigd.
Het genoemde tijdsverloop is evenmin zo lang van duur dat dit zou moeten worden gerechtvaardigd.

4.6.5

Het bestuur heeft [appellant] op 4 januari 2013 een gesprek aangeboden (rov. 4.1 sub e). [appellant] is daarop niet ingegaan. Op voorstel van een van de leden wordt [appellant] tijdens de ledenvergadering van 22 juni 2013 de gelegenheid geboden om excuses te maken aan het bestuur. [appellant] maakt van die gelegenheid geen gebruik (rov. 4.1 sub p). Gelet hierop kan van het bestuur niet worden gevergd dat zij nogmaals probeert het gesprek met [appellant] aan te gaan. Gelet op de ernst van de door [appellant] geuite beschuldigingen en het gebrek aan aanknopingspunten voor de juistheid daarvan, ontgaat het het hof dat De Amer rekening zou moeten houden met het feit dat [appellant] , zoals hij zelf stelt, het hart op de tong heeft. Voor zover [appellant] heeft willen aanvoeren dat hij tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg wel excuses heeft aangeboden, blijkt dat niet uit het proces-verbaal. Daarin is vermeld dat hij heeft verklaard dat hem geen verwijt valt te maken en dat hij niet anders kon dan extern te gaan en dat hij harde woorden heeft gebruikt, maar dat je tegen een dergelijk bestuur ook harde woorden moet gebruiken. Het hof kan daaruit alleen maar afleiden dat [appellant] nog steeds van mening is dat hij juist heeft gehandeld.
4.7

Al het overige door [appellant] aangevoerde, onder meer de kwestie betreffende de havenmeester, kan als verder niet relevant voor de beëindiging van het lidmaatschap van [appellant] buiten beschouwing worden gelaten.
4.8

[appellant] heeft tenslotte gevorderd dat De Amer wordt veroordeeld om hem € 60,- te betalen. Hij heeft namelijk volgens eigen zeggen nog steeds vier sept keys van De Amer, waarvoor hij een borg heeft betaald van € 15,- per stuk. De Amer heeft in haar memorie van antwoord aangevoerd dat per ligplaatshouder slechts één sept key is uitgereikt en dat één sept key per schip voldoende is. Het is daarom, aldus De Amer, zeer onaannemelijk dat [appellant] vier sept keys heeft ontvangen en daarvoor telkens de waarborgsom heeft betaald. Als [appellant] echter vier sept keys heeft, heeft hij ook vier kwitanties van de door hem telkens per key betaalde waarborgsom.
Het hof begrijpt dat De Amer bereid is om tegen overlegging en overhandiging van elke sept key met daarbij behorende kwitantie aan [appellant] zijn waarborgsom terug te betalen. [appellant] heeft daarop in zijn akte niet gereageerd, zodat het hof zijn vordering in die zin zal toewijzen dat De Amer tegen overlegging door [appellant] van elke sept key met kwitantie een bedrag van € 15,- aan [appellant] dient te betalen. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] ooit een sept key vergezeld van kwitantie aan De Amer heeft aangeboden. De wettelijke rente over de terug te betalen borg kan dan ook slechts ingaan indien en zodra De Amer weigert om die borg terug te betalen, terwijl [appellant] die borg heeft teruggevraagd onder gelijktijdige aanbieding van sept key en kwitantie. De vordering van [appellant] ter zake zal aldus worden toegewezen. De door [appellant] ter zake gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd tot € 150,- in totaal.

4.9

Het hof komt, gelet op al het vorenstaande, niet toe aan bewijslevering.
4.10

Uit het vorenstaande volgt dat het vonnis zal worden bekrachtigd, met dien verstande dat De Amer zal worden veroordeeld ter zake de sept keys zoals hierna is bepaald. [appellant] heeft te gelden als de overwegend in het ongelijk gestelde partij en zal daarom worden veroordeeld in de kosten van dit hoger beroep.

5De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep met aanvulling van de volgende veroordeling:

veroordeelt De Amer om aan [appellant] te betalen € 15,- voor elke door [appellant] te overhandigen sept key met daarbij behorende kwitantie waaruit blijkt dat [appellant] voor die key € 15,- borg heeft betaald, met een maximum van € 60,- (dus maximaal vier sept keys + daarbij behorende kwitanties), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 15,- met ingang van elke dag dat De Amer nadat dit arrest is gewezen in gebreke blijft met die betaling, indien [appellant] wel (telkens) sept key + kwitantie heeft aangeboden;

gebiedt De Amer om, binnen zeven dagen na betekening van het te wijzen arrest, van [appellant] retour te nemen de haar in eigendom toebehorende sept-keys met een maximum van vier en mits telkens vergezeld van de bij elke sept key behorende en door De Amer uitgegeven en door [appellant] te overhandigen kwitantie(s), op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10,- per dag, tot een maximum van € 150,-, dat De Amer in gebreke blijft aan dit gebod te voldoen,

Opheffen zonder ontbinden is nietig

Rechtbank Midden-Nederland 22 februari 2017
ECLI:NL:RBMNE:2017:1074


In deze zaak besluit een meerderheid van de leden van (in wezen) een woongroep in te stemmen met het voorstel van de verhuurder van het pand  om de verhuurovereenkomst te beëindigen tegen vervangende woonruimte. Het besluit wordt genomen met 3 stemmen voor en 2 tegen. De rechter oordeelt dat het besluit nietig is, omdat het neer komt op ontbinding van de vereniging. Daarvoor schrijven de statuten een twee/derde meerderheid voor.

De voorzieningenrechter: “Een besluit tot ontbinding van [de vereniging] moet blijkens artikel 22.1 van de statuten door de ALV met een meerderheid van tenminste twee/derde gedeelte van het aantal geldig uitgebrachte stemmen worden genomen. Tussen partijen staat vast dat de ALV geen formeel besluit tot ontbinding van [de vereniging] heeft genomen. Nu het besluit van de ALV om in te stemmen met de (voortijdige) beëindiging van de huur- en beheerovereenkomst dezelfde gevolgen heeft als een ontbindingsbesluit, dienen naar het oordeel van de voorzieningenrechter voor dit besluit dezelfde totstandkomingsvereisten te gelden als voor een ontbindingsbesluit. Er kon dus niet worden volstaan met besluitvorming door de ALV met meerderheid van stemmen, maar er had besluitvorming moeten plaatsvinden met een meerderheid van tenminste twee/derde gedeelte van het aantal geldig uitgebrachte stemmen.”



Vonnis in kort geding van 22 februari 2017
in de zaak van
1. [eiser sub 1] ,
2. [eiseres sub 2] ,

tegen 1. de vereniging [de vereniging] ,
2. [gedaagde sub 2],
3. [gedaagde sub 3],

Eisers zullen hierna [eiser sub 1] c.s. worden genoemd. Gedaagden sub 1, 2 en 3
zullen respectievelijk [de vereniging] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3]
worden genoemd en zullen gezamenlijk worden aangeduid als [de vereniging] c.s.


2De feiten
2.1.
[eiser sub 1] c.s. heeft bij notariële
akte van 21 augustus 1986 een belangenvereniging opgericht ten behoeve van het
[…] “ [naam] ” , gelegen aan de [straatnaam] te [vestigingsplaats] . Dit
betreft de [de vereniging] (hierna: [de vereniging] , in de stukken ook wel [de
vereniging] genoemd). In de statuten van [de vereniging] is onder meer het
volgende bepaald:


“artikel 4: het doel4. Het doel van [de vereniging] is:a. het ontwikkelen en steunen van
sociaal-culturele activiteiten op en rondom het […] * [naam] * aan de
[straatnaam] te [vestigingsplaats] , zoals de exploitatie van een of meer
ateliers, een oefenruimte voor musici en muzikanten, een crèche of
kleuterdagverblijf met dierweide, een timmerwerkplaats met museumfunctie; en
het bieden van ruimte voor buurtactiviteiten;
b. het bevorderen van de wederopbouw in
haar oorspronkelijke staat van de […] op het […] en – in het algemeen – het
vergroten van de monumentale en toeristische waarde van het […] ;
c. het verschaffen van woon- en/of
werkruimte aan die leden van [de vereniging] – met hun gezinnen – die zich met
die exploitatie en/of met de leiding bij die activiteiten bezig houden;
d. het beheren van gemeenschappelijke
zaken, ruimten en voorzieningen ten behoeve van de leden;
e. het behartigen van de belangen van
de bewoners, gebruikers en exploitanten van het […] * [naam] * .
artikel 5: de middelen om het
doel te bereiken
5. [de vereniging] probeert haar doel
te bereiken:
a. door het huren van het […] * [naam]
* aan de [straatnaam] te [vestigingsplaats] ;
b. door het instandhouden van het […] *
[naam] * en van de daarop staande gebouwen;
c. door het verrichten van alhetgeen de
gezamenlijke verzorging van de woon- en/of werkruimten ten goede komt.”


2.2.
De grond van het […] is eigendom van de
gemeente Utrecht. De opstallen op het […] zijn eigendom van de [bedrijfsnaam]
N.V. (hierna: [bedrijfsnaam] , in de stukken ook wel [bedrijfsnaam] genoemd). [de
vereniging] heeft met [bedrijfsnaam] een “HUUROVEREENKOMST KANTOORRUIMTE en
andere bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:230a BW” gesloten (hierna: de
huurovereenkomst), op grond waarvan [de vereniging] van [bedrijfsnaam] de op
het […] aanwezige bedrijfsruimten, plaatselijk bekend [adres] en [nummer] en
[nummer] t/m [nummer] te [vestigingsplaats] huurt. De nummers [nummer] ,
[nummer] en [nummer] zijn blijkens artikel 1.2 van de huurovereenkomst bestemd
om te worden gebruikt als dienstwoningen ten behoeve van de leden van [de
vereniging] . Nummer [nummer] is bestemd als kinderdagverblijf, nummer [nummer]
als openbare speelplaats en dierweiden en nummer [nummer] als bergingen van de
nummers [nummer] en [nummer] .
2.3.
In artikel 3.1 van de huurovereenkomst
is bepaald dat deze overeenkomst is aangegaan voor de duur van 7 jaar en 9
maanden, ingaande op 1 januari 2011 en lopende tot en met 30 september 2018.
Ingevolge artikel 3.2 wordt deze overeenkomst na het verstrijken van de in 3.1
genoemde periode voortgezet voor een aansluitende periode van 5 jaar. Op grond
van artikel 3.3 vindt beëindiging van deze overeenkomst plaats door opzegging
tegen het einde van een huurperiode met inachtneming van een termijn van ten
minste 1 jaar.
2.4.
[bedrijfsnaam] heeft het beheer van het
[…] door middel van een beheerovereenkomst overgedragen aan [de vereniging] .
Deze beheerovereenkomst is aangegaan voor de periode dat de tussen
[bedrijfsnaam] en [de vereniging] bestaande huurovereenkomst voortduurt. Het
aan [de vereniging] opgedragen beheer ziet – kort samengevat – op toezicht op
en het gebruik van het […] , verhuur of het in gebruik geven van [straatnaam]
[nummer] en [nummer] en [nummer] t/m [nummer] , en de exploitatie en het
gebruik van de […] .
2.5.
De drie dienstwoningen worden op dit
moment worden bewoond door:
– [eiser sub 1] en
[eiseres sub 2] ( [adres] )
– [gedaagde sub 2] en [A] ( [adres] )
– [B] en [gedaagde sub 3] ( [adres] ).
Zij huren deze woningen van [de
vereniging] op grond van een lidmaatschapsovereenkomst die tussen [de
vereniging] en haar leden is gesloten.
2.6.
[eiser sub 1] , [eiseres sub 2] ,
[gedaagde sub 2] , [A] , [B] en [gedaagde sub 3] waren aanvankelijk allen leden
van [de vereniging] en zij waren als bestuurder ingeschreven bij de Kamer van
Koophandel (KvK). [B] heeft bij e-mail van 20 februari 2014 aan de overige
leden kenbaar gemaakt dat hij gelet op het functioneren van [de vereniging]
geen lid meer wil zijn en dat hij zich heeft uitgeschreven bij de KvK. Blijkens
een Bericht van Registratie, dat de KvK op 5 februari 2014 aan [de vereniging]
heeft verstrekt, bekleedde [eiser sub 1] destijds de functie van voorzitter,
[gedaagde sub 2] de functie van penningmeester en [gedaagde sub 3] de functie
van secretaris. [eiser sub 1] heeft zich nadien uitgeschreven als voorzitter
van [de vereniging] . Er is geen nieuwe voorzitter gekozen. [gedaagde sub 2] en
[gedaagde sub 3] treden sindsdien intern en extern op als het bestuur van [de
vereniging] .
2.7.
Bij brief van 13 januari 2016 heeft de heer [C]
(hierna: [C] ), directeur van [bedrijfsnaam] , de bestuursleden van [de
vereniging] meegedeeld dat hij de huurovereenkomst tegen 30 september 2018
opzegt en dat hij de bestuursleden in overweging geeft in te stemmen met een
eerdere beëindiging. [C] heeft zich hierbij bereid verklaard om de
onderhuurders van de drie woningen, na de beëindiging van de huurovereenkomst,
onder bepaalde voorwaarden een huurovereenkomst met [bedrijfsnaam] aan te
bieden.



2.8.
Bij brief van 25 februari 2016 heeft [C] dit aanbod
herroepen. Hij heeft daarbij de huurovereenkomst per 1 januari 2017 voortijdig
opgezegd op grond van wanprestatie. De aanleiding hiervoor was dat [eiser sub
1] aan een woningbouwcorporatie in [plaatsnaam] heeft gemeld dat [gedaagde sub
2] een sociale huurwoning in [plaatsnaam] huurt terwijl hij feitelijk op het
[straatnaam] woont. [C] beschouwt dit als een poging tot escalatie en stelt
zich op het standpunt dat hij zonder nieuwe bewoners geen gezonde
beheersituatie kan creëren.
2.9.
[eiser sub 1] heeft naar aanleiding van
deze brief op 29 februari 2016 een e-mail naar de andere bewoners gestuurd,
waarin hij hen verzoekt om in samenspraak tot een voor [bedrijfsnaam]
acceptabel voorstel te komen.
2.10.
[gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2]
hebben bij e-mail van 5 maart 2016 als volgt op de e-mail van [eiser sub 1]
gereageerd:
“Beste [voornaam eiser sub 1] ,
We slaan je uitnodiging om samen te
praten af.
We sluiten het pad richting individuele
huurcontracten voor de huidige bewoners af.
We gaan akkoord met het plan van
[bedrijfsnaam] om de huidige huurovereenkomst op 1 jan 2017 te laten eindigen.
We gaan in gesprek met [bedrijfsnaam]
zonder jou.
Groet,
Namens de meerderheid van de verenging,
het bestuur van de [de vereniging] :
[voornaam gedaagde sub 3] en [voornaam
gedaagde sub 2] ”.
2.11.
De raadsman van [eiser sub 1] c.s.
heeft zich bij brief van 7 maart 2016 tegenover de bestuursleden van [de
vereniging] op het standpunt gesteld dat [bedrijfsnaam] geen rechtsgeldige
grond heeft voor de (voortijdige) opzeggingen, dat de opzeggingen daarom zonder
enig rechtsgevolg zijn en dat het uitdrukkelijk de taak is van [de vereniging]
om zich – mede namens haar leden – krachtig te verzetten tegen deze
oneigenlijke opzeggingen. [de vereniging] wordt erop gewezen dat zij, door
(voortijdig) in te stemmen met beëindiging van de huurovereenkomst zonder de
bezwaren van individuele leden in overweging te nemen, de belangen van haar
leden op grove en ontoelaatbare wijze veronachtzaamt en zodoende in strijd
handelt met de statuten van [de vereniging] en de lidmaatschapsovereenkomst.
Zij handelt daarmee onrechtmatig jegens [eiser sub 1] c.s. Op de bestuursleden
wordt een dringend beroep gedaan om haar positie te heroverwegen.
2.12.
Op 23 maart 2016 heeft een algemene
ledenvergadering (ALV) plaatsgevonden. Op deze ALV is met meerderheid van
stemmen (waarbij [eiser sub 1] c.s. tegen heeft gestemd) besloten dat [B]
conform zijn verzoek weer toegelaten kan worden als lid van [de vereniging] .
Met betrekking tot de huuropzegging door [bedrijfsnaam] per 1 januari 2017 is
met meerderheid van stemmen (waarbij [eiser sub 1] c.s. tegen heeft gestemd)
besloten geen juridische strijd aan te gaan, maar met [bedrijfsnaam] te
onderhandelen over haar voorstel. Ten slotte is besloten het lidmaatschap van [de
vereniging] van [eiser sub 1] c.s op te zeggen.
2.13.
De raadsman van [eiser sub 1] c.s.
heeft het bestuur van [de vereniging] bij brief van 8 april 2016 gesommeerd te
bevestigen dat er op de ALV van 23 maart 2016 niet volgens de statutaire
bepalingen is gestemd, dat [B] geen lid is van [de vereniging] , dat [eiser sub
1] c.s. volledig lid is van [de vereniging] en dat er op korte termijn een
nieuwe ALV zal worden bijeengeroepen om een strategie te bespreken om – onder
meer – de oneigenlijke opzegging van [bedrijfsnaam] te bestrijden.
2.14.
Bij e-mail van 10 juli 2016 heeft het
bestuur een nieuwe ALV uitgeroepen voor 10 juli 2016. Agendapunten waren onder
meer: vaststellen van de samenstelling van [de vereniging] , bespreking van het
opzeggen van het huurcontract en de beheerovereenkomst met [bedrijfsnaam] en de
toekomst van [de vereniging] .
2.15.
Naar aanleiding van vragen van [eiser
sub 1] c.s. over de bedoeling van de ALV, heeft het bestuur bij e-mail van 6
juli 2016 onder meer de volgende toelichting gegeven:

“Aangezien vrijwel alle besluiten van
die ALV [van 23 maart 2016, toevoeging voorzieningenrechter] betwist worden en
de formaliteiten niet in acht zijn genomen, stelt het bestuur voor die ALV als
“niet gebeurd” te beschouwen. (…)
(…)N.a.v. de vergadering van 23 maart is
[voornaam van B] ingeschreven bij de KvK en [voornaam eiser sub 1] en [voornaam
eiseres sub 2] uitgeschreven. Beide handelingen zijn achteraf gezien niet
onbetwistbaar, hoewel er ter goeder trouw is gehandeld. Om afleiding van de
kern te vermijden zijn de formulieren voor herinschrijving in de brievenbus van
[adres] gedeponeerd, maar nog niet retour ontvangen. (…)
Het standpunt van het bestuur (en de
meerderheid van de leden) is ook bekend en gedeeld, maar ten overvloede nog
maar een keer: het bestuur zal voorstellen akkoord te gaan met de opzegging
door [bedrijfsnaam] van de huurovereenkomst en alle daarmee onlosmakelijk
verbonden overeenkomsten (…). Daarover zal een formeel juiste stemming
plaatsvinden.
Door de medewerking aan het voorstel
van [bedrijfsnaam] om de huidige impasse binnen de [de vereniging] te
doorbreken, zal vervangende woonruimte aangeboden worden. Naar de mening van
het bestuur is dit een uiterst royaal voorstel waartoe [bedrijfsnaam] geenszins
verplicht is. Beter voor het erf, beter voor ons. (…)”

2.16.
Bij brief van 7 juli 2016 heeft [C]
namens [bedrijfsnaam] de huurovereenkomst opnieuw opgezegd tegen het einde van
de overeengekomen duur, 30 september 2018. De ontruiming is aangezegd tegen 1
oktober 2018. Tegen 30 september 2018 is ook de beheerovereenkomst opgezegd.
[C] heeft zich bereid verklaard te overleggen met de bedrijfsmatige
onderhuurders en andere onderhuurders, niet zijnde de onderhuurders van de
bedrijfswoningen, over voortzetting of vernieuwing van de bestaande huurcontracten.
Hij heeft zich ook bereid verklaard om met het bestuur van [de vereniging] in
overleg te treden over een vrijwillige instemming met de beëindiging van de
huur- en beheerovereenkomst tegen een eerdere datum. Indien hierover
overeenstemming wordt bereikt, zal [bedrijfsnaam] de onderhuurders van de
dienstwoningen alternatieve woonruimte uit haar portefeuille aanbieden. Indien
geen overleg plaatsvindt of indien dit overleg niet leidt tot een oplossing,
dan blijft de opzegging en de ontruimingsaanzegging voor het gehele object zijn
volle werking behouden en dient leeg en ontruimd en in goede staat te worden
opgeleverd tegen de einddatum.
2.17.
Blijkens de notulen van de ALV van 10
juli 2016 is op deze vergadering gestemd over de toelating van [B] als lid van
[de vereniging] . Omdat [eiser sub 1] c.s. tegen toelating heeft gestemd, kon
[B] niet met algemene stemmen worden aangenomen, zoals op grond van artikel
11.2 van de statuten nodig is. Er is daarom vastgesteld dat [B] geen lid is van
[de vereniging] en dat [eiser sub 1] c.s. wel nog steeds lid is. De bespreking
van de opzegging van de huurovereenkomst is verschoven naar een volgende ALV.
2.18.
Op 24 juli 2016 heeft een nieuwe ALV
plaatsgevonden om de brief van [bedrijfsnaam] van 7 juli 2016 te bespreken. Met
meerderheid van stemmen (3 stemmen voor, 2 stemmen van [eiser sub 1] c.s.
tegen) is besloten akkoord te gaan met de opzegging van de huurovereenkomst en
de beheerovereenkomst per 30 september 2018 en de ontruiming per 1 oktober 2018
en in gesprek te gaan met [bedrijfsnaam] over vrijwillige instemming met
vervroegde beëindiging.
2.19.
Het bestuur heeft [bedrijfsnaam]
vervolgens bij brief van 24 juli 2016 meegedeeld dat de ALV akkoord is gegaan
met de opzegging van de huurovereenkomst en de beheerovereenkomst per 30
september 2018 en dat zij graag in overleg treedt over een vrijwillige beëindiging
tegen een eerdere datum, bijvoorbeeld per 1 januari 2017. Zij heeft daarbij
aangegeven dat het aanbod van [bedrijfsnaam] om alternatieve woonruimte aan te
bieden als uitgangspunt van het overleg kan dienen.
2.20.
De raadsman van [eiser sub 1] c.s.
heeft zich bij brieven van 29 juli 2016 aan het bestuur van [de vereniging] en
aan [bedrijfsnaam] op het standpunt gesteld dat het besluit van de ALV om in te
stemmen met de huuropzegging nietig is.
2.21.
Op de ALV van 4 september 2016 is onder
meer aan de orde gekomen dat er een gesprek is geweest met [bedrijfsnaam] . In
dit gesprek is besproken dat [de vereniging] akkoord gaat met een eventuele
voortijdige ontbinding van de huurovereenkomst, dat aan de huidige bewoners
alternatieve woonruimte wordt aangeboden om de overgang soepel te laten
verlopen en dat [bedrijfsnaam] en haar advocaat zich zullen beraden over de te
volgen procedure. [eiser sub 1] heeft op de ALV verklaard dat hij en [eiseres
sub 2] het hier niet mee eens zijn en alles zullen aanvechten.
2.22.
Op 23 december 2016 hebben [de
vereniging] , vertegenwoordigd door het bestuur, en [bedrijfsnaam] een
vaststellingsovereenkomst gesloten. Deze overeenkomst is van de kant van [de
vereniging] ondertekend door [gedaagde sub 2] , [A] , [gedaagde sub 3] en [B] .
[eiser sub 1] c.s. is niet bij het sluiten van deze vaststellingsovereenkomst
betrokken geweest en was evenmin op de hoogte dat overleg over het sluiten van
een dergelijke overeenkomst zou plaatsvinden. [de vereniging] en [bedrijfsnaam]
zijn blijkens de vaststellingsovereenkomst onder meer het volgende
overeengekomen:

– De huurovereenkomst eindigt met
wederzijds goedvinden per 31 december 2017, of zoveel eerder als partijen
overeenkomen. De beheerovereenkomst eindigt in beginsel per 1 januari 2017.
– [bedrijfsnaam] zegt toe dat zij de
huurovereenkomsten met betrekking tot [straatnaam] nummers [nummer] , [nummer]
, [nummer] , [nummer] en [nummer] met ingang van 1 januari 2017 wenst over te
nemen in die zin dat deze huurders voortaan rechtstreeks van [bedrijfsnaam]
huren.
– Aan de bewoners van de
bedrijfswoningen [adres] , [nummer] en [nummer] zal een aanbod worden gedaan
voor een vervangende woning uit de portefeuille van [bedrijfsnaam] .
[bedrijfsnaam] zal tot uiterlijk 1 november 2017 maximaal vier vrijkomende
woningen uit haar portefeuille te huur aanbieden aan elk van de drie
huishoudens op het [straatnaam] . Daarnaast zal [bedrijfsnaam] een
verhuiskostenvergoeding van € 2.500,– per huishouden ter beschikking stellen
en ook [de vereniging] zal uit haar vermogen € 2.500,– per huishouden ter
beschikking stellen.
– Indien een aanbod voor een
vervangende woning door de bewoners van één van de woningen wordt geaccepteerd,
dan zal de huur met betrekking tot die woning eindigen na acceptatie van de
nieuwe huurwoning, doch uiterlijk 31 december 2017.

– Per 1 januari 207 zal het vermogen
van [de vereniging] worden gedoneerd aan [bedrijfsnaam] , met als uitsluitende
bestemming de realisering van de statutaire doelstellingen van [de vereniging]
. Onder deze doelstellingen vallen ook een soepele afhandeling van de
overgangsperiode zoals die de laatste jaren is ingezet. Het vermogen zal dan
ook in eerste instantie intact blijven om de afwikkeling van deze
huurbeëindiging voor zover nodig te bekostigen. Indien de donatie door een
onherroepelijke gerechtelijke uitspraak als onrechtmatig beoordeeld zou worden,
zal [bedrijfsnaam] de donatie terugstorten.
– [bedrijfsnaam] en [de vereniging]
zullen in alle eventuele procedures gezamenlijk optrekken, dan wel elkaar tot
steun zijn om de gemaakte afspraken te realiseren.

2.23.
Op 24 december 2016 heeft [gedaagde sub
3] een notitie genaamd ‘Samenwerkingsovereenkomst tussen de [de vereniging] ( [de
vereniging] ) en de [bedrijfsnaam] ( [bedrijfsnaam] ) aangaande de nadere
opheffing van de [de vereniging] ’ aan de leden van [de vereniging]
rondgestuurd. Hierin staat onder meer het volgende:

“De einddatum van de huurovereenkomst
met beperkte duur (…) nadert. Beide partijen hebben aangegeven deze
overeenkomst niet te willen verlengen, noch een nieuwe overeenkomst aan te
willen gaan. De [de vereniging] heeft hierna geen bestaansrecht meer en is
dientengevolge het pad ingeslagen dat zal leiden tot haar opheffing. (…)
(…)Vermogen [de vereniging]Na de opheffing dient het vermogen van
de [de vereniging] (…) besteed te worden aan de doelstellingen zoals die in de
statuten van de [de vereniging] zijn geformuleerd. De [de vereniging] zal het
vermogen doneren aan [bedrijfsnaam] . Deze overeenkomst heeft ten doel om
afspraken te maken tussen [de vereniging] en [bedrijfsnaam] om een juiste
besteding zeker te stellen.
Onder deze doelstellingen van de [de
vereniging] valt volgens de beide partijen ook een soepele afhandeling van de
overgangsperiode zoals die de laatste jaren ingezet. Het vermogen zal dan ook
in eerste instantie intact blijven om de vrijwillig vertrekkende leden van de [de
vereniging] te vrijwaren van de gevolgen van eventuele juridische procedures
door de niet-vrijwillig vertrekkende leden. (…)”

2.24.
In december 2016 heeft het bestuur het
vermogen van [de vereniging] van omstreeks € 24.000,00 overgemaakt naar de
bankrekening van [bedrijfsnaam] .
2.25.
Op 10 januari 2017 heeft een ALV
plaatsgevonden. Door de meerderheid van de leden (waarbij [eiser sub 1] c.s.
tegen heeft gestemd) is besloten de vaststellingsovereenkomst goed te keuren en
de afspraken in de vaststellingsovereenkomst onverkort uit te voeren. Ook is
met meerderheid van stemmen besloten om in het belang van de continuïteit van
de besluitvorming met z’n zessen lid te blijven van [de vereniging] tot
iedereen is verhuisd.
Het
geschil
3.1.
[eiser sub 1] c.s. vordert bij vonnis,
uitvoerbaar bij voorraad:
I. [de vereniging] te verbieden om
uitvoering te geven aan de volgende besluiten wegens nietigheid en/of
vernietigbaarheid:
( i) het besluit tot voortijdige
beëindiging van de huur- en beheerovereenkomst tussen [de vereniging] en
[bedrijfsnaam] ;
(ii) het besluit tot het doneren van
het vermogen van [de vereniging] aan [bedrijfsnaam] ;
(iii) het besluit tot het door [de
vereniging] uitkeren van een verhuiskostenvergoeding aan leden die van het […]
vertrekken;
(iv) het besluit dat permanent van het
[…] vertrekkende leden lid blijven van [de vereniging] totdat alle leden van [de
vereniging] permanent zijn verhuisd;
( v) het besluit tot het aangaan en
goedkeuren van de vaststellingsovereenkomst d.d. 23 december 2016 tussen [de
vereniging] en [bedrijfsnaam] ;
(vi) het besluit tot het beëindigen van
de taken van [de vereniging] ;
(vii) het besluit tot het aanwenden van
het vermogen van [de vereniging] ten behoeve van juridische bijstand voor haar
leden;
II. [de vereniging] te gebieden om in
het Handelsregister van de Kamer van Koophandel als enig bestuurders te
registreren: de heer [gedaagde sub 2] als penningmeester en mevrouw [gedaagde
sub 3] als secretaris;
III. [de vereniging] te gebieden om de
door haar aan [bedrijfsnaam] gedoneerde gelden terug te vorderen, voor zover
zij op het moment van het in deze procedure te wijzen vonnis heeft gedoneerd
aan [bedrijfsnaam] ;
IV. [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub
3] te gebieden om in hun hoedanigheid van bestuursleden van [de vereniging] de
statutaire bepalingen van [de vereniging] naar beste weten na te leven, op
straffe van een hoofdelijk te verbeuren dwangsom van € 1.000,00 per iedere
overtreding van dit gebod, met een maximum van € 50.000,00 per persoon;
V. [de vereniging] c.s. hoofdelijk te
veroordelen in de kosten van het geding en de nakosten.
3.2.
[de vereniging] c.s. voert verweer. Op
de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
De
beoordeling
4.1.
[eiser sub 1] c.s. stelt dat er
structureel (bestuurs)besluiten zijn en worden genomen die juridisch onhoudbaar
zijn, maar desalniettemin potentieel onomkeerbare gevolgen hebben indien de
uitkomst van de nog aanhangig te maken bodemprocedure zou worden afgewacht. De
voorzieningenrechter is van oordeel dat [eiser sub 1] c.s. hiermee de
spoedeisendheid van zijn vorderingen voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
4.2.
[eiser sub 1] c.s. stelt zich op het
standpunt dat de besluiten waarop de vordering sub I ziet, nietig dan wel
vernietigbaar zijn in de zin van de artikelen 2:14 lid 1 BW en 2:15 lid 1 sub b
BW. Hij vordert een verbod tot uitvoering van deze besluiten om verdere schade
te voorkomen.
Het besluit tot (voortijdige)
beëindiging van de huur- en beheerovereenkomst en de daarmee samenhangende
besluiten
4.3.
[eiser sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat
het besluit tot (voortijdige) beëindiging van de huur- en beheerovereenkomst in
strijd is met artikel 4 sub c en artikel 5 sub a van de statuten. Blijkens
artikel 4 sub c van de statuten is een van de doelen van [de vereniging] het
verschaffen van woon- en/of werkruimte aan die leden van [de vereniging] – met
hun gezinnen – die zich met die exploitatie en/of met de leiding bij die
activiteiten bezighouden. Op grond van artikel 5 sub a van de statuten probeert
[de vereniging] haar doel te bereiken door het huren van het […] “ [naam] ” aan
de [straatnaam] te [vestigingsplaats] . Gelet hierop kan [de vereniging]
volgens [eiser sub 1] c.s. niet een besluit nemen dat tot doel heeft om het
woonrecht van haar leden te beëindigen en in te stemmen met voortijdige
beëindiging van de huurovereenkomst.

[eiser sub 1] c.s. stelt zich daarbij op het standpunt dat de huurovereenkomst
mede de huur van woonruimte omvat en dat de leden van [de vereniging] daarom
wettelijke huurbescherming genieten.
4.4.
[de vereniging] c.s. betwist dat het
besluit tot (voortijdige) beëindiging van de huur- en de beheerovereenkomst
nietig dan wel vernietigbaar is. Zij heeft toegelicht dat de samenwerking
tussen de leden van het […] door het optreden van [eiser sub 1] structureel
niet goed loopt, dat er daarom al in 2011 en 2013 mediation heeft
plaatsgevonden, maar dat dit niet tot een oplossing van de problemen heeft
geleid. Ook nu nog is er structureel sprake van slechte onderlinge verhoudingen
tussen [gedaagde sub 3] , [gedaagde sub 2] , [B] en [A] enerzijds en [eiser sub
1] anderzijds. [bedrijfsnaam] heeft gelet hierop na veelvuldig overleg besloten
de huurovereenkomst met [de vereniging] te beëindigen, omdat de gekozen
structuur van een woon-werkgemeenschap met e
en vereniging die
mag onderverhuren volgens [bedrijfsnaam] aan het einde van haar houdbaarheid is
gekomen. Het bestuur van [de vereniging] deelt dit standpunt van [bedrijfsnaam]
en heeft daarom ingestemd met de beëindiging van de huur- en
beheerovereenkomst. Het had volgens [de vereniging] c.s. geen zin om zich tegen
de huuropzegging te verzetten, omdat sprake is van huur van gebouwd onroerend
goed, niet zijnde bedrijfsruimte in de zin van artikel 7:290 BW, en de
huuropzegging op grond van artikel 7:230a BW onvermijdelijk zou leiden tot het
einde van de huur. [de vereniging] c.s. stelt zich daarnaast op het standpunt
dat de bewoners van de dienstwoningen jegens [bedrijfsnaam] geen recht hebben
op huurbescherming, omdat de huurovereenkomst tussen [de vereniging] en
[bedrijfsnaam] niet is aan te merken als een huurovereenkomst van woonruimte en
afsplitsing van de dienstwoningen niet mogelijk is. [de vereniging] c.s. erkent
dat als gevolg van de huuropzegging niet alle doelen van [de vereniging]
volledig kunnen worden nagekomen, maar stelt dat zij door het sluiten van de
vaststellingsovereenkomst ernaar heeft gestreefd om de doelstellingen van [de
vereniging] te waarborgen die nog wel haalbaar waren. Zij wijst erop het doel
van [de vereniging] op grond van artikel 4 sub a tevens is: het ontwikkelen en
steunen van sociaal-culturele activiteiten op en rondom het […] “ [naam] ” aan
de [straatnaam] te [vestigingsplaats] , zoals de exploitatie van een of meer
ateliers, een oefenruimte voor musici en muzikanten, een crèche of
kleuterdagverblijf met dierweide, een timmerwerkplaats met museumfunctie; en
het bieden van ruimte voor buurtactiviteiten.
4.5.
De voorzieningenrechter stelt vast dat de
vaststellingsovereenkomst die [de vereniging] met [bedrijfsnaam] op 23 december
2016 heeft gesloten en waarmee de ALV op 10 januari 2017 heeft ingestemd, in
feite neerkomt op een besluit tot opheffing van [de vereniging] . De instemming
met de (voortijdige) beëindiging van de huurovereenkomst per uiterlijk 31
december 2017 en de beëindiging van de beheerovereenkomst per 1 januari 2017
zal er immers onomstotelijk toe leiden dat de leden van [de vereniging] in de
toekomst niet meer op het […] zullen wonen en geen werkzaamheden meer op het
[…] meer zullen verrichten. De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat
zich dan ook niet meer kunnen of zullen inzetten voor de doelstellingen
waarvoor [de vereniging] is opgericht.
Het besluit om per 1 januari 2017 het
vermogen van [de vereniging] aan [bedrijfsnaam] te doneren, kan in dit licht
bezien dan ook niet anders worden beschouwd dan als een vereffeningsbesluit als
bedoeld in artikel 23 van de statuten. Op grond van dit artikel worden de
activa en de passiva na ontbinding van [de vereniging] vereffend en wordt aan
een eventueel batig saldo een door de algemene vergadering te bepalen
bestemming gegeven. Dat het bestuur er zelf ook van uitgaat dat [de vereniging]
zal worden opgeheven, blijkt uit de notitie ‘Samenwerkingsovereenkomst tussen
de [de vereniging] ( [de vereniging] ) en de [bedrijfsnaam] ( [bedrijfsnaam] )
aangaande de nadere opheffing van de [de vereniging] ’ die op 24 december 2016
aan de leden van [de vereniging] is rondgestuurd. Uit de naam en de inhoud van
deze notitie zoals hierboven weergegeven onder 2.23, blijkt dat door [gedaagde
sub 2] , [gedaagde sub 3] , [A] en [B] wordt aangestuurd op opheffing van [de
vereniging] .
4.6.
Een besluit tot ontbinding van [de vereniging] moet
blijkens artikel 22.1 van de statuten door de ALV met een meerderheid van
tenminste twee/derde gedeelte van het aantal geldig uitgebrachte stemmen worden
genomen. Tussen partijen staat vast dat de ALV geen formeel besluit tot
ontbinding van [de vereniging] heeft genomen. Nu het besluit van de ALV om in
te stemmen met de (voortijdige) beëindiging van de huur- en beheerovereenkomst
dezelfde gevolgen heeft als een ontbindingsbesluit, dienen naar het oordeel van
de voorzieningenrechter voor dit besluit dezelfde totstandkomingsvereisten te
gelden als voor een ontbindingsbesluit. Er kon dus niet worden volstaan met
besluitvorming door de ALV met meerderheid van stemmen, maar er had
besluitvorming moeten plaatsvinden met een meerderheid van tenminste twee/derde
gedeelte van het aantal geldig uitgebrachte stemmen.
4.7.
Tussen partijen is in geschil of het
besluit om in te stemmen met de (voortijdige) beëindiging van de huur- en
beheerovereenkomst met een twee/derde meerderheid is genomen. Meer in het
bijzonder is in geschil of [B] als lid van [de vereniging] dient te worden
aangemerkt en als zodanig stemrecht op de ALV heeft. [eiser sub 1] c.s. stelt
zich op het standpunt dat [B] geen lid van [de vereniging] meer is, omdat hij
zijn lidmaatschap in februari 2014 heeft opgezegd en er sindsdien geen geldig
besluit door de ALV is genomen om [B] op zijn verzoek weer lid te maken.
[de vereniging] c.s. heeft dit laatste
erkend, maar heeft ter zitting het standpunt ingenomen dat [B] zijn
lidmaatschap van [de vereniging] nooit heeft opgezegd, omdat zijn opzegging in
strijd met de statuten niet schriftelijk aan de secretaris van het bestuur is
geschied en hij geen opzegtermijn van tenminste drie maanden in acht heeft
genomen.
De voorzieningenrechter volgt [de
vereniging] c.s. echter niet in dit betoog, nu gesteld noch gebleken is dat [de
vereniging] dit destijds aan [B] heeft tegengeworpen. Uit de notulen van de
verschillende ALV’s blijkt daarentegen dat [de vereniging] c.s. er steeds van
uit is gegaan dat [B] als gevolg van zijn opzegging geen lid meer is van [de
vereniging] . Daarom gaat ook de voorzieningenrechter in deze procedure hiervan
uit.
4.8.
Op grond hiervan wordt vastgesteld dat
[de vereniging] vijf leden heeft die op de ALV mogen stemmen, te weten [eiser
sub 1] , [eiseres sub 2] , [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en [A] . Nu
tevens vaststaat dat [eiser sub 1] en [eiseres sub 2] tegen het besluit van de
ALV om in te stemmen met de (voortijdige) beëindiging van de huur- en
beheerovereenkomst hebben gestemd, en [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] en
[A] vóór hebben gestemd, is dit besluit niet met twee/derde meerderheid van
stemmen genomen. De voorzieningenrechter acht het daarom aannemelijk dat een
bodemrechter zal oordelen dat het besluit op grond van artikel 2:14 lid 1 BW
nietig is wegens strijd met de statuten.
4.9.
De voorzieningenrechter zal, voor het
geval in een bodemprocedure anders wordt geoordeeld over het lidmaatschap van
[B] , ook nog ingaan op de subsidiaire grondslag van de vorderingen van [eiser
sub 1] c.s., namelijk dat het besluit om in te stemmen met de (voortijdige)
beëindiging van de huurovereenkomst in strijd is met de redelijkheid en
billijkheid zoals die door artikel 2:8 BW worden geëist. [eiser sub 1] c.s.
verwijt [de vereniging] c.s. dat door het besluit alleen het belang van
[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [A] en [B] wordt behartigd, omdat zij
toch al van het […] willen vertrekken en zij als gevolg van het besluit door
[bedrijfsnaam] vervangende woonruimte krijgen aangeboden. [eiser sub 1] c.s.
woont echter al dertig jaar op het […] en wil daar graag blijven wonen. [eiser
sub 1] c.s. stelt dat [de vereniging] c.s. door in te stemmen met de
(voortijdige) huurbeëindiging hem de kans heeft ontnomen om tegenover
[bedrijfsnaam] een beroep te doen op huurbescherming.
4.10.
In artikel 2:8 BW is bepaald dat een
rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn
organisatie zijn betrokken, zich als zodanig jegens elkander moeten gedragen
naar hetgeen door redelijkheid en billijkheid wordt gevorderd. Ter beoordeling
staat of de ALV bij afweging van álle bij het besluit betrokken belangen van de
in artikel 2:8 bedoelde personen in redelijkheid en naar billijkheid tot het
besluit heeft kunnen komen. De rechter past terughoudendheid bij de beoordeling
of een orgaan van een rechtspersoon bij het nemen van een besluit alle in
aanmerking komende belangen naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewogen en
daarbij de nodige zorgvuldigheid in acht heeft genomen (HR 12 juli 2013, NJ
2013/461 (VEB/KLM)).
4.11.
Niet in geschil is, dat [eiser sub 1]
c.s. naar aanleiding van de diverse huuropzeggingen door [bedrijfsnaam] van
meet af aan duidelijk heeft gemaakt dat hij graag op het […] wil blijven wonen
en tegenover [bedrijfsnaam] een beroep wil doen op huurbescherming. [de
vereniging] heeft geen juridische strijd met [bedrijfsnaam] willen aangaan,
omdat een beroep op huurbescherming volgens haar geen kans van slagen zou
hebben en instemming met een voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst
ertoe zou leiden dat de bedrijfsmatige huurders rechtstreeks van [bedrijfsnaam]
konden gaan huren en aan de huurders van de dienstwoningen door [bedrijfsnaam]
vervangende woonruimte zou worden aangeboden.
4.12.
De voorzieningenrechter acht het, gelet
op de wijze waarin in de praktijk invulling wordt gegeven aan de huur- en
beheerovereenkomst, niet bij voorbaat uitgesloten dat in een bodemprocedure zal
worden geoordeeld dat de huurovereenkomst tussen [de vereniging] en
[bedrijfsnaam] deels is aan te merken als een overeenkomst tot verhuur van
woonruimte en dat [eiser sub 1] c.s. zich tegenover [bedrijfsnaam] met succes
op (onder)huurbescherming zal kunnen beroepen.
In de loop der jaren, en in ieder geval
sinds 2014, is immers de praktijk gegroeid dat de bewoners van de
‘dienstwoningen’ nog slechts zorgdragen voor het ’s ochtends openen en ’s
avonds afsluiten van het terrein en het verzorgen van de dieren van de
dierenweide. De sociaal-culturele activiteiten worden inmiddels – met
instemming van [bedrijfsnaam] – uitgevoerd door [naam stichting] . Voorts neemt
de voorzieningenrechter in aanmerking dat [bedrijfsnaam] ter gelegenheid van de
eerste opzegging van de huurovereenkomst van 13 januari 2016 heeft aangeboden
een rechtstreekse huurovereenkomst met de bewoners van de nummers 1, 8 en 9 te
sluiten. [de vereniging] heeft ter zitting weliswaar verklaard dat zij destijds
juridisch advies heeft ingewonnen over de vraag of een beroep op
huurbescherming mogelijk was, maar door [eiser sub 1] c.s. is betwist dat dit
advies op één van de ALV’s is besproken. Een schriftelijke weergave van dit
advies is in deze procedure ook niet in het geding gebracht. Uit de overgelegde
notulen van de ALV’s blijkt niet dat er een inhoudelijke discussie heeft
plaatsgevonden over de vraag of een beroep op huurbescherming kansrijk was. Uit
bijvoorbeeld de e-mails van [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 2] van 5 maart
2016 en 6 juli 2016 en de notulen van de ALV van 24 juli 2016 blijkt dat
[gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [A] en [B] deze discussie niet hebben
willen voeren en meteen de weg hebben ingeslagen naar onderhandelingen over een
voortijdige beëindiging van de huurovereenkomst. De ALV heeft door in te
stemmen met de (voortijdige) huurbeëindiging weliswaar de belangen van de
bedrijfsmatige huurders en de belangen van [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3]
, [A] en [B] behartigd, maar heeft daarbij niet het belang van [eiser sub 1]
c.s. om op het […] te kunnen blijven wonen en werken betrokken. Dit is een
gerechtvaardigd belang, temeer omdat [eiser sub 1] c.s. al 30 jaar op het […]
woont en werkt en [de vereniging] destijds heeft opgericht. Het is op grond
hiervan aannemelijk dat [eiser sub 1] c.s. een sterkere band heeft met het […]
dan de andere leden. Door dit belang van [eiser sub 1] c.s. niet in haar
besluitvorming te betrekken, heeft de ALV naar het oordeel van de
voorzieningenrechter in redelijkheid niet tot het besluit tot instemming met de
(voortijdige) huuropzegging en de daarmee samenhangende opzegging van de
beheerovereenkomst kunnen komen. De voorzieningenrechter acht het daarom
aannemelijk dat de bodemrechter tot het oordeel zal komen dat dit besluit op de
voet van artikel 2:15 lid 1 onder b BW vernietigbaar is.
4.13.
Gezien het voorgaande zal de vordering
sub (i) worden toegewezen en zal [de vereniging] worden verboden uitvoering te
geven aan het besluit tot voortijdige beëindiging van de huur- en
beheerovereenkomst tussen [de vereniging] en [bedrijfsnaam] .
4.14.
Omdat dit besluit, zoals hierboven
reeds is overwogen, gelijkgesteld kan worden aan een besluit tot opheffing van
[de vereniging] , is dit besluit tevens aan te merken als een besluit tot het
beëindigen van de taken van [de vereniging] . De vordering sub (vi) om [de
vereniging] te verbieden uitvoering te geven aan het besluit tot het beëindigen
van de taken van [de vereniging] , zal daarom ook worden toegewezen.
4.15.
Nu [de vereniging] in de
vaststellingsovereenkomst met [bedrijfsnaam] is overeengekomen dat de
huurovereenkomst met wederzijds goedvinden per uiterlijk 31 december 2017
eindigt en de beheerovereenkomst eindigt per 1 januari 2017 en in de
vaststellingsovereenkomst eveneens afspraken zijn gemaakt over de vereffening
van het vermogen van [de vereniging] terwijl van een formele ontbinding van [de
vereniging] nog geen sprake is, zal de vordering sub (v) om [de vereniging] te
verbieden uitvoering te geven aan het besluit tot het aangaan en goedkeuren van
de vaststellingsovereenkomst eveneens worden toegewezen.
4.16.
De voorzieningenrechter acht het aannemelijk dat
een bodemrechter tot het oordeel zal komen dat besluit van de ALV om in te
stemmen met de afspraak in de samenwerkingsovereenkomst om het vermogen van [de
vereniging] aan [bedrijfsnaam] te doneren, nietig is wegens strijd met de
statuten omdat aan dit besluit geen formeel besluit tot ontbinding van [de
vereniging] vooraf is gegaan. Ter zitting is echter gebleken dat het resterend
vermogen van [de vereniging] van ongeveer € 24.000,00 al in december 2016 aan
[bedrijfsnaam] is overgemaakt. Het besluit tot het doneren van het vermogen van
[de vereniging] aan [bedrijfsnaam] is dus al uitgevoerd. [eiser sub 1] c.s.
heeft daarom geen belang meer bij zijn vordering sub (ii) om [de vereniging] te
verbieden uitvoering te geven aan dit besluit. Deze vordering zal daarom worden
afgewezen. De vordering sub II om [de vereniging] te gebieden de door haar aan
[bedrijfsnaam] gedoneerde gelden terug te vorderen, voor zover zij op het
moment van dit vonnis gelden aan [bedrijfsnaam] heeft gedoneerd, is gezien het
voorgaande echter wel toewijsbaar. Anders dan [de vereniging] c.s. stelt,
verzet het karakter van dit kort geding zich niet tegen toewijzing van deze
vordering als voorlopige voorziening.
4.17.
Het besluit van de ALV om in te stemmen
met de in de vaststellingsovereenkomst gemaakte afspraak dat [de vereniging]
uit haar vermogen per huishouden een verhuiskostenvergoeding van € 2.500,00 zal
uitkeren aan leden die van het […] vertrekken, is naar het voorlopig oordeel
van de voorzieningenrechter eveneens nietig wegens strijd met de statuten, nu
dit besluit ziet op de afwikkeling van [de vereniging] zonder dat [de
vereniging] formeel ontbonden is en het besluit verder ook geen doel dient
waarvoor [de vereniging] is opgericht. Dit geldt ook voor het besluit tot
aanwending van het vermogen van [de vereniging] ten behoeve van juridische
procedures, welk besluit blijkt uit punt 10 van de door de ALV goedgekeurde
vaststellingsovereenkomst, waar wordt vermeld dat het vermogen van [de vereniging]
zal worden gebruikt ter afwikkeling van de huurbeëindiging, en uit de brief van
het bestuur van 24 december 2016, waarin is vermeld dat het vermogen gebruikt
zal worden om de vrijwillig vertrekkende leden van [de vereniging] te vrijwaren
van de gevolgen van eventuele juridische procedures door niet-vrijwillige
vertrekkende leden. De vorderingen sub (iii) en (vii) om [de vereniging] te
verbieden om uitvoering te geven aan deze besluiten, zullen daarom worden
toegewezen.
4.18.
De voorzieningenrechter deelt het
standpunt van [eiser sub 1] c.s. dat het op de ALV van 10 januari 2017 genomen
besluit dat permanent van het […] vertrekkende leden lid blijven van [de
vereniging] totdat alle leden van [de vereniging] permanent zijn verhuisd, in
strijd is met artikel 12.1 sub e van de statuten. Dit is door [de vereniging]
c.s. ook niet betwist. Op grond van dit artikelonderdeel eindigt het
lidmaatschap van [de vereniging] als het permanente gebruik door een lid van
zijn woon- en/of werkruimte ophoudt. Nu gesteld noch gebleken is dat er door de
ALV een rechtsgeldig besluit is genomen tot wijziging van de statuten, is
aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat het besluit nietig is. De
vordering sub (iv) om [de vereniging] te verbieden aan dit besluit uitvoering
te geven, zal daarom worden toegewezen.
De vordering ten aanzien van het
Handelsregister
4.19.
[eiser sub 1] c.s. vordert sub II om [de
vereniging] te gebieden om in het Handelsregister van de KvK als enig
bestuurders te registreren: de heer [gedaagde sub 2] als penningmeester en
mevrouw [gedaagde sub 3] als secretaris. [eiser sub 1] c.s. legt aan deze
vordering ten grondslag dat op dit moment vier bestuursleden in het
Handelsregister geregistreerd zijn ( [gedaagde sub 2] , [gedaagde sub 3] , [A]
en [B] ), terwijl alleen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] daadwerkelijk
bestuursleden zijn van [de vereniging] . [eiser sub 1] c.s. stelt dat hij
belang heeft bij een juiste registratie ten behoeve van derden.
4.20.
[de vereniging] c.s. stelt dat in het
verleden de afspraak is gemaakt dat alle leden gelijk zouden zijn en allemaal
ingeschreven zouden staan bij de KvK. Zij hebben zich daarbij niet het verschil
tussen ‘lid’ en ‘bestuurslid’ van [de vereniging] gerealiseerd. [de vereniging]
c.s. betwist daarom dat alleen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] bestuurslid
zijn en als enige in Handelsregister zouden moeten worden geregistreerd.
4.21.
De voorzieningenrechter stelt vast dat
partijen geen verslagen van ALV’s hebben overgelegd waaruit blijkt welke leden
door de ALV als bestuursleden van [de vereniging] zijn benoemd. Uit het enkele
feit dat [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zich intern en naar buiten toe
als bestuursleden van [de vereniging] presenteren, kan niet zonder meer worden
afgeleid dat de ALV alleen hen als bestuurders heeft benoemd. Gelet hierop acht
de voorzieningenrechter zich niet in staat om op dit punt een voorlopig oordeel
te geven. Partijen zullen zich hiertoe tot de bodemrechter dienen te wenden. De
vordering sub II zal daarom worden afgewezen.
Vordering tot het naleven van de
statuten
4.22.
[eiser sub 1] c.s. vordert sub IV
[gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] te gebieden om in hun hoedanigheid als
bestuursleden van [de vereniging] de statutaire bepalingen van [de vereniging]
naar beste weten na te leven, op straffe van verbeurte van een dwangsom. [eiser
sub 1] c.s. legt aan deze vordering ten grondslag dat het bestuur op
structurele wijze onrechtmatig jegens hem handelt en dat vrijwel alle besluiten
die in 2016 zijn genomen, enkel en alleen zijn genomen om [eiser sub 1] c.s. te
schaden en soms om het bestuur te verrijken. [eiser sub 1] c.s. wil met de
vordering voorkomen dat het bestuur in de toekomst straffeloos onrechtmatig
jegens hem en structureel in strijd met de statuten blijft handelen.
4.23.
[de vereniging] c.s. stelt zich naar
het oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt dat deze
vordering te vaag en onbepaald is om te kunnen worden toegewezen. Gelet hierop
zal de vordering sub IV worden afgewezen.
4.24.
[de vereniging] zal als de grotendeels
in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. Nu
alleen de vordering sub IV tegen [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] is
gericht en deze is afgewezen, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om,
zoals door [eiser sub 1] c.s. is gevorderd, [de vereniging] , [gedaagde sub 2]
en [gedaagde sub 3] hoofdelijk in de proceskosten te veroordelen. De kosten aan
de zijde van [eiser sub 1] c.s. worden begroot op:
4.25.
De nakosten, waarvan [eiser sub 1] c.s.
betaling vordert, zullen op de in de beslissing weergegeven wijze worden
toegewezen.
De beslissing
De voorzieningenrechter
5.1.
verbiedt [de vereniging] om uitvoering
te geven aan het besluit tot voortijdige beëindiging van de huur- en
beheerovereenkomst tussen [de vereniging] en [bedrijfsnaam] ;
5.2.
verbiedt [de vereniging] om uitvoering
te geven aan het besluit tot het doneren van het vermogen van [de vereniging]
aan [bedrijfsnaam] ;
5.3.
verbiedt [de vereniging] om uitvoering
te geven aan het besluit tot het door [de vereniging] uitkeren van een
verhuiskostenvergoeding aan leden die van het […] vertrekken;
5.4.
verbiedt [de vereniging] om uitvoering
te geven aan het besluit dat permanent van het […] vertrekkende leden lid
blijven van [de vereniging] totdat alle leden van [de vereniging] permanent
zijn verhuisd;
5.5.
verbiedt [de vereniging] om uitvoering
te geven aan het besluit tot het aangaan en goedkeuren van de
vaststellingsovereenkomst d.d. 23 december 2016 tussen [de vereniging] en
[bedrijfsnaam] ;
5.6.
verbiedt [de vereniging] om uitvoering
te geven aan het besluit tot het beëindigen van de taken van [de vereniging] ;
5.7.
verbiedt [de vereniging] om uitvoering
te geven aan het besluit tot het aanwenden van het vermogen van [de vereniging]
ten behoeve van juridische bijstand voor haar leden;
5.8.
gebiedt [de vereniging] om de door haar
aan [bedrijfsnaam] gedoneerde gelden terug te vorderen;
5.9.
5.11.
verklaart dit vonnis tot zover
uitvoerbaar bij voorraad;
5.12.
wijst het meer of anders gevorderde af.