Tegenstrijdige verklaringen in tuchtzaak

Rb. Midden-Nederland 24 februari 2017ECLI:NL:RBMNE:2017:1314

De rechter toetst een uitspraak van de beroepscommissie van de KNVB over een geweldsincident na een voetbalwedstrijd, namelijk een vechtpartij tussen supporters van spelers A, B, C en D en supporters van de andere vereniging, [eiseres sub 1] in deze rechtszaak. [Eiser sub 2] was een van die supporters.

” De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tegenstrijdige verklaringen van [slachtoffer A] enerzijds en [ B] , [D] en [C] anderzijds over de locatie waar [A] door [eiser sub 2] zou zijn getrapt, de [Commissie van Beroep] in redelijkheid aanleiding had moeten geven om de [naam voetbalvereniging] -spelers hierover nogmaals te horen, of in ieder geval in de uitspraak gemotiveerd aan te geven waarom zij dit in de gegeven omstandigheden niet nodig achtte.”

Vonnis in kort geding van 24 februari 2017

in de zaak van

1. de vereniging [eiseres sub 1] , 2. [eiser sub 2], eisers,
tegen de vereniging KONINKLIJKE NEDERLANDSE VOETBALBOND, gedaagde,

Eisers zullen respectievelijk [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] worden genoemd. Zij zullen gezamenlijk worden aangeduid als [eiseres sub 1] c.s. Gedaagde zal de KNVB worden genoemd.

2De feiten

2.1.

Op 25 september 2016 is de competitiewedstrijd [eiseres sub 1] 1 tegen [naam voetbalvereniging] 1 gespeeld. Gedurende de wedstrijd hebben zich geen bijzonderheden voorgedaan. De wedstrijd eindigde omstreeks 15:45 uur.
2.2.

Na afloop van de wedstrijd hebben de spelers en de supporters van beide verenigingen nog wat gedronken in de kantine van [eiseres sub 1] . Enkele minuten na 18:00 uur zijn de laatste zes [naam voetbalvereniging] -spelers/begeleiders (hierna: de [naam voetbalvereniging] -leden) uit de kantine vertrokken. Dit waren de spelers [A] , [B] , [C] en [D] , en de elftalbegeleiders [E] en [F] . Zij liepen buiten de kantine een supporter van [eiseres sub 1] tegen het lijf, die kritiek had op de wijze waarop de [naam voetbalvereniging] -grensrechter [E] had gevlagd. Naderhand opgestelde getuigenverklaringen van de [naam voetbalvereniging] -leden en de [eiseres sub 1] -leden geven verschillende lezingen over de reactie van de [naam voetbalvereniging] -grensrechter. Volgens de [naam voetbalvereniging] -leden legde de [naam voetbalvereniging] -grensrechter zijn hand op de schouder/ in de nek van de betreffende [eiseres sub 1] -supporter. Volgens getuigen van de kant van [eiseres sub 1] deelde de [naam voetbalvereniging] -grensrechter aan de supporter een tik uit. De situatie is hierna geëscaleerd en er heeft op het pad voor de uitgang van de kantine een gevecht plaatsgevonden tussen de [naam voetbalvereniging] -leden en een aantal toegesnelde [eiseres sub 1] -leden. De [naam voetbalvereniging] -leden zijn vervolgens naar de parkeerplaats op ongeveer 250 meter afstand van de kantine gerend. Daar heeft opnieuw een gevecht plaatsgevonden met [eiseres sub 1] -leden die hen hadden achtervolgd. De [naam voetbalvereniging] -leden zijn uiteindelijk snel in een auto gestapt en weggereden. Twee van de [naam voetbalvereniging] -leden, [A] en [B] , hebben zich later onder doktersbehandeling moeten stellen. Bij [A] is een hersenschudding en een gekneusde kaak geconstateerd.


2.3.

Op 27 september 2016 heeft het bestuur van [naam voetbalvereniging] bij de tuchtcommissie van de KNVB een melding gedaan van zinloos en buitensporig geweld dat op 25 september 2016 na de wedstrijd heeft plaatsgevonden. [naam voetbalvereniging] heeft op 28 september 2016 een chronologisch overzicht van de gebeurtenissen en een afschrift van de aangifte van [A] bij de politie aan de KNVB verstrekt. [naam voetbalvereniging] heeft ook verklaringen van [D] , [C] en [B] bijgevoegd, alsmede foto’s van de verwondingen en medische verklaringen van [A] en [B] . [naam voetbalvereniging] heeft nadien nog aangiftes bij de politie van openlijke geweldpleging en mishandeling door [E] en [D] overgelegd en heeft kenbaar gemaakt dat ook [F] aangifte heeft gedaan.
2.4.

De tuchtcommissie heeft op basis van de melding van [naam voetbalvereniging] een tuchtzaak aanhangig gemaakt tegen een groot aantal betrokkenen, waaronder [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] . Naar aanleiding hiervan heeft [eiseres sub 1] c.s. een aantal verklaringen van de betrokkenen en van getuigen aan de tuchtcommissie doen toekomen.
2.5.

Op 11 oktober 2016 heeft een mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie plaatsgevonden, waar betrokkenen en getuigen van de kant van [naam voetbalvereniging] en [eiseres sub 1] zijn gehoord.
2.6.

Op 12 oktober 2016 heeft de tuchtcommissie in de zaken tegen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] uitspraak gedaan, welke uitspraken op 17 oktober 2016 nader zijn gemotiveerd. De tuchtcommissie heeft ten aanzien van [eiseres sub 1] bewezen verklaard dat meerdere leden van [eiseres sub 1] zich ter gelegenheid van de wedstrijd [eiseres sub 1] 1- [naam voetbalvereniging] 1 gespeeld op 25 september 2016 na de wedstrijd onbehoorlijk heeft/hebben gedragen door:
– deel te nemen aan collectief duw- en trekwerk (hard) c.q. een opstootje en
– het slaan van/naar meerdere spelers en een functionaris van [naam voetbalvereniging] en
– het trappen van/naar meerdere spelers van [naam voetbalvereniging] .
De tuchtcommissie heeft [eiseres sub 1] een straf opgelegd van drie winstpunten in mindering, een boete van € 200,00 en het voorwaardelijk uit de competitie nemen van het eerste elftal met een proeftijd tot het einde van het huidige seizoen.
2.7.

De tuchtcommissie heeft ten aanzien van [eiser sub 2] bewezen verklaard dat hij zich ter gelegenheid van de wedstrijd, na de wedstrijd onbehoorlijk heeft gedragen door:
– het slaan van één speler van [naam voetbalvereniging] (te weten: [A] )
– het trappen van één speler van [naam voetbalvereniging] (te weten: [A] ).
De tuchtcommissie heeft niet bewezen geacht dat [eiser sub 2] na de wedstrijd deel heeft genomen aan collectief duw- en trekwerk (hard) c.q. een opstootje, hetgeen hem eveneens tenlaste was gelegd. [eiser sub 2] is door de tuchtcommissie een schorsing opgelegd voor de duur van 24 maanden, met als ingangsdatum 12 oktober 2016. Ook aan andere betrokkenen aan de zijde van [eiseres sub 1] en [naam voetbalvereniging] zijn straffen opgelegd.
2.8.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben tegen de uitspraken van de tuchtcommissie beroep ingesteld bij de Commissie van Beroep (CvB). Zij hebben de CvB daarbij verzocht de zaak mondeling te behandelen. De CvB heeft dit verzoek echter afgewezen.
2.9.

De CvB heeft op 23 november 2016 uitspraak gedaan. De CvB is ten aanzien van [eiseres sub 1] tot dezelfde bewezenverklaring gekomen als de tuchtcommissie en heeft een hogere straf opgelegd, te weten 5 winstpunten in mindering, een boete van € 300,00 en het voorwaardelijk uit de competitie nemen van het eerste elftal met een proeftijd die loopt tot het einde van het huidige seizoen.
2.10.

De CvB is ook ten aanzien van [eiser sub 2] tot dezelfde bewezenverklaring gekomen als de tuchtcommissie. Zij heeft de opgelegde schorsing verkort tot 18 maanden met als ingangsdatum 12 oktober 2016.

3Het geschil

3.1.

[eiseres sub 1] c.s. vordert bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, de uitspraken van de tuchtcommissie van 17 oktober 2016 en de Commissie van Beroep van 23 november 2016 inzake [eiseres sub 1] en/of [eiser sub 2] te schorsen en de KNVB te bevelen om [eiser sub 2] als speler toe te laten en toegelaten te houden tot de voetbalcompetitie 2016/2017 en te bepalen dat de schorsing zal gelden totdat in een bodemprocedure onherroepelijk is beslist over de vernietiging van de beide uitspraken, met de bepaling dat de dagvaarding in die bodemprocedure binnen een termijn van zes weken na dit vonnis dient te worden uitgebracht, met veroordeling van de KNVB in de kosten van deze procedure en de nakosten.
3.2.

KNVB voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4De beoordeling

4.1.

De spoedeisendheid van de zaak is uit het gestelde en gevorderde voldoende aannemelijk geworden.
4.2.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat de KNVB haar tuchtrechtspraak statutair heeft belegd bij onafhankelijke organen van de KNVB, waaronder de tuchtcommissie en de CvB. De uitspraken van die commissie betreffen daarmee besluiten van een orgaan van de rechtspersoon, zodat de nietigheid en/of vernietigbaarheid van deze uitspraken getoetst dienen te worden aan de in de artikelen 2:14 lid 1 BW en 2:15 lid 1 BW opgenomen criteria.
4.3.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich ter onderbouwing van haar vordering op het standpunt dat de uitspraken van de tuchtcommissie en de CvB vernietigbaar zijn op grond van artikel 2:15 lid 1 onder b BW wegens strijd met de redelijkheid en billijkheid die door artikel 2:8 BW worden geëist, en op grond van artikel 2:15 lid 1 onder c BW wegens strijd met reglementaire bepalingen van de KNVB.
Toepasselijkheid KNVB-tuchtrecht
4.4.

Partijen verschillen in de eerste plaats van mening over de vraag of het tuchtrecht van de KNVB van toepassing is op het incident van 25 september 2016 (hierna: het incident) en in het bijzonder over de vraag of het incident nog wel voldoende samenhang heeft met de gespeelde voetbalwedstrijd.
4.5.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich op het standpunt dat dit niet het geval is, omdat het incident meer dan 2 uur en een kwartier plaatsvond na afloop van de wedstrijd en de scheidsrechter al naar huis was. Volgens [eiseres sub 1] c.s. zijn het Reglement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal en de Handleiding Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal alleen bedoeld voor overtredingen die plaatsvinden in en rond een wedstrijd en door een onafhankelijke KNVB-official kunnen worden waargenomen. Daarvan was in dit geval geen sprake.
4.6.

De KNVB acht wel voldoende samenhang tussen het incident en de voetbalwedstrijd aanwezig. Zij wijst er daarbij op dat het incident voortvloeide uit handelingen van de assistent-scheidsrechter tijdens de betreffende wedstrijd en dat het incident bovendien op het sportpark van [eiseres sub 1] heeft plaatsgevonden.
4.7.

In artikel 2 lid 2 sub b van het Algemeen Reglement is – kort samengevat – bepaald dat ieder lid verplicht is zich ter gelegenheid van een voetbalwedstrijd hetzij voor, hetzij gedurende, hetzij na de wedstrijd behoorlijk te gedragen en zonodig mee te helpen bij het handhaven van de orde.
4.8.

In artikel 17 van het Regelement Tuchtrechtspraak Amateurvoetbal (hierna: RTA) is bepaald dat de Tuchtcommissie bevoegd is kennis te nemen van overtredingen, die voor, tijdens, na of in verband met een door het bestuur amateurvoetbal georganiseerde competitie- beker- of reeks wedstrijden zijn begaan.
4.9.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat er voldoende samenhang is tussen het incident en de gespeelde wedstrijd en dat sprake is van een overtreding die na en in verband met een door het bestuur amateurvoetbal georganiseerde competitiewedstrijd is begaan, zoals bedoeld in artikel 17 RTA. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat vaststaat dat de spelers van [eiseres sub 1] en [naam voetbalvereniging] na de wedstrijd in de kantine van [eiseres sub 1] hebben geborreld (in voetbalkringen ook wel bekend als de zogenaamde ‘derde helft’) en dat het incident direct aansluitend aan het borrelen heeft plaatsgevonden op het terrein van [eiseres sub 1] . De voorzieningenrechter acht het verder op grond van de getuigenverklaringen die zich in het dossier bevinden, voldoende aannemelijk dat de aanleiding voor het incident was gelegen in een (door de supporters van de betrokken teams verschillen geïnterpreteerde) interactie tussen de grensrechter van [naam voetbalvereniging] en een supporter van [eiseres sub 1] en dat deze interactie verband hield met de gespeelde wedstrijd. Gelet hierop moet worden geoordeeld dat het KNVB-tuchtrecht op het incident van toepassing is.
Het aanhangig maken van de tuchtzaak
4.10.

[eiseres sub 1] c.s. stelt zich daarnaast op het standpunt dat de overtreding niet op de juiste wijze op grond van artikel 43 lid 1 RTA bij de tuchtcommissie aanhangig is gemaakt. Zij voert hiertoe aan dat geen sprake is geweest van een aantekening op het wedstrijdformulier door de scheidsrechter, zodat de situatie als bedoeld in artikel 43 lid 1 sub a tot en met c zich niet voordoet. Er is ook geen sprake geweest van een schriftelijke aangifte door de scheidsrechter of door een orgaan, commissie of lid van de KNVB, zoals bedoeld in artikel 43 lid 1 sub d en e RTA. Ten aanzien van artikel 43 lid 1 sub f RTA stelt [eiseres sub 1] c.s. zich op het standpunt dat met dit artikelonderdeel is beoogd om de tuchtcommissies van de KNVB in staat te stellen om in een reeds bij haar aanhangige zaak een nieuwe zaak (tenlastelegging) aanhangig te kunnen maken indien zij daartoe in de stukken of verklaringen voldoende aanleiding ziet. Dat valt volgens [eiseres sub 1] c.s. ook af te leiden uit artikel 46 lid 2 TRA. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat ook deze situatie zich niet voordoet.
4.11.

De KNVB stelt dat de overtreding op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA en artikel 46 RTA op de juiste wijze bij de tuchtcommissie aanhangig is gemaakt. Volgens de KNVB geven deze artikelen de tuchtcommissie een autonome bevoegdheid om een tuchtzaak aanhangig te maken op basis van informatie die haar ter kennis is gekomen, hetzij via een aangifte, hetzij op andere wijze.
4.12.

Op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA wordt een overtreding aanhangig gemaakt bij de tuchtcommissie door een beslissing van de tuchtcommissie, wanneer het een overtreding van een wedstrijdbepaling waartegen de scheidsrechter niet heeft kunnen optreden, een overtreding van de Statuten, de reglementen en of gepubliceerde bestuursbesluiten betreft.
4.13.

In artikel 46 RTA – Aanhangig maken door een beslissing van de tuchtcommissie – is verder het volgende bepaald.
1. De tuchtcommissie kan een overtreding aanhangig maken door een daartoe strekkende beslissing wanneer bij haar een redelijk vermoeden ontstaat, dat een overtreding heeft plaatsgevonden, van:
a. de wedstrijdbepalingen waartegen de scheidsrechter niet heeft kunnen optreden; of
b. Statuten, reglementen en besluiten van organen anders dan de wedstrijdbepalingen.
2. Als tijdens een mondelinge behandeling door de tuchtcommissie het vermoeden ontstaat dat betrokkene strafbaar kan worden geacht aan een andere dan de aanhangig gemaakte overtreding, kan dit aan betrokkene mondeling worden aangezegd.
4.14.

Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan uit de formulering van artikel 43 lid 1 sub f RTA niet worden afgeleid dat de toepassing van dit artikelonderdeel is beperkt tot de situatie waarin al een andere zaak bij de tuchtcommissie aanhangig is. Dit volgt ook niet uit het bepaalde in artikel 46 lid 1 RTA. Het bepaalde in het tweede lid van artikel 46 geeft geen reden voor een ander oordeel. Dit artikellid geeft, voorshands oordelend, slechts een aanvullende regeling voor de bijzondere situatie dat tijdens een mondelinge behandeling door de tuchtcommissie het vermoeden ontstaat dat de betrokkene strafbaar kan worden geacht aan nog een andere overtreding. In dat geval kan de beslissing van de tuchtcommissie om ook deze overtreding aanhangig te maken, mondeling aan de betrokkene worden aangezegd. Dat dit een bijzondere regeling is, die geen afbreuk doet aan de algemene regeling als verwoord in het eerste lid van artikel 46, volgt ook uit het bepaalde in artikel 49, eerste lid aanhef en onder b. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kon de tuchtcommissie de overtreding in dit geval dan ook zelfstandig op grond van artikel 43 lid 1 sub f RTA aanhangig maken.
4.15.

[eiseres sub 1] c.s. klaagt er daarnaast over dat [H] (hierna: [H] ), als Medewerkster Excessen werkzaam bij de arbeidsorganisatie van de KNVB, in haar e-mail van 29 september 2016 om 15:23 uur aan [eiseres sub 1] ten onrechte namens de tuchtcommissie heeft geschreven dat de tuchtcommissie op basis van de schriftelijke verklaringen van [naam voetbalvereniging] het vermoeden heeft dat na deze wedstrijd één of meer excessieve overtreding(en) heeft/hebben plaatsgevonden door leden en/of toeschouwers van [eiseres sub 1] en [eiseres sub 1] in deze e-mail heeft aangespoord om alle namen van de betrokken spelers en leden aan de KNVB te melden. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat [H] het hierbij deed voorkomen alsof de kwestie al bij de tuchtcommissie lag, terwijl dit niet het geval was. Dit blijkt volgens [eiseres sub 1] uit de e-mail van [H] van eerder die dag om 14:27 uur aan [naam voetbalvereniging] -penningmeester [I] . Zij schrijft in deze e-mail dat zij de zaak in behandeling zullen nemen en verklaringen aan de zijde van [eiseres sub 1] zullen opvragen, en dat de tuchtcommissie op basis van alle verklaringen zal beslissen welke vervolgstappen genomen zullen worden.
4.16.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat uit de e-mail van [H] aan [eiseres sub 1] niet kan worden afgeleid dat zij op eigen houtje, zonder overleg met de tuchtcommissie, de overtreding bij de tuchtcommissie aanhangig heeft gemaakt. Uit deze e-mail kan immers worden afgeleid dat [H] kennelijk overleg heeft gehad met de tuchtcommissie en dat de commissie zich (inmiddels) op het standpunt heeft gesteld dat het vermoeden bestaat dat één of meer excessieve overtreding(en) heeft/hebben plaatsgevonden. Dit wordt ook bevestigd door de uitnodigingsbrieven voor de mondelinge behandeling voor de tuchtcommissie, die [H] op 6 oktober 2016 aan verschillende betrokkenen van [eiseres sub 1] heeft gestuurd en waarin zij schrijft dat de tuchtcommissie aan de hand van de schriftelijke rapportages van [naam voetbalvereniging] het vermoeden heeft dat de betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan één of meerdere (excessieve) overtreding(en). Gezien het voorgaande is er onvoldoende aanleiding om te veronderstellen dat de tuchtcommissie de beslissing om de overtreding zelfstandig op grond van artikel 43 lid 1 sub F RTA in aanhangig te maken, niet zelf heeft genomen en dat [H] [eiseres sub 1] in haar e-mail van 29 september 2016 onjuist heeft voorgelicht.
Mondelinge behandeling
4.17.

[eiseres sub 1] c.s. stelt voorts dat de CvB – met name ten aanzien van [eiser sub 2] – ten onrechte haar verzoek om een mondelinge behandeling te houden heeft afgewezen. Zij stelt dat [eiser sub 2] ten onrechte op basis van vier verklaringen van de [naam voetbalvereniging] -leden is veroordeeld voor het slaan en trappen van [A] . [eiseres sub 1] c.s. heeft er in haar beroepschrift op gewezen dat [A] en de andere [naam voetbalvereniging] -spelers elkaar tegenspreken over de locatie waar [eiser sub 2] [A] zou hebben getrapt terwijl hij op de grond lag. [A] schrijft in zijn verklaring dat dit vlakbij de kantine is gebeurd, terwijl de andere [naam voetbalvereniging] -leden hebben verklaard dat dit incident op de parkeerplaats plaatsvond. [eiseres sub 1] c.s. heeft voorts een aantal ontlastende verklaringen van [eiser sub 2] zelf en een aantal andere [eiseres sub 1] -leden aan de CvB gestuurd, waaruit blijkt dat [A] al gewond was aan zijn gezicht toen [eiser sub 2] uit de kantine naar buiten kwam. Er was volgens [eiseres sub 1] c.s. daarom aanleiding een mondelinge behandeling te houden om de verschillende getuigen (nogmaals) te horen.
4.18.

De KNVB stelt zich op het standpunt dat de CvB in dit geval terecht tot het standpunt heeft kunnen komen dat van een mondelinge behandeling kon worden afgezien. Zij voert in dit verband aan dat in eerste aanleg een uitvoerig mondeling onderzoek heeft plaatsgevonden en dat de diverse betrokkenen in dat mondeling onderzoek ook door de tuchtcommissie zijn gehoord. De CvB heeft tot een bewezenverklaring kunnen komen op basis van de schriftelijke getuigenverklaringen en heeft het niet nodig geoordeeld om de betreffende getuigen ook nog eens mondeling te doen horen, waar dat in het mondeling onderzoek van de tuchtcommissie al had plaatsgevonden, althans daartoe voldoende gelegenheid was geweest voor [eiser sub 2] om de voor te brengen getuigen te doen horen. Volgens de KNVB is het niet gebruikelijk dat, wanneer in eerste aanleg een mondeling onderzoek heeft plaatsgevonden, ook nog eens een mondeling onderzoek in hoger beroep plaatsvindt, anders dan wanneer daarvoor naar het oordeel van de CvB gewichtige redenen bestaan.
4.19.

Op grond van artikel 86 lid 1 juncto artikel 62 lid 1 RTA vindt een mondelinge behandeling bij de Commissie van Beroep alleen plaats als de commissie dat wenselijk acht.
4.20.

In paragraaf 1.7 van de Handleiding Tuchtzaken Amateurvoetbal (hierna: de Handleiding) is bepaald dat de CvB in het algemeen alleen overgaat tot mondelinge behandeling, wanneer zij dat nodig vindt om tot een oordeel te komen. Als richtlijn geldt hierbij vooral de duidelijkheid en de onderlinge overeenstemming van de afgelegde (schriftelijke, eventueel mondelinge) verklaringen. Verder kunnen een rol spelen: de ernst van de zaak, de zwaarte van de straf en of deze zaak door de tuchtcommissie wel of niet mondeling is behandeld.
4.21.

De CvB heeft in de beroepszaak tegen [eiseres sub 1] in haar uitspraak met betrekking tot het verzoek een mondelinge behandeling te houden het volgende overwogen:
“De Commissie ziet (…) geen aanleiding om in hoger beroep andermaal een mondelinge behandeling te gelasten, te meer nu appellante niet heeft betwist dat de ten laste gelegde collectieve en door de TC als excessieve overtreding gekwalificeerde vechtpartij zich heeft voorgedaan en appellante haar beroep – afgezien van de formele bezwaren die zij aan haar beroep ten grondslag legt – uitsluitend baseert op een strafmaatverweer. De Commissie oordeelt dat zij op dat strafmaatverweer kan beslissen zonder het (opnieuw) gelasten van een mondeling onderzoek.”

4.22.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de CvB in redelijkheid tot dit besluit heeft kunnen komen. De klacht van [eiseres sub 1] c.s. dat de CvB geen mondelinge behandeling heeft gehouden, ziet ook met name op de procedure tegen [eiser sub 2] . In die uitspraak heeft de CvB het volgende overwogen:
“De Commissie ziet (…) geen aanleiding om in hoger beroep andermaal een mondelinge behandeling te gelasten, te meer nu appellant in eerste aanleg is gehoord en de commissie zich overigens voldoende voorgelicht acht.”

4.23.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de CvB op grond van de stellingen die [eiseres sub 1] c.s. in haar beroepschrift heeft ingenomen, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om de [eiseres sub 1] -leden die bij de mondelinge behandeling bij de tuchtcommissie een verklaring hebben afgelegd, niet nogmaals als getuigen te horen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat de verklaringen die van de zijde van [naam voetbalvereniging] voorafgaand aan en ter gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn afgelegd, concreet en specifiek zijn en een gedetailleerde beschrijving geven van de gevechten die hebben plaatsgevonden en van degenen die daarbij waren betrokken. De verklaringen die de [eiseres sub 1] -leden hebben afgelegd zijn daarentegen niet specifiek en vaag. Er wordt in het algemeen verklaard dat wat duw- en trekwerk heeft plaatsgevonden, terwijl naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter gelet op het letsel van [A] en [B] voldoende vaststaat dat er geslagen en/of getrapt is. De afgelegde verklaringen van de [eiseres sub 1] -leden zijn in dit licht bezien onvoldoende overtuigend.
4.24.

De aanvullende verklaringen van [eiseres sub 1] -leden die [eiseres sub 1] c.s. in het kader van de beroepsprocedure heeft overgelegd, hoefde de CvB ook geen aanleiding te geven om deze leden als getuigen te horen. De strekking van deze verklaringen is, dat is waargenomen dat [A] op het moment dat [eiser sub 2] uit de kantine naar buiten rende, zijn hand bij zijn oog/gezicht hield omdat hij daar kennelijk een klap op had gehad. Deze verklaringen komen op dit punt echter overeen met de schriftelijke verklaringen die [B] , [D] en [C] voorafgaand aan de mondelinge behandeling hebben afgelegd. Zij verklaren immers alle drie dat [A] vlak bij de kantine een klap/klappen heeft gekregen en op de grond is gevallen.
4.25.

[B] en [D] verklaren echter ook, dat [A] later door [eiser sub 2] op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. Ook [C] verklaart dat [A] op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. Hij noemt in zijn verklaring geen namen, maar verklaart wel dat [A] van de nummer 9 een mega klap op zijn hoofd kreeg, dat hij in het grind viel en dat 3 man op hem inschopten. [A] verklaart echter alleen dat hij vlak bij de kantine is geslagen en getrapt terwijl hij op de grond lag. Hij verklaart niet dat hij op de parkeerplaats is geslagen en getrapt. 
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de tegenstrijdige verklaringen van [A] enerzijds en [B] , [D] en [C] anderzijds over de locatie waar [A] door [eiser sub 2] zou zijn getrapt, de CvB in redelijkheid aanleiding had moeten geven om de [naam voetbalvereniging] -spelers hierover nogmaals te horen, of in ieder geval in de uitspraak gemotiveerd aan te geven waarom zij dit in de gegeven omstandigheden niet nodig achtte.
 De tuchtcommissie en de CvB hebben [eiser sub 2] immers op grond van deze verklaringen een langdurige schorsing opgelegd, en het past daarbij niet dat er onduidelijkheid bestaat over zo een essentieel onderdeel van de overtreding als de locatie waar deze heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter acht het gelet hierop aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat aan de uitspraak van de CvB die in de procedure tegen [eiser sub 2] is gewezen, een essentieel gebrek kleeft en dat deze uitspraak vernietigbaar is wegens strijd met de Reglementen, in het bijzonder paragraaf 1.7 van de Handleiding. De voorzieningenrechter ziet hierin aanleiding de uitspraken van de CvB en de tuchtcommissie ten aanzien van [eiser sub 2] te schorsen [zinsdeel weggelaten; zie herstelvonnis ECLI:NL:RBMNE:2017:1551].
Verzuim van reglementair voorgeschreven termijnen
4.26.

[eiseres sub 1] c.s. klaagt er ten slotte over dat de CvB in strijd met het bepaalde in artikel 97 lid 3 RTA niet binnen 5 werkdagen na ontvangst van het beroepschrift, maar pas drie weken na indiening van het beroepschrift uitspraak heeft gedaan. In dit artikellid, dat betrekking heeft op de verkorte procedure zoals die hier is gevoerd, is bepaald dat het beroep in geval van schriftelijke behandeling zo mogelijk binnen drie doch niet later dan vijf werkdagen na ontvangst van het beroep door de commissie van beroep wordt behandeld. [eiseres sub 1] c.s. stelt dat de CvB daarnaast heeft gehandeld in strijd met artikel 100 RTA, in welk artikellid is bepaald dat de CvB in geval van een schriftelijke behandeling binnen 24 uur na het sluiten van de behandeling uitspraak doet.
4.27.

De KNVB stelt zich op het standpunt dat de CvB niet in strijd heeft gehandeld met enige reglementaire bepaling, omdat tussen het in behandeling nemen en het sluiten van de behandeling geen reglementair voorgeschreven termijn bestaat.
4.28.

De voorzieningenrechter stelt vast dat, wat er ook zij van de juistheid van de stelling van [eiseres sub 1] c.s. dat de duur van de behandeling uit de artikelen 97 lid 3 en 100 RTA volgt, hetgeen naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet het geval is, dit een termijn van orde betreft. Een eventuele overschrijding van deze termijn heeft niet tot gevolg dat de uitspraak van de CvB op die grond vernietigbaar is.
4.29.

De conclusie is dat de vorderingen van [eiseres sub 1] worden afgewezen. De vorderingen van [eiser sub 2] worden toegewezen als hierna is bepaald. De voorzieningenrechter ziet derhalve aanleiding de voorziening slechts te treffen voor de duur van de bodemprocedure in eerste aanleg. De gevorderde voorziening tot het moment dat in de bodemprocedure “onherroepelijk” zal zijn beslist, wordt afgewezen.
4.30.

KNVB zal als de jegens [eiser sub 2] grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. [eiseres sub 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten aan de zijde van de KNVB die echter vanwege de samenhang met het verweer tegen de vorderingen van [eiser sub 2] door de voorzieningenrechter worden begroot op nihil. De kosten aan de zijde van [eiser sub 2] worden begroot op:

5De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.

schorst de uitspraken van tuchtcommissie van 17 oktober 2016 en de Commissie van Beroep van 23 november 2016 voor zover deze betrekking hebben op [eiser sub 2] en beveelt de KNVB om [eiser sub 2] , als voetbalspeler toe te laten en – voor zover de weigering hem als voetbalspeler toe te laten wordt gebaseerd op de beslissing in voornoemde uitspraken – toegelaten te houden totdat in de bodemprocedure in eerste aanleg is beslist over de gevorderde vernietiging van de beide uitspraken;
5.2.

bepaalt dat deze voorziening vervalt, indien [eiser sub 2] niet uiterlijk op 14 april 2017 de dagvaarding in de bodemprocedure heeft uitgebracht;
5.3.

[]